Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
28 APRIL 2022. - BURGERLIJK WETBOEK - BOEK 5 : " Verbintenissen " (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-07-2022 en tekstbijwerking tot 01-07-2024)
Titre
28 AVRIL 2022. - CODE CIVIL - LIVRE 5 : " Les obligations "(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-07-2022 et mise à jour au 01-07-2024)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Boek 5. Verbintenissen Titel 1. Inleidende bepalingen Titel 2. Bronnen van verbintenissen Ondertitel 1. Rechtshandelingen Hoofdstuk 1. Contract Afdeling 1. Inleidende bepalingen Afdeling 2. Totstandkoming van het contract Onderafdeling 1. Dynamische totstandkoming van ... Paragraaf 1. Onderhandelingen Paragraaf 2. Aanbod en aanvaarding Paragraaf 3. Voorkeurs- en optiecontract Onderafdeling 2. Geldigheidsvereisten Paragraaf 1. Opsomming Paragraaf 2. Toestemming en wilsgebreken Paragraaf 3. Bekwaamheid van de contracterende ... Paragraaf 4. Voorwerp Paragraaf 5. Oorzaak Onderafdeling 3. Nietigheid Afdeling 3. Interpretatie en kwalificatie van h... Onderafdeling 1. Interpretatie van het contract Onderafdeling 2. Kwalificatie van het contract Afdeling 4. Gevolgen van het contract tussen pa... Onderafdeling 1. Bindende kracht Onderafdeling 2. Duur van het contract Onderafdeling 3. Eigendomsoverdragend gevolg va... Afdeling 5. Niet-nakoming van de contractuele v... Onderafdeling 1. Toerekenbare niet-nakoming van... Paragraaf 1. Inleidende bepalingen Paragraaf 2. Uitvoering in natura Paragraaf 3. Recht op herstel van de schade Paragraaf 4. Ontbinding wegens niet-nakoming Paragraaf 5. Prijsvermindering Paragraaf 6. Exceptie van niet-uitvoering Onderafdeling 2. Ontoerekenbare niet-nakoming Afdeling 6. Gevolgen van het contract voor derden Afdeling 7. Tenietgaan van het contract Onderafdeling 1. Gronden van tenietgaan Onderafdeling 2. Restitutie Hoofdstuk 2. Eenzijdige rechtshandeling Ondertitel 2. Rechtsfeiten Hoofdstuk 1. Inleidende bepaling Hoofdstuk 2. Zaakwaarneming Hoofdstuk 3. Onverschuldigde betaling Hoofdstuk 4. Ongerechtvaardigde verrijking Titel 3. Algemeen regime van de verbintenis Ondertitel 1. Inleidende bepaling Ondertitel 2. Modaliteiten van de verbintenis Hoofdstuk 1. Voorwaardelijke verbintenis Hoofdstuk 2. Verbintenis met tijdsbepaling Ondertitel 3. Verbintenissen met pluraliteit va... Hoofdstuk 1. Verbintenissen met pluraliteit van... Hoofdstuk 2. Verbintenissen met pluraliteit van... Afdeling 1. Beginsel van de verdeling Afdeling 2. Hoofdelijkheid tussen schuldenaars Afdeling 3. Ondeelbaarheid tussen schuldenaars Afdeling 4. Verbintenissen in solidum Afdeling 5. Hoofdelijkheid en ondeelbaarheid tu... Ondertitel 4. Overdracht van verbintenissen Hoofdstuk 1. Overdracht van schuldvordering Afdeling 1. Voorwerp Afdeling 2. Tegenwerpelijkheid aan derden Afdeling 3. Verbintenissen van partijen Hoofdstuk 2. Overdracht van schuld Hoofdstuk 3. Overdracht van contract Ondertitel 5. Nakoming van de verbintenis Hoofdstuk 1. Inleidende bepaling Hoofdstuk 2. Betaling Afdeling 1. Gemeenschappelijke bepalingen Afdeling 2. Bijzondere bepalingen voor de gelde... Afdeling 3. Toerekening van betalingen Afdeling 4. Schuldeisersverzuim Hoofdstuk 3. Betaling met subrogatie Ondertitel 6. Niet-nakoming van de verbintenis Hoofdstuk 1. Inleidende bepaling Hoofdstuk 2. Toerekenbaarheid van de niet-nakoming Hoofdstuk 3. Ingebrekestelling Hoofdstuk 4. Uitvoering in natura Hoofdstuk 5. Herstel van de schade Hoofdstuk 6. Opschortingsrecht Hoofdstuk 7. Nalatigheidsinterest Ondertitel 7. Maatregelen ter bescherming van d... Ondertitel 8. Gronden van tenietgaan van de ver... Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Hoofdstuk 2. Schuldvernieuwing Hoofdstuk 3. Kwijtschelding van schuld en de ee... Hoofdstuk 4. Schuldvergelijking Hoofdstuk 5. Verval van de verbintenis door ver... Hoofdstuk 6. Schuldvermenging
Inhoud
Livre 5. Les obligations Titre 1er. Dispositions introductives Titre 2. Les sources d'obligations Sous-titre 1er. Les actes juridiques Chapitre 1er. Le contrat Section 1re. Dispositions introductives Section 2. La formation du contrat Sous-section 1re. La conclusion dynamique du co... Paragraphe 1er. Les négociations Paragraphe 2. L'offre et l'acceptation Paragraphe 3. Le pacte de préférence et le cont... Sous-section 2. Les conditions de validité Paragraphe 1er. Enumération Paragraphe 2. Le consentement et ses vices Paragraphe 3. La capacité des parties contracta... Paragraphe 4. L'objet Paragraphe 5. La cause Sous-section 3. La nullité Section 3. L'interprétation et la qualification... Sous-section 1re. L'interprétation du contrat Sous-section 2. La qualification du contrat Section 4. Les effets du contrat entre parties Sous-section 1re. L'effet obligatoire Sous-section 2. La durée du contrat Sous-section 3. L'effet translatif de certains ... Section 5. L'inexécution de l'obligation contra... Sous-section 1re. L'inexécution imputable au dé... Paragraphe 1er. Dispositions introductives Paragraphe 2. L'exécution en nature Paragraphe 3. Le droit à la réparation du dommage Paragraphe 4. La résolution pour inexécution Paragraphe 5. La réduction du prix Paragraphe 6. L'exception d'inexécution Sous-section 2. L'inexécution qui n'est pas imp... Section 6. Les effets du contrat pour les tiers Section 7. L'extinction du contrat Sous-section 1re. Les causes d'extinction Sous-section 2. Les restitutions Chapitre 2. L'acte juridique unilatéral Sous-titre 2. Les faits juridiques Chapitre 1er. Disposition introductive Chapitre 2. La gestion d'affaire Chapitre 3. Le paiement indu Chapitre 4. L'enrichissement injustifié Titre 3. Le régime général de l'obligation Sous-titre 1er. Disposition introductive Sous-titre 2. Les modalités de l'obligation Chapitre 1er. L'obligation conditionnelle Chapitre 2. L'obligation à terme Sous-titre 3. Les obligations avec pluralité d'... Chapitre 1er. Les obligations à pluralité d'objets Chapitre 2. Les obligations à pluralité de sujets Section 1re. Le principe de la division Section 2. La solidarité entre débiteurs Section 3. L'indivisibilité entre débiteurs Section 4. Les obligations in solidum Section 5. La solidarité et l'indivisibilité en... Sous-titre 4. La transmission des obligations Chapitre 1er. La cession de créance Section 1re. L'objet Section 2. L'opposabilité aux tiers Section 3. Les obligations des parties Chapitre 2. La cession de dette Chapitre 3. La cession de contrat Sous-titre 5. L'exécution de l'obligation Chapitre 1er. Disposition introductive Chapitre 2. Le paiement Section 1re. Dispositions communes Section 2. Dispositions particulières aux oblig... Section 3. L'imputation des paiements Section 4. La demeure du créancier Chapitre 3. Le paiement avec subrogation Sous-titre 6. L'inexécution de l'obligation Chapitre 1er. Disposition introductive Chapitre 2. L'imputabilité de l'inexécution Chapitre 3. La mise en demeure Chapitre 4. L'exécution en nature Chapitre 5. La réparation du dommage Chapitre 6. Le droit à la suspension Chapitre 7. Les intérêts de retard Sous-titre 7. Les mesures de sauvegarde des dro... Sous-titre 8. Les causes d'extinction de l'obli... Chapitre 1er. Disposition générale Chapitre 2. La novation Chapitre 3. La remise de dette et la renonciati... Chapitre 4. La compensation Chapitre 5. La caducité de l'obligation par dis... Chapitre 6. La confusion
Tekst (358)
Texte (358)
Boek 5. Verbintenissen
Livre 5. Les obligations
Titel 1. Inleidende bepalingen
Titre 1er. Dispositions introductives
Artikel 5.1. Verbintenis
  Een verbintenis is een rechtsband op grond waarvan een schuldeiser van een schuldenaar, indien nodig in rechte, de uitvoering van een prestatie mag eisen.
Art. 5.1. Obligation
  L'obligation est un lien de droit en vertu duquel un créancier peut exiger, si nécessaire en justice, d'un débiteur l'exécution d'une prestation.
Art. 5.2. Natuurlijke verbintenis
  De natuurlijke verbintenis is een verbintenis waarvan de uitvoering niet kan worden afgedwongen.
  Restitutie is niet mogelijk voor een natuurlijke verbintenis die zonder vergissing of dwang werd nagekomen.
  De erkenning, zonder vergissing of dwang, van een natuurlijke verbintenis doet een verbintenis ontstaan.
Art. 5.2. Obligation naturelle
  L'obligation naturelle est une obligation dont l'exécution ne peut être exigée.
  La restitution n'est pas admise à l'égard de l'obligation naturelle qui a été acquittée sans ignorance ni contrainte.
  La reconnaissance, sans ignorance ni contrainte, d'une obligation naturelle donne naissance à une obligation.
Art. 5.3. Bronnen van verbintenissen en draagwijdte van de bepalingen
  Verbintenissen ontstaan uit een rechtshandeling, uit een oneigenlijk contract, uit de buitencontractuele aansprakelijkheid of uit de wet.
  De bepalingen van dit boek zijn van aanvullend recht tenzij uit de tekst of de draagwijdte ervan blijkt dat ze geheel of gedeeltelijk een karakter van dwingend recht of van openbare orde hebben.
Art. 5.3. Sources des obligations et portée des dispositions
  Les obligations naissent d'un acte juridique, d'un quasi-contrat, de la responsabilité extracontractuelle ou de la loi.
  Les dispositions du présent livre sont supplétives, à moins qu'il résulte de leur texte ou de leur portée qu'elles présentent, en tout ou en partie, un caractère impératif ou d'ordre public.
Titel 2. Bronnen van verbintenissen
Titre 2. Les sources d'obligations
Ondertitel 1. Rechtshandelingen
Sous-titre 1er. Les actes juridiques
Hoofdstuk 1. Contract
Chapitre 1er. Le contrat
Afdeling 1. Inleidende bepalingen
Section 1re. Dispositions introductives
Art. 5.4. Definitie van het contract
  Een contract, of overeenkomst, is een wilsovereenstemming tussen twee of meer personen met de bedoeling rechtsgevolgen te doen ontstaan.
Art. 5.4. Définition du contrat
  Le contrat, ou convention, est un accord de volontés entre deux ou plusieurs personnes avec l'intention de faire naître des effets de droit.
Art. 5.5. Consensuele, vormelijke en zakelijke contracten
  Een contract is consensueel wanneer het tot stand komt door de loutere wilsovereenstemming van de partijen zonder dat zijn geldigheid onderworpen is aan een vormvereiste.
  Een contract is vormelijk wanneer zijn geldigheid onderworpen is aan een vormvereiste.
  Een contract is zakelijk wanneer zijn totstandkoming onderworpen is aan de overhandiging van een voorwerp door een partij aan de andere.
Art. 5.5. Contrats consensuels, formels et réels
  Le contrat est consensuel lorsqu'il est formé par le seul accord de volontés des parties sans que sa validité soit soumise à une exigence de forme.
  Le contrat est formel lorsque sa validité est soumise à une exigence de forme.
  Le contrat est réel lorsque sa formation est soumise à la remise d'une chose par une partie à l'autre.
Art. 5.6. Wederkerige en eenzijdige contracten
  Een contract is wederkerig wanneer de partijen over en weer jegens elkaar verbonden zijn.
  Een contract is eenzijdig wanneer een partij verbonden is jegens een andere, zonder enige verbintenis voor laatstgenoemde.
Art. 5.6. Contrats synallagmatiques et unilatéraux
  Le contrat est synallagmatique lorsque les parties sont obligées réciproquement les unes envers les autres.
  Le contrat est unilatéral lorsqu'une partie est obligée envers une autre, sans que de la part de cette dernière il y ait d'obligation.
Art. 5.7. Contracten onder bezwarende en ten kosteloze titel
  Een contract is onder bezwarende titel wanneer het voor elke partij een voordeel oplevert.
  Een contract is ten kosteloze titel wanneer een partij die aan de andere een voordeel verschaft, in ruil daarvoor geen voordeel krijgt.
Art. 5.7. Contrats à titre onéreux et à titre gratuit
  Le contrat est à titre onéreux lorsqu'il procure un avantage à chaque partie.
  Le contrat est à titre gratuit lorsqu'une partie qui procure un avantage à l'autre ne reçoit en échange aucun avantage.
Art. 5.8. Vergeldende en kanscontracten
  Een contract is vergeldend wanneer, bij zijn totstandkoming, de wederkerige prestaties als gelijkwaardig worden beschouwd.
  Een contract is een kanscontract wanneer de gelijkwaardigheid van de wederkerige prestaties waartoe de partijen zich verbonden hebben, onzeker is doordat het bestaan of de omvang van één van de prestaties afhangt van een onzekere gebeurtenis. Het veronderstelt het bestaan van een kans op winst of een risico op verlies.
Art. 5.8. Contrats commutatifs et aléatoires
  Le contrat est commutatif lorsque les prestations réciproques sont regardées comme équivalentes lors de sa formation.
  Le contrat est aléatoire lorsque l'équivalence des prestations réciproques auxquelles les parties sont obligées est incertaine parce que l'existence ou l'étendue de l'une des prestations dépend d'un événement incertain. Il suppose l'existence d'une chance de gain ou d'un risque de perte.
Art. 5.9. Raamcontract
  Een raamcontract is een contract waarbij de partijen de algemene principes overeenkomen waarbinnen zij latere uitvoeringscontracten zullen sluiten.
Art. 5.9. Contrat-cadre
  Le contrat-cadre est un contrat par lequel les parties conviennent des principes généraux dans le cadre desquels elles concluront des contrats d'application ultérieurs.
Art. 5.10. Toetredingscontract
  Een contract is een toetredingscontract wanneer het vooraf en eenzijdig is opgesteld door een partij en er niet over onderhandeld kan worden.
  Het feit dat over sommige bedingen van het contract kan worden onderhandeld, sluit de toepassing van dit artikel op de rest van het contract niet uit, indien de globale beoordeling leidt tot de conclusie dat het niettemin gaat om een toetredingscontract.
Art. 5.10. Contrat d'adhésion
  Le contrat est un contrat d'adhésion lorsqu'il est rédigé préalablement et unilatéralement par une partie et qu'il n'est pas négociable.
  Le fait que certaines clauses du contrat soient négociables n'exclut pas l'application du présent article au reste du contrat lorsque l'appréciation globale permet de conclure qu'il s'agit malgré tout d'un contrat d'adhésion.
Art. 5.11. Contract met een consument
  Een contract met een consument is het contract gesloten tussen een onderneming in de zin van het Wetboek van economisch recht en een consument in de zin van dat Wetboek.
Art. 5.11. Contrat avec un consommateur
  Le contrat avec un consommateur est un contrat conclu entre une entreprise au sens du Code de droit économique et un consommateur au sens de ce Code.
Art. 5.12. Meerpartijencontract
  Een meerpartijencontract is een contract door meer dan twee partijen aangegaan.
Art. 5.12. Contrat multipartite
  Le contrat multipartite est un contrat conclu par plus de deux parties.
Art. 5.13. Toepassingsgebied en verwijzingen
  Dit hoofdstuk bevat de algemene regels die van toepassing zijn op alle contracten, meerpartijencontracten inbegrepen, en contractuele bedingen, tenzij de wet zich daartegen verzet.
  De regels die alleen voor bijzondere contracten gelden, worden vastgesteld in de bepalingen van het oud Burgerlijk Wetboek en van het huidig Wetboek die elk van die contracten betreffen, in het Wetboek van economisch recht en in bijzondere wetten.
Art. 5.13. Champ d'application et renvois
  Le présent chapitre contient les règles générales qui s'appliquent à tous les contrats, en ce compris les contrats multipartites, et aux clauses contractuelles, à moins que la loi s'y oppose.
  Les règles particulières aux contrats spéciaux sont établies dans les dispositions de l'ancien Code civil et du présent Code qui concernent chacun de ces contrats, dans le Code de droit économique et dans les lois particulières.
Afdeling 2. Totstandkoming van het contract
Section 2. La formation du contrat
Onderafdeling 1. Dynamische totstandkoming van het contract
Sous-section 1re. La conclusion dynamique du contrat
Paragraaf 1. Onderhandelingen
Paragraphe 1er. Les négociations
Art. 5.14. Contractsvrijheid
  Buiten de gevallen die de wet bepaalt, staat het iedereen vrij om al dan niet een contract te sluiten en om zijn medecontractant te kiezen, zonder de redenen van zijn keuze te moeten verantwoorden.
  De partijen zijn vrij om de inhoud van het contract te bepalen, voor zover dit voldoet aan de bij wet bepaalde geldigheidsvereisten.
Art. 5.14. Liberté contractuelle
  Hors les cas prévus par la loi, chacun est libre de contracter ou de ne pas contracter et de choisir son cocontractant, sans avoir à justifier les raisons de son choix.
  Les parties sont libres de donner le contenu de leur choix au contrat, pourvu qu'il satisfasse aux conditions de validité prévues par la loi.
Art. 5.15. Onderhandelingsvrijheid
  De partijen zijn vrij precontractuele onderhandelingen aan te vatten, te voeren en af te breken.
  Ze handelen hierbij in overeenstemming met de eisen van de goede trouw.
Art. 5.15. Liberté de négocier
  Les parties sont libres d'entamer, de mener et de rompre des négociations précontractuelles.
  Elles agissent à cet égard conformément aux exigences de la bonne foi.
Art. 5.16. Informatieplichten
  De partijen verstrekken elkaar tijdens de precontractuele onderhandelingen de informatie die de wet, de goede trouw en de gebruiken, in het licht van de hoedanigheid van de partijen, hun redelijke verwachtingen en het voorwerp van het contract, hen opleggen te geven.
Art. 5.16. Devoirs d'information
  Les parties se fournissent pendant les négociations précontractuelles les informations que la loi, la bonne foi et les usages leur imposent de donner, eu égard à la qualité des parties, à leurs attentes raisonnables et à l'objet du contrat.
Art. 5.17. Precontractuele aansprakelijkheid
  De partijen kunnen tijdens de precontractuele onderhandelingen jegens elkaar buitencontractuele aansprakelijkheid oplopen.
  Bij foutief afbreken van onderhandelingen houdt deze aansprakelijkheid in dat de benadeelde persoon teruggeplaatst wordt in de situatie waarin hij zich zou hebben bevonden indien er niet zou zijn onderhandeld. Wanneer het rechtmatig vertrouwen is gewekt dat het contract zonder enige twijfel gesloten zou worden, kan deze aansprakelijkheid het herstel van het verlies van de verwachte netto-voordelen uit het niet gesloten contract inhouden.
  De schending van een informatieplicht kan niet enkel leiden tot de precontractuele aansprakelijkheid maar ook tot de nietigheid van het contract indien voldaan is aan de vereisten bepaald in artikel 5.33.
Art. 5.17. Responsabilité précontractuelle
  Les parties peuvent engager leur responsabilité extracontractuelle l'une envers l'autre pendant les négociations précontractuelles.
  En cas de rupture fautive des négociations, cette responsabilité implique que la personne lésée soit remise dans la situation dans laquelle elle se serait trouvée s'il n'y avait pas eu de négociations. Lorsque la confiance légitime que le contrat serait sans aucun doute conclu a été suscitée, cette responsabilité peut impliquer la réparation de la perte des avantages nets attendus du contrat non conclu.
  Outre la responsabilité précontractuelle, la violation d'un devoir d'information peut conduire à la nullité du contrat s'il est satisfait aux exigences prévues à l'article 5.33.
Paragraaf 2. Aanbod en aanvaarding
Paragraphe 2. L'offre et l'acceptation
Art. 5.18. Beginsel
  Het contract komt tot stand door de aanvaarding van een aanbod.
Art. 5.18. Principe
  Le contrat est formé par l'acceptation d'une offre.
Art. 5.19. Aanbod
  Het aanbod is een voorstel tot contracteren dat alle essentiële en substantiële bestanddelen omvat van het beoogde contract en de wil van de aanbieder impliceert om door het contract gebonden te zijn in geval van aanvaarding.
  Een mededelingsplichtig aanbod mag worden gewijzigd of ingetrokken zolang het aanbod de bestemmeling niet heeft bereikt in de zin van artikel 1.5. Een aanbod aan het publiek kan niet worden gewijzigd of ingetrokken zodra het veruitwendigd is.
  Een aanbod blijft onherroepelijk gedurende de erin bepaalde termijn of, bij gebrek daaraan, gedurende een redelijke termijn.
  Na het verstrijken van die termijn of nadat de afwijzing van het aanbod de aanbieder heeft bereikt, is het aanbod niet langer bindend ten aanzien van de persoon die het afwijst.
Art. 5.19. Offre
  L'offre est une proposition de conclure un contrat qui contient tous les éléments essentiels et substantiels du contrat visé et qui implique la volonté de l'offrant d'être lié par le contrat en cas d'acceptation.
  L'offre réceptice peut être modifiée ou retirée aussi longtemps qu'elle n'est pas parvenue au destinataire au sens de l'article 1.5. L'offre au public ne peut être modifiée ou retirée dès qu'elle a été extériorisée.
  L'offre demeure irrévocable durant le délai qui y est fixé ou, à défaut, durant un délai raisonnable.
  Après l'expiration de ce délai ou après que le rejet de l'offre est parvenu à l'offrant, l'offre ne lie plus ce dernier envers l'auteur de ce rejet.
Art. 5.20. Aanvaarding
  De aanvaarding is elke verklaring of andere gedraging van de bestemmeling van het aanbod die uitdrukt dat hij ermee instemt, zonder aanvullingen, beperkingen of andere wijzigingen van essentiële of substantiële bestanddelen.
  Dergelijke aanvullingen, beperkingen of andere wijzigingen gelden als afwijzing van het oorspronkelijke aanbod en desgevallend als een nieuw aanbod.
  Tenzij anders voortvloeit uit de wet, gebruiken of concrete omstandigheden, kan een aanvaarding niet worden afgeleid uit stilzwijgen.
  De intrekking van de aanvaarding is mogelijk zolang deze de aanbieder niet heeft bereikt.
Art. 5.20. Acceptation
  L'acceptation est toute déclaration ou autre comportement du destinataire de l'offre qui exprime l'accord sur celle-ci, sans ajouts, limitations ou autres modifications concernant des éléments essentiels ou substantiels.
  De tels ajouts, limitations ou autres modifications entraînent le rejet de l'offre initiale et constituent, le cas échéant, une nouvelle offre.
  Une acceptation ne peut être déduite d'un silence, sauf s'il en résulte autrement de la loi, des usages ou des circonstances concrètes.
  Le retrait de l'acceptation est possible aussi longtemps qu'elle n'est pas parvenue à l'offrant.
Art. 5.21. Tijdstip en plaats van totstandkoming
  Het contract komt tot stand op het ogenblik en op de plaats waar de aanvaarding de aanbieder bereikt in de zin van artikel 1.5.
  Bij een langs elektronische weg gesloten contract wordt, tenzij partijen anders zijn overeengekomen, deze plaats vermoed de woonplaats van de aanbieder te zijn.
Art. 5.21. Moment et lieu de la formation
  Le contrat est formé au moment et au lieu où l'acceptation parvient au sens de l'article 1.5 à l'offrant.
  Pour un contrat conclu par voie électronique, ce lieu est présumé, sauf accord contraire des parties, être le domicile de l'offrant.
Art. 5.22. Herroepingsrecht
  De wet of het contract kan een herroepingsrecht toekennen. Op grond hiervan beschikt een partij na het sluiten van het contract over een termijn waarbinnen zij aan de andere partij ter kennis kan brengen dat zij afziet van het contract.
  In dat geval, tenzij anders bepaald door de wet of het contract, mag die partij het contract herroepen zonder betaling van kosten of van een vergoeding en zonder opgave van redenen.
Art. 5.22. Droit de rétractation
  La loi ou le contrat peut accorder un droit de rétractation. En vertu de celui-ci, une partie dispose après la conclusion du contrat d'un délai pendant lequel elle peut porter à la connaissance de l'autre partie qu'elle renonce au contrat.
  En ce cas, sauf disposition contraire de la loi ou du contrat, cette partie peut se rétracter du contrat sans paiement de frais ou d'une indemnité et sans avoir à donner de motifs.
Art. 5.23. Algemene voorwaarden
  De opname van algemene voorwaarden van een partij in het contract vereist hun effectieve kennis door de andere partij of ten minste de mogelijkheid voor deze om er effectief kennis van te nemen, alsook hun aanvaarding.
  Bij conflict tussen de algemene voorwaarden van een van de partijen en de onderhandelde voorwaarden, komt voorrang toe aan deze laatste.
  Verwijzen aanbod en aanvaarding naar verschillende algemene voorwaarden, dan komt het contract niettemin tot stand. Beide algemene voorwaarden maken deel uit van het contract, met uitzondering van de onverenigbare bedingen.
  In afwijking van het derde lid komt het contract niet tot stand indien een partij vooraf of zonder onnodige vertraging na de ontvangst van de aanvaarding uitdrukkelijk, en niet door middel van algemene voorwaarden, aangeeft dat zij niet wil gebonden zijn door een dergelijk contract.
Art. 5.23. Conditions générales
  L'inclusion des conditions générales d'une partie dans le contrat requiert leur connaissance effective par l'autre partie ou, à tout le moins, la possibilité pour celle-ci d'en prendre effectivement connaissance, ainsi que leur acceptation.
  En cas de conflit entre les conditions générales d'une des parties et les conditions négociées, la priorité revient à ces dernières.
  Lorsque l'offre et l'acceptation renvoient à des conditions générales différentes, le contrat se forme néanmoins. Chacune des conditions générales fait partie du contrat, à l'exception des clauses incompatibles.
  Par dérogation à l'alinéa 3, le contrat ne se forme pas si, préalablement ou sans retard injustifié après la réception de l'acceptation, une partie indique expressément, et non au moyen de conditions générales, qu'elle ne veut pas être liée par un tel contrat.
Paragraaf 3. Voorkeurs- en optiecontract
Paragraphe 3. Le pacte de préférence et le contrat d'option
Art. 5.24. Voorkeurscontract
  Het voorkeurscontract is een contract waarbij een partij zich ertoe verbindt om voorrang te geven aan de begunstigde ervan indien zij zou beslissen te contracteren. Tenzij de wet of het contract anders bepaalt, is het voorkeurscontract aan volgende regels onderworpen.
  De partij mag slechts met een derde contracteren nadat zij aan de begunstigde de gelegenheid heeft gegeven om zijn voorkeursrecht uit te oefenen. Te dien einde geeft zij aan de begunstigde kennis van de essentiële en substantiële bestanddelen van het contract dat zij beoogt te sluiten.
  Deze kennisgeving geldt als aanbod.
  Wordt het aanbod niet aanvaard, dan mag de partij niet contracteren met een derde tegen een lagere prijs of gunstigere voorwaarden zonder opnieuw over te gaan tot een kennisgeving overeenkomstig het tweede lid.
Art. 5.24. Pacte de préférence
  Le pacte de préférence est un contrat par lequel une partie s'engage à donner la priorité au bénéficiaire du pacte si elle décide de conclure un contrat. Sauf disposition légale ou contractuelle contraire, le pacte de préférence est soumis aux règles suivantes.
  La partie ne peut conclure un contrat avec un tiers qu'après avoir donné au bénéficiaire la possibilité d'exercer son droit de préférence. A cette fin, elle notifie au bénéficiaire les éléments essentiels et substantiels du contrat qu'elle entend conclure.
  Cette notification vaut offre.
  Si l'offre n'est pas acceptée, la partie ne peut pas conclure un contrat avec un tiers à un prix inférieur ou à des conditions plus favorables sans procéder à une nouvelle notification conformément à l'alinéa 2.
Art. 5.25. Optiecontract of eenzijdige contractbelofte
  Het optiecontract, of de eenzijdige contractbelofte, is een contract waarbij een partij aan de begunstigde ervan het recht geeft te beslissen om met haar een contract te sluiten waarvan de essentiële en substantiële bestanddelen vastliggen en voor de totstandkoming waarvan enkel nog de toestemming van de begunstigde ontbreekt.
Art. 5.25. Contrat d'option ou promesse unilatérale de contrat
  Le contrat d'option, ou la promesse unilatérale de contrat, est un contrat par lequel une partie donne à son bénéficiaire le droit de décider de conclure avec elle un contrat dont les éléments essentiels et substantiels sont établis et pour la formation duquel il ne manque plus que le consentement du bénéficiaire.
Art. 5.26. Sanctie
  Wanneer een contract met een derde het voorkeurs- of optiecontract schendt, beschikt de begunstigde over de sancties bij niet-nakoming van de schuldenaar.
  Ten laste van de derde die medeplichtig is aan de schending van het voorkeurs- of optiecontract, kan de begunstigde ook herstel van de geleden schade of de niet-tegenwerpelijkheid van het contract vorderen, of eisen dat hij de plaats van de derde inneemt in het gesloten contract.
Art. 5.26. Sanction
  Lorsqu'un contrat avec un tiers viole le pacte de préférence ou le contrat d'option, le bénéficiaire dispose contre le débiteur des sanctions de l'inexécution.
  A l'encontre du tiers qui est complice de la violation du pacte de préférence ou du contrat d'option, le bénéficiaire peut également demander la réparation du dommage subi, l'inopposabilité du contrat ou sa substitution au tiers dans le contrat conclu.
Onderafdeling 2. Geldigheidsvereisten
Sous-section 2. Les conditions de validité
Paragraaf 1. Opsomming
Paragraphe 1er. Enumération
Art. 5.27. Geldigheidsvereisten
  Voor de geldigheid van een contract moeten de volgende vereisten vervuld zijn:
  1° de vrije en bewuste toestemming van elke partij;
  2° de bekwaamheid van elke partij om contracten aan te gaan;
  3° een bepaalbaar en geoorloofd voorwerp;
  4° een geoorloofde oorzaak.
  De geldigheidsvereisten worden beoordeeld op het ogenblik van de contractsluiting.
Art. 5.27. Conditions de validité
  Pour la validité d'un contrat, les conditions suivantes doivent être remplies:
  1° le consentement libre et éclairé de chaque partie;
  2° la capacité de chaque partie de contracter;
  3° un objet déterminable et licite;
  4° une cause licite.
  Les conditions de validité sont appréciées au moment de la conclusion du contrat.
Paragraaf 2. Toestemming en wilsgebreken
Paragraphe 2. Le consentement et ses vices
Art. 5.28. Beginsel van het consensualisme
  Het contract komt tot stand door de loutere wilsovereenstemming van de partijen.
Art. 5.28. Principe du consensualisme
  Le contrat se forme par le seul accord de volontés des parties.
Art. 5.29. Uitzonderingen op het beginsel van het consensualisme
  Bij uitzondering kunnen de wet of het contract bepaalde vormvereisten opleggen of de overhandiging van een voorwerp vereisen.
  Bij gebrek aan overhandiging van het voorwerp, komt het zakelijke contract niet tot stand.
  Bij gebrek aan vervulling van de vormvereisten, is het vormelijk contract nietig wanneer deze sanctie uit de wet of het contract voortvloeit.
  Vormvereisten louter opgelegd voor het bewijs of de tegenwerpelijkheid van het contract hebben geen invloed op de geldigheid ervan.
Art. 5.29. Exceptions au principe du consensualisme
  Par exception, la loi ou le contrat peut imposer certaines conditions de forme ou exiger la remise d'une chose.
  En l'absence de remise de la chose, le contrat réel ne se forme pas.
  En l'absence d'accomplissement des conditions de forme, le contrat formel est nul lorsque cette sanction résulte de la loi ou du contrat.
  Les conditions de forme requises uniquement pour la preuve ou l'opposabilité du contrat n'ont pas d'incidence sur sa validité.
Art. 5.30. Functionele gelijkwaardigheid
  § 1. Aan elke wettelijke of reglementaire vormvereiste voor de totstandkoming van contracten langs elektronische weg is voldaan wanneer de functionele kwaliteiten van deze vereiste zijn gevrijwaard.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, moet in overweging worden genomen dat:
  1° aan de vereiste van een geschrift is voldaan door een geheel van alfabetische tekens of van enige andere verstaanbare tekens aangebracht op een drager die de mogelijkheid biedt toegang ertoe te hebben gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de informatie kan dienen en waarbij de integriteit ervan wordt beschermd, welke ook de drager en de transmissiemogelijkheden zijn;
  2° aan de uitdrukkelijke of stilzwijgende vereiste van een handtekening is voldaan wanneer deze laatste beantwoordt aan de voorwaarden van ofwel artikel 3, 10° van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, ofwel artikel 3, 12° van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG;
  3° aan de vereiste van een geschreven vermelding van degene die zich verbindt, kan worden voldaan door om het even welk procédé dat waarborgt dat de vermelding effectief uitgaat van deze laatste.
  § 3. Op voorwaarde dat ze het bestaan van praktische belemmeringen vaststellen voor het vervullen van een wettelijke of reglementaire vormvereiste in het kader van de totstandkoming van een contract langs elektronische weg, kunnen de bevoegde hoven en rechtbanken paragrafen 1 en 2 buiten toepassing laten op de contracten die tot één van de volgende categorieën behoren:
  1° contracten die rechten doen ontstaan of overdragen ten aanzien van onroerende zaken, met uitzondering van huurrechten;
  2° contracten waarvoor de wet de tussenkomst voorschrijft van de rechtbank, de autoriteit of de beroepsgroep die een publieke taak uitoefent;
  3° contracten voor persoonlijke en zakelijke zekerheden welke gesteld worden door personen die handelen voor doeleinden buiten hun handels- of beroepsactiviteit;
  4° contracten die onder het familierecht of het erfrecht vallen.
Art. 5.30. Equivalence fonctionnelle
  § 1er. Toute exigence légale ou réglementaire de forme relative au processus contractuel est réputée satisfaite à l'égard d'un contrat par voie électronique lorsque les qualités fonctionnelles de cette exigence sont préservées.
  § 2. Pour l'application du paragraphe 1er, il faut considérer que:
  1° l'exigence d'un écrit est satisfaite par un ensemble de signes alphabétiques ou de tous autres signes intelligibles apposé sur un support permettant d'y accéder pendant un laps de temps adapté aux fins auxquelles les informations sont destinées et de préserver leur intégrité, quels que soient le support et les modalités de transmission;
  2° l'exigence, expresse ou tacite, d'une signature est satisfaite dans les conditions prévues soit à l'article 3, 10° du Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE, soit à l'article 3, 12° du Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE;
  3° l'exigence d'une mention écrite de la main de celui qui s'oblige peut être satisfaite par tout procédé garantissant que la mention émane de ce dernier.
  § 3. A la condition qu'ils constatent l'existence d'obstacles pratiques à la réalisation d'une exigence légale ou réglementaire de forme dans le cadre du processus de conclusion d'un contrat par voie électronique, les cours et tribunaux compétents peuvent ne pas appliquer les paragraphes 1er et 2 aux contrats qui relèvent d'une des catégories suivantes:
  1° les contrats qui créent ou transfèrent des droits sur des biens immobiliers, à l'exception des droits de location;
  2° les contrats pour lesquels la loi requiert l'intervention des tribunaux, des autorités publiques ou de professions exerçant une autorité publique;
  3° les contrats de sûretés et garanties fournis par des personnes agissant à des fins qui n'entrent pas dans le cadre de leur activité professionnelle ou commerciale;
  4° les contrats relevant du droit de la famille ou du droit des successions.
Art. 5.31. Afwezigheid van toestemming en wilsverhinderende dwaling
  Het contract dat tot stand komt hoewel de toestemming van één van de partijen ontbreekt, is relatief nietig.
  Het contract aangetast door een wilsverhinderende dwaling is slechts nietig indien de dwaling doorslaggevend en verschoonbaar is.
Art. 5.31. Absence de consentement et erreur-obstacle
  Le contrat qui est formé alors que le consentement d'une des parties fait défaut est frappé de nullité relative.
  Le contrat entaché d'une erreur faisant obstacle à la rencontre des consentements n'est frappé de nullité que si l'erreur est déterminante et excusable.
Art. 5.32. Materiële vergissing
  Een materiële vergissing die voortvloeit uit een ongewilde discrepantie tussen de werkelijke gemeenschappelijke wil van de partijen en hun verklaarde wil, leidt niet tot de nietigheid van het contract, maar kan steeds worden rechtgezet.
Art. 5.32. Erreur matérielle
  L'erreur matérielle qui procède d'une discordance involontaire entre la volonté réelle commune des parties et leur volonté déclarée ne rend pas le contrat nul mais peut toujours être rectifiée.
Art. 5.33. Wilsgebreken
  Geen toestemming is geldig wanneer zij het gevolg is van dwaling, bedrog, geweld of misbruik van omstandigheden, voor zover het wilsgebrek doorslaggevend is.
  Tenzij de wet anders bepaalt, is een contract aangetast door een wilsgebrek relatief nietig, onverminderd de precontractuele aansprakelijkheid zoals bepaald in artikel 5.17.
  Bedrog, geweld en misbruik van omstandigheden uitgaand van de medeplichtige van de medecontractant of van een persoon waarvoor deze laatste instaat, worden gelijkgesteld met deze van de medecontractant.
Art. 5.33. Vices de consentement
  Il n'y a pas de consentement valable lorsqu'il est la conséquence d'une erreur, d'un dol, d'une violence ou d'un abus de circonstances, pour autant que le vice de consentement soit déterminant.
  A moins que la loi n'en dispose autrement, un contrat entaché par un vice de consentement est frappé de nullité relative, sans préjudice de la responsabilité précontractuelle telle que visée à l'article 5.17.
  Le dol, la violence et l'abus de circonstances émanant du complice du cocontractant ou d'une personne dont ce dernier doit répondre sont assimilés à ceux du cocontractant.
Art. 5.34. Dwaling
  Dwaling is alleen dan een nietigheidsgrond indien een partij op een verschoonbare wijze een verkeerde voorstelling heeft van een element dat voor haar doorslaggevend is geweest om het contract te sluiten, terwijl de wederpartij op de hoogte was of behoorde te zijn van dit doorslaggevende karakter.
  Dwaling kan betrekking hebben op feiten of op het recht.
  Dwaling is geen nietigheidsgrond indien zij alleen de persoon betreft met wie men bedoelde te contracteren, tenzij het contract hoofdzakelijk uit aanmerking van deze persoon is aangegaan.
  Is evenmin een nietigheidsgrond, de dwaling die uitsluitend de waarde van een voorwerp of prestatie of de prijs betreft, tenzij zij voortvloeit uit een dwaling over een doorslaggevende eigenschap van het voorwerp van het contract.
Art. 5.34. Erreur
  L'erreur n'est une cause de nullité que lorsqu'une partie a, de manière excusable, une représentation erronée d'un élément qui l'a déterminée à conclure le contrat, alors que l'autre partie connaissait ou devait connaître ce caractère déterminant.
  L'erreur peut porter sur des faits ou sur le droit.
  L'erreur n'est pas une cause de nullité lorsqu'elle ne concerne que la personne avec laquelle on voulait contracter, à moins que le contrat n'ait été conclu principalement en considération de cette personne.
  N'est pas davantage une cause de nullité l'erreur qui concerne exclusivement la valeur d'une chose ou d'une prestation ou le prix, à moins qu'elle résulte d'une erreur concernant une caractéristique déterminante de l'objet du contrat.
Art. 5.35. Bedrog
  Bedrog is alleen dan een nietigheidsgrond indien een partij werd misleid door kunstgrepen die haar medecontractant opzettelijk heeft aangewend.
  Een kunstgreep kan bestaan uit het opzettelijk achterhouden van informatie waarover men beschikt en die men diende mee te delen overeenkomstig artikel 5.16.
  Bedrog is een nietigheidsgrond, ongeacht of de dwaling ten gevolge van dat bedrog verschoonbaar is.
  Bedrog wordt niet vermoed, maar moet worden bewezen.
Art. 5.35..   Le dol n'est une cause de nullité que lorsqu'une partie a été trompée par les manoeuvres que son cocontractant a pratiquées intentionnellement.
  Une manoeuvre peut consister en une rétention intentionnelle d'informations dont on dispose et que l'on devait communiquer en vertu de l'article 5.16.
  Le dol est une cause de nullité indépendamment du caractère excusable de l'erreur qui en résulte.
  Le dol ne se présume pas mais doit être prouvé.
Art. 5.36. Geweld
  Geweld is alleen dan een nietigheidsgrond indien een partij een contract sluit onder onrechtmatige dwang van haar medecontractant die haar doet vrezen voor een aanzienlijke aantasting van de fysieke of morele integriteit of het vermogen van die partij of van haar naasten.
Art. 5.36. Violence
  La violence n'est une cause de nullité que lorsqu'une partie conclut un contrat sous une contrainte illégitime de son cocontractant qui lui fait craindre une atteinte considérable à l'intégrité physique ou morale ou aux biens de cette partie ou de ses proches.
Art. 5.37. Misbruik van omstandigheden
  Er is misbruik van omstandigheden wanneer bij de contractsluiting een kennelijk onevenwicht bestaat tussen de prestaties als gevolg van het misbruik door de ene partij van omstandigheden die verbonden zijn aan de zwakke positie van de andere partij.
  In dit geval kan de zwakke partij aanspraak maken op de aanpassing van haar verbintenissen door de rechter en, indien het misbruik doorslaggevend is, op de relatieve nietigheid.
Art. 5.37. Abus de circonstances
  Il y a abus de circonstances lorsque, lors de la conclusion du contrat, il existe un déséquilibre manifeste entre les prestations par suite de l'abus par l'une des parties de circonstances liées à la position de faiblesse de l'autre partie.
  En ce cas, la partie faible peut prétendre à l'adaptation de ses obligations par le juge et, si l'abus est déterminant, à la nullité relative.
Art. 5.38. Benadeling
  Een onevenwicht tussen de prestaties van de partijen is geen nietigheidsgrond, tenzij de wet anders bepaalt.
Art. 5.38. Lésion
  Le déséquilibre entre les prestations des parties n'est une cause de nullité que dans les cas prévus par la loi.
Art. 5.39. Veinzing
  Er is veinzing wanneer partijen een schijncontract sluiten terwijl zij door een verborgen contract, de tegenbrief, het schijncontract wijzigen of teniet doen.
  Tussen de partijen geldt de tegenbrief.
  Derden te goeder trouw kunnen kiezen om zich te beroepen hetzij op het schijncontract hetzij op de tegenbrief.
Art. 5.39. Simulation
  Il y a simulation lorsque les parties concluent un contrat apparent tandis que, par un contrat caché, la contre-lettre, elles modifient ou anéantissent le contrat apparent.
  La contre-lettre prévaut entre les parties.
  Les tiers de bonne foi peuvent choisir de se prévaloir du contrat apparent ou de la contre-lettre.
Paragraaf 3. Bekwaamheid van de contracterende partijen
Paragraphe 3. La capacité des parties contractantes
Art. 5.40. Beginsel
  Elke persoon kan contracten aangaan, indien hij daartoe door de wet niet onbekwaam is verklaard.
Art. 5.40. Principe
  Toute personne peut contracter, si elle n'en est pas déclarée incapable par la loi.
Art. 5.41. Uitzonderingen op de bekwaamheid tot contracteren
  Onbekwaam om contracten aan te gaan zijn:
  1° minderjarigen;
  2° krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek beschermde personen binnen de perken van de beslissing van de bevoegde vrederechter;
  3° personen aan wie de wet het aangaan van bepaalde contracten verbiedt.
Art. 5.41. Exceptions à la capacité de contracter
  Les incapables de contracter sont:
  1° les mineurs;
  2° les personnes protégées en vertu de l'article 492/1 de l'ancien Code civil dans les limites de la décision prise par le juge de paix compétent;
  3° les personnes à qui la loi interdit de conclure certains contrats.
Art. 5.42. Gevolgen van de onbekwaamheid
  Tenzij de wet anders bepaalt, leidt onbekwaamheid om te contracteren tot de relatieve nietigheid.
Art. 5.42. Effets de l'incapacité
  L'incapacité de contracter est une cause de nullité relative, sauf disposition légale contraire.
Art. 5.43. Benadeling van de minderjarige
  Benadeling is een relatieve nietigheidsgrond ten voordele van de niet-ontvoogde minderjarige, voor alle soorten van contracten en ten voordele van de ontvoogde minderjarige, voor alle contracten die de grenzen van zijn bekwaamheid te buiten gaan.
  Benadeling kan niet worden ingeroepen:
  1° indien zij enkel het gevolg is van een toevallige en onvoorziene gebeurtenis;
  2° betreffende overeenkomsten in de huwelijksovereenkomst van de minderjarige vervat, wanneer die zijn aangegaan met de bijstand van zijn ouders, één van hen, of bij ontstentenis daarvan, met de machtiging van de familierechtbank.
Art. 5.43. Lésion du mineur
  La lésion est une cause de nullité relative en faveur du mineur non émancipé, pour toutes sortes de contrats, et en faveur du mineur émancipé, pour tous contrats qui excèdent les limites de sa capacité.
  La lésion ne peut pas être invoquée:
  1° lorsqu'elle ne résulte que d'un événement casuel et imprévu;
  2° contre les conventions portées dans la convention matrimoniale du mineur, lorsqu'elles ont été faites avec l'assistance de son père et de sa mère, de l'un d'eux ou, à défaut, avec l'autorisation du tribunal de la famille.
Art. 5.44. Verklaring van meerderjarigheid
  De enkele verklaring van de minderjarige dat hij meerderjarig is, verhindert de nietigheid niet.
Art. 5.44. Déclaration de majorité
  La simple déclaration de majorité faite par le mineur n'empêche pas la nullité.
Art. 5.45. Naleving van vormvereisten
  Wanneer de vormvereisten die ten aanzien van minderjarigen worden opgelegd, hetzij voor de vervreemding van onroerende goederen, hetzij bij de verdeling van een nalatenschap, nageleefd zijn, worden de minderjarigen, met betrekking tot die handelingen, beschouwd alsof zij die verricht hadden na hun meerderjarigheid.
Art. 5.45. Respect des formalités
  Lorsque les formalités requises à l'égard des mineurs, soit pour l'aliénation d'immeubles, soit dans un partage de succession, ont été remplies, ils sont, relativement à ces actes, considérés comme s'ils les avaient faits après leur majorité.
Paragraaf 4. Voorwerp
Paragraphe 4. L'objet
Art. 5.46. Definities
  Ieder contract heeft als voorwerp de verbintenissen of de andere rechtsgevolgen die de partijen beogen.
  Het voorwerp van een verbintenis is een prestatie, die erin kan bestaan iets te doen of niet te doen, iets te geven of iets te garanderen.
  Een verbintenis tot geven strekt tot de overdracht van een recht of tot de vestiging van een zakelijk recht.
Art. 5.46. Définitions
  Tout contrat a pour objet les obligations ou les autres effets de droit que visent les parties.
  Une obligation a pour objet une prestation qui peut consister à faire ou ne pas faire quelque chose, à donner quelque chose ou à garantir quelque chose.
  L'obligation de donner tend au transfert d'un droit ou à la constitution d'un droit réel.
Art. 5.47. Mogelijkheid van het voorwerp
  De prestatie moet mogelijk zijn.
Art. 5.47. Possibilité de l'objet
  La prestation doit être possible.
Art. 5.48. Voorwerpen in de handel
  Het voorwerp van een prestatie moet noodzakelijk in de handel zijn.
Art. 5.48. Choses dans le commerce
  L'objet d'une prestation doit nécessairement être dans le commerce.
Art. 5.49. Bepaalbaarheid van het voorwerp
  De prestatie moet bepaald of ten minste bepaalbaar zijn zonder dat een nieuwe wilsovereenstemming tussen partijen is vereist.
  De bepaling van de prestatie kan krachtens de wet, het contract of de gebruiken worden overgelaten aan één van de partijen of aan een bepaalde of bepaalbare derde, tenzij de wet dat verbiedt.
Art. 5.49. Déterminabilité de l'objet
  La prestation doit être déterminée, ou au moins déterminable sans qu'un nouvel accord de volontés des parties soit exigé.
  La détermination de la prestation peut, en vertu de la loi, du contrat ou des usages, être confiée à une des parties ou à un tiers déterminé ou déterminable, sauf si la loi l'interdit.
Art. 5.50. Toekomstige goederen
  Toekomstige goederen kunnen het voorwerp van een prestatie uitmaken.
Art. 5.50. Choses futures
  Les choses futures peuvent être l'objet d'une prestation.
Art. 5.51. Geoorloofdheid
  De prestatie is ongeoorloofd wanneer zij een toestand doet ontstaan of in stand houdt die in strijd is met de openbare orde of met dwingende wetsbepalingen.
Art. 5.51. Licéité
  La prestation est illicite lorsqu'elle crée ou maintient une situation qui est contraire à l'ordre public ou à des dispositions légales impératives.
Art. 5.52. Onrechtmatige bedingen
  Elk beding waarover niet kan worden onderhandeld en dat een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van partijen is onrechtmatig en wordt voor niet geschreven gehouden.
  Bij de beoordeling van het kennelijk onevenwicht wordt rekening gehouden met alle omstandigheden rond het sluiten van het contract.
  Het eerste lid is noch van toepassing op de bepaling van de hoofdprestaties van het contract, noch op de gelijkwaardigheid van deze hoofdprestaties.
Art. 5.52. Clauses abusives
  Toute clause non négociable et qui crée un déséquilibre manifeste entre les droits et obligations des parties est abusive et réputée non écrite.
  L'appréciation du déséquilibre manifeste tient compte de toutes les circonstances qui entourent la conclusion du contrat.
  L'alinéa 1er ne s'applique ni à la définition des prestations principales du contrat, ni à l'équivalence entre les prestations principales.
Paragraaf 5. Oorzaak
Paragraphe 5. La cause
Art. 5.53. Definitie
  De oorzaak bestaat uit de determinerende beweegredenen die elke partij ertoe hebben bewogen om het contract te sluiten voor zover die gekend waren of behoorden te zijn door de andere partij.
Art. 5.53. Définition
  La cause s'entend des mobiles qui ont déterminé chaque partie à conclure le contrat, dès lors qu'ils sont connus ou auraient dû l'être de l'autre partie.
Art. 5.54. Vereiste
  Een contract gesloten zonder oorzaak is relatief nietig, tenzij de wet toelaat dat het zonder oorzaak kan bestaan. Partijen mogen ook overeenkomen dat het contract van zijn oorzaak wordt geabstraheerd, tenzij de wet zulks verbiedt.
  Een contract uit een valse oorzaak is slechts nietig indien de dwaling doorslaggevend en verschoonbaar is.
Art. 5.54. Exigence
  Un contrat conclu sans cause est frappé de nullité relative, à moins que la loi admette qu'il puisse exister sans cause. Les parties peuvent également convenir d'abstraire le contrat de sa cause, à moins que la loi l'interdise.
  Un contrat sur une fausse cause n'est frappé de nullité que si l'erreur est déterminante et excusable.
Art. 5.55. Niet uitgedrukte oorzaak
  Een contract waarvan de oorzaak niet is uitgedrukt, is niettemin geldig.
Art. 5.55. Cause non exprimée
  Un contrat n'est pas moins valable, quoique la cause n'en soit pas exprimée.
Art. 5.56. Geoorloofdheid
  De oorzaak is ongeoorloofd, wanneer zij strijdig is met de openbare orde of met dwingende wetsbepalingen.
Art. 5.56. Licéité
  La cause est illicite quand elle est contraire à l'ordre public ou à des dispositions légales impératives.
Onderafdeling 3. Nietigheid
Sous-section 3. La nullité
Art. 5.57. Nietigheidsgronden
  Een contract dat niet voldoet aan de geldigheidsvereisten is nietig.
  Het contract blijft evenwel geldig in de gevallen die door de wet zijn bepaald of wanneer uit de omstandigheden blijkt dat de nietigheidssanctie kennelijk ongeschikt zou zijn, gelet op het doel van de geschonden regel.
Art. 5.57. Causes de nullité
  Un contrat qui ne remplit pas les conditions requises pour sa validité est nul.
  Toutefois, le contrat demeure valable dans les cas prévus par la loi ou lorsqu'il résulte des circonstances que la sanction de la nullité ne serait manifestement pas appropriée, eu égard au but de la règle violée.
Art. 5.58. Indeling van de nietigheden
  De nietigheid is absoluut wanneer de geschonden regel van openbare orde is en dus in hoofdzaak de bescherming van het algemeen belang beoogt. Iedere belanghebbende kan zich erop beroepen.
  De nietigheid is relatief wanneer de geschonden regel van dwingend recht is en dus in hoofdzaak de bescherming van een particulier belang beoogt. Enkel de beschermde persoon kan zich erop beroepen.
Art. 5.58. Classification des nullités
  La nullité est absolue lorsque la règle violée est d'ordre public, ayant ainsi pour objet principal la sauvegarde de l'intérêt général. Toute personne justifiant d'un intérêt peut s'en prévaloir.
  La nullité est relative lorsque la règle violée est impérative, ayant ainsi pour objet principal la sauvegarde d'un intérêt privé. Seule la personne protégée peut s'en prévaloir.
Art. 5.59. In werking stelling van de nietigheid
  Tot aan de nietigverklaring ervan brengt het contract aangetast door een nietigheidsgrond dezelfde gevolgen teweeg als een geldig contract.
  De nietigverklaring vloeit voort uit een rechterlijke beslissing die het bestaan van de nietigheidsgrond erkent of uit een akkoord van de partijen. Dit akkoord is nietig indien de vermelde nietigheidsgrond niet bestaat.
  Tenzij het contract bij authentieke akte is vastgesteld, vloeit de nietigheid ook voort uit een schriftelijke kennisgeving die elke persoon die bevoegd is om de nietigheid in te roepen op eigen risico kan richten aan de contractspartijen. Die kennisgeving is onwerkzaam indien de vermelde nietigheidsgrond niet bestaat.
Art. 5.59. Mise en oeuvre de la nullité
  Jusqu'à son annulation, le contrat entaché d'une cause de nullité produit les mêmes effets qu'un contrat valable.
  L'annulation résulte d'une décision de justice qui admet l'existence de la cause de nullité ou d'un accord des parties. Cet accord est nul si la cause de nullité qu'il mentionne n'existe pas.
  A moins que le contrat soit constaté par un acte authentique, l'annulation résulte également d'une notification écrite que toute personne habilitée à se prévaloir de la nullité adresse, à ses risques et périls, aux parties au contrat. Cette notification est inefficace si la cause de nullité qu'elle mentionne n'existe pas.
Art. 5.60. Verjaring van de nietigheid
  De nietigheid door middel van vordering of kennisgeving verjaart na vijf jaar vanaf de dag volgend op deze waarop degene die zich erop beroept kennis heeft van de nietigheidsgrond, en in geval van een relatieve nietigheid, geldig afstand kan doen van het recht om zich erop te beroepen. Aldus moet, naargelang het geval, de onbekwaamheid, het wilsgebrek of de bestaansreden van de bescherming geboden door de geschonden regel van dwingend recht, opgehouden hebben te bestaan. Zij verjaart in ieder geval na twintig jaar vanaf de dag volgend op de dag waarop het contract gesloten is.
  De exceptie van nietigheid verjaart niet.
Art. 5.60. Prescription de la nullité
  La nullité par voie d'action ou de notification se prescrit par cinq ans à partir du jour qui suit celui où son titulaire a connaissance de la cause de nullité et, dans le cas d'une nullité relative, peut valablement renoncer à l'invoquer. Ainsi, il faut, selon le cas, que l'incapacité, le vice de consentement ou la raison d'être de la protection prévue par la règle impérative violée ait cessé. La nullité se prescrit en tout cas par vingt ans à partir du jour qui suit celui où le contrat a été conclu.
  L'exception de nullité ne se prescrit pas.
Art. 5.61. Bevestiging
  Het contract aangetast door een relatieve nietigheidsgrond kan uitdrukkelijk of stilzwijgend worden bevestigd door de beschermde persoon.
  De bevestiging veronderstelt dat de beschermde persoon kennis heeft van de nietigheidsgrond en geldig afstand kan doen van het recht om zich erop te beroepen. Aldus moet, naargelang het geval, de onbekwaamheid, het wilsgebrek of de bestaansreden van de bescherming geboden door de geschonden regel van dwingend recht, opgehouden hebben te bestaan.
  Zij leidt tot afstand van de mogelijkheid om de nietigheid in te roepen, onverminderd de rechten van derden die bevoegd zijn om zich op de nietigheid te beroepen.
  Het contract aangetast door een absolute nietigheidsgrond kan niet worden bevestigd; het kan slechts opnieuw worden gesloten mits inachtneming van de wet.
Art. 5.61. Confirmation
  Le contrat atteint d'une cause de nullité relative peut être confirmé expressément ou tacitement par la personne protégée.
  La confirmation suppose que la personne protégée ait connaissance de la cause de nullité et puisse valablement renoncer à l'invoquer. Ainsi, il faut, selon le cas, que l'incapacité, le vice de consentement ou la raison d'être de la protection prévue par la règle impérative violée ait cessé.
  Elle emporte renonciation à invoquer la nullité, sans préjudice du droit des tiers habilités à se prévaloir de la nullité.
  Le contrat atteint d'une cause de nullité absolue ne peut être confirmé; il ne peut être refait que dans le respect de la loi.
Art. 5.62. Gevolgen van de nietigverklaring
  De nietigverklaring ontneemt het contract zijn gevolgen vanaf de dag waarop het is gesloten.
  De prestaties geleverd op grond van dit contract geven aanleiding tot restitutie onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 5.115 tot 5.124.
Art. 5.62. Effets de l'annulation
  L'annulation du contrat prive celui-ci d'effets depuis la date de sa conclusion.
  Les prestations fournies en vertu de celui-ci donnent lieu à restitution dans les conditions prévues aux articles 5.115 à 5.124.
Art. 5.63. Gedeeltelijke nietigheid
  Wanneer de nietigheidsgrond slechts een gedeelte van het contract betreft, beperkt de nietigverklaring zich tot dat gedeelte, voor zover het contract deelbaar is, rekening houdend met de bedoeling van de partijen evenals met het doel van de geschonden regel.
  Eenmaal nietig verklaard, laat het door de wet voor niet-geschreven gehouden beding de rest van het contract voortbestaan.
Art. 5.63. Nullité partielle
  Lorsque la cause de nullité n'affecte qu'une partie du contrat, l'annulation se limite à cette partie pour autant que le contrat soit divisible, eu égard à l'intention des parties ainsi qu'au but de la règle violée.
  La clause réputée non écrite par la loi, une fois annulée, laisse subsister le reste du contrat.
Afdeling 3. Interpretatie en kwalificatie van het contract
Section 3. L'interprétation et la qualification du contrat
Onderafdeling 1. Interpretatie van het contract
Sous-section 1re. L'interprétation du contrat
Art. 5.64. Voorrang van de werkelijke wil
  In contracten moet men nagaan welke gemeenschappelijke bedoeling de contractspartijen hebben gehad, veeleer dan zich aan de letterlijke betekenis van de woorden te houden.
  Indien het contract evenwel is neergelegd in een geschrift, mag men het contract geen interpretatie geven die kennelijk onverzoenbaar is met de strekking van dat geschrift, rekening houdend met de intrinsieke elementen ervan en met de omstandigheden waarin het is opgesteld en uitgevoerd.
Art. 5.64. Primauté de la volonté réelle
  Dans les contrats, on doit rechercher quelle a été la commune intention des parties contractantes, plutôt que de s'arrêter au sens littéral des termes.
  Toutefois, lorsque le contrat est constaté par un écrit, on ne peut donner du contrat une interprétation manifestement inconciliable avec la portée de cet écrit, compte tenu des éléments intrinsèques à celui-ci et des circonstances dans lesquelles il a été établi et exécuté.
Art. 5.65. Nagaan van de werkelijke wil
  Om na te gaan welke gemeenschappelijke bedoeling de partijen hebben gehad, wordt met name rekening gehouden met de volgende richtlijnen:
  1° wanneer een beding voor tweeërlei zin vatbaar is, moet men het veeleer opvatten in de zin waarin het enig gevolg kan hebben, dan in die waarin het geen gevolg kan teweegbrengen;
  2° bewoordingen die voor tweeërlei zin vatbaar zijn, moeten worden opgevat in de zin die met de inhoud van het contract het best overeenstemt;
  3° hetgeen dubbelzinnig is, wordt uitgelegd volgens hetgeen gebruikelijk is in de desbetreffende streek en sector, en overeenkomstig de gebruikelijke betrekkingen tussen de partijen;
  4° alle bedingen van een contract worden uitgelegd het ene door het andere, zodat elk beding wordt opgevat in de zin die uit de gehele akte voortvloeit;
  5° hoe algemeen ook de bewoordingen zijn waarin een contract opgesteld is, toch omvat het alleen die onderwerpen waaromtrent blijkt dat partijen bedoelden te contracteren;
  6° wanneer men in een contract een geval heeft vermeld tot verduidelijking van de verbintenis, wordt men niet geacht daardoor haar omvang te hebben willen beperken, wat betreft de niet vermelde gevallen die de verbintenis naar recht omvat;
  7° de uitvoering gegeven aan het contract voordat er zich een betwisting tussen de partijen voordoet, wordt in aanmerking genomen voor de interpretatie van het contract.
Art. 5.65. Recherche de la volonté réelle
  Pour rechercher quelle a été la commune intention des parties, il est tenu compte notamment des directives suivantes:
  1° lorsqu'une clause est susceptible de deux sens, on doit plutôt l'entendre dans celui avec lequel elle peut avoir quelque effet, que dans le sens avec lequel elle n'en pourrait produire aucun;
  2° les termes susceptibles de deux sens doivent être pris dans le sens qui convient le plus à la matière du contrat;
  3° ce qui est ambigu s'interprète par ce qui est d'usage dans la région et le secteur concernés et conformément aux relations habituelles entre les parties;
  4° toutes les clauses des contrats s'interprètent les unes par les autres, en donnant à chacune le sens qui résulte de l'acte entier;
  5° quelque généraux que soient les termes dans lesquels un contrat est conçu, il ne comprend que les sujets sur lesquels il paraît que les parties se sont proposé de contracter;
  6° lorsque dans un contrat on a exprimé un cas pour l'explication de l'obligation, on n'est pas censé avoir voulu par là restreindre l'étendue que l'obligation reçoit de droit aux cas non exprimés;
  7° l'exécution donnée au contrat avant que survienne une contestation entre les parties est prise en considération pour interpréter le contrat.
Art. 5.66. Interpretatie bij twijfel
  Bij aanhoudende twijfel met betrekking tot de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen zijn de volgende regels van toepassing, onverminderd de bepalingen eigen aan de bijzondere contracten:
  1° het toetredingscontract wordt uitgelegd ten nadele van de partij die het heeft opgesteld;
  2° het bevrijdingsbeding wordt uitgelegd ten nadele van de schuldenaar van de verbintenis;
  3° in alle overige gevallen wordt het beding uitgelegd ten nadele van de begunstigde ervan.
  Het contract met een consument wordt uitgelegd overeenkomstig het artikel VI.37 van het Wetboek van economisch recht.
Art. 5.66. Interprétation en cas de doute
  Lorsqu'il subsiste un doute concernant la commune intention des parties, les règles suivantes s'appliquent, sans préjudice des règles propres aux contrats spéciaux:
  1° le contrat d'adhésion s'interprète contre la partie qui l'a rédigé;
  2° la clause exonératoire de responsabilité s'interprète contre le débiteur de l'obligation;
  3° dans tous les autres cas, la clause s'interprète contre le bénéficiaire de cette clause.
  Le contrat avec un consommateur s'interprète conformément à l'article VI.37 du Code de droit économique.
Onderafdeling 2. Kwalificatie van het contract
Sous-section 2. La qualification du contrat
Art. 5.67. Kwalificatie van gemengde contracten
  Wanneer een contract bedingen bevat die vallen onder verschillende categorieën van contracten, wordt elk beding onderworpen aan de regels die van toepassing zijn op de categorie waartoe het behoort.
  Indien een contract evenwel, in bijkomstige orde, bedingen omvat die behoren tot een categorie die verschilt van degene waartoe het contract in hoofdorde behoort, wordt het contract in zijn geheel, met de nodige aanpassingen, onderworpen aan de regels die daarop in hoofdorde van toepassing zijn, tenzij de desbetreffende bijkomstige bedingen uit hun aard een eigen reglementering noodzaken.
  Dit artikel is van toepassing onder voorbehoud van de andersluidende wil van de partijen en van elke relevante dwingendrechtelijke regel of regel van openbare orde.
Art. 5.67. Qualification des contrats mixtes
  Lorsqu'un contrat contient des clauses qui relèvent de différentes catégories de contrats, chaque clause est soumise aux règles qui s'appliquent à la catégorie dont elle relève.
  Toutefois, lorsqu'un contrat contient, à titre accessoire, des clauses relevant d'une autre catégorie que celle dont le contrat relève à titre principal, l'ensemble du contrat est soumis, moyennant les adaptations requises, aux règles qui lui sont applicables à titre principal, à moins que les clauses accessoires concernées nécessitent par nature une réglementation propre.
  Le présent article s'applique sous réserve de la volonté contraire des parties et de toute règle impérative ou d'ordre public pertinente.
Art. 5.68. Herkwalificatie van het contract
  Van de kwalificatie die door de partijen aan het contract is gegeven, kan enkel worden afgeweken indien zij onverenigbaar is met de bedingen ervan of met dwingendrechtelijke regels of regels van openbare orde.
Art. 5.68. Requalification du contrat
  La qualification donnée par les parties au contrat ne peut être écartée que lorsqu'elle est incompatible avec les clauses de celui-ci ou avec les règles impératives ou d'ordre public.
Afdeling 4. Gevolgen van het contract tussen partijen
Section 4. Les effets du contrat entre parties
Onderafdeling 1. Bindende kracht
Sous-section 1re. L'effet obligatoire
Art. 5.69. Beginsel van de overeenkomst-wet
  Een contract dat geldig tot stand is gekomen, strekt degenen die het hebben gesloten tot wet.
Art. 5.69. Principe de la convention-loi
  Le contrat valablement formé tient lieu de loi à ceux qui l'ont fait.
Art. 5.70. Wijziging en opzegging van het contract
  Een contract kan enkel worden gewijzigd of opgezegd met de wederzijdse toestemming van de partijen of op de gronden door de wet erkend.
  Indien een contract het toelaat, kan het worden gewijzigd of opgezegd door een partij of door een derde.
Art. 5.70. Modification et résiliation du contrat
  Le contrat ne peut être modifié ou résilié que du consentement mutuel des parties, ou pour les causes que la loi autorise.
  Lorsque le contrat l'autorise, il peut être modifié ou résilié par une partie ou par un tiers.
Art. 5.71. Inhoud van het contract
  Een contract verbindt niet alleen tot hetgeen daarin overeengekomen is, maar ook tot alle gevolgen die door de wet, de goede trouw of de gebruiken eraan, volgens de aard en de strekking ervan, worden toegekend.
  Tenzij de partijen anders zijn overeengekomen, en voor zover de aard en de strekking ervan zich daartoe lenen, gelden de bedingen van een raamcontract ook voor de uitvoeringscontracten.
Art. 5.71. Contenu du contrat
  Le contrat oblige non seulement à ce qui y est convenu, mais encore à toutes les suites que la loi, la bonne foi ou les usages lui donnent d'après sa nature et sa portée.
  Sauf accord contraire des parties et pour autant que leur nature et leur portée s'y prêtent, les clauses d'un contrat-cadre régissent aussi les contrats d'application.
Art. 5.72. Draagwijdte van contractuele verbintenissen
  De inspanningsverbintenis is een verbintenis die de schuldenaar ervan verplicht om alle zorg te verstrekken die eigen is aan een voorzichtig en redelijk persoon om een bepaald resultaat te bereiken. Het bewijs van de fout van de schuldenaar rust op de schuldeiser.
  De resultaatsverbintenis is een verbintenis die de schuldenaar ervan verplicht om een bepaald resultaat te bereiken. Indien het resultaat niet wordt bereikt, wordt de fout van de schuldenaar vermoed, tenzij overmacht wordt aangetoond.
Art. 5.72. Portée des obligations contractuelles
  L'obligation de moyens est celle en vertu de laquelle le débiteur est tenu de fournir tous les soins d'une personne prudente et raisonnable pour atteindre un certain résultat. La preuve de la faute du débiteur incombe au créancier.
  L'obligation de résultat est celle en vertu de laquelle le débiteur est tenu d'atteindre un certain résultat. Si le résultat n'est pas atteint, la faute du débiteur est présumée, sauf à démontrer la force majeure.
Art. 5.73. Uitvoering te goeder trouw en verbod van rechtsmisbruik
  Een contract moet te goeder trouw uitgevoerd worden.
  Krachtens het eerste lid:
  1° moet elk van de partijen zich bij de uitvoering van het contract gedragen zoals een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst;
  2° mag niemand misbruik maken van de rechten die hij aan het contract ontleent.
  Elke afwijking van dit artikel wordt voor niet-geschreven gehouden.
Art. 5.73. Exécution de bonne foi et prohibition de l'abus de droit
  Le contrat doit être exécuté de bonne foi.
  En vertu de l'alinéa 1er:
  1° chacune des parties doit, dans l'exécution du contrat, se comporter comme le ferait une personne prudente et raisonnable placée dans les mêmes circonstances;
  2° nul ne peut abuser des droits qu'il tire du contrat.
  Toute dérogation au présent article est réputée non écrite.
Art. 5.74. Verandering van omstandigheden
  Elke partij moet haar verbintenissen nakomen, ook al zou de uitvoering ervan meer bezwarend geworden zijn ofwel doordat de kostprijs van de uitvoering is gestegen, ofwel doordat de waarde van de tegenprestatie is verminderd.
  De schuldenaar kan evenwel aan de schuldeiser vragen om het contract opnieuw te onderhandelen met het oog op de aanpassing of beëindiging ervan indien aan de volgende vereisten is voldaan:
  1° een verandering van omstandigheden maakt de uitvoering van het contract buitensporig bezwarend, dermate dat de uitvoering ervan redelijkerwijze niet langer kan worden geëist;
  2° die verandering onvoorzienbaar was bij de contractsluiting;
  3° die verandering is ontoerekenbaar in de zin van artikel 5.225 aan de schuldenaar;
  4° de schuldenaar dit risico niet voor zijn rekening heeft genomen; en
  5° de wet noch het contract die mogelijkheid uitsluiten.
  De partijen blijven hun verbintenissen nakomen in de loop van de heronderhandelingen.
  Bij afwijzing of mislukking van de heronderhandelingen binnen een redelijke termijn, kan de rechter, op verzoek van één van de partijen, ofwel het contract aanpassen om het in overeenstemming te brengen met hetgeen de partijen redelijkerwijze zouden zijn overeengekomen op het tijdstip van de contractsluiting indien zij rekening hadden gehouden met de verandering van omstandigheden, ofwel het contract geheel of gedeeltelijk beëindigen op een datum die niet mag voorafgaan aan de verandering van omstandigheden en volgens de nadere regels die de rechter vaststelt. De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding.
Art. 5.74. Changement de circonstances
  Chaque partie doit exécuter ses obligations quand bien même l'exécution en serait devenue plus onéreuse, soit que le coût de l'exécution ait augmenté, soit que la valeur de la contre-prestation ait diminué.
  Toutefois, le débiteur peut demander au créancier de renégocier le contrat en vue de l'adapter ou d'y mettre fin lorsque les conditions suivantes sont réunies:
  1° un changement de circonstances rend excessivement onéreuse l'exécution du contrat de sorte qu'on ne puisse raisonnablement l'exiger;
  2° ce changement était imprévisible lors de la conclusion du contrat;
  3° ce changement n'est pas imputable au sens de l'article 5.225 au débiteur;
  4° le débiteur n'a pas assumé ce risque; et
  5° la loi ou le contrat n'exclut pas cette possibilité.
  Les parties continuent à exécuter leurs obligations pendant la durée des renégociations.
  En cas de refus ou d'échec des renégociations dans un délai raisonnable, le juge peut, à la demande de l'une ou l'autre des parties, adapter le contrat afin de le mettre en conformité avec ce que les parties auraient raisonnablement convenu au moment de la conclusion du contrat si elles avaient tenu compte du changement de circonstances, ou mettre fin au contrat en tout ou en partie à une date qui ne peut être antérieure au changement de circonstances et selon des modalités fixées par le juge. L'action est formée et instruite selon les formes du référé.
Onderafdeling 2. Duur van het contract
Sous-section 2. La durée du contrat
Art. 5.75. Contract van onbepaalde duur
  Een contract wordt voor een onbepaalde duur gesloten wanneer het geen uitdovende tijdsbepaling bevat.
  Iedere partij kan het te allen tijde opzeggen, met inachtneming van de vereisten die de wet of het contract oplegt of, bij gebreke daarvan, door de kennisgeving aan de andere partij van een opzegging die een redelijke opzegtermijn vermeldt.
Art. 5.75. Contrat à durée indéterminée
  Un contrat est conclu pour une durée indéterminée lorsqu'il n'est pas affecté d'un terme extinctif.
  Chaque partie peut le résilier à tout moment, en respectant les conditions prévues par la loi ou par le contrat ou, à défaut, en notifiant à l'autre partie un congé mentionnant un délai de préavis raisonnable.
Art. 5.76. Contract van bepaalde duur
  Een contract wordt voor een bepaalde duur gesloten wanneer het een uitdovende tijdsbepaling bevat.
  De duur van het contract mag niet langer zijn dan toegelaten door de wet of, bij gebrek daaraan, 99 jaar. Een langere duur wordt herleid tot de maximaal toegestane duur.
  Een contract van bepaalde duur kan niet worden opgezegd, behoudens de uitzonderingen die de wet, het contract of de gebruiken opleggen.
  De onregelmatige of abusieve opzegging van een contract van bepaalde duur is onwerkzaam.
Art. 5.76. Contrat à durée déterminée
  Un contrat est conclu pour une durée déterminée lorsqu'il est affecté d'un terme extinctif.
  La durée du contrat ne peut excéder celle permise par la loi ou, à défaut, 99 ans. Une durée supérieure est réduite à la durée maximale autorisée.
  Un contrat à durée déterminée ne peut être résilié, sauf les exceptions prévues par la loi, le contrat ou les usages.
  La résiliation irrégulière ou abusive d'un contrat à durée déterminée est inefficace.
Art. 5.77. Conventionele verlenging van het contract
  Een contract van bepaalde duur kan worden verlengd als de partijen dat overeenkomen vóór het verstrijken van de uitdovende tijdsbepaling.
  De verlenging heeft het uitstel van de uitdovende tijdsbepaling van het contract tot gevolg.
Art. 5.77. Prorogation conventionnelle du contrat
  Le contrat à durée déterminée peut être prorogé si les parties en conviennent avant l'échéance du terme extinctif.
  La prorogation a pour effet de reporter le terme extinctif du contrat.
Art. 5.78. Vernieuwing van het contract
  Een contract van bepaalde duur kan worden vernieuwd op grond van de wet of door akkoord van de partijen.
  Het contract wordt stilzwijgend vernieuwd indien een partij haar verplichtingen verder blijft uitvoeren zonder verzet van de andere partij bij het verstrijken van de uitdovende tijdsbepaling.
  De vernieuwing doet een nieuw contract ontstaan dat identiek is aan het vorige. Tenzij anders bepaald door de wet of andersluidende wil van de partijen, wordt dat contract gesloten voor onbepaalde duur.
Art. 5.78. Renouvellement du contrat
  Le contrat à durée déterminée peut être renouvelé en vertu de la loi ou par l'accord des parties.
  Il y a renouvellement tacite du contrat lorsqu'à l'échéance du terme extinctif, une partie continue d'exécuter ses obligations sans opposition de l'autre.
  Le renouvellement donne naissance à un nouveau contrat identique au précédent. Sauf disposition légale ou volonté contraire des parties, celui-ci est conclu à durée indéterminée.
Onderafdeling 3. Eigendomsoverdragend gevolg van bepaalde contracten
Sous-section 3. L'effet translatif de certains contrats
Art. 5.79. Eigendomsoverdragend gevolg
  De verbintenis om iets te geven wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 3.14, § 2.
Art. 5.79. Effet translatif
  L'obligation de donner s'exécute conformément à l'article 3.14, § 2.
Art. 5.80. Risico-overdracht
  Tenzij anders bepaald door de partijen, brengt de eigendomsoverdracht de risico-overdracht met zich mee.
  Indien het voorwerp teniet gaat door overmacht nadat de verbintenis tot geven is uitgevoerd, kan de schuldeiser van het voorwerp aldus niet langer de levering ervan eisen, maar blijft hij niettemin gehouden de prijs ervan te betalen.
Art. 5.80. Transfert des risques
  Sauf accord contraire des parties, le transfert de la propriété emporte le transfert des risques.
  Ainsi, si la chose vient à périr par un cas de force majeure après que l'obligation de donner a été exécutée, le créancier de la chose ne peut plus en exiger la délivrance, mais reste néanmoins tenu d'en payer le prix.
Art. 5.81. Leveringsverbintenis
  De verbintenis tot het leveren van een voorwerp brengt de verbintenis tot het bewaren van dat voorwerp tot aan de levering met zich mee, met alle zorg eigen aan een voorzichtig en redelijk persoon.
Art. 5.81. Obligation de délivrance
  L'obligation de délivrer une chose emporte celle de la conserver jusqu'à la délivrance, en y apportant tous les soins d'une personne prudente et raisonnable.
Afdeling 5. Niet-nakoming van de contractuele verbintenis en gevolgen
Section 5. L'inexécution de l'obligation contractuelle et ses conséquences
Onderafdeling 1. Toerekenbare niet-nakoming van de schuldenaar
Sous-section 1re. L'inexécution imputable au débiteur
Paragraaf 1. Inleidende bepalingen
Paragraphe 1er. Dispositions introductives
Art. 5.82. Definitie van toerekenbaarheid
  De niet-nakoming is toerekenbaar aan de schuldenaar in de zin van artikel 5.225.
Art. 5.82. Définition d'imputabilité
  L'inexécution est imputable au débiteur au sens où l'entend l'article 5.225.
Art. 5.83. Opsomming van de sancties
  Tenzij partijen anders overeengekomen zijn, beschikt de schuldeiser over de volgende sancties bij een toerekenbare niet-nakoming van de schuldenaar:
  1° het recht op uitvoering in natura van de verbintenis;
  2° het recht op herstel van zijn schade;
  3° het recht op ontbinding van het contract;
  4° het recht op prijsvermindering;
  5° het recht om de uitvoering van zijn eigen verbintenis op te schorten.
  Met elkaar onverenigbare sancties kunnen niet worden gecumuleerd.
  De in werking stelling van de sancties bedoeld in het eerste lid, 1° tot 4°, moet worden voorafgegaan door een ingebrekestelling, overeenkomstig de artikelen 5.231 tot 5.233.
Art. 5.83. Enumération des sanctions
  Sauf volonté contraire des parties, le créancier dispose des sanctions suivantes en cas d'inexécution imputable au débiteur:
  1° le droit à l'exécution en nature de l'obligation;
  2° le droit à la réparation de son dommage;
  3° le droit à la résolution du contrat;
  4° le droit à la réduction du prix;
  5° le droit de suspendre l'exécution de sa propre obligation.
  Les sanctions qui sont incompatibles ne peuvent être cumulées.
  La mise en oeuvre des sanctions visées à l'alinéa 1er, 1° à 4° doit être précédée d'une mise en demeure, conformément aux articles 5.231 à 5.233.
Paragraaf 2. Uitvoering in natura
Paragraphe 2. L'exécution en nature
Art. 5.84. Recht op uitvoering in natura
  De schuldeiser kan de uitvoering in natura van de verbintenis eisen overeenkomstig de artikelen 5.234 tot 5.236.
Art. 5.84. Droit à l'exécution en nature
  Le créancier peut exiger l'exécution en nature de l'obligation conformément aux articles 5.234 à 5.236.
Art. 5.85. Vervanging van de schuldenaar
  De vervanging van de schuldenaar geschiedt overeenkomstig artikel 5.235.
  Zij kan ook voortvloeien uit de toepassing van een beding dat de schuldeiser machtigt de verbintenis zelf uit te voeren of te laten uitvoeren door een derde op kosten van de schuldenaar.
  Bij hoogdringendheid of in andere uitzonderlijke omstandigheden en nadat hij nuttige maatregelen heeft genomen om de niet-nakoming van de schuldenaar vast te stellen, kan de schuldeiser, op eigen risico, de schuldenaar vervangen door middel van een schriftelijke kennisgeving. Die vermeldt de tekortkomingen die hem ten laste worden gelegd en welke omstandigheden de vervanging rechtvaardigen.
Art. 5.85. Remplacement du débiteur
  Le remplacement du débiteur a lieu conformément à l'article 5.235.
  Il peut aussi résulter de l'application d'une clause autorisant le créancier à exécuter lui-même ou à faire exécuter par un tiers l'obligation aux frais du débiteur.
  En cas d'urgence ou d'autres circonstances exceptionnelles et après avoir pris les mesures utiles pour établir l'inexécution du débiteur, le créancier peut aussi, à ses risques et périls, remplacer le débiteur par une notification écrite. Celle-ci indique les manquements qui lui sont reprochés et les circonstances qui justifient le remplacement.
Paragraaf 3. Recht op herstel van de schade
Paragraphe 3. Le droit à la réparation du dommage
Art. 5.86. Integraal herstel van de schade
  De schuldeiser kan het integrale herstel van zijn schade eisen, in natura of in geld, overeenkomstig de artikelen 5.237 tot 5.238.
  Het herstel in natura kan gebeuren door de vervanging van de schuldenaar overeenkomstig artikel 5.85.
Art. 5.86. Réparation intégrale du dommage
  Le créancier peut exiger la réparation intégrale de son dommage, en nature ou sous forme pécuniaire, conformément aux articles 5.237 à 5.238.
  La réparation en nature peut avoir lieu par remplacement du débiteur, conformément à l'article 5.85.
Art. 5.87. Herstel van de voorzienbare schade
  Enkel de schade waarvan de partijen het beginsel redelijkerwijs konden voorzien bij de totstandkoming van het contract moet worden hersteld, tenzij de niet-nakoming het gevolg is van een opzettelijke fout van de schuldenaar.
Art. 5.87. Réparation du dommage prévisible
  Seul le dommage dont les parties pouvaient raisonnablement prévoir le principe à la conclusion du contrat doit être réparé, à moins que l'inexécution ne résulte d'une faute intentionnelle du débiteur.
Art. 5.88. Schadebeding
  § 1. De partijen kunnen vooraf overeenkomen dat in geval van toerekenbare niet-nakoming, de schuldenaar als vergoeding gehouden is tot de betaling van een forfaitair bedrag of tot het leveren van een bepaalde prestatie. In dit geval kan aan de andere partij geen grotere, noch kleinere vergoeding worden toegekend.
  § 2. Niettemin matigt de rechter, ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar, het schadebeding als het kennelijk onredelijk is, waarbij hij rekening houdt met de schade en alle andere omstandigheden, in het bijzonder met de rechtmatige belangen van de schuldeiser.
  Bij matiging kan de rechter de schuldenaar niet veroordelen tot een vergoeding die lager is dan een redelijk bedrag of een redelijke prestatie.
  § 3. Wanneer interest is bedongen voor vertraging in de betaling van een geldsom, is paragraaf 2, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Bij matiging kan de rechter de schuldenaar niet veroordelen tot een interest die lager is dan de wettelijke interest.
  § 4. Wanneer zij opgenomen zijn in de algemene voorwaarden van een toetredingscontract en betrekking hebben op de niet-nakoming van een geldschuld, kan de Koning bij koninklijk besluit, overlegd in Ministerraad, in afwijking van de tweede en derde paragraaf, het maximum bedrag van het schadebeding en de maximale moratoire intrest vastleggen. Hij houdt hierbij rekening met het bedrag van de verbintenis tot betaling van een geldsom, met de soort overeenkomst en de sector van de betrokken activiteiten.
  Afwijkende bedingen worden voor niet-geschreven gehouden in de mate dat zij het toegelaten maximum overschrijden.
  § 5. Indien de verbintenis gedeeltelijk is uitgevoerd, herleidt de rechter naar evenredigheid het schadebeding dat betrekking heeft op de volledige niet-nakoming door de schuldenaar.
  § 6. Indien het schadebeding betrekking heeft op een onredelijk gering bedrag of geringe prestatie, rekening houdend met de schade en alle andere omstandigheden, in het bijzonder de rechtmatige belangen van de schuldeiser, is artikel 5.89 van overeenkomstige toepassing.
  § 7. Ieder beding dat strijdig is met de bepalingen van paragrafen 2, 3 of 5 wordt voor niet-geschreven gehouden.
Art. 5.88. Clause indemnitaire
  § 1er. Les parties peuvent convenir à l'avance qu'en cas d'inexécution imputable, le débiteur est tenu, à titre de réparation, au paiement d'un montant forfaitaire ou à la fourniture d'une prestation déterminée. Dans ce cas, il ne peut être alloué à l'autre partie une réparation plus élevée, ni plus basse.
  § 2. Toutefois, si la clause indemnitaire est manifestement déraisonnable, le juge la réduit, d'office ou à la demande du débiteur, compte tenu du dommage et de toutes les autres circonstances, en particulier des intérêts légitimes du créancier.
  En cas de réduction, le juge ne peut condamner le débiteur à une réparation inférieure à un montant raisonnable ou à une prestation raisonnable.
  § 3. Lorsqu'un intérêt est stipulé pour le retard de paiement d'une somme d'argent, le paragraphe 2, alinéa 1er, est d'application conforme. En cas de réduction, le juge ne peut condamner le débiteur à un intérêt inférieur à l'intérêt légal.
  § 4. Par dérogation aux paragraphes 2 et 3, lorsqu'ils figurent dans des conditions générales incluses dans un contrat d'adhésion et qu'ils portent sur l'inexécution d'une obligation de somme, le Roi peut fixer par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres le montant maximal de la clause indemnitaire et l'intérêt de retard maximal. Il tient compte, à cet égard, du montant de l'obligation de somme, de la catégorie du contrat et du secteur d'activités concerné.
  Les clauses contraires sont réputées non écrites dans la mesure où elles dépassent le maximum autorisé.
  § 5. Le juge réduit proportionnellement la clause indemnitaire qui porte sur l'inexécution totale par le débiteur, lorsque l'obligation est partiellement exécutée.
  § 6. Si la clause indemnitaire porte sur un montant ou une prestation déraisonnablement faible, compte tenu du dommage et de toutes les autres circonstances, en particulier des intérêts légitimes du créancier, l'article 5.89 est d'application conforme.
  § 7. Toute clause contraire aux dispositions des paragraphes 2, 3 ou 5 est réputée non écrite.
Art. 5.89. Bevrijdingsbeding
  § 1. Tenzij de wet anders bepaalt, mogen de partijen een beding overeenkomen dat de schuldenaar volledig of gedeeltelijk bevrijdt van zijn contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid.
  Het beding kan de schuldenaar bevrijden van zijn zware fout of van die van een persoon voor wie hij moet instaan. Een dergelijke bevrijding wordt niet vermoed.
  Worden evenwel voor niet-geschreven gehouden de bedingen die de schuldenaar bevrijden:
  1° van zijn opzettelijke fout of van die van een persoon voor wie hij moet instaan; of
  2° van zijn fout of van die van een persoon voor wie hij moet instaan, wanneer die fout het leven of de fysieke integriteit van een persoon aantast.
  Het beding dat het contract uitholt, wordt eveneens voor niet-geschreven gehouden.
  § 2. [1 ...]1
  
Art. 5.89. Clause exonératoire de responsabilité
  § 1. Sauf si la loi en dispose autrement, les parties peuvent convenir d'une clause exonérant le débiteur, en tout ou en partie, de sa responsabilité contractuelle ou extracontractuelle.
  La clause peut exonérer le débiteur de sa faute lourde ou de celle d'une personne dont il répond. Une telle exonération ne se présume pas.
  Sont toutefois réputées non écrites les clauses qui exonèrent le débiteur:
  1° de sa faute intentionnelle ou de celle d'une personne dont il répond; ou
  2° de sa faute ou de celle d'une personne dont il répond, lorsque cette faute cause une atteinte à la vie ou à l'intégrité physique d'une personne.
  Est pareillement réputée non écrite la clause qui vide le contrat de sa substance.
  § 2. [1 ...]1
  
Paragraaf 4. Ontbinding wegens niet-nakoming
Paragraphe 4. La résolution pour inexécution
Art. 5.90. Recht op ontbinding
  Het wederkerige contract kan worden ontbonden wanneer de niet-nakoming van de schuldenaar voldoende ernstig is of wanneer de partijen zijn overeengekomen dat die de ontbinding rechtvaardigt.
  In uitzonderlijke omstandigheden kan het contract ook worden ontbonden wanneer het duidelijk is dat de schuldenaar, na te zijn aangemaand om binnen een redelijke termijn voldoende waarborgen te bieden voor de goede uitvoering van zijn verbintenissen, zijn verbintenissen niet tijdig zal nakomen en dat de gevolgen van die niet-nakoming voldoende ernstig zijn voor de schuldeiser.
  De ontbinding vloeit voort uit een rechterlijke beslissing, uit de toepassing van een ontbindend beding of uit een kennisgeving van de schuldeiser aan de schuldenaar, overeenkomstig de artikelen 5.91 tot 5.94.
  Indien herstel wordt toegekend ter aanvulling van de ontbinding, strekt dat herstel ertoe de schuldeiser te plaatsen in de situatie waarin hij zich zou hebben bevonden indien het contract was uitgevoerd.
Art. 5.90. Droit à la résolution
  Le contrat synallagmatique peut être résolu lorsque l'inexécution du débiteur est suffisamment grave ou lorsque les parties sont convenues qu'elle justifie la résolution.
  Le contrat peut aussi être résolu, dans des circonstances exceptionnelles, lorsqu'il est manifeste que le débiteur, après avoir été mis en demeure de donner, dans un délai raisonnable, des assurances suffisantes de la bonne exécution de ses obligations, ne s'exécutera pas à l'échéance et que les conséquences de cette inexécution sont suffisamment graves pour le créancier.
  La résolution résulte d'une décision de justice, de l'application d'une clause résolutoire ou d'une notification du créancier au débiteur, conformément aux articles 5.91 à 5.94.
  Lorsqu'une réparation complémentaire à la résolution est accordée, elle vise à placer le créancier dans la même situation que si le contrat avait été exécuté.
Art. 5.91. Gerechtelijke ontbinding
  De ontbinding kan in rechte worden gevorderd. De rechter kan naargelang de omstandigheden:
  1° de ontbinding uitspreken, desgevallend met aanvullend herstel van de schade die niet door de ontbinding hersteld wordt; of
  2° de schuldenaar een termijn opleggen om hem de mogelijkheid te bieden zijn verbintenissen na te komen.
  Indien elke partij de ontbinding van het contract vordert ten laste van de andere, spreekt de rechter de ontbinding uit ten laste van beide partijen, indien zij elk aansprakelijk zijn voor een niet-nakoming die de ontbinding rechtvaardigt.
Art. 5.91. Résolution judiciaire
  La résolution peut être demandée en justice. Le juge peut, selon les circonstances:
  1° prononcer la résolution, le cas échéant avec réparation complémentaire du dommage qui n'est pas réparé par la résolution; ou
  2° accorder un délai au débiteur afin de lui permettre d'exécuter ses obligations.
  Lorsque chacune des parties demande la résolution du contrat aux torts de l'autre, le juge prononce la résolution aux torts réciproques si chacune s'est rendue responsable d'une inexécution justifiant la résolution.
Art. 5.92. Ontbinding door de inwerkingstelling van een ontbindend beding
  Het ontbindend beding verleent de schuldeiser het recht om het contract te ontbinden zonder voorafgaande tussenkomst van de rechter wanneer de schuldenaar een van zijn verbintenissen niet nakomt.
  De schuldeiser stelt het beding in werking door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar. Die vermeldt de tekortkomingen die hem worden verweten.
Art. 5.92. Résolution par la mise en oeuvre d'une clause résolutoire
  La clause résolutoire reconnaît au créancier le droit de résoudre le contrat sans intervention préalable du juge, lorsque le débiteur manque à l'une de ses obligations.
  Le créancier met en oeuvre la clause par notification écrite au débiteur. Celle-ci indique les manquements qui lui sont reprochés.
Art. 5.93. Ontbinding door kennisgeving van de schuldeiser
  Nadat hij nuttige maatregelen heeft genomen om de niet-nakoming van de schuldenaar vast te stellen, kan de schuldeiser het contract, op eigen risico, ontbinden door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar. Die vermeldt de tekortkomingen die hem worden verweten.
Art. 5.93. Résolution par notification du créancier
  Après avoir pris les mesures utiles pour établir l'inexécution du débiteur, le créancier peut, à ses risques et périls, résoudre le contrat par une notification écrite au débiteur. Celle-ci indique les manquements qui lui sont reprochés.
Art. 5.94. Onregelmatige of abusieve buitengerechtelijke ontbinding
  De kennisgeving waarmee de schuldeiser het contract ontbindt, is onwerkzaam indien niet voldaan is aan de vereisten van de ontbinding of indien de ontbinding abusief is.
Art. 5.94. Résolution non judiciaire irrégulière ou abusive
  La notification par laquelle le créancier résout le contrat est inefficace si les conditions de la résolution ne sont pas remplies ou si elle est abusive.
Art. 5.95. Gevolgen van de ontbinding
  De ontbinding ontneemt het contract zijn gevolgen vanaf de dag waarop het is gesloten. Zij werkt evenwel slechts terug tot de datum van de tekortkoming die daartoe aanleiding heeft gegeven voor zover het contract deelbaar is volgens de bedoeling van de partijen, gelet op de aard en de strekking ervan.
  De prestaties geleverd sinds die dag geven aanleiding tot restitutie onder de voorwaarden bedoeld in de artikelen 5.115 tot 5.122.
  Ten aanzien van derden te goeder trouw ontneemt de ontbinding het contract zijn gevolgen enkel voor de toekomst.
Art. 5.95. Effets de la résolution
  La résolution prive le contrat d'effets depuis la date de sa conclusion. Toutefois, elle ne rétroagit qu'à la date du manquement qui y a donné lieu pour autant que le contrat soit divisible dans l'intention des parties, eu égard à sa nature et à sa portée.
  Les prestations fournies depuis cette date donnent lieu à restitution dans les conditions prévues aux articles 5.115 à 5.122.
  A l'égard des tiers de bonne foi, la résolution ne prive le contrat d'effets que pour l'avenir.
Art. 5.96. Gedeeltelijke ontbinding
  Wanneer de tekortkoming die de ontbinding rechtvaardigt slechts een gedeelte van het contract aantast, is de ontbinding beperkt tot dat gedeelte voor zover het contract deelbaar is volgens de bedoeling van de partijen, gelet op de aard en de strekking ervan.
Art. 5.96. Résolution partielle
  Lorsque le manquement justifiant la résolution n'affecte qu'une partie du contrat, la résolution se limite à cette partie pour autant que le contrat soit divisible dans l'intention des parties, eu égard à sa nature et sa portée.
Paragraaf 5. Prijsvermindering
Paragraphe 5. La réduction du prix
Art. 5.97. Recht op prijsvermindering
  In geval van een niet-nakoming die onvoldoende ernstig is om de ontbinding te rechtvaardigen, kan de schuldeiser in rechte de prijsvermindering eisen.
  De prijsvermindering kan ook worden doorgevoerd door een schriftelijke kennisgeving van de schuldeiser, met aanduiding van de reden van de vermindering.
  De prijsvermindering is evenredig met het verschil, op het tijdstip van de contractsluiting, tussen de waarde van de ontvangen prestatie en de waarde van de overeengekomen prestatie.
  De schuldeiser die de prijsvermindering verkrijgt, kan geen herstel eisen ter compensatie van dat waardeverschil. Hij kan dat wel eisen voor elke andere schade.
Art. 5.97. Droit de réduire le prix
  En cas d'inexécution qui n'est pas suffisamment grave pour justifier la résolution, le créancier peut demander en justice la réduction du prix.
  La réduction du prix peut aussi être exercée par une notification écrite du créancier, qui indique la cause de la réduction.
  La réduction du prix est proportionnelle à la différence, au moment de la conclusion du contrat, entre la valeur de la prestation reçue et la valeur de la prestation convenue.
  Le créancier qui obtient la réduction du prix ne peut exiger de réparation pour compenser cette différence de valeur. Il peut toutefois la réclamer pour tout autre dommage.
Paragraaf 6. Exceptie van niet-uitvoering
Paragraphe 6. L'exception d'inexécution
Art. 5.98. Recht voor de schuldeiser om de uitvoering van zijn verbintenis op te schorten
  De schuldeiser kan de uitvoering van zijn verbintenis opschorten overeenkomstig artikel 5.239.
Art. 5.98. Droit pour le créancier de suspendre l'exécution de son obligation
  Le créancier peut suspendre l'exécution de son obligation conformément à l'article 5.239.
Onderafdeling 2. Ontoerekenbare niet-nakoming
Sous-section 2. L'inexécution qui n'est pas imputable au débiteur
Art. 5.99. Gevolgen voor de niet-nagekomen verbintenis
  Bij onmogelijkheid tot nakoming die niet toerekenbaar is aan de schuldenaar, wordt de nakoming van de verbintenis opgeschort of dooft deze laatste uit overeenkomstig artikel 5.226.
Art. 5.99. Effets sur l'obligation inexécutée
  En cas d'impossibilité d'exécution qui n'est pas imputable au débiteur, l'exécution de l'obligation est suspendue ou celle-ci s'éteint conformément à l'article 5.226.
Art. 5.100. Gevolgen voor het contract bij definitieve onmogelijkheid tot nakoming van de verbintenis
  Indien de onmogelijkheid tot nakoming van een hoofdverbintenis volledig en definitief is zonder dat zij toerekenbaar is aan de schuldenaar, wordt het contract in zijn geheel van rechtswege ontbonden.
  Indien de onmogelijkheid gedeeltelijk en definitief is, zonder aan de schuldenaar toerekenbaar te zijn, beperkt de ontbinding zich tot het gedeelte van het contract dat aangetast is voor zover het contract deelbaar is volgens de bedoeling van de partijen, gelet op de aard en de strekking ervan.
  In eigendomsoverdragende contracten verloopt de risico-overdracht evenwel volgens de bepaling van artikel 5.80.
Art. 5.100. Effets sur le contrat en cas d'impossibilité définitive d'exécution de l'obligation
  Lorsque l'impossibilité d'exécuter une obligation principale est totale et définitive sans être imputable au débiteur, le contrat est dissous de plein droit en sa totalité.
  Lorsque l'impossibilité est partielle et définitive, sans être imputable au débiteur, la dissolution se limite à la partie du contrat qui est affectée, pour autant que le contrat soit divisible dans l'intention des parties, eu égard à sa nature et sa portée.
  Dans les contrats translatifs de propriété, le transfert des risques s'opère toutefois conformément à l'article 5.80.
Art. 5.101. Gevolgen in de tijd van de definitieve onmogelijkheid tot nakoming
  De definitieve onmogelijkheid tot nakoming die niet toerekenbaar is aan de schuldenaar ontneemt het contract zijn uitwerking vanaf de dag van die onmogelijkheid.
  De prestaties vóór die dag zonder tegenprestatie geleverd, geven aanleiding tot restitutie onder de voorwaarden bedoeld in de artikelen 5.115 tot 5.122.
Art. 5.101. Effets dans le temps de l'impossibilité définitive d'exécution
  L'impossibilité définitive d'exécution qui n'est pas imputable au débiteur prive le contrat d'effets depuis la date de cette impossibilité.
  Les prestations fournies sans contrepartie avant cette date donnent lieu à restitution dans les conditions prévues aux articles 5.115 à 5.122.
Art. 5.102. Gevolgen voor het contract bij tijdelijke onmogelijkheid tot nakoming van de verbintenis
  Indien de onmogelijkheid slechts tijdelijk is, zonder dat zij toerekenbaar is aan de schuldenaar, wordt de nakoming van de correlatieve verbintenis van de medecontractant opgeschort.
  Als het contract evenwel niet meer nuttig kan worden nagekomen op het einde van de onmogelijkheid zijn de artikelen 5.100 en 5.101 van overeenkomstige toepassing.
Art. 5.102. Effets sur le contrat en cas d'impossibilité temporaire d'exécution de l'obligation
  Lorsque l'impossibilité n'est que temporaire, sans être imputable au débiteur, l'exécution de l'obligation corrélative du cocontractant est suspendue.
  Toutefois, si le contrat ne peut plus être utilement exécuté à la fin de l'impossibilité, les articles 5.100 et 5.101 sont d'application conforme.
Afdeling 6. Gevolgen van het contract voor derden
Section 6. Les effets du contrat pour les tiers
Art. 5.103. Relativiteit en tegenwerpelijkheid
  Het contract doet enkel tussen partijen verbintenissen ontstaan. Derden kunnen slechts de nakoming van een contractuele verbintenis vorderen indien de wet dat bepaalt en in het geval bedoeld in artikel 5.107.
  Derden dienen het bestaan van een contract als feit te erkennen en mogen het bestaan ervan in hun voordeel inroepen.
Art. 5.103. Relativité et opposabilité
  Le contrat ne fait naître des obligations qu'entre les parties. Les tiers ne peuvent demander l'exécution d'une obligation contractuelle que si la loi le prévoit et dans le cas prévu à l'article 5.107.
  Les tiers doivent reconnaître l'existence d'un contrat en tant que fait, tout comme ils peuvent en invoquer l'existence à leur avantage.
Art. 5.104. Algemene rechtverkrijgenden
  De gevolgen van het contract gaan over op de erfgenamen, en andere algemene rechtverkrijgenden en rechtverkrijgenden onder algemene titel, tenzij het tegendeel werd bedongen of dat uit de aard of de strekking van het contract voortvloeit.
Art. 5.104. Ayants cause universels
  Les effets du contrat se transmettent aux héritiers et autres ayants cause universels et à titre universel, à moins que le contraire n'ait été convenu ou ne résulte de la nature ou de la portée du contrat.
Art. 5.105. Bijzondere rechtverkrijgenden - Kwalitatieve rechten
  Behoudens andersluidend beding gaan de voor overdracht vatbare rechten die zodanig nauw verbonden zijn met een goed dat het belang bij die rechten afhankelijk is van de eigendom van het goed, over op diegene die dat goed onder bijzondere titel verkrijgt.
  De aard en de omvang van de overgedragen rechten worden bepaald door het contract waaruit zij voortvloeien.
Art. 5.105. Ayants cause particuliers - Droits qualitatifs
  Sauf clause contraire, les droits cessibles qui sont étroitement liés à un bien en manière telle que l'intérêt de ces droits dépend de la propriété du bien, sont transmis à celui qui acquiert ce bien à titre particulier.
  La nature et l'étendue des droits transmis sont déterminées par le contrat dont ils résultent.
Art. 5.106. Sterkmaking
  Men kan zich sterk maken door te beloven dat een derde een bepaalde prestatie zal verrichten.
  Weigert de derde de prestatie uit te voeren, dan is diegene die zich heeft sterk gemaakt gehouden tot herstel van de schade van de medecontractant, behoudens andersluidend beding.
  Heeft de sterkmaking tot voorwerp de bekrachtiging van een rechtshandeling gesloten in naam en voor rekening van een ander, dan werkt de bekrachtiging terug tot op de datum van de sterkmaking, onverminderd de door derden verkregen rechten.
Art. 5.106. Porte-fort
  On peut se porter fort en promettant qu'un tiers effectuera une prestation déterminée.
  Si le tiers refuse d'exécuter la prestation, celui qui s'est porté fort est tenu de réparer le dommage du cocontractant, sauf clause contraire.
  Lorsque le porte-fort a pour objet la ratification d'un acte juridique conclu au nom et pour compte d'autrui, celle-ci rétroagit à la date du porte-fort, sans préjudice des droits acquis par les tiers.
Art. 5.107. Derdenbeding
  Een contract kan aan een derde het recht verlenen om de nakoming van een bepaalde prestatie te eisen.
  Het beding ten behoeve van een derde doet onmiddellijk een rechtstreeks recht ontstaan tegen de belover en laat de rechten van de contractspartijen onverlet.
  Een dergelijk beding kan uitdrukkelijk overeengekomen zijn of voortvloeien uit de aard en strekking van het contract.
  De derde-begunstigde dient bepaalbaar te zijn. Het volstaat dat de derde bestaat en bepaald is wanneer de prestatie opeisbaar wordt.
  De aard en de omvang van het recht van de derde-begunstigde worden bepaald door het contract en zijn onderworpen aan de nadere regels en beperkingen van het contract.
  De uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding door de derde-begunstigde maakt het derdenbeding onherroepelijk. De aanvaarding kan ook uitgaan van de erfgenamen van de derde-begunstigde en andere algemene rechtverkrijgenden.
Art. 5.107. Stipulation pour autrui
  Un contrat peut accorder à un tiers le droit de demander l'exécution d'une prestation déterminée.
  La stipulation pour autrui fait naître immédiatement un droit direct contre le promettant et n'affecte pas les droits des parties au contrat.
  Une telle stipulation peut être expresse ou résulter de la nature et de la portée du contrat.
  Le tiers bénéficiaire doit être déterminable. Il suffit que le tiers existe et soit déterminé lorsque la prestation devient exigible.
  La nature et l'étendue du droit du tiers bénéficiaire sont déterminées par le contrat et sont soumises aux modalités et limitations du contrat.
  L'acceptation expresse ou tacite par le tiers bénéficiaire rend la stipulation pour autrui irrévocable. L'acceptation peut également émaner des héritiers et autres ayants cause universels du tiers bénéficiaire.
Art. 5.108. Herroeping en aanwijzing van een andere begunstigde
  Het recht tot herroeping of aanwijzing van een andere begunstigde komt uitsluitend toe aan de bedinger. De herroeping en de aanwijzing hebben terugwerkende kracht.
Art. 5.108. Révocation et désignation d'un autre bénéficiaire
  Le droit de révocation ou de désignation d'un autre bénéficiaire revient exclusivement au stipulant. La révocation et la désignation ont un effet rétroactif.
Art. 5.109. Onwerkzaam derdenbeding
  Kan het beding ten behoeve van een derde geen uitwerking krijgen, dan komt het recht toe aan de bedinger, tenzij deze een andere begunstigde aanwijst.
Art. 5.109. Stipulation pour autrui inefficace
  Si la stipulation pour autrui ne peut produire d'effet, le droit revient au stipulant, sauf si celui-ci désigne un autre bénéficiaire.
Art. 5.110. Rechtstreekse vordering
  De wet kan een schuldeiser het recht verlenen om in eigen naam en voor eigen rekening de nakoming van een prestatie te eisen van de schuldenaar van zijn schuldenaar ten belope van hetgeen deze aan zijn schuldeiser verschuldigd is.
  Tenzij de wet anders bepaalt, kan de onderschuldenaar tegen de hoofdschuldeiser alle excepties inroepen waarover hij beschikt tegen de hoofdschuldenaar op het ogenblik waarop die schuldeiser de uitoefening van zijn recht ter kennis brengt.
  Tenzij de wet anders bepaalt, kan de onderschuldenaar ook alle excepties inroepen waarover de hoofdschuldenaar tegen de hoofdschuldeiser beschikt.
Art. 5.110. Action directe
  La loi peut accorder à un créancier le droit de demander en son nom et pour son compte l'exécution d'une prestation du débiteur de son débiteur à concurrence de ce dont celui-ci est redevable à l'égard de son créancier.
  Sauf disposition contraire de la loi, le sous-débiteur peut invoquer contre le créancier principal toutes les exceptions dont il dispose à l'égard du débiteur principal au moment où ce créancier notifie l'exercice de son droit.
  Sauf disposition contraire de la loi, le sous-débiteur peut également invoquer toutes les exceptions dont le débiteur principal dispose à l'égard du créancier principal.
Art. 5.111. Derde-medeplichtigheid aan de miskenning van een contractuele verbintenis
  Een derde begaat een onrechtmatige daad wanneer hij heeft deelgenomen aan de niet-nakoming door een partij van haar contractuele verbintenissen terwijl hij het bestaan van deze verbintenissen kende of behoorde te kennen.
Art. 5.111. Tierce complicité à la violation d'une obligation contractuelle
  Un tiers commet une faute extracontractuelle lorsqu'il participe à l'inexécution par une partie de ses obligations contractuelles alors qu'il connaissait ou devait connaître l'existence de ces obligations.
Afdeling 7. Tenietgaan van het contract
Section 7. L'extinction du contrat
Onderafdeling 1. Gronden van tenietgaan
Sous-section 1re. Les causes d'extinction
Art. 5.112. Opsomming
  Het contract eindigt:
  1° door het tenietgaan van de verbintenissen die uit het contract zijn ontstaan overeenkomstig artikel 5.244;
  2° door de gerechtelijke of buitengerechtelijke nietigverklaring ervan overeenkomstig artikel 5.59;
  3° door de opzegging ervan in onderlinge overeenstemming overeenkomstig artikel 5.70, eerste lid;
  4° door de eenzijdige opzegging ervan overeenkomstig de artikelen 5.70, tweede lid, 5.75 en 5.76;
  5° door de gerechtelijke of buitengerechtelijke ontbinding ervan wegens niet-nakoming overeenkomstig artikel 5.90;
  6° door de definitieve onmogelijkheid tot nakoming overeenkomstig artikel 5.100;
  7° in de overige gevallen bepaald bij wet.
Art. 5.112. Enumération
  Le contrat prend fin:
  1° par l'extinction des obligations auxquelles il a donné naissance conformément à l'article 5.244;
  2° par son annulation judiciaire ou extrajudiciaire conformément à l'article 5.59;
  3° par sa résiliation de commun accord conformément à l'article 5.70, alinéa 1er;
  4° par sa résiliation unilatérale conformément aux articles 5.70, alinéa 2, 5.75 et 5.76;
  5° par sa résolution judiciaire ou extrajudiciaire pour inexécution conformément à l'article 5.90;
  6° par l'impossibilité définitive d'exécution conformément à l'article 5.100;
  7° dans les autres cas prévus par la loi.
Art. 5.113. Wegvallen van het voorwerp
  Het verval van een verbintenis door het wegvallen van het voorwerp ervan overeenkomstig artikel 5.265, geeft op zichzelf geen aanleiding tot het tenietgaan van het contract waaruit die verbintenis is ontstaan.
  In dat geval gaat het contract enkel teniet in de gevallen bepaald in artikel 5.112.
Art. 5.113. Disparition de l'objet
  La caducité d'une obligation par disparition de son objet conformément à l'article 5.265 n'entraîne pas par elle-même l'extinction du contrat qui lui a donné naissance.
  En ce cas, le contrat n'est éteint que dans les cas prévus à l'article 5.112.
Art. 5.114. Postcontractuele verbintenissen en bedingen
  De beëindiging van het contract heeft geen gevolgen voor de verbintenissen en bedingen die, gelet op de bedoeling van de partijen en op de grond van tenietgaan, zijn bestemd om van toepassing te blijven gedurende de door de partijen overeengekomen termijn of, bij gebreke daarvan, gedurende een redelijke termijn.
  De wet, de goede trouw of de gebruiken kunnen ook verbintenissen opleggen na het einde van het contract.
  De regels betreffende de contractuele verbintenissen zijn daarop van toepassing, tenzij hun aard of strekking zich daartegen verzet.
Art. 5.114. Obligations et clauses post-contractuelles
  La fin du contrat n'affecte pas les obligations et les clauses qui, eu égard à l'intention des parties et à la cause d'extinction, sont destinées à rester applicables pendant la durée convenue entre parties ou, à défaut, pendant une durée raisonnable.
  La loi, la bonne foi ou les usages peuvent également imposer des obligations postérieures à la fin du contrat.
  Les règles relatives aux obligations contractuelles leur sont applicables, à moins que leur nature ou leur portée ne s'y oppose.
Onderafdeling 2. Restitutie
Sous-section 2. Les restitutions
Art. 5.115. Toepassingsgebied
  Deze onderafdeling is van toepassing op restitutie ten gevolge van:
  1° de nietigverklaring van het contract;
  2° de ontbinding van het contract wegens niet- nakoming;
  3° de definitieve onmogelijkheid van nakoming van het contract die niet toerekenbaar is aan de schuldenaar;
  4° de verwezenlijking van de ontbindende voorwaarde.
  Zij is eveneens, met de nodige aanpassingen, van toepassing op de teruggave van hetgeen onverschuldigd betaald is geweest.
Art. 5.115. Champ d'application
  La présente sous-section s'applique aux restitutions consécutives à:
  1° l'annulation du contrat;
  2° la résolution du contrat pour inexécution;
  3° l'impossibilité définitive d'exécution du contrat non imputable au débiteur;
  4° la réalisation de la condition résolutoire.
  Elle s'applique également, moyennant les adaptations nécessaires, à la restitution de l'indu.
Art. 5.116. Recht op restitutie
  Restitutie is verschuldigd vanaf de datum waarop de te restitueren prestatie is verricht.
  De verjaring van het recht op restitutie begint te lopen op de dag waarop de grond van tenietgaan van het contract zich heeft voorgedaan.
Art. 5.116. Droit aux restitutions
  Les restitutions sont dues depuis la date où la prestation à restituer a été effectuée.
  La prescription du droit aux restitutions commence à courir le jour où la cause d'extinction du contrat s'est produite.
Art. 5.117. Goede trouw
  In de zin van deze onderafdeling houdt de schuldenaar van de restitutie op te goeder trouw te zijn:
  1° zodra hij effectieve kennis heeft van de nietigheidsgrond van het contract;
  2° in de overige gevallen, zodra hij in verzuim is.
Art. 5.117. Bonne foi
  Au sens de la présente sous-section, le débiteur de la restitution cesse d'être de bonne foi:
  1° dès qu'il a connaissance effective de la cause de nullité du contrat;
  2° dans les autres cas, dès qu'il est en demeure.
Art. 5.118. Volgorde van restituties
  Restituties moeten worden verricht in de omgekeerde volgorde waarin de te restitueren prestaties moesten worden uitgevoerd.
  Indien de te restitueren prestaties zich bevonden in een wederkerige verhouding, kan de schuldeiser van de restitutie de exceptie van niet-uitvoering tegenwerpen onder de voorwaarden bepaald in artikel 5.239.
Art. 5.118. Ordre des restitutions
  Les restitutions doivent être effectuées dans l'ordre inverse où les prestations à restituer devaient être effectuées.
  Si les prestations à restituer se trouvaient dans un rapport synallagmatique, le créancier de la restitution peut opposer l'exception d'inexécution aux conditions prévues à l'article 5.239.
Art. 5.119. Vorm van de restitutie
  Onder voorbehoud van de artikelen 5.120 tot 5.124, gebeurt de restitutie in natura of, indien dat onmogelijk of abusief blijkt, in waarde geraamd op de dag van de restitutie.
Art. 5.119. Forme des restitutions
  Sous réserve des articles 5.120 à 5.124, la restitution s'effectue en nature ou, si cela s'avère impossible ou abusif, en valeur, estimée au jour de la restitution.
Art. 5.120. Verlies van het te restitueren voorwerp
  De schuldenaar van de restitutie staat in voor het gehele of gedeeltelijke verlies van het te restitueren voorwerp.
  Verlies door overmacht bevrijdt de schuldenaar te goeder trouw evenwel naar evenredigheid alsook de schuldenaar van de correlatieve prestatie.
Art. 5.120. Perte de la chose à restituer
  Le débiteur de la restitution répond de la perte totale ou partielle de la chose à restituer.
  Toutefois, la perte par force majeure libère à due concurrence le débiteur de bonne foi ainsi que le débiteur de la prestation corrélative.
Art. 5.121. Uitgaven
  De schuldenaar van de restitutie moet worden vergoed voor de door hem gedane uitgaven noodzakelijk voor de bewaring van het voorwerp alsook voor de nuttige uitgaven die de waarde ervan hebben verhoogd binnen de perken van de meerwaarde geraamd op het tijdstip van de restitutie.
Art. 5.121. Impenses
  Le débiteur de la restitution doit être indemnisé des dépenses nécessaires à la conservation de la chose qu'il a effectuées, ainsi que des dépenses utiles qui en ont augmenté la valeur dans la limite de la plus-value estimée au moment de la restitution.
Art. 5.122. Restitutie van de vruchten en opbrengsten
  De restitutie van een zaak omvat de opbrengsten, de vruchten, de interest aan de wettelijke interestvoet of de waarde van het genot dat zij heeft voortgebracht sinds de schuldenaar opgehouden is te goeder trouw te zijn.
Art. 5.122. Restitution des fruits et produits
  La restitution d'une chose inclut les produits, les fruits, les intérêts au taux légal ou la valeur de la jouissance qu'elle a procurée, depuis que le débiteur a cessé d'être de bonne foi.
Art. 5.123. Weigering van de restitutie aan de schuldige partij
  De rechter kan restitutie geheel of gedeeltelijk weigeren aan de partij die bij de contractsluiting opzettelijk inbreuk heeft gepleegd op de openbare orde.
Art. 5.123. Refus de la restitution à la partie coupable
  Le juge peut refuser, en tout ou en partie, la restitution due à la partie coupable d'une violation intentionnelle de l'ordre public lors de la conclusion du contrat.
Art. 5.124. Bescherming van onbekwamen
  De onbekwame is slechts gehouden tot restitutie voor zover hij voordeel heeft gehaald uit de prestaties verkregen op grond van het nietige contract.
Art. 5.124. Protection des incapables
  L'incapable n'est tenu à restitution que dans la mesure où il a retiré un profit des prestations reçues en vertu du contrat nul.
Hoofdstuk 2. Eenzijdige rechtshandeling
Chapitre 2. L'acte juridique unilatéral
Art. 5.125. Definitie
  Een eenzijdige rechtshandeling is de wilsuiting waarbij een persoon de bedoeling heeft om rechtsgevolgen te doen ontstaan.
  De persoon die deze handeling verricht kan met name door zijn enkele wil een verbintenis aangaan ten voordele van een ander.
Art. 5.125. Définition
  L'acte juridique unilatéral est la manifestation de volonté par laquelle une personne a l'intention de faire naître des effets de droit.
  L'auteur de cet acte peut notamment s'engager par sa seule volonté en faveur d'autrui.
Art. 5.126. Juridisch regime
  Elke eenzijdige rechtshandeling is onderworpen aan de regels die er eigen aan zijn en, voor zover deze niet ervan afwijken, aan de regels die toepasselijk zijn op de contracten en aan het algemeen regime van de verbintenis.
Art. 5.126. Régime juridique
  Chaque acte juridique unilatéral est soumis aux règles qui lui sont propres et, dans la mesure où celles-ci n'y dérogent pas, aux règles qui s'appliquent aux contrats ainsi qu'au régime général de l'obligation.
Ondertitel 2. Rechtsfeiten
Sous-titre 2. Les faits juridiques
Hoofdstuk 1. Inleidende bepaling
Chapitre 1er. Disposition introductive
Art. 5.127. De buitencontractuele aansprakelijkheid en de oneigenlijke contracten
  De buitencontractuele aansprakelijkheid maakt het voorwerp uit van [1 boek 6]1 en van bijzondere wetten.
  Oneigenlijke contracten zijn geoorloofde daden waaruit een verbintenis ontstaat ten laste van de persoon die er voordeel uit haalt zonder er recht op te hebben en, in voorkomend geval, een verbintenis van de persoon die de daad heeft verricht jegens die persoon.
  De oneigenlijke contracten zijn:
  1° de zaakwaarneming;
  2° de onverschuldigde betaling; en
  3° de ongerechtvaardigde verrijking.
  
Art. 5.127. Responsabilité extracontractuelle et quasi-contrats
  La responsabilité extracontractuelle fait l'objet [1 du livre 6]1 ainsi que de lois particulières.
  Les quasi-contrats sont les faits licites dont il résulte une obligation à charge de la personne qui en profite sans y avoir droit, et, le cas échéant, une obligation de leur auteur envers celle-ci.
  Les quasi-contrats sont:
  1° la gestion d'affaire;
  2° le paiement indu; et
  3° l'enrichissement injustifié.
  
Hoofdstuk 2. Zaakwaarneming
Chapitre 2. La gestion d'affaire
Art. 5.128. Definitie
  Er is zaakwaarneming wanneer een persoon, zonder daartoe verplicht te zijn, op vrijwillige en nuttige wijze andermans zaak waarneemt zonder dat verzet van de meester van die zaak redelijk voorzienbaar is.
  Deze vereisten worden als vervuld beschouwd indien de meester deze zaakwaarneming goedkeurt.
Art. 5.128. Définition
  Il y a gestion d'affaire lorsque, sans y être tenue, une personne gère, volontairement et utilement, l'affaire d'autrui, sans qu'une opposition du maître de cette affaire soit raisonnablement prévisible.
  Ces conditions sont réputées accomplies si le maître approuve cette gestion d'affaire.
Art. 5.129. Voorwerp van de zaakwaarneming
  Zaakwaarneming kan betrekking hebben op zowel materiële handelingen als rechtshandelingen.
  Wanneer de zaakwaarnemer een rechtshandeling verricht voor rekening van de meester van de zaak, doet hij dat ofwel in diens naam, ofwel in eigen naam.
Art. 5.129. Objet de la gestion d'affaire
  La gestion d'affaire peut porter autant sur des actes matériels que sur des actes juridiques.
  Lorsque le gérant d'affaire accomplit un acte juridique pour le compte du maître de l'affaire, il le fait soit au nom de celui-ci, soit en son nom personnel.
Art. 5.130. Verbintenissen van de zaakwaarnemer
  De zaakwaarnemer moet de door hem begonnen zaakwaarneming voortzetten, hierin begrepen alle gevolgen die zij teweeg brengt, en voltooien totdat de meester in staat is zelf daarin te voorzien.
  Hij is verplicht zijn zaakwaarneming voort te zetten, zelfs indien de meester overlijdt voordat de zaak is voltooid, totdat diens erfopvolger de leiding ervan op zich heeft kunnen nemen. Hetzelfde geldt wanneer de meester failliet, onbekwaam of afwezig wordt verklaard.
  De zaakwaarnemer moet de meester onverwijld op de hoogte brengen van het initiatief dat hij heeft genomen en aan hem rekenschap geven van zijn zaakwaarneming.
  Indien de zaakwaarnemer voor zijn persoonlijk gebruik de bedragen aanwendt die hij voor rekening van de meester ontvangen heeft, is hij vanaf de aanwending op die bedragen interest verschuldigd.
Art. 5.130. Obligations du gérant d'affaire
  Le gérant d'affaire doit continuer la gestion d'affaire qu'il a commencée, en ce compris toutes les suites qu'elle comporte, et l'achever jusqu'à ce que le maître soit en état d'y pourvoir lui-même.
  Il est obligé de continuer sa gestion d'affaire, encore que le maître vienne à mourir avant que l'affaire soit achevée, jusqu'à ce que son successeur ait pu en prendre la direction. Il en va de même, lorsque le maître est déclaré en faillite, devient incapable ou absent.
  Le gérant d'affaire doit informer le maître, sans retard, de l'initiative qu'il a prise, et lui rendre compte de sa gestion d'affaire.
  Si le gérant d'affaire utilise, à son usage personnel, les sommes qu'il a reçues pour compte du maître, il doit les intérêts sur celles-ci, dès ce moment.
Art. 5.131. Aansprakelijkheid van de zaakwaarnemer
  De zaakwaarnemer is verplicht aan de zaakwaarneming alle zorgen van een voorzichtig en redelijk persoon te besteden.
  Niettemin kan de rechter het herstel van de schade die door de nalatigheid van de zaakwaarnemer mocht zijn veroorzaakt, matigen, op grond van de omstandigheden die hem tot de zaakwaarneming hebben bewogen.
Art. 5.131. Responsabilité du gérant d'affaire
  Le gérant d'affaire est tenu d'apporter à la gestion d'affaire tous les soins d'une personne prudente et raisonnable.
  Néanmoins, les circonstances qui l'ont conduit à se charger de l'affaire peuvent autoriser le juge à modérer la réparation du dommage qui résulterait de la négligence du gérant d'affaire.
Art. 5.132. Verbintenissen van de meester van de zaak
  Indien de vereisten van de zaakwaarneming zijn vervuld, moet de meester ten aanzien van derden de verbintenissen uitvoeren die de zaakwaarnemer in naam en voor rekening van de meester is aangegaan.
  De meester van de zaak moet de zaakwaarnemer ook vergoeden voor alle verbintenissen die de zaakwaarnemer in eigen naam is aangegaan ten aanzien van derden.
  De meester moet de zaakwaarnemer vergoeden voor alle nuttige of noodzakelijke uitgaven die laatstgenoemde heeft gedaan en hem vergoeden voor de verliezen die hij heeft geleden bij zijn zaakwaarneming, indien hem geen onvoorzichtigheid kan worden toegerekend.
  De bedragen die de zaakwaarnemer heeft voorgeschoten brengen interest op vanaf de dag van de betaling.
Art. 5.132. Obligations du maître de l'affaire
  Si les conditions de la gestion d'affaire sont réunies, le maître doit exécuter à l'égard des tiers les obligations que le gérant d'affaire a contractées au nom et pour le compte du maître.
  Le maître doit aussi indemniser le gérant de toutes les obligations contractées par le gérant d'affaire en son nom propre à l'égard des tiers.
  Le maître doit rembourser au gérant d'affaire toutes les dépenses utiles ou nécessaires faites par ce dernier, et l'indemniser des pertes qu'il a essuyées à l'occasion de sa gestion d'affaire, sans imprudence qui lui soit imputable.
  Les sommes avancées par le gérant d'affaire portent intérêt du jour du paiement.
Hoofdstuk 3. Onverschuldigde betaling
Chapitre 3. Le paiement indu
Art. 5.133. Definitie
  Er is onverschuldigde betaling, indien de betaling is verricht:
  1° zonder schuld;
  2° door de schuldenaar ten gunste van een persoon die geen schuldeiser was; of
  3° door een andere persoon dan de schuldenaar ten gunste van de schuldeiser, voor zover de betaling per vergissing of onder dwang werd verricht.
Art. 5.133. Définition
  Il y a paiement indu si le paiement a été fait:
  1° en l'absence de dette;
  2° par le débiteur au profit d'une personne qui n'était pas créancière; ou
  3° au profit du créancier par une personne autre que le débiteur, pour autant que le paiement ait été fait par ignorance ou sous la contrainte.
Art. 5.134. Restitutieverbintenis
  Diegene die een onverschuldigde betaling heeft ontvangen, is verplicht ze terug te geven overeenkomstig de artikelen 5.115 tot 5.122.
  In het geval bedoeld in artikel 5.133, 3°, houdt die verplichting evenwel op wanneer de schuldeiser te goeder trouw:
  1° zijn titel heeft vernietigd ten gevolge van de betaling;
  2° afstand heeft gedaan van de zekerheden die de schuldvordering waarborgden; of
  3° zijn vordering ten aanzien van de werkelijke schuldenaar heeft laten verjaren.
  In die gevallen kan diegene die heeft betaald evenwel de werkelijke schuldenaar aanspreken ten belope van de uitgevoerde betaling.
Art. 5.134. Obligation de restitution
  Celui qui a reçu un paiement indu est obligé de le restituer conformément aux articles 5.115 à 5.122.
  Néanmoins, dans le cas visé à l'article 5.133, 3°, cette obligation cesse lorsque le créancier a, de bonne foi:
  1° supprimé son titre par suite du paiement;
  2° abandonné les sûretés qui garantissaient la créance; ou
  3° laissé se prescrire son action contre le véritable débiteur.
  Dans ces cas, celui qui a payé peut toutefois exercer un recours à concurrence du paiement effectué contre le véritable débiteur.
Hoofdstuk 4. Ongerechtvaardigde verrijking
Chapitre 4. L'enrichissement injustifié
Art. 5.135. Definitie
  Er is ongerechtvaardigde verrijking wanneer iedere juridische rechtvaardiging ontbreekt voor zowel de verrijking als de correlatieve verarming.
  Een dergelijke rechtvaardiging bestaat met name in de wil van de verarmde, voor zover deze een definitieve vermogensverschuiving ten voordele van de verrijkte tot stand heeft willen brengen.
Art. 5.135. Définition
  Il y a enrichissement injustifié lorsque ni l'enrichissement, ni l'appauvrissement corrélatif ne sont justifiés par un motif juridique.
  Constitue notamment une telle justification la volonté de l'appauvri, pour autant que celui-ci ait voulu opérer un transfert définitif de patrimoine en faveur de l'enrichi.
Art. 5.136. Subsidiariteit
  De verarmde kan zich niet beroepen op de ongerechtvaardigde verrijking indien een andere rechtsvordering voor hem openstaat of op een rechtsbeletsel, zoals de verjaring, stuit.
Art. 5.136. Subsidiarité
  L'appauvri ne peut invoquer l'enrichissement injustifié lorsqu'une autre action lui est ouverte ou se heurte à un obstacle de droit, tel que la prescription.
Art. 5.137. Gevolg
  Degene die ongerechtvaardigd is verrijkt, is aan de verarmde het laagste bedrag van de verrijking en de verarming verschuldigd, geraamd op het tijdstip van de vergoeding.
Art. 5.137. Effet
  La personne qui bénéficie d'un enrichissement injustifié doit à l'appauvri la moindre des deux valeurs de l'enrichissement et de l'appauvrissement, estimées au moment de l'indemnisation.
Titel 3. Algemeen regime van de verbintenis
Titre 3. Le régime général de l'obligation
Ondertitel 1. Inleidende bepaling
Sous-titre 1er. Disposition introductive
Art. 5.138. Toepassingsgebied
  Deze titel bevat de algemene regels die van toepassing zijn op elke verbintenis ongeacht de bron ervan, tenzij de wet zich daartegen verzet.
Art. 5.138. Champ d'application
  Le présent titre contient les règles générales qui s'appliquent à toute obligation, quelle qu'en soit la source, à moins que la loi s'y oppose.
Ondertitel 2. Modaliteiten van de verbintenis
Sous-titre 2. Les modalités de l'obligation
Hoofdstuk 1. Voorwaardelijke verbintenis
Chapitre 1er. L'obligation conditionnelle
Art. 5.139. Definitie
  Een verbintenis is voorwaardelijk wanneer de opeisbaarheid of het tenietgaan ervan afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis.
  De voorwaarde is opschortend wanneer de vervulling ervan de verbintenis opeisbaar maakt. De voorwaarde is ontbindend wanneer de vervulling ervan het tenietgaan van de verbintenis teweegbrengt.
Art. 5.139. Définition
  L'obligation est conditionnelle lorsque son exigibilité ou son extinction dépend d'un événement futur et incertain.
  La condition est suspensive lorsque sa réalisation rend l'obligation exigible. La condition est résolutoire lorsque sa réalisation entraîne l'extinction de l'obligation.
Art. 5.140. Afwezigheid van onzekerheid
  Indien de als voorwaarde vooropgestelde gebeurtenis reeds bij het ontstaan van de verbintenis heeft plaatsgevonden, zelfs buiten medeweten van de partijen, treden de gevolgen van de verwezenlijking van de voorwaarde in vanaf dat ogenblik.
  Indien de als voorwaarde vooropgestelde gebeurtenis onmogelijk is bij het ontstaan van de verbintenis, treden de gevolgen van de niet-vervulling van de voorwaarde in vanaf dat ogenblik.
Art. 5.140. Absence d'incertitude
  Lorsque l'événement érigé en condition s'est déjà réalisé, même à l'insu des parties, lors de la naissance de l'obligation, les effets de la réalisation de la condition se produisent dès ce moment.
  Lorsque l'événement érigé en condition est impossible lors de la naissance de l'obligation, les effets de la défaillance de la condition se produisent dès ce moment.
Art. 5.141. Extern karakter van de voorwaarde
  Een gebeurtenis waarvan de geldigheid van het contract afhangt, kan niet als voorwaarde bedongen worden door de partijen. Aldus kan de verbintenis niet afhangen van een zuiver potestatieve opschortende voorwaarde in hoofde van de schuldenaar.
  De nakoming of niet-nakoming van een andere verbintenis ontstaan uit hetzelfde contract kan evenmin als voorwaarde worden bedongen.
Art. 5.141. Caractère extérieur de la condition
  Un événement dont dépend la validité du contrat ne peut être érigé en condition par les parties. Ainsi l'obligation ne peut-elle être affectée d'une condition suspensive purement potestative dans le chef du débiteur.
  Ne peut pas non plus être érigée en condition l'exécution ou l'inexécution d'une autre obligation née du même contrat.
Art. 5.142. Vorm van de voorwaarde
  De voorwaarde is uitdrukkelijk of stilzwijgend.
  Aldus hangen de verbintenissen af van een stilzwijgende ontbindende voorwaarde wanneer, gelet op de aard en de strekking van het contract, met zekerheid uit de bedoeling van de partijen blijkt dat het een einde moet nemen, met name:
  1° bij overlijden, onbekwaamheid of insolvabiliteit van de persoon in aanmerking van wie het contract is gesloten; of
  2° bij tenietgaan van een ander contract waarvan de partijen het lot van het eerste contract bedoelden te laten afhangen.
Art. 5.142. Forme de la condition
  La condition est expresse ou tacite.
  Ainsi, les obligations sont affectées d'une condition résolutoire tacite lorsqu'il résulte de manière certaine de l'intention des parties, eu égard à la nature et à la portée du contrat, que celui-ci doit prendre fin notamment:
  1° en cas de décès, d'incapacité ou d'insolvabilité de la personne en considération de laquelle le contrat a été conclu; ou
  2° en cas d'extinction d'un autre contrat dont les parties avaient entendu faire dépendre le sort du premier contrat.
Art. 5.143. Interpretatie van de voorwaarde
  Om na te gaan welke gemeenschappelijke bedoeling de partijen hadden, wordt met name rekening gehouden met de volgende richtlijnen:
  1° indien een verbintenis is aangegaan onder voorwaarde dat een gebeurtenis zich binnen een bepaalde tijd zal voordoen, wordt die voorwaarde voor onvervuld gehouden, wanneer de tijd verstreken is zonder dat de gebeurtenis zich heeft voorgedaan. Indien geen tijd bepaald is, kan de voorwaarde altijd vervuld worden; en zij wordt pas voor onvervuld gehouden, wanneer het redelijkerwijze zeker is dat de gebeurtenis zich niet zal voordoen;
  2° indien een verbintenis is aangegaan onder voorwaarde dat een gebeurtenis zich niet zal voordoen binnen een bepaalde tijd, is die voorwaarde vervuld, wanneer de tijd verstreken is zonder dat de gebeurtenis zich heeft voorgedaan; zij is ook vervuld, wanneer het, voor het verstrijken van die tijd, redelijkerwijze zeker is dat de gebeurtenis zich niet zal voordoen; en indien geen tijd is bepaald, is zij pas vervuld, wanneer het redelijkerwijze zeker is dat de gebeurtenis zich niet zal voordoen.
Art. 5.143. Interprétation de la condition
  Pour rechercher quelle a été la commune intention des parties, il est tenu compte notamment des directives suivantes:
  1° lorsqu'une obligation est contractée sous la condition qu'un événement arrivera dans un temps fixe, cette condition est censée défaillie lorsque le temps est expiré sans que l'événement soit arrivé. S'il n'y a pas de temps fixe, la condition peut toujours être accomplie; et elle n'est censée défaillie que lorsqu'il est devenu raisonnablement certain que l'événement n'arrivera pas;
  2° lorsqu'une obligation est contractée sous la condition qu'un événement n'arrivera pas dans un temps fixe, cette condition est accomplie lorsque ce temps est expiré sans que l'événement soit arrivé; elle l'est également, si avant le terme il est raisonnablement certain que l'événement n'arrivera pas; et s'il n'y a pas de temps déterminé, elle n'est accomplie que lorsqu'il est raisonnablement certain que l'événement n'arrivera pas.
Art. 5.144. Verhindering en uitlokking van de voorwaarde
  Wanneer een partij door haar fout de vervulling van de voorwaarde verhindert, kan de andere partij haar voor vervuld houden.
  Wanneer een partij door haar fout de vervulling van de voorwaarde uitlokt, kan de andere partij haar voor onvervuld houden.
Art. 5.144. Empêchement et provocation de la condition
  Lorsqu'une partie empêche par sa faute la réalisation de la condition, l'autre partie peut la tenir pour réalisée.
  Lorsqu'une partie provoque par sa faute la réalisation de la condition, l'autre partie peut la tenir pour défaillie.
Art. 5.145. Afstand van de voorwaarde
  Een partij kan afstand doen van de voorwaarde bepaald in haar uitsluitend belang, zolang deze hangende is.
Art. 5.145. Renonciation à la condition
  Une partie peut renoncer à la condition prévue dans son intérêt exclusif, tant que celle-ci est pendante.
Art. 5.146. Wachttijd
  § 1. Zolang de voorwaarde hangende is, moet elke partij zich onthouden van elke handeling die afbreuk kan doen aan de rechten die voor de andere partij zouden voortvloeien uit de vervulling van de voorwaarde.
  § 2. Onverminderd de regels ter bescherming van derden te goeder trouw, kunnen, bij vervulling van de opschortende voorwaarde niet worden tegengeworpen aan de schuldeiser van een verbintenis om een bepaald voorwerp te geven, indien zij zich voordoen terwijl de voorwaarde hangende was:
  1° de beschikkingshandelingen en abnormale beheershandelingen verricht door de schuldenaar; en
  2° de onbeschikbaarheid ten gevolge van een beslag of een situatie van samenloop, zoals het faillissement, die het vermogen van die schuldenaar treft.
  Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de ontbindende voorwaarde.
  § 3. Iedere partij kan elke handeling verrichten tot behoud van de rechten die zij zou genieten bij vervulling van de voorwaarde.
Art. 5.146. Période d'attente
  § 1er. Tant que la condition est pendante, chaque partie doit s'abstenir de tout acte de nature à porter atteinte aux droits qui résulteraient pour l'autre partie de la réalisation de la condition.
  § 2. Sans préjudice des dispositions protectrices des tiers de bonne foi, en cas de réalisation de la condition suspensive, sont inopposables au créancier d'une obligation de donner une chose certaine, s'ils surviennent alors que la condition était pendante:
  1° les actes de disposition et les actes anormaux d'administration accomplis par le débiteur; et
  2° l'indisponibilité résultant d'une saisie ou d'une situation de concours, telle que la faillite, affectant le patrimoine de ce débiteur.
  L'alinéa 1er est d'application conforme à la condition résolutoire.
  § 3. Chaque partie peut accomplir tout acte conservatoire des droits dont elle bénéficierait en cas de réalisation de la condition.
Art. 5.147. Vervulling van de voorwaarde
  De vervulling van de voorwaarde krijgt uitwerking van rechtswege en voor de toekomst.
  De vervulling van de ontbindende voorwaarde geeft aanleiding tot restitutie van de geleverde prestatie overeenkomstig de artikelen 5.115 tot 5.122. De prestaties om iets te doen en niet te doen, alsook de tegenprestatie ervan, worden evenwel niet gerestitueerd.
Art. 5.147. Réalisation de la condition
  La réalisation de la condition produit ses effets de plein droit et pour l'avenir.
  La réalisation de la condition résolutoire donne lieu à restitution de la prestation fournie conformément aux articles 5.115 à 5.122. Toutefois, les prestations de faire et de ne pas faire, ainsi que leur contrepartie, ne sont pas restituées.
Art. 5.148. Niet-vervulling van de voorwaarde
  De niet-vervulling van de opschortende voorwaarde doet de verbintenis tenietgaan voor de toekomst.
  De niet-vervulling van de ontbindende voorwaarde maakt de verbintenis zuiver en eenvoudig voor de toekomst.
Art. 5.148. Défaillance de la condition
  La défaillance de la condition suspensive éteint l'obligation pour l'avenir.
  La défaillance de la condition résolutoire rend l'obligation pure et simple pour l'avenir.
Hoofdstuk 2. Verbintenis met tijdsbepaling
Chapitre 2. L'obligation à terme
Art. 5.149. Definitie
  Een verbintenis is met tijdsbepaling wanneer de opeisbaarheid of het tenietgaan ervan wordt uitgesteld totdat een toekomstige en zekere gebeurtenis zich voordoet, ook al is de datum ervan onzeker.
  De tijdsbepaling is opschortend wanneer het verstrijken ervan de verbintenis opeisbaar maakt. De tijdsbepaling is uitdovend wanneer het verstrijken ervan het tenietgaan van de verbintenis teweegbrengt.
Art. 5.149. Définition
  L'obligation est à terme lorsque son exigibilité ou son extinction est différée jusqu'à la survenance d'un événement futur et certain, encore que la date en soit incertaine.
  Le terme est suspensif lorsque son échéance rend l'obligation exigible. Le terme est extinctif lorsque son échéance entraîne l'extinction de l'obligation.
Art. 5.150. Vorm van de tijdsbepaling
  De tijdsbepaling is uitdrukkelijk of stilzwijgend.
Art. 5.150. Forme du terme
  Le terme est exprès ou tacite.
Art. 5.151. Verstrijken van de tijdsbepaling
  Het verstrijken van de tijdsbepaling krijgt uitwerking van rechtswege en voor de toekomst.
Art. 5.151. Echéance du terme
  L'échéance du terme produit ses effets de plein droit et pour l'avenir.
Art. 5.152. Invulling van de opschortende tijdsbepaling
  Wanneer een verbintenis onderworpen is aan een opschortende tijdsbepaling, maar de partijen de gebeurtenis die als tijdsbepaling is vooropgesteld niet hebben bepaald of het verstrijken van de tijdsbepaling niet hebben vastgesteld, dan wordt zij bepaald naargelang de omstandigheden, de aard en de strekking van het contract.
Art. 5.152. Précision du terme suspensif
  Lorsqu'une obligation est affectée d'un terme suspensif, mais que les parties n'ont pas déterminé l'événement érigé en terme ou qu'elles n'ont pas fixé l'échéance du terme, celle-ci sera déterminée selon les circonstances, la nature et la portée du contrat.
Art. 5.153. Afstand van de opschortende tijdsbepaling
  Een partij kan afstand doen van de opschortende tijdsbepaling bepaald in haar uitsluitend belang, zolang die niet verstreken is.
  De tijdsbepaling wordt vermoed te zijn bepaald in het uitsluitend belang van de schuldenaar, tenzij uit de wet of de bedoeling van de partijen blijkt, gelet op de aard en de strekking van het contract, dat zij was bepaald in het uitsluitend belang van de schuldeiser of in dat van beide partijen.
Art. 5.153. Renonciation au terme suspensif
  Une partie peut renoncer au terme suspensif prévu dans son intérêt exclusif, tant que celui-ci n'est pas échu.
  Le terme est présumé prévu dans l'intérêt exclusif du débiteur, à moins qu'il ne résulte de la loi ou de l'intention des parties, eu égard à la nature et à la portée du contrat, qu'il a été prévu dans l'intérêt exclusif du créancier ou dans celui des deux parties.
Art. 5.154. Wachttijd bij de opschortende tijdsbepaling
  Hetgeen slechts onder opschortende tijdsbepaling verschuldigd is, kan niet worden opgeëist vóór het verstrijken ervan.
  Hetgeen betaald is vóór het verstrijken van de opschortende tijdsbepaling hoeft evenwel niet te worden teruggegeven.
  De schuldeiser kan, vóór het verstrijken van de opschortende tijdsbepaling, elke handeling verrichten tot behoud van zijn rechten.
Art. 5.154. Période d'attente en présence d'un terme suspensif
  Ce qui n'est dû qu'à terme suspensif ne peut être exigé avant l'échéance.
  Toutefois, ce qui a été payé avant l'échéance du terme suspensif ne doit pas être restitué.
  Le créancier peut, avant l'échéance du terme suspensif, accomplir tout acte conservatoire de ses droits.
Art. 5.155. Verval van de opschortende tijdsbepaling
  De schuldenaar kan het voordeel van de opschortende tijdsbepaling niet inroepen:
  1° indien hij failliet is gegaan;
  2° indien hij, door zijn eigen fout, de aan de schuldeiser beloofde zekerheid niet verstrekt;
  3° indien hij, door zijn eigen fout, de zekerheden die de verbintenis waarborgen vermindert; of
  4° in de overige gevallen bepaald door de wet.
  Het verval van de opschortende tijdsbepaling treedt van rechtswege in.
  Het verval van de opschortende tijdsbepaling in hoofde van de schuldenaar kan niet worden tegengeworpen aan zijn medeschuldenaars en aan de borg, zelfs niet bij hoofdelijkheid.
Art. 5.155. Déchéance du terme suspensif
  Le débiteur ne peut réclamer le bénéfice du terme suspensif:
  1° s'il a fait faillite;
  2° s'il ne fournit pas, par sa faute, les sûretés promises au créancier;
  3° s'il diminue, par sa faute, les sûretés qui garantissent l'obligation; ou
  4° dans les autres hypothèses prévues par la loi.
  La déchéance du terme suspensif opère de plein droit.
  La déchéance du terme suspensif encourue par le débiteur est inopposable à ses codébiteurs et à la caution, même solidaires.
Ondertitel 3. Verbintenissen met pluraliteit van voorwerpen of subjecten
Sous-titre 3. Les obligations avec pluralité d'objets ou de sujets
Hoofdstuk 1. Verbintenissen met pluraliteit van voorwerpen
Chapitre 1er. Les obligations à pluralité d'objets
Art. 5.156. Cumulatieve verbintenis
  Een verbintenis is cumulatief wanneer zij twee of meer prestaties tot voorwerp heeft en enkel de nakoming van het geheel de schuldenaar bevrijdt.
  Indien de nakoming van de ene prestatie onmogelijk wordt, blijven de andere prestaties verschuldigd.
Art. 5.156. Obligation cumulative
  L'obligation est cumulative lorsqu'elle a pour objet au moins deux prestations et que seule l'exécution de la totalité de celles-ci libère le débiteur.
  Si l'exécution d'une prestation devient impossible, les autres prestations restent dues.
Art. 5.157. Alternatieve verbintenis
  § 1. Een verbintenis is alternatief wanneer zij twee of meer prestaties tot voorwerp heeft en de nakoming van één daarvan de schuldenaar bevrijdt.
  Een verbintenis met slechts twee alternatieve prestaties is zuiver en eenvoudig indien een van de twee beloofde prestaties niet geldig het voorwerp van een verbintenis kon zijn.
  § 2. Tenzij het contract anders bepaalt, komt de keuze tussen de prestaties toe aan de schuldenaar.
  Indien de keuze niet op het afgesproken tijdstip of binnen een redelijke termijn is gemaakt, kan de andere partij, na voorafgaande ingebrekestelling, zelf de keuze maken.
  De gemaakte keuze wordt ter kennis gebracht aan de wederpartij en is definitief waardoor de verbintenis haar alternatief karakter verliest.
  § 3. Indien, vooraleer een keuze is gemaakt, een van de prestaties onmogelijk kan worden nagekomen, betreft de keuze de overblijvende prestaties.
Art. 5.157. Obligation alternative
  § 1er. L'obligation est alternative lorsqu'elle a pour objet au moins deux prestations et que l'exécution de l'une de celles-ci libère le débiteur.
  L'obligation ne comportant que deux prestations alternatives est pure et simple si l'une des deux prestations promises ne pouvait constituer valablement l'objet d'une obligation.
  § 2. Le choix entre les prestations revient au débiteur, sauf disposition contractuelle contraire.
  Si le choix n'est pas exercé au moment convenu ou dans un délai raisonnable, l'autre partie peut, après mise en demeure préalable, exercer elle-même ce choix.
  Le choix exercé est notifié à l'autre partie et est définitif de sorte que l'obligation perd son caractère alternatif.
  § 3. Si l'une des prestations devient impossible à exécuter avant qu'un choix soit exercé, le choix porte sur les prestations restantes.
Art. 5.158. Verbintenis met subsidiaire prestatie
  Een verbintenis heeft een subsidiaire prestatie tot voorwerp wanneer zij strekt tot een hoofdprestatie maar de schuldenaar de keuze heeft om zich te bevrijden door een andere, bepaalde prestatie.
  De keuze om de subsidiaire prestatie te leveren komt toe aan de schuldenaar; de schuldeiser kan enkel aanspraak maken op de hoofdprestatie.
  De verbintenis met subsidiaire prestatie dooft uit indien de nakoming van de hoofdprestatie onmogelijk wordt.
Art. 5.158. Obligation à prestation subsidiaire
  L'obligation a une prestation subsidiaire pour objet lorsqu'elle porte sur une prestation principale mais que le débiteur a le choix de se libérer par une autre prestation déterminée.
  Le choix de fournir la prestation subsidiaire revient au débiteur; le créancier peut uniquement prétendre à la prestation principale.
  L'obligation à prestation subsidiaire s'éteint si l'exécution de la prestation principale devient impossible.
Hoofdstuk 2. Verbintenissen met pluraliteit van subjecten
Chapitre 2. Les obligations à pluralité de sujets
Afdeling 1. Beginsel van de verdeling
Section 1re. Le principe de la division
Art. 5.159. Deelbare verbintenis
  § 1. Een verbintenis met meerdere schuldeisers of schuldenaars wordt van rechtswege onder hen verdeeld. De verdeling vindt ook plaats tussen de erfgenamen van een schuldeiser of een schuldenaar.
  De verdeling geschiedt in gelijke delen, tenzij een wettelijke, contractuele of testamentaire bepaling of, bij gebrek daaraan, de concrete omstandigheden een andere verdeling rechtvaardigen.
  § 2. Het beginsel van de verdeling lijdt uitzondering wanneer de verbintenis hoofdelijk, ondeelbaar of in solidum is.
Art. 5.159. Obligation divisible
  § 1er. L'obligation qui lie plusieurs créanciers ou débiteurs se divise de plein droit entre eux. La division a lieu également entre les héritiers d'un créancier ou d'un débiteur.
  La division a lieu par parts égales, sauf si une disposition légale, contractuelle ou testamentaire ou, à défaut, les circonstances concrètes justifient une autre division.
  § 2. Le principe de la division reçoit exception lorsque l'obligation est solidaire, indivisible ou in solidum.
Afdeling 2. Hoofdelijkheid tussen schuldenaars
Section 2. La solidarité entre débiteurs
Art. 5.160. Definitie en bronnen
  § 1. Er bestaat hoofdelijkheid tussen schuldenaars wanneer zij gehouden zijn tot dezelfde prestatie en de schuldeiser ieder van hen voor het geheel kan aanspreken.
  § 2. Passieve hoofdelijkheid ontstaat uit de wet of uit een contract. Zij wordt niet vermoed.
  Zij bestaat van rechtswege tussen ondernemingen, in de zin van artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht, die tot een zelfde contractuele verbintenis gehouden zijn. Deze regel is evenwel niet van toepassing indien de onderneming een natuurlijke persoon is en haar contractuele verbintenis kennelijk vreemd is aan de onderneming.
Art. 5.160. Définition et sources
  § 1er. Il y a solidarité entre débiteurs lorsqu'ils sont tenus à la même prestation et que le créancier peut en exiger de chacun d'eux la totalité.
  § 2. La solidarité passive naît de la loi ou d'un contrat. Elle ne se présume pas.
  Elle existe de plein droit entre des entreprises, au sens de l'article I.1, alinéa 1er, 1°, du Code de droit économique, qui sont tenues à une même obligation contractuelle. Cette règle ne s'applique toutefois pas lorsque l'entreprise est une personne physique et que son obligation contractuelle est manifestement étrangère à l'entreprise.
Art. 5.161. Hoofdgevolgen tussen schuldeiser en schuldenaars
  § 1. De schuldeiser kan, naar eigen keuze, iedere hoofdelijke schuldenaar aanspreken tot betaling van het geheel, totdat hij volledige nakoming heeft verkregen.
  Deze regel strekt zich uit tot het herstel van de schade waartoe de schuldenaars of een van hen zouden gehouden zijn bij toerekenbare niet-nakoming.
  Vervolgingen tegen een van de schuldenaars beletten de schuldeiser niet ook tegen de anderen vervolgingen in te stellen.
  § 2. De betaling door een van de schuldenaars gedaan, bevrijdt alle anderen van de schuld jegens de schuldeiser, in de mate van de betaling.
Art. 5.161. Effets principaux entre créancier et débiteurs
  § 1er. Le créancier peut, au choix, exiger de chaque débiteur solidaire le paiement de la totalité, jusqu'à ce qu'il ait obtenu l'exécution complète.
  Cette règle s'étend à la réparation du dommage à laquelle les débiteurs ou l'un d'eux seraient tenus en cas d'inexécution imputable.
  Les poursuites entamées contre l'un des débiteurs n'empêchent pas le créancier d'en exercer également contre les autres.
  § 2. Le paiement fait par l'un des débiteurs libère tous les autres de l'obligation à l'égard du créancier, dans la mesure du paiement.
Art. 5.162. Excepties van de medeschuldenaars
  § 1. Een hoofdelijke schuldenaar die door de schuldeiser tot betaling wordt aangesproken, kan een beroep doen op zijn persoonlijke excepties.
  Hij kan ook een beroep doen op alle excepties die aan alle medeschuldenaars gemeen zijn, zoals de betaling en de schuldvergelijking.
  § 2. Wanneer een schuldenaar beschikt over een persoonlijke exceptie die zijn aandeel in de schuld uitdooft, het hoofdelijk karakter ervan ontneemt of de opeisbaarheid ervan schorst, kunnen de overige schuldenaars zich erop beroepen teneinde dit aandeel in mindering te brengen van de gehele schuld.
  Dit is onder meer het geval bij:
  1° een persoonlijke kwijtschelding van schuld ten voordele van een van de schuldenaars, waarbij de schuldeiser uitdrukkelijk zijn rechten tegenover de anderen heeft voorbehouden; is dit niet het geval of verleent de schuldeiser een algemene kwijtschelding, dan bevrijdt hij alle medeschuldenaars;
  2° afstand van hoofdelijkheid, indien de schuldeiser toestemt in de verdeling van de schuld ten aanzien van een van de medeschuldenaars; doet hij afstand van hoofdelijkheid tegenover alle schuldenaars, dan wordt de schuld voor allen deelbaar;
  3° schuldvermenging.
Art. 5.162. Exceptions appartenant aux codébiteurs
  § 1er. Un débiteur solidaire dont le créancier exige le paiement peut opposer les exceptions qui lui sont personnelles.
  Il peut aussi opposer les exceptions qui sont communes à tous les codébiteurs, telles que le paiement et la compensation.
  § 2. Lorsqu'un débiteur dispose d'une exception personnelle qui éteint sa part dans l'obligation, lui ôte son caractère solidaire ou en suspend l'exigibilité, les autres débiteurs peuvent s'en prévaloir pour faire déduire cette part du total de l'obligation.
  Il en va notamment ainsi de:
  1° la remise de dette personnelle au profit d'un des débiteurs, lorsque le créancier a expressément réservé ses droits à l'égard des autres; si ce n'est pas le cas ou si le créancier accorde une remise de dette générale, il libère tous les codébiteurs;
  2° la renonciation à la solidarité, lorsque le créancier consent à la division de l'obligation à l'égard de l'un des codébiteurs; s'il renonce à la solidarité à l'égard de tous les débiteurs, l'obligation devient divisible pour tous;
  3° la confusion.
Art. 5.163. Bijkomende gevolgen tussen schuldeiser en schuldenaars
  De ingebrekestelling of vervolging van een van de hoofdelijke schuldenaars heeft gevolgen jegens allen; aldus doen zij moratoire interest lopen tegenover allen; het risico van verlies van het voorwerp gaat eveneens over op allen.
  De stuiting van de verjaring tegenover een van de hoofdelijke schuldenaars, stuit de verjaring ten aanzien van allen.
Art. 5.163. Effets secondaires entre créancier et débiteurs
  La mise en demeure ou la poursuite d'un des débiteurs solidaires produit des effets à l'égard de tous; elle fait ainsi courir les intérêts moratoires à l'égard de tous; les risques de perte de la chose s'étendent également à tous.
  L'interruption de la prescription à l'égard d'un des débiteurs solidaires interrompt la prescription à l'égard de tous.
Art. 5.164. Gevolgen voor de medeschuldenaars onderling
  § 1. Tussen de schuldenaars onderling wordt de schuld van rechtswege verdeeld en ieder van hen is tot bijdrage gehouden voor zijn aandeel in de schuld.
  De verdeling geschiedt in gelijke delen, tenzij een wettelijke of contractuele bepaling of, bij gebrek daaraan, de concrete omstandigheden een andere verdeling rechtvaardigen.
  lndien de hoofdelijke schuld een zaak betreft die slechts een van de medeschuldenaars aangaat, is deze tot voldoening van de gehele schuld gehouden ten aanzien van de overige schuldenaars, die tegenover hem slechts als zijn borgen worden beschouwd.
  § 2. De hoofdelijke schuldenaar die meer dan zijn aandeel betaalde aan de schuldeiser, heeft een verhaalsrecht tegen de medeschuldenaars naar evenredigheid tot ieders aandeel.
  Hij zal evenwel geen verhaal hebben tegen de schuldenaar die tegenover de schuldeiser beschikt over een persoonlijke exceptie.
  § 3. lndien een van de medeschuldenaars insolvabel is, wordt het door zijn insolvabiliteit veroorzaakte verlies naar evenredigheid omgeslagen over alle andere medeschuldenaars die in staat zijn om te betalen, met inbegrip van degene die de schuld voldaan heeft en van de medeschuldenaar die al van een individuele afstand van hoofdelijkheid genoot.
  § 4. In de verhouding tussen medeschuldenaars rust de plicht tot het herstel van de schade, geleden door de schuldeiser als gevolg van een toerekenbare niet-nakoming enkel op hen aan wie zij toerekenbaar is.
Art. 5.164. Effets entre codébiteurs
  § 1er. L'obligation se divise de plein droit entre les débiteurs et chacun d'eux est tenu de contribuer pour sa part dans l'obligation.
  La division a lieu par parts égales, sauf si une disposition légale ou contractuelle ou, à défaut, les circonstances concrètes justifient une autre division.
  Si l'obligation contractée solidairement porte sur une affaire qui ne concerne que l'un des codébiteurs, celui-ci est tenu de la totalité de l'obligation vis-à-vis des autres débiteurs, qui ne seront considérés par rapport à lui que comme ses cautions.
  § 2. Le débiteur solidaire qui a payé plus que sa part au créancier dispose d'un recours contre les codébiteurs proportionnellement à leur propre part.
  Toutefois, il n'aura pas de recours contre le débiteur qui dispose d'une exception personnelle à l'égard du créancier.
  § 3. Si l'un des codébiteurs se trouve insolvable, la perte qu'occasionne son insolvabilité se répartit proportionnellement entre tous les autres codébiteurs solvables, y compris celui qui a fait le paiement et le codébiteur qui bénéficiait déjà d'une renonciation individuelle à la solidarité.
  § 4. Dans les relations entre codébiteurs, l'obligation de réparation du dommage subi par le créancier à la suite d'une inexécution pèse uniquement sur ceux à qui elle est imputable.
Art. 5.165. Overlijden van een schuldenaar
  Onder de erfgenamen van een hoofdelijk gehouden schuldenaar wordt de schuld van hun rechtsvoorganger van rechtswege verdeeld.
  Niettemin blijven de bijkomende gevolgen van de passieve hoofdelijkheid, bedoeld in artikel 5.163, van toepassing.
Art. 5.165. Décès d'un débiteur
  L'obligation d'un débiteur solidaire se divise de plein droit entre ses héritiers.
  Toutefois, les effets secondaires de la solidarité passive, visés à l'article 5.163, restent applicables.
Afdeling 3. Ondeelbaarheid tussen schuldenaars
Section 3. L'indivisibilité entre débiteurs
Art. 5.166. Definitie en bronnen
  § 1. Er bestaat ondeelbaarheid tussen schuldenaars wanneer zij gehouden zijn tot dezelfde ondeelbare prestatie en de schuldeiser ieder van hen voor het geheel kan aanspreken.
  § 2. Een prestatie is ondeelbaar wanneer zij hetzij door haar aard of door de strekking van de verbintenis, hetzij krachtens wettelijke, contractuele of testamentaire bepaling, niet vatbaar is voor verdeling.
  De ondeelbaarheid kan niet worden afgeleid uit het louter bedingen van hoofdelijkheid.
Art. 5.166. Définition et sources
  § 1er. Il y a indivisibilité entre débiteurs lorsqu'ils sont tenus à la même prestation indivisible et que le créancier peut en exiger de chacun d'eux la totalité.
  § 2. La prestation est indivisible lorsqu'elle n'est pas susceptible de division soit en raison de la nature ou de la portée de l'obligation, soit en vertu d'une disposition légale, contractuelle ou testamentaire.
  L'indivisibilité ne se déduit pas de la seule stipulation de la solidarité.
Art. 5.167. Gevolgen
  De artikelen 5.161 tot 5.164 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij dit onverenigbaar zou zijn met de eigen aard of strekking van de ondeelbare verbintenis.
  De ondeelbaarheid geldt ook voor de erfgenamen van de schuldenaars van een ondeelbare prestatie.
Art. 5.167. Effets
  Les articles 5.161 à 5.164 sont d'application conforme, à moins que cela soit incompatible avec la nature ou la portée de l'obligation indivisible.
  L'indivisibilité s'applique également aux héritiers des débiteurs d'une prestation indivisible.
Afdeling 4. Verbintenissen in solidum
Section 4. Les obligations in solidum
Art. 5.168. Definitie
  Schuldenaars zijn in solidum gehouden wanneer zij, buiten de gevallen van passieve hoofdelijkheid en ondeelbaarheid en hoewel ze verbonden zijn jegens de schuldeiser door onderscheiden verbintenissen, elk gehouden zijn tot de gehele betaling. Wanneer het verbintenissen betreft tot betaling van een geldsom en de bedragen ervan verschillen, is elke schuldenaar in solidum gehouden tot de gehele betaling van het laagste bedrag.
Art. 5.168. Définition
  Les débiteurs sont tenus in solidum lorsque, hors les cas de la solidarité et de l'indivisibilité passives et bien qu'ils soient liés envers le créancier par des obligations distinctes, ils sont chacun tenus à la totalité du paiement. Lorsque les obligations portent sur des sommes d'argent et sont de montants différents, les débiteurs in solidum sont chacun tenus à la totalité du paiement à concurrence du montant le plus faible.
Art. 5.169. Gevolgen
  De artikelen 5.161, 5.162, 5.164 en 5.165 zijn overeenkomstig van toepassing, tenzij dit onverenigbaar zou zijn met de aard of strekking, of met het eigen regime van de verbintenis.
  De bijkomende gevolgen van de passieve hoofdelijkheid, bepaald in artikel 5.163, vinden geen toepassing, tenzij de wet of het contract anders bepaalt.
Art. 5.169. Effets
  Les articles 5.161, 5.162, 5.164 et 5.165 sont d'application conforme, à moins que cela soit incompatible avec la nature ou la portée, ou avec le régime propre de l'obligation.
  Les effets secondaires de la solidarité passive, visés à l'article 5.163, ne sont pas d'application, sauf disposition légale ou contractuelle contraire.
Afdeling 5. Hoofdelijkheid en ondeelbaarheid tussen schuldeisers
Section 5. La solidarité et l'indivisibilité entre créanciers
Art. 5.170. Definitie en bronnen
  § 1. Er bestaat hoofdelijkheid tussen schuldeisers wanneer zij recht hebben op dezelfde prestatie en ieder van hen de schuldenaar voor het geheel kan aanspreken.
  Actieve hoofdelijkheid ontstaat uit de wet of uit een contract. Zij wordt niet vermoed.
  § 2. Er bestaat ondeelbaarheid tussen schuldeisers wanneer zij recht hebben op dezelfde ondeelbare prestatie, omschreven in artikel 5.166, § 2, en ieder van hen de schuldenaar voor het geheel kan aanspreken.
  De ondeelbaarheid kan niet worden afgeleid uit het louter bedingen van hoofdelijkheid.
Art. 5.170. Définition et source
  § 1er. Il y a solidarité entre créanciers lorsqu'ils ont droit à la même prestation et que chacun d'eux peut exiger du débiteur la totalité.
  La solidarité active naît de la loi ou d'un contrat. Elle ne se présume pas.
  § 2. Il y a indivisibilité entre créanciers lorsqu'ils ont droit à la même prestation indivisible, définie à l'article 5.166, § 2, et que chacun d'eux peut exiger du débiteur la totalité.
  L'indivisibilité ne se déduit pas de la seule stipulation de la solidarité.
Art. 5.171. Gevolgen tussen schuldeisers en schuldenaar
  § 1. Iedere schuldeiser kan de uitvoering van de prestatie in haar geheel vorderen van de schuldenaar, zodat de betaling aan hem de schuldenaar ook tegenover de andere schuldeisers bevrijdt, in de mate van de betaling.
  De schuldenaar kan aan een van de schuldeisers, naar eigen keuze, betalen zolang hij niet door een van hen vervolgd wordt.
  § 2. De schuldenaar die door een schuldeiser tot betaling wordt aangesproken, kan een beroep doen op de excepties die persoonlijk zijn aan de rechtsband met die schuldeiser.
  Hij kan ook een beroep doen op alle excepties die gemeenschappelijk zijn voor alle schuldeisers, zoals de betaling en de schuldvergelijking.
  § 3. Een schuldeiser kan niet alleen beschikken over de schuldvordering; zo niet blijft de schuldenaar tegenover de medeschuldeisers de gehele prestatie verschuldigd, onder aftrek van het aandeel van de schuldeiser die alleen over de schuldvordering heeft beschikt.
  § 4. Daden tot behoud van de schuldvordering, door een schuldeiser alleen gesteld, strekken tot voordeel van allen. Dit is onder meer het geval voor de stuiting van de verjaring ten aanzien van een van de schuldeisers en van de ingebrekestelling gericht aan de schuldenaar.
Art. 5.171. Effets entre créanciers et débiteur
  § 1er. Chaque créancier peut exiger du débiteur l'exécution de la prestation dans sa totalité de sorte que le paiement qu'il reçoit libère le débiteur également à l'égard des autres créanciers, dans la mesure du paiement.
  Le débiteur peut payer l'un des créanciers, selon son choix, tant qu'il n'est pas poursuivi par l'un d'eux.
  § 2. Le débiteur dont un créancier exige le paiement peut invoquer les exceptions qui sont personnelles au lien de droit qui le lie à ce créancier.
  Il peut aussi opposer les exceptions qui sont communes à tous les créanciers telles que le paiement et la compensation.
  § 3. Un créancier ne peut disposer seul de la créance; à défaut, le débiteur reste tenu de la prestation totale à l'égard des autres créanciers, sous déduction de la part du créancier qui a disposé seul de la créance.
  § 4. Les actes de conservation de la créance, posés par un seul créancier, profitent à tous. Tel est notamment le cas pour l'interruption de la prescription à l'égard d'un des créanciers et la mise en demeure du débiteur.
Art. 5.172. Gevolgen voor de schuldeisers onderling
  De schuldeiser die de prestatie geheel of gedeeltelijk ontving, moet deze verdelen en aan de andere schuldeisers hun aandeel uitkeren.
  De verdeling geschiedt in gelijke delen, tenzij een wettelijke of contractuele bepaling of, bij gebrek daaraan, de concrete omstandigheden een andere verdeling rechtvaardigen.
  Indien de ontvangen prestatie uit haar aard ondeelbaar is, ontvangt elke schuldeiser de waarde van zijn aandeel in de schuldvordering.
Art. 5.172. Effets entre créanciers
  Le créancier qui a reçu la prestation en tout ou en partie doit la diviser et distribuer leur part aux autres créanciers.
  La division se fait par parts égales, sauf si une disposition légale ou contractuelle ou, à défaut, les circonstances concrètes justifient une autre division.
  Si la prestation reçue est indivisible par nature, chaque créancier reçoit la valeur de sa part dans la créance.
Art. 5.173. Overlijden van een schuldeiser
  Onder de erfgenamen van een hoofdelijke schuldeiser wordt de schuldvordering van rechtswege verdeeld. Niettemin blijft artikel 5.171, § 4, van toepassing.
  Onder de erfgenamen van de schuldeiser van een ondeelbare prestatie geldt de ondeelbaarheid eveneens.
Art. 5.173. Décès d'un créancier
  La créance est divisée de plein droit entre les héritiers d'un créancier solidaire. Toutefois, l'article 5.171, § 4, reste d'application.
  L'indivisibilité s'applique également entre les héritiers du créancier d'une prestation indivisible.
Ondertitel 4. Overdracht van verbintenissen
Sous-titre 4. La transmission des obligations
Hoofdstuk 1. Overdracht van schuldvordering
Chapitre 1er. La cession de créance
Afdeling 1. Voorwerp
Section 1re. L'objet
Art. 5.174. Beginsel
  Schuldvorderingen zijn vatbaar voor overdracht, tenzij de wet of de aard en strekking ervan zich daartegen verzet.
  De overdracht van een schuldvordering in strijd met een contractueel cessieverbod is niet tegenwerpelijk aan de gecedeerde schuldenaar wanneer de overnemer derde-medeplichtig is aan de schending van dit verbod.
Art. 5.174. Principe
  Les créances sont cessibles, sauf si la loi ou leur nature et leur portée s'y opposent.
  La cession d'une créance contraire à une interdiction de cession contractuelle n'est pas opposable au débiteur cédé lorsque le cessionnaire est tiers complice de la violation de cette interdiction.
Art. 5.175. Toekomstige schuldvorderingen
  De overdracht kan betrekking hebben op een of meerdere toekomstige schuldvorderingen op voorwaarde dat zij bepaald of bepaalbaar zijn.
Art. 5.175. Créances futures
  La cession peut porter sur une ou plusieurs créances futures, à condition qu'elles soient déterminées ou déterminables.
Art. 5.176. Gedeeltelijke overdracht
  Een schuldvordering is vatbaar voor gedeeltelijke overdracht, tenzij zij ondeelbaar is.
Art. 5.176. Cession partielle
  Une créance est partiellement cessible sauf si elle est indivisible.
Art. 5.177. Nevenrechten
  De overdracht van een schuldvordering omvat alle daarbij horende nevenrechten en zekerheden, zoals rechten uit pand, hypotheek, borgtocht en uitvoerbare titels.
Art. 5.177. Droits accessoires
  La cession d'une créance comprend tous les droits accessoires et sûretés y afférents, tels un gage, une hypothèque, un cautionnement et les titres exécutoires.
Art. 5.178. Overdracht van betwiste rechten
  § 1. De schuldenaar van een betwist recht dat is overgedragen, kan zich daarvan door de overnemer doen bevrijden, mits hij hem de werkelijke prijs van de overdracht en de wettig gemaakte kosten vergoedt, samen met de interest te rekenen van de dag waarop de overnemer de prijs voor de hem gedane overdracht betaald heeft.
  De gecedeerde schuldenaar kan van de partijen het bewijs van de in het eerste lid bedoelde bedragen eisen.
  Een recht wordt voor betwist gehouden, zodra er een proces is en betwisting van het recht zelf.
  § 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing indien de overdracht gedaan is:
  1° aan een mede-erfgenaam of mede-eigenaar van het overgedragen recht;
  2° aan een schuldeiser tot betaling van hetgeen hem verschuldigd is;
  3° aan de bezitter van het onroerend goed waarop het betwiste recht betrekking heeft.
Art. 5.178. Cession de droits litigieux
  § 1er. Le débiteur d'un droit litigieux qui a été cédé peut s'en faire libérer par le cessionnaire, en lui remboursant le prix réel de la cession avec les frais et loyaux coûts, et avec les intérêts à compter du jour où le cessionnaire a payé le prix de la cession à lui faite.
  Le débiteur cédé peut exiger des parties la preuve des montants visés à l'alinéa 1er.
  Un droit est censé litigieux dès qu'il y a procès et contestation sur le fond du droit.
  § 2. Le paragraphe 1er ne s'applique pas lorsque la cession a été faite:
  1° à un cohéritier ou copropriétaire du droit cédé;
  2° à un créancier en paiement de ce qui lui est dû;
  3° au possesseur de l'immeuble sujet au droit litigieux.
Afdeling 2. Tegenwerpelijkheid aan derden
Section 2. L'opposabilité aux tiers
Art. 5.179. Werking tegen derden
  Onverminderd artikel 3.28, § 2, kan de overdracht van schuldvordering worden ingeroepen tegen andere derden dan de gecedeerde schuldenaar door het sluiten van het contract van overdracht.
  De overdracht kan slechts tegen de gecedeerde schuldenaar worden ingeroepen vanaf het ogenblik dat zij aan de gecedeerde schuldenaar ter kennis is gebracht of door hem is erkend.
  De overdracht kan niet worden ingeroepen tegen de te goeder trouw zijnde schuldeiser van de overdrager aan wie de schuldenaar te goeder trouw en voordat de overdracht hem ter kennis werd gebracht, bevrijdend heeft betaald.
Art. 5.179. Effets envers les tiers
  Sans préjudice de l'article 3.28, § 2, la cession de créance est opposable aux tiers autres que le débiteur cédé par la conclusion du contrat de cession.
  La cession n'est opposable au débiteur cédé qu'à partir du moment où elle a été notifiée au débiteur cédé ou reconnue par celui-ci.
  La cession n'est pas opposable au créancier de bonne foi du cédant, auquel le débiteur a, de bonne foi et avant que la cession ne lui soit notifiée, valablement payé.
Art. 5.180. Kennisgeving
  De kennisgeving kan uitgaan van de overdrager of de overnemer. Enkel het bestaan van de overdracht dient aan de schuldenaar ter kennis te worden gebracht.
Art. 5.180. Notification
  La notification peut émaner du cédant ou du cessionnaire. Seule l'existence de la cession doit être notifiée au débiteur.
Art. 5.181. Positie van de schuldenaar
  De overdracht van de schuldvordering laat de excepties van de schuldenaar onverlet.
  De schuldenaar die te goeder trouw heeft betaald vooraleer de overdracht hem ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend, is bevrijd.
  De schuldenaar te goeder trouw kan eveneens de gevolgen van elke rechtshandeling die ten opzichte van de overdrager is gesteld, inroepen ten opzichte van de overnemer, voordat de overdracht aan hem ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend.
Art. 5.181. Position du débiteur
  La cession de la créance laisse subsister les exceptions du débiteur.
  Le débiteur qui a payé de bonne foi avant que la cession ne lui ait été notifiée ou qu'il l'ait reconnue est libéré.
  Le débiteur de bonne foi peut également invoquer à l'égard du cessionnaire les conséquences de tout acte juridique accompli à l'égard du cédant, avant que la cession ne lui ait été notifiée ou qu'il l'ait reconnue.
Art. 5.182. Schuldvergelijking
  Wanneer de overdracht aan de schuldenaar ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend, kan deze laatste zich niet meer beroepen op de schuldvergelijking van schuldvorderingen die daarna tot stand komt, tenzij het om samenhangende schuldvorderingen gaat.
  De gevolgen van de conventionele schuldvergelijking worden geregeld door artikel 5.263.
Art. 5.182. Compensation
  Lorsque la cession a été notifiée au débiteur ou qu'il l'a reconnue, le débiteur ne peut plus invoquer la compensation ultérieure de créances, sauf s'il s'agit de créances connexes.
  Les effets de la compensation conventionnelle sont réglés à l'article 5.263.
Art. 5.183. Looncessie
  Onverminderd de toepassing van de artikelen 27 tot 35 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers geeft de overdracht die slaat op inkomsten bedoeld in de artikelen 1409, §§ 1 en 1bis, en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek, op straffe van nietigheid, op het ogenblik dat zij kan worden ingeroepen tegen de gecedeerde schuldenaar aanleiding tot een aan de overdrager gerichte kennisgeving, die het aangifteformulier voor kind ten laste waarvan het model bepaald is door de minister van Justitie bevat. In dat geval is artikel 34bis van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers van toepassing.
Art. 5.183. Cession de rémunération
  Sans préjudice de l'application des articles 27 à 35 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, lorsque la cession porte sur des revenus visés aux articles 1409, §§ 1er et 1erbis, et 1410 du Code judiciaire, à peine de nullité, celle-ci, au moment où elle est rendue opposable au débiteur cédé, donne lieu à une notification au cédant laquelle contient le formulaire de déclaration d'enfant à charge dont le modèle est arrêté par le ministre de la Justice. Dans ce cas, l'article 34bis de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs s'applique.
Afdeling 3. Verbintenissen van partijen
Section 3. Les obligations des parties
Art. 5.184. Leveringsplicht
  De overdrager is verplicht alle noodzakelijke akten en bewijsstukken waarover hij beschikt die op de schuldvordering en op de nevenrechten betrekking hebben, aan de overnemer af te geven.
Art. 5.184. Obligation de délivrance
  Le cédant est tenu de remettre au cessionnaire tous les actes et éléments de preuve nécessaires en sa possession qui concernent la créance et ses droits accessoires.
Art. 5.185. Vrijwaringsplicht
  Diegene die een schuldvordering overdraagt, staat in voor het bestaan daarvan ten tijde van de overdracht, zelfs wanneer deze zonder vrijwaring is geschied.
Art. 5.185. Obligation de garantie
  Celui qui cède une créance en garantit l'existence au temps de la cession, quoiqu'elle soit faite sans garantie.
Art. 5.186. Solvabiliteit van de schuldenaar
  Voor de solvabiliteit van de schuldenaar moet de overdrager niet instaan tenzij hij zich daartoe heeft verbonden, en slechts ten belope van de prijs die hij voor de schuldvordering ontvangen heeft.
  Wanneer hij beloofd heeft voor de solvabiliteit van de schuldenaar te zullen instaan, geldt die belofte slechts voor de solvabiliteit op het ogenblik zelf en strekt zij zich niet uit tot de toekomst, tenzij de overdrager dat uitdrukkelijk heeft bedongen.
Art. 5.186. Solvabilité du débiteur
  Le cédant ne répond de la solvabilité du débiteur que lorsqu'il s'y est engagé, et jusqu'à concurrence seulement du prix qu'il a retiré de la créance.
  Lorsqu'il a promis la garantie de la solvabilité du débiteur, cette promesse ne s'entend que de la solvabilité actuelle, et ne s'étend pas au temps à venir, si le cédant ne l'a expressément stipulé.
Hoofdstuk 2. Overdracht van schuld
Chapitre 2. La cession de dette
Art. 5.187. Volkomen overdracht van schuld
  Een schuld kan met toestemming van de schuldeiser aan een derde worden overgedragen.
  Indien de schuldeiser bij voorbaat zijn toestemming heeft gegeven, heeft de schuldoverdracht pas uitwerking na kennisgeving of erkenning van het contract gesloten tussen overdrager en overnemer.
Art. 5.187. Cession parfaite de dette
  Une dette peut être cédée à un tiers avec le consentement du créancier.
  Si le créancier a donné son consentement par avance, la cession de dette ne produit ses effets qu'après notification ou reconnaissance du contrat conclu entre le cédant et le cessionnaire.
Art. 5.188. Gevolgen voor de oorspronkelijke schuldenaar
  De schuldoverdracht bevrijdt de oorspronkelijke schuldenaar voor de toekomst, tenzij anders is overeengekomen met de schuldeiser.
Art. 5.188. Effets pour le débiteur originaire
  La cession de dette libère le débiteur originaire pour l'avenir, sauf s'il en est convenu autrement avec le créancier.
Art. 5.189. Tegenwerpelijkheid van excepties
  De schuldovernemer kan tegen de schuldeiser een beroep doen op alle excepties waarover de overdrager beschikte krachtens de overgedragen schuld.
  Overdrager en overnemer kunnen ook hun persoonlijke excepties opwerpen.
Art. 5.189. Opposabilité des exceptions
  Le cessionnaire de la dette peut opposer au créancier toutes les exceptions dont le cédant disposait en vertu de la dette cédée.
  Le cédant et le cessionnaire peuvent également invoquer leurs exceptions personnelles.
Art. 5.190. Zekerheidsrechten
  De bevrijding van de overdrager heeft tot gevolg dat de persoonlijke en zakelijke zekerheidsrechten vervallen, behoudens de toestemming van de zekerheidsteller.
Art. 5.190. Sûretés
  La libération du cédant entraîne l'extinction des sûretés personnelles et réelles, sauf le consentement du constituant de la sûreté.
Art. 5.191. Onvolkomen overdracht van schuld
  Er is een onvolkomen schuldoverdracht wanneer de overnemer de bedoeling heeft zich te verbinden tegenover de schuldeiser die zijn toestemming niet heeft gegeven. Zij heeft de hoofdelijke gehoudenheid van de overdrager en de overnemer tot gevolg.
  Deze bedoeling wordt vermoed indien de overnemer van de overdracht kennis heeft gegeven aan de schuldeiser.
  Indien de schuldeiser de overdracht nadien aanvaardt, zijn de artikelen 5.187 tot 5.190 van overeenkomstige toepassing.
Art. 5.191. Cession imparfaite de dette
  Il y a une cession imparfaite de dette lorsque le cessionnaire a l'intention de s'engager envers le créancier qui n'a pas donné son consentement. Elle a pour conséquence l'obligation solidaire du cédant et du cessionnaire.
  Cette intention est présumée si le cessionnaire a informé le créancier de la cession.
  Si le créancier accepte ultérieurement la cession, les articles 5.187 à 5.190 sont d'application conforme.
Art. 5.192. Interne overname van schuld
  Er is een interne schuldovername wanneer de overnemer niet de bedoeling heeft zich tegenover de schuldeiser te verbinden. Zij heeft slechts uitwerking tussen de partijen.
Art. 5.192. Reprise interne de dette
  Il y a reprise interne de dette lorsque le repreneur n'a pas l'intention de s'engager vis-à-vis du créancier. Elle n'a d'effet qu'entre les parties.
Hoofdstuk 3. Overdracht van contract
Chapitre 3. La cession de contrat
Art. 5.193. Beginsel
  § 1. Een contractspartij kan met toestemming van de medecontractant zijn contractspositie overdragen aan een derde. Die overdracht bevrijdt de overdrager voor de schulden die na de overdracht opeisbaar worden, behoudens andersluidend contract.
  Indien de medecontractant bij voorbaat zijn toestemming heeft gegeven, heeft de overdracht van de contractspositie pas uitwerking na kennisgeving of erkenning van het contract tussen de overdrager en overnemer.
  Voor het overige, zijn de bepalingen van hoofdstukken 1 en 2 van overeenkomstige toepassing.
  § 2. Indien de contractuele positie overgedragen is aan een derde zonder toestemming van de medecontractant, kan enkel de overnemer de rechten uitoefenen die voortvloeien uit die contractuele positie. De overdrager blijft niettemin hoofdelijk gehouden tot de gevolgen van de uitoefening van die rechten.
  Voor het overige zijn de bepalingen van hoofdstuk 1 en artikel 5.191 van overeenkomstige toepassing.
  Indien de medecontractant de overdracht nadien aanvaardt, is paragraaf 1 van overeenkomstige toepassing.
Art. 5.193. Principe
  § 1er. Une partie contractante peut céder sa position contractuelle à un tiers, moyennant le consentement du cocontractant. Cette cession libère le cédant pour les dettes qui deviennent exigibles après la cession, sauf accord contraire des parties.
  Si le cocontractant a donné son consentement par avance, la cession de la position contractuelle ne produit ses effets qu'après notification ou reconnaissance du contrat conclu entre le cédant et le cessionnaire.
  Pour le surplus, les dispositions des chapitres 1er et 2 sont d'application conforme.
  § 2. Si la position contractuelle est cédée à un tiers sans le consentement du cocontractant, seul le cessionnaire peut exercer les droits qui découlent de cette position contractuelle. Le cédant demeure néanmoins solidairement tenu des conséquences de l'exercice de ces droits.
  Pour le surplus, les dispositions du chapitre 1er et l'article 5.191 sont d'application conforme.
  Si le cocontractant accepte ultérieurement la cession, le paragraphe 1er est d'application conforme.
Ondertitel 5. Nakoming van de verbintenis
Sous-titre 5. L'exécution de l'obligation
Hoofdstuk 1. Inleidende bepaling
Chapitre 1er. Disposition introductive
Art. 5.194. Definitie van de betaling
  De betaling is de eenzijdige rechtshandeling waarbij de verschuldigde prestatie vrijwillig wordt uitgevoerd.
  Zij bevrijdt de schuldenaar tegenover de schuldeiser en dooft de schuld uit, behoudens subrogatie in de rechten van de schuldeiser.
Art. 5.194. Définition du paiement
  Le paiement est l'acte juridique unilatéral par lequel la prestation due est exécutée de manière volontaire.
  Il libère le débiteur à l'égard du créancier et éteint la dette, sauf subrogation dans les droits du créancier.
Hoofdstuk 2. Betaling
Chapitre 2. Le paiement
Afdeling 1. Gemeenschappelijke bepalingen
Section 1re. Dispositions communes
Art. 5.195. Vereiste van een schuld
  Iedere betaling onderstelt een schuld: hetgeen betaald is zonder verschuldigd te zijn, kan worden teruggevorderd overeenkomstig de artikelen 5.133 tot 5.134.
Art. 5.195. Nécessité d'une dette
  Tout paiement suppose une dette: ce qui a été payé sans être dû, est sujet à restitution conformément aux articles 5.133 à 5.134.
Art. 5.196. Betaling door een derde
  De betaling kan worden gedaan door eenieder die belang heeft bij de verbintenis, zoals een borg.
  Zij kan zelfs worden gedaan door een derde die geen belang heeft bij de verbintenis. De schuldeiser heeft in dat geval evenwel het recht om de betaling te weigeren indien hij zich beroept op een wettige reden die voortvloeit uit het belang dat de verbintenis, gelet op de aard of strekking ervan, wordt nagekomen door de schuldenaar zelf, of uit het belang dat zij niet wordt nagekomen door een welbepaalde derde.
Art. 5.196. Paiement par un tiers
  Le paiement peut être fait par toute personne qui est intéressée à l'obligation, telle une caution.
  Il peut même être fait par un tiers qui n'est pas intéressé à l'obligation. Le créancier a toutefois, en ce cas, le droit de refuser le paiement s'il fait valoir un motif légitime résultant de l'intérêt à ce que l'obligation soit, eu égard à sa nature ou à sa portée, exécutée par le débiteur lui-même ou de l'intérêt à ce qu'elle ne le soit pas par un tiers déterminé.
Art. 5.197. Geldigheidsvereisten voor de betaling
  Om geldig te betalen, moet men de bevoegdheid en de bekwaamheid hebben om te beschikken over het voorwerp dat in betaling wordt gegeven.
Art. 5.197. Conditions de validité du paiement
  Pour payer valablement, il faut avoir le pouvoir et la capacité de disposer de la chose donnée en paiement.
Art. 5.198. Betaling aan de schuldeiser
  De betaling moet worden gedaan aan de schuldeiser of aan iemand die door hem, door de rechter of door de wet gemachtigd is om voor hem te ontvangen.
  De betaling gedaan aan iemand die geen bevoegdheid heeft om voor de schuldeiser te ontvangen, is niettemin bevrijdend indien:
  1° de schuldeiser de betaling bekrachtigt;
  2° de schuldeiser er voordeel uit getrokken heeft; of
  3° de betaling te goeder trouw gedaan is aan de schijnschuldeiser, ook al wordt hij naderhand ontzet.
  De betaling gedaan aan de schuldeiser is niet bevrijdend indien hij onbekwaam was om haar te ontvangen, tenzij de schuldenaar aantoont dat de schuldeiser voordeel heeft gehaald uit de betaling.
Art. 5.198. Paiement au créancier
  Le paiement doit être fait au créancier ou à quelqu'un ayant pouvoir de lui, ou qui soit autorisé par justice ou par la loi à recevoir pour lui.
  Le paiement fait à celui qui n'aurait pas pouvoir de recevoir pour le créancier, est néanmoins libératoire, si:
  1° le créancier le ratifie;
  2° le créancier en a profité; ou
  3° le paiement a été fait de bonne foi au créancier apparent, encore que celui-ci en soit par la suite évincé.
  Le paiement fait au créancier n'est pas libératoire s'il était incapable de le recevoir, à moins que le débiteur ne prouve que le créancier a retiré un profit du paiement.
Art. 5.199. Onbeschikbaarheid van de schuldvordering
  De betaling in handen van de schuldeiser is niet bevrijdend indien de wet een dergelijke betaling verbiedt of de betaling in andere handen oplegt.
  Aldus is de betaling, door de schuldenaar aan zijn schuldeiser gedaan in weerwil van een beslag of een verzet, niet bevrijdend ten aanzien van de schuldeisers die het beslag gelegd hebben of het verzet gedaan hebben; deze kunnen, volgens hun recht, de schuldenaar noodzaken opnieuw te betalen, behoudens, in dat geval alleen, zijn verhaal op de schuldeiser.
Art. 5.199. Indisponibilité de la créance
  Le paiement entre les mains du créancier n'est pas libératoire lorsque la loi interdit un tel paiement ou impose le paiement entre d'autres mains.
  Ainsi, le paiement fait par le débiteur à son créancier, au préjudice d'une saisie ou d'une opposition, n'est-il pas libératoire à l'égard des créanciers saisissants ou opposants; ceux-ci peuvent, selon leur droit, le contraindre à payer de nouveau, sauf, en ce cas seulement, son recours contre le créancier.
Art. 5.200. Voorwerp van de betaling
  De schuldeiser kan niet worden gedwongen betaling te ontvangen van een gedeelte van een schuld, ook al is die schuld deelbaar.
  De schuldeiser kan evenmin worden gedwongen een andere prestatie aan te nemen dan de hem verschuldigde prestatie, ook al is zij van gelijke of zelfs grotere waarde.
  Hij kan evenwel, via een inbetalinggeving, een andere prestatie aanvaarden dan de hem verschuldigde prestatie.
Art. 5.200. Objet du paiement
  Le créancier ne peut être contraint de recevoir en partie le paiement d'une dette même divisible.
  Le créancier ne peut pas davantage être contraint de recevoir une autre prestation que celle qui lui est due, quoique sa valeur soit égale ou même plus grande.
  Il peut toutefois, par une dation en paiement, accepter une prestation autre que celle qui lui est due.
Art. 5.201. Respijttermijn
  De rechter kan, niettegenstaande ieder andersluidend beding, met inachtneming van de toestand van de partijen, gebruik makend van deze bevoegdheid met grote omzichtigheid en daarbij rekening houdend met de termijnen die de schuldenaar reeds heeft genoten, gematigd uitstel verlenen voor de betaling en de vervolgingen doen schorsen, ook wanneer de schuld blijkt uit een andere authentieke akte dan een vonnis.
Art. 5.201. Délai de grâce
  Le juge peut, nonobstant toute clause contraire, eu égard à la situation des parties, en usant de ce pouvoir avec une grande réserve et en tenant compte des délais dont le débiteur a déjà usé, accorder des délais modérés pour le paiement et faire surseoir aux poursuites, même si la dette est constatée par un acte authentique, autre qu'un jugement.
Art. 5.202. Staat van de zaak
  De schuldenaar van een bepaald voorwerp is van zijn schuld bevrijd door de afgifte van het voorwerp in de staat waarin het zich ten tijde van de levering bevindt, op voorwaarde dat de beschadiging die het ondergaan heeft, niet is veroorzaakt door zijn schuld, noch door die van de personen voor wie hij aansprakelijk is, en hij niet reeds voor het ontstaan van de beschadiging in gebreke was.
  Indien het verschuldigde voorwerp alleen is bepaald ten aanzien van zijn soort, is de schuldenaar, om zich van de schuld te bevrijden, niet verplicht de beste soort te geven; doch hij mag ook niet de slechtste aanbieden.
Art. 5.202. Etat de la chose
  Le débiteur d'une chose certaine est libéré par la remise de la chose en l'état où elle se trouve lors de la livraison, pourvu que les détériorations qui y sont survenues ne viennent pas de sa faute, ni de celle des personnes dont il est responsable, ou qu'avant ces détériorations il ne fût pas en demeure.
  Si la dette porte sur une chose qui ne soit déterminée que par son espèce, le débiteur ne sera pas tenu, pour être libéré, de la donner de la meilleure espèce; mais il ne pourra l'offrir de la plus mauvaise.
Art. 5.203. Plaats en tijdstip van de betaling
  De betaling moet worden gedaan op de plaats die door het contract is aangewezen.
  Indien geen plaats is aangewezen, moet, wanneer het een zeker voorwerp betreft, de betaling worden gedaan op de plaats waar het voorwerp van de verschuldigde prestatie, zich bevond ten tijde van het ontstaan van de verbintenis.
  Buiten deze twee gevallen moet de betaling worden gedaan aan de woonplaats van de schuldenaar.
  Ze moet worden gedaan zodra de schuld opeisbaar is.
Art. 5.203. Lieu et moment du paiement
  Le paiement doit être exécuté dans le lieu désigné par le contrat.
  Si le lieu n'y est pas désigné, le paiement, lorsqu'il s'agit d'une chose certaine, doit être fait dans le lieu où était, à la naissance de l'obligation, la chose qui est l'objet de la prestation due.
  Hors ces deux cas, le paiement doit être fait au domicile du débiteur.
  Il doit être effectué dès que la dette est exigible.
Art. 5.204. Kosten van de betaling
  De kosten van betaling komen ten laste van de schuldenaar.
Art. 5.204. Frais du paiement
  Les frais du paiement sont à la charge du débiteur.
Afdeling 2. Bijzondere bepalingen voor de geldelijke verbintenissen
Section 2. Dispositions particulières aux obligations pécuniaires
Art. 5.205. Monetair nominalisme
  De schuldenaar van een verbintenis tot betaling van een geldsom betaalt bevrijdend door de storting van het nominaal bedrag ervan, zonder rekening te houden met de werkelijke waarde ervan.
  De schuldenaar van een waardeschuld betaalt bevrijdend door de storting van het bedrag voortvloeiend uit de vereffening ervan.
Art. 5.205. Nominalisme monétaire
  Le débiteur d'une obligation de somme se libère par le versement de son montant nominal, sans égard à sa valeur réelle.
  Le débiteur d'une obligation de valeur se libère par le versement du montant résultant de sa liquidation.
Art. 5.206. Interest
  Remuneratoire interest is de interest die strekt tot tegenprestatie van de terbeschikkingstelling van kapitaal.
  Moratoire interest is de nalatigheidsinterest verschuldigd als herstel wegens de laattijdige nakoming van een geldschuld.
  Compensatoire interest is de nalatigheidsinterest verschuldigd als herstel wegens de laattijdige nakoming van een waardeschuld.
Art. 5.206. Intérêts
  Les intérêts rémunératoires sont les intérêts qui tiennent lieu de contrepartie à la mise à disposition d'un capital.
  Les intérêts moratoires sont les intérêts de retard dus à titre de réparation pour l'exécution tardive d'une obligation de somme.
  Les intérêts compensatoires sont les intérêts de retard dus à titre de réparation pour l'exécution tardive d'une obligation de valeur.
Art. 5.207. Anatocisme
  Niettegenstaande andersluidend beding, kan vervallen remuneratoire en moratoire interest slechts interest opbrengen, ofwel ten gevolge van een schriftelijke ingebrekestelling, ofwel ten gevolge van een specifiek contract, mits de ingebrekestelling of dit contract betrekking heeft op interest die ten minste voor een geheel jaar verschuldigd is.
Art. 5.207. Anatocisme
  Nonobstant toute clause contraire, les intérêts rémunératoires et moratoires échus ne peuvent produire des intérêts, soit à la suite d'une mise en demeure écrite, soit à la suite d'un contrat spécifique, que si la mise en demeure ou ce contrat concernent des intérêts dus au moins pour une année entière.
Afdeling 3. Toerekening van betalingen
Section 3. L'imputation des paiements
Art. 5.208. Toerekening beslist door de schuldenaar
  De schuldenaar van verscheidene schulden heeft het recht om, wanneer hij betaalt, te verklaren welke schuld hij wil voldoen, tenzij die toerekening in strijd is met de wet of met het contract.
Art. 5.208. Imputation décidée par le débiteur
  Le débiteur de plusieurs dettes a le droit de déclarer, lorsqu'il paie, quelle dette il entend acquitter, sauf si cette imputation est contraire à la loi ou au contrat.
Art. 5.209. Subsidiaire toerekeningsregels
  Bij gebrek aan toerekening door de partijen, gebeurt zij als volgt:
  1° in de eerste plaats op de vervallen schulden;
  2° onder deze schulden, op de schulden die de schuldenaar het meeste belang had te voldoen;
  3° bij gelijk belang, op de oudste schuld;
  4° alles gelijkstaande, naar evenredigheid.
Art. 5.209. Règles d'imputation subsidiaire
  A défaut d'imputation par les parties, elle a lieu comme suit:
  1° d'abord sur les dettes échues;
  2° parmi celles-ci, sur les dettes que le débiteur avait le plus intérêt d'acquitter;
  3° à égalité d'intérêt, sur la dette la plus ancienne;
  4° toutes choses étant égales, proportionnellement.
Art. 5.210. Toerekening op de interest
  De schuldenaar van een schuld die remuneratoire of moratoire interest oplevert of rentetermijnen opbrengt, kan, buiten de toestemming van de schuldeiser, de betaling die hij doet niet toerekenen op het kapitaal eerder dan op de rentetermijnen of de interest; de betaling die op het kapitaal en de interest gedaan wordt, maar waarmee de gehele schuld niet is gekweten, wordt in de eerste plaats op de interest toegerekend.
Art. 5.210. Imputation sur les intérêts
  Le débiteur d'une dette qui porte intérêt rémunératoire ou moratoire ou produit des arrérages, ne peut pas, sans le consentement du créancier, imputer le paiement qu'il fait sur le capital par préférence aux arrérages ou intérêts; le paiement fait sur le capital et les intérêts, mais qui n'est pas intégral, s'impute d'abord sur les intérêts.
Afdeling 4. Schuldeisersverzuim
Section 4. La demeure du créancier
Art. 5.211. Beginsel
  Wanneer de schuldeiser, op de vervaldag en zonder wettige reden, zich ervan onthoudt de hem verschuldigde prestatie te ontvangen of dat verhindert door zijn daad, kan de schuldenaar hem in gebreke stellen voor het aanvaarden ervan of voor het mogelijk maken van de uitvoering ervan.
Art. 5.211. Principe
  Lorsque le créancier, à l'échéance et sans motif légitime, s'abstient de recevoir la prestation qui lui est [1 due]1 ou l'empêche par son fait, le débiteur peut le mettre en demeure d'en accepter ou d'en permettre l'exécution.
  
Art. 5.212. Verbintenis tot betaling van een geldsom
  Indien aan de belemmering geen einde is gekomen binnen een redelijke termijn te rekenen van de ingebrekestelling, kan de schuldenaar van een verbintenis tot de betaling van een geldsom het bedrag ervan consigneren bij de Deposito- en Consignatiekas.
  De consignatie bevrijdt de schuldenaar vanaf de kennisgeving ervan aan de schuldeiser.
Art. 5.212. Obligation de somme
  Si l'obstruction n'a pas pris fin dans un délai raisonnable à compter de la mise en demeure, le débiteur d'une obligation de somme peut en consigner le montant à la Caisse des dépôts et consignations.
  La consignation libère le débiteur à compter de sa notification au créancier.
Art. 5.213. Verbintenis om een voorwerp te overhandigen
  Indien aan de belemmering geen einde gekomen is binnen een redelijke termijn te rekenen van de ingebrekestelling, kan de schuldenaar, wanneer de verbintenis betrekking heeft op de overhandiging van een voorwerp, het in bewaring geven bij een professionele sekwester.
  Indien de inbewaringgeving onmogelijk of te duur is, kan de rechter de openbare of onderhandse verkoop van het voorwerp toelaten. Na aftrek van de kosten van de verkoop, wordt de prijs ervan geconsigneerd bij de Deposito- en Consignatiekas.
  De inbewaringgeving en de consignatie bevrijden de schuldenaar vanaf de kennisgeving ervan aan de schuldeiser.
Art. 5.213. Obligation de remise d'une chose
  Si l'obstruction n'a pas pris fin dans un délai raisonnable à compter de la mise en demeure, le débiteur peut, lorsque l'obligation porte sur la remise d'une chose, séquestrer celle-ci auprès d'un gardien professionnel.
  Si le séquestre est impossible ou trop onéreux, le juge peut autoriser la vente amiable ou publique de la chose. Déduction faite des frais de la vente, le prix en est consigné à la Caisse des dépôts et consignations.
  Le séquestre et la consignation libèrent le débiteur à compter de leur notification au créancier.
Art. 5.214. Verbintenis tot een andere prestatie
  De schuldenaar van een andere prestatie dan de prestatie tot het betalen van een geldsom of het overhandigen van een voorwerp kan via het gerecht de veroordeling van de schuldeiser eisen om de prestatie te ontvangen.
Art. 5.214. Obligation portant sur une autre prestation
  Le débiteur d'une prestation autre que le paiement d'une somme ou la remise d'une chose peut demander en justice la condamnation du créancier à recevoir la prestation.
Art. 5.215. Andere gevolgen van het verzuim
  Het verzuim van de schuldeiser verhindert het lopen van de interest die de schuldenaar verschuldigd is.
  Het bevrijdt de schuldenaar van het herstel van de schade die voortvloeit uit de latere vertraging bij de nakoming van de verbintenis.
  Het legt de risico's bij de schuldeiser, zo hij ze niet reeds draagt.
  Het houdt evenwel geen onderbreking of schorsing van de verjaring in.
Art. 5.215. Autres effets de la mise en demeure
  La mise en demeure du créancier empêche le cours des intérêts dus par le débiteur.
  Elle libère le débiteur de la réparation du dommage résultant du retard ultérieur dans l'exécution de l'obligation.
  Elle met les risques à la charge du créancier, s'il ne les supporte pas déjà.
  Toutefois, elle n'interrompt, ni ne suspend la prescription.
Art. 5.216. Kosten
  De redelijke kosten van de ingebrekestelling alsook die van de consignatie of inbewaringgeving zijn ten laste van de schuldeiser.
Art. 5.216. Frais
  Les frais raisonnables de la mise en demeure ainsi que ceux de la consignation ou du séquestre sont à la charge du créancier.
Hoofdstuk 3. Betaling met subrogatie
Chapitre 3. Le paiement avec subrogation
Art. 5.217. Bronnen van subrogatie
  Subrogatie in de rechten van de schuldeiser ten voordele van een derde die hem betaalt, geschiedt bij contract of krachtens de wet.
Art. 5.217. Sources de subrogation
  La subrogation dans les droits du créancier au profit d'un tiers qui le paie, est conventionnelle ou légale.
Art. 5.218. Conventionele subrogatie door de schuldeiser
  Conventionele subrogatie door de schuldeiser vindt plaats wanneer de schuldeiser, die betaling ontvangt van een derde, hem doet treden in zijn rechten tegen de schuldenaar.
  Deze subrogatie moet uitdrukkelijk en gelijktijdig met de betaling geschieden.
Art. 5.218. Subrogation conventionnelle par le créancier
  Il y a subrogation conventionnelle par le créancier lorsque le créancier recevant son paiement d'un tiers le subroge dans ses droits contre le débiteur.
  Cette subrogation doit être expresse et faite en même temps que le paiement.
Art. 5.219. Conventionele subrogatie door de schuldenaar
  Conventionele subrogatie door de schuldenaar vindt plaats wanneer de schuldenaar geld leent teneinde zijn schuld te betalen en de uitlener in de rechten van zijn schuldeiser te doen treden.
  Opdat deze subrogatie geldig zal zijn, moeten de akte van lening en de kwijting voor de notaris verleden worden, moet in de akte van lening verklaard worden dat het geld geleend is om daarmee de betaling te doen, en moet in de kwijting verklaard worden dat de betaling gedaan is met geld dat daartoe is verschaft door de nieuwe schuldeiser.
  Deze subrogatie komt tot stand buiten de medewerking van de schuldeiser om.
Art. 5.219. Subrogation conventionnelle par le débiteur
  Il y a subrogation conventionnelle par le débiteur lorsque le débiteur emprunte une somme à l'effet de payer sa dette, et de subroger le prêteur dans les droits du créancier.
  Il faut, pour que cette subrogation soit valable, que l'acte d'emprunt et la quittance soient passés devant le notaire; que dans l'acte d'emprunt il soit déclaré que la somme a été empruntée pour faire le paiement, et que dans la quittance il soit déclaré que le paiement a été fait des sommes fournies à cet effet par le nouveau créancier.
  Cette subrogation s'opère sans le concours de la volonté du créancier.
Art. 5.220. Wettelijke subrogatie
  De subrogatie geschiedt van rechtswege:
  1° ten voordele van hem die een schuld voldoet, indien hij, door zijn betaling, ten aanzien van hun gezamenlijke schuldeiser diegene bevrijdt op wie de definitieve last moet wegen van de hele schuld of een deel ervan;
  2° ten voordele van hem die, zelf schuldeiser zijnde, een andere schuldeiser betaalt, die voorrang boven hem heeft uit hoofde van zijn voorrechten of hypotheken;
  3° ten voordele van de verkrijger van een onroerend goed, die de prijs van het verkregen goed besteedt tot betaling van de schuldeisers ten behoeve van wie dat goed met hypotheek was bezwaard;
  4° ten voordele van de erfgenaam onder voorrecht van boedelbeschrijving, die met zijn eigen geld de schulden van de nalatenschap betaald heeft;
  5° in alle andere gevallen waarin de wet voorziet.
Art. 5.220. Subrogation légale
  La subrogation a lieu de plein droit:
  1° au profit de celui qui s'acquitte d'une dette, s'il a, par son paiement, libéré, à l'égard de leur créancier commun, celui sur qui doit peser la charge définitive de tout ou partie de la dette;
  2° au profit de celui qui, étant lui-même créancier, paie un autre créancier qui lui est préférable à raison de ses privilèges ou hypothèques;
  3° au profit de l'acquéreur d'un immeuble, qui emploie le prix de son acquisition au paiement des créanciers auxquels cet immeuble était hypothéqué;
  4° au profit de l'héritier bénéficiaire qui a payé de ses fonds propres les dettes de la succession;
  5° dans tous les autres cas où la loi le prévoit.
Art. 5.221. Tegenwerpelijkheid aan derden van de subrogatoire betaling
  De subrogatoire betaling kan worden tegengeworpen aan andere derden dan de schuldenaar, louter door het bestaan ervan.
  Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen, kan de subrogatoire betaling pas worden tegengeworpen aan de schuldenaar vanaf het ogenblik dat zij aan hem ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend.
  De artikelen 3.28, § 2, en 5.179, derde lid, zijn van toepassing.
Art. 5.221. Opposabilité du paiement subrogatoire aux tiers
  Le paiement subrogatoire est opposable aux tiers autres que le débiteur du seul fait de son existence.
  Sauf dispositions légales contraires, le paiement subrogatoire n'est opposable au débiteur qu'à partir du moment où il lui a été notifié ou qu'il a été reconnu par celui-ci.
  Les articles 3.28, § 2, et 5.179, alinéa 3, s'appliquent.
Art. 5.222. Overdragende werking van de betaling met subrogatie
  De subrogatoire betaling draagt aan de begunstigde van de subrogatie, binnen de grenzen van hetgeen hij heeft betaald, de schuldvordering en haar nevenrechten over.
  De schuldenaar kan hem alle excepties tegenwerpen waarover hij beschikte ten aanzien van de subrogerende schuldeiser en die ontstaan zijn vóór de kennisgeving of erkenning van de subrogatoire betaling.
  Artikel 5.181, tweede en derde lid, is van toepassing.
Art. 5.222. Effet translatif du paiement subrogatoire
  Le paiement subrogatoire transmet au bénéficiaire de la subrogation, dans la limite de ce qu'il a payé, la créance et ses droits accessoires.
  Le débiteur peut lui opposer toutes les exceptions dont il disposait à l'égard du créancier subrogeant et qui sont nées antérieurement à la notification ou à la reconnaissance du paiement subrogatoire.
  L'article 5.181, alinéas 2 et 3, s'applique.
Art. 5.223. Gedeeltelijke betaling
  De subrogatie mag de subrogerende schuldeiser niet benadelen, wanneer deze slechts gedeeltelijk betaald is; in dit geval kan hij zijn rechten, voor wat hem nog verschuldigd blijft, uitoefenen bij voorkeur boven degene van wie hij slechts een gedeeltelijke betaling verkregen heeft.
Art. 5.223. Paiement partiel
  La subrogation ne peut nuire au créancier subrogeant lorsqu'il n'a été payé qu'en partie; en ce cas, il peut exercer ses droits, pour ce qui lui reste dû, par préférence à celui dont il n'a reçu qu'un paiement partiel.
Ondertitel 6. Niet-nakoming van de verbintenis
Sous-titre 6. L'inexécution de l'obligation
Hoofdstuk 1. Inleidende bepaling
Chapitre 1er. Disposition introductive
Art. 5.224. Opsomming van de sancties
  Onverminderd bijzondere regels voor de niet-nakoming van een contractuele verbintenis, beschikt de schuldeiser in geval van toerekenbare niet-nakoming door de schuldenaar over de volgende sancties:
  1° het recht op uitvoering in natura van de verbintenis;
  2° het recht op herstel van de schade veroorzaakt door de niet-nakoming;
  3° het recht om de uitvoering van zijn eigen verbintenis op te schorten.
  De sancties die onverenigbaar zijn, kunnen niet worden gecumuleerd.
  De sancties bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, dienen te worden voorafgegaan door een ingebrekestelling, overeenkomstig de artikelen 5.231 tot 5.233.
Art. 5.224. Enumération des sanctions
  Sans préjudice des règles spécifiques à l'inexécution d'une obligation contractuelle, le créancier dispose, en cas d'inexécution imputable au débiteur, des sanctions suivantes:
  1° le droit à l'exécution en nature de l'obligation;
  2° le droit à la réparation de son dommage causé par l'inexécution;
  3° le droit de suspendre l'exécution de sa propre obligation.
  Les sanctions qui sont incompatibles ne peuvent être cumulées.
  La mise en oeuvre des sanctions visées à l'alinéa 1er, 1° et 2° doit être précédée d'une mise en demeure, conformément aux articles 5.231 à 5.233.
Hoofdstuk 2. Toerekenbaarheid van de niet-nakoming
Chapitre 2. L'imputabilité de l'inexécution
Art. 5.225. Definitie van toerekenbaarheid
  De niet-nakoming is aan de schuldenaar slechts toerekenbaar, indien hem een fout kan worden verweten of indien hij hiervoor krachtens de wet of een rechtshandeling moet instaan.
  Onverminderd artikel 5.72 en de regels eigen aan de buitencontractuele aansprakelijkheid, wordt de fout beoordeeld volgens het criterium van een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst.
Art. 5.225. Définition d'imputabilité
  L'inexécution n'est imputable au débiteur que si une faute peut lui être reprochée ou s'il doit en répondre en vertu de la loi ou d'un acte juridique.
  Sans préjudice de l'article 5.72 et des règles propres à la responsabilité extracontractuelle, la faute s'apprécie selon le critère d'une personne prudente et raisonnable placée dans les mêmes circonstances.
Art. 5.226. Overmacht
  § 1. Er is sprake van overmacht in geval van ontoerekenbare onmogelijkheid voor de schuldenaar om zijn verbintenis na te komen. Hierbij wordt rekening gehouden met het onvoorzienbaar en het onvermijdbaar karakter van het beletsel tot nakoming.
  De schuldenaar is bevrijd indien de nakoming van de verbintenis blijvend onmogelijk is geworden door de overmacht.
  De nakoming van de verbintenis is opgeschort voor de duur van de tijdelijke onmogelijkheid.
  § 2. Zodra de schuldenaar kennis heeft of behoort te hebben van een oorzaak van onmogelijkheid tot nakoming, dient hij de schuldeiser hiervan binnen een redelijke termijn op de hoogte te brengen.
  Komt de schuldenaar aan deze verplichting te kort, is hij gehouden tot het herstel van de schade die hiervan het gevolg is.
Art. 5.226. Force majeure
  § 1er. Il y a force majeure en cas d'impossibilité pour le débiteur, qui ne lui est pas imputable, d'exécuter son obligation. A cet égard, il est tenu compte du caractère imprévisible et inévitable de l'obstacle à l'exécution.
  Le débiteur est libéré lorsque l'exécution de l'obligation est devenue définitivement impossible par suite de la force majeure.
  L'exécution de l'obligation est suspendue pendant la durée de l'impossibilité temporaire.
  § 2. Dès que le débiteur a connaissance ou doit avoir connaissance d'une cause d'impossibilité d'exécution, il doit en informer le créancier dans un délai raisonnable.
  Si le débiteur manque à ce devoir, il est tenu de réparer le dommage qui en résulte.
Art. 5.227. Verzuim
  Wanneer de niet-nakoming van de verbintenis hem toerekenbaar is en hij in gebreke werd gesteld volgens de eisen van de artikelen 5.231 tot 5.233, is de schuldenaar in verzuim. Vanaf dat ogenblik komen de gevolgen van overmacht voor zijn rekening, behoudens anders is overeengekomen en behoudens het geval van artikel 5.267.
Art. 5.227. Demeure
  Lorsque l'inexécution de l'obligation lui est imputable et qu'il a été mis en demeure selon les exigences des articles 5.231 à 5.233, le débiteur est en demeure. Dès ce moment, les conséquences de la force majeure lui incombent, sauf clause contraire et sauf le cas de l'article 5.267.
Art. 5.228. Zuivering van het verzuim
  Eenmaal in verzuim, behoudt de schuldenaar het recht om de uitvoering van de verschuldigde prestatie aan te bieden voor zover deze nog nut vertoont voor de schuldeiser. Desgevallend is de schuldenaar gehouden tot herstel van de schade.
Art. 5.228. Purge de la demeure
  Une fois en demeure, le débiteur conserve le droit d'offrir l'exécution de la prestation due pour autant que celle-ci présente encore une utilité pour le créancier. Le cas échéant, le débiteur est tenu de réparer le dommage.
Art. 5.229. Toerekenbaarheid van de fout van hulppersonen
  Indien de schuldenaar een beroep doet op andere personen voor de nakoming van de verbintenis, is de fout die deze hulppersonen hebben begaan aan hem toerekenbaar.
Art. 5.229. Imputabilité de la faute des auxiliaires
  Si le débiteur fait appel à d'autres personnes pour l'exécution de l'obligation, la faute commise par ces auxiliaires lui est imputable.
Art. 5.230. Toerekenbaarheid van het gebruik van gebrekkige hulpgoederen in de uitvoering
  Indien de niet-nakoming van een verbintenis te wijten is aan het gebruik van een gebrekkig voorwerp, is deze niet-nakoming de schuldenaar toerekenbaar, behoudens overmacht.
Art. 5.230. Imputabilité de l'utilisation de choses défectueuses dans l'exécution
  Si l'inexécution d'une obligation est due à l'utilisation d'une chose défectueuse, cette inexécution est imputable au débiteur, sauf force majeure.
Hoofdstuk 3. Ingebrekestelling
Chapitre 3. La mise en demeure
Art. 5.231. Beginsel
  De ingebrekestelling is de eenzijdige rechtshandeling waarbij de schuldeiser duidelijk en ondubbelzinnig kennis geeft aan de schuldenaar van zijn wil om de nakoming van diens verbintenis te eisen.
  Aan iedere sanctie wegens niet-nakoming moet een ingebrekestelling voorafgaan in de gevallen voorzien in de artikelen 5.83 en 5.224.
  De wet, het contract of de goede trouw kunnen vereisen dat de schuldeiser de schuldenaar een termijn toekent opdat hij de uitstaande verbintenis uitvoert.
Art. 5.231. Principe
  La mise en demeure est l'acte juridique unilatéral par lequel le créancier notifie au débiteur, de manière claire et non équivoque, sa volonté d'exiger l'exécution de son obligation.
  La sanction de l'inexécution doit être précédée d'une mise en demeure dans les cas prévus aux articles 5.83 et 5.224.
  La loi, le contrat ou la bonne foi peuvent exiger que le créancier accorde au débiteur un délai afin qu'il exécute l'obligation en souffrance.
Art. 5.232. Vervroegde ingebrekestelling
  De schuldeiser kan de schuldenaar in gebreke stellen vóór het verstrijken van de tijdsbepaling, voor zover deze ingebrekestelling zich voldoende nabij het verstrijken ervan situeert. Zij heeft evenwel pas uitwerking zodra de tijdsbepaling is verstreken.
Art. 5.232. Mise en demeure anticipée
  Le créancier peut adresser une mise en demeure avant la survenance du terme, pourvu qu'elle soit suffisamment proche de l'échéance. Elle ne produit toutefois d'effet qu'une fois le terme échu.
Art. 5.233. Uitzonderingen op de vereiste van ingebrekestelling
  De ingebrekestelling is niet vereist wanneer zij geen nut meer heeft. Dat is met name het geval:
  1° wanneer de verbintenis om iets niet te doen werd geschonden;
  2° wanneer de uitvoering van de verbintenis onmogelijk is geworden;
  3° wanneer de uitvoering van de verbintenis geen belang meer heeft voor de schuldeiser;
  4° wanneer de schuldenaar laat weten dat hij zijn verbintenis niet zal uitvoeren;
  5° wanneer de wet of het contract vermeldt dat de schuldenaar in gebreke zal zijn louter door het verstrijken van de tijdsbepaling; of
  6° inzake buitencontractuele aansprakelijkheid.
Art. 5.233. Exceptions à l'exigence de mise en demeure
  La mise en demeure n'est pas requise lorsqu'elle ne présente plus d'utilité. Tel est notamment le cas:
  1° lorsque l'obligation de ne pas faire a été violée;
  2° lorsque l'exécution de l'obligation est devenue impossible;
  3° lorsque l'exécution de l'obligation ne présente plus d'intérêt pour le créancier;
  4° lorsque le débiteur fait savoir qu'il n'exécutera pas son obligation;
  5° lorsque la loi ou le contrat porte que le débiteur sera en demeure par la seule échéance du terme; ou
  6° en matière de responsabilité extra-contractuelle.
Hoofdstuk 4. Uitvoering in natura
Chapitre 4. L'exécution en nature
Art. 5.234. Beginsel
  De schuldeiser heeft het recht om de uitvoering van de verschuldigde prestatie in rechte te vorderen, tenzij dit onmogelijk of abusief zou zijn.
  Behoudens de gevallen die de wet bepaalt, kan een veroordeling die niet strekt tot betaling van een geldsom niet worden ten uitvoer gelegd indien zij noodzakelijk gepaard gaat met de uitoefening van dwang op de persoon van de schuldenaar of indien zij in strijd is met de menselijke waardigheid.
Art. 5.234. Principe
  Le créancier a le droit de demander en justice l'exécution de la prestation due, sauf si cela s'avère impossible ou abusif.
  Sauf dans les cas prévus par la loi, une condamnation qui ne tend pas au paiement d'une somme d'argent ne peut être exécutée lorsqu'elle requiert nécessairement le recours à la contrainte sur la personne du débiteur ou lorsque l'exécution est contraire à la dignité humaine.
Art. 5.235. Vervanging van de schuldenaar
  Indien de prestatie zich hiertoe leent, heeft de schuldeiser het recht zich door de rechter te laten machtigen om de verbintenis zelf uit te voeren of te laten uitvoeren door een derde op kosten van de schuldenaar.
  De schuldeiser heeft het recht om de ongedaanmaking te vorderen van al hetgeen in strijd met de verbintenis is verricht en zich te laten machtigen om daartoe over te gaan op kosten van de schuldenaar.
  De rechter kan de schuldenaar veroordelen tot betaling van een provisioneel bedrag ter vergoeding van de kosten van de vervanging.
Art. 5.235. Remplacement du débiteur
  Si la prestation s'y prête, le créancier a le droit de se faire autoriser par le juge à exécuter lui-même l'obligation ou à la faire exécuter par un tiers aux frais du débiteur.
  Le créancier a le droit de demander la destruction de tout ce qui a été fait par contravention à l'obligation et de se faire autoriser à y procéder aux frais du débiteur.
  Le juge peut condamner le débiteur au paiement d'un montant provisionnel aux fins de remboursement des frais exposés pour le remplacement.
Art. 5.236. Rechterlijke beslissing die geldt als akte
  Indien de prestatie zich daartoe leent, kan de rechter:
  1° indien de schuldenaar in gebreke blijft een beslissing te nemen waartoe hij is gehouden en waarvan de inhoud objectief bepaalbaar is, zich in diens plaats stellen bij die beslissing;
  2° indien de schuldenaar in gebreke blijft mee te werken aan het opmaken van een akte die strekt tot bewijs en die hij moet laten opmaken, bevelen dat zijn beslissing zal gelden als die akte.
Art. 5.236. Décision de justice tenant lieu d'acte
  Lorsque la prestation s'y prête, le juge peut:
  1° à défaut pour le débiteur d'avoir pris une décision à laquelle il est tenu et dont le contenu est objectivement déterminable, se substituer à lui dans cette décision;
  2° à défaut pour le débiteur de collaborer à la rédaction d'un acte instrumentaire qu'il est tenu de passer, ordonner que sa décision tiendra lieu de cet acte.
Hoofdstuk 5. Herstel van de schade
Chapitre 5. La réparation du dommage
Art. 5.237. Integrale vergoeding
  Bij toerekenbare niet-nakoming is de schuldenaar gehouden tot het integraal herstel van de door de schuldeiser geleden schade, hetzij in natura, hetzij in geld.
  [1 Boek 6 is]1 van overeenkomstige toepassing, tenzij [1 zijn]1 aard en strekking hiermee onverenigbaar is.
  
Art. 5.237. Réparation intégrale
  En cas d'inexécution imputable au débiteur, celui-ci est tenu de réparer intégralement, en nature ou sous forme pécuniaire, le dommage subi par le créancier.
  [1 Le livre 6 est]1 d'application conforme à moins que [1 sa nature et sa portée]1 ne soient incompatibles avec une telle application.
  
Art. 5.238. Schadebeperkingsplicht
  De schuldeiser dient redelijke maatregelen te treffen om de schadelijke gevolgen van de niet-nakoming te voorkomen en te beperken.
  De redelijke kosten die hieraan werden besteed, kunnen worden verhaald op de schuldenaar.
  Laat de schuldeiser na deze maatregelen te nemen, dan komt de schade die hieruit voortvloeit voor zijn rekening.
Art. 5.238. Devoir de limiter le dommage
  Le créancier doit prendre les mesures raisonnables pour limiter et prévenir les conséquences dommageables de l'inexécution.
  Les frais raisonnables qui ont été engagés à cet effet peuvent être recouvrés auprès du débiteur.
  Si le créancier ne prend pas ces mesures, le dommage qui en découle est alors à sa charge.
Hoofdstuk 6. Opschortingsrecht
Chapitre 6. Le droit à la suspension
Art. 5.239. Exceptie van niet-uitvoering
  § 1. In een wederkerige rechtsverhouding kan de schuldeiser van een opeisbare verbintenis de nakoming van zijn eigen verbintenis opschorten totdat de schuldenaar de zijne uitvoert of aanbiedt ze uit te voeren. De opschorting moet te goeder trouw worden toegepast.
  De bewijslast dat de schuldenaar zijn verbintenis is nagekomen of heeft aangeboden na te komen, rust op de schuldenaar. Indien de schuldeiser meent dat die nakoming of dat aanbod tot nakoming niet overeenstemt met hetgeen verschuldigd was, draagt hij de bewijslast.
  § 2. De schuldeiser kan de nakoming van zijn verbintenis tevens opschorten wanneer het duidelijk is dat zijn schuldenaar zijn verbintenis niet zal hebben uitgevoerd op het einde van de uitvoeringstermijn en dat de gevolgen van die niet-nakoming voldoende ernstig zijn voor hem. De schuldeiser kan de nakoming van zijn verbintenis niet meer opschorten indien de schuldenaar voldoende waarborgen biedt voor de goede uitvoering van de zijne.
  § 3. Wanneer de verbintenis van de schuldenaar nog niet opeisbaar is of wanneer de goede trouw dat vereist, moet de opschorting zonder onnodige vertraging schriftelijk ter kennis worden gebracht. De kennisgeving vermeldt de reden van de opschorting en de omstandigheden die de opschorting rechtvaardigen.
Art. 5.239. Exception d'inexécution
  § 1er. Dans un rapport synallagmatique, le créancier d'une obligation exigible peut suspendre l'exécution de sa propre obligation jusqu'à ce que le débiteur exécute ou offre d'exécuter la sienne. La suspension doit être appliquée de bonne foi.
  La preuve que le débiteur a exécuté ou offert d'exécuter son obligation incombe au débiteur. Si le créancier considère que cette exécution ou offre d'exécution n'est pas conforme à ce qui était dû, la preuve lui en incombe.
  § 2. Le créancier peut aussi suspendre l'exécution de son obligation lorsqu'il est manifeste que son débiteur ne s'exécutera pas à l'échéance et que les conséquences de cette inexécution sont suffisamment graves pour lui. Le créancier ne peut plus suspendre l'exécution de son obligation si le débiteur donne des assurances suffisantes de la bonne exécution de la sienne.
  § 3. Lorsque l'obligation du débiteur n'est pas encore exigible ou que la bonne foi l'impose, la suspension fait l'objet d'une notification écrite donnée sans retard injustifié. Celle-ci indique la cause de la suspension et les circonstances la justifiant.
Hoofdstuk 7. Nalatigheidsinterest
Chapitre 7. Les intérêts de retard
Art. 5.240. Moratoire interest
  Onverminderd het recht op buitengerechtelijke invorderingskosten, bestaat het herstel verschuldigd wegens vertraging in de nakoming van een geldschuld uitsluitend in de interest aan de wettelijke interestvoet, behoudens de uitzonderingen waarin de wet of het contract voorzien.
  Deze moratoire interest is verschuldigd zonder dat de schuldeiser het bestaan en de omvang van de schade hoeft te bewijzen.
  Zij is verschuldigd vanaf de dag van de ingebrekestelling, tenzij de wet of het contract ze van rechtswege doet lopen.
  Bij een opzettelijke fout van de schuldenaar kan het herstel de interest aan de wettelijke interestvoet te boven gaan.
Art. 5.240. Intérêts moratoires
  Sans préjudice de la récupération des frais de recouvrement extrajudiciaire, la réparation due pour le retard dans l'exécution d'une obligation de somme consiste exclusivement dans les intérêts au taux légal, sous réserve des exceptions prévues par la loi ou le contrat.
  Ces intérêts moratoires sont dus sans que le créancier soit tenu de justifier de l'existence et de l'étendue du dommage.
  Ils sont dus à partir du jour de la mise en demeure, excepté dans le cas où la loi ou le contrat les fait courir de plein droit.
  En cas de faute intentionnelle du débiteur, la réparation peut dépasser les intérêts au taux légal.
Art. 5.241. Compensatoire interest
  Bij vertraging in de betaling van een waardeschuld heeft de schuldeiser recht op integraal herstel, tenzij in de gevallen bepaald bij wet of contract.
  De compensatoire interest is verschuldigd vanaf het ontstaan van de schade.
Art. 5.241. Intérêts compensatoires
  En cas de retard de paiement d'une obligation de valeur, le créancier a droit à la réparation intégrale, sauf dans les cas prévus par la loi ou le contrat.
  Les intérêts compensatoires sont dus à compter de la naissance du dommage.
Ondertitel 7. Maatregelen ter bescherming van de rechten van de schuldeiser
Sous-titre 7. Les mesures de sauvegarde des droits du créancier
Art. 5.242. Zijdelingse vordering
  Bij stilzitten van de schuldenaar kan de schuldeiser die over een zekere en opeisbare schuldvordering beschikt alle rechten en vorderingen van de schuldenaar, in diens naam en voor diens rekening, uitoefenen, met uitzondering van die welke uitsluitend aan de persoon verbonden zijn.
Art. 5.242. Action oblique
  En cas d'inaction du débiteur, le créancier qui est titulaire d'une créance certaine et exigible peut exercer tous les droits et actions du débiteur, au nom et pour le compte de celui-ci, à l'exception de ceux qui sont exclusivement attachés à la personne.
Art. 5.243. Pauliaanse vordering
  De schuldeiser kan in eigen naam opkomen tegen de rechtshandelingen van de schuldenaar gesteld met bedrieglijke miskenning van zijn verhaalsrechten op voorwaarde dat de schuldvordering vóór de aangevochten rechtshandeling is ontstaan.
  Werd de rechtshandeling gesteld onder bezwarende titel dan dient de schuldeiser het bewijs te leveren dat de derde wist of behoorde te weten dat deze handeling de schuldeisers van deze schuldenaar zou benadelen.
  Deze vordering leidt tot de niet-tegenwerpelijkheid van de rechtshandeling aan de schuldeiser, onverminderd herstel van de schade indien daartoe grond bestaat.
  Deze vordering kan geen afbreuk doen aan de bescherming van de derde-verkrijger overeenkomstig boek 3.
Art. 5.243. Action paulienne
  Le créancier peut attaquer en son nom personnel les actes juridiques du débiteur accomplis en méconnaissance frauduleuse de ses droits de recours, à la condition que sa créance soit née avant l'acte juridique attaqué.
  Si l'acte juridique a été accompli à titre onéreux, le créancier doit apporter la preuve que le tiers savait ou devait savoir que cet acte causerait préjudice aux créanciers de ce débiteur.
  Cette action entraîne l'inopposabilité de l'acte juridique au créancier, sans préjudice de la réparation du dommage s'il y a lieu.
  Cette action ne peut pas porter atteinte à la protection du tiers acquéreur conformément au livre 3.
Ondertitel 8. Gronden van tenietgaan van de verbintenis
Sous-titre 8. Les causes d'extinction de l'obligation
Hoofdstuk 1. Algemene bepaling
Chapitre 1er. Disposition générale
Art. 5.244. Opsomming van de gronden van tenietgaan
  De verbintenis gaat teniet:
  1° door betaling;
  2° door de uitwerking van de ontbindende voorwaarde of van de uitdovende tijdsbepaling;
  3° door schuldvernieuwing;
  4° door kwijtschelding van schuld of doordat de schuldeiser eenzijdig afstand doet van zijn recht;
  5° door schuldvergelijking;
  6° door verval als gevolg van de verdwijning van het voorwerp ervan;
  7° in voorkomend geval, door schuldvermenging; en
  8° in de overige gevallen waarin de wet of het contract voorziet.
  De bevrijdende verjaring zet de verbintenis om in een natuurlijke verbintenis.
Art. 5.244. Enumération des causes d'extinction
  L'obligation s'éteint:
  1° par le paiement;
  2° par l'effet de la condition résolutoire ou du terme extinctif;
  3° par la novation;
  4° par la remise de dette ou par la renonciation unilatérale du créancier à son droit;
  5° par la compensation;
  6° par la caducité consécutive à la disparition de son objet;
  7° le cas échéant, par la confusion; et
  8° dans les autres cas prévus par la loi ou le contrat.
  La prescription extinctive transforme l'obligation en obligation naturelle.
Hoofdstuk 2. Schuldvernieuwing
Chapitre 2. La novation
Art. 5.245. Definitie
  Schuldvernieuwing is een contract waarbij een verbintenis wordt tenietgedaan en vervangen door een nieuwe verbintenis.
  Ze kan plaatsvinden door vervanging van een verbintenis tussen dezelfde partijen, door verandering van schuldenaar of door verandering van schuldeiser.
  De bedoeling om de verbintenis te vernieuwen wordt niet vermoed.
Art. 5.245. Définition
  La novation est un contrat qui a pour objet d'éteindre une obligation et de lui substituer [1 ...]1 une obligation nouvelle.
  Elle peut avoir lieu par substitution d'obligation entre les mêmes parties, par changement de débiteur ou par changement de créancier.
  L'intention de nover l'obligation ne se présume pas.
  
Art. 5.246. Schuldvernieuwing door verandering van schuldenaar
  Schuldvernieuwing door het in de plaats stellen van een nieuwe schuldenaar kan tot stand komen zonder medewerking van de eerste schuldenaar.
Art. 5.246. Novation par changement de débiteur
  La novation par la substitution d'un nouveau débiteur peut s'opérer sans le concours du premier débiteur.
Art. 5.247. Nevenrechten en zekerheden van de verbintenis
  Het tenietgaan van de oude verbintenis strekt zich uit tot alle nevenrechten ervan.
  Uitzonderlijk kunnen oorspronkelijke zekerheden, zoals hypotheken of voorrechten, behouden worden tot zekerheid van de nieuwe verbintenis. Een uitdrukkelijk akkoord vanwege de partijen bij de schuldvernieuwing is vereist.
  Wanneer de oorspronkelijke zekerheden verleend waren door een derde, kunnen zij enkel worden behouden met diens instemming.
Art. 5.247. Droits accessoires et sûretés de l'obligation
  L'extinction de l'obligation ancienne s'étend à tous ses accessoires.
  Par exception, les sûretés d'origine, telles que les hypothèques ou les privilèges, peuvent être conservées pour la garantie de la nouvelle obligation. Un accord exprès est requis de la part des parties à la novation.
  Lorsque les sûretés d'origine ont été consenties par un tiers, celles-ci ne peuvent être conservées qu'avec son consentement.
Art. 5.248. Aanwijzing tot betaling of tot ontvangst van betaling
  De loutere aanwijzing, door de schuldenaar, van een persoon die in zijn plaats moet betalen, brengt geen schuldvernieuwing teweeg.
  Hetzelfde geldt voor de loutere aanwijzing, door de schuldeiser, van een persoon die voor hem betaling moet ontvangen.
Art. 5.248. Indication de payer ou de recevoir paiement
  La simple indication, faite par le débiteur, d'une personne qui doit payer pour le compte de celui-ci, n'opère pas novation.
  Il en est de même de la simple indication, faite par le créancier, d'une personne qui doit recevoir paiement pour le compte de celui-ci.
Art. 5.249. Delegatie
  § 1. De delegatie is het contract waarbij de delegant vanwege de gedelegeerde verkrijgt dat hij zich ten aanzien van de delegataris verbindt tot uitvoering van een verbintenis waartoe de delegant gehouden is jegens de delegataris.
  § 2. De gedelegeerde kan, behoudens andersluidende bepaling, geen enkele exceptie uit zijn verhouding met de delegant of uit de verhouding van laatstgenoemde met de delegataris inroepen tegen de delegataris.
  De gedelegeerde kan evenwel de nietigheid van zijn verbintenis inroepen indien de schuldvordering van de delegataris jegens de delegant niet bestaat of nietig is wegens schending van de openbare orde.
  § 3. Wanneer de delegataris de bedoeling heeft de delegant te bevrijden van zijn schuld, brengt de delegatie schuldvernieuwing teweeg. Deze bedoeling wordt niet vermoed.
  Indien deze bedoeling ontbreekt, verschaft de delegatie aan de delegataris een tweede schuldenaar.
  De schuldeiser die met deze bevrijding heeft ingestemd, heeft geen verhaal tegen de delegant, indien de gedelegeerde insolvabel wordt na de delegatie, tenzij het contract daarin uitdrukkelijk voorziet.
Art. 5.249. Délégation
  § 1er. La délégation est le contrat par lequel le délégant obtient du délégué qu'il s'engage envers le délégataire à exécuter une obligation dont le délégant est tenu envers le délégataire.
  § 2. Le délégué ne peut, sauf stipulation contraire, opposer au délégataire aucune exception tirée de ses rapports avec le délégant ou des rapports de ce dernier avec le délégataire.
  Le délégué peut toutefois opposer la nullité de son obligation, si la créance du délégataire envers le délégant n'existe pas ou si elle est nulle pour violation de l'ordre public.
  § 3. Lorsque le délégataire a l'intention de libérer le délégant de sa dette, la délégation opère novation. Cette intention ne se présume pas.
  Si cette intention fait défaut, la délégation procure au délégataire un second débiteur.
  Le créancier qui a consenti à cette libération n'a pas de recours contre le délégant si le délégué devient insolvable après la délégation, à moins que le contrat ne le prévoie expressément.
Hoofdstuk 3. Kwijtschelding van schuld en de eenzijdige afstand
Chapitre 3. La remise de dette et la renonciation unilatérale
Art. 5.250. Definitie
  Kwijtschelding van schuld is het contract waarbij de schuldeiser de schuldenaar bevrijdt van zijn verbintenis.
  De bevrijding van de zekerheden volstaat niet om kwijtschelding van schuld te doen vermoeden.
Art. 5.250. Définition
  La remise de dette est le contrat par lequel le créancier libère le débiteur de son obligation.
  La libération des sûretés ne suffit pas pour faire présumer la remise de dette.
Art. 5.251. Kwijtschelding en borgen
  De kwijtschelding die aan de hoofdschuldenaar wordt verleend, bevrijdt de borgen.
  De kwijtschelding die aan de borg wordt verleend, bevrijdt de hoofdschuldenaar niet.
  De kwijtschelding die aan een van de borgen wordt verleend, bevrijdt de andere niet.
Art. 5.251. Remise de dette et cautions
  La remise de dette accordée au débiteur principal libère les cautions.
  Celle accordée à la caution ne libère pas le débiteur principal.
  Celle accordée à l'une des cautions ne libère pas les autres.
Art. 5.252. Afkoop van borg
  Wat de schuldeiser van een borg heeft ontvangen als tegenprestatie voor zijn ontslag uit zijn borgstelling, moet worden toegerekend op de schuld en moet in mindering worden gebracht van de hoofdschuldenaar en de andere borgen.
Art. 5.252. Rachat de cautionnement
  Ce que le créancier a reçu d'une caution en contrepartie de la décharge de son cautionnement doit être imputé sur la dette, et tourner à la décharge du débiteur principal et des autres cautions.
Art. 5.253. Eenzijdige afstand
  De schuldeiser kan, door zijn enkele wil, afstand doen van zijn vorderingsrecht.
  Afstand wordt niet vermoed.
Art. 5.253. Renonciation unilatérale
  Le créancier peut, par sa seule volonté, renoncer à son droit de créance.
  La renonciation ne se présume pas.
Hoofdstuk 4. Schuldvergelijking
Chapitre 4. La compensation
Art. 5.254. Definitie
  Er is sprake van schuldvergelijking wanneer wederzijdse verbintenissen uitdoven ten belope van het laagste bedrag of hoeveelheid.
  Schuldvergelijking vindt niet plaats ten aanzien van een schuldvordering en een schuld die in van elkaar gescheiden vermogens van eenzelfde persoon vallen.
  De schuldvergelijking kan wettelijk, conventioneel of gerechtelijk zijn.
Art. 5.254. Définition
  Il y a compensation lorsque des obligations réciproques s'éteignent à concurrence du montant ou de la quantité la plus faible.
  La compensation ne s'applique pas à une créance et une dette qui relèvent de patrimoines distincts d'une même personne.
  La compensation peut être légale, conventionnelle ou judiciaire.
Art. 5.255. Wettelijke schuldvergelijking
  Wettelijke schuldvergelijking heeft plaats van rechtswege, zelfs buiten het medeweten van de schuldenaars.
  Deze schuldvergelijking heeft alleen plaats tussen twee verbintenissen die beide de betaling van een geldsom of de levering van een zekere hoeveelheid vervangbare voorwerpen van dezelfde soort betreffen en die beide zeker, effen en opeisbaar zijn.
  Niet betwiste verbintenissen tot levering van granen of waren, waarvan de prijs door de officiële marktberichten wordt bepaald, kunnen in vergelijking worden gebracht met geldschulden die vaststaand en opeisbaar zijn.
Art. 5.255. Compensation légale
  La compensation légale s'opère de plein droit, même à l'insu des débiteurs.
  Cette compensation n'a lieu qu'entre deux obligations qui ont toutes les deux pour objet le paiement d'une somme d'argent ou la livraison d'une certaine quantité de choses fongibles de la même espèce et qui sont toutes les deux certaines, liquides et exigibles.
  Les prestations en grain ou denrée, non contestées, et dont le prix est réglé par les mercuriales, peuvent se compenser avec des sommes liquides et exigibles.
Art. 5.256. Uitzonderingen
  Schuldvergelijking heeft plaats, uit welke bron de wederzijdse verbintenissen ook ontstaan, uitgezonderd in geval van:
  1° een eis tot teruggave van een voorwerp dat de eigenaar wederrechtelijk is ontnomen;
  2° een eis tot teruggave van iets dat in bewaring of in bruikleen is gegeven; of
  3° een verbintenis in de mate zij niet vatbaar is voor beslag.
Art. 5.256. Exceptions
  La compensation a lieu, quelles que soient les sources de l'une ou l'autre des obligations, excepté dans le cas:
  1° de la demande en restitution d'une chose dont le propriétaire a été injustement dépouillé;
  2° de la demande en restitution d'un dépôt ou du prêt à usage; ou
  3° d'une obligation dans la mesure où elle est insaisissable.
Art. 5.257. Respijttermijn
  Een respijttermijn verhindert de schuldvergelijking niet.
Art. 5.257. Délai de grâce
  Le délai de grâce n'est pas un obstacle à la compensation.
Art. 5.258. Borgtocht
  De borg kan in vergelijking brengen hetgeen de schuldeiser aan de hoofdschuldenaar verschuldigd is.
  De hoofdschuldenaar kan echter niet in vergelijking brengen hetgeen de schuldeiser aan de borg verschuldigd is.
Art. 5.258. Cautionnement
  La caution peut opposer la compensation de ce que le créancier doit au débiteur principal.
  Mais le débiteur principal ne peut opposer la compensation de ce que le créancier doit à la caution.
Art. 5.259. Kosten
  Wanneer beide verbintenissen niet op dezelfde plaats betaalbaar zijn, kunnen zij enkel in vergelijking worden gebracht met vergoeding van de kosten van de betaling.
Art. 5.259. Frais
  Lorsque les deux obligations ne sont pas payables au même lieu, on n'en peut opposer la compensation que sous déduction des frais du paiement.
Art. 5.260. Toerekening
  Indien meerdere verbintenissen vatbaar zijn voor schuldvergelijking, is artikel 5.209 van overeenkomstige toepassing.
Art. 5.260. Imputation
  Lorsque plusieurs obligations sont compensables, l'article 5.209 est d'application conforme.
Art. 5.261. Rechten van derden
  Schuldvergelijking heeft niet plaats ten nadele van de verkregen rechten van een derde. Aldus kan de schuldenaar die schuldeiser is geworden nadat in zijn handen door iemand beslag onder derden is gelegd, zich niet op de schuldvergelijking beroepen ten nadele van de beslaglegger. Evenmin kan schuldvergelijking plaatsvinden nadat er op het vermogen van een van de partijen samenloop is ontstaan.
  Deze regel uit het eerste lid lijdt uitzondering wanneer het samenhangende verbintenissen betreft.
Art. 5.261. Droit des tiers
  La compensation n'a pas lieu au préjudice des droits acquis par un tiers. Ainsi, le débiteur qui est devenu créancier depuis la saisie-arrêt faite par un tiers entre ses mains ne peut opposer la compensation au préjudice du saisissant. La compensation ne peut avoir lieu non plus après qu'un concours a affecté le patrimoine de l'une des parties.
  La règle énoncée à l'alinéa 1er reçoit exception lorsqu'il s'agit d'obligations connexes.
Art. 5.262. Betaling in onwetendheid van schuldvergelijking
  Diegene die een verbintenis heeft betaald die van rechtswege door schuldvergelijking was teniet gegaan, kan, bij het verhalen van de schuldvordering die hij niet in vergelijking gebracht heeft, zich ten nadele van derden niet meer beroepen op de zekerheidsrechten die aan deze schuldvordering verbonden waren, tenzij hij een gegronde reden heeft gehad om onwetend te zijn van de schuldvordering waarmee zijn schuld moest worden in vergelijking gebracht.
Art. 5.262. Paiement dans l'ignorance de la compensation
  Celui qui a payé une obligation qui était, de plein droit, éteinte par la compensation, ne peut plus, en exerçant la créance dont il n'a pas opposé la compensation, se prévaloir, au préjudice des tiers, des sûretés qui y étaient attachées, à moins qu'il n'ait eu un juste motif d'ignorer la créance qui devait compenser sa dette.
Art. 5.263. Conventionele schuldvergelijking
  Indien de vereisten voor wettelijke schuldvergelijking niet vervuld zijn, kunnen de partijen overeenkomen dat de schuldvergelijking plaatsheeft. De conventionele schuldvergelijking heeft uitwerking vanaf de wilsovereenstemming of, indien het toekomstige verbintenissen betreft, vanaf hun ontstaan.
  Deze schuldvergelijking is tegenwerpelijk aan derden overeenkomstig artikel 5.261 of, in voorkomend geval, overeenkomstig de artikelen 14 en 15 van de wet van 15 december 2004 betreffende de financiële zekerheden.
Art. 5.263. Compensation conventionnelle
  Si les conditions de la compensation légale ne sont pas remplies, les parties peuvent convenir de la compensation. La compensation conventionnelle prend effet à la date de l'accord de volonté ou, s'il s'agit d'obligations futures, à celle de leur naissance.
  Cette compensation est opposable aux tiers conformément à l'article 5.261 ou, le cas échéant, conformément aux articles 14 et 15 de la loi du 15 décembre 2004 relative aux sûretés financières.
Art. 5.264. Gerechtelijke schuldvergelijking
  Zelfs indien de verbintenissen nog niet zeker of effen zijn, kan de schuldvergelijking worden uitgesproken door de rechter.
  De gerechtelijke schuldvergelijking heeft uitwerking vanaf de uitspraak.
  Gerechtelijke schuldvergelijking is tegenwerpelijk aan derden overeenkomstig artikel 5.261.
Art. 5.264. Compensation judiciaire
  Même si les obligations ne sont pas encore certaines ou liquides, la compensation peut être prononcée par le juge.
  La compensation judiciaire produit ses effets à partir du prononcé.
  La compensation judiciaire est opposable aux tiers conformément à l'article 5.261.
Hoofdstuk 5. Verval van de verbintenis door verdwijning van het voorwerp
Chapitre 5. La caducité de l'obligation par disparition de son objet
Art. 5.265. Verdwijning van het voorwerp
  De verbintenis die onmogelijk nog kan worden nagekomen in natura om welke reden ook, zelfs al is de niet-nakoming toerekenbaar aan de schuldenaar, is van rechtswege vervallen, onverminderd de sancties die openstaan voor de schuldeiser.
Art. 5.265. Disparition de l'objet
  L'obligation devenue impossible à exécuter en nature pour quelque cause que ce soit, même si cette inexécution est imputable au débiteur, est de plein droit caduque, sans préjudice des sanctions ouvertes au créancier.
Art. 5.266. Verlies van een bepaald voorwerp door overmacht
  Wanneer het bepaald voorwerp waarop de prestatie betrekking heeft, tenietgaat, buiten de handel gesteld wordt, of verloren gaat zodanig dat men van zijn bestaan geheel onwetend is, vervalt de verbintenis.
  De schuldenaar is geenszins verplicht tot herstel indien de teruggave van het bepaald voorwerp onmogelijk is geworden door een geval van overmacht en vooraleer de schuldenaar in gebreke was.
  De schuldeiser geniet van de rechten of vorderingen tot herstel met betrekking tot dat bepaald voorwerp die de schuldenaar toekomen.
Art. 5.266. Perte d'une chose certaine par suite d'un cas de force majeure
  Lorsque la chose certaine qui est l'objet de la prestation vient à périr, est mise hors du commerce, ou se perd de manière qu'on en ignore absolument l'existence, l'obligation est caduque.
  Le débiteur n'a aucune obligation de réparation si la remise de la chose certaine est devenue impossible par suite d'un cas de force majeure et avant que le débiteur fût en demeure.
  Le créancier bénéficie des droits ou actions en indemnité relatifs à cette chose certaine qui échoient au débiteur.
Art. 5.267. Ingebrekestelling en afwezigheid van oorzakelijk verband
  Zelfs wanneer de schuldenaar in gebreke is, en indien hij de gevallen van overmacht niet op zich heeft genomen, vervalt de verbintenis, en is de schuldenaar van elke verbintenis bevrijd, als het voorwerp eveneens bij de schuldeiser was tenietgegaan, ware het hem geleverd.
  Het eerste lid is ook van overeenkomstige toepassing op de verbintenissen die betrekking hebben op een prestatie om iets te doen of niet te doen.
  Indien echter de eigenaar van een voorwerp daarvan is beroofd door een opzettelijke fout, stelt zijn verlies de ontvreemder niet vrij van de verplichting de schade te herstellen.
Art. 5.267. Mise en demeure et absence de lien causal
  Lors même que le débiteur est en demeure, et s'il n'a pas pris en charge les cas de force majeure, l'obligation est caduque, et le débiteur libéré de toute obligation, dans le cas où la chose aurait également péri chez le créancier si elle lui eût été livrée.
  L'alinéa 1er est d'application conforme aux obligations ayant pour objet une prestation de faire ou de ne pas faire.
  Toutefois, si le propriétaire d'une chose en a été privé par une faute intentionnelle, sa perte ne dispense pas celui qui l'a soustraite de l'obligation de réparer le dommage.
Hoofdstuk 6. Schuldvermenging
Chapitre 6. La confusion
Art. 5.268. Definitie
  Er is sprake van schuldvermenging wanneer de hoedanigheden van schuldeiser en schuldenaar van een verbintenis in dezelfde persoon verenigd worden.
  Dat is niet het geval wanneer de verbintenis twee onderscheiden vermogens van eenzelfde persoon betreft.
Art. 5.268. Définition
  Il y a confusion, lorsque les qualités de créancier et de débiteur d'une obligation se réunissent dans la même personne.
  Elle ne s'applique pas lorsque l'obligation relève de deux patrimoines distincts d'une même personne.
Art. 5.269. Gevolgen van schuldvermenging
  De schuldvermenging schorst van rechtswege de opeisbaarheid van de verbintenis.
  Indien die opeisbaarheid definitief wordt verhinderd, doet de schuldvermenging de verbintenis van rechtswege teniet.
Art. 5.269. Effets de la confusion
  La confusion suspend de plein droit l'exigibilité de l'obligation.
  Si l'obstacle à cette exigibilité est définitif, la confusion éteint de plein droit l'obligation.
Art. 5.270. Schuldvermenging en borgen
  Schuldvermenging die in de persoon van de hoofdschuldenaar plaatsheeft, strekt tot voordeel van zijn borgen.
  Schuldvermenging die in de persoon van de borg plaatsheeft, heeft geen invloed op de hoofdverbintenis.
Art. 5.270. Confusion et cautions
  La confusion qui s'opère dans la personne du débiteur principal profite à ses cautions.
  Celle qui s'opère dans la personne de la caution est sans incidence sur l'obligation principale.