Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
3 SEPTEMBER 2017. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 oktober 1975 houdende oprichting van een Commissie voor boekhoudkundige normen en van het Koninklijk besluit van 16 juni 1994 tot vaststelling van de bijdrage van de ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen
Titre
3 SEPTEMBRE 2017. - ArrĂȘtĂ© royal modifiant l'arrĂȘtĂ© royal du 21 octobre 1975 portant crĂ©ation d'une Commission des normes comptables et de l'arrĂȘtĂ© royal du 16 juin 1994 fixant la contribution des entreprises aux frais de fonctionnement de la Commission des Normes Comptables
Documentinformatie
Numac: 2017013141
Datum: 2017-09-03
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2017013141
Date: 2017-09-03
Moniteur: Voir
Tekst (23)
Texte (23)
TITEL 1. - Aanpassingen aan het koninklijk besluit van 21 oktober 1975 houdende oprichting van een Commissie voor Boekhoudkundige Normen
TITRE 1er. - Modifications Ă  l'arrĂȘtĂ© royal du 21 octobre 1975 portant crĂ©ation d'une Commission des normes comptables
Artikel 1. Er wordt in het Koninklijk besluit van 21 oktober 1975 houdende oprichting van een Commissie voor Boekhoudkundige Normen een hoofdstuk 1 ingevoegd dat de artikelen 1 tot en met 5/1 omvat, met als opschrift :
"HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen".
Article 1er. Il est insĂ©rĂ© dans l'arrĂȘtĂ© royal du 21 octobre 1975 portant crĂ©ation d'une Commission des normes comptables un chapitre 1er comportant les articles 1er Ă  5/1, intitulĂ© :
"CHAPITRE 1er. - Dispositions générales".
Art. 2. Artikel 1 van hetzelfde besluit; gewijzigd door het koninklijk besluit van 3 april 2006, wordt vervangen als volgt :
"Er wordt een Commissie voor Boekhoudkundige Normen opgericht.
Haar zetel is gevestigd in het arrondissement Brussel-Hoofdstad. Met toepassing van artikel III.93, § 1, van het Wetboek van economisch recht heeft zij tot taak :
1° de regering en het Parlement op hun verzoek of uit eigen beweging, van advies te dienen;
2° door middel van adviezen en aanbevelingen bij te dragen tot de ontwikkeling van de leer van het boekhouden en de beginselen te bepalen van een regelmatige boekhouding.
Het verstrekken van Individuele Beslissingen inzake Boekhoudrecht (afgekort : IBB) zoals bedoeld in artikel III.93/1, eerste paragraaf van het Wetboek van economisch recht behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van het College vermeld in artikel III.93, tweede paragraaf van datzelfde wetboek.".
Art. 2. L'article 1er du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 3 avril 2006, est remplacĂ© comme suit :
"Il est créé une Commission des normes comptables.
Son siÚge est établi dans l'arrondissement de Bruxelles-Capitale. En application de l'article III.93, § 1er, du Code de droit économique elle a pour mission :
1° de donner tout avis au gouvernement et au Parlement à la demande de ceux-ci ou d'initiative;
2° de contribuer au développement de la doctrine comptable et de formuler les principes d'une comptabilité réguliÚre, par la voie d'avis ou de recommandations.
La prise de DĂ©cisions Individuelles relevant du Droit Comptable (en abrĂ©gĂ© : DIDC) au sens de l'article III.93/1, § 1er du Code de droit Ă©conomique relĂšve de la compĂ©tence exclusive du CollĂšge visĂ© Ă  l'article III.93, § 2 du mĂȘme code."
Art. 3. Artikel 2 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd door het koninklijk besluit van 25 april 2013, wordt aangevuld met vier leden luidende :
"De dubbele lijsten dienen telkens te bestaan uit één Nederlandstalig en één Franstalig kandidaat-lid.
De minister van Financiën moet er op toezien dat minstens één lid dat behoort tot de hogere ambtenaren van de belastingbesturen en minstens één lid dat deel uitmaakt van het College dat overeenkomstig artikel 26 van de wet van 24 december 2002 belast is met de leiding van de Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken bij de Federale Overheidsdienst Financiën, opgericht bij koninklijk besluit van 13 augustus 2004, deel uitmaken van de Commissie.
De voorgedragen leden van de Commissie dienen over een bewezen uitmuntende kennis van het Belgisch boekhoudrecht te beschikken.
Indien een lid van de Commissie of van het College gedurende een tijdspanne van twaalf maanden de helft van de vergadering niet heeft bijgewoond, is hij van rechtswege ontslagnemend. De Voorzitter brengt daarvan de minister van Economie op de hoogte die de procedure in de vervanging van het betrokken lid dient te voorzien conform respectievelijk artikel 2 en artikel 12.".
Art. 3. L'article 2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© royal du 25 avril 2013, est complĂ©tĂ© par quatre alinĂ©as rĂ©digĂ©s comme suit :
"La liste double doit toujours comporter un candidat-membre d'expression française et un d'expression néerlandaise.
Le Ministre des Finances est chargĂ© de veiller Ă  ce qu'au moins un membre appartenant aux hauts fonctionnaires des administrations fiscales, et au moins un membre siĂ©geant dans le CollĂšge chargĂ© conformĂ©ment Ă  l'article 26 de la loi du 24 dĂ©cembre 2002 de la direction du Service des DĂ©cisions AnticipĂ©es en matiĂšres fiscales du Service public fĂ©dĂ©ral Finances, créé par l'arrĂȘtĂ© royal du 13 aoĂ»t 2004, siĂšgent dans la Commission.
Les membres du CollÚge proposés font preuve d'excellentes connaissances du droit comptable belge.
Si un membre de la Commission ou du CollÚge n'a pas participé à la moitié des réunions au cours d'une période de douze mois, il est réputé démissionnaire de plein droit. Le Président en informe le ministre de l'Economie qui prévoit la procédure pour le remplacement du membre concerné conformément aux articles 2 et 12 respectivement.".
Art. 4. Artikel 4 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 3 april 2006, wordt vervangen als volgt :
"De Voorzitter van de Commissie wordt door Ons benoemd onder haar leden, op voorstel van de minister van Economie, de minister van Financiën, de minister van Justitie en de minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft. Hij wordt in die hoedanigheid benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar.
De Voorzitter van de Commissie is tevens de Voorzitter van het College zoals bedoeld in artikel III.93, tweede paragraaf van het Wetboek van economisch recht.
De Voorzitter presideert de vergaderingen van de Commissie en het College en bereidt ze voor. Hij ziet toe op de redactie van de notulen en zorgt voor de uitvoering van de beslissingen van de Commissie en het College.
Hij staat in voor het dagelijks bestuur van de Commissie en het College en neemt hiervoor de nodige maatregelen. Hij kan het dagelijks bestuur delegeren aan een lid van het wetenschappelijk secretariaat van de Commissie.
De Voorzitter staat in voor de organisatie van het wetenschappelijk secretariaat. De Commissie neemt de bijdrage van de Nationale Bank van België bedoeld in artikel III.93/2, eerste paragraaf van het Wetboek van economisch recht in ontvangst.
Indien de Voorzitter tijdelijk verhinderd is, wordt hij vervangen door een lid door hem aangeduid, en indien dit niet is gebeurd, door het lid met de grootste anciënniteit en, in geval van gelijke anciënniteit, door het oudste lid van de Commissie respectievelijk het College.".
Art. 4. L'article 4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 3 avril 2006, est remplacĂ© comme suit :
"Le Président de la Commission est nommé par Nous parmi les membres de celle-ci, sur la proposition du Ministre de l'Economie, du Ministre des Finances, du Ministre de la Justice et du Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions. Il est désigné en cette qualité pour un terme renouvelable de six ans.
Le Président de la Commission siÚge également comme Président du CollÚge visé à l'article III.93, § 2 du Code de droit économique.
Le Président préside et prépare les réunions de la Commission et du CollÚge. Il veille à la rédaction des procÚs-verbaux et il assure l'exécution des décisions de la Commission et du CollÚge.
Il assure la gestion journaliÚre de la Commission et du CollÚge et prend les mesures nécessaires à cet effet. Il peut déléguer à un membre du secrétariat scientifique de la Commission la gestion journaliÚre.
Le Président assure l'organisation du secrétariat scientifique. La Commission reçoit la contribution de la Banque nationale de Belgique visée à l'article III.93/2, § 1er du Code de droit économique.
En cas d'empĂȘchement temporaire du PrĂ©sident, il est remplacĂ© par le membre qu'il dĂ©signe sinon, en l'absence de cette dĂ©signation, par le membre le plus ancien et, en cas d'anciennetĂ© Ă©gale, par le membre le plus ĂągĂ© respectivement de la Commission et du CollĂšge.".
Art. 5. Artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 3 april 2006, wordt vervangen als volgt :
"De vergoeding van de Voorzitter en van de leden van de Commissie wordt door Ons bepaald op voorstel van de minister van Economie.
Indien de Voorzitter vanuit een andere administratie of instelling naar de Commissie wordt gedetacheerd, worden de kosten van de detachering door de Commissie terugbetaald. In dat geval ontvangt de Voorzitter geen vergoeding ten laste van de Commissie, behoudens wanneer de kosten van de detachering lager zijn dan de vergoeding bedoeld in het voorgaande lid, in welk geval de vergoeding daarmee verminderd wordt.
Het recht op vergoeding van de leden van de Commissie ontstaat naar aanleiding van het bijwonen van de volledige vergadering.".
Art. 5. L'article 5 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 3 avril 2006, est remplacĂ© comme suit :
"La rémunération du Président et des membres de la Commission est fixée par Nous sur la proposition du Ministre de l'Economie.
Si le Président est détaché d'une autre administration ou d'un autre organisme au bénéfice de la Commission, les frais de détachement sont remboursés par la Commission. Dans ce cas, le Président ne perçoit pas de rémunération à charge de la Commission, sauf si les frais de détachement sont inférieurs à la rémunération visée à l'alinéa précédent, auquel cas ces frais sont déduits de la rémunération.
Le droit à la rémunération des membres de la Commission naßt de leur présence pendant toute une séance.".
Art. 6. In hetzelfde besluit wordt een artikel 5/1 ingevoegd, luidende :
"Het wetenschappelijk secretariaat wordt samengesteld door de Voorzitter. De Voorzitter staat aan het hoofd van het wetenschappelijk secretariaat en heeft er de leiding van. De leden van het wetenschappelijk secretariaat worden aangesteld in overeenstemming met de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
De lokalen van de Commissie worden door de FOD Economie ter beschikking gesteld.
De vergaderingen van de Commissie en het College worden voorbereid door de Voorzitter met de hulp van het wetenschappelijke secretariaat. Aan één van de leden van het wetenschappelijk secretariaat kan door de Voorzitter de functie van secretaris-generaal worden gegeven. De Voorzitter kan de leiding over het wetenschappelijk secretariaat delegeren aan de secretaris-generaal. De Voorzitter kan beslissen de leden van het wetenschappelijk secretariaat te laten deelnemen aan de vergaderingen van de Commissie en van het College. Zij hebben echter geen stemrecht."
Art. 6. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© est insĂ©rĂ© un article 5/1, rĂ©digĂ© comme suit :
"Le secrétariat scientifique est composé par le Président. Le Président préside et dirige le secrétariat scientifique. Les membres du secrétariat scientifique sont nommés en conformité avec la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
Les bureaux de la Commission sont mis Ă  disposition par le SPF Economie.
Les réunions de la Commission et du CollÚge sont préparées par le Président, avec l'assistance du secrétariat scientifique. Un des membres du secrétariat scientifique peut se voir confier la fonction de secrétaire général par le Président. Le Président peut déléguer au secrétaire général la direction du secrétariat scientifique. Le Président peut décider de permettre aux membres du secrétariat scientifique de participer aux réunions de la Commission et du CollÚge. Ils n'ont cependant pas le droit de vote.".
Art. 7. Na artikel 5/1 wordt in hetzelfde besluit een hoofdstuk 2 ingevoegd dat de artikelen 6 tot en met 11 omvat, met als opschrift :
"HOOFDSTUK 2. - De Commissie".
Art. 7. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© est insĂ©rĂ©, aprĂšs l'article 5/1, un chapitre 2 comprenant les articles 6 Ă  11, intitulĂ© :
"CHAPITRE 2. - La Commission".
Art. 8. Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"De Commissie vergadert op bijeenroeping van de Voorzitter. De oproeping daartoe vermeldt de agenda van de vergadering, die door de Voorzitter wordt opgesteld. Behalve in geval van hoogdringendheid beslist door de Voorzitter, zal deze uitnodiging ten minste vijf werkdagen voor de vergadering verstuurd worden.
De leden kunnen tot ten laatste acht werkdagen voor de aanvang van de vergadering agendapunten aanbrengen. De Voorzitter kan het agendapunt aanvaarden dan wel de agendering ervan voorleggen aan de Commissie.
Op het moment van de uitnodiging worden tevens de documenten voor de te behandelen punten ter beschikking van de leden gesteld. Bijkomende documenten worden, in voorkomend geval, later maar vóór de vergadering ter beschikking van de leden gesteld.
De Commissie beraadslaagt alleen dan geldig als ten minste negen leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Een afwezig lid kan aan een ander lid een schriftelijke volmacht geven voor een bepaalde stemming. Deze schriftelijke volmacht wordt ten laatste bij aanvang van de vergadering aan de Voorzitter bezorgd. De volmacht dient in elk geval te vermelden of het lid het al dan niet eens is met een bepaald ontwerp. Elk lid kan slechts voor twee andere leden een schriftelijke volmacht indienen.".
Art. 8. L'article 6 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© comme suit :
"La Commission se réunit sur convocation du Président. La convocation comporte l'ordre du jour. Celui-ci est fixé par le Président. Sauf en cas d'urgence décidé par le Président, la convocation est envoyée au moins cinq jours ouvrables avant la date de la réunion.
Au plus tard huit jours ouvrables avant le début de la réunion, les membres peuvent inscrire des points à l'ordre du jour. Le Président peut accepter le point à inscrire à l'ordre du jour, sinon soumettre son inscription à l'ordre du jour à l'avis de la Commission.
L'envoi de la convocation aux membres comprend également les documents relatifs aux points mis à l'ordre du jour. Tout document complémentaire sera, le cas échéant, mis plus tard à la disposition des membres, mais en tout cas avant la réunion.
La Commission ne délibÚre valablement que si neuf de ses membres au moins sont présents ou représentés. Un membre absent peut, pour une délibération déterminée, donner à un autre membre une procuration écrite. Cette procuration écrite est remise au Président, au plus tard au début de la réunion. La procuration doit en tout cas indiquer l'accord ou non du membre avec un certain projet. Chaque membre ne peut représenter au maximum que deux autres membres par procuration écrite.".
Art. 9. Artikel 7 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 9. L'article 7 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est abrogĂ©.
Art. 10. In hetzelfde besluit wordt een artikel 7/1 ingevoegd, luidende :
"De Commissie beslist in principe in consensus. Indien dit niet mogelijk blijkt en indien de Voorzitter daartoe het initiatief neemt, beslist ze bij eenvoudige meerderheid. Bij staking van stemmen is de stem van de Voorzitter doorslaggevend. De aanbevelingen en adviezen geformuleerd krachtens artikel III.93, eerste paragraaf, 2° van het Wetboek van economisch recht worden echter uitgebracht met een tweederdemeerderheid van de aanwezige of vertegenwoordigde leden. Voor de berekening van de vereiste meerderheid worden de onthoudingen niet meegeteld. De aanbevelingen en adviezen van de Commissie zijn gemotiveerd.
De publicatie van elk advies wordt systematisch voorafgegaan door de publicatie van een ontwerpadvies zodat elke belangstellende de kans heeft binnen een door de Commissie bepaalde termijn te reageren. Deze termijn bedraagt minimum 10 werkdagen.
Als een ontwerpadvies wordt goedgekeurd bij meerderheidsstemming, wordt het met redenen omkleed afwijkend standpunt van het betrokken lid of de betrokken leden, met vermelding van zijn of hun naam, opgenomen in het advies en mee gepubliceerd met dit laatste.
Het is de leden van de Commissie verboden aanwezig te zijn bij een beraadslaging over zaken waarbij zij een rechtstreeks of zijdelings persoonlijk belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een rechtsreeks persoonlijk belang hebben.
Als de Commissie een advies met algemene draagwijdte aflevert, is er geen sprake van een persoonlijk belang".
Art. 10. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© est insĂ©rĂ© un article 7/1, rĂ©digĂ© comme suit :
"La Commission dĂ©cide en principe en consensus. Si le consensus ne peut pas ĂȘtre atteint, elle dĂ©cide, sur initiative du PrĂ©sident, Ă  la majoritĂ© simple. En cas de paritĂ© des voix, la voix du prĂ©sident est prĂ©pondĂ©rante. Les recommandations et avis formulĂ©s en vertu de l'article III.93, § 1er, 2° du Code de droit Ă©conomique, sont toutefois arrĂȘtĂ©s Ă  la majoritĂ© des deux tiers des membres prĂ©sents ou reprĂ©sentĂ©s. Pour le calcul de la majoritĂ© requise, les abstentions ne sont pas considĂ©rĂ©es comme des voix Ă©mises. Les recommandations et avis Ă©mis par la Commission sont motivĂ©s.
La publication de tout avis sera précédée par la publication d'un projet d'avis permettant à toute personne intéressée de réagir endéans une période déterminée par la Commission. Le délai est de 10 jours ouvrables au minimum.
Lorsqu'un projet d'avis est adopté à la majorité, la position divergente motivée du membre concerné ou des membres concernés, avec mention du nom de celui-ci ou de ceux-ci, est indiquée dans l'avis et également publiée avec ce dernier.
Il est interdit aux membres de la Commission d'ĂȘtre prĂ©sents aux dĂ©libĂ©rations relatives Ă  des objets Ă  propos desquels ils ont un intĂ©rĂȘt personnel direct ou indirect ou leurs parents ou alliĂ©s jusqu'au quatriĂšme degrĂ© ont un intĂ©rĂȘt personnel direct.
Si la Commission Ă©met un avis de portĂ©e gĂ©nĂ©rale, celui-ci est censĂ© ĂȘtre dĂ©nuĂ© de tout intĂ©rĂȘt personnel.".
Art. 11. In hetzelfde besluit wordt een artikel 7/2 ingevoegd, luidende :
"Als een dringende beslissing dient genomen te worden en het onmogelijk blijkt om op korte termijn een voldoende aantal leden te laten vergaderen of als, als gevolg van een vergadering, een nieuwe versie van een adviesontwerp of ontwerp van aanbeveling aan de leden moet voorgelegd worden, kan de Voorzitter beslissen de leden schriftelijk te raadplegen.
In geval van schriftelijke procedure wordt aan de leden minstens twee werkdagen toegekend om hun standpunt te bepalen.
De Voorzitter zal een vergadering van de Commissie beleggen als ten minste vier leden schriftelijk melden dat ze niet akkoord gaan met het adviesontwerp of ontwerp van aanbeveling dat hun werd bezorgd.".
Art. 11. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© est insĂ©rĂ© un article 7/2, rĂ©digĂ© comme suit :
"Si la prise d'une dĂ©cision urgente s'impose et qu'il s'avĂšre impossible de rĂ©unir Ă  court terme un nombre suffisant de membres, ou si, Ă  l'issue d'une rĂ©union, une nouvelle version d'un projet d'avis ou de recommandation doit ĂȘtre soumise aux membres, le PrĂ©sident peut dĂ©cider d'organiser une consultation Ă©crite des membres.
Dans le cas d'une procĂ©dure Ă©crite, les membres doivent pouvoir disposer d'au moins deux jours ouvrables pour arrĂȘter leur position.
Le Président convoquera une réunion de la Commission si au moins quatre membres marquent par écrit leur désaccord avec le projet d'avis ou de recommandation qui leur a été soumis.".
Art. 12. In hetzelfde besluit wordt een artikel 7/3 ingevoegd, luidende :
"De Commissie verspreidt haar adviezen, ontwerpadviezen en aanbevelingen via haar website en jaarverslag alsook via de media die zij bepaalt.".
Art. 12. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© est insĂ©rĂ© un article 7/3, rĂ©digĂ© comme suit :
"La Commission publie ses avis, projets d'avis et recommandations sur son site web et dans son rapport annuel, ainsi que par toute voie qu'elle détermine.".
Art. 13. Artikel 8 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd door het koninklijk besluit van 3 april 2006, wordt vervangen als volgt :
"De Commissie mag in haar schoot werk- en studiegroepen oprichten; ze mag de hulp van deskundigen en het advies van derden vragen. Deze deskundigen kunnen toegelaten worden tot de vergaderingen van de Commissie indien de Commissie aldus beslist. Zij hebben echter geen stemrecht.
De werkgroepen worden opgericht bij beslissing van de Commissie na beraadslaging conform de artikelen 6 en 7/1. Werkgroepen kunnen enkel opgericht worden voor de voorbereiding van thematische of bijzonder complexe adviezen of voor de voorbereiding van wetgeving of specifieke reglementering. De Commissie bepaalt de agenda van de werkgroepen.
In elke werkgroep zetelen ten minste twee Commissieleden of één Commissielid en één lid van het wetenschappelijk secretariaat. Een Commissielid of een lid van het wetenschappelijk secretariaat neemt het voorzitterschap waar.
De werkgroepen kunnen enkel rapporteren aan de Commissie. Er wordt periodiek en minstens trimestrieel gerapporteerd aan de Commissie over de stand van zaken van de werkzaamheden van de werkgroepen. Op het einde van de opdracht, wordt een schriftelijk verslag voorgesteld aan de Commissie door de Voorzitter van de werkgroep.
De leden van de werkgroepen en de deskundigen kunnen worden bezoldigd met een zitpenning gelijk aan deze vastgesteld met toepassing van artikel 5 voor de leden van de Commissie.".
Art. 13. L'article 8 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© royal du 3 avril 2006, est remplacĂ© comme suit :
"La Commission peut crĂ©er en son sein des groupes de travail et d'Ă©tudes ; elle peut recourir Ă  l'aide d'experts et Ă  l'avis de tiers. Sur dĂ©cision de la Commission, ces experts peuvent ĂȘtre autorisĂ©s Ă  assister Ă  ses rĂ©unions. Ils n'ont cependant pas le droit de vote.
Ces groupes de travail sont créés par dĂ©cision de la Commission, aprĂšs dĂ©libĂ©ration conformĂ©ment aux articles 6 et 7/1. La crĂ©ation d'un groupe de travail ne peut ĂȘtre envisagĂ©e qu'aux fins de prĂ©parer soit des avis thĂ©matiques ou fort complexes, soit une lĂ©gislation ou une rĂ©glementation spĂ©cifique. La Commission fixe l'ordre du jour des rĂ©unions des groupes de travail.
Tout groupe de travail comprendra au moins soit deux membres de la Commission, soit un membre de la Commission et un membre du secrétariat scientifique. La présidence est assumée par un membre de la Commission ou un membre du secrétariat scientifique.
Les groupes de travail peuvent uniquement faire rapport à la Commission. Périodiquement et au moins chaque trimestre, il est fait rapport à la Commission sur l'état d'avancement des activités des groupes de travail. A la fin de la mission, un rapport écrit est présenté à la Commission par le président du groupe de travail.
Les membres des groupes de travail et les experts peuvent ĂȘtre rĂ©munĂ©rĂ©s par un jeton de prĂ©sence Ă©gal Ă  celui fixĂ© en application de l'article 5 pour les membres de la Commission.".
Art. 14. Artikel 10 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 14. L'article 10 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est abrogĂ©.
Art. 15. Artikel 11 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Alleen de Voorzitter van de Commissie heeft de bevoegdheid het standpunt van de Commissie uit te drukken of de Commissie te vertegenwoordigen.
Als de Voorzitter verhinderd is, kan hij daartoe een lid van de Commissie of een lid van het wetenschappelijk secretariaat aanduiden.".
Art. 15. L'article 11 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
"Seul le Président de la Commission est compétent pour exprimer la position de la Commission ou pour la représenter.
En cas d'empĂȘchement du PrĂ©sident, il peut mandater un membre de la Commission ou un membre du secrĂ©tariat scientifique Ă  cette fin. ".
Art. 16. Artikel 12 van hetzelfde besluit, dat de uitvoering regelt, wordt vernummerd naar artikel 18.
Art. 16. L'article 12 du mĂȘme arrĂȘtĂ© rĂ©glant son exĂ©cution est renumĂ©rotĂ© 18.
Art. 17. Na artikel 11 wordt in hetzelfde besluit een hoofdstuk 3 ingevoegd dat de artikelen 12 tot en met 17 omvat, luidende :
"HOOFDSTUK 3. - Het College.
Art. 12. Met het oog op het afleveren van Individuele Beslissingen inzake Boekhoudrecht wordt in de schoot van de Commissie door Ons een College geĂŻnstalleerd.
Het College bestaat uit de Voorzitter van de Commissie en vier Collegeleden aangeduid onder de leden van de Commissie :
1° een lid aangeduid door de minister van Economie;
2° een lid aangeduid door de Minister van Financiën dat deel uitmaakt van het College dat overeenkomstig artikel 26 van de wet van 24 december 2002 belast is met de leiding van de Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken bij de Federale Overheidsdienst Financiën, opgericht bij koninklijk besluit van 13 augustus 2004;
3° een lid aangeduid door de minister van Justitie;
4° een lid aangeduid door de minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft.
Art. 13. Het College vergadert op bijeenroeping van de Voorzitter. De oproeping daartoe vermeldt de agenda van de vergadering, die door de Voorzitter wordt opgesteld. Behalve in geval van hoogdringendheid beslist door de Voorzitter, zal deze uitnodiging ten minste vijf werkdagen voor de vergadering verstuurd worden.
Samen met de uitnodiging worden de documenten voor de te behandelen punten ter beschikking van de leden gesteld. Bijkomende documenten worden, in voorkomend geval, later maar vóór de vergadering ter beschikking van de leden gesteld.
Het College beraadslaagt alleen dan geldig als ten minste vier leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Een afwezig lid kan aan een ander lid een schriftelijke volmacht geven voor een bepaalde stemming. De volmacht dient in elk geval te vermelden of het lid het al dan niet eens is met een bepaald ontwerp. Deze schriftelijke volmacht wordt ten laatste bij aanvang van de vergadering aan de Voorzitter bezorgd. Elk lid kan slechts voor één ander lid een schriftelijke volmacht indienen. De beraadslaging kan, als alle leden van het College daarmee instemmen, op voorstel van de Voorzitter schriftelijk worden gehouden.
Het is de leden van het College verboden aanwezig te zijn bij een beraadslaging over zaken waarbij zij een rechtstreeks of zijdelings persoonlijk belang hebben of waarbij hun echtgenoot of echtgenote, hun samenwonende partner of hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk belang hebben.
Art. 14. Behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag zulks rechtvaardigt, wordt de Individuele Beslissing inzake Boekhoudrecht getroffen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar.
De Individuele Beslissing inzake Boekhoudrecht geldt niet langer :
1° indien de voorwaarden waaraan de Individuele Beslissing inzake Boekhoudrecht is onderworpen, niet of niet langer vervuld zijn;
2° indien blijkt dat de situatie of de verrichtingen door de aanvrager onvolledig of onjuist omschreven zijn, of indien essentiële elementen van de verrichtingen niet werden verwezenlijkt op de door de aanvrager omschreven wijze;
3° in geval van wijziging van de bepalingen van het Unierecht of van het interne recht die van toepassing zijn op de door de Individuele Beslissing inzake Boekhoudrecht beoogde situatie of verrichting;
4° indien blijkt dat het Individuele Beslissing inzake Boekhoudrecht niet in overeenstemming is met de bepalingen van het gemeenschapsrecht of van het interne recht.
Bovendien is de Individuele Beslissing inzake Boekhoudrecht niet meer geldig wanneer de voornaamste gevolgen van de situatie of de verrichtingen gewijzigd zijn door een of meer ermee verband houdende of erop volgende elementen, die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn toe te schrijven aan de aanvrager.
Elke aanvraag met eenzelfde strekking die verband kan houden met de door het College toegekende Individuele Beslissing inzake Boekhoudrecht ingediend bij een binnenlandse of buitenlandse overheid tijdens de periode gedurende dewelke de Individuele Beslissing inzake Boekhoudrecht wordt toegepast, alsmede elke beslissing die ermee verband houdt, moet onverwijld worden medegedeeld aan het College met het oog op de toepassing van dit artikel.
Art. 15. Het College beslist over een Individuele Beslissing inzake Boekhoudrecht bij eenvoudige meerderheid. De Individuele Beslissingen inzake Boekhoudrecht zijn gemotiveerd.
Art. 16. Het College is gehouden toepassing te maken van de adviezen van de Commissie. Het College vraagt advies aan de Commissie in die gevallen waar geen wettelijke of reglementaire bepaling voorhanden zijn en de Commissie nog geen advies heeft over gegeven. In dat geval behandelt de Commissie deze vraag bij hoogdringendheid.
Art. 17. Alleen de Voorzitter van de Commissie heeft de bevoegdheid het standpunt van het College uit te drukken of het College te vertegenwoordigen.
Als de Voorzitter verhinderd is, kan hij daartoe een lid van het College of een lid van het wetenschappelijk secretariaat aanduiden.".
Art. 17. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© est introduit, aprĂšs l'article 11, un chapitre 3 comprenant les articles 12 Ă  17, rĂ©digĂ© comme suit :
"CHAPITRE 3. - Le CollĂšge.
Art. 12. Aux fins de la prise de Décisions Individuelles relevant du Droit Comptable, un CollÚge est institué par Nous au sein de la Commission.
Le CollÚge est composé du Président de la Commission et de quatre membres du CollÚge désignés parmi les membres de la Commission :
1° un membre désigné par le Ministre de l'Economie;
2° un membre dĂ©signĂ© par le Ministre des Finances siĂ©geant au CollĂšge chargĂ© conformĂ©ment Ă  l'article 26 de la loi du 24 dĂ©cembre 2002 de la direction du Service des DĂ©cisions AnticipĂ©es en matiĂšres fiscales du Service public fĂ©dĂ©ral Finances, créé par l'arrĂȘtĂ© royal du 13 aoĂ»t 2004;
3° un membre désigné par le Ministre de la Justice;
4° un membre désigné par le Ministre ayant les Classes moyennes dans ses attributions.
Art. 13. Le CollÚge se réunit sur convocation par le Président. La convocation comporte l'ordre du jour de la réunion. Celui-ci est fixé par le Président. Sauf en cas d'urgence décidé par le Président, la convocation est envoyée au moins cinq jours ouvrables avant la date de la réunion.
L'envoi de la convocation aux membres comprend également les documents relatifs aux points mis à l'ordre du jour. Tout document complémentaire sera, le cas échéant, mis plus tard à la disposition des membres, mais en tout cas avant la réunion.
Le CollĂšge ne dĂ©libĂšre valablement que si quatre de ses membres au moins sont prĂ©sents ou reprĂ©sentĂ©s. Un membre absent peut, pour une dĂ©libĂ©ration dĂ©terminĂ©e, donner un autre membre une procuration Ă©crite. La procuration doit en tout cas indiquer l'accord ou non du membre avec un certain projet. Cette procuration Ă©crite est remise au PrĂ©sident, au plus tard au dĂ©but de la rĂ©union. Chaque membre ne peut reprĂ©senter qu'un seul autre membre par procuration Ă©crite. Pour autant que chacun des membres du CollĂšge ait marquĂ© son accord, la dĂ©libĂ©ration peut ĂȘtre tenue par Ă©crit.
Il est interdit aux membres du CollĂšge d'ĂȘtre prĂ©sents aux dĂ©libĂ©rations relatives Ă  des objets Ă  propos desquels ils ont un intĂ©rĂȘt personnel direct ou indirect ou si leur conjoint, la personne avec qui ils cohabitent ou leurs parents ou alliĂ©s jusqu'au quatriĂšme degrĂ© ont un intĂ©rĂȘt personnel.
Art. 14. Sauf dans les cas justifiés par l'objet de la demande, la Décision Individuelle relevant du Droit Comptable est rendue pour une période ne pouvant dépasser cinq ans.
La Décision Individuelle relevant du Droit Comptable n'est plus valable :
1° si les conditions auxquelles la Décision Individuelle relevant du Droit Comptable est soumise, ne sont pas ou plus réunies;
2° s'il s'avÚre que la description de la situation ou de l'opération fournie par le demandeur, est incomplÚte ou incorrecte, ou si des éléments essentiels de l'opération ne se sont pas produits de la façon décrite par le demandeur;
3° au cas oĂč les dispositions du droit de l'Union ou du droit national applicables Ă  la situation ou l'opĂ©ration qui fait l'objet de la DĂ©cision Individuelle relevant du Droit Comptable, sont modifiĂ©es;
4° s'il s'avÚre que la Décision Individuelle relevant du Droit Comptable n'est pas conforme aux dispositions du droit commun ou du droit national.
La Décision Individuelle relevant du Droit Comptable n'est plus valable non plus, si les effets principaux de la situation ou de l'opération sont modifiés par un ou plusieurs éléments y afférents ou postérieurs attribuables, directement ou indirectement, au demandeur.
Dans le cadre de l'application du prĂ©sent article, le CollĂšge doit ĂȘtre informĂ© sans dĂ©lai de toute demande Ă  portĂ©e identique pouvant se rapporter Ă  la DĂ©cision Individuelle relevant du Droit Comptable rendue par le CollĂšge, introduite auprĂšs d'une autoritĂ© intĂ©rieure ou Ă©trangĂšre au cours de la pĂ©riode d'application de la DĂ©cision Individuelle relevant du Droit Comptable, ainsi que de toute dĂ©cision y affĂ©rente.
Art. 15. Le CollÚge délibÚre d'une Décision Individuelle relevant du Droit Comptable à la majorité simple. Les Décisions Individuelles relevant du Droit Comptable sont motivées.
Art. 16. Le CollÚge est tenu de faire application des avis de la Commission. Le CollÚge demande d'avis à la Commission lorsqu'il n'existe pas de dispositions légales ou réglementaires et la Commission n'a pas encore émis d'avis en la matiÚre. Dans ce cas la Commission traite cette question en urgence.
Art. 17. Seul le Président de la Commission est compétent pour exprimer la position du CollÚge ou pour le représenter.
En cas d'empĂȘchement du PrĂ©sident, il peut mandater un membre du CollĂšge ou un membre du secrĂ©tariat scientifique Ă  cette fin.".
Art. 18. Na artikel 17 wordt in hetzelfde besluit een hoofdstuk 4 ingevoegd dat artikel 18 omvat, luidende :
"HOOFDSTUK 4. - Uitvoering.
Art. 18. De minister van Economische Zaken, de minister van Financiën, de minister van Justitie en de minister bevoegd voor de Middenstand zijn, elk wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.".
Art. 18. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© est introduit, aprĂšs l'article 17, un chapitre 4 comprenant l'article 18, rĂ©digĂ© comme suit :
"CHAPITRE 4. - Exécution
Art. 18. Le ministre de l'Economie, le ministre des Finances, le ministre de la Justice et le ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions sont chargĂ©s, chacun en ce qui le concerne, de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.".
TITEL 2. - Aanpassingen aan het koninklijk besluit van 16 juni 1994 tot vaststelling van de bijdrage van de ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen
TITRE 2. - Modifications Ă  l'arrĂȘtĂ© royal du 16 juin 1994 fixant la contribution des entreprises aux frais de fonctionnement de la Commission des Normes Comptables
Art. 19. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 juni 1994 tot vaststelling van de bijdrage van de ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen, laatst gewijzigd door het koninklijk besluit van 25 januari 2005, wordt vervangen als volgt :
"De bijdrage bedoeld in artikel III.93/2, § 1, van het Wetboek van economisch recht, bedraagt 3,40 euro per jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening die wordt neergelegd.".
Art. 19. L'article premier de l'arrĂȘtĂ© royal du 16 juin 1994 fixant la contribution des entreprises aux frais de fonctionnement de la Commission des Normes Comptables, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© royal du 25 janvier 2005, est remplacĂ© comme suit :
"La contribution visée à l'article III.93/2, § 1er, du Code de droit économique s'élÚve à 3,40 euros par compte annuel ou compte consolidé déposé.".
Art. 20. Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : "Dit besluit is van toepassing op de neerleggingen van de jaarrekeningen en de geconsolideerde jaarrekeningen bij de Nationale Bank van België vanaf 1 mei 2017.".
Art. 20. L'article 3 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© comme suit : "Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique aux dĂ©pĂŽts des comptes annuels et des comptes consolidĂ©s auprĂšs de la Banque nationale de Belgique Ă  partir du 1er mai 2017.".
Art. 21. De minister bevoegd voor Economie wordt belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 21. Le ministre qui a l'Economie dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.