Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de koudwatermeters voor proper water, gebruikt voor het uitvoeren van metingen in het economisch verkeer en voor het uitvoeren van meettaken uit overwegingen van openbaar belang, volksgezondheid, openbare veiligheid, openbare orde, milieubescherming, consumentenbescherming, heffing van belastingen en andere heffingen, en eerlijke handel.
Water wordt "koud genoemd" als zijn temperatuur ligt tussen 0 ° C en 30 ° C inclusief.
Water wordt "proper" genoemd als het enkel additionele vaste elementen (deeltjes) of opgeloste elementen bevat, die de goede werking van de mechanische volumesensor of van de debietsensor van een watermeter niet beĂŻnvloeden. Deze elementen mogen evenmin invloed hebben op het debietbereik of op de meetfout van de meter en ze mogen evenmin de meter blokkeren of beschadigen.
In dit besluit en in de bijlagen bij dit besluit worden deze koudwatermeters voor proper water aangeduid onder de benaming "meters".
In dit besluit en in de bijlagen bij dit besluit wordt voor de meters die in gebruik zijn genomen op grond van het koninklijk besluit van 18 februari 1977 betreffende de koudwatermeters, de term "permanent debiet" gelezen als "nominaal meetvermogen" en wordt de bijhorende waarde in mĂŒ/u gedeeld door een factor 1,6.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
25 MAART 2016. - Koninklijk besluit betreffende de opvolging in bedrijf van de koudwatermeters(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 07-04-2016 en tekstbijwerking tot 28-12-2018)
Titre
25 MARS 2016. - ArrĂȘtĂ© royal relatif au suivi en service des compteurs d'eau froide(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă partir du 07-04-2016 et mise Ă jour au 28-12-2018)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (12)
Texte (12)
Article 1er. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique aux compteurs d'eau froide pour eau propre, utilisĂ©s pour effectuer des mesurages dans le circuit Ă©conomique et pour la rĂ©alisation de tĂąches rĂ©pondant Ă des raisons d'intĂ©rĂȘt, de santĂ©, de sĂ©curitĂ© et d'ordre publics, de protection de l'environnement, de perception de taxes et de droits, de protection du consommateur et de loyautĂ© des transactions commerciales.
L'eau est dite " froide " lorsque sa température est comprise entre 0 ° C et 30 ° C inclus.
L'eau est dite " propre " lorsqu'elle contient seulement des éléments additionnels solides (particules) ou des éléments en solution, qui n'affectent pas le bon fonctionnement du capteur de volume mécanique ou du capteur de débit d'un compteur d'eau. Ces éléments additionnels ne doivent pas non plus affecter la plage du débit, ni l'erreur d'indication du compteur et ils ne doivent pas non plus stopper ou détruire le compteur.
Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ© et dans les annexes du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ces compteurs d'eau froide pour eau propre sont dĂ©signĂ©s sous le vocable " compteurs ".
Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ© et dans les annexes du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, pour les compteurs mis en service conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© royal du 18 fĂ©vrier 1977 relatif aux compteurs d'eau froide, le terme " dĂ©bit permanent " est lu comme " dĂ©bit nominal " et la valeur correspondante en mĂŒ/h est divisĂ©e par un facteur de 1,6.
L'eau est dite " froide " lorsque sa température est comprise entre 0 ° C et 30 ° C inclus.
L'eau est dite " propre " lorsqu'elle contient seulement des éléments additionnels solides (particules) ou des éléments en solution, qui n'affectent pas le bon fonctionnement du capteur de volume mécanique ou du capteur de débit d'un compteur d'eau. Ces éléments additionnels ne doivent pas non plus affecter la plage du débit, ni l'erreur d'indication du compteur et ils ne doivent pas non plus stopper ou détruire le compteur.
Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ© et dans les annexes du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ces compteurs d'eau froide pour eau propre sont dĂ©signĂ©s sous le vocable " compteurs ".
Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ© et dans les annexes du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, pour les compteurs mis en service conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© royal du 18 fĂ©vrier 1977 relatif aux compteurs d'eau froide, le terme " dĂ©bit permanent " est lu comme " dĂ©bit nominal " et la valeur correspondante en mĂŒ/h est divisĂ©e par un facteur de 1,6.
Art. 2. De koudwatermeters zijn onderworpen aan de herijk en aan de technische controle.
Om de aanvaardingsmerken bij de herijk en de technische controle te ontvangen, voldoen de meters aan de voorschriften bepaald in de bijlage I.
Om de aanvaardingsmerken bij de herijk en de technische controle te ontvangen, voldoen de meters aan de voorschriften bepaald in de bijlage I.
Art. 2. Les compteurs d'eau froide sont soumis à la vérification périodique et au contrÎle technique.
Pour obtenir les marques d'acceptation en vérification périodique et en contrÎle technique, les compteurs satisfont aux prescriptions définies à l'annexe I.
Pour obtenir les marques d'acceptation en vérification périodique et en contrÎle technique, les compteurs satisfont aux prescriptions définies à l'annexe I.
Art. 3. § 1. De herijk gebeurt om de 16 jaar voor de meters met een permanent debiet gelijk aan of kleiner dan 16 mĂŒ/u en om de 8 jaar voor de meters met een permanent debiet groter dan 16 mĂŒ/u.
§ 2. De aanvraag voor de herijk wordt door de eigenaar, de gebruiker of, in voorkomend geval, de hersteller van de meter ingediend overeenkomstig artikel 34bis20 van het koninklijk besluit van 20 december 1972 houdende gedeeltelijke inwerkingtreding van de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen en tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten van hoofdstuk II van deze wet, over de meetwerktuigen.
§ 3. De proeven voorgeschreven voor de herijk van de meters worden uitgevoerd door keuringsinstellingen die hiervoor erkend zijn.
Om te worden erkend moeten de keuringsinstellingen geaccrediteerd zijn op basis van de norm NBN EN ISO/IEC 17020 als keuringsinstellingen type "A", "B" of "C".
De andere erkenningsvoorwaarden zijn vastgelegd onder titel IIbis van het voornoemde koninklijk besluit van 20 december 1972.
§ 4. [1 De Metrologische Dienst kan, in afwijking van paragraaf 3 een voorlopige erkenning afleveren aan een kandidaat die hiervoor een aanvraag heeft ingediend en waarvan het accreditatiedossier nog lopende is bij een accreditatieinstelling op voorwaarde dat deze voorlopige erkenning niet langer geldig is dan 18 maanden na de aflevering. Deze termijn is niet verlengbaar.]1
§ 5. De erkende keuringsinstellingen brengen bij het einde van de herijkverrichtingen de aanvaardingsmerken, de uitgestelde aanvaardingsmerken, de afkeuringmerken en de verzegelingsmerken aan zoals vastgelegd in de artikelen 34bis9, 34bis16, 34bis17 en 34bis18 van het voornoemde koninklijk besluit van 20 december 1972.
§ 6. Het aanvaardingsmerk bij herijk draagt de letter W in de nabijheid van de zeshoek. De aanvaardingsmerken worden geleverd door de Metrologische Dienst tegen de prijs van 1 euro voor de meters met een permanent debiet gelijk aan of kleiner dan 16 mĂŒ/u, tegen de prijs van 5 euro voor de meters met een permanent debiet groter dan 16 mĂŒ/u en gelijk aan of kleiner dan 160 mĂŒ/u en tegen de prijs van 20 euro voor de meters met een permanent debiet groter dan 160 mĂŒ/u. De van toepassing zijnde prijs wordt vermeld op het aanvaardingsmerk.
§ 7. In toepassing van het artikel 34bis16 van het voornoemde koninklijk besluit van 20 december 1972, kan de Metrologische Dienst, voor de meters waarop het aanbrengen van een zelfklevend vignet als aanvaardingsmerk niet mogelijk is, een aanvaardingsmerk voorzien in de vorm van een plaatje uit metaal of kunststof dat aan de meter wordt vastgemaakt.
§ 2. De aanvraag voor de herijk wordt door de eigenaar, de gebruiker of, in voorkomend geval, de hersteller van de meter ingediend overeenkomstig artikel 34bis20 van het koninklijk besluit van 20 december 1972 houdende gedeeltelijke inwerkingtreding van de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen en tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten van hoofdstuk II van deze wet, over de meetwerktuigen.
§ 3. De proeven voorgeschreven voor de herijk van de meters worden uitgevoerd door keuringsinstellingen die hiervoor erkend zijn.
Om te worden erkend moeten de keuringsinstellingen geaccrediteerd zijn op basis van de norm NBN EN ISO/IEC 17020 als keuringsinstellingen type "A", "B" of "C".
De andere erkenningsvoorwaarden zijn vastgelegd onder titel IIbis van het voornoemde koninklijk besluit van 20 december 1972.
§ 4. [1 De Metrologische Dienst kan, in afwijking van paragraaf 3 een voorlopige erkenning afleveren aan een kandidaat die hiervoor een aanvraag heeft ingediend en waarvan het accreditatiedossier nog lopende is bij een accreditatieinstelling op voorwaarde dat deze voorlopige erkenning niet langer geldig is dan 18 maanden na de aflevering. Deze termijn is niet verlengbaar.]1
§ 5. De erkende keuringsinstellingen brengen bij het einde van de herijkverrichtingen de aanvaardingsmerken, de uitgestelde aanvaardingsmerken, de afkeuringmerken en de verzegelingsmerken aan zoals vastgelegd in de artikelen 34bis9, 34bis16, 34bis17 en 34bis18 van het voornoemde koninklijk besluit van 20 december 1972.
§ 6. Het aanvaardingsmerk bij herijk draagt de letter W in de nabijheid van de zeshoek. De aanvaardingsmerken worden geleverd door de Metrologische Dienst tegen de prijs van 1 euro voor de meters met een permanent debiet gelijk aan of kleiner dan 16 mĂŒ/u, tegen de prijs van 5 euro voor de meters met een permanent debiet groter dan 16 mĂŒ/u en gelijk aan of kleiner dan 160 mĂŒ/u en tegen de prijs van 20 euro voor de meters met een permanent debiet groter dan 160 mĂŒ/u. De van toepassing zijnde prijs wordt vermeld op het aanvaardingsmerk.
§ 7. In toepassing van het artikel 34bis16 van het voornoemde koninklijk besluit van 20 december 1972, kan de Metrologische Dienst, voor de meters waarop het aanbrengen van een zelfklevend vignet als aanvaardingsmerk niet mogelijk is, een aanvaardingsmerk voorzien in de vorm van een plaatje uit metaal of kunststof dat aan de meter wordt vastgemaakt.
Wijzigingen
Art. 3. § 1er. La vĂ©rification pĂ©riodique a lieu tous les 16 ans pour les compteurs avec un dĂ©bit permanent plus petit ou Ă©gal Ă 16 mĂŒ/h et tous les 8 ans pour les compteurs avec un dĂ©bit permanent plus grand que 16 mĂŒ/h.
§ 2. La demande de vĂ©rification pĂ©riodique est introduite par le propriĂ©taire, l'utilisateur ou, le cas Ă©chĂ©ant, par le rĂ©parateur du compteur conformĂ©ment Ă l'article 34bis20 de l'arrĂȘtĂ© royal du 20 dĂ©cembre 1972 portant mise en vigueur partielle de la loi du 16 juin 1970 sur les unitĂ©s, Ă©talons et instruments de mesure et fixant les modalitĂ©s d'application du chapitre II de cette loi sur les instruments de mesure.
§ 3. Les essais prévus en vérification périodique pour les compteurs sont effectués par des organismes d'inspection agréés à cet effet.
Pour ĂȘtre agréés, les organismes d'inspection doivent ĂȘtre accrĂ©ditĂ©s sur base de la norme NBN EN ISO/IEC 17020 comme organismes d'inspection de type " A ", " B " ou " C ".
Les autres modalitĂ©s d'agrĂ©ment sont fixĂ©es sous le titre IIbis de l'arrĂȘtĂ© royal du 20 dĂ©cembre 1972 prĂ©citĂ©.
§ 4. [1 Le Service métrologique peut, par dérogation au paragraphe 3, délivrer un agrément provisoire à un candidat qui en a introduit la demande et dont le dossier d'accréditation est encore en cours auprÚs d'un organisme d'accréditation à condition que la validité de cet agrément provisoire ne dépasse pas 18 mois aprÚs la délivrance. Cette échéance n'est pas reconductible.]1
§ 5. Les organismes d'inspection agréés apposent, Ă l'issue de la sĂ©ance de vĂ©rification pĂ©riodique, les marques d'acceptation, les marques d'acceptation diffĂ©rĂ©e, les marques de refus et les marques de scellement telles que fixĂ©es par les articles 34bis9, 34bis16, 34bis17 et 34bis18 de l'arrĂȘtĂ© royal du 20 dĂ©cembre 1972 prĂ©citĂ©.
§ 6. La marque d'acceptation en vĂ©rification pĂ©riodique porte la lettre complĂ©mentaire W au voisinage de l'hexagone. Les marques d'acceptation sont fournies par le Service de la MĂ©trologie au prix de 1 euro pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent infĂ©rieur ou Ă©gal Ă 16 mĂŒ/h, au prix de 5 euros pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent supĂ©rieur Ă 16 mĂŒ/h et infĂ©rieur ou Ă©gal Ă 160mĂŒ/h et au prix de 20 euros pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent supĂ©rieur Ă 160 mĂŒ/h. Le prix appliquĂ© est mentionnĂ© sur la marque d'acceptation.
§ 7. En application de l'article 34bis16 de l'arrĂȘtĂ© royal du 20 dĂ©cembre 1972 prĂ©citĂ©, le Service de la MĂ©trologie peut prĂ©voir pour les compteurs sur lesquels il n'est pas possible d'apposer une vignette autocollante comme marque d'acceptation, une marque d'acceptation sous la forme d'une plaquette en mĂ©tal ou en plastique qui est attachĂ©e au compteur.
§ 2. La demande de vĂ©rification pĂ©riodique est introduite par le propriĂ©taire, l'utilisateur ou, le cas Ă©chĂ©ant, par le rĂ©parateur du compteur conformĂ©ment Ă l'article 34bis20 de l'arrĂȘtĂ© royal du 20 dĂ©cembre 1972 portant mise en vigueur partielle de la loi du 16 juin 1970 sur les unitĂ©s, Ă©talons et instruments de mesure et fixant les modalitĂ©s d'application du chapitre II de cette loi sur les instruments de mesure.
§ 3. Les essais prévus en vérification périodique pour les compteurs sont effectués par des organismes d'inspection agréés à cet effet.
Pour ĂȘtre agréés, les organismes d'inspection doivent ĂȘtre accrĂ©ditĂ©s sur base de la norme NBN EN ISO/IEC 17020 comme organismes d'inspection de type " A ", " B " ou " C ".
Les autres modalitĂ©s d'agrĂ©ment sont fixĂ©es sous le titre IIbis de l'arrĂȘtĂ© royal du 20 dĂ©cembre 1972 prĂ©citĂ©.
§ 4. [1 Le Service métrologique peut, par dérogation au paragraphe 3, délivrer un agrément provisoire à un candidat qui en a introduit la demande et dont le dossier d'accréditation est encore en cours auprÚs d'un organisme d'accréditation à condition que la validité de cet agrément provisoire ne dépasse pas 18 mois aprÚs la délivrance. Cette échéance n'est pas reconductible.]1
§ 5. Les organismes d'inspection agréés apposent, Ă l'issue de la sĂ©ance de vĂ©rification pĂ©riodique, les marques d'acceptation, les marques d'acceptation diffĂ©rĂ©e, les marques de refus et les marques de scellement telles que fixĂ©es par les articles 34bis9, 34bis16, 34bis17 et 34bis18 de l'arrĂȘtĂ© royal du 20 dĂ©cembre 1972 prĂ©citĂ©.
§ 6. La marque d'acceptation en vĂ©rification pĂ©riodique porte la lettre complĂ©mentaire W au voisinage de l'hexagone. Les marques d'acceptation sont fournies par le Service de la MĂ©trologie au prix de 1 euro pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent infĂ©rieur ou Ă©gal Ă 16 mĂŒ/h, au prix de 5 euros pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent supĂ©rieur Ă 16 mĂŒ/h et infĂ©rieur ou Ă©gal Ă 160mĂŒ/h et au prix de 20 euros pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent supĂ©rieur Ă 160 mĂŒ/h. Le prix appliquĂ© est mentionnĂ© sur la marque d'acceptation.
§ 7. En application de l'article 34bis16 de l'arrĂȘtĂ© royal du 20 dĂ©cembre 1972 prĂ©citĂ©, le Service de la MĂ©trologie peut prĂ©voir pour les compteurs sur lesquels il n'est pas possible d'apposer une vignette autocollante comme marque d'acceptation, une marque d'acceptation sous la forme d'une plaquette en mĂ©tal ou en plastique qui est attachĂ©e au compteur.
Wijzigingen
Art. 4. § 1. De meters van een lot dat onderworpen werd aan een statistische technische controle uitgevoerd volgens de voorschriften van bijlage II, zijn vrijgesteld van herijk.
§ 2. De statistische technische controle wordt uitgevoerd op een steekproef, volgens de voorschriften van bijlage II, door de Metrologische Dienst op basis van de resultaten aangeleverd door een laboratorium dat geaccrediteerd is op basis van de norm NBN EN ISO/IEC 17025 of aangeleverd door een keuringsinstelling die geaccrediteerd is op basis van de norm NBN EN ISO/IEC 17020.
§ 3. Voor een overgangsperiode tot 31 december 2017 mogen, in afwijking van paragraaf 2, de resultaten aangeleverd worden door een keuringsinstelling die erkend is voor het uitvoeren van de herijk krachtens artikel 3, § 3 of krachtens artikel 3, § 4.
§ 4. Voor de meters van een lot dat onderworpen wordt aan een statistische technische controle, is een ijkloon verschuldigd van 0,25 euro per meter in het lot. Indien het lot wordt afgekeurd, is er geen ijkloon verschuldigd.
§ 2. De statistische technische controle wordt uitgevoerd op een steekproef, volgens de voorschriften van bijlage II, door de Metrologische Dienst op basis van de resultaten aangeleverd door een laboratorium dat geaccrediteerd is op basis van de norm NBN EN ISO/IEC 17025 of aangeleverd door een keuringsinstelling die geaccrediteerd is op basis van de norm NBN EN ISO/IEC 17020.
§ 3. Voor een overgangsperiode tot 31 december 2017 mogen, in afwijking van paragraaf 2, de resultaten aangeleverd worden door een keuringsinstelling die erkend is voor het uitvoeren van de herijk krachtens artikel 3, § 3 of krachtens artikel 3, § 4.
§ 4. Voor de meters van een lot dat onderworpen wordt aan een statistische technische controle, is een ijkloon verschuldigd van 0,25 euro per meter in het lot. Indien het lot wordt afgekeurd, is er geen ijkloon verschuldigd.
Art. 4. § 1er. Les compteurs d'un lot qui sont soumis à un contrÎle technique statistique, conformément aux prescriptions définies à l'annexe II, sont exemptés de la vérification périodique.
§ 2. Le contrÎle technique statistique est réalisé par échantillonnage, selon les prescriptions reprises à l'annexe II, par le Service de la Métrologie sur base des résultats fournis par un laboratoire accrédité sur base de la norme NBN EN ISO/IEC 17025 ou fournis par un organisme d'inspection accrédité sur base de la norme NBN EN ISO/IEC 17020.
§ 3. Pendant une pĂ©riode transitoire allant jusqu'au 31 dĂ©cembre 2017, par dĂ©rogation au paragraphe 2, les rĂ©sultats peuvent ĂȘtre fournis par un organisme d'inspection agréé pour effectuer la vĂ©rification pĂ©riodique tel que fixĂ© par l'article 3, § 3 ou par l'article 3, § 4.
§ 4. Une taxe de vérification de 0,25 euros est perçue par compteur compris dans un lot qui a été soumis à un contrÎle technique statistique. Si le lot est refusé, il n'y aura pas de taxe de vérification.
§ 2. Le contrÎle technique statistique est réalisé par échantillonnage, selon les prescriptions reprises à l'annexe II, par le Service de la Métrologie sur base des résultats fournis par un laboratoire accrédité sur base de la norme NBN EN ISO/IEC 17025 ou fournis par un organisme d'inspection accrédité sur base de la norme NBN EN ISO/IEC 17020.
§ 3. Pendant une pĂ©riode transitoire allant jusqu'au 31 dĂ©cembre 2017, par dĂ©rogation au paragraphe 2, les rĂ©sultats peuvent ĂȘtre fournis par un organisme d'inspection agréé pour effectuer la vĂ©rification pĂ©riodique tel que fixĂ© par l'article 3, § 3 ou par l'article 3, § 4.
§ 4. Une taxe de vérification de 0,25 euros est perçue par compteur compris dans un lot qui a été soumis à un contrÎle technique statistique. Si le lot est refusé, il n'y aura pas de taxe de vérification.
Art. 5. § 1. De meters waarvan de ijk- of zegelmerken weggenomen of vernietigd werden ingevolge een herstelling of regeling, alsook de meters waarvan de ijk- of zegelmerken verdwenen of beschadigd zijn, worden onderworpen aan de herijk na herstelling vooraleer ze terug in gebruik te nemen.
§ 2. De herijk na herstelling gebeurt volgens de modaliteiten van de herijk bepaald in artikel 3, §§ 2 tot 7.
§ 2. De herijk na herstelling gebeurt volgens de modaliteiten van de herijk bepaald in artikel 3, §§ 2 tot 7.
Art. 5. § 1er. Les compteurs dont les marques de vérification ou de scellement ont été enlevées ou détruites, suite à des réparations ou des réglages, ainsi que les compteurs dont les marques de vérification ou des scellements ont disparus ou ont été endommagés, sont à soumettre à la vérification périodique aprÚs réparation avant leur mise en service.
§ 2. La vérification périodique aprÚs réparation est réalisée en conformité avec les modalités définies à l'article 3, §§ 2 à 7.
§ 2. La vérification périodique aprÚs réparation est réalisée en conformité avec les modalités définies à l'article 3, §§ 2 à 7.
Art. 6. § 1. Iedere individuele meter kan onderworpen worden aan een technische controle door de Metrologische Dienst, op eigen initiatief van de Metrologische Dienst of op aanvraag van de eigenaar of gebruiker.
§ 2. Deze technische controle wordt uitgevoerd in het proefstation van de Metrologische Dienst of in een ander door deze Dienst erkend proefstation.
§ 3. De technische controle op aanvraag wordt uitgevoerd tegen de betaling van het verschuldigde ijkloon door de aanvrager.
Het verschuldigde ijkloon bij de technische controle op aanvraag bedraagt 60 euro voor de meters met een permanent debiet gelijk aan of kleiner dan 16 mĂŒ/u, 80 euro voor de meters met een permanent debiet groter dan 16 mĂŒ/u en gelijk aan of kleiner dan 160 mĂŒ/u en 160 euro voor de meters met een permanent debiet groter dan 160 mĂŒ/u.
§ 4. Wanneer bij de proeven van de technische controle op aanvraag de uitrusting van de Staat wordt gebruikt, wordt het in paragraaf 3 verschuldigde ijkloon verdrievoudigd.
§ 5. De kosten voor het uitvoeren van de proeven van de technische controle op aanvraag, in een ander proefstation dan dat van de Metrologische Dienst zijn ten laste van de aanvrager.
§ 6. De proeven bij de technische controle door de Metrologische Dienst, op eigen initiatief van de Metrologische Dienst of op aanvraag, worden uitgevoerd zoals bepaald voor de herijk in de bijlage I. De maximaal toelaatbare fouten worden evenwel verdubbeld.
§ 2. Deze technische controle wordt uitgevoerd in het proefstation van de Metrologische Dienst of in een ander door deze Dienst erkend proefstation.
§ 3. De technische controle op aanvraag wordt uitgevoerd tegen de betaling van het verschuldigde ijkloon door de aanvrager.
Het verschuldigde ijkloon bij de technische controle op aanvraag bedraagt 60 euro voor de meters met een permanent debiet gelijk aan of kleiner dan 16 mĂŒ/u, 80 euro voor de meters met een permanent debiet groter dan 16 mĂŒ/u en gelijk aan of kleiner dan 160 mĂŒ/u en 160 euro voor de meters met een permanent debiet groter dan 160 mĂŒ/u.
§ 4. Wanneer bij de proeven van de technische controle op aanvraag de uitrusting van de Staat wordt gebruikt, wordt het in paragraaf 3 verschuldigde ijkloon verdrievoudigd.
§ 5. De kosten voor het uitvoeren van de proeven van de technische controle op aanvraag, in een ander proefstation dan dat van de Metrologische Dienst zijn ten laste van de aanvrager.
§ 6. De proeven bij de technische controle door de Metrologische Dienst, op eigen initiatief van de Metrologische Dienst of op aanvraag, worden uitgevoerd zoals bepaald voor de herijk in de bijlage I. De maximaal toelaatbare fouten worden evenwel verdubbeld.
Art. 6. § 1er. Chaque compteur peut faire l'objet d'un contrÎle technique individuel par le Service de la Métrologie, à l'initiative du Service de la Métrologie ou à la demande du propriétaire ou de l'utilisateur.
§ 2. Ce contrÎle technique est réalisé dans la station d'essai du Service de la Métrologie ou dans une autre station d'essai agréée par ce Service.
§ 3. Le contrÎle technique sur demande est assorti d'une taxe de vérification à charge du demandeur.
Le montant de la taxe de vĂ©rification pour le contrĂŽle technique sur demande est fixĂ© au prix de 60 euros pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent infĂ©rieur ou Ă©gal Ă 16 mĂŒ/h, au prix de 80 euros pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent supĂ©rieur Ă 16 mĂŒ/h et infĂ©rieur ou Ă©gal Ă 160mĂŒ/h et au prix de 160 euros pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent supĂ©rieur Ă 160 mĂŒ/h.
§ 4. Lorsque le contrÎle technique sur demande est effectué à l'aide du matériel de l'Etat, la taxe mentionnée au paragraphe 3 est triplée.
§ 5. Le coût de la réalisation des essais du contrÎle technique sur demande, dans une station d'essai autre que celle du Service de la Métrologie est pris en charge par le demandeur.
§ 6. Les essais effectués lors d'un contrÎle technique par le Service de la Métrologie, à l'initiative du Service de la Métrologie ou sur demande, seront exécutés suivant les prescriptions définies pour la vérification périodique à l'annexe I. Les erreurs maximales tolérées sont toutefois doublées.
§ 2. Ce contrÎle technique est réalisé dans la station d'essai du Service de la Métrologie ou dans une autre station d'essai agréée par ce Service.
§ 3. Le contrÎle technique sur demande est assorti d'une taxe de vérification à charge du demandeur.
Le montant de la taxe de vĂ©rification pour le contrĂŽle technique sur demande est fixĂ© au prix de 60 euros pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent infĂ©rieur ou Ă©gal Ă 16 mĂŒ/h, au prix de 80 euros pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent supĂ©rieur Ă 16 mĂŒ/h et infĂ©rieur ou Ă©gal Ă 160mĂŒ/h et au prix de 160 euros pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent supĂ©rieur Ă 160 mĂŒ/h.
§ 4. Lorsque le contrÎle technique sur demande est effectué à l'aide du matériel de l'Etat, la taxe mentionnée au paragraphe 3 est triplée.
§ 5. Le coût de la réalisation des essais du contrÎle technique sur demande, dans une station d'essai autre que celle du Service de la Métrologie est pris en charge par le demandeur.
§ 6. Les essais effectués lors d'un contrÎle technique par le Service de la Métrologie, à l'initiative du Service de la Métrologie ou sur demande, seront exécutés suivant les prescriptions définies pour la vérification périodique à l'annexe I. Les erreurs maximales tolérées sont toutefois doublées.
Art. 7. De niet-geijkte meters, in bedrijf op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, waarvan de werking niet berust op een rechtstreeks mechanisch procedé en voor dewelke geen gebruiksvergunning werd afgeleverd op basis van het koninklijk besluit van 16 oktober 2009 betreffende de gebruiksvergunningen voor niet-geijkte meetsystemen, mogen in bedrijf gehouden worden tot uiterlijk 1 december 2019 op voorwaarde dat de eigenaars of gebruikers deze meters, voor 31 december 2016, aanmelden bij de Metrologische Dienst met vermelding van het merk, het type en het serienummer van de meter en de plaats van gebruik.
Onder meters waarvan de werking niet berust op een rechtstreeks mechanisch procedé wordt verstaan de meters waarbij geen gebruik wordt gemaakt van meetkamers met beweegbare wanden of van het effect van de snelheid van het water op de draaiing van een beweegbaar orgaan (turbine, schroef, enz...).
Onder meters waarvan de werking niet berust op een rechtstreeks mechanisch procedé wordt verstaan de meters waarbij geen gebruik wordt gemaakt van meetkamers met beweegbare wanden of van het effect van de snelheid van het water op de draaiing van een beweegbaar orgaan (turbine, schroef, enz...).
Art. 7. Les compteurs non-vĂ©rifiĂ©s, en service Ă la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et utilisant un procĂ©dĂ© de fonctionnent autre que mĂ©canique direct et pour lesquels aucune autorisation d'emploi n'a Ă©tĂ© dĂ©livrĂ©e sur base de l'arrĂȘtĂ© royal du 16 octobre 2009 relatif aux autorisations d'emploi de systĂšmes de mesure non vĂ©rifiĂ©s, peuvent rester en service au plus tard jusqu'au 1er dĂ©cembre 2019, Ă condition que les propriĂ©taires ou les utilisateurs de ces compteurs les dĂ©clarent auprĂšs du Service de la MĂ©trologie avant le 31 dĂ©cembre 2016, en indiquant la marque, le modĂšle, le numĂ©ro de sĂ©rie et le lieu d'utilisation du compteur.
On entend par compteurs utilisant un procédé de fonctionnement autre que mécanique directe, les compteurs ne faisant pas intervenir des chambres volumétriques à parois mobiles ou l'action de la vitesse de l'eau sur la rotation d'un organe mobile (turbine, hélice, etc...).
On entend par compteurs utilisant un procédé de fonctionnement autre que mécanique directe, les compteurs ne faisant pas intervenir des chambres volumétriques à parois mobiles ou l'action de la vitesse de l'eau sur la rotation d'un organe mobile (turbine, hélice, etc...).
Art. 8. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 8. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le jour de sa publication dans le Moniteur belge.
Art. 9. De minister bevoegd voor Economie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 9. Le ministre qui a l'Economie dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. - Reglement betreffende de herijk van de koudwatermeters
I. Terminologie en Definities
I.1. Algemene definities
a. Debiet
Het debiet is het quotiënt van het volume water dat door de meter stroomt, en de doorstroomtijd van dat volume; daarbij wordt het volume uitgedrukt in de eenheden kubieke meter of liter en de tijd in de eenheden uur, minuut of seconde.
b. Afgeleverd volume
Het in een bepaalde tijd afgeleverd volume is de totale hoeveelheid water die in die tijd door de meter is gestroomd.
c. Drukverlies
Onder drukverlies wordt verstaan het verlies in druk dat veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van de watermeter in de leiding.
I.2. Definities voor de meters die in gebruik zijn genomen op grond van het koninklijk besluit van 13 juni 2006 betreffende meetinstrumenten :
a. Minimaal debiet (Q1) :
Het laagste debiet waarbij de watermeter gegevens verschaft die voldoen aan de eisen inzake de maximaal toelaatbare fouten (MTF).
b. Overgangsdebiet (Q2) :
Het overgangsdebiet is de tussen het permanente en minimale debiet gelegen debietwaarde die het debietsbereik in twee zones verdeelt, de "bovenste zone" en de "onderste zone". Elke zone heeft een eigen MTF.
c. Permanent debiet (Q3) :
Het hoogste debiet waarbij de watermeter op bevredigende wijze functioneert onder normale gebruikscondities, d.w.z. onder constante of intermitterende stromingscondities.
d. Overbelastingsdebiet (Q4) :
Het overbelastingsdebiet is het hoogste debiet waarbij de meter op bevredigende wijze gedurende een korte periode zonder verslechtering functioneert.
I.3. Definities voor de meters die in gebruik zijn genomen op grond van het koninklijk besluit van 18 februari 1977 betreffende de koudwatermeters :
a. Minimaal meetvermogen (Qmin) :
Het minimale meetvermogen is het debiet van waaraf elke meter moet voldoen aan de eisen inzake de maximaal toelaatbare fouten.
b. Belastingsbereik :
Het belastingsbereik van een watermeter wordt begrensd door het maximale meetvermogen (Qmax) en het minimale meetvermogen (Qmin). Het wordt verdeeld in een onderste en een bovenste zone, waarvoor de maximaal toelaatbare fouten verschillen.
c. Overgangsdebiet (Qt) :
Het overgangsdebiet is het debiet dat de grens vormt tussen de onderste en de bovenste zone van het belastingsbereik. Bij dit debiet vertonen de maximaal toelaatbare fouten een discontinuĂŻteit.
d. Nominaal meetvermogen (Qn) :
Het nominale meetvermogen is gelijk aan de helft van het maximale meetvermogen (Qmax). Uitgedrukt in kubieke meter per uur, dient deze grootheid ter aanduiding van de meter. Bij het nominale meetvermogen moet de meter overeenkomstig zijn normaal gebruik, dat wil zeggen zowel ononderbroken als met onderbrekingen kunnen werken, zonder dat de maximaal toelaatbare fouten worden overschreden.
e. Maximaal meetvermogen (Qmax) :
Het maximale meetvermogen is het grootste debiet waarbij de meter gedurende beperkte bedrijfsperioden moet kunnen werken zonder dat hij wordt beschadigd en zonder dat de maximaal toelaatbare fouten of de maximaal toelaatbare waarde van het drukverlies wordt overschreden.
II. Maximaal toelaatbare fouten (MTF)
De maximaal toelaatbare fout in de onderste zone van Q1 tot Q2, Q2 niet inbegrepen, (of van Qmin tot Qt, Qt niet inbegrepen) bedraagt +/- 5 % bij herijk en +/- 10% bij technische controle.
De maximaal toelaatbare fout in de bovenste zone van Q2 tot en met Q4 (of van Qt tot en met Qmax) bedraagt +/- 2 % bij herijk en +/- 4 % bij technische controle.
De maximaal toelaatbare fouten bij herijk en technische controle zijn van toepassing bij de proefvoorwaarden gedefinieerd in punt III.
III. Proefvoorwaarden en beproevingsmateriaal
1. De werkruimten en het beproevingsmateriaal moeten het mogelijk maken de ijk betrouwbaar en zonder gevaar uit te voeren.
De meters mogen in serie zijn geschakeld. In dat geval moet de uitlaatdruk van alle meters voldoende blijven om cavitatie te voorkomen. Speciale voorzieningen kunnen nodig zijn om onderlinge beĂŻnvloeding van de meters te vermijden.
De installatie kan automatische inrichtingen, aftakkingen, doorsnedevernauwingen, enz. bevatten, mits elk proefcircuit tussen te ijken meters en ijkreservoirs duidelijk is bepaald, en de inwendige lekdichtheid ervan voortdurend kan worden gecontroleerd.
Alle watertoevoersystemen zijn toegelaten, maar bij parallelschakeling van verschillende proefcircuits mag geen onderlinge beĂŻnvloeding ontstaan die onverenigbaar is met het hiernavolgende punt 2.
2. Over het algemeen worden de meters afzonderlijk beproefd, en in elk geval zo dat de afzonderlijke eigenschappen van elke meter met zekerheid kunnen worden vastgesteld.
Bij elke proef moet een zodanig volume worden doorgevoerd, dat de wijzer of de rol van het ijkschaaldeel één of meer volledige omwentelingen maakt en dat de effecten van de cyclische onregelmatigheid worden geëlimineerd.
De meetonzekerheid (betrouwbaarheidsinterval k = 2) bij de proeven is niet hoger dan 0,4% van het proefvolume.
De relatieve variatie van de waarde van de debieten gedurende elke proef mag niet groter zijn dan 2,5% van Q1 tot Q2 (of van Qmin tot Qt) en 5% van Q2 tot Q4 (of van Qt tot Qmax).
IV. Ijkverrichtingen
1. Administratief onderzoek
Het administratief onderzoek wordt gedefinieerd als de controle van de geldigheid van de merken van conformiteit, van de ijkmerken en van de verzegelingen alsook van de aanwezigheid van de volgende opschriften op de meter :
a) de naam van de fabrikant of het fabrieksmerk;
b) de typebenaming van de meter;
c) het permanent debiet (Q3) (of het nominaal meetvermogen (Qn)) in kubieke meter per uur;
d) de verhouding Q3/Q1 (of de metrologische klasse, voor de meters in gebruik genomen op basis van het koninklijk besluit van 18 februari 1977 betreffende de koudwatermeters);
e) het jaartal en het serienummer;
f) de aanduiding van de stromingsrichting;
g) het nummer van het EG-typecertificaat (of het modelgoedkeuringsteken, voor de meters in gebruik genomen op basis van het koninklijk besluit van 18 februari 1977 betreffende de koudwatermeters);
h) de maximale bedrijfsdruk in bar, indien deze meer dan 10 bar kan bedragen;
i) de aanduiding van de toelaatbare stand, tenzij de meter in elke stand kan werken;
j) voor meters die in gebruik zijn genomen op basis van het koninklijk besluit van 13 juni 2006 betreffende meetinstrumenten : de CE-markering en de aanvullende metrologische markering.
2. Metrologische proeven
De ijk omvat een nauwkeurigheidsproef bij ten minste drie debieten :
a) tussen 0,9 Q4 en Q4 (of tussen 0,9 Qmax en Qmax)
b) tussen Q2 en 1,1 Q2 (of tussen Qt en 1,1 Qt)
c) tussen Q1 en 1,1 Q1 (of tussen Qmin en 1,1 Qmin).
De maximaal toelaatbare fouten zijn die van punt II.
3. Verzegeling en plaats van de ijkmerken
Bij het einde van de ijkverrichtingen worden de verbroken zegels van de beschermende inrichtingen vervangen die het demonteren of veranderen van de meter of de justeerinrichting voorkomen.
Het ijkmerk wordt aangebracht op een zonder demontage zichtbare plaats op een essentieel onderdeel van de meter (in principe het huis).
4. Proefverslag
Bij het einde van de ijkverrichtingen wordt een proefverslag opgesteld volgens de vereisten van artikel 34bis19 van het koninklijk besluit van 20 december 1972.
I. Terminologie en Definities
I.1. Algemene definities
a. Debiet
Het debiet is het quotiënt van het volume water dat door de meter stroomt, en de doorstroomtijd van dat volume; daarbij wordt het volume uitgedrukt in de eenheden kubieke meter of liter en de tijd in de eenheden uur, minuut of seconde.
b. Afgeleverd volume
Het in een bepaalde tijd afgeleverd volume is de totale hoeveelheid water die in die tijd door de meter is gestroomd.
c. Drukverlies
Onder drukverlies wordt verstaan het verlies in druk dat veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van de watermeter in de leiding.
I.2. Definities voor de meters die in gebruik zijn genomen op grond van het koninklijk besluit van 13 juni 2006 betreffende meetinstrumenten :
a. Minimaal debiet (Q1) :
Het laagste debiet waarbij de watermeter gegevens verschaft die voldoen aan de eisen inzake de maximaal toelaatbare fouten (MTF).
b. Overgangsdebiet (Q2) :
Het overgangsdebiet is de tussen het permanente en minimale debiet gelegen debietwaarde die het debietsbereik in twee zones verdeelt, de "bovenste zone" en de "onderste zone". Elke zone heeft een eigen MTF.
c. Permanent debiet (Q3) :
Het hoogste debiet waarbij de watermeter op bevredigende wijze functioneert onder normale gebruikscondities, d.w.z. onder constante of intermitterende stromingscondities.
d. Overbelastingsdebiet (Q4) :
Het overbelastingsdebiet is het hoogste debiet waarbij de meter op bevredigende wijze gedurende een korte periode zonder verslechtering functioneert.
I.3. Definities voor de meters die in gebruik zijn genomen op grond van het koninklijk besluit van 18 februari 1977 betreffende de koudwatermeters :
a. Minimaal meetvermogen (Qmin) :
Het minimale meetvermogen is het debiet van waaraf elke meter moet voldoen aan de eisen inzake de maximaal toelaatbare fouten.
b. Belastingsbereik :
Het belastingsbereik van een watermeter wordt begrensd door het maximale meetvermogen (Qmax) en het minimale meetvermogen (Qmin). Het wordt verdeeld in een onderste en een bovenste zone, waarvoor de maximaal toelaatbare fouten verschillen.
c. Overgangsdebiet (Qt) :
Het overgangsdebiet is het debiet dat de grens vormt tussen de onderste en de bovenste zone van het belastingsbereik. Bij dit debiet vertonen de maximaal toelaatbare fouten een discontinuĂŻteit.
d. Nominaal meetvermogen (Qn) :
Het nominale meetvermogen is gelijk aan de helft van het maximale meetvermogen (Qmax). Uitgedrukt in kubieke meter per uur, dient deze grootheid ter aanduiding van de meter. Bij het nominale meetvermogen moet de meter overeenkomstig zijn normaal gebruik, dat wil zeggen zowel ononderbroken als met onderbrekingen kunnen werken, zonder dat de maximaal toelaatbare fouten worden overschreden.
e. Maximaal meetvermogen (Qmax) :
Het maximale meetvermogen is het grootste debiet waarbij de meter gedurende beperkte bedrijfsperioden moet kunnen werken zonder dat hij wordt beschadigd en zonder dat de maximaal toelaatbare fouten of de maximaal toelaatbare waarde van het drukverlies wordt overschreden.
II. Maximaal toelaatbare fouten (MTF)
De maximaal toelaatbare fout in de onderste zone van Q1 tot Q2, Q2 niet inbegrepen, (of van Qmin tot Qt, Qt niet inbegrepen) bedraagt +/- 5 % bij herijk en +/- 10% bij technische controle.
De maximaal toelaatbare fout in de bovenste zone van Q2 tot en met Q4 (of van Qt tot en met Qmax) bedraagt +/- 2 % bij herijk en +/- 4 % bij technische controle.
De maximaal toelaatbare fouten bij herijk en technische controle zijn van toepassing bij de proefvoorwaarden gedefinieerd in punt III.
III. Proefvoorwaarden en beproevingsmateriaal
1. De werkruimten en het beproevingsmateriaal moeten het mogelijk maken de ijk betrouwbaar en zonder gevaar uit te voeren.
De meters mogen in serie zijn geschakeld. In dat geval moet de uitlaatdruk van alle meters voldoende blijven om cavitatie te voorkomen. Speciale voorzieningen kunnen nodig zijn om onderlinge beĂŻnvloeding van de meters te vermijden.
De installatie kan automatische inrichtingen, aftakkingen, doorsnedevernauwingen, enz. bevatten, mits elk proefcircuit tussen te ijken meters en ijkreservoirs duidelijk is bepaald, en de inwendige lekdichtheid ervan voortdurend kan worden gecontroleerd.
Alle watertoevoersystemen zijn toegelaten, maar bij parallelschakeling van verschillende proefcircuits mag geen onderlinge beĂŻnvloeding ontstaan die onverenigbaar is met het hiernavolgende punt 2.
2. Over het algemeen worden de meters afzonderlijk beproefd, en in elk geval zo dat de afzonderlijke eigenschappen van elke meter met zekerheid kunnen worden vastgesteld.
Bij elke proef moet een zodanig volume worden doorgevoerd, dat de wijzer of de rol van het ijkschaaldeel één of meer volledige omwentelingen maakt en dat de effecten van de cyclische onregelmatigheid worden geëlimineerd.
De meetonzekerheid (betrouwbaarheidsinterval k = 2) bij de proeven is niet hoger dan 0,4% van het proefvolume.
De relatieve variatie van de waarde van de debieten gedurende elke proef mag niet groter zijn dan 2,5% van Q1 tot Q2 (of van Qmin tot Qt) en 5% van Q2 tot Q4 (of van Qt tot Qmax).
IV. Ijkverrichtingen
1. Administratief onderzoek
Het administratief onderzoek wordt gedefinieerd als de controle van de geldigheid van de merken van conformiteit, van de ijkmerken en van de verzegelingen alsook van de aanwezigheid van de volgende opschriften op de meter :
a) de naam van de fabrikant of het fabrieksmerk;
b) de typebenaming van de meter;
c) het permanent debiet (Q3) (of het nominaal meetvermogen (Qn)) in kubieke meter per uur;
d) de verhouding Q3/Q1 (of de metrologische klasse, voor de meters in gebruik genomen op basis van het koninklijk besluit van 18 februari 1977 betreffende de koudwatermeters);
e) het jaartal en het serienummer;
f) de aanduiding van de stromingsrichting;
g) het nummer van het EG-typecertificaat (of het modelgoedkeuringsteken, voor de meters in gebruik genomen op basis van het koninklijk besluit van 18 februari 1977 betreffende de koudwatermeters);
h) de maximale bedrijfsdruk in bar, indien deze meer dan 10 bar kan bedragen;
i) de aanduiding van de toelaatbare stand, tenzij de meter in elke stand kan werken;
j) voor meters die in gebruik zijn genomen op basis van het koninklijk besluit van 13 juni 2006 betreffende meetinstrumenten : de CE-markering en de aanvullende metrologische markering.
2. Metrologische proeven
De ijk omvat een nauwkeurigheidsproef bij ten minste drie debieten :
a) tussen 0,9 Q4 en Q4 (of tussen 0,9 Qmax en Qmax)
b) tussen Q2 en 1,1 Q2 (of tussen Qt en 1,1 Qt)
c) tussen Q1 en 1,1 Q1 (of tussen Qmin en 1,1 Qmin).
De maximaal toelaatbare fouten zijn die van punt II.
3. Verzegeling en plaats van de ijkmerken
Bij het einde van de ijkverrichtingen worden de verbroken zegels van de beschermende inrichtingen vervangen die het demonteren of veranderen van de meter of de justeerinrichting voorkomen.
Het ijkmerk wordt aangebracht op een zonder demontage zichtbare plaats op een essentieel onderdeel van de meter (in principe het huis).
4. Proefverslag
Bij het einde van de ijkverrichtingen wordt een proefverslag opgesteld volgens de vereisten van artikel 34bis19 van het koninklijk besluit van 20 december 1972.
Art. N1. Annexe 1. - RÚglement relatif à la vérification périodique des compteurs d'eau froide
I. Terminologie et Définitions
I.1. Définitions générales
a. Débit
Le débit est le quotient du volume d'eau passé dans le compteur par le temps de passage de ce volume, ce dernier étant exprimé en mÚtres cubes ou litres et le temps en heure, minute ou seconde.
b. Volume débité
Le volume débité pendant un temps quelconque est le volume total d'eau qui est passé dans le compteur pendant ce temps.
c. Perte de pression
La perte de pression, signifie la perte de pression provoquée par la présence du compteur d'eau dans la conduite.
I.2. DĂ©finitions pour les compteurs mis en service sur base de l'arrĂȘtĂ© royal du 13 juin 2006 relatif aux instruments de mesure nous entendons par :
a. Débit minimal (Q1) :
Le débit le plus faible auquel le compteur d'eau fournit des indications qui satisfont aux exigences relatives aux erreurs maximales tolérées (EMT).
b. Débit de transition (Q2) :
Le débit de transition est la valeur du débit située entre les débits permanent et minimal et à laquelle l'étendue du débit est divisée en deux zones, la "zone supérieure" et la "zone inférieure". Chaque zone a une EMT caractéristique.
c. Débit permanent (Q3) :
Le débit le plus élevé auquel le compteur d'eau fonctionne de façon satisfaisante dans des conditions normales d'utilisation, c'est-à -dire dans des conditions de débit constant ou intermittent.
d. Débit de surcharge (Q4) :
Le débit de surcharge est le débit le plus élevé auquel le compteur fonctionne de façon satisfaisante pendant une courte période de temps sans se détériorer.
I.3. DĂ©finitions pour les compteurs mis en service sur base de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 fĂ©vrier 1977 relatif aux compteurs d'eau froide nous entendons par :
a. Débit minimal (Qmin) :
Le débit minimal est le débit à partir duquel tout compteur doit respecter les erreurs maximales tolérées.
b. Etendue de la charge :
L'étendue de la charge d'un compteur d'eau est délimitée par le débit maximal (Qmax) et le débit minimal (Qmin). Elle est divisée en deux zones dites inférieure et supérieure dans lesquelles les erreurs maximales tolérées sont différentes.
c. Débit de transition (Qt) :
Le débit de transition est le débit qui sépare les zones inférieure et supérieure de l'étendue de la charge et auquel les erreurs maximales tolérées subissent une discontinuité.
d. Débit nominal (Qn) :
Le débit nominal est égal à la moitié du débit maximal (Qmax) Exprimé en mÚtres cubes par heure, il sert à désigner le compteur. Au débit nominal Qn le compteur doit pouvoir fonctionner en utilisation normale, c'est-à -dire en régime permanent et en régime intermittent, en respectant les erreurs maximales tolérées.
e. Débit maximal (Qmax) :
Le débit maximal est le débit le plus élevé auquel le compteur doit pouvoir fonctionner sans détérioration, pendant des durées limitées, en respectant les erreurs maximales tolérées et sans dépasser la valeur maximale de la perte de pression.
II. Erreurs maximales tolérées (EMT)
L'erreur maximale tolérée dans la zone inférieure comprise entre Q1 à Q2, Q2 exclu, (ou de Qmin à Qt, Qt exclu) est de +/- 5 % en vérification périodique et de +/- 10 % en contrÎle technique.
L'erreur maximale tolérée dans la zone supérieure comprise entre Q2 à Q4, Q4 inclus (ou de Qt à Qmax, Qmax inclus) est de +/- 2 % en vérification périodique et de +/- 4 % en contrÎle technique.
Les erreurs maximales tolérées en vérification périodique et en contrÎle technique s'appliquent dans les conditions d'essai définies au point III.
III. Conditions et matériel d'essai
1. La disposition des locaux et du matériel d'essai doit permettre d'effectuer la vérification avec sûreté et sécurité.
Les compteurs peuvent ĂȘtre disposĂ©s en sĂ©rie. Dans ce cas, la pression de sortie de tous les compteurs doit rester suffisante pour Ă©viter la cavitation. Des dispositions spĂ©ciales peuvent ĂȘtre nĂ©cessaires afin d'Ă©viter les interrĂ©actions entre compteurs.
L'installation peut comporter des dispositifs automatiques, des dĂ©rivations, des rĂ©ductions de section, etc., sous rĂ©serve que chaque circuit d'essai entre compteurs Ă vĂ©rifier et rĂ©servoirs de contrĂŽle soit clairement dĂ©fini et que son Ă©tanchĂ©itĂ© interne puisse ĂȘtre vĂ©rifiĂ©e en permanence.
Tout systÚme d'alimentation en eau est autorisé, mais en cas de marche de plusieurs circuits d'essai, en parallÚle, il ne doit pas y avoir d'interréaction incompatible avec les dispositions définies au point 2 ci-dessous.
2. En général les compteurs sont essayés individuellement et, en tout cas, de façon à faire apparaßtre, avec certitude, les caractéristiques individuelles de chacun d'eux.
Pour chaque essai, le volume dĂ©bitĂ© doit ĂȘtre tel que l'aiguille ou le rouleau de l'Ă©chelon de vĂ©rification effectue un ou plusieurs tours complets et que les effets de la distorsion cyclique soient Ă©liminĂ©s.
L'incertitude de mesure (intervalle de confiance k=2) lors des essais n'excÚde pas 0,4 % du volume débité.
La variation relative de la valeur des débits, pendant chaque essai, ne doit pas dépasser 2,5 % de Q1 à Q2 (ou de Qmin à Qt) et 5 % de Q2 à Q4 (ou de Qt à Qmax).
IV. Opérations de vérification
1. Examen administratif
L'examen administratif est défini comme le contrÎle de la validité des marques de conformité, des marques de vérification et des scellement ainsi que la présence des inscriptions suivantes sur le compteur :
a) le nom du fabricant ou la marque de fabrique;
b) la dénomination du type du compteur;
c) le débit permanent (Q3) (ou le débit nominal (Qn)) en mÚtres cubes par heure;
d) le rapport Q3/Q1 (ou la classe mĂ©trologique pour les compteurs mis en service sur base de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 fĂ©vrier 1977 relatif aux compteurs d'eau froide);
e) l'année et le numéro de série;
f) l'indication du sens d'écoulement;
g) le numĂ©ro du certificat de type CE (ou le signe d'approbation de modĂšle pour les compteurs mis en service sur base de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 fĂ©vrier 1977 relatif aux compteurs d'eau froide);
h) la pression maximale de service en bars si elle peut ĂȘtre supĂ©rieure Ă 10 bars;
i) l'indication de la position autorisée de fonctionnement, sauf si le compteur peut fonctionner dans n'importe quelle position;
j) pour les compteurs mis en service sur base de l'arrĂȘtĂ© royal du 13 juin 2006 relatif aux instruments de mesure : le marquage CE et le marquage mĂ©trologique supplĂ©mentaire.
2. Essais métrologiques
La vérification comporte un essai de précision effectué au moins à trois débits compris respectivement :
a) entre 0,9 Q4 et Q4 (ou entre 0,9 Qmax et Qmax)
b) entre Q2 et 1,1 Q2 (ou entre Qt et 1,1 Qt)
c) entre Q1 et 1,1 Q1 (ou entre Qmin et 1,1 Qmin)
Les erreurs maximales tolérées sont celles du point II.
3. Scellement et application des marques de vérification
A la fin de la sĂ©ance de vĂ©rification les scellĂ©s brisĂ©s des dispositifs de protection qui empĂȘchent le dĂ©montage ou la modification du compteur ou de son dispositif de rĂ©glage, sont remplacĂ©s.
La marque de vérification est apposée sur une piÚce essentielle du compteur (en principe l'enveloppe) visible sans démontage.
4. Rapport d'essai
Un rapport d'essai est Ă©tabli Ă la fin de la sĂ©ance de vĂ©rification suivant les exigences de l'article 34bis19 de l'arrĂȘtĂ© royal du 20 dĂ©cembre 1972.
I. Terminologie et Définitions
I.1. Définitions générales
a. Débit
Le débit est le quotient du volume d'eau passé dans le compteur par le temps de passage de ce volume, ce dernier étant exprimé en mÚtres cubes ou litres et le temps en heure, minute ou seconde.
b. Volume débité
Le volume débité pendant un temps quelconque est le volume total d'eau qui est passé dans le compteur pendant ce temps.
c. Perte de pression
La perte de pression, signifie la perte de pression provoquée par la présence du compteur d'eau dans la conduite.
I.2. DĂ©finitions pour les compteurs mis en service sur base de l'arrĂȘtĂ© royal du 13 juin 2006 relatif aux instruments de mesure nous entendons par :
a. Débit minimal (Q1) :
Le débit le plus faible auquel le compteur d'eau fournit des indications qui satisfont aux exigences relatives aux erreurs maximales tolérées (EMT).
b. Débit de transition (Q2) :
Le débit de transition est la valeur du débit située entre les débits permanent et minimal et à laquelle l'étendue du débit est divisée en deux zones, la "zone supérieure" et la "zone inférieure". Chaque zone a une EMT caractéristique.
c. Débit permanent (Q3) :
Le débit le plus élevé auquel le compteur d'eau fonctionne de façon satisfaisante dans des conditions normales d'utilisation, c'est-à -dire dans des conditions de débit constant ou intermittent.
d. Débit de surcharge (Q4) :
Le débit de surcharge est le débit le plus élevé auquel le compteur fonctionne de façon satisfaisante pendant une courte période de temps sans se détériorer.
I.3. DĂ©finitions pour les compteurs mis en service sur base de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 fĂ©vrier 1977 relatif aux compteurs d'eau froide nous entendons par :
a. Débit minimal (Qmin) :
Le débit minimal est le débit à partir duquel tout compteur doit respecter les erreurs maximales tolérées.
b. Etendue de la charge :
L'étendue de la charge d'un compteur d'eau est délimitée par le débit maximal (Qmax) et le débit minimal (Qmin). Elle est divisée en deux zones dites inférieure et supérieure dans lesquelles les erreurs maximales tolérées sont différentes.
c. Débit de transition (Qt) :
Le débit de transition est le débit qui sépare les zones inférieure et supérieure de l'étendue de la charge et auquel les erreurs maximales tolérées subissent une discontinuité.
d. Débit nominal (Qn) :
Le débit nominal est égal à la moitié du débit maximal (Qmax) Exprimé en mÚtres cubes par heure, il sert à désigner le compteur. Au débit nominal Qn le compteur doit pouvoir fonctionner en utilisation normale, c'est-à -dire en régime permanent et en régime intermittent, en respectant les erreurs maximales tolérées.
e. Débit maximal (Qmax) :
Le débit maximal est le débit le plus élevé auquel le compteur doit pouvoir fonctionner sans détérioration, pendant des durées limitées, en respectant les erreurs maximales tolérées et sans dépasser la valeur maximale de la perte de pression.
II. Erreurs maximales tolérées (EMT)
L'erreur maximale tolérée dans la zone inférieure comprise entre Q1 à Q2, Q2 exclu, (ou de Qmin à Qt, Qt exclu) est de +/- 5 % en vérification périodique et de +/- 10 % en contrÎle technique.
L'erreur maximale tolérée dans la zone supérieure comprise entre Q2 à Q4, Q4 inclus (ou de Qt à Qmax, Qmax inclus) est de +/- 2 % en vérification périodique et de +/- 4 % en contrÎle technique.
Les erreurs maximales tolérées en vérification périodique et en contrÎle technique s'appliquent dans les conditions d'essai définies au point III.
III. Conditions et matériel d'essai
1. La disposition des locaux et du matériel d'essai doit permettre d'effectuer la vérification avec sûreté et sécurité.
Les compteurs peuvent ĂȘtre disposĂ©s en sĂ©rie. Dans ce cas, la pression de sortie de tous les compteurs doit rester suffisante pour Ă©viter la cavitation. Des dispositions spĂ©ciales peuvent ĂȘtre nĂ©cessaires afin d'Ă©viter les interrĂ©actions entre compteurs.
L'installation peut comporter des dispositifs automatiques, des dĂ©rivations, des rĂ©ductions de section, etc., sous rĂ©serve que chaque circuit d'essai entre compteurs Ă vĂ©rifier et rĂ©servoirs de contrĂŽle soit clairement dĂ©fini et que son Ă©tanchĂ©itĂ© interne puisse ĂȘtre vĂ©rifiĂ©e en permanence.
Tout systÚme d'alimentation en eau est autorisé, mais en cas de marche de plusieurs circuits d'essai, en parallÚle, il ne doit pas y avoir d'interréaction incompatible avec les dispositions définies au point 2 ci-dessous.
2. En général les compteurs sont essayés individuellement et, en tout cas, de façon à faire apparaßtre, avec certitude, les caractéristiques individuelles de chacun d'eux.
Pour chaque essai, le volume dĂ©bitĂ© doit ĂȘtre tel que l'aiguille ou le rouleau de l'Ă©chelon de vĂ©rification effectue un ou plusieurs tours complets et que les effets de la distorsion cyclique soient Ă©liminĂ©s.
L'incertitude de mesure (intervalle de confiance k=2) lors des essais n'excÚde pas 0,4 % du volume débité.
La variation relative de la valeur des débits, pendant chaque essai, ne doit pas dépasser 2,5 % de Q1 à Q2 (ou de Qmin à Qt) et 5 % de Q2 à Q4 (ou de Qt à Qmax).
IV. Opérations de vérification
1. Examen administratif
L'examen administratif est défini comme le contrÎle de la validité des marques de conformité, des marques de vérification et des scellement ainsi que la présence des inscriptions suivantes sur le compteur :
a) le nom du fabricant ou la marque de fabrique;
b) la dénomination du type du compteur;
c) le débit permanent (Q3) (ou le débit nominal (Qn)) en mÚtres cubes par heure;
d) le rapport Q3/Q1 (ou la classe mĂ©trologique pour les compteurs mis en service sur base de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 fĂ©vrier 1977 relatif aux compteurs d'eau froide);
e) l'année et le numéro de série;
f) l'indication du sens d'écoulement;
g) le numĂ©ro du certificat de type CE (ou le signe d'approbation de modĂšle pour les compteurs mis en service sur base de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 fĂ©vrier 1977 relatif aux compteurs d'eau froide);
h) la pression maximale de service en bars si elle peut ĂȘtre supĂ©rieure Ă 10 bars;
i) l'indication de la position autorisée de fonctionnement, sauf si le compteur peut fonctionner dans n'importe quelle position;
j) pour les compteurs mis en service sur base de l'arrĂȘtĂ© royal du 13 juin 2006 relatif aux instruments de mesure : le marquage CE et le marquage mĂ©trologique supplĂ©mentaire.
2. Essais métrologiques
La vérification comporte un essai de précision effectué au moins à trois débits compris respectivement :
a) entre 0,9 Q4 et Q4 (ou entre 0,9 Qmax et Qmax)
b) entre Q2 et 1,1 Q2 (ou entre Qt et 1,1 Qt)
c) entre Q1 et 1,1 Q1 (ou entre Qmin et 1,1 Qmin)
Les erreurs maximales tolérées sont celles du point II.
3. Scellement et application des marques de vérification
A la fin de la sĂ©ance de vĂ©rification les scellĂ©s brisĂ©s des dispositifs de protection qui empĂȘchent le dĂ©montage ou la modification du compteur ou de son dispositif de rĂ©glage, sont remplacĂ©s.
La marque de vérification est apposée sur une piÚce essentielle du compteur (en principe l'enveloppe) visible sans démontage.
4. Rapport d'essai
Un rapport d'essai est Ă©tabli Ă la fin de la sĂ©ance de vĂ©rification suivant les exigences de l'article 34bis19 de l'arrĂȘtĂ© royal du 20 dĂ©cembre 1972.
Art. N2. Bijlage 2. - Reglement betreffende de statistische technische controle van de koudwatermeters
I. Terminologie en Definities
I.1. Algemene definities
a. Debiet :
Het debiet is het quotiënt van het volume water dat door de meter stroomt, en de doorstroomtijd van dat volume; daarbij wordt het volume uitgedrukt in de eenheden kubieke meter of liter en de tijd in de eenheden uur, minuut of seconde.
b. Afgeleverd volume :
Het in een bepaalde tijd afgeleverd volume is de totale hoeveelheid water die in die tijd door de meter is gestroomd.
c. Drukverlies :
Onder drukverlies wordt verstaan het verlies in druk dat veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van de watermeter in de leiding.
I.2. Definities voor de meters die in gebruik zijn genomen op grond van het koninklijk besluit van 13 juni 2006 betreffende meetinstrumenten :
a. Minimaal debiet (Q1) :
Het laagste debiet waarbij de watermeter gegevens verschaft die voldoen aan de eisen inzake de maximaal toelaatbare fouten (MTF).
b. Overgangsdebiet (Q2) :
Het overgangsdebiet is de tussen het permanente en minimale debiet gelegen debietwaarde die het debietsbereik in twee zones verdeelt, de "bovenste zone" en de "onderste zone". Elke zone heeft een eigen MTF.
c. Permanent debiet (Q3) :
Het hoogste debiet waarbij de watermeter op bevredigende wijze functioneert onder normale gebruikscondities, d.w.z. onder constante of intermitterende stromingscondities.
d. Overbelastingsdebiet (Q4) :
Het overbelastingsdebiet is het hoogste debiet waarbij de meter op bevredigende wijze gedurende een korte periode zonder verslechtering functioneert.
e. Bouwjaar :
Het bouwjaar is het kalenderjaar overeenstemmend met het jaartal weergegeven in de aanvullende metrologische markering bij de CE-markering op de meter.
I.3. Definities voor de meters die in gebruik zijn genomen op grond van het koninklijk besluit van 18 februari 1977 betreffende de koudwatermeters :
a. Minimaal meetvermogen (Qmin) :
Het minimale meetvermogen is het debiet van waaraf elke meter moet voldoen aan de eisen inzake de maximaal toelaatbare fouten.
b. Belastingsbereik :
Het belastingsbereik van een watermeter wordt begrensd door het maximale meetvermogen (Qmax) en het minimale meetvermogen (Qmin). Het wordt verdeeld in een onderste en een bovenste zone, waarvoor de maximaal toelaatbare fouten verschillen.
c. Overgangsdebiet (Qt) :
Het overgangsdebiet is het debiet dat de grens vormt tussen de onderste en de bovenste zone van het belastingsbereik. Bij dit debiet vertonen de maximaal toelaatbare fouten een discontinuĂŻteit.
d. Nominaal meetvermogen (Qn) :
Het nominale meetvermogen is gelijk aan de helft van het maximale meetvermogen (Qmax). Uitgedrukt in kubieke meter per uur, dient deze grootheid ter aanduiding van de meter. Bij het nominale meetvermogen moet de meter overeenkomstig zijn normaal gebruik, dat wil zeggen zowel ononderbroken als met onderbrekingen kunnen werken, zonder dat de maximaal toelaatbare fouten worden overschreden.
e. Maximaal meetvermogen (Qmax) :
Het maximale meetvermogen is het grootste debiet waarbij de meter gedurende beperkte bedrijfsperioden moet kunnen werken zonder dat hij wordt beschadigd en zonder dat de maximaal toelaatbare fouten of de maximaal toelaatbare waarde van het drukverlies wordt overschreden.
f. Bouwjaar :
Het bouwjaar is het kalenderjaar overeenstemmend met het jaartal weergegeven bij de opschriften op de meter.
II. Statistische technische controle
1. Aan de statistische technische controle bepaald in dit reglement kunnen worden onderworpen, de in bedrijf zijnde meters waarvan meer dan 500 eenheden van een zelfde fabrikant, zelfde type, zelfde permanent debiet (of zelfde nominaal meetvermogen) en zelfde bouwjaar in het net zijn geĂŻnstalleerd. De controle wordt, voor de meters met een permanent debiet gelijk aan of kleiner dan 16 mĂŒ/u (nominaal meetvermogen gelijk aan of kleiner dan 10 mĂŒ/u) uitgevoerd in het 15e jaar volgend op het bouwjaar, en elk 4e jaar volgend op dit 15e jaar. Voor de meters met een permanent debiet groter dan 16 mĂŒ/u (nominaal meetvermogen groter dan 10 mĂŒ/u), wordt de controle uitgevoerd in het 7e jaar volgend op het bouwjaar en elk 4e jaar volgend op dit 7e jaar.
2. De meters welke in bedrijf zijn, worden verdeeld in loten.
Een lot omvat een geheel van meters gekarakteriseerd door een gegeven fabrikant, een gegeven type, een gegeven permanent debiet en een bouwjaar.
Enkel loten groter dan 500 meters komen in aanmerking voor de statistische technische controle.
Een lot kan, voorafgaand aan de trekking van de steekproef, worden gesplitst in nieuwe loten mits toelating van de Metrologische Dienst.
3. Voorleggen der loten.
Elk waterdistributiebedrijf moet elk jaar in de maand december aan de Metrologische Dienst het aantal meters in bedrijf mededelen die, wat hun bouwjaar betreft, het daaropvolgend 15 jaar of 15 + n jaar oud worden, voor meters met een permanent debiet gelijk aan of kleiner dan 16 mĂŒ/u (nominaal meetvermogen gelijk aan of kleiner dan 10 mĂŒ/u), of 7 jaar of 7 + n jaar oud worden, voor meters met een permanent debiet groter dan 16 mĂŒ/u (nominaal meetvermogen groter dan 10 mĂŒ/u), met n gelijk aan 4 of een veelvoud van 4. Voor iedere meter wordt het serienummer, de naam van de fabrikant, het type, het permanent debiet en het bouwjaar opgegeven. De meters worden gegroepeerd per lot.
4. Steekproef
Onverminderd het bepaalde in punt 11, tweede lid, wordt uit elk lot een trekking verricht, zodanig dat alle meters uit dit lot gelijke kans hebben getrokken te worden.
5. Elke meter uit deze steekproef wordt bij ten minste de volgende drie debieten aan een nauwkeurigheidsproef onderworpen :
a) tussen 0,9 Q4 en Q4 (of tussen 0,9 Qmax en Qmax)
b) tussen Q2 en 1,1 Q2 (of tussen Qt en 1,1 Qt)
c) tussen Q1 en 1,1 Q1 (of tussen Qmin en 1,1 Qmin).
De maximaal toelaatbare fouten zijn bepaald in punt III.
Een meter wordt slecht genoemd indien de fouten bij één der hierboven genoemde debieten de maximaal toelaatbare fout in bedrijf te buiten gaan.
De meters van een steekproef die sporen vertonen van frauduleuze ingrepen of die ernstige beschadigingen vertonen te wijten aan een verkeerde behandeling of aan het transport, dienen vóór de nauwkeurigheidsproeven te worden vervangen. Elke vervanging van een dergelijke meter dient afzonderlijk te worden gemotiveerd.
6. Grootte van de steekproef
I. Terminologie en Definities
I.1. Algemene definities
a. Debiet :
Het debiet is het quotiënt van het volume water dat door de meter stroomt, en de doorstroomtijd van dat volume; daarbij wordt het volume uitgedrukt in de eenheden kubieke meter of liter en de tijd in de eenheden uur, minuut of seconde.
b. Afgeleverd volume :
Het in een bepaalde tijd afgeleverd volume is de totale hoeveelheid water die in die tijd door de meter is gestroomd.
c. Drukverlies :
Onder drukverlies wordt verstaan het verlies in druk dat veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van de watermeter in de leiding.
I.2. Definities voor de meters die in gebruik zijn genomen op grond van het koninklijk besluit van 13 juni 2006 betreffende meetinstrumenten :
a. Minimaal debiet (Q1) :
Het laagste debiet waarbij de watermeter gegevens verschaft die voldoen aan de eisen inzake de maximaal toelaatbare fouten (MTF).
b. Overgangsdebiet (Q2) :
Het overgangsdebiet is de tussen het permanente en minimale debiet gelegen debietwaarde die het debietsbereik in twee zones verdeelt, de "bovenste zone" en de "onderste zone". Elke zone heeft een eigen MTF.
c. Permanent debiet (Q3) :
Het hoogste debiet waarbij de watermeter op bevredigende wijze functioneert onder normale gebruikscondities, d.w.z. onder constante of intermitterende stromingscondities.
d. Overbelastingsdebiet (Q4) :
Het overbelastingsdebiet is het hoogste debiet waarbij de meter op bevredigende wijze gedurende een korte periode zonder verslechtering functioneert.
e. Bouwjaar :
Het bouwjaar is het kalenderjaar overeenstemmend met het jaartal weergegeven in de aanvullende metrologische markering bij de CE-markering op de meter.
I.3. Definities voor de meters die in gebruik zijn genomen op grond van het koninklijk besluit van 18 februari 1977 betreffende de koudwatermeters :
a. Minimaal meetvermogen (Qmin) :
Het minimale meetvermogen is het debiet van waaraf elke meter moet voldoen aan de eisen inzake de maximaal toelaatbare fouten.
b. Belastingsbereik :
Het belastingsbereik van een watermeter wordt begrensd door het maximale meetvermogen (Qmax) en het minimale meetvermogen (Qmin). Het wordt verdeeld in een onderste en een bovenste zone, waarvoor de maximaal toelaatbare fouten verschillen.
c. Overgangsdebiet (Qt) :
Het overgangsdebiet is het debiet dat de grens vormt tussen de onderste en de bovenste zone van het belastingsbereik. Bij dit debiet vertonen de maximaal toelaatbare fouten een discontinuĂŻteit.
d. Nominaal meetvermogen (Qn) :
Het nominale meetvermogen is gelijk aan de helft van het maximale meetvermogen (Qmax). Uitgedrukt in kubieke meter per uur, dient deze grootheid ter aanduiding van de meter. Bij het nominale meetvermogen moet de meter overeenkomstig zijn normaal gebruik, dat wil zeggen zowel ononderbroken als met onderbrekingen kunnen werken, zonder dat de maximaal toelaatbare fouten worden overschreden.
e. Maximaal meetvermogen (Qmax) :
Het maximale meetvermogen is het grootste debiet waarbij de meter gedurende beperkte bedrijfsperioden moet kunnen werken zonder dat hij wordt beschadigd en zonder dat de maximaal toelaatbare fouten of de maximaal toelaatbare waarde van het drukverlies wordt overschreden.
f. Bouwjaar :
Het bouwjaar is het kalenderjaar overeenstemmend met het jaartal weergegeven bij de opschriften op de meter.
II. Statistische technische controle
1. Aan de statistische technische controle bepaald in dit reglement kunnen worden onderworpen, de in bedrijf zijnde meters waarvan meer dan 500 eenheden van een zelfde fabrikant, zelfde type, zelfde permanent debiet (of zelfde nominaal meetvermogen) en zelfde bouwjaar in het net zijn geĂŻnstalleerd. De controle wordt, voor de meters met een permanent debiet gelijk aan of kleiner dan 16 mĂŒ/u (nominaal meetvermogen gelijk aan of kleiner dan 10 mĂŒ/u) uitgevoerd in het 15e jaar volgend op het bouwjaar, en elk 4e jaar volgend op dit 15e jaar. Voor de meters met een permanent debiet groter dan 16 mĂŒ/u (nominaal meetvermogen groter dan 10 mĂŒ/u), wordt de controle uitgevoerd in het 7e jaar volgend op het bouwjaar en elk 4e jaar volgend op dit 7e jaar.
2. De meters welke in bedrijf zijn, worden verdeeld in loten.
Een lot omvat een geheel van meters gekarakteriseerd door een gegeven fabrikant, een gegeven type, een gegeven permanent debiet en een bouwjaar.
Enkel loten groter dan 500 meters komen in aanmerking voor de statistische technische controle.
Een lot kan, voorafgaand aan de trekking van de steekproef, worden gesplitst in nieuwe loten mits toelating van de Metrologische Dienst.
3. Voorleggen der loten.
Elk waterdistributiebedrijf moet elk jaar in de maand december aan de Metrologische Dienst het aantal meters in bedrijf mededelen die, wat hun bouwjaar betreft, het daaropvolgend 15 jaar of 15 + n jaar oud worden, voor meters met een permanent debiet gelijk aan of kleiner dan 16 mĂŒ/u (nominaal meetvermogen gelijk aan of kleiner dan 10 mĂŒ/u), of 7 jaar of 7 + n jaar oud worden, voor meters met een permanent debiet groter dan 16 mĂŒ/u (nominaal meetvermogen groter dan 10 mĂŒ/u), met n gelijk aan 4 of een veelvoud van 4. Voor iedere meter wordt het serienummer, de naam van de fabrikant, het type, het permanent debiet en het bouwjaar opgegeven. De meters worden gegroepeerd per lot.
4. Steekproef
Onverminderd het bepaalde in punt 11, tweede lid, wordt uit elk lot een trekking verricht, zodanig dat alle meters uit dit lot gelijke kans hebben getrokken te worden.
5. Elke meter uit deze steekproef wordt bij ten minste de volgende drie debieten aan een nauwkeurigheidsproef onderworpen :
a) tussen 0,9 Q4 en Q4 (of tussen 0,9 Qmax en Qmax)
b) tussen Q2 en 1,1 Q2 (of tussen Qt en 1,1 Qt)
c) tussen Q1 en 1,1 Q1 (of tussen Qmin en 1,1 Qmin).
De maximaal toelaatbare fouten zijn bepaald in punt III.
Een meter wordt slecht genoemd indien de fouten bij één der hierboven genoemde debieten de maximaal toelaatbare fout in bedrijf te buiten gaan.
De meters van een steekproef die sporen vertonen van frauduleuze ingrepen of die ernstige beschadigingen vertonen te wijten aan een verkeerde behandeling of aan het transport, dienen vóór de nauwkeurigheidsproeven te worden vervangen. Elke vervanging van een dergelijke meter dient afzonderlijk te worden gemotiveerd.
6. Grootte van de steekproef
Art. N2. Annexe 2. - RĂšglement relatif au contrĂŽle technique statistique des compteurs d'eau froide
I. Terminologie et Définitions
I.1. Définitions générales
a. Débit
Le débit est le quotient du volume d'eau passé dans le compteur par le temps de passage de ce volume, ce dernier étant exprimé en mÚtres cubes ou litres et le temps en heure, minute ou seconde.
b. Volume débité
Le volume débité pendant un temps quelconque est le volume total d'eau qui est passé dans le compteur pendant ce temps.
c. Perte de pression
La perte de pression, signifie la perte de pression provoquée par la présence du compteur d'eau dans la conduite.
I.2. DĂ©finitions pour les compteurs mis en service sur base de l'arrĂȘtĂ© royal du 13 juin 2006 relatif aux instruments de mesure nous entendons par :
a. Débit minimal (Q1) :
Le débit le plus faible auquel le compteur d'eau fournit des indications qui satisfont aux exigences relatives aux erreurs maximales tolérées (EMT).
b. Débit de transition (Q2) :
Le débit de transition est la valeur du débit située entre les débits permanent et minimal et à laquelle l'étendue du débit est divisée en deux zones, la "zone supérieure" et la "zone inférieure". Chaque zone a une EMT caractéristique.
c. Débit permanent (Q3) :
Le débit le plus élevé auquel le compteur d'eau fonctionne de façon satisfaisante dans des conditions normales d'utilisation, c'est-à -dire dans des conditions de débit constant ou intermittent.
d. Débit de surcharge (Q4) :
Le débit de surcharge est le débit le plus élevé auquel le compteur fonctionne de façon satisfaisante pendant une courte période de temps sans se détériorer.
e. Année de construction :
L'année de construction est l'année calendrier correspondant à l'année indiquée dans le marquage CE de l'instrument avec le marquage métrologique supplémentaire.
I.3. DĂ©finitions pour les compteurs mis en service sur base de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 fĂ©vrier 1977 relatif aux compteurs d'eau froide nous entendons par :
a. Débit minimal (Qmin) :
Le débit minimal est le débit à partir duquel tout compteur doit respecter les erreurs maximales tolérées.
b. Etendue de la charge :
L'étendue de la charge d'un compteur d'eau est délimitée par le débit maximal (Qmax) et le débitminimal (Qmin). Elle est divisée en deux zones dites inférieure et supérieure dans lesquelles les erreursmaximales tolérées sont différentes.
c. Débit de transition (Qt) :
Le débit de transition est le débit qui sépare les zones inférieure et supérieure de l'étendue de la charge et auquel les erreurs maximales tolérées subissent une discontinuité.
d. Débit nominal (Qn) :
Le débit nominal est égal à la moitié du débit maximal Qmax.
Exprimé en mÚtres cubes par heure, il sert à désigner le compteur.
Au débit nominal le compteur doit pouvoir fonctionner en utilisation normale, c'est-à -dire en régime permanent et en régime intermittent, en respectant les erreurs maximales tolérées.
e. Débit maximal (Qmax) :
Le débit maximal est le débit le plus élevé auquel le compteur doit pouvoir fonctionner sans détérioration, pendant des durées limitées, en respectant les erreurs maximales tolérées et sans dépasser la valeur maximale de la perte de pression.
f. Année de construction :
L'année de construction est l'année calendrier correspondant à l'année indiquée sur le compteur.
II. ContrĂŽle technique statistique
1. Peuvent ĂȘtre soumis au contrĂŽle technique statistique du prĂ©sent rĂšglement, les compteurs dont plus de 500 unitĂ©s, d'un mĂȘme fabricant, de mĂȘme type, de mĂȘme dĂ©bit permanent (ou dĂ©bit nominal) et de mĂȘme annĂ©e de construction, sont installĂ©es sur le rĂ©seau. Le contrĂŽle, pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent plus petit ou Ă©gal Ă 16 mĂŒ/h (dĂ©bit nominal plus petit ou Ă©gal Ă 10 mĂŒ/h), est exĂ©cutĂ© dans la 15e annĂ©e qui suit l'annĂ©e de fabrication, et chaque quatriĂšme annĂ©e qui suit cette 15e annĂ©e. Pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent plus grand que 16 mĂŒ/h (dĂ©bit nominal plus grand que 10 mĂŒ/h), le contrĂŽle est exĂ©cutĂ© dans la 7e annĂ©e qui suit l'annĂ©e de fabrication, et chaque quatriĂšme annĂ©e qui suit cette 7e annĂ©e.
2. Les compteurs en service sont divisés en lots.
Un lot comporte un ensemble des compteurs caractérisés par un fabricant donné, un type donné, un débit permanent donné et une année de construction.
Seuls les lots plus grand que 500 compteurs sont pris en considération pour le contrÎle technique statistique.
Un lot peut, avant le tirage de l'Ă©chantillon, ĂȘtre divisĂ© en nouveaux lots avec l'autorisation du Service de la MĂ©trologie.
3. Présentation des lots.
Chaque compagnie de distribution d'eau fournit au Service de la MĂ©trologie, le mois dĂ©cembre de chaque annĂ©e, le nombre de compteurs en service qui ont l'annĂ©e suivante 15 ans ou 15+ n ans d'Ăąge, pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent plus petit ou Ă©gal Ă 16 mĂŒ/h (dĂ©bit nominal Ă©gal ou plus petit Ă 10 mĂŒ/h), ou 7 ans ou 7 + n ans d'Ăąge, pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent plus grand que 16 mĂŒ/h (dĂ©bit nominal plus grand que 10 mĂŒ/h), oĂč n est Ă©gal Ă 4 ou un multiple de 4. Pour chaque compteur les donnĂ©es suivantes seront communiquĂ©es : le numĂ©ro de sĂ©rie, le nom du fabricant, le type, le dĂ©bit permanent et l'annĂ©e de fabrication. Les compteurs sont groupĂ©s par lot.
4. Echantillonnage.
Sans prĂ©judice des dispositions du point 11, alinĂ©a 2, un tirage au sort est effectuĂ© dans chaque lot de telle sorte que tous les compteurs constituant ce lot aient la mĂȘme possibilitĂ© d'ĂȘtre prĂ©levĂ©s.
5. Chaque compteur de cet échantillonnage est soumis aux essais de précision effectués au moins à trois débits compris respectivement :
a) entre 0,9 Q4 et Q4 (ou entre 0,9 Qmax et Qmax)
b) entre Q2 et 1,1 Q2 (ou entre Qt et 1,1 Qt)
c) entre Q1 et 1,1 Q1 (ou entre Qmin et 1,1 Qmin).
Les erreurs maximales tolérées sont celles prévues au point III.
Un compteur est déclaré défectueux si l'erreur à l'un des débits précités dépasse l'erreur maximale tolérée pour les compteurs en service.
Les compteurs d'un Ă©chantillon prĂ©sentant des signes d'opĂ©rations frauduleuses ou des dommages en raison d'une mauvaise manipulation ou du transport, doivent ĂȘtre remplacĂ©s avant les essais de prĂ©cision. Le remplacement de ces compteurs doit ĂȘtre expliquĂ© sĂ©parĂ©ment.
6. Grandeur de l'échantillonnage.
I. Terminologie et Définitions
I.1. Définitions générales
a. Débit
Le débit est le quotient du volume d'eau passé dans le compteur par le temps de passage de ce volume, ce dernier étant exprimé en mÚtres cubes ou litres et le temps en heure, minute ou seconde.
b. Volume débité
Le volume débité pendant un temps quelconque est le volume total d'eau qui est passé dans le compteur pendant ce temps.
c. Perte de pression
La perte de pression, signifie la perte de pression provoquée par la présence du compteur d'eau dans la conduite.
I.2. DĂ©finitions pour les compteurs mis en service sur base de l'arrĂȘtĂ© royal du 13 juin 2006 relatif aux instruments de mesure nous entendons par :
a. Débit minimal (Q1) :
Le débit le plus faible auquel le compteur d'eau fournit des indications qui satisfont aux exigences relatives aux erreurs maximales tolérées (EMT).
b. Débit de transition (Q2) :
Le débit de transition est la valeur du débit située entre les débits permanent et minimal et à laquelle l'étendue du débit est divisée en deux zones, la "zone supérieure" et la "zone inférieure". Chaque zone a une EMT caractéristique.
c. Débit permanent (Q3) :
Le débit le plus élevé auquel le compteur d'eau fonctionne de façon satisfaisante dans des conditions normales d'utilisation, c'est-à -dire dans des conditions de débit constant ou intermittent.
d. Débit de surcharge (Q4) :
Le débit de surcharge est le débit le plus élevé auquel le compteur fonctionne de façon satisfaisante pendant une courte période de temps sans se détériorer.
e. Année de construction :
L'année de construction est l'année calendrier correspondant à l'année indiquée dans le marquage CE de l'instrument avec le marquage métrologique supplémentaire.
I.3. DĂ©finitions pour les compteurs mis en service sur base de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 fĂ©vrier 1977 relatif aux compteurs d'eau froide nous entendons par :
a. Débit minimal (Qmin) :
Le débit minimal est le débit à partir duquel tout compteur doit respecter les erreurs maximales tolérées.
b. Etendue de la charge :
L'étendue de la charge d'un compteur d'eau est délimitée par le débit maximal (Qmax) et le débitminimal (Qmin). Elle est divisée en deux zones dites inférieure et supérieure dans lesquelles les erreursmaximales tolérées sont différentes.
c. Débit de transition (Qt) :
Le débit de transition est le débit qui sépare les zones inférieure et supérieure de l'étendue de la charge et auquel les erreurs maximales tolérées subissent une discontinuité.
d. Débit nominal (Qn) :
Le débit nominal est égal à la moitié du débit maximal Qmax.
Exprimé en mÚtres cubes par heure, il sert à désigner le compteur.
Au débit nominal le compteur doit pouvoir fonctionner en utilisation normale, c'est-à -dire en régime permanent et en régime intermittent, en respectant les erreurs maximales tolérées.
e. Débit maximal (Qmax) :
Le débit maximal est le débit le plus élevé auquel le compteur doit pouvoir fonctionner sans détérioration, pendant des durées limitées, en respectant les erreurs maximales tolérées et sans dépasser la valeur maximale de la perte de pression.
f. Année de construction :
L'année de construction est l'année calendrier correspondant à l'année indiquée sur le compteur.
II. ContrĂŽle technique statistique
1. Peuvent ĂȘtre soumis au contrĂŽle technique statistique du prĂ©sent rĂšglement, les compteurs dont plus de 500 unitĂ©s, d'un mĂȘme fabricant, de mĂȘme type, de mĂȘme dĂ©bit permanent (ou dĂ©bit nominal) et de mĂȘme annĂ©e de construction, sont installĂ©es sur le rĂ©seau. Le contrĂŽle, pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent plus petit ou Ă©gal Ă 16 mĂŒ/h (dĂ©bit nominal plus petit ou Ă©gal Ă 10 mĂŒ/h), est exĂ©cutĂ© dans la 15e annĂ©e qui suit l'annĂ©e de fabrication, et chaque quatriĂšme annĂ©e qui suit cette 15e annĂ©e. Pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent plus grand que 16 mĂŒ/h (dĂ©bit nominal plus grand que 10 mĂŒ/h), le contrĂŽle est exĂ©cutĂ© dans la 7e annĂ©e qui suit l'annĂ©e de fabrication, et chaque quatriĂšme annĂ©e qui suit cette 7e annĂ©e.
2. Les compteurs en service sont divisés en lots.
Un lot comporte un ensemble des compteurs caractérisés par un fabricant donné, un type donné, un débit permanent donné et une année de construction.
Seuls les lots plus grand que 500 compteurs sont pris en considération pour le contrÎle technique statistique.
Un lot peut, avant le tirage de l'Ă©chantillon, ĂȘtre divisĂ© en nouveaux lots avec l'autorisation du Service de la MĂ©trologie.
3. Présentation des lots.
Chaque compagnie de distribution d'eau fournit au Service de la MĂ©trologie, le mois dĂ©cembre de chaque annĂ©e, le nombre de compteurs en service qui ont l'annĂ©e suivante 15 ans ou 15+ n ans d'Ăąge, pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent plus petit ou Ă©gal Ă 16 mĂŒ/h (dĂ©bit nominal Ă©gal ou plus petit Ă 10 mĂŒ/h), ou 7 ans ou 7 + n ans d'Ăąge, pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent plus grand que 16 mĂŒ/h (dĂ©bit nominal plus grand que 10 mĂŒ/h), oĂč n est Ă©gal Ă 4 ou un multiple de 4. Pour chaque compteur les donnĂ©es suivantes seront communiquĂ©es : le numĂ©ro de sĂ©rie, le nom du fabricant, le type, le dĂ©bit permanent et l'annĂ©e de fabrication. Les compteurs sont groupĂ©s par lot.
4. Echantillonnage.
Sans prĂ©judice des dispositions du point 11, alinĂ©a 2, un tirage au sort est effectuĂ© dans chaque lot de telle sorte que tous les compteurs constituant ce lot aient la mĂȘme possibilitĂ© d'ĂȘtre prĂ©levĂ©s.
5. Chaque compteur de cet échantillonnage est soumis aux essais de précision effectués au moins à trois débits compris respectivement :
a) entre 0,9 Q4 et Q4 (ou entre 0,9 Qmax et Qmax)
b) entre Q2 et 1,1 Q2 (ou entre Qt et 1,1 Qt)
c) entre Q1 et 1,1 Q1 (ou entre Qmin et 1,1 Qmin).
Les erreurs maximales tolérées sont celles prévues au point III.
Un compteur est déclaré défectueux si l'erreur à l'un des débits précités dépasse l'erreur maximale tolérée pour les compteurs en service.
Les compteurs d'un Ă©chantillon prĂ©sentant des signes d'opĂ©rations frauduleuses ou des dommages en raison d'une mauvaise manipulation ou du transport, doivent ĂȘtre remplacĂ©s avant les essais de prĂ©cision. Le remplacement de ces compteurs doit ĂȘtre expliquĂ© sĂ©parĂ©ment.
6. Grandeur de l'échantillonnage.
| Aantal van het lot | Aantal meters van de steekproef | Criterium van afkeuring |
| 501 tot en met 1200 | 80 | 6 |
| 1201 en meer | 125 | 11 |
Het criterium van afkeuring wordt gevormd door het maximaal toegestaan aantal van slechte meters in de steekproef, plus één. Het lot is aanvaard indien het aantal slechte meters in de steekproef kleiner is dan het aantal voorgeschreven als criterium van afkeuring en indien het gemiddelde van de fouten van de meters in de steekproef binnen de grenzen ligt van de maximale toegelaten fouten bij herijk, bepaald in bijlage I. In geval van niet aanvaarding van het lot mag een tweede reeks proeven worden uitgevoerd overeenkomstig het dubbel steekproefplan dat in de hierna volgende tabel wordt weergegeven.
| Nombre de compteurs du lot | Nombre de compteurs constituant l'échantillon | CritÚre de rejet |
| 501 Ă 1200 | 80 | 6 |
| 1201 et plus | 125 | 11 |
Le critĂšre de rejet est formĂ© par le nombre maximum autorisĂ© de compteurs dĂ©fectueux dans l'Ă©chantillon, plus un. Le lot est acceptĂ© si le nombre de compteurs dĂ©fectueux est infĂ©rieur au nombre prĂ©vu comme critĂšre de rejet et si la moyenne des erreurs des compteurs repris dans l'Ă©chantillonnage est comprise dans les limites d'erreurs maximales tolĂ©rĂ©es en vĂ©rification pĂ©riodique, spĂ©cifiĂ©es dans l'annexe I. En cas de refus du lot, une deuxiĂšme sĂ©rie d'essais peut ĂȘtre exĂ©cutĂ©e conformĂ©ment au plan d'Ă©chantillonnage double qui est repris dans le tableau suivant.
| Aantal meters van het lot | Dubbele steekproef | Criterium van definitieve aanvaarding | Criterium van definitieve afkeuring |
| 501 tot en met 1200 | eerste 50 tweede 50 | C1 <= 2 C1 + C2 <= 6 | C1 >= 5 C1 + C2 >= 7 |
| 1201 en meer | eerste 80 tweede 80 | C1 <= 5 C1 + C2 <= 12 | C1 >= 9 C1 + C2 >= 13 |
tweede 50 C1 <= 2
C1 + C2 <= 6 C1 >= 5
C1 + C2 >= 71201 en meer eerste 80
tweede 80 C1 <= 5
C1 + C2 <= 12 C1 >= 9 C1 + C2 >= 13
C 1 : aantal slechte meters van de eerste steekproef.
C 2 : aantal slechte meters van de tweede steekproef.
Indien het aantal slechte meters in de eerste steekproef van de dubbele steekproef kleiner dan of gelijk is aan het criterium voor definitieve aanvaarding, is het lot aanvaard. Indien het aantal slechte meters groter dan of gelijk is aan het criterium voor definitieve afkeuring, wordt het lot afgekeurd. Indien het aantal slechte meters gevonden in de eerste steekproef tussen het eerste criterium voor definitieve aanvaarding en definitieve afkeuring ligt, moet er een tweede steekproef uitgevoerd worden. Het aantal slechte meters in de eerste en de tweede steekproef moet samengeteld worden. Indien het aldus bekomen totaal aantal slechte meters kleiner dan of gelijk is aan het tweede criterium voor definitieve aanvaarding, wordt het lot aanvaard. In tegengesteld geval wordt het lot afgekeurd.
7. De meters van de steekproef waarvan de fouten niet binnen de grenzen liggen vereist voor de herijk, bepaald in bijlage I, mogen slechts na het ondergaan van een herstelling gevolgd door de herijk na herstelling weer in het net geplaatst worden.
8. De statistische technische controle van een lot vindt plaats voor het einde van het jaar waarin de meters 15 jaar oud worden, voor meters met een permanent debiet gelijk aan of kleiner dan 10 mĂŒ/u, of 7 jaar oud worden, voor meters met een permanent debiet groter dan 10 mĂŒ/u, en voor het einde van elke daaropvolgende verlenging van de gebruiksperiode.
9. De gebruiksperiode van de meters van een aanvaard lot wordt met vier jaar verlengd.
10. De meters van een definitief afgekeurd lot moeten vervangen worden voor 31 december van het tweede jaar dat volgt op het jaar tijdens hetwelk het lot definitief is afgekeurd.
11. Administratieve voorschriften. Elk waterdistributiebedrijf moet de nodige schikkingen treffen om, voor iedere meter, over de volgende inlichtingen in een gemakkelijk te consulteren vorm te kunnen beschikken :
- de fabrikant;
- het type van de meter;
- het permanent debiet (of het nominaal meetvermogen);
- het bouwjaar;
- het serienummer of fabricagenummer;
- de plaats van opstelling.
Het aantal meters van de steekproef zal over de distributiebedrijven worden gespreid in verhouding tot het percentage van hun meters in het totale lot. De keuze van de uit het net weg te nemen meters en de wijze waarop dit geschiedt, worden in onderling overleg tussen de distributiebedrijven en de ambtenaren van de Metrologische Dienst vastgesteld.
12. Meters die een herstelling hebben ondergaan, maken geen deel meer uit van het oorspronkelijke lot waartoe ze behoorden. Deze meters kunnen, mits toelating van de Metrologische Dienst en onder de voorwaarden bepaald in punt 2, een nieuw lot vormen, waarbij het jaar waarin de herijk na herstelling heeft plaatsgevonden als nieuw bouwjaar wordt beschouwd.
III. Maximaal toelaatbare fouten voor de statistische technische controle
De maximaal toelaatbare fout in de onderste zone van Q1 tot Q2, Q2 niet inbegrepen, (of van Qmin tot Qt, Qt niet inbegrepen) bedraagt +/- 10 % bij technische controle.
De maximaal toelaatbare fout in de bovenste zone van Q2 tot en met Q4 (of van Qt tot en met Qmax) bedraagt +/- 4 % bij technische controle.
IV. Proefvoorwaarden en beproevingsmateriaal
1. De werkruimten en het beproevingsmateriaal moeten het mogelijk maken de ijk betrouwbaar en zonder gevaar uit te voeren.
De meters mogen in serie zijn geschakeld. In dat geval moet de uitlaatdruk van alle meters voldoende blijven om cavitatie te voorkomen. Speciale voorzieningen kunnen nodig zijn om onderlinge beĂŻnvloeding van de meters te vermijden.
De installatie kan automatische inrichtingen, aftakkingen, doorsnedevernauwingen, enz. bevatten, mits elk proefcircuit tussen te ijken meters en ijkreservoirs duidelijk is bepaald, en de inwendige lekdichtheid ervan voortdurend kan worden gecontroleerd.
Alle watertoevoersystemen zijn toegelaten, maar bij parallelschakeling van verschillende proefcircuits mag geen onderlinge beĂŻnvloeding ontstaan die onverenigbaar is met het hiernavolgende punt 2.
2. Over het algemeen worden de meters afzonderlijk beproefd, en in elk geval zo dat de afzonderlijke eigenschappen van elke meter met zekerheid kunnen worden vastgesteld.
Bij elke proef moet een zodanig volume worden doorgevoerd, dat de wijzer of de rol van het ijkschaaldeel één of meer volledige omwentelingen maakt en dat de effecten van de cyclische onregelmatigheid worden geëlimineerd.
De meetonzekerheid (betrouwbaarheidsinterval k=2) bij de proeven is niet hoger dan 0,4 % van het proefvolume.
De relatieve variatie van de waarde van de debieten gedurende elke proef mag niet groter zijn dan 2,5% van Q1 tot Q2 (of van Qmin tot Qt) en 5% van Q2 tot Q4 (of van Qt tot Qmax).
| Nombre de compteurs du lot | Echantillonnage double | CritÚre d'acceptation définitive | CritÚre de rejet définitif |
| 501 Ă 1200 | premier 50 deuxiĂšme 50 | C1 <= 2 C1 + C2 <= 6 | C1 >= 5 C1 + C2 >= 7 |
| 1201 et plus | premier 80 deuxiĂšme 80 | C1 <= 5 C1 + C2 <= 12 | C1 >= 9 C1 + C2 >= 13 |
deuxiĂšme 50 C1 <= 2
C1 + C2 <= 6 C1 >= 5
C1 + C2 >= 71201 et plus premier 80
deuxiĂšme 80 C1 <= 5
C1 + C2 <= 12 C1 >= 9
C1 + C2 >= 13
C 1 : nombre de compteurs défectueux du premier échantillon,
C 2 : nombre de compteurs défectueux du deuxiÚme échantillon.
Si le nombre de compteurs dĂ©fectueux trouvĂ©s dans le premier Ă©chantillon de l'Ă©chantillonnage double est infĂ©rieur ou Ă©gal au critĂšre d'acceptation dĂ©finitive, le lot est acceptĂ©. Si le nombre de compteurs dĂ©fectueux est Ă©gal ou supĂ©rieur au critĂšre de rejet dĂ©finitif, le lot est refusĂ©. Si le nombre de compteurs dĂ©fectueux trouvĂ©s dans le premier Ă©chantillon est compris entre le premier critĂšre d'acceptation dĂ©finitive et de refus dĂ©finitif, un deuxiĂšme Ă©chantillon doit ĂȘtre prĂ©levĂ©. Les nombres de compteurs dĂ©fectueux trouvĂ©s dans le premier Ă©chantillon et dans le deuxiĂšme Ă©chantillon doivent ĂȘtre cumulĂ©s. Si la somme ainsi trouvĂ©e est infĂ©rieure ou Ă©gale au deuxiĂšme critĂšre d'acceptation dĂ©finitive, le lot est acceptĂ©; dans le cas contraire, il est refusĂ©.
7. Les compteurs repris dans les Ă©chantillons ne satisfaisant pas aux limites d'erreurs de la vĂ©rification pĂ©riodique spĂ©cifiĂ©es dans l'annexe I, ne peuvent ĂȘtre rĂ©introduits dans le rĂ©seau qu'aprĂšs avoir subi une rĂ©paration suivie d'une vĂ©rification pĂ©riodique aprĂšs rĂ©paration.
8. Le contrĂŽle technique statistique d'un lot a lieu avant la fin de l'annĂ©e dans laquelle les compteurs ont 15 ans d'Ăąge, pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent infĂ©rieur ou Ă©gal Ă 10 mĂŒ/h, ou 7 ans d'Ăąge, pour les compteurs ayant un dĂ©bit permanent supĂ©rieur Ă 10 mĂŒ/h, et avant la fin de toute extension ultĂ©rieure de la pĂ©riode d'utilisation.
9. La période d'utilisation des compteurs d'un lot accepté est prolongée de quatre années.
10. Les compteurs d'un lot dĂ©finitivement refusĂ© doivent ĂȘtre remplacĂ©s avant le 31 dĂ©cembre de la deuxiĂšme annĂ©e qui suit celle du refus dĂ©finitif de ce lot.
11. Prescriptions administratives.
Chaque distributeur d'eau doit prendre toutes les dispositions nécessaires, pour chaque compteur, afin de pouvoir disposer sous une forme facilement consultable les renseignements suivants :
- le fabricant;
- le type de compteur;
- le débit permanent (ou le débit nominal);
- l'année de construction;
- le numéro de fabrication ou de série;
- le lieu d'installation du compteur.
Le nombre de compteurs de l'échantillonnage sera réparti parmi les distributeurs proportionnellement au pourcentage de leurs compteurs dans le total du lot. Le choix des compteurs à enlever du réseau ainsi que les modalités de cet enlÚvement sont fixés d'un commun accord entre les distributeurs et les agents du Service de la Métrologie.
12. Les compteurs qui ont subi une réparation, ne font plus partie du lot initial. Ces compteurs, moyennant une autorisation du Service de la Métrologie et sous les conditions du point 2, peuvent former un nouveau lot pour lequel l'année de construction est l'année de vérification périodique aprÚs réparation.
III. Erreurs maximales tolérées pour le contrÎle technique statistique
L'erreur maximale tolérée dans la zone inférieure comprise de Q1 à Q2, Q2 exclu (ou de Qmin à Qt, Qt exclu) est de +/-10 % en contrÎle technique.
L'erreur maximale tolérée dans la zone supérieure comprise de Q2 à Q4, Q4 inclus (ou de Qt à Qmax, Qmax inclus) est de +/- 4 % en contrÎle technique.
IV. Conditions et matériel d'essai
1. La disposition des locaux et du matériel d'essai doit permettre d'effectuer la vérification avec sûreté et sécurité.
Les compteurs peuvent ĂȘtre disposĂ©s en sĂ©rie. Dans ce cas, la pression de sortie de tous les compteurs doit rester suffisante pour Ă©viter la cavitation. Des dispositions spĂ©ciales peuvent ĂȘtre nĂ©cessaires afin d'Ă©viter les interrĂ©actions entre compteurs.
L'installation peut comporter des dispositifs automatiques, des dĂ©rivations, des rĂ©ductions de section, etc., sous rĂ©serve que chaque circuit d'essai entre compteurs Ă vĂ©rifier et rĂ©servoirs de contrĂŽle soit clairement dĂ©fini et que son Ă©tanchĂ©itĂ© interne puisse ĂȘtre vĂ©rifiĂ©e en permanence.
Tout systÚme d'alimentation en eau est autorisé, mais en cas de marche de plusieurs circuits d'essai, en parallÚle, il ne doit pas y avoir d'interréaction incompatible avec les dispositions définies au point 2 ci-dessous.
2. En général les compteurs sont essayés individuellement et, en tout cas, de façon à faire apparaßtre, avec certitude, les caractéristiques individuelles de chacun d'eux.
Pour chaque essai, le volume dĂ©bitĂ© doit ĂȘtre tel que l'aiguille ou le rouleau de l'Ă©chelon de vĂ©rification effectue un ou plusieurs tours complets et que les effets de la distorsion cyclique soient Ă©liminĂ©s.
L'incertitude de mesure (intervalle de confiance k=2) lors des essais n'excÚde pas 0,4 % du volume débité.
La variation relative de la valeur des débits, pendant chaque essai, ne doit pas dépasser 2,5 % de Q1 à Q2 (ou de Qmin à Qt) et 5 % de Q2 à Q4 (ou de Qt à Qmax).