Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
3 APRIL 2014. - Ordonnantie betreffende de co-existentie van genetisch gemodificeerde teelten met gangbare en biologische teelten
Titre
3 AVRIL 2014. - Ordonnance relative à la coexistence des cultures génétiquement modifiées avec les cultures conventionnelles et les cultures biologiques
Documentinformatie
Numac: 2014031327
Datum: 2014-04-03
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014031327
Date: 2014-04-03
Moniteur: Voir
Tekst (10)
Texte (10)
Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
Article 1er. La présente ordonnance règle une matière visée à l'article 39 de la Constitution.
Art. 2. Deze ordonnantie stelt de regels vast inzake co-existentie tussen gangbare teelten, biologische teelten en genetisch gemodificeerde teelten, overeenkomstig artikel 26bis van Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad.
Art. 2. La présente ordonnance fixe les règles de coexistence entre cultures conventionnelles, cultures biologiques et cultures génétiquement modifiées, en conformité avec l'article 26bis de la Directive 2001/18/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 mars 2001 relative à la dissémination volontaire d'organismes génétiquement modifiés dans l'environnement et abrogeant la Directive 90/220/CEE du Conseil.
Art. 3. Voor de toepassing van deze ordonnantie en haar uitvoeringsmaatregelen wordt verstaan onder :
  1° " genetisch gemodificeerde plant " : een genetisch gemodificeerd organisme in de vorm van een plant of deel daarvan met het vermogen tot replicatie of tot overdracht van genetisch materiaal, en waarvan het genetische materiaal veranderd is op een wijze welke van nature door voortplanting en/of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is;
  2° " genetisch gemodificeerd organisme " : een organisme, met uitzondering van menselijke wezens, waarvan het genetische materiaal veranderd is op een wijze welke van nature door voortplanting en/of door natuurlijke recombinatie niet mogelijk is, overeenkomstig artikel 2, 2°, van het koninklijk besluit van 21 februari 2005 tot reglementering van de doelbewuste introductie in het leefmilieu evenals van het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen of van producten die er bevatten;
  3° " genetisch gemodificeerde gewas " : teelt van genetisch gemodificeerde planten die wordt geplant op basis van pootmateriaal dat de vermelding " genetisch gemodificeerd organisme " draagt, of vermeldt dat het genetisch gemodificeerd organismen bevat, overeenkomstig de geldende wetgeving;
  4° " teelt " : elke teelt van een plantaardig materiaal;
  5° " producent " : elke natuurlijke of rechtspersoon met een producentnummer die zelf of met tussenkomst van anderen maar voor eigen rekening een gewas aanplant, met inbegrip van de daaraan verbonden verrichtingen van vervoer en goederenopslag;
  6° " Regering " : de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.
Art. 3. Pour l'application de la présente ordonnance et de ses mesures d'exécution, l'on entend par :
  1° " plante génétiquement modifiée " : organisme génétiquement modifié sous la forme de plante ou une partie de plante capable de se reproduire ou de transférer du matériel génétique modifié d'une manière qui ne s'effectue pas naturellement, par multiplication et/ou recombinaison naturelle;
  2° " organisme génétiquement modifié " : organisme, à l'exception des êtres humains, dont le matériel génétique a été modifié d'une manière qui ne s'effectue pas naturellement, par multiplication et/ou recombinaison naturelle, conformément à l'article 2, 2°, de l'arrêté royal du 21 février 2005 réglementant la dissémination volontaire dans l'environnement ainsi que la mise sur le marché d'organismes génétiquement modifiés ou de produits en contenant;
  3° " culture génétiquement modifiée " : culture de plantes génétiquement modifiées mise en place à partir d'un matériel de plantation étiqueté " organisme génétiquement modifié ", ou étiqueté comme contenant des organismes génétiquement modifiés, conformément à la législation en vigueur;
  4° " mise en culture " : toute mise en croissance d'un matériel végétal;
  5° " producteur " : toute personne morale ou physique ayant un numéro de producteur, et mettant en place une culture pour son compte, directement ou par le biais d'autres personnes, y compris les opérations de transport et de stockage y afférents;
  6° " Gouvernement " : le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale.
Art. 4. Deze ordonnantie is van toepassing op elke producent van genetisch gemodificeerde gewassen op basis van variëteiten die in de handel mogen worden gebracht overeenkomstig het koninklijk besluit van 21 februari 2005 tot reglementering van de doelbewuste introductie in het leefmilieu evenals van het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen of van producten die er bevatten en de Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders.
Art. 4. La présente ordonnance s'applique à tout producteur de cultures génétiquement modifiées établies à partir de variétés dont la mise sur le marché a été autorisée conformément à l'arrêté royal du 21 février 2005 réglementant la dissémination volontaire dans l'environnement ainsi que la mise sur le marché d'organismes génétiquement modifiés ou de produits en contenant, et au Règlement (CE) n° 1829/2003 du Parlement européen et du Conseil du 22 septembre 2003 concernant les denrées alimentaires et les aliments pour animaux génétiquement modifiés.
Art. 5. Elke teelt van genetisch gemodificeerde planten in de open lucht is verboden.
Art. 5. Toute mise en culture de plantes génétiquement modifiées en plein air est interdite.
Art. 6. De door de Regering aangestelde, en door haar gemachtigde ambtenaren om toezicht en controle uit te oefenen op de naleving van de bepalingen van deze ordonnantie en haar uitvoeringsmaatregelen, sporen de inbreuken op de voormelde ordonnantie en de voormelde uitvoeringsmaatregelen op en stellen ze vast.
  De voormelde ambtenaren leggen de eed af in handen van de minister van de overheid waarvan ze afhangen of van de ambtenaar die door deze werd aangeduid. Ze zijn voorzien van een legitimatiebewijs dat ze op verzoek onverwijld voorleggen.
  De Regering stelt het model en de inhoud van het legitimatiebewijs vast.
Art. 6. Les agents désignés par le Gouvernement et habilités par celui-ci à surveiller et à contrôler le respect des dispositions de la présente ordonnance et de ses mesures d'exécution, recherchent et constatent les infractions à ladite ordonnance et auxdites mesures d'exécution.
  Lesdits agents prêtent serment entre les mains du ministre de l'autorité duquel ils relèvent ou du fonctionnaire que ce dernier délègue. Ils portent une légitimation et la produisent immédiatement sur demande.
  Le Gouvernement détermine le modèle de la légitimation ainsi que son contenu.
Art. 7. § 1. Tijdens en binnen de grenzen van de uitoefening van hun opdracht kunnen de ambtenaren als bedoeld in artikel 6 elk onderzoek en elk toezicht verrichten.
  Zij kunnen zich alle inlichtingen en stukken laten voorleggen die ze nuttig achten om er zich van te vergewissen dat de bepalingen van deze ordonnantie en haar uitvoeringsmaatregelen worden nageleefd.
  Bij de uitoefening van hun functies en onverminderd de bepalingen van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en haar uitvoeringsbesluiten :
  1° hebben de ambtenaren als bedoeld in artikel 6 te allen tijde vrije toegang tot de bedrijfsgronden, -uitrustingen en -lokalen.
  Tot de bewoonde lokalen hebben zij evenwel enkel toegang wanneer de rechter in de politierechtbank daartoe vooraf toestemming heeft verleend, onverminderd de bepalingen van de artikelen 1, tweede lid, 3° en 1bis van de wet van 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize of huiszoeking mag worden verricht. De aanvragen van toegang tot bewoonde lokalen na 21 uur en voor 5 uur moeten uitdrukkelijk met redenen omkleed zijn;
  2° kunnen de ambtenaren als bedoeld in artikel 6 de bijstand van de lokale en federale politie vorderen;
  3° kunnen de ambtenaren als bedoeld in artikel 6 inzonderheid :
  a) inlichtingen en adviezen geven aan de producent, in het bijzonder over de meest doeltreffende middelen om de bepalingen na te leven van deze ordonnantie en haar uitvoeringsmaatregelen;
  b) personen ondervragen over feiten die relevant zijn voor de uitoefening van het toezicht;
  c) stalen nemen of laten nemen met het oog op de analyse ervan;
  d) de noodzakelijke bewarende maatregelen nemen;
  e) vaststellingen doen door middel van het maken van foto's, film- en video-opnamen;
  f) ter plaatse de onmiddellijke stopzetting bevelen van elke krachtens artikel 5 verboden teelt van genetisch gemodificeerde planten.
  § 2. Wanneer de door de Regering aangestelde ambtenaren de onmiddellijke stopzetting bevelen van elke verboden teelt van genetisch gemodificeerde planten, zijn ze ertoe gemachtigd om alle maatregelen te nemen, met inbegrip van verzegeling en inbeslagname van materiaal en materieel, om het bevel tot stopzetting te kunnen toepassen.
  De stopzetting wordt opgelegd door middel van een schriftelijk bevel tot onmiddellijke stopzetting van de teelt.
  Als ze niemand ter plaatse aantreffen, brengen ze het voormeld bevel op een zichtbare plaats aan.
  De vaststellingen tot stopzetting van de teelt worden vastgelegd in een proces-verbaal dat overeenkomstig artikel 8 wordt opgesteld. Een afschrift van dat proces-verbaal wordt bezorgd aan de Minister bevoegd voor Landbouwbeleid, aan de hand van elk middel dat de ontvangst door de bestemmeling bevestigt.
  Op straffe van verval moet het bevel tot stopzetting van de teelt binnen een termijn van vijftien dagen, na ontvangst door hem van het proces-verbaal en nadat de producent, zijn lasthebbers of zijn aangestelden de mogelijkheid geboden werd verweermiddelen naar voren te brengen, door de gezegde minister worden bekrachtigd. Wanneer de vervaldag, die in deze termijn is inbegrepen, een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, dan wordt deze verplaatst op de eerstvolgende werkdag.
  De gezegde bekrachtiging wordt binnen vijf werkdagen verzonden naar de bedoelde personen, aan de hand van elk middel dat de ontvangst door de bestemmeling bevestigt.
  De betrokkene kan met een procedure in kort geding de opheffing van de maatregel vorderen. De vordering wordt gebracht voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in wiens rechtsgebied de teelt gelegen is. Deel IV, Boek II, Titel VI, van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op de inleiding en de behandeling van de vordering.
Art. 7. § 1er. Les agents visés à l'article 6 peuvent, lors et dans les limites de l'exercice de leur mission, effectuer toute enquête et tout contrôle.
  Ils peuvent se faire produire tous les renseignements et documents qu'ils jugent utiles afin de s'assurer que les dispositions de la présente ordonnance et de ses mesures d'exécution sont respectées.
  Dans l'exercice de leurs fonctions et sans préjudice de l'article 8 de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'Homme et des libertés fondamentales, et de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel et de ses arrêtés d'exécution, les agents visés à l'article 6 :
  1° ont libre accès en tout temps aux terrains, équipements et locaux professionnels.
  Toutefois, dans les locaux habités, ils ne peuvent pénétrer qu'avec l'autorisation préalable du juge au tribunal de police, ceci sans préjudice des dispositions des articles 1er, alinéa 2, 3°, et 1erbis de la loi du 7 juin 1969 fixant le temps pendant lequel il ne peut être procédé à des perquisitions ou visites domiciliaires. Les demandes d'accès à des locaux habités après 21 heures et avant 5 heures doivent être expressément motivées;
  2° peuvent requérir l'assistance de la police locale et fédérale;
  3° peuvent notamment :
  a) fournir des renseignements et conseils au producteur, notamment sur les moyens les plus efficaces pour respecter les dispositions de la présente ordonnance et ses mesures d'exécution;
  b) questionner des personnes en matière de faits qui sont pertinents lors de l'exercice du contrôle;
  c) prendre ou faire prendre des échantillons en vue de leur analyse;
  d) procéder aux mesures conservatoires nécessaires;
  e) faire des constatations en faisant des photos et des prises de vue par film et vidéo;
  f) ordonner sur place la cessation immédiate de toute culture de plantes génétiquement modifiées interdite en vertu de l'article 5.
  § 2. Lorsque les agents désignés par le Gouvernement ordonnent la cessation immédiate de toute mise en culture de plantes génétiquement modifiées interdite, ils sont habilités à prendre toute mesure, y compris l'apposition des scellés et la saisie des matériaux et du matériel, afin de pouvoir exécuter l'ordre d'arrêt.
  L'arrêt est ordonné au moyen d'un ordre écrit de cessation immédiate de la mise en culture.
  Lorsqu'ils ne trouvent personne sur les lieux, ils affichent ledit ordre à un endroit visible.
  Les constatations de cessation de la mise en culture sont consignées dans un procès-verbal dressé conformément à l'article 8. Copie de ce procès-verbal est communiquée au Ministre ayant la Politique agricole dans ses attributions, et ce, par tout moyen accusant la réception par le destinataire.
  Sous peine de déchéance, l'ordre de cessation de la mise en culture doit être confirmé par ledit ministre, dans les quinze jours de la réception du procès-verbal par lui et après que le producteur, ses mandataires ou ses préposés ont été mis en mesure de présenter leurs moyens de défense. Lorsque le jour de l'échéance, compris dans ce délai, est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, il est reporté au plus proche jour ouvrable.
  Ladite confirmation est envoyée dans les cinq jours ouvrables aux personnes visées, et ce par tout moyen accusant la réception par le destinataire.
  L'intéressé peut demander la suppression de la mesure, au moyen d'une procédure en référé. La demande est portée devant le président du tribunal de première instance du ressort dans lequel la mise en culture est située. La Partie IV, Livre II, Titre VI du Code judiciaire s'applique à l'introduction et à l'instruction de l'action.
Art. 8. Onverminderd de bepalingen van artikel 7, § 2, zijn de ambtenaren als bedoeld in artikel 6 ertoe gemachtigd om binnen de bevoegdheden die hen overeenkomstig deze ordonnantie zijn toegewezen, mondelinge of schriftelijke raadgevingen, verwittigingen, aanmaningen en bevelen te geven, voor de pleger van de inbreuk een termijn te bepalen om zich in regel te stellen en processen-verbaal op te maken.
  De processen-verbaal die inbreuken vaststellen hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is voor zover een afschrift ervan bij ter post aangetekend schrijven ter kennis wordt gebracht van de pleger van de inbreuk en, in voorkomend geval, van de producent, zijn werkgever, binnen een termijn van veertien dagen die een aanvang neemt de dag na die waarop het laatste constitutieve element van de inbreuk wordt vastgesteld.
  Wanneer de vervaldag, die in deze termijn is inbegrepen, een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, dan wordt deze verplaatst op de eerstvolgende werkdag.
  Voor de toepassing van de termijn bedoeld in het vorige lid, vormen het geven aan de pleger van de inbreuk van een waarschuwing of het verlenen van een termijn om zich in regel te stellen geen vaststelling van de inbreuk.
  Bij het opmaken van de processen-verbaal kunnen de materiële vaststellingen verricht door de ambtenaren als bedoeld in artikel 6 gebruikt worden door de ambtenaren van dezelfde dienst en de inspecteurs van de andere inspectiediensten of door de ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van andere wetgevingen.
Art. 8. Sans préjudice des dispositions de l'article 7, deuxième paragraphe, les agents visés à l'article 6 sont habilités, dans les limites des compétences qui leur ont été attribuées conformément à la présente ordonnance, à donner des conseils, avertissements, sommations et ordres oraux ou écrits, à fixer à l'auteur de l'infraction un délai pour se mettre en règle et à dresser des procès-verbaux.
  Les procès-verbaux de constatation des infractions font foi jusqu'à preuve du contraire pour autant qu'une copie en soit communiquée sous pli recommandé à la poste à l'auteur de l'infraction et, le cas échéant, au producteur, dans un délai de quatorze jours prenant cours le lendemain du jour de la constatation du dernier élément constitutif de l'infraction.
  Lorsque le jour de l'échéance, qui est compris dans ce délai, est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, il est reporté au plus proche jour ouvrable.
  Pour l'application du délai visé à l'alinéa précédent, l'avertissement donné à l'auteur de l'infraction ou la fixation d'un délai pour se mettre en ordre n'emporte pas la constatation de l'infraction.
  Lors de l'établissement des procès-verbaux, les constatations matérielles faites par les agents visés à l'article 6 peuvent être utilisées par les agents du même service et par les inspecteurs des autres services d'inspection ou par les fonctionnaires chargés de la surveillance du respect d'autres législations.
Art. 9. § 1. Onverminderd de artikelen 269 tot en met 274 van het Strafwetboek, en, wat betreft 3° hieronder, artikel 14, 3, g) van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, wordt een administratieve geldboete van 50 tot 750 euro opgelegd aan iedere persoon die, zelfs als lasthebber of aangestelde :
  1° het krachtens artikel 5 geldende teeltverbod van genetisch gemodificeerde planten niet eerbiedigt;
  2° niet overgaat tot de onmiddellijke stopzetting van elke krachtens artikel 5 verboden teelt van genetisch gemodificeerde planten, zoals bevolen door de ambtenaren als bedoeld in artikel 6;
  3° zich verzet tegen de bezoeken, inspecties, controles of verzoeken om inlichtingen of stukken van de ambtenaren als bedoeld in artikel 6, of die bewust onjuiste of onvolledige inlichtingen of stukken verstrekt.
  Wanneer de inbreuk door een aangestelde of een lasthebber is begaan, is de administratieve geldboete alleen op de producent toepasselijk, behalve als hij kan aantonen dat hij geen fout heeft begaan omdat hij naar zijn vermogen alle maatregelen heeft genomen om te verhinderen dat het materiële element van de inbreuk zich voordoet.
  § 2. De administratieve geldboete als bedoeld in § 1 wordt toegepast zoveel maal als er teelten van genetisch gemodificeerde gewassen zijn in strijd met de bepalingen van deze ordonnantie en haar uitvoeringsmaatregelen, zonder dat het bedrag ervan hoger mag zijn dan 2.000 euro.
  § 3. Bij herhaling binnen het jaar dat volgt op een beslissing die een administratieve boete oplegt, kunnen de bedragen bedoeld in §§ 1 en 2 worden verdubbeld.
  § 4. Teneinde de daartoe door de Regering aangewezen ambtenaar toe te laten een eventuele administratieve geldboete op te leggen, bezorgen de agenten als bedoeld in artikel 6 hem een exemplaar van het proces-verbaal dat de inbreuk vaststelt.
  De daartoe door de Regering aangewezen ambtenaar beslist, nadat de pleger van de inbreuk de mogelijkheid geboden werd zijn verweermiddelen naar voren te brengen, of wegens de inbreuk een administratieve geldboete moet worden opgelegd.
  De beslissing van de ambtenaar bepaalt het bedrag van de administratieve geldboete. Zij wordt bij een ter post aangetekend schrijven aan de producent bekendgemaakt, samen met een verzoek tot betaling van de boete.
  De beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd kan niet meer worden genomen vijf jaar na het feit dat de bedoelde inbreuk oplevert.
  De betaling van de administratieve geldboete maakt een einde aan de vordering van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  § 5. Bij samenloop van verscheidene inbreuken als bedoeld in § 1, of in het geval waarin verschillende inbreuken, die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde onrechtmatig opzet, gelijktijdig worden voorgelegd aan de krachtens § 4 aangewezen ambtenaar, worden de bedragen van de administratieve geldboeten samengevoegd, zonder dat zij evenwel het bedrag van 2.000 euro mogen overschrijden.
  § 6. De opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten zijn eveneens van toepassing op de administratieve geldboeten bedoeld bij deze ordonnantie.
  De krachtens § 4 door de Regering aangewezen ambtenaar maakt in zijn beslissing melding van de vermenigvuldiging ingevolge de wet van 5 maart 1952 en vermeldt het getal dat het gevolg is van deze verhoging.
  § 7. De producent die de beslissing van de door de Regering aangewezen ambtenaar betwist, tekent op straffe van verval binnen een termijn van twee maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing, bij wege van een verzoekschrift beroep aan bij de rechtbank van eerste aanleg overeenkomstig de bepalingen van Deel IV, Boek II, Titel I, Hoofdstuk I van het Gerechtelijk Wetboek. Dit beroep schorst de uitvoering van de beslissing.
  De bepaling van het eerste lid wordt vermeld in de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd.
  § 8. De Regering bepaalt de termijn en de nadere regels voor de betaling van de administratieve geldboetes.
  § 9. Indien de producent in gebreke blijft de geldboete tijdig te betalen, betekent de krachtens § 4 door de Regering aangewezen ambtenaar zijn beslissing of deze van de rechtbank van eerste aanleg die in kracht van gewijsde is gegaan aan de door de Regering aangewezen ambtenaar, met het oog op de invordering van het bedrag van de administratieve geldboete, waarvoor deze laatste een dwangbevel kan uitvaardigen. Het uitgevaardigde dwangbevel wordt door de voornoemde ambtenaar geviseerd en uitvoerbaar verklaard.
Art. 9. § 1er. Sans préjudice des articles 269 à 274 du Code pénal, ainsi que, en ce qui concerne le 3° ci-dessous, de l'article 14, 3, g), du Pacte international relatif aux droits civils et politiques, une amende administrative de 50 à 750 euros est infligée à toute personne qui, fût-ce en qualité de mandataire ou de préposé :
  1° ne respecte pas l'interdiction de mise en culture de plantes génétiquement modifiées en vertu de l'article 5;
  2° ne procède pas à la cessation immédiate de toute mise en culture de plantes génétiquement modifiées interdite en vertu de l'article 5, telle qu'ordonnée par les agents visés à l'article 6;
  3° s'oppose aux visites, inspections, contrôles ou demandes de renseignements ou de documents des agents visés à l'article 6, ou qui fournit sciemment des renseignements ou des documents inexacts ou incomplets.
  L'amende administrative n'est appliquée qu'au producteur, même si l'infraction a été commise par un préposé ou un mandataire, sauf s'il peut démontrer qu'il n'a commis aucune faute, parce qu'il a pris toutes les mesures en son pouvoir pour empêcher que l'élément matériel de l'infraction se réalise.
  § 2. L'amende administrative visée au paragraphe premier est appliquée autant de fois qu'il y a des mises en culture de cultures génétiquement modifiées en violation des dispositions de la présente ordonnance et de ses mesures d'exécution, sans que son montant ne puisse excéder 2.000 euros.
  § 3. En cas de récidive dans l'année qui suit une décision infligeant une amende administrative, les montants visés aux premier et deuxième paragraphes peuvent être doublés.
  § 4. Afin de permettre l'application éventuelle d'une amende administrative par le fonctionnaire désigné à cette fin par le Gouvernement, les agents visés à l'article 6 lui transmettent un exemplaire du procès-verbal constatant l'infraction.
  Le fonctionnaire désigné à cette fin par le Gouvernement décide, après avoir mis l'auteur de l'infraction en mesure de présenter ses moyens de défense, s'il y a lieu d'infliger une amende administrative du chef de l'infraction.
  La décision du fonctionnaire fixe le montant de l'amende administrative. Elle est notifiée au producteur sous pli recommandé à la poste en même temps qu'une invitation à acquitter l'amende.
  La décision par laquelle l'amende administrative est infligée ne peut plus être prise cinq ans après le fait constitutif de l'infraction considérée.
  Le paiement de l'amende met fin à l'action du Ministère de la Région de Bruxelles-Capitale.
  § 5. En cas de concours de plusieurs infractions visées au paragraphe premier, ou encore, lorsque différentes infractions soumises simultanément au fonctionnaire désigné en vertu du quatrième paragraphe, constituent la manifestation successive et continue de la même intention illégitime, les montants des amendes administratives sont cumulés sans qu'ils puissent cependant excéder la somme de 2.000 euros.
  § 6. Les décimes additionnels visés à l'article 1er, alinéa premier, de la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales sont également applicables aux amendes administratives visées par la présente ordonnance.
  Le fonctionnaire désigné par le Gouvernement en vertu du quatrième paragraphe indique dans sa décision la multiplication en vertu de la loi du 5 mars 1952 ainsi que le chiffre qui résulte de cette majoration.
  § 7. Le producteur qui conteste la décision du fonctionnaire désigné en vertu du troisième paragraphe introduit, à peine de forclusion, un recours par voie de requête devant le tribunal de première instance conformément aux dispositions de la Partie IV, Livre II, Titre Ier, Chapitre Ier du Code judiciaire et ce, dans un délai de deux mois à compter de la notification de la décision. Ce recours suspend l'exécution de la décision.
  La disposition de l'alinéa 1er est mentionnée dans la décision par laquelle l'amende administrative est infligée.
  § 8. Le Gouvernement détermine le délai et les modalités de paiement des amendes administratives.
  § 9. Si le producteur demeure en défaut de payer l'amende dans les délais, le fonctionnaire désigné par le Gouvernement en vertu du quatrième paragraphe transmet sa décision ou celle du tribunal de première instance passée en force de chose jugée au fonctionnaire désigné par la Gouvernement en vue du recouvrement de l'amende administrative, ce dernier pouvant décerner une contrainte. La contrainte décernée est visée et rendue exécutoire par le fonctionnaire chargé du recouvrement.
Art. 10. De Regering bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze ordonnantie.
Art. 10. Le Gouvernement fixe la date de l'entrée en vigueur de la présente ordonnance.
(NOTE : Entrée en vigueur fixée au 01-08-2018 par ARR 2014-07-11/09, art. 6)