Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder :
1° vergoeding voor reprografie : het recht op vergoeding bedoeld in artikel XI.235 van het Wetboek van economisch recht;
2° vergoedingsplichtige : de persoon die overeenkomstig artikel XI.236 van het Wetboek van economisch recht de vergoeding voor reprografie moet betalen;
3° gebruikt apparaat : het apparaat waarmee vergoedingsplichtigen reproducties in de zin van artikel XI.235 van het Wetboek van economisch recht vervaardigen of dat zij kosteloos of onder bezwarende titel ter beschikking stellen van anderen;
4° instelling voor openbare uitlening : de voor het publiek toegankelijke instellingen voor de uitlening van werken of voor de terbeschikkingstelling van exemplaren van werken met het oog op de raadpleging ervan ter plaatse, die daartoe door de overheid zijn erkend of opgericht, met uitzondering van de instellingen waar de werken enkel mogen worden gereproduceerd onder de voorwaarden beoogd in artikel XI.191/1, 3° van het Wetboek van economisch recht;
5° documentatiecentrum : de gestructureerde samenvoeging, door een vergoedingsplichtige, van op papier of op soortgelijke drager vastgelegde werken met het oog op de aanwending ervan door verscheidene personen;
6° beheersvennootschap : de vennootschap die in uitvoering van artikel XI.239, zesde lid van het Wetboek van economisch recht, belast is met de inning en de verdeling van de vergoeding voor reprografie;
7° Minister : de Minister tot wiens bevoegdheid het auteursrecht behoort;
8° de controledienst : de controledienst bedoeld in artikel XI.279 van het Wetboek van economisch recht.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
5 MAART 2017. - Koninklijk besluit betreffende de vergoeding voor reprografie verschuldigd aan auteurs(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-03-2017 en tekstbijwerking tot 17-01-2018)
Titre
5 MARS 2017. - Arrêté royal relatif à la rémunération des auteurs pour reprographie(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 10-03-2017 et mise à jour au 17-01-2018)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Definities
HOOFDSTUK 2. - Bedragen van de vergoeding voor ...
HOOFDSTUK 3. - Nadere regels voor de inning van...
Afdeling 1. - Moment waarop de vergoeding voor ...
Afdeling 2. - Aangifte van het aantal gemaakte ...
Onderafdeling 1. - Algemene aangifte
Onderafdeling 2. - Gestandaardiseerde aangifte
Onderafdeling 3. - Adviesprocedure
Onderafdeling 4. - Termijn en aangifteformulier
Afdeling 3. - Kennisgeving van het bedrag van d...
HOOFDSTUK 4. - Nadere regels voor de controle
HOOFDSTUK 5. - Nadere regels voor de verdeling
Afdeling 1. - Verzoek om gegevens
Afdeling 2. - Goedkeuring van de verdelingsregels
HOOFDSTUK 6. - Administratieve vereenvoudiging
Afdeling 1. - Platform voor online aangifte
Afdeling 2. - Aangifte en betaling namens vergo...
HOOFDSTUK 7. - Studie betreffende de reprografie
HOOFDSTUK 8. - Raadpleging van de betrokken mil...
HOOFDSTUK 9. - Procedure van goedkeuring door d...
HOOFDSTUK 10. Opheffings- wijzigings- en overga...
HOOFDSTUK 11. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Définitions
CHAPITRE 2. - Montants de la rémunération pour ...
CHAPITRE 3. - Modalités de perception de la rém...
Section 1re. - Moment où la rémunération pour r...
Section 2. - Déclaration du nombre de reproduct...
Sous-section 1re. - Déclaration générale
Sous-section 2. - Déclaration standardisée
Sous-section 3. - Procédure d'avis
Sous-section 4. - Délai et formulaire de déclar...
Section 3. - Notification du montant de la rému...
CHAPITRE 4. - Modalités de contrôle
CHAPITRE 5. - Modalités de répartition
Section 1re. - Demande de renseignements
Section 2. - Agrément des règles de répartition
CHAPITRE 6. - Simplification administrative
Section 1re. - Plate-forme de déclaration en ligne
Section 2. - Déclaration et paiement pour le co...
CHAPITRE 7. - Etude de la reprographie
CHAPITRE 8. - Consultation des milieux intéressés
CHAPITRE 9. - Procédure d'agrément par le Ministre
CHAPITRE 10. - Dispositions abrogatoire, modifi...
CHAPITRE 11. - Dispositions finales
Tekst (45)
Texte (45)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° la rémunération pour reprographie : le droit à rémunération visé à l'article XI.235 du Code de droit économique;
2° le débiteur : la personne qui en vertu de l'article XI.236 du Code de droit économique est tenue de verser la rémunération pour reprographie;
3° l'appareil utilisé : l'appareil au moyen duquel une reproduction au sens de l'article XI.235 du Code de droit économique est réalisée par un débiteur ou qui est mis par celui-ci à la disposition d'autrui à titre gratuit ou onéreux;
4° l'établissement de prêt public : les établissements accessibles au public qui ont pour activité le prêt d'oeuvres ou la mise à disposition d'exemplaires d'oeuvres à des fins de consultation sur place et qui sont reconnus ou organisés à cette fin par les pouvoirs publics, à l'exception de ceux au sein desquels les oeuvres ne peuvent être reproduites que dans les conditions visées à l'article XI.191/1, 3°, du Code de droit économique;
5° le centre de documentation : le regroupement structuré d'oeuvres fixées sur papier ou sur support similaire par un débiteur en vue de l'utilisation de ces oeuvres par une pluralité de personnes;
6° la société de gestion des droits : la société chargée de percevoir et de répartir la rémunération pour reprographie en exécution de l'article XI.239, alinéa 6, du Code de droit économique;
7° le Ministre : le ministre ayant le droit d'auteur dans ses attributions;
8° le service de contrôle : le service de contrôle visé à l'article XI.279 du Code de droit économique.
1° la rémunération pour reprographie : le droit à rémunération visé à l'article XI.235 du Code de droit économique;
2° le débiteur : la personne qui en vertu de l'article XI.236 du Code de droit économique est tenue de verser la rémunération pour reprographie;
3° l'appareil utilisé : l'appareil au moyen duquel une reproduction au sens de l'article XI.235 du Code de droit économique est réalisée par un débiteur ou qui est mis par celui-ci à la disposition d'autrui à titre gratuit ou onéreux;
4° l'établissement de prêt public : les établissements accessibles au public qui ont pour activité le prêt d'oeuvres ou la mise à disposition d'exemplaires d'oeuvres à des fins de consultation sur place et qui sont reconnus ou organisés à cette fin par les pouvoirs publics, à l'exception de ceux au sein desquels les oeuvres ne peuvent être reproduites que dans les conditions visées à l'article XI.191/1, 3°, du Code de droit économique;
5° le centre de documentation : le regroupement structuré d'oeuvres fixées sur papier ou sur support similaire par un débiteur en vue de l'utilisation de ces oeuvres par une pluralité de personnes;
6° la société de gestion des droits : la société chargée de percevoir et de répartir la rémunération pour reprographie en exécution de l'article XI.239, alinéa 6, du Code de droit économique;
7° le Ministre : le ministre ayant le droit d'auteur dans ses attributions;
8° le service de contrôle : le service de contrôle visé à l'article XI.279 du Code de droit économique.
HOOFDSTUK 2. - Bedragen van de vergoeding voor reprografie
CHAPITRE 2. - Montants de la rémunération pour reprographie
Art. 2. Het bedrag van de vergoeding voor reprografie wordt vastgesteld op 0,0277 euro per reproductie van een beschermd werk.
Wanneer de vergoedingsplichtige de aangifte niet binnen de op grond van artikel 8 gestelde termijn heeft bezorgd of wanneer hij onvolledige of duidelijk onjuiste informatie doorgeeft in strijd met de artikelen 4 of 5, wordt het in het vorige lid bepaalde bedrag, bij wijze van schadeloosstelling, verhoogd met forfaitaire kosten om de kosten voor de vaststelling en inning van de vergoeding voor reprografie te dekken en wordt het bijgevolg vastgesteld op 0,0423 euro per reproductie van een beschermd werk.
Wanneer de vergoedingsplichtige de aangifte niet binnen de op grond van artikel 8 gestelde termijn heeft bezorgd of wanneer hij onvolledige of duidelijk onjuiste informatie doorgeeft in strijd met de artikelen 4 of 5, wordt het in het vorige lid bepaalde bedrag, bij wijze van schadeloosstelling, verhoogd met forfaitaire kosten om de kosten voor de vaststelling en inning van de vergoeding voor reprografie te dekken en wordt het bijgevolg vastgesteld op 0,0423 euro per reproductie van een beschermd werk.
Art. 2. Le montant de la rémunération pour reprographie est fixé à 0,0277 euro par reproduction d'oeuvre protégée.
Lorsque le débiteur ne fournit pas la déclaration dans les délais requis en vertu de l'article 8, ou lorsqu'il déclare des informations incomplètes ou manifestement inexactes en contravention aux articles 4 ou 5, le montant visé à l'alinéa précédent est majoré, à titre indemnitaire, de frais forfaitaires pour couvrir les frais de constatation et de recouvrement de la rémunération pour reprographie, et est en conséquence fixé à 0,423 euro par reproduction d'oeuvre protégée.
Lorsque le débiteur ne fournit pas la déclaration dans les délais requis en vertu de l'article 8, ou lorsqu'il déclare des informations incomplètes ou manifestement inexactes en contravention aux articles 4 ou 5, le montant visé à l'alinéa précédent est majoré, à titre indemnitaire, de frais forfaitaires pour couvrir les frais de constatation et de recouvrement de la rémunération pour reprographie, et est en conséquence fixé à 0,423 euro par reproduction d'oeuvre protégée.
HOOFDSTUK 3. - Nadere regels voor de inning van de vergoeding voor reprografie
CHAPITRE 3. - Modalités de perception de la rémunération pour reprographie
Afdeling 1. - Moment waarop de vergoeding voor reprografie verschuldigd is
Section 1re. - Moment où la rémunération pour reprographie est due
Art. 3. De vergoeding voor reprografie is verschuldigd op het tijdstip waarop de reproductie van het beschermde werk wordt gemaakt.
Art. 3. La rémunération pour reprographie est due au moment de la réalisation de la reproduction de l'oeuvre protégée.
Afdeling 2. - Aangifte van het aantal gemaakte reproducties
Section 2. - Déclaration du nombre de reproductions réalisées
Onderafdeling 1. - Algemene aangifte
Sous-section 1re. - Déclaration générale
Art. 4. § 1. De vergoedingsplichtige doet aan de hand van het in artikel 9 bedoelde formulier op volledige en nauwkeurige wijze bij de beheersvennootschap aangifte van :
1° de gegevens op grond waarvan zijn identiteit kan worden vastgesteld;
2° het aantal instellingen waarvoor hij een aangifte indient alsook het adres en nadere gegevens ervan;
3° het aantal personen dat aan de hand van de gebruikte apparaten regelmatig reproducties van beschermde werken heeft kunnen maken of laten maken, met dien verstande dat wanneer deze personen door de vergoedingsplichtige worden tewerkgesteld ze als voltijdse equivalenten moeten worden geteld;
4° het aantal reproducties dat aan de hand van die apparaten is gemaakt;
5° een raming van het aantal reproducties van beschermde werken dat aan de hand van die apparaten is gemaakt;
6° het eventuele bestaan van een of meer documentatiecentra;
7° het eventueel opstellen van een persoverzicht op papier of op een soortgelijke drager, gemaakt op basis van werken vastgelegd op papier of op een soortgelijke drager;
8° de identiteit van de persoon belast met de betrekkingen met de beheersvennootschap, alsmede zijn contactgegevens, inclusief een e-mailadres indien hij hierover beschikt.
§ 2. De vergoedingsplichtige en de beheersvennootschap mogen in onderling akkoord de wijze overeenkomen waarop het volume van de reproducties van beschermde werken op een efficiënte wijze zal vastgesteld worden.
1° de gegevens op grond waarvan zijn identiteit kan worden vastgesteld;
2° het aantal instellingen waarvoor hij een aangifte indient alsook het adres en nadere gegevens ervan;
3° het aantal personen dat aan de hand van de gebruikte apparaten regelmatig reproducties van beschermde werken heeft kunnen maken of laten maken, met dien verstande dat wanneer deze personen door de vergoedingsplichtige worden tewerkgesteld ze als voltijdse equivalenten moeten worden geteld;
4° het aantal reproducties dat aan de hand van die apparaten is gemaakt;
5° een raming van het aantal reproducties van beschermde werken dat aan de hand van die apparaten is gemaakt;
6° het eventuele bestaan van een of meer documentatiecentra;
7° het eventueel opstellen van een persoverzicht op papier of op een soortgelijke drager, gemaakt op basis van werken vastgelegd op papier of op een soortgelijke drager;
8° de identiteit van de persoon belast met de betrekkingen met de beheersvennootschap, alsmede zijn contactgegevens, inclusief een e-mailadres indien hij hierover beschikt.
§ 2. De vergoedingsplichtige en de beheersvennootschap mogen in onderling akkoord de wijze overeenkomen waarop het volume van de reproducties van beschermde werken op een efficiënte wijze zal vastgesteld worden.
Art. 4. § 1er. Le débiteur déclare de manière complète et exacte à la société de gestion des droits au moyen du formulaire visé à l'article 9 :
1° les renseignements permettant de l'identifier;
2° le nombre d'établissements pour lesquels il remet une déclaration ainsi que leurs coordonnées;
3° le nombre de personnes qui ont eu la possibilité de réaliser ou de faire réaliser régulièrement des reproductions d'oeuvres protégées au moyen des appareils utilisés étant entendu que, lorsque ces personnes sont employées par le débiteur, il convient de les compter en équivalents temps plein;
4° le nombre de reproductions réalisées au moyen de ces appareils;
5° une estimation du volume de reproductions d'oeuvres protégées réalisées au moyen de ces appareils;
6° l'existence éventuelle d'un ou de plusieurs centres de documentation;
7° la réalisation éventuelle d'une revue de presse sur papier ou sur un support similaire, réalisée à partir d'oeuvres fixées sur papier ou sur un support similaire;
8° l'identité de la personne chargée des relations avec la société de gestion des droits, ainsi que ses données de contact, dont une adresse e-mail si elle en dispose.
§ 2. Le débiteur et la société de gestion des droits peuvent convenir de commun accord d'une manière efficace de déterminer le volume de reproductions d'oeuvres protégées.
1° les renseignements permettant de l'identifier;
2° le nombre d'établissements pour lesquels il remet une déclaration ainsi que leurs coordonnées;
3° le nombre de personnes qui ont eu la possibilité de réaliser ou de faire réaliser régulièrement des reproductions d'oeuvres protégées au moyen des appareils utilisés étant entendu que, lorsque ces personnes sont employées par le débiteur, il convient de les compter en équivalents temps plein;
4° le nombre de reproductions réalisées au moyen de ces appareils;
5° une estimation du volume de reproductions d'oeuvres protégées réalisées au moyen de ces appareils;
6° l'existence éventuelle d'un ou de plusieurs centres de documentation;
7° la réalisation éventuelle d'une revue de presse sur papier ou sur un support similaire, réalisée à partir d'oeuvres fixées sur papier ou sur un support similaire;
8° l'identité de la personne chargée des relations avec la société de gestion des droits, ainsi que ses données de contact, dont une adresse e-mail si elle en dispose.
§ 2. Le débiteur et la société de gestion des droits peuvent convenir de commun accord d'une manière efficace de déterminer le volume de reproductions d'oeuvres protégées.
Onderafdeling 2. - Gestandaardiseerde aangifte
Sous-section 2. - Déclaration standardisée
Art. 5. § 1. De vergoedingsplichtige kan kiezen om op gestandaardiseerde wijze het aantal gemaakte reproducties van beschermde werken aan te geven als hij zijn aangifte betreffende de beschouwde periode aan de beheersvennootschap bezorgt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 4, 1°, 2° en 8°, 8 en 9.
§ 2. De vergoedingsplichtige die voor de gestandaardiseerde aangifte kiest bij toepassing van paragraaf 1, doet, aan de hand van het in artikel 9 beoogde formulier, volledig en nauwkeurig voor iedere instelling aangifte bij de beheersvennootschap van de gegevens bedoeld in 1°, 2° en 8° van artikel 4 en bevestigt daarnaast ook dat hij voldoet aan de criteria bepaald in het gestandaardiseerde rooster bedoeld in artikel 6 waarop hij zich beroept.
§ 2. De vergoedingsplichtige die voor de gestandaardiseerde aangifte kiest bij toepassing van paragraaf 1, doet, aan de hand van het in artikel 9 beoogde formulier, volledig en nauwkeurig voor iedere instelling aangifte bij de beheersvennootschap van de gegevens bedoeld in 1°, 2° en 8° van artikel 4 en bevestigt daarnaast ook dat hij voldoet aan de criteria bepaald in het gestandaardiseerde rooster bedoeld in artikel 6 waarop hij zich beroept.
Art. 5. § 1er. Le débiteur peut choisir de déclarer de manière standardisée le nombre de reproductions d'oeuvres protégées réalisées s'il remet sa déclaration pour la période considérée à la société de gestion des droits conformément aux dispositions des articles 4, 1°, 2° et 8°, 8 et 9.
§ 2. Le débiteur qui choisit la déclaration standardisée en application du paragraphe 1er, déclare, au moyen du formulaire visé à l'article 9, de manière complète et exacte à la société de gestion des droits pour chaque établissement, les renseignements visés aux 1°, 2° et 8° de l'article 4, et en outre confirme qu'il satisfait aux critères prévus dans la grille standardisée visée à l'article 6 dont il se prévaut.
§ 2. Le débiteur qui choisit la déclaration standardisée en application du paragraphe 1er, déclare, au moyen du formulaire visé à l'article 9, de manière complète et exacte à la société de gestion des droits pour chaque établissement, les renseignements visés aux 1°, 2° et 8° de l'article 4, et en outre confirme qu'il satisfait aux critères prévus dans la grille standardisée visée à l'article 6 dont il se prévaut.
Art. 6. § 1. De gestandaardiseerde roosters aan de hand waarvan het aantal reproducties van beschermde werken wordt vastgesteld, worden door de beheersvennootschap uitgewerkt.
§ 2. De gestandaardiseerde roosters bedoeld in artikel 5 worden opgesteld op grond van de volgende criteria :
1° de activiteitensector van de vergoedingsplichtige, geïdentificeerd aan de hand van de activiteitennomenclatuur NACE-BEL;
2° het aantal personen dat regelmatig reproducties van beschermde werken kan maken of kan laten maken aan de hand van de gebruikte apparaten met dien verstande dat wanneer deze personen door de vergoedingsplichtige zijn tewerkgesteld, zij als voltijdse equivalenten moeten worden geteld;
3° het aantal en de aard van de gebruikte apparaten;
4° het aantal en de aard van de gebruikte apparaten dat aan anderen ter beschikking wordt gesteld in het raam van een commerciële of winstgevende activiteit als hoofd- of nevenactiviteit;
5° het al dan niet bestaan van een of meer documentatiecentra;
6° het eventueel opstellen van een persoverzicht op papier of op een soortgelijke drager, op basis van werken vastgelegd op papier of op een soortgelijke drager;
7° het al dan niet gespecialiseerde karakter van de openbare uitleeninstelling.
§ 3. De roosters worden door de Minister overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9 goedgekeurd, na raadpleging van de Adviescommissie voor de betrokken milieus bedoeld in artikel 17 indien zij een raming geven van de hoeveelheid reproducties van beschermde werken die tijdens de beschouwde periode zijn gemaakt op grond van de criteria omschreven in paragraaf 2 en indien de raming van die hoeveelheid op objectieve en redelijke wijze wordt aangetoond.
Indien een rooster niet wordt goedgekeurd, is artikel 4 toepasselijk op de vergoedingsplichtige.
§ 2. De gestandaardiseerde roosters bedoeld in artikel 5 worden opgesteld op grond van de volgende criteria :
1° de activiteitensector van de vergoedingsplichtige, geïdentificeerd aan de hand van de activiteitennomenclatuur NACE-BEL;
2° het aantal personen dat regelmatig reproducties van beschermde werken kan maken of kan laten maken aan de hand van de gebruikte apparaten met dien verstande dat wanneer deze personen door de vergoedingsplichtige zijn tewerkgesteld, zij als voltijdse equivalenten moeten worden geteld;
3° het aantal en de aard van de gebruikte apparaten;
4° het aantal en de aard van de gebruikte apparaten dat aan anderen ter beschikking wordt gesteld in het raam van een commerciële of winstgevende activiteit als hoofd- of nevenactiviteit;
5° het al dan niet bestaan van een of meer documentatiecentra;
6° het eventueel opstellen van een persoverzicht op papier of op een soortgelijke drager, op basis van werken vastgelegd op papier of op een soortgelijke drager;
7° het al dan niet gespecialiseerde karakter van de openbare uitleeninstelling.
§ 3. De roosters worden door de Minister overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9 goedgekeurd, na raadpleging van de Adviescommissie voor de betrokken milieus bedoeld in artikel 17 indien zij een raming geven van de hoeveelheid reproducties van beschermde werken die tijdens de beschouwde periode zijn gemaakt op grond van de criteria omschreven in paragraaf 2 en indien de raming van die hoeveelheid op objectieve en redelijke wijze wordt aangetoond.
Indien een rooster niet wordt goedgekeurd, is artikel 4 toepasselijk op de vergoedingsplichtige.
Art. 6. § 1er. Les grilles standardisées déterminant le nombre de reproductions d'oeuvres protégées sont établies par la société de gestion des droits.
§ 2. Les grilles standardisées visées à l'article 5 sont établies en fonction des critères suivants :
1° le secteur d'activité du débiteur, identifié au moyen de la nomenclature d'activités NACE-BEL;
2° le nombre de personnes qui ont eu la possibilité de réaliser ou de faire réaliser régulièrement des reproductions d'oeuvres protégées au moyen des appareils utilisés étant entendu que, lorsque ces personnes sont employées par le débiteur, il convient de les compter en équivalents temps plein;
3° le nombre et la nature des appareils utilisés;
4° le nombre et la nature des appareils utilisés mis à la disposition d'autrui dans le cadre d'une activité commerciale ou lucrative à titre principal ou accessoire;
5° l'existence ou non d'un ou de plusieurs centres de documentation;
6° la réalisation éventuelle d'une revue de presse sur papier ou sur un support similaire, à partir d'oeuvres fixées sur papier ou sur un support similaire;
7° le caractère spécialisé ou non de l'établissement de prêt public.
§ 3. Les grilles sont agréées par le Ministre conformément aux dispositions du chapitre 9, après consultation de la Commission de consultation des milieux intéressés visée à l'article 17, si elles fournissent une estimation du volume de reproductions d'oeuvres protégées réalisées au cours de la période considérée en fonction des critères visés au paragraphe 2 et si l'estimation de ce volume est objectivement et raisonnablement démontrée.
A défaut d'agrément d'une grille, le débiteur se conforme à l'article 4.
§ 2. Les grilles standardisées visées à l'article 5 sont établies en fonction des critères suivants :
1° le secteur d'activité du débiteur, identifié au moyen de la nomenclature d'activités NACE-BEL;
2° le nombre de personnes qui ont eu la possibilité de réaliser ou de faire réaliser régulièrement des reproductions d'oeuvres protégées au moyen des appareils utilisés étant entendu que, lorsque ces personnes sont employées par le débiteur, il convient de les compter en équivalents temps plein;
3° le nombre et la nature des appareils utilisés;
4° le nombre et la nature des appareils utilisés mis à la disposition d'autrui dans le cadre d'une activité commerciale ou lucrative à titre principal ou accessoire;
5° l'existence ou non d'un ou de plusieurs centres de documentation;
6° la réalisation éventuelle d'une revue de presse sur papier ou sur un support similaire, à partir d'oeuvres fixées sur papier ou sur un support similaire;
7° le caractère spécialisé ou non de l'établissement de prêt public.
§ 3. Les grilles sont agréées par le Ministre conformément aux dispositions du chapitre 9, après consultation de la Commission de consultation des milieux intéressés visée à l'article 17, si elles fournissent une estimation du volume de reproductions d'oeuvres protégées réalisées au cours de la période considérée en fonction des critères visés au paragraphe 2 et si l'estimation de ce volume est objectivement et raisonnablement démontrée.
A défaut d'agrément d'une grille, le débiteur se conforme à l'article 4.
Onderafdeling 3. - Adviesprocedure
Sous-section 3. - Procédure d'avis
Art. 7. § 1 Indien de vergoedingsplichtige en de beheersvennootschap het aantal reproducties van beschermde werken gemaakt tijdens de beschouwde periode niet in onderling overleg ramen, kan de vennootschap vragen dat een advies wordt uitgebracht omtrent de raming van het aantal reproducties van beschermde werken dat tijdens de beschouwde periode is gemaakt.
De beheersvennootschap brengt het verzoek om advies ter kennis van de vergoedingsplichtige binnen 220 werkdagen na de datum waarop die vennootschap de aangifte van de vergoedingsplichtige heeft ontvangen.
Het advies wordt uitgebracht door één of meerdere deskundige(n), aangewezen als volgt :
1° hetzij in onderling overleg door de vergoedingsplichtige en de beheersvennootschap;
2° hetzij door de beheersvennootschap.
Met toepassing van het derde lid, 2° kan de beheersvennootschap slechts een of meerdere door de Minister erkende deskundige(n) aanwijzen.
Het advies wordt uitgebracht uiterlijk drie maanden na de datum waarop de aangewezen deskundige(n) het verzoek om advies ontvangen.
§ 2. Wanneer de deskundige(n) word(en)t aangewezen in onderling overleg door de vergoedingsplichtige en de beheersvennootschap worden de kosten van het deskundigenonderzoek in onderling overleg gedeeld tussen de partijen.
Wanneer de deskundige(n) uitsluitend word(en)t aangewezen door de beheersvennootschap overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 2°, kan deze de kosten van het deskundigenonderzoek van de vergoedingsplichtige terugvorderen voor zover voldaan wordt aan alle hierna vermelde voorwaarden :
1° - de vergoedingsplichtige heeft de gegevens die de beheersvennootschap overeenkomstig artikel 11 gevraagd heeft, niet vooraf verstrekt aan die beheersvennootschap, of;
- de vergoedingsplichtige heeft aan de beheersvennootschap, naar aanleiding van een vraag om inlichtingen overeenkomstig artikel 11, kennelijk onvolledige of onjuiste gegevens verstrekt;
2° de beheersvennootschap heeft in haar verzoek om gegevens, bedoeld in artikel 11, de vergoedingsplichtige duidelijk ingelicht over enerzijds het feit dat zij in de onder 1° vermelde gevallen de kosten van het door de beheersvennootschap gevraagde onafhankelijke deskundigenonderzoek kan terugvorderen, en anderzijds over een redelijke raming van het maximumbedrag van de kosten van het deskundigenonderzoek die zouden kunnen worden teruggevorderd, gebaseerd op de informatie waarover zij beschikt over de vergoedingsplichtige en over de door de Minister erkende deskundigen bedoeld in paragraaf 1;
3° de kosten van het deskundigenonderzoek worden objectief gerechtvaardigd;
4° de kosten van het deskundigenonderzoek zijn redelijk in verhouding tot het aantal reproducties van beschermde werken dat de beheersvennootschap redelijkerwijs kon vermoeden, tenzij dat de vergoedingsplichtige te kwader trouw heeft gehandeld om zich aan zijn vergoedingsplicht te onttrekken.
De Minister kan na raadpleging van de Adviescommissie voor de betrokken milieus bedoeld in artikel 17, één of meer bedragen van kosten van deskundigenonderzoek vaststellen die ambtshalve als redelijk worden beschouwd in de zin van 4°.
§ 3. Kunnen slechts door de Minister worden erkend, de personen die aan de volgende voorwaarden voldoen :
- de hoedanigheid hebben van accountant of van een gelijkwaardige hoedanigheid in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- zich niet in omstandigheden bevinden waardoor hun onafhankelijkheid en hun onpartijdigheid ten opzichte van de beheersvennootschappen, zoals bedoeld in artikel XI.239, zesde lid, van het Wetboek van economisch recht, of ten opzichte van een andere beheersvennootschap die op welke manier ook verbonden is met de eerste, in het gedrang zou kunnen komen.
De Minister kan de erkenning intrekken wanneer aan de voorwaarden bepaald in het eerste lid niet meer is voldaan.
De beheersvennootschap brengt het verzoek om advies ter kennis van de vergoedingsplichtige binnen 220 werkdagen na de datum waarop die vennootschap de aangifte van de vergoedingsplichtige heeft ontvangen.
Het advies wordt uitgebracht door één of meerdere deskundige(n), aangewezen als volgt :
1° hetzij in onderling overleg door de vergoedingsplichtige en de beheersvennootschap;
2° hetzij door de beheersvennootschap.
Met toepassing van het derde lid, 2° kan de beheersvennootschap slechts een of meerdere door de Minister erkende deskundige(n) aanwijzen.
Het advies wordt uitgebracht uiterlijk drie maanden na de datum waarop de aangewezen deskundige(n) het verzoek om advies ontvangen.
§ 2. Wanneer de deskundige(n) word(en)t aangewezen in onderling overleg door de vergoedingsplichtige en de beheersvennootschap worden de kosten van het deskundigenonderzoek in onderling overleg gedeeld tussen de partijen.
Wanneer de deskundige(n) uitsluitend word(en)t aangewezen door de beheersvennootschap overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 2°, kan deze de kosten van het deskundigenonderzoek van de vergoedingsplichtige terugvorderen voor zover voldaan wordt aan alle hierna vermelde voorwaarden :
1° - de vergoedingsplichtige heeft de gegevens die de beheersvennootschap overeenkomstig artikel 11 gevraagd heeft, niet vooraf verstrekt aan die beheersvennootschap, of;
- de vergoedingsplichtige heeft aan de beheersvennootschap, naar aanleiding van een vraag om inlichtingen overeenkomstig artikel 11, kennelijk onvolledige of onjuiste gegevens verstrekt;
2° de beheersvennootschap heeft in haar verzoek om gegevens, bedoeld in artikel 11, de vergoedingsplichtige duidelijk ingelicht over enerzijds het feit dat zij in de onder 1° vermelde gevallen de kosten van het door de beheersvennootschap gevraagde onafhankelijke deskundigenonderzoek kan terugvorderen, en anderzijds over een redelijke raming van het maximumbedrag van de kosten van het deskundigenonderzoek die zouden kunnen worden teruggevorderd, gebaseerd op de informatie waarover zij beschikt over de vergoedingsplichtige en over de door de Minister erkende deskundigen bedoeld in paragraaf 1;
3° de kosten van het deskundigenonderzoek worden objectief gerechtvaardigd;
4° de kosten van het deskundigenonderzoek zijn redelijk in verhouding tot het aantal reproducties van beschermde werken dat de beheersvennootschap redelijkerwijs kon vermoeden, tenzij dat de vergoedingsplichtige te kwader trouw heeft gehandeld om zich aan zijn vergoedingsplicht te onttrekken.
De Minister kan na raadpleging van de Adviescommissie voor de betrokken milieus bedoeld in artikel 17, één of meer bedragen van kosten van deskundigenonderzoek vaststellen die ambtshalve als redelijk worden beschouwd in de zin van 4°.
§ 3. Kunnen slechts door de Minister worden erkend, de personen die aan de volgende voorwaarden voldoen :
- de hoedanigheid hebben van accountant of van een gelijkwaardige hoedanigheid in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- zich niet in omstandigheden bevinden waardoor hun onafhankelijkheid en hun onpartijdigheid ten opzichte van de beheersvennootschappen, zoals bedoeld in artikel XI.239, zesde lid, van het Wetboek van economisch recht, of ten opzichte van een andere beheersvennootschap die op welke manier ook verbonden is met de eerste, in het gedrang zou kunnen komen.
De Minister kan de erkenning intrekken wanneer aan de voorwaarden bepaald in het eerste lid niet meer is voldaan.
Art. 7. § 1er. A défaut d'estimation d'un commun accord du nombre de reproductions d'oeuvres protégées réalisées au cours de la période considérée, entre le débiteur et la société de gestion des droits, celle-ci peut demander un avis sur l'estimation du nombre de reproductions d'oeuvres protégées réalisées au cours de la période considérée.
La société de gestion des droits notifie la demande d'avis au débiteur dans les 220 jours ouvrables à compter de la date de réception par la société de gestion des droits de la déclaration de ce débiteur.
L'avis est rendu par un ou plusieurs experts désignés comme suit :
1° Soit d'un commun accord par le débiteur et la société de gestion des droits;
2° Soit par la société de gestion des droits.
La société de gestion ne peut désigner en application de l'alinéa 3, 2°, qu'un ou des experts agréés par le Ministre.
L'avis est rendu dans un délai qui ne peut être supérieur à trois mois à dater de la réception de la demande d'avis par l'expert ou les experts désignés.
§ 2. Lorsque le ou les experts sont désignés d'un commun accord par le débiteur et la société de gestion des droits, les frais d'expertise sont répartis d'un commun accord entre les parties.
Lorsque le ou les experts sont désignés uniquement par la société de gestion des droits conformément au paragraphe 1er, alinéa 3, 2°, la société de gestion des droits peut récupérer les frais d'expertise auprès du débiteur pour autant que toutes les conditions mentionnées ci-dessous soient remplies :
1° - le débiteur n'a pas préalablement remis à la société de gestion des droits les renseignements demandés par celle-ci conformément à l'article 11 ou;
- le débiteur a remis à la société de gestion des droits, suite à une demande de renseignements conforme à l'article 11, des renseignements manifestement inexacts ou incomplets;
2° la société de gestion des droits a clairement informé le débiteur dans la demande de renseignements visée à l'article 11, d'une part, de ce qu'elle pourrait dans les hypothèses visées au 1°, récupérer les frais d'une expertise indépendante demandée par la société de gestion, et d'autre part, d'une estimation raisonnable du montant maximum des frais d'expertise susceptibles d'être récupérés basée sur les informations dont elle dispose à propos du débiteur et des experts agréés par le Ministre visés au paragraphe 1er;
3° les frais d'expertise soient objectivement justifiés;
4° les frais d'expertise soient raisonnables par rapport au volume de reproductions d'oeuvres protégées que la société de gestion a raisonnablement pu supposer, à moins que le débiteur ait agi de mauvaise foi en vue de se soustraire à son obligation de rémunération.
Le Ministre peut, après consultation de la Commission de consultation des milieux intéressés visée à l'article 17, déterminer un ou plusieurs montants de frais d'expertise qui sont d'office considérés comme raisonnables au sens du 4°.
§ 3. Ne peuvent être agréés par le Ministre que les personnes qui remplissent les conditions suivantes :
- avoir la qualité d'expert-comptable ou la qualité équivalente dans un autre Etat partie à l'Accord sur l'Espace Economique Européen;
- ne pas se trouver dans des conditions susceptibles de mettre en cause leur indépendance et leur impartialité vis-à-vis de la société de gestion des droits visée à l'article XI.239, alinéa 6, du Code de droit économique ou vis-à-vis d'une autre société de gestion liée de quelque manière que ce soit avec la première.
Le Ministre peut retirer l'agrément dans le cas où les conditions visées à l'alinéa 1er ne sont plus respectées.
La société de gestion des droits notifie la demande d'avis au débiteur dans les 220 jours ouvrables à compter de la date de réception par la société de gestion des droits de la déclaration de ce débiteur.
L'avis est rendu par un ou plusieurs experts désignés comme suit :
1° Soit d'un commun accord par le débiteur et la société de gestion des droits;
2° Soit par la société de gestion des droits.
La société de gestion ne peut désigner en application de l'alinéa 3, 2°, qu'un ou des experts agréés par le Ministre.
L'avis est rendu dans un délai qui ne peut être supérieur à trois mois à dater de la réception de la demande d'avis par l'expert ou les experts désignés.
§ 2. Lorsque le ou les experts sont désignés d'un commun accord par le débiteur et la société de gestion des droits, les frais d'expertise sont répartis d'un commun accord entre les parties.
Lorsque le ou les experts sont désignés uniquement par la société de gestion des droits conformément au paragraphe 1er, alinéa 3, 2°, la société de gestion des droits peut récupérer les frais d'expertise auprès du débiteur pour autant que toutes les conditions mentionnées ci-dessous soient remplies :
1° - le débiteur n'a pas préalablement remis à la société de gestion des droits les renseignements demandés par celle-ci conformément à l'article 11 ou;
- le débiteur a remis à la société de gestion des droits, suite à une demande de renseignements conforme à l'article 11, des renseignements manifestement inexacts ou incomplets;
2° la société de gestion des droits a clairement informé le débiteur dans la demande de renseignements visée à l'article 11, d'une part, de ce qu'elle pourrait dans les hypothèses visées au 1°, récupérer les frais d'une expertise indépendante demandée par la société de gestion, et d'autre part, d'une estimation raisonnable du montant maximum des frais d'expertise susceptibles d'être récupérés basée sur les informations dont elle dispose à propos du débiteur et des experts agréés par le Ministre visés au paragraphe 1er;
3° les frais d'expertise soient objectivement justifiés;
4° les frais d'expertise soient raisonnables par rapport au volume de reproductions d'oeuvres protégées que la société de gestion a raisonnablement pu supposer, à moins que le débiteur ait agi de mauvaise foi en vue de se soustraire à son obligation de rémunération.
Le Ministre peut, après consultation de la Commission de consultation des milieux intéressés visée à l'article 17, déterminer un ou plusieurs montants de frais d'expertise qui sont d'office considérés comme raisonnables au sens du 4°.
§ 3. Ne peuvent être agréés par le Ministre que les personnes qui remplissent les conditions suivantes :
- avoir la qualité d'expert-comptable ou la qualité équivalente dans un autre Etat partie à l'Accord sur l'Espace Economique Européen;
- ne pas se trouver dans des conditions susceptibles de mettre en cause leur indépendance et leur impartialité vis-à-vis de la société de gestion des droits visée à l'article XI.239, alinéa 6, du Code de droit économique ou vis-à-vis d'une autre société de gestion liée de quelque manière que ce soit avec la première.
Le Ministre peut retirer l'agrément dans le cas où les conditions visées à l'alinéa 1er ne sont plus respectées.
Onderafdeling 4. - Termijn en aangifteformulier
Sous-section 4. - Délai et formulaire de déclaration
Art. 8. § 1. De vergoedingsplichtigen bezorgen voor elk kalenderjaar een jaarlijkse aangifte aan de beheersvennootschap binnen dertig werkdagen te rekenen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarop de aangifte betrekking heeft.
§ 2. Indien blijkt dat de in paragraaf 1 bepaalde termijn kennelijk ontoereikend is om de aangifte te bezorgen, staat de beheersvennootschap op een met redenen omkleed verzoek van de vergoedingsplichtige, ingediend binnen de termijn gesteld in paragraaf 1 een langere termijn toe, die evenwel 90 werkdagen niet te boven mag gaan.
§ 3. De beheersvennootschap en de vergoedingsplichtige kunnen in onderling overleg overeenkomen dat de periode waarop de aangifte betrekking heeft, langer of korter is dan die bepaald in paragraaf 1.
In dat geval hebben de aangifte en het bedrag van de vergoeding voor reprografie betrekking op de in onderling overleg overeengekomen periode.
§ 2. Indien blijkt dat de in paragraaf 1 bepaalde termijn kennelijk ontoereikend is om de aangifte te bezorgen, staat de beheersvennootschap op een met redenen omkleed verzoek van de vergoedingsplichtige, ingediend binnen de termijn gesteld in paragraaf 1 een langere termijn toe, die evenwel 90 werkdagen niet te boven mag gaan.
§ 3. De beheersvennootschap en de vergoedingsplichtige kunnen in onderling overleg overeenkomen dat de periode waarop de aangifte betrekking heeft, langer of korter is dan die bepaald in paragraaf 1.
In dat geval hebben de aangifte en het bedrag van de vergoeding voor reprografie betrekking op de in onderling overleg overeengekomen periode.
Art. 8. § 1er. Les débiteurs remettent pour chaque année civile une déclaration annuelle à la société de gestion des droits dans un délai de trente jours ouvrables à dater du 1er janvier de l'année qui suit l'année civile à laquelle la déclaration se rapporte.
§ 2. A la demande motivée du débiteur introduite dans le délai prévu au paragraphe 1er, la société de gestion des droits proroge le délai de déclaration qui ne dépassera pas nonante jours ouvrables lorsqu'il apparaît que le délai prévu au paragraphe 1er est manifestement trop court pour remettre la déclaration.
§ 3. D'un commun accord, la société de gestion des droits et le débiteur peuvent convenir que la période à laquelle la déclaration se rapporte est plus courte ou plus longue que celles prévues au paragraphe 1er.
Dans ce cas, la déclaration et le montant de la rémunération pour reprographie se rapportent à la période convenue d'un commun accord.
§ 2. A la demande motivée du débiteur introduite dans le délai prévu au paragraphe 1er, la société de gestion des droits proroge le délai de déclaration qui ne dépassera pas nonante jours ouvrables lorsqu'il apparaît que le délai prévu au paragraphe 1er est manifestement trop court pour remettre la déclaration.
§ 3. D'un commun accord, la société de gestion des droits et le débiteur peuvent convenir que la période à laquelle la déclaration se rapporte est plus courte ou plus longue que celles prévues au paragraphe 1er.
Dans ce cas, la déclaration et le montant de la rémunération pour reprographie se rapportent à la période convenue d'un commun accord.
Art. 9. § 1. Het aangifteformulier kan verschillen naar gelang van de hoedanigheid van de vergoedingsplichtige maar bevat ten minste de volgende gegevens
1° de periode waarop de aangifte betrekking heeft;
2° de termijn binnen welke de aangifte aan de beheersvennootschap moet worden bezorgd;
3° de gegevens waarvan overeenkomstig artikel 4 en 5 aangifte moet worden gedaan;
4° de verplichting tot het bewaren van het beroepsgeheim zoals bepaald in artikel XI.281 van het Wetboek van economisch recht;
5° het verhoogde tarief bedoeld in artikel 2, tweede lid, dat toepasselijk is wanneer de vergoedingsplichtige de aangifte van reproductie van beschermde werken niet binnen de in artikel 8 opgelegde termijn bezorgt of wanneer hij onvolledige of kennelijk onjuiste informatie aangeeft in strijd met de artikelen 4 of 5.
De Minister kan in bijkomende vermeldingen voorzien ingeval die nodig zijn voor de vaststelling van het bedrag van de vergoeding voor reprografie of ter informatie van de vergoedingsplichtigen.
Het aangifteformulier wordt uitgereikt door de beheersvennootschap nadat het door de Minister overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9 is goedgekeurd. Het formulier wordt goedgekeurd indien het de vermeldingen bevat omschreven in het eerste lid of waarin wordt voorzien op grond van het tweede lid.
§ 2. De beheersvennootschap moet ten minste 20 werkdagen vóór het verstrijken van de periode waarop de aangifte betrekking heeft, aan de vergoedingsplichtigen van wie zij de identiteit op behoorlijke wijze heeft kunnen vaststellen, een exemplaar van het aangifteformulier toezenden.
Bovendien moet de beheersvennootschap aan de vergoedingsplichtigen die daarom verzoeken, de nodige documentatie omtrent de wets- en verordeningsbepalingen inzake de vergoeding voor reprografie, alsook een aangifteformulier bezorgen.
1° de periode waarop de aangifte betrekking heeft;
2° de termijn binnen welke de aangifte aan de beheersvennootschap moet worden bezorgd;
3° de gegevens waarvan overeenkomstig artikel 4 en 5 aangifte moet worden gedaan;
4° de verplichting tot het bewaren van het beroepsgeheim zoals bepaald in artikel XI.281 van het Wetboek van economisch recht;
5° het verhoogde tarief bedoeld in artikel 2, tweede lid, dat toepasselijk is wanneer de vergoedingsplichtige de aangifte van reproductie van beschermde werken niet binnen de in artikel 8 opgelegde termijn bezorgt of wanneer hij onvolledige of kennelijk onjuiste informatie aangeeft in strijd met de artikelen 4 of 5.
De Minister kan in bijkomende vermeldingen voorzien ingeval die nodig zijn voor de vaststelling van het bedrag van de vergoeding voor reprografie of ter informatie van de vergoedingsplichtigen.
Het aangifteformulier wordt uitgereikt door de beheersvennootschap nadat het door de Minister overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9 is goedgekeurd. Het formulier wordt goedgekeurd indien het de vermeldingen bevat omschreven in het eerste lid of waarin wordt voorzien op grond van het tweede lid.
§ 2. De beheersvennootschap moet ten minste 20 werkdagen vóór het verstrijken van de periode waarop de aangifte betrekking heeft, aan de vergoedingsplichtigen van wie zij de identiteit op behoorlijke wijze heeft kunnen vaststellen, een exemplaar van het aangifteformulier toezenden.
Bovendien moet de beheersvennootschap aan de vergoedingsplichtigen die daarom verzoeken, de nodige documentatie omtrent de wets- en verordeningsbepalingen inzake de vergoeding voor reprografie, alsook een aangifteformulier bezorgen.
Art. 9. § 1er. Le formulaire de déclaration, qui peut être différencié en fonction de la qualité du débiteur, contient au moins les mentions suivantes :
1° la période à laquelle la déclaration se rapporte;
2° le délai imparti pour remettre la déclaration à la société de gestion des droits;
3° les renseignements qui doivent être déclarés en application des articles 4 et 5;
4° l'obligation de secret professionnel prévue à l'article XI.281 du Code de droit économique;
5° le tarif majoré visé à l'article 2, alinéa 2, applicable lorsque le débiteur ne fournit pas la déclaration des reproductions d'oeuvres protégées dans les délais requis en vertu de l'article 8, ou lorsqu'il déclare des informations incomplètes ou manifestement inexactes en contravention aux articles 4 ou 5.
Le Ministre peut prévoir des mentions supplémentaires qui sont nécessaires à l'établissement du montant de la rémunération pour reprographie ou à l'information des débiteurs.
Le formulaire de déclaration est fourni par la société de gestion des droits et agréé par le Ministre conformément aux dispositions du chapitre 9. Ce formulaire est agréé s'il contient les mentions visées à l'alinéa 1er ou prévues en vertu de l'alinéa 2.
§ 2. Vingt jours ouvrables au moins avant l'expiration de la période à laquelle se rapporte la déclaration, la société de gestion des droits notifie un exemplaire du formulaire de déclaration aux débiteurs qu'elle a pu raisonnablement identifier.
En outre, la société de gestion des droits remet aux débiteurs, sur demande de leur part, la documentation sur les dispositions légales et réglementaires relatives à la rémunération pour reprographie ainsi que le formulaire de déclaration.
1° la période à laquelle la déclaration se rapporte;
2° le délai imparti pour remettre la déclaration à la société de gestion des droits;
3° les renseignements qui doivent être déclarés en application des articles 4 et 5;
4° l'obligation de secret professionnel prévue à l'article XI.281 du Code de droit économique;
5° le tarif majoré visé à l'article 2, alinéa 2, applicable lorsque le débiteur ne fournit pas la déclaration des reproductions d'oeuvres protégées dans les délais requis en vertu de l'article 8, ou lorsqu'il déclare des informations incomplètes ou manifestement inexactes en contravention aux articles 4 ou 5.
Le Ministre peut prévoir des mentions supplémentaires qui sont nécessaires à l'établissement du montant de la rémunération pour reprographie ou à l'information des débiteurs.
Le formulaire de déclaration est fourni par la société de gestion des droits et agréé par le Ministre conformément aux dispositions du chapitre 9. Ce formulaire est agréé s'il contient les mentions visées à l'alinéa 1er ou prévues en vertu de l'alinéa 2.
§ 2. Vingt jours ouvrables au moins avant l'expiration de la période à laquelle se rapporte la déclaration, la société de gestion des droits notifie un exemplaire du formulaire de déclaration aux débiteurs qu'elle a pu raisonnablement identifier.
En outre, la société de gestion des droits remet aux débiteurs, sur demande de leur part, la documentation sur les dispositions légales et réglementaires relatives à la rémunération pour reprographie ainsi que le formulaire de déclaration.
Afdeling 3. - Kennisgeving van het bedrag van de vergoeding
Section 3. - Notification du montant de la rémunération
Art. 10. § 1. De beheersvennootschap betekent het bedrag van de vergoeding aan de vergoedingsplichtigen binnen een termijn van twee maanden, vanaf de ontvangst van de aangifte. Deze termijn wordt opgeschort vanaf de kennisgeving van een verzoek om advies bij toepassing van artikel 7 tot de dag dat het advies wordt uitgebracht.
In de kennisgeving wordt vermeld :
1° de periode waarvoor de vergoeding voor reprografie verschuldigd is;
2° het bedrag van de vergoeding voor reprografie dat de vergoedingsplichtige verschuldigd is, alsmede de berekening ervan.
In de kennisgeving wordt vermeld :
1° de periode waarvoor de vergoeding voor reprografie verschuldigd is;
2° het bedrag van de vergoeding voor reprografie dat de vergoedingsplichtige verschuldigd is, alsmede de berekening ervan.
Art. 10. § 1er. La société de gestion des droits notifie le montant de la rémunération aux débiteurs dans un délai de deux mois à dater de la réception de la déclaration. Ce délai est suspendu à dater de la notification d'une demande d'avis en application de l'article 7 jusqu'à ce que l'avis soit rendu.
La notification mentionne :
1° la période pour laquelle la rémunération pour reprographie est due;
2° le montant de la rémunération pour reprographie due par le débiteur et son calcul.
La notification mentionne :
1° la période pour laquelle la rémunération pour reprographie est due;
2° le montant de la rémunération pour reprographie due par le débiteur et son calcul.
HOOFDSTUK 4. - Nadere regels voor de controle
CHAPITRE 4. - Modalités de contrôle
Art. 11. § 1. De vergoedingsplichtigen, moeten aan de beheersvennootschap op haar verzoek de gegevens verstrekken die nodig zijn voor de inning van de vergoeding voor reprografie.
§ 2. De beheersvennootschap moet in dat verzoek opgave doen van :
1° de rechtsgronden van het verzoek;
2° de gevraagde gegevens;
3° de redenen en het doel van het verzoek;
4° de termijn binnen welke de gegevens moeten worden medegedeeld en die niet minder dan twintig werkdagen mag bedragen te rekenen van de ontvangst van het verzoek;
5° de sancties bepaald op grond van artikel XI.293, lid 4, van het Wetboek van economisch recht ingeval de opgelegde termijn niet in acht wordt genomen of onvolledige of onjuiste gegevens worden verstrekt.
§ 3. Wanneer de vergoedingsplichtige de toegekende termijn niet in acht neemt of onvolledige of kennelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt, kan de beheersvennootschap de nodige inlichtingen voor het innen van de vergoeding voor reprografie vragen aan de volgende personen :
- de fabrikant, invoerder of intracommunautaire aankoper van gebruikte apparaten;
- dealers, groothandelaars of kleinhandelaars, leasingbedrijven en bedrijven voor onderhoud van gebruikte apparaten.
Een kopie van het verzoek om inlichtingen bedoeld in het eerste lid wordt zo snel mogelijk naar de controledienst verstuurd.
§ 4. De gegevens verkregen als antwoord op een verzoek mogen niet voor andere doeleinden of om andere redenen worden aangewend dan die omschreven in het verzoek.
De bestemmeling van de gegevens kan op grond van het verzoek om gegevens niet worden verplicht te bekennen dat hij de wet heeft overtreden of daarbij betrokken is geweest.
Het verzoek om inlichtingen wordt geformuleerd door middel van een formulier dat door de beheersvennootschap wordt afgeleverd en erkend is door de Minister overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9.
Het verzoek om gegevens wordt aan de vergoedingsplichtigen of aan de personen bedoeld in paragraaf 3 betekend bij een aangetekende zending met ontvangbewijs.
De Minister kan de inhoud, het aantal en de frequentie van de verzoeken op zodanige wijze bepalen dat zij de activiteiten van de ondervraagde personen niet meer dan nodig hinderen.
§ 2. De beheersvennootschap moet in dat verzoek opgave doen van :
1° de rechtsgronden van het verzoek;
2° de gevraagde gegevens;
3° de redenen en het doel van het verzoek;
4° de termijn binnen welke de gegevens moeten worden medegedeeld en die niet minder dan twintig werkdagen mag bedragen te rekenen van de ontvangst van het verzoek;
5° de sancties bepaald op grond van artikel XI.293, lid 4, van het Wetboek van economisch recht ingeval de opgelegde termijn niet in acht wordt genomen of onvolledige of onjuiste gegevens worden verstrekt.
§ 3. Wanneer de vergoedingsplichtige de toegekende termijn niet in acht neemt of onvolledige of kennelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt, kan de beheersvennootschap de nodige inlichtingen voor het innen van de vergoeding voor reprografie vragen aan de volgende personen :
- de fabrikant, invoerder of intracommunautaire aankoper van gebruikte apparaten;
- dealers, groothandelaars of kleinhandelaars, leasingbedrijven en bedrijven voor onderhoud van gebruikte apparaten.
Een kopie van het verzoek om inlichtingen bedoeld in het eerste lid wordt zo snel mogelijk naar de controledienst verstuurd.
§ 4. De gegevens verkregen als antwoord op een verzoek mogen niet voor andere doeleinden of om andere redenen worden aangewend dan die omschreven in het verzoek.
De bestemmeling van de gegevens kan op grond van het verzoek om gegevens niet worden verplicht te bekennen dat hij de wet heeft overtreden of daarbij betrokken is geweest.
Het verzoek om inlichtingen wordt geformuleerd door middel van een formulier dat door de beheersvennootschap wordt afgeleverd en erkend is door de Minister overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9.
Het verzoek om gegevens wordt aan de vergoedingsplichtigen of aan de personen bedoeld in paragraaf 3 betekend bij een aangetekende zending met ontvangbewijs.
De Minister kan de inhoud, het aantal en de frequentie van de verzoeken op zodanige wijze bepalen dat zij de activiteiten van de ondervraagde personen niet meer dan nodig hinderen.
Art. 11. § 1er. Le débiteur, remet à la société de gestion des droits, sur sa demande, les renseignements nécessaires à la perception de la rémunération pour reprographie.
§ 2. La société de gestion des droits indique dans la demande de renseignements :
1° les bases juridiques de la demande;
2° les renseignements demandés;
3° les motifs et le but de la demande;
4° le délai imparti pour fournir les renseignements demandés; celui-ci ne peut être inférieur à vingt jours ouvrables à dater de la réception de la demande;
5° les sanctions prévues en application de l'article XI.293, alinéa 4, du Code de droit économique au cas où le délai imparti ne serait pas respecté ou au cas où des renseignements incomplets ou manifestement inexacts seraient fournis.
§ 3. Lorsqu'un débiteur ne respecte pas le délai imparti ou a fourni des renseignements incomplets ou manifestement inexacts, la société de gestion des droits peut demander les renseignements nécessaires à la perception de la rémunération pour reprographie aux personnes suivantes :
- le fabricant, l'importateur ou l'acquéreur intracommunautaire d'appareils utilisés;
- les distributeurs, les grossistes ou détaillants, les entreprises de location-financement et les entreprises de maintenance d'appareils utilisés.
Une copie de la demande de renseignements visée à l'alinéa 1er est adressée dans les meilleurs délais au service de contrôle.
§ 4. Les renseignements obtenus en réponse à une demande ne peuvent être utilisés dans un but ou pour des motifs autres que ceux indiqués dans la demande.
La demande de renseignements ne peut imposer à son destinataire de reconnaître qu'il a commis ou participé à une infraction à la loi.
La demande de renseignements est formulée au moyen d'un formulaire fourni par la société de gestion des droits et agréé par le Ministre conformément aux dispositions du chapitre 9.
La demande de renseignements est notifiée au débiteur ou aux personnes visées au paragraphe 3 par envoi recommandé avec accusé de réception.
Le Ministre peut déterminer le contenu, le nombre et la fréquence des demandes de façon à ce qu'elles ne perturbent pas plus que nécessaire les activités des personnes interrogées.
§ 2. La société de gestion des droits indique dans la demande de renseignements :
1° les bases juridiques de la demande;
2° les renseignements demandés;
3° les motifs et le but de la demande;
4° le délai imparti pour fournir les renseignements demandés; celui-ci ne peut être inférieur à vingt jours ouvrables à dater de la réception de la demande;
5° les sanctions prévues en application de l'article XI.293, alinéa 4, du Code de droit économique au cas où le délai imparti ne serait pas respecté ou au cas où des renseignements incomplets ou manifestement inexacts seraient fournis.
§ 3. Lorsqu'un débiteur ne respecte pas le délai imparti ou a fourni des renseignements incomplets ou manifestement inexacts, la société de gestion des droits peut demander les renseignements nécessaires à la perception de la rémunération pour reprographie aux personnes suivantes :
- le fabricant, l'importateur ou l'acquéreur intracommunautaire d'appareils utilisés;
- les distributeurs, les grossistes ou détaillants, les entreprises de location-financement et les entreprises de maintenance d'appareils utilisés.
Une copie de la demande de renseignements visée à l'alinéa 1er est adressée dans les meilleurs délais au service de contrôle.
§ 4. Les renseignements obtenus en réponse à une demande ne peuvent être utilisés dans un but ou pour des motifs autres que ceux indiqués dans la demande.
La demande de renseignements ne peut imposer à son destinataire de reconnaître qu'il a commis ou participé à une infraction à la loi.
La demande de renseignements est formulée au moyen d'un formulaire fourni par la société de gestion des droits et agréé par le Ministre conformément aux dispositions du chapitre 9.
La demande de renseignements est notifiée au débiteur ou aux personnes visées au paragraphe 3 par envoi recommandé avec accusé de réception.
Le Ministre peut déterminer le contenu, le nombre et la fréquence des demandes de façon à ce qu'elles ne perturbent pas plus que nécessaire les activités des personnes interrogées.
HOOFDSTUK 5. - Nadere regels voor de verdeling
CHAPITRE 5. - Modalités de répartition
Afdeling 1. - Verzoek om gegevens
Section 1re. - Demande de renseignements
Art. 12. § 1. De vergoedingsplichtigen moeten aan de beheersvennootschap op haar verzoek de gegevens betreffende de gereproduceerde werken verstrekken die nodig zijn voor de verdeling van de vergoeding voor reprografie.
§ 2. De beheersvennootschap moet in het verzoek opgave doen van :
1° de rechtsgronden van het verzoek;
2° de gevraagde gegevens;
3° de redenen en het doel van het verzoek;
4° de periode tijdens welke de gegevens betreffende de gereproduceerde werken moeten worden ingewonnen en die niet meer dan vijftien werkdagen per kalenderjaar mag bedragen;
5° de termijn binnen welke de gevraagde gegevens moeten worden medegedeeld en die niet minder dan dertig werkdagen mag bedragen te rekenen van de ontvangst van het verzoek.
§ 3. De vergoedingsplichtigen kunnen op grond van het verzoek om gegevens niet worden verplicht te bekennen dat zij de wet hebben overtreden of daarbij betrokken zijn geweest.
Het verzoek om inlichtingen wordt geformuleerd door middel van een formulier dat door de beheersvennootschap wordt afgeleverd en erkend is door de Minister overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9.
Het verzoek om gegevens wordt aan de vergoedingsplichtigen betekend bij een aangetekende zending met ontvangbewijs. Tegelijkertijd wordt een kopie ervan betekend aan de Minister.
§ 4. Indien de vergoedingsplichtige ermee instemt dat de beheersvennootschap ter plaatse gedurende een of meer periodes die in totaal vijftien werkdagen per kalenderjaar niet te boven mogen gaan, een lijst opmaakt van de beschermde werken die worden gereproduceerd aan de hand van de door hem gebruikte apparaten, moet hij de gegevens betreffende de gereproduceerde beschermde werken die nodig zijn voor de verdeling van de vergoeding voor reprografie, niet mededelen.
Ingeval de vergoedingsplichtige zijn toestemming geeft op de wijze omschreven in het eerste lid, kan de beheersvennootschap niet weigeren een lijst op te maken van de beschermde werken die worden gereproduceerd aan de hand van de apparaten gebruikt door de vergoedingsplichtige. De beheersvennootschap kan beslissen die lijst ter plaatse op te maken gedurende een periode korter dan vijftien werkdagen per kalenderjaar.
§ 5. De gegevens verkregen als antwoord op een verzoek of ingevolge een ter plaatse opgemaakte lijst mogen niet voor andere doeleinden of om andere redenen worden aangewend dan voor de verdeling van de vergoeding voor reprografie.
De Minister kan de inhoud, het aantal en de frequentie van de verzoeken om gegevens, alsook de manier waarop de lijst van beschermde werken bedoeld in paragraaf 4 ter plaatse wordt opgemaakt, op zodanige wijze bepalen dat de activiteiten van de vergoedingsplichtigen niet meer dan nodig worden gehinderd.
§ 2. De beheersvennootschap moet in het verzoek opgave doen van :
1° de rechtsgronden van het verzoek;
2° de gevraagde gegevens;
3° de redenen en het doel van het verzoek;
4° de periode tijdens welke de gegevens betreffende de gereproduceerde werken moeten worden ingewonnen en die niet meer dan vijftien werkdagen per kalenderjaar mag bedragen;
5° de termijn binnen welke de gevraagde gegevens moeten worden medegedeeld en die niet minder dan dertig werkdagen mag bedragen te rekenen van de ontvangst van het verzoek.
§ 3. De vergoedingsplichtigen kunnen op grond van het verzoek om gegevens niet worden verplicht te bekennen dat zij de wet hebben overtreden of daarbij betrokken zijn geweest.
Het verzoek om inlichtingen wordt geformuleerd door middel van een formulier dat door de beheersvennootschap wordt afgeleverd en erkend is door de Minister overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9.
Het verzoek om gegevens wordt aan de vergoedingsplichtigen betekend bij een aangetekende zending met ontvangbewijs. Tegelijkertijd wordt een kopie ervan betekend aan de Minister.
§ 4. Indien de vergoedingsplichtige ermee instemt dat de beheersvennootschap ter plaatse gedurende een of meer periodes die in totaal vijftien werkdagen per kalenderjaar niet te boven mogen gaan, een lijst opmaakt van de beschermde werken die worden gereproduceerd aan de hand van de door hem gebruikte apparaten, moet hij de gegevens betreffende de gereproduceerde beschermde werken die nodig zijn voor de verdeling van de vergoeding voor reprografie, niet mededelen.
Ingeval de vergoedingsplichtige zijn toestemming geeft op de wijze omschreven in het eerste lid, kan de beheersvennootschap niet weigeren een lijst op te maken van de beschermde werken die worden gereproduceerd aan de hand van de apparaten gebruikt door de vergoedingsplichtige. De beheersvennootschap kan beslissen die lijst ter plaatse op te maken gedurende een periode korter dan vijftien werkdagen per kalenderjaar.
§ 5. De gegevens verkregen als antwoord op een verzoek of ingevolge een ter plaatse opgemaakte lijst mogen niet voor andere doeleinden of om andere redenen worden aangewend dan voor de verdeling van de vergoeding voor reprografie.
De Minister kan de inhoud, het aantal en de frequentie van de verzoeken om gegevens, alsook de manier waarop de lijst van beschermde werken bedoeld in paragraaf 4 ter plaatse wordt opgemaakt, op zodanige wijze bepalen dat de activiteiten van de vergoedingsplichtigen niet meer dan nodig worden gehinderd.
Art. 12. § 1er. Les débiteurs remettent à la société de gestion des droits sur sa demande, les renseignements relatifs aux oeuvres protégées reproduites nécessaires à la répartition de la rémunération pour reprographie.
§ 2. La société de gestion des droits indique dans la demande :
1° les bases juridiques de la demande;
2° les renseignements demandés;
3° les motifs et le but de la demande;
4° la période durant laquelle les renseignements relatifs aux oeuvres reproduites doivent être relevés; celle-ci ne peut dépasser quinze jours ouvrables par année civile;
5° le délai imparti pour remettre les renseignements demandés; ce délai ne peut être inférieur à trente jours ouvrables à dater de la réception de la demande.
§ 3. La demande de renseignements ne peut imposer au débiteur de reconnaître qu'il a commis ou participé à une infraction à la loi.
La demande de renseignements est formulée au moyen d'un formulaire fourni par la société de gestion des droits et agréé par le Ministre conformément aux dispositions du chapitre 9.
La demande de renseignements est notifiée au débiteur par envoi recommandé avec accusé de réception. Une copie de celle-ci est notifiée simultanément au Ministre.
§ 4. A condition que le débiteur accepte que la société de gestion des droits effectue sur place, durant une ou plusieurs périodes ne dépassant pas au total quinze jours ouvrables par année civile, un relevé des oeuvres protégées qui sont reproduites au moyen des appareils utilisés par le débiteur, il est dispensé de remettre les renseignements relatifs aux oeuvres protégées reproduites nécessaires à la répartition de la rémunération pour reprographie.
En cas d'acceptation de la part du débiteur visée à l'alinéa 1er, la société de gestion des droits ne peut pas refuser d'effectuer un relevé des oeuvres protégées qui sont reproduites au moyen des appareils utilisés par le débiteur. La société de gestion des droits peut décider d'effectuer le relevé sur place durant une période inférieure à quinze jours ouvrables par année civile.
§ 5. Les renseignements obtenus en réponse à une demande ou suite à un relevé sur place ne peuvent être utilisés dans un but ou pour des motifs autres que la répartition de la rémunération pour reprographie.
Le Ministre peut déterminer le contenu, le nombre et la fréquence des demandes de renseignements ainsi que les modalités du relevé sur place des oeuvres protégées visé au paragraphe 4 de façon à ce qu'ils ne perturbent pas plus que nécessaire les activités des débiteurs.
§ 2. La société de gestion des droits indique dans la demande :
1° les bases juridiques de la demande;
2° les renseignements demandés;
3° les motifs et le but de la demande;
4° la période durant laquelle les renseignements relatifs aux oeuvres reproduites doivent être relevés; celle-ci ne peut dépasser quinze jours ouvrables par année civile;
5° le délai imparti pour remettre les renseignements demandés; ce délai ne peut être inférieur à trente jours ouvrables à dater de la réception de la demande.
§ 3. La demande de renseignements ne peut imposer au débiteur de reconnaître qu'il a commis ou participé à une infraction à la loi.
La demande de renseignements est formulée au moyen d'un formulaire fourni par la société de gestion des droits et agréé par le Ministre conformément aux dispositions du chapitre 9.
La demande de renseignements est notifiée au débiteur par envoi recommandé avec accusé de réception. Une copie de celle-ci est notifiée simultanément au Ministre.
§ 4. A condition que le débiteur accepte que la société de gestion des droits effectue sur place, durant une ou plusieurs périodes ne dépassant pas au total quinze jours ouvrables par année civile, un relevé des oeuvres protégées qui sont reproduites au moyen des appareils utilisés par le débiteur, il est dispensé de remettre les renseignements relatifs aux oeuvres protégées reproduites nécessaires à la répartition de la rémunération pour reprographie.
En cas d'acceptation de la part du débiteur visée à l'alinéa 1er, la société de gestion des droits ne peut pas refuser d'effectuer un relevé des oeuvres protégées qui sont reproduites au moyen des appareils utilisés par le débiteur. La société de gestion des droits peut décider d'effectuer le relevé sur place durant une période inférieure à quinze jours ouvrables par année civile.
§ 5. Les renseignements obtenus en réponse à une demande ou suite à un relevé sur place ne peuvent être utilisés dans un but ou pour des motifs autres que la répartition de la rémunération pour reprographie.
Le Ministre peut déterminer le contenu, le nombre et la fréquence des demandes de renseignements ainsi que les modalités du relevé sur place des oeuvres protégées visé au paragraphe 4 de façon à ce qu'ils ne perturbent pas plus que nécessaire les activités des débiteurs.
Afdeling 2. - Goedkeuring van de verdelingsregels
Section 2. - Agrément des règles de répartition
Art. 13. De verdelingsregels inzake de vergoeding voor reprografie die de beheersvennootschap vaststelt, alsook elke wijziging die zij daarin aanbrengt, moeten door de Minister overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9 worden goedgekeurd.
De in het eerste lid bedoelde verdelingsregels en de wijzigingen ervan worden goedgekeurd indien zij in overeenstemming zijn met titel 5 van Boek XI van het Wetboek van Economisch Recht.
De Minister kan de goedkeuring intrekken wanneer niet meer is voldaan aan de voorwaarden gesteld voor de toekenning ervan.
De in het eerste lid bedoelde verdelingsregels en de wijzigingen ervan worden goedgekeurd indien zij in overeenstemming zijn met titel 5 van Boek XI van het Wetboek van Economisch Recht.
De Minister kan de goedkeuring intrekken wanneer niet meer is voldaan aan de voorwaarden gesteld voor de toekenning ervan.
Art. 13. Les règles de répartition de la rémunération pour reprographie que la société de gestion des droits arrête ainsi que toute modification qu'elle apporte à ces règles doivent être agréées par le Ministre conformément aux dispositions du chapitre 9.
Les règles de répartition et les modifications visées à l'alinéa 1er sont agréées si elles sont conformes au titre 5 du Livre XI du Code de droit économique.
Le Ministre peut retirer l'agrément dans le cas où les conditions mises à son octroi ne sont plus respectées.
Les règles de répartition et les modifications visées à l'alinéa 1er sont agréées si elles sont conformes au titre 5 du Livre XI du Code de droit économique.
Le Ministre peut retirer l'agrément dans le cas où les conditions mises à son octroi ne sont plus respectées.
HOOFDSTUK 6. - Administratieve vereenvoudiging
CHAPITRE 6. - Simplification administrative
Afdeling 1. - Platform voor online aangifte
Section 1re. - Plate-forme de déclaration en ligne
Art. 14. § 1. De beheersvennootschap richt een platform op en zorgt voor het beheer ervan, waarbij de vergoedingsplichtigen die dat wensen :
1° hun verplichtingen op grond van de artikelen 4, 5 en 8, § 1 kunnen nakomen, de factuur van de verschuldigde vergoeding kunnen krijgen en deze kunnen betalen;
2° met de beheersvennootschap specifieke termijnen en periodes van aangifte kunnen afspreken overeenkomstig artikel 8, § 2 en § 3;
3° aan de beheersvennootschap verzoeken kunnen richten op grond van artikel 9, § 2, tweede lid.
Er kunnen de vergoedingsplichtige geen kosten worden aangerekend omdat hij er niet voor kiest om zijn verbintenissen via het platform na te komen.
Wanneer een vergoedingsplichtige het platform wenst te gebruiken als bedoeld in het eerste lid, kan de beheersvennootschap haar verplichtingen jegens hem op grond van de artikelen 9, § 2, en 10 nakomen via dit platform, voor zover de vergoedingsplichtige daartoe niet op eigen initiatief het platform moet raadplegen.
§ 2. De beheersvennootschap kan met de personen bedoeld in artikel 11, §§ 1 en 3, die dat wensen, en volgens de voorwaarden bepaald in dat artikel, de verzoeken om en mededelingen van gegevens bedoeld in artikel 11 organiseren via het platform bedoeld in paragraaf 1.
Ze kan ook, met de vergoedingsplichtigen die dat wensen, de verzoeken om en mededelingen van gegevens bedoeld in artikel 12, en volgens de voorwaarden bepaald in artikel 12, organiseren via het platform bedoeld in paragraaf 1.
§ 3. Het platform bedoeld in paragraaf 1 bestaat in een dienst die voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° hij wordt gratis van op afstand, via elektronische weg verstrekt;
2° hij is permanent toegankelijk voor de vergoedingsplichtigen;
3° hij is gebruiksvriendelijk;
4° hij geeft ontvangstbevestiging van de door de vergoedingsplichtige meegedeelde gegevens;
5° hij omvat technische maatregelen waarbij de identiteit van de vergoedingsplichtige, de integriteit van de meegedeelde gegevens en het moment waarop deze worden meegedeeld kunnen worden gewaarborgd.
De Minister kan na raadpleging van de Adviescommissie voor de betrokken milieus bedoeld in artikel 17, beslissen welke technische maatregelen moeten worden genomen op grond van het eerste lid, 5°.
§ 4. De beheersvennootschap is verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens uitgevoerd in het raam van het platform bedoeld in paragraaf 1, in de zin van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
1° hun verplichtingen op grond van de artikelen 4, 5 en 8, § 1 kunnen nakomen, de factuur van de verschuldigde vergoeding kunnen krijgen en deze kunnen betalen;
2° met de beheersvennootschap specifieke termijnen en periodes van aangifte kunnen afspreken overeenkomstig artikel 8, § 2 en § 3;
3° aan de beheersvennootschap verzoeken kunnen richten op grond van artikel 9, § 2, tweede lid.
Er kunnen de vergoedingsplichtige geen kosten worden aangerekend omdat hij er niet voor kiest om zijn verbintenissen via het platform na te komen.
Wanneer een vergoedingsplichtige het platform wenst te gebruiken als bedoeld in het eerste lid, kan de beheersvennootschap haar verplichtingen jegens hem op grond van de artikelen 9, § 2, en 10 nakomen via dit platform, voor zover de vergoedingsplichtige daartoe niet op eigen initiatief het platform moet raadplegen.
§ 2. De beheersvennootschap kan met de personen bedoeld in artikel 11, §§ 1 en 3, die dat wensen, en volgens de voorwaarden bepaald in dat artikel, de verzoeken om en mededelingen van gegevens bedoeld in artikel 11 organiseren via het platform bedoeld in paragraaf 1.
Ze kan ook, met de vergoedingsplichtigen die dat wensen, de verzoeken om en mededelingen van gegevens bedoeld in artikel 12, en volgens de voorwaarden bepaald in artikel 12, organiseren via het platform bedoeld in paragraaf 1.
§ 3. Het platform bedoeld in paragraaf 1 bestaat in een dienst die voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° hij wordt gratis van op afstand, via elektronische weg verstrekt;
2° hij is permanent toegankelijk voor de vergoedingsplichtigen;
3° hij is gebruiksvriendelijk;
4° hij geeft ontvangstbevestiging van de door de vergoedingsplichtige meegedeelde gegevens;
5° hij omvat technische maatregelen waarbij de identiteit van de vergoedingsplichtige, de integriteit van de meegedeelde gegevens en het moment waarop deze worden meegedeeld kunnen worden gewaarborgd.
De Minister kan na raadpleging van de Adviescommissie voor de betrokken milieus bedoeld in artikel 17, beslissen welke technische maatregelen moeten worden genomen op grond van het eerste lid, 5°.
§ 4. De beheersvennootschap is verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens uitgevoerd in het raam van het platform bedoeld in paragraaf 1, in de zin van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Art. 14. § 1er. La société de gestion des droits met en place et gère une plate-forme permettant aux débiteurs qui le choisissent :
1° d'exécuter leurs obligations en vertu des articles 4, 5 et 8, § 1er, de recevoir la facture de la rémunération due et de la payer;
2° de convenir avec elle de délais et périodes de déclaration particuliers conformément à l'article 8, § 2 et § 3;
3° de lui adresser des demandes en vertu de l'article 9, § 2, alinéa 2.
Aucun frais ne peut être mis à charge du débiteur parce qu'il ne choisit pas d'exécuter ses obligations via la plate-forme.
Lorsqu'un débiteur choisit d'utiliser la plate-forme visée à l'alinéa 1er, la société de gestion des droits peut exécuter ses obligations à son égard en vertu des articles 9, § 2, et 10 par l'intermédiaire de cette plate-forme, pour autant que cela ne nécessite pas que ce débiteur consulte d'initiative la plate-forme.
§ 2. La société de gestion peut, avec les personnes visées à l'article 11, §§ 1er et 3, qui le choisissent, et selon les conditions de cet article, organiser les demandes et communications de renseignements visées à l'article 11 au moyen de la plate-forme visée au paragraphe 1er.
Elle peut également, avec les débiteurs qui le choisissent, et selon les conditions de l'article 12, organiser les demandes et communications de renseignements visées à l'article 12 au moyen de la plate-forme visée au paragraphe 1er.
§ 3. La plate-forme visée au paragraphe 1er consiste en un service qui répond aux conditions suivantes :
1° il est presté gratuitement, à distance, par voie électronique;
2° il est accessible en permanence aux débiteurs;
3° il est simple d'utilisation;
4° il accuse réception des données communiquées par le débiteur;
5° il comporte des mesures techniques de nature à garantir l'identité du débiteur, l'intégrité des données communiquées et le moment auquel celles-ci sont communiquées.
Le Ministre peut, après consultation de la Commission de consultation des milieux intéressés visée à l'article 17, déterminer les mesures techniques à mettre en oeuvre en vertu de l'alinéa 1er, 5°.
§ 4. La société de gestion des droits est responsable des traitements de données à caractère personnel réalisés dans le cadre de la plate-forme visée au paragraphe 1er, au sens de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
1° d'exécuter leurs obligations en vertu des articles 4, 5 et 8, § 1er, de recevoir la facture de la rémunération due et de la payer;
2° de convenir avec elle de délais et périodes de déclaration particuliers conformément à l'article 8, § 2 et § 3;
3° de lui adresser des demandes en vertu de l'article 9, § 2, alinéa 2.
Aucun frais ne peut être mis à charge du débiteur parce qu'il ne choisit pas d'exécuter ses obligations via la plate-forme.
Lorsqu'un débiteur choisit d'utiliser la plate-forme visée à l'alinéa 1er, la société de gestion des droits peut exécuter ses obligations à son égard en vertu des articles 9, § 2, et 10 par l'intermédiaire de cette plate-forme, pour autant que cela ne nécessite pas que ce débiteur consulte d'initiative la plate-forme.
§ 2. La société de gestion peut, avec les personnes visées à l'article 11, §§ 1er et 3, qui le choisissent, et selon les conditions de cet article, organiser les demandes et communications de renseignements visées à l'article 11 au moyen de la plate-forme visée au paragraphe 1er.
Elle peut également, avec les débiteurs qui le choisissent, et selon les conditions de l'article 12, organiser les demandes et communications de renseignements visées à l'article 12 au moyen de la plate-forme visée au paragraphe 1er.
§ 3. La plate-forme visée au paragraphe 1er consiste en un service qui répond aux conditions suivantes :
1° il est presté gratuitement, à distance, par voie électronique;
2° il est accessible en permanence aux débiteurs;
3° il est simple d'utilisation;
4° il accuse réception des données communiquées par le débiteur;
5° il comporte des mesures techniques de nature à garantir l'identité du débiteur, l'intégrité des données communiquées et le moment auquel celles-ci sont communiquées.
Le Ministre peut, après consultation de la Commission de consultation des milieux intéressés visée à l'article 17, déterminer les mesures techniques à mettre en oeuvre en vertu de l'alinéa 1er, 5°.
§ 4. La société de gestion des droits est responsable des traitements de données à caractère personnel réalisés dans le cadre de la plate-forme visée au paragraphe 1er, au sens de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
Afdeling 2. - Aangifte en betaling namens vergoedingsplichtigen
Section 2. - Déclaration et paiement pour le compte de débiteurs
Art. 15. Rechtspersonen mogen de verplichtingen tot aangifte van de vergoeding voor reprografie, zoals voorzien in hoofdstuk 3, nakomen en deze vergoeding betalen, namens vergoedingsplichtigen waarmee deze rechtspersonen een juridische of feitelijke band hebben.
Art. 15. Des personnes morales peuvent exécuter les obligations de déclaration de la rémunération pour reprographie prévues au chapitre 3 et payer cette rémunération, pour le compte de débiteurs avec lesquels ces personnes morales ont un lien de droit ou de fait.
HOOFDSTUK 7. - Studie betreffende de reprografie
CHAPITRE 7. - Etude de la reprographie
Art. 16. § 1. Om de zes jaar laat de beheersvennootschap een studie verrichten door een onafhankelijke organisatie, betreffende het reproduceren van beschermde werken onder de voorwaarden bedoeld in artikel XI.235 van het Wetboek van economisch recht.
§ 2. Door middel van deze studie moet inzonderheid het volgende worden vastgesteld :
1° een schatting van de schade berokkend aan de auteurs door het reproduceren van beschermde werken onder de voorwaarden beoogd in artikel XI.235 van het Wetboek van economisch recht;
2° het aantal gemaakte reproducties en de verdeling ervan per activiteitensector;
3° het aantal gemaakte reproducties van beschermde werken vastgelegd op een papieren of op een soortgelijke drager en de verdeling ervan per activiteitensector;
4° de verdeling van het aantal reproducties van beschermde werken op grond van de verschillende categorieën van beschermde werken;
§ 3. Met het oog op deze studie wordt een begeleidingscomité opgericht. Het heeft als opdracht te beslissen over :
1° de eventuele fasering van de studie naargelang van de activiteitensectoren van de vergoedingsplichtigen en het eventueel opstellen daartoe van verschillende openbare aanbestedingen;
2° het ontwerp van bestek dat werd opgesteld met het oog op de openbare aanbesteding;
3° de aanbiedingen die de beheersvennootschap als antwoord op de openbare aanbesteding ontvangen heeft;
4° de verdere uitvoering van de studie.
Een kopie van de beslissingen van het begeleidingscomité wordt overgemaakt aan de Controledienst.
Het begeleidingscomité is samengesteld uit vier vertegenwoordigers van beheersvennootschappen die op grond van artikel XI.259 van het Wetboek een vergunning hebben om de vergoeding voor reprografie te innen en te verdelen, leden van de commissie beoogd in artikel 17, uit vier personen aangeduid door de organisaties die de vergoedingsplichtigen vertegenwoordigen, leden van de Commissie bedoeld in artikel 17 en een vertegenwoordiger van de Minister.
Het begeleidingscomité beslist bij gewone meerderheid. Bij staking van stemmen is de stem van de vertegenwoordiger van de Minister doorslaggevend.
§ 4. De vergoedingsplichtigen en de personen bedoeld in artikel 11, § 3, moeten aan de onafhankelijke organisatie op verzoek de gegevens verstrekken die nodig zijn om de studie betreffende de vergoeding voor reprografie te verrichten.
§ 5. De onafhankelijke organisatie moet in dat verzoek opgave doen van :
1° de rechtsgronden van het verzoek;
2° de gevraagde gegevens;
3° de redenen en het doel van het verzoek;
4° de termijn binnen welke de gegevens moeten worden medegedeeld en die niet minder dan twintig werkdagen mag bedragen, te rekenen van de ontvangst van het verzoek.
§ 6. De gegevens verkregen als antwoord op een verzoek mogen niet voor andere doeleinden of om andere redenen worden aangewend dan die omschreven in het verzoek.
De bestemmeling van het verzoek om gegevens kan op grond van dit verzoek niet worden verplicht, te bekennen dat hij de wet heeft overtreden of daarbij betrokken is geweest.
Het verzoek om gegevens wordt aan de vergoedingsplichtigen betekend bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs. Tegelijkertijd wordt een kopie ervan betekend aan de Minister.
De Minister kan de inhoud, het aantal en de frequentie van de verzoeken op zodanige wijze bepalen dat zij de activiteiten van de ondervraagde personen niet meer dan nodig hinderen.
§ 2. Door middel van deze studie moet inzonderheid het volgende worden vastgesteld :
1° een schatting van de schade berokkend aan de auteurs door het reproduceren van beschermde werken onder de voorwaarden beoogd in artikel XI.235 van het Wetboek van economisch recht;
2° het aantal gemaakte reproducties en de verdeling ervan per activiteitensector;
3° het aantal gemaakte reproducties van beschermde werken vastgelegd op een papieren of op een soortgelijke drager en de verdeling ervan per activiteitensector;
4° de verdeling van het aantal reproducties van beschermde werken op grond van de verschillende categorieën van beschermde werken;
§ 3. Met het oog op deze studie wordt een begeleidingscomité opgericht. Het heeft als opdracht te beslissen over :
1° de eventuele fasering van de studie naargelang van de activiteitensectoren van de vergoedingsplichtigen en het eventueel opstellen daartoe van verschillende openbare aanbestedingen;
2° het ontwerp van bestek dat werd opgesteld met het oog op de openbare aanbesteding;
3° de aanbiedingen die de beheersvennootschap als antwoord op de openbare aanbesteding ontvangen heeft;
4° de verdere uitvoering van de studie.
Een kopie van de beslissingen van het begeleidingscomité wordt overgemaakt aan de Controledienst.
Het begeleidingscomité is samengesteld uit vier vertegenwoordigers van beheersvennootschappen die op grond van artikel XI.259 van het Wetboek een vergunning hebben om de vergoeding voor reprografie te innen en te verdelen, leden van de commissie beoogd in artikel 17, uit vier personen aangeduid door de organisaties die de vergoedingsplichtigen vertegenwoordigen, leden van de Commissie bedoeld in artikel 17 en een vertegenwoordiger van de Minister.
Het begeleidingscomité beslist bij gewone meerderheid. Bij staking van stemmen is de stem van de vertegenwoordiger van de Minister doorslaggevend.
§ 4. De vergoedingsplichtigen en de personen bedoeld in artikel 11, § 3, moeten aan de onafhankelijke organisatie op verzoek de gegevens verstrekken die nodig zijn om de studie betreffende de vergoeding voor reprografie te verrichten.
§ 5. De onafhankelijke organisatie moet in dat verzoek opgave doen van :
1° de rechtsgronden van het verzoek;
2° de gevraagde gegevens;
3° de redenen en het doel van het verzoek;
4° de termijn binnen welke de gegevens moeten worden medegedeeld en die niet minder dan twintig werkdagen mag bedragen, te rekenen van de ontvangst van het verzoek.
§ 6. De gegevens verkregen als antwoord op een verzoek mogen niet voor andere doeleinden of om andere redenen worden aangewend dan die omschreven in het verzoek.
De bestemmeling van het verzoek om gegevens kan op grond van dit verzoek niet worden verplicht, te bekennen dat hij de wet heeft overtreden of daarbij betrokken is geweest.
Het verzoek om gegevens wordt aan de vergoedingsplichtigen betekend bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs. Tegelijkertijd wordt een kopie ervan betekend aan de Minister.
De Minister kan de inhoud, het aantal en de frequentie van de verzoeken op zodanige wijze bepalen dat zij de activiteiten van de ondervraagde personen niet meer dan nodig hinderen.
Art. 16. § 1er. Tous les six ans, la société de gestion des droits fait réaliser une étude par un organisme indépendant, sur la reproduction d'oeuvres protégées dans les conditions visées à l'article XI.235 du Code de droit économique.
§ 2. Cette étude aura notamment pour objet de déterminer :
1° une estimation du préjudice causé aux auteurs par la reproduction d'oeuvres protégées dans les conditions visées à l'article XI.235 du Code de droit économique;
2° le volume des reproductions réalisées et la répartition de ce volume par secteur d'activités;
3° le volume des reproductions d'oeuvres protégées fixées sur papier ou sur support similaire réalisées et la répartition de ce volume par secteur d'activités;
4° la répartition du volume de reproductions d'oeuvres protégées selon les différentes catégories d'oeuvres protégées;
§ 3. Un comité d'accompagnement de l'étude est institué. Il a pour mission de décider sur :
1° l'éventuel séquencement de l'étude selon les secteurs d'activité des débiteurs et la réalisation éventuelle, à cette fin, d'appels d'offres au public distincts;
2° le projet de cahier des charges élaboré en vue de procéder à l'appel d'offres au public;
3° les offres reçues par la société de gestion des droits en réponse à l'appel d'offres au public;
4° le suivi de l'exécution de l'étude.
Une copie des décisions du comité d'accompagnement est transmise au Service de contrôle.
Le comité d'accompagnement est composé de quatre représentants de sociétés de gestion des droits autorisées en vertu de l'article XI.259 du Code à percevoir et à répartir la rémunération pour reprographie, membres de la Commission visée à l'article 17, de quatre personnes désignées par des organisations représentant les débiteurs, membres de la Commission visée à l'article 17, et d'un représentant du Ministre.
Le comité d'accompagnement adopte ses décisions à la majorité simple. En cas de parité, la voix du représentant du Ministre est prépondérante.
§ 4. Les débiteurs et les personnes visées à l'article 11, § 3, remettent à l'organisme indépendant, sur sa demande, les renseignements nécessaires à la réalisation de l'étude sur la rémunération pour reprographie.
§ 5. L'organisme indépendant indique dans la demande de renseignements :
1° les bases juridiques de la demande;
2° les renseignements demandés;
3° les motifs et le but de la demande;
4° le délai imparti pour fournir les renseignements demandés; celui-ci ne peut être inférieur à vingt jours ouvrables à dater de la réception de la demande.
§ 6. Les renseignements obtenus en réponse à une demande ne peuvent être utilisés dans un but ou pour des motifs autres que ceux indiqués dans la demande
La demande de renseignements ne peut imposer à son destinataire de reconnaître qu'il a commis ou participé à une infraction à la loi.
La demande de renseignements est notifiée au débiteur par envoi recommandé avec accusé de réception. Une copie de celle-ci est notifiée simultanément au Ministre.
Le Ministre peut déterminer le contenu, le nombre et la fréquence des demandes de façon à ce qu'elles ne perturbent pas plus que nécessaire les activités des personnes interrogées.
§ 2. Cette étude aura notamment pour objet de déterminer :
1° une estimation du préjudice causé aux auteurs par la reproduction d'oeuvres protégées dans les conditions visées à l'article XI.235 du Code de droit économique;
2° le volume des reproductions réalisées et la répartition de ce volume par secteur d'activités;
3° le volume des reproductions d'oeuvres protégées fixées sur papier ou sur support similaire réalisées et la répartition de ce volume par secteur d'activités;
4° la répartition du volume de reproductions d'oeuvres protégées selon les différentes catégories d'oeuvres protégées;
§ 3. Un comité d'accompagnement de l'étude est institué. Il a pour mission de décider sur :
1° l'éventuel séquencement de l'étude selon les secteurs d'activité des débiteurs et la réalisation éventuelle, à cette fin, d'appels d'offres au public distincts;
2° le projet de cahier des charges élaboré en vue de procéder à l'appel d'offres au public;
3° les offres reçues par la société de gestion des droits en réponse à l'appel d'offres au public;
4° le suivi de l'exécution de l'étude.
Une copie des décisions du comité d'accompagnement est transmise au Service de contrôle.
Le comité d'accompagnement est composé de quatre représentants de sociétés de gestion des droits autorisées en vertu de l'article XI.259 du Code à percevoir et à répartir la rémunération pour reprographie, membres de la Commission visée à l'article 17, de quatre personnes désignées par des organisations représentant les débiteurs, membres de la Commission visée à l'article 17, et d'un représentant du Ministre.
Le comité d'accompagnement adopte ses décisions à la majorité simple. En cas de parité, la voix du représentant du Ministre est prépondérante.
§ 4. Les débiteurs et les personnes visées à l'article 11, § 3, remettent à l'organisme indépendant, sur sa demande, les renseignements nécessaires à la réalisation de l'étude sur la rémunération pour reprographie.
§ 5. L'organisme indépendant indique dans la demande de renseignements :
1° les bases juridiques de la demande;
2° les renseignements demandés;
3° les motifs et le but de la demande;
4° le délai imparti pour fournir les renseignements demandés; celui-ci ne peut être inférieur à vingt jours ouvrables à dater de la réception de la demande.
§ 6. Les renseignements obtenus en réponse à une demande ne peuvent être utilisés dans un but ou pour des motifs autres que ceux indiqués dans la demande
La demande de renseignements ne peut imposer à son destinataire de reconnaître qu'il a commis ou participé à une infraction à la loi.
La demande de renseignements est notifiée au débiteur par envoi recommandé avec accusé de réception. Une copie de celle-ci est notifiée simultanément au Ministre.
Le Ministre peut déterminer le contenu, le nombre et la fréquence des demandes de façon à ce qu'elles ne perturbent pas plus que nécessaire les activités des personnes interrogées.
HOOFDSTUK 8. - Raadpleging van de betrokken milieus
CHAPITRE 8. - Consultation des milieux intéressés
Art. 17. § 1. Bij de FOD Economie wordt een Adviescommissie van de betrokken milieus ingesteld.
§ 2. De Commissie wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Minister en bestaat daarnaast uit personen aangewezen door de beheersvennootschap, alsmede door organisaties die de vergoedingsplichtigen vertegenwoordigen.
De organisaties die de leden van de Commissie moeten aanwijzen, alsook het aantal personen dat de beheersvennootschap en iedere organisatie kunnen aanwijzen, worden door de Minister vastgesteld. Om door de Minister te worden vastgesteld, moeten de organisaties representatief zijn voor degenen die een vergoeding voor reprografie verschuldigd zijn.
§ 3. Op verzoek van de Minister of op eigen initiatief, indien de personen aangewezen door de beheersvennootschap of ten minste een vierde van de leden van de commissie daarom verzoeken, brengt de Commissie advies uit, inzake de bedragen van de vergoeding voor reprografie, over de wijze waarop die vergoeding wordt geïnd en toezicht ter zake wordt uitgeoefend, alsook betreffende het verzoek om gegevens nodig voor de verdeling van deze vergoeding.
De Commissie neemt haar adviezen consensueel aan. Bij gebreke van consensus worden de verschillende standpunten in het advies vermeld.
§ 4. De voorzitter van de Commissie roept de commissie samen en stelt de agenda vast.
De Commissie stelt haar huishoudelijk reglement vast onder goedkeuring van de Minister.
§ 2. De Commissie wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Minister en bestaat daarnaast uit personen aangewezen door de beheersvennootschap, alsmede door organisaties die de vergoedingsplichtigen vertegenwoordigen.
De organisaties die de leden van de Commissie moeten aanwijzen, alsook het aantal personen dat de beheersvennootschap en iedere organisatie kunnen aanwijzen, worden door de Minister vastgesteld. Om door de Minister te worden vastgesteld, moeten de organisaties representatief zijn voor degenen die een vergoeding voor reprografie verschuldigd zijn.
§ 3. Op verzoek van de Minister of op eigen initiatief, indien de personen aangewezen door de beheersvennootschap of ten minste een vierde van de leden van de commissie daarom verzoeken, brengt de Commissie advies uit, inzake de bedragen van de vergoeding voor reprografie, over de wijze waarop die vergoeding wordt geïnd en toezicht ter zake wordt uitgeoefend, alsook betreffende het verzoek om gegevens nodig voor de verdeling van deze vergoeding.
De Commissie neemt haar adviezen consensueel aan. Bij gebreke van consensus worden de verschillende standpunten in het advies vermeld.
§ 4. De voorzitter van de Commissie roept de commissie samen en stelt de agenda vast.
De Commissie stelt haar huishoudelijk reglement vast onder goedkeuring van de Minister.
Art. 17. § 1er. Il est institué auprès du SPF Economie une Commission de consultation des milieux intéressés.
§ 2. La Commission est présidée par un représentant du Ministre et est composée, en outre, de personnes désignées par la société de gestion des droits et de personnes désignées par des organisations représentant les débiteurs.
Les organisations appelées à désigner les membres de la Commission ainsi que le nombre de personnes que la société de gestion des droits et chaque organisation sont appelées à désigner sont déterminés par le Ministre. Pour être déterminées par le Ministre, les organisations doivent être représentatives des débiteurs de la rémunération pour reprographie.
§ 3. A la demande du Ministre ou d'initiative si les personnes désignées par la société de gestion des droits ou un quart au moins des membres de la Commission le demandent, celle-ci rend un avis sur les montants de la rémunération pour reprographie, sur les modalités de perception et de contrôle de cette rémunération ou sur la demande de renseignements nécessaires à la répartition de celle-ci.
La Commission adopte ses avis par consensus. En l'absence de consensus, l'avis mentionne les différentes positions.
§ 4. Le président de la Commission convoque la Commission et fixe l'ordre du jour.
La Commission arrête avec l'approbation du Ministre son règlement d'ordre intérieur.
§ 2. La Commission est présidée par un représentant du Ministre et est composée, en outre, de personnes désignées par la société de gestion des droits et de personnes désignées par des organisations représentant les débiteurs.
Les organisations appelées à désigner les membres de la Commission ainsi que le nombre de personnes que la société de gestion des droits et chaque organisation sont appelées à désigner sont déterminés par le Ministre. Pour être déterminées par le Ministre, les organisations doivent être représentatives des débiteurs de la rémunération pour reprographie.
§ 3. A la demande du Ministre ou d'initiative si les personnes désignées par la société de gestion des droits ou un quart au moins des membres de la Commission le demandent, celle-ci rend un avis sur les montants de la rémunération pour reprographie, sur les modalités de perception et de contrôle de cette rémunération ou sur la demande de renseignements nécessaires à la répartition de celle-ci.
La Commission adopte ses avis par consensus. En l'absence de consensus, l'avis mentionne les différentes positions.
§ 4. Le président de la Commission convoque la Commission et fixe l'ordre du jour.
La Commission arrête avec l'approbation du Ministre son règlement d'ordre intérieur.
HOOFDSTUK 9. - Procedure van goedkeuring door de Minister
CHAPITRE 9. - Procédure d'agrément par le Ministre
Art. 18. § 1. De in de artikelen 6, 9, en 11 tot 13 bedoelde verzoeken om goedkeuring moeten aan de Minister worden gericht bij een aangetekende zending met ontvangbewijs.
§ 2. Bij de aanvraag moeten de stukken worden gevoegd waarvoor om goedkeuring wordt verzocht.
Met betrekking tot de goedkeuring van de verdelingsregels moeten bij de aanvraag bovendien de volgende stukken worden gevoegd :
1° een afschrift van de verdelingsregels waarvoor om goedkeuring wordt verzocht;
2° een verklaring waarin de naam en de woonplaats van de natuurlijke personen, alsook de naam, de zetel en het doel van de rechtspersonen zijn vermeld, die het beheer van hun rechten inzake de vergoeding voor reprografie rechtstreeks aan de beheersvennootschap hebben toevertrouwd;
3° een afschrift van de contracten gesloten met in het buitenland gevestigde beheersvennootschappen, op grond waarvan de beheersvennootschap voor rekening van die buitenlandse vennootschappen de vergoedingen voor reprografie in België int.
§ 3. De beheersvennootschap moet alle aanvullende inlichtingen verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling van haar aanvraag.
§ 4. Ingeval de Minister beschikt over gegevens die bij het verzoek om goedkeuring moeten worden gevoegd, moet hij de beheersvennootschap daarvan in kennis stellen bij aangetekende zending met ontvangbewijs.
De beslissing houdende goedkeuring of weigering ervan moet worden betekend binnen zes maanden te rekenen van de aangetekende zending bedoeld in het eerste lid.
§ 5. Wanneer de Minister voornemens is de goedkeuring te weigeren of in te trekken, geeft hij hiervan bij een aangetekende zending met ontvangbewijs kennis aan de beheersvennootschap. In deze kennisgeving moeten de redenen voor de weigering of de intrekking van de goedkeuring zijn vermeld.
De beheersvennootschap beschikt over een termijn van een maand te rekenen van de kennisgeving bedoeld in het vorige lid om door middel van een aangetekende zending met ontvangbewijs bij de Minister beroep aan te tekenen tegen de beslissing en op haar verzoek door de Minister of door de persoon die deze laatste daartoe aanwijst, te worden gehoord.
§ 6. De goedkeuring, alsook de weigering en de intrekking ervan worden aan de betrokken beheersvennootschap ter kennis gebracht bij een aangetekende zending met ontvangbewijs.
§ 2. Bij de aanvraag moeten de stukken worden gevoegd waarvoor om goedkeuring wordt verzocht.
Met betrekking tot de goedkeuring van de verdelingsregels moeten bij de aanvraag bovendien de volgende stukken worden gevoegd :
1° een afschrift van de verdelingsregels waarvoor om goedkeuring wordt verzocht;
2° een verklaring waarin de naam en de woonplaats van de natuurlijke personen, alsook de naam, de zetel en het doel van de rechtspersonen zijn vermeld, die het beheer van hun rechten inzake de vergoeding voor reprografie rechtstreeks aan de beheersvennootschap hebben toevertrouwd;
3° een afschrift van de contracten gesloten met in het buitenland gevestigde beheersvennootschappen, op grond waarvan de beheersvennootschap voor rekening van die buitenlandse vennootschappen de vergoedingen voor reprografie in België int.
§ 3. De beheersvennootschap moet alle aanvullende inlichtingen verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling van haar aanvraag.
§ 4. Ingeval de Minister beschikt over gegevens die bij het verzoek om goedkeuring moeten worden gevoegd, moet hij de beheersvennootschap daarvan in kennis stellen bij aangetekende zending met ontvangbewijs.
De beslissing houdende goedkeuring of weigering ervan moet worden betekend binnen zes maanden te rekenen van de aangetekende zending bedoeld in het eerste lid.
§ 5. Wanneer de Minister voornemens is de goedkeuring te weigeren of in te trekken, geeft hij hiervan bij een aangetekende zending met ontvangbewijs kennis aan de beheersvennootschap. In deze kennisgeving moeten de redenen voor de weigering of de intrekking van de goedkeuring zijn vermeld.
De beheersvennootschap beschikt over een termijn van een maand te rekenen van de kennisgeving bedoeld in het vorige lid om door middel van een aangetekende zending met ontvangbewijs bij de Minister beroep aan te tekenen tegen de beslissing en op haar verzoek door de Minister of door de persoon die deze laatste daartoe aanwijst, te worden gehoord.
§ 6. De goedkeuring, alsook de weigering en de intrekking ervan worden aan de betrokken beheersvennootschap ter kennis gebracht bij een aangetekende zending met ontvangbewijs.
Art. 18. § 1er. Les demandes d'agrément visées aux articles 6, 9, et 11 à 13, sont notifiées au Ministre par envoi recommandé avec accusé de réception.
§ 2. La demande doit être accompagnée des documents pour lesquels l'agrément est demandé.
S'agissant de l'agrément des règles de répartition, la demande doit être accompagnée en outre :
1° d'une copie des règles de répartition pour lesquelles l'agrément est demandé;
2° d'une déclaration mentionnant le nom et le domicile des personnes physiques ainsi que le nom, l'adresse précise du siège social et l'objet des personnes morales qui ont confié directement à la société de gestion des droits la gestion des droits à rémunération pour reprographie;
3° d'une copie des contrats conclus avec des sociétés de gestion des droits établies à l'étranger en vertu desquels la société de gestion des droits perçoit pour leur compte des droits à rémunération pour reprographie sur le territoire belge.
§ 3. La société de gestion des droits est tenue de fournir tous renseignements complémentaires nécessaires à l'appréciation de sa demande.
§ 4. Lorsque le Ministre dispose des renseignements qui doivent accompagner la demande d'agrément, il en informe la société de gestion par envoi recommandé avec accusé de réception.
La décision d'octroi ou de refus d'agrément est notifiée dans les six mois à dater de l'envoi recommandé visé à l'alinéa 1er.
§ 5. Lorsque le Ministre envisage de refuser l'agrément ou de retirer celui-ci, il avertit, par envoi recommandé avec accusé de réception, la société de gestion des droits. Cet avertissement indique les motifs pour lesquels le refus ou le retrait de l'agrément est envisagé.
A dater de l'avertissement visé à l'alinéa précédent, la société de gestion des droits dispose d'un délai d'un mois pour faire valoir ses moyens au Ministre par envoi recommandé avec accusé de réception et être entendue à sa demande par le Ministre ou la personne qu'il désigne à cet effet.
§ 6. L'octroi, le refus et le retrait de l'agrément sont notifiés à la société de gestion des droits par envoi recommandé avec accusé de réception.
§ 2. La demande doit être accompagnée des documents pour lesquels l'agrément est demandé.
S'agissant de l'agrément des règles de répartition, la demande doit être accompagnée en outre :
1° d'une copie des règles de répartition pour lesquelles l'agrément est demandé;
2° d'une déclaration mentionnant le nom et le domicile des personnes physiques ainsi que le nom, l'adresse précise du siège social et l'objet des personnes morales qui ont confié directement à la société de gestion des droits la gestion des droits à rémunération pour reprographie;
3° d'une copie des contrats conclus avec des sociétés de gestion des droits établies à l'étranger en vertu desquels la société de gestion des droits perçoit pour leur compte des droits à rémunération pour reprographie sur le territoire belge.
§ 3. La société de gestion des droits est tenue de fournir tous renseignements complémentaires nécessaires à l'appréciation de sa demande.
§ 4. Lorsque le Ministre dispose des renseignements qui doivent accompagner la demande d'agrément, il en informe la société de gestion par envoi recommandé avec accusé de réception.
La décision d'octroi ou de refus d'agrément est notifiée dans les six mois à dater de l'envoi recommandé visé à l'alinéa 1er.
§ 5. Lorsque le Ministre envisage de refuser l'agrément ou de retirer celui-ci, il avertit, par envoi recommandé avec accusé de réception, la société de gestion des droits. Cet avertissement indique les motifs pour lesquels le refus ou le retrait de l'agrément est envisagé.
A dater de l'avertissement visé à l'alinéa précédent, la société de gestion des droits dispose d'un délai d'un mois pour faire valoir ses moyens au Ministre par envoi recommandé avec accusé de réception et être entendue à sa demande par le Ministre ou la personne qu'il désigne à cet effet.
§ 6. L'octroi, le refus et le retrait de l'agrément sont notifiés à la société de gestion des droits par envoi recommandé avec accusé de réception.
HOOFDSTUK 10. Opheffings- wijzigings- en overgangsbepalingen
CHAPITRE 10. - Dispositions abrogatoire, modificatives et transitoires
Art. 19. § 1. Het koninklijk besluit van 30 oktober 1997 betreffende de vergoeding verschuldigd aan auteurs en uitgevers voor het kopiëren voor privé-gebruik of didactisch gebruik van werken die op grafische of op soortgelijke wijze zijn vastgelegd, wordt opgeheven wat betreft het in het handelsverkeer brengen van apparaten en het maken van kopieën van beschermde werken in de zin van dat besluit, uitgevoerd vanaf 1 januari 2017.
§ 2. De vergoedingsplichtige die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit overeenkomstig voormeld besluit van 30 oktober 1997 aan zijn wettelijke verplichtingen tot betaling van de evenredige vergoeding heeft voldaan tot 30 juni 2015, doet bij de beheersvennootschap aangifte voor een periode van 18 maanden, met name van 1 juli 2015 tot 31 december 2016., overeenkomstig de bepaling van voormeld besluit van 30 oktober 1997.
§ 3. De vergoedingsplichtige die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit overeenkomstig voormeld besluit van 30 oktober 1997 aan zijn wettelijke verplichtingen tot betaling van de evenredige vergoeding heeft voldaan tot 30 juni 2016 doet bij de beheersvennootschap aangifte voor een periode van 6 maanden, met name van 1 juli 2016 tot 31 december 2016 overeenkomstig de bepalingen van voormeld besluit van 30 oktober 1997.
§ 2. De vergoedingsplichtige die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit overeenkomstig voormeld besluit van 30 oktober 1997 aan zijn wettelijke verplichtingen tot betaling van de evenredige vergoeding heeft voldaan tot 30 juni 2015, doet bij de beheersvennootschap aangifte voor een periode van 18 maanden, met name van 1 juli 2015 tot 31 december 2016., overeenkomstig de bepaling van voormeld besluit van 30 oktober 1997.
§ 3. De vergoedingsplichtige die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit overeenkomstig voormeld besluit van 30 oktober 1997 aan zijn wettelijke verplichtingen tot betaling van de evenredige vergoeding heeft voldaan tot 30 juni 2016 doet bij de beheersvennootschap aangifte voor een periode van 6 maanden, met name van 1 juli 2016 tot 31 december 2016 overeenkomstig de bepalingen van voormeld besluit van 30 oktober 1997.
Art. 19. § 1er. L'arrêté royal du 30 octobre 1997 relatif à la rémunération des auteurs et des éditeurs pour la copie dans un but privé ou didactique des oeuvres fixées sur un support graphique ou analogue est abrogé en ce qui concerne la mise en circulation d'appareils et la réalisation de copies d'oeuvres protégées, au sens de cet arrêté, effectuées à partir du 1er janvier 2017.
§ 2. Le débiteur qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, a rempli, conformément à l'arrêté précité du 30 octobre 1997, ses obligations légales de paiement de la rémunération proportionnelle correspondant à la période allant jusqu'au 30 juin 2015, effectue auprès de la société de gestion des droits une déclaration pour une période de 18 mois, à savoir du 1 juillet 2015 au 31 décembre 2016, conformément aux dispositions de l'arrêté précité du 30 octobre 1997.
§ 3. Le débiteur qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, a rempli, conformément à l'arrêté précité du 30 octobre 1997, ses obligations légales de paiement de la rémunération proportionnelle correspondant à la période allant jusqu'au 30 juin 2016, effectue auprès de la société de gestion des droits une déclaration pour une période de 6 mois, à savoir du 1er juillet 2016 au 31 décembre 2016, conformément aux dispositions de l'arrêté précité du 30 octobre 1997.
§ 2. Le débiteur qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, a rempli, conformément à l'arrêté précité du 30 octobre 1997, ses obligations légales de paiement de la rémunération proportionnelle correspondant à la période allant jusqu'au 30 juin 2015, effectue auprès de la société de gestion des droits une déclaration pour une période de 18 mois, à savoir du 1 juillet 2015 au 31 décembre 2016, conformément aux dispositions de l'arrêté précité du 30 octobre 1997.
§ 3. Le débiteur qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, a rempli, conformément à l'arrêté précité du 30 octobre 1997, ses obligations légales de paiement de la rémunération proportionnelle correspondant à la période allant jusqu'au 30 juin 2016, effectue auprès de la société de gestion des droits une déclaration pour une période de 6 mois, à savoir du 1er juillet 2016 au 31 décembre 2016, conformément aux dispositions de l'arrêté précité du 30 octobre 1997.
Art. 20. In artikel 1quinquies van het koninklijk besluit van 19 april 2014 tot bepaling van de inwerkingtreding van de wet van 19 april 2014 houdende de invoeging van boek XI "Intellectuele eigendom" in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van bepalingen eigen aan boek XI in de boeken I, XV en XVII van hetzelfde Wetboek, en van de wet van 10 april 2014 houdende invoeging van de bepalingen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, in boek XI "Intellectuele eigendom" van het Wetboek van economisch recht, houdende invoeging van een bepaling eigen aan boek XI in boek XVII van hetzelfde Wetboek, en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de organisatie van de hoven en rechtbanken betreffende vorderingen inzake intellectuele eigendomsrechten en inzake transparantie van het auteursrecht en de naburige rechten betreft, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 december 2014, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 december 2015, en vervangen bij het koninklijk besluit van 12 december 2016, worden de woorden "XI.190, 5° en 6°, XI.191, § 1, eerste lid, 1° en 2°, " en de woorden "XI.235 tot XI.239," geschrapt.
Art. 20. Dans l'article 1erquinquies de l'arrêté royal du 19 avril 2014 fixant l'entrée en vigueur de la loi du 19 avril 2014 portant insertion du livre XI, "Propriété intellectuelle" dans le Code de droit économique, et portant insertion des dispositions propres au livre XI dans les livres I, XV et XVII du même Code, et de la loi du 10 avril 2014 portant insertion des dispositions réglant des matières visées à l'article 77 de la Constitution dans le livre XI "Propriété intellectuelle" du Code de droit économique, portant insertion d'une disposition spécifique au livre XI dans le livre XVII du même Code, et modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne l'organisation des cours et tribunaux en matière d'actions relatives aux droits de propriété intellectuelle et à la transparence du droit d'auteur et des droits voisins, inséré par l'arrêté royal du 19 décembre 2014, modifié par l'arrêté royal du 18 décembre 2015, et remplacé par l'arrêté royal du 12 décembre 2016, les mots " XI.190, 5° et 6°, XI.191, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2° " et les mots " , XI.235 à XI.239, " sont supprimés.
HOOFDSTUK 11. - Slotbepalingen
CHAPITRE 11. - Dispositions finales
Art. 21. De wet van 22 december 2016 tot wijziging van sommige bepalingen van het boek XI, van het Wetboek van economisch recht treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 21. La loi du 22 décembre 2016 modifiant certaines dispositions du livre XI du Code de droit économique entre en vigueur à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 22. Dit besluit treedt in werking de dag van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
De tarieven beoogd in artikel 2 gelden van 1 januari 2017 [1 ...]1.
Voor de reproducties die plaatsvinden in 2017, bezorgen de vergoedingsplichtigen een aangifte aan de beheersvennootschap die een periode omvat die loopt van 1 januari 2017 tot 31 december 2017. Deze aangifte geschiedt binnen dertig werkdagen te rekenen vanaf 1 januari 2018.
De tarieven beoogd in artikel 2 gelden van 1 januari 2017 [1 ...]1.
Voor de reproducties die plaatsvinden in 2017, bezorgen de vergoedingsplichtigen een aangifte aan de beheersvennootschap die een periode omvat die loopt van 1 januari 2017 tot 31 december 2017. Deze aangifte geschiedt binnen dertig werkdagen te rekenen vanaf 1 januari 2018.
Art. 22. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Les tarifs visés à l'article 2 sont valables à partir du 1er janvier 2017 [1 ...]1.
Pour les reproductions qui ont lieu en 2017, les débiteurs remettent à la société de gestion des droits une déclaration portant sur une période courant du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2017. Cette déclaration doit être remise dans les trente jours ouvrables à compter du 1er janvier 2018.
Les tarifs visés à l'article 2 sont valables à partir du 1er janvier 2017 [1 ...]1.
Pour les reproductions qui ont lieu en 2017, les débiteurs remettent à la société de gestion des droits une déclaration portant sur une période courant du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2017. Cette déclaration doit être remise dans les trente jours ouvrables à compter du 1er janvier 2018.
Wijzigingen
Art. 23. De minister bevoegd voor het auteursrecht is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 23. Le ministre qui a le droit d'auteur dans ses attributions, est chargé de l'exécution du présent arrêté.