Artikel 1. [1 [2 Het beleid van de strijd tegen de sociale fraude, de illegale arbeid, en de sociale dumping]2
§ 1. Onder voorbehoud van andersluidende bepalingen wordt voor de toepassing van deze titel verstaan onder [2 sociale fraude, illegale arbeid en sociale dumping]2 : iedere inbreuk op een sociale wetgeving die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort.
§ 2. [2 Het beleid van de strijd tegen de sociale fraude, de illegale arbeid, en de sociale dumping]2 wordt bepaald door de Ministerraad, die de bevoegde ministers met de uitvoering ervan belast.
Dit beleid wordt door de ministers bevoegd voor Sociale Zaken, Werk, Justitie, Zelfstandigen en de Bestrijding van de sociale fraude meegedeeld aan de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst.]1
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
6 JUNI 2010. - Sociaal Strafwetboek (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-07-2010 en tekstbijwerking tot 30-12-2025)
Titre
6 JUIN 2010. - Code pénal social (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-07-2010 et mise à jour au 30-12-2025)
Documentinformatie
Numac: 2010A09589
Datum: 2010-06-06
Info du document
Numac: 2010A09589
Date: 2010-06-06
Inhoud
BOEK 1. - De preventie, de vaststelling en de v...
TITEL 1. - Beleid inzake preventie en toezicht
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 2. - De Sociale Inlichtingen- en Opsp...
HOOFDSTUK 3. [1 - De arrondissementscel]1
HOOFDSTUK 4. [1 - De overlegplatformen voor de ...
HOOFDSTUK 5. [1 Het wetenschappelijk Comité van...
TITEL 2. - De uitoefening van het toezicht en d...
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
HOOFDSTUK 2. - Bevoegdheden van de sociaal insp...
Afdeling 1. - Algemeen
Afdeling 2. - Bevoegdheden van de sociaal inspe...
Afdeling 2/1. [1 - Bijzondere bevoegdheden van ...
Afdeling 3. - De bevoegdheden van de sociaal in...
Afdeling 3/1. [1 - Bijzondere bevoegdheid van d...
Afdeling 3/2. [1 Bijzondere bevoegdheid van de ...
Afdeling 3/3. [1 - Bijzondere bevoegdheid van d...
Afdeling 3/4. [1 - De bijzondere bevoegdheid va...
Afdeling 4. - Hoedanigheid van officier van ger...
HOOFDSTUK 3. - Beroep tegen de door de sociaal ...
HOOFDSTUK 4. - Overlegging en mededeling van de...
HOOFDSTUK 5. - Plichten van de sociaal inspecteurs
TITEL 3. - Processen-verbaal
HOOFDSTUK 1. - Processen-verbaal van verhoor
HOOFDSTUK 2. - Processen-verbaal tot vaststelli...
TITEL 4. - Vervolging van de inbreuken
HOOFDSTUK 1. - De verschillende regels voor de ...
HOOFDSTUK 2. - Het openbaar ministerie
HOOFDSTUK 3. - Administratieve vervolging
Afdeling 1. - Algemeen
Afdeling 2. - Bevoegdheden van de bevoegde admi...
Afdeling 3. - Verweermiddelen
Afdeling 4. - Beslissing tot oplegging van een ...
Afdeling 5. - Beroep
Afdeling 6. - Betaling van de administratieve g...
Afdeling 7. [1 - Bijzondere bepalingen inzake d...
TITEL 5. - Bijzondere bepalingen
HOOFDSTUK I. - Mededelingen van de beslissingen...
HOOFDSTUK 2. - Adviesraad van het sociaal straf...
HOOFDSTUK 3. - Jaarverslag
HOOFDSTUK 4. - Burgerlijke partijstelling
HOOFDSTUK 5. [1 - Regeling van bepaalde aspecte...
Afdeling 1. [1 Algemeen]1
Afdeling 2. [1 Het epv]1
Afdeling 3. [1 De in artikel 65 bedoelde proces...
Afdeling 4. [1 De Ginaa-databank]1
Afdeling 5. [1 Het eDossier-platform]1
Afdeling 6. [1 Gemeenschappelijke bepalingen in...
HOOFDSTUK 5/1. [1 - Bepalingen betreffende de b...
Afdeling 1. [1 - Het recht op informatie bij de...
Afdeling 2. [1 - Het recht op inzage van persoo...
Afdeling 3. [1 - Het recht op rectificatie.]1
Afdeling 4. [1 - Het recht op beperking van de ...
TITEL 6. - Bestraffing van de inbreuken in het ...
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
HOOFDSTUK 2. - Bijzondere strafsancties
HOOFDSTUK 3. - De op de strafrechtelijke sancti...
HOOFDSTUK 4. - De op de administratieve geldboe...
BOEK 2. - De inbreuken en hun bestraffing in he...
HOOFDSTUK 1. - Inbreuken tegen de persoon van d...
Afdeling 1. - De persoonlijke levenssfeer van d...
Afdeling 2. [1 - De preventie van psychosociale...
Afdeling 3. - Gezondheid en veiligheid op het werk
Afdeling 3/1. [1 - Andere inbreuken betreffende...
Afdeling 3/2. [1 De melders]1
Afdeling 4. - Voor de toegang tot de arbeid ver...
Afdeling 5. [1 - Registratieplicht op de arbeid...
HOOFDSTUK 2. - De inbreuken met betrekking tot ...
Afdeling 1. - Arbeids- en de rusttijden
Afdeling 2. [1 - Moederschapsrust en omgezet mo...
Afdeling 3. - Deeltijdse arbeid
Afdeling 3/1. [1 - Flexi-jobwerknemers]1
Afdeling 4. - Nachtarbeid
Afdeling 5. - Bouwsector
Afdeling 6.
Afdeling 7. - Brugpensioen
Afdeling 8. [1 - De arbeidstijd van de geneeshe...
Afdeling 9. [1 - De arbeidstijd en rusttijden v...
HOOFDSTUK 3. - Inbreuken in verband met andere ...
Afdeling 1. - Controlegeneeskunde
Afdeling 2. - Loon en andere vermogensrechtelij...
Afdeling 2/1. [1 - De kosteloze verplichte ople...
Afdeling 3. - Overmaken door de werkgever van d...
Afdeling 4. - Educatief verlof
Afdeling 5. - Regels inzake tuchtstraffen
Afdeling 6. [1 - Meerdere banen.]1
Afdeling 7. [1 - Een andere vorm van werk.]1
HOOFDSTUK 4. - Illegale arbeid
Afdeling 1. - Buitenlandse arbeidskrachten
Afdeling 2. - Uitzendarbeid
Afdeling 3. - Terbeschikkingstelling
Afdeling 3/1. [1 - De dienstencheques]1
Afdeling 4. - Bijzondere activiteitensectoren
HOOFDSTUK 4/1. [1 - Distributie van pakketten d...
HOOFDSTUK 5. - Niet-aangegeven arbeid
Afdeling 1. - Niet-aangifte van een werknemer a...
Afdeling 1/1.[1 - Niet-aangegeven arbeid in hoo...
Afdeling 2. - Het niet aangaan van een arbeidso...
HOOFDSTUK 5/1. [1 - De mededeling van de aanwij...
HOOFDSTUK 5/2. [1 - Bijzondere verplichtingen i...
HOOFDSTUK 5/3. [1 - De organisatie van de onder...
HOOFDSTUK 6. [1 - Inbreuken betreffende sociale...
Afdeling 1. - Register van de uitzendkrachten
Afdeling 2. [1 - De overeenkomst voor tewerkste...
Afdeling 3. - Individuele rekening
Afdeling 4. - Algemeen personeelsregister, spec...
Afdeling 5. [1 - Het gelegenheidsformulier]1
Afdeling 6. [1 - Andere documenten van sociale ...
Afdeling 6/1. [1 - De arbeidsovereenkomst wegen...
Afdeling 6/2. [1 - De informatie over de arbeid...
Afdeling 7. [1 Het vakantieattest]1
HOOFDSTUK 7. - De inbreuken betreffende de coll...
Afdeling 1. - Collectieve arbeidsovereenkomsten
Afdeling 2. - Niet-oprichting van ondernemingso...
Afdeling 3. - Belemmering van de werking van de...
Afdeling 4. - Overtredingen van de verplichting...
Afdeling 5. - Kennisgevingen in geval van colle...
Afdeling 6. - Arbeidsreglement
Afdeling 7. - Sociale balans
Afdeling 8. - Prestaties van algemeen belang
HOOFDSTUK 8. - Inbreuken met betrekking tot het...
HOOFDSTUK 9. - Inbreuken betreffende de sociale...
Afdeling 1. - Aantasting van de vertrouwelijkhe...
Afdeling 2. - Arbeidsongevallenverzekering
Afdeling 3. - Benaming van het Fonds voor besta...
Afdeling 4. - Financiering van de sociale zeker...
Afdeling 4/1. [1 Het "Terug Naar Werk-fonds"]1
Afdeling 5. - Bedrieglijke onderwerping
Afdeling 6. - Betrekkingen tussen de verschille...
Afdeling 7. - Verzending van documenten door de...
Afdeling 8. - Afgifte aan de werknemer van de d...
Afdeling 9. - Verplichtingen van de beoefenaars...
Afdeling 9/1.
Afdeling 10. - Werkloosheidscontrole
Afdeling 11. [1 - De ISI+-kaarten]1
Afdeling 12. - Tewerkstelling van een werkloze ...
HOOFDSTUK 10. - De inbreuken van valsheid, van ...
HOOFDSTUK 11. [1 - Gemeenschappelijke bepalinge...
HOOFDSTUK 12. [1 De verplichtingen opgelegd in ...
HOOFDSTUK 12. [1 - Verbetering van de binnenluc...
Inhoud
LIVRE 1. - La prévention, la constatation et la...
TITRE 1er. - La politique de prévention et de s...
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
CHAPITRE 2. - Le Service d'information et de Re...
CHAPITRE 3. [1 - La cellule d'arrondissement]1
CHAPITRE 4. [1 - Les plateformes de concertatio...
CHAPITRE 5. [1 Le Comité scientifique du Servic...
TITRE 2. - L'exercice de la surveillance et la ...
CHAPITRE 1er. - Généralités
CHAPITRE 2. - Les pouvoirs des inspecteurs soci...
Section 1re. - Généralités
Section 2. - Les pouvoirs des inspecteurs sociaux
Section 2/1. [1 - Les pouvoirs spécifiques des ...
Section 3. - Les pouvoirs des inspecteurs socia...
Section 3/1. [1 - Compétence spéciale des inspe...
Section 3/2. [1 La compétence spéciale des insp...
Section 3/3. [1 - La compétence spéciale des in...
Section 3/4. [1 La compétence spéciale des insp...
Section 4. - La qualité d'officier de police ju...
CHAPITRE 3. - Recours contre les mesures prises...
CHAPITRE 4. - Production et communication des d...
CHAPITRE 5. - Les devoirs des inspecteurs sociaux
TITRE 3. - Les procès-verbaux
CHAPITRE 1er. - Les procès-verbaux d'audition
CHAPITRE 2. - Les procès-verbaux constatant une...
TITRE 4. - La poursuite des infractions
CHAPITRE 1er. - Les différentes modalités de po...
CHAPITRE 2. - Le ministère public
CHAPITRE 3. - La poursuite administrative
Section 1re. - Généralités
Section 2. - Les pouvoirs de l'administration c...
Section 3. - Les moyens de défense
Section 4. - La décision infligeant une amende ...
Section 5. - Le recours
Section 6. - Le paiement de l'amende administra...
Section 7. [1 - Les dispositions particulières ...
TITRE 5. - Les dispositions particulières
CHAPITRE 1er. - Les communications des décision...
CHAPITRE 2. - Le conseil consultatif du droit p...
CHAPITRE 3. - Le rapport annuel
CHAPITRE 4. - La constitution de partie civile
CHAPITRE 5. [1 - Réglementation de certains asp...
Section 1re. [1 Généralités]1
Section 2. [1 L'epv]1
Section 3. [1 Les procès-verbaux de la police c...
Section 4. [1 La banque de données Ginaa]1
Section 5. [1 La plateforme eDossier]1
Section 6. [1 Les dispositions communes concern...
CHAPITRE 5/1. [1 - Dispositions relatives à la ...
Section 1re. [1 - Le droit d'information lors d...
Section 2. [1 - Le droit d'accès aux données à ...
Section 3. [1 - Le droit de rectification.]1
Section 4. [1 - Le droit à la limitation du tra...
TITRE 6. - La répression des infractions en gén...
CHAPITRE 1er. - Généralités
CHAPITRE 2. - Les sanctions pénales particulières
CHAPITRE 3. - Les règles applicables aux sancti...
CHAPITRE 4. - Les règles applicables aux amende...
LIVRE 2. - Les infractions et leur répression e...
CHAPITRE 1er. - Les infractions contre la perso...
Section 1re. - La vie privée du travailleur
Section 2. [1 - La prévention des risques psych...
Section 3. - La santé et la sécurité au travail
Section 3/1. [1 - Autres infractions relatives ...
Section 3/2. [1 Les auteurs de signalement]1
Section 4. - L'âge d'admission au travail
Section 5. [1 - Obligation d'enregistrement sur...
CHAPITRE 2. - Les infractions en matière de tem...
Section 1re. - Les temps de travail et les temp...
Section 2. [1 - Le repos de maternité et le con...
Section 3. - Le travail à temps partiel
Section 3/1. [1 - Travailleurs exerçant un flex...
Section 4. - Le travail de nuit
Section 5. - Le secteur de la construction
Section 6.
Section 7. - La prépension
Section 8. [1 - Le temps de travail des médecin...
Section 9. [1 - Les temps de travail et de repo...
CHAPITRE 3. - Les infractions relatives aux aut...
Section 1er. - La médecine de contrôle
Section 2. - La rémunération et les autres avan...
Section 2/1. [1 - Les formations gratuites obli...
Section 3. - La transmission par l'employeur de...
Section 4. - Le congé-éducation
Section 5. - Les règles en matière de sanctions...
Section 6. [1 - Les emplois parallèles.]1
Section 7. [1 - Une autre forme d'emploi.]1
CHAPITRE 4. - Le travail illégal
Section 1re. - La main-d'oeuvre étrangère
Section 2. - Le travail intérimaire
Section 3. - La mise à disposition
Section 3/1. [1 - Les titres-services]1
Section 4. - Les secteurs particuliers d'activité
CHAPITRE 4/1. [1 - Distribution de colis par un...
CHAPITRE 5. - Le travail non déclaré
Section 1re. - Non-déclaration d'un travailleur...
Section 1/1. [1 - Le travail non déclaré dans l...
Section 2. - L'absence de souscription d'une po...
CHAPITRE 5/1. [1 - La communication de la désig...
CHAPITRE 5/2. [1 - Des obligations spécifiques ...
CHAPITRE 5/3. [1 L'organisation de la sous-trai...
CHAPITRE 6. [1 - Les infractions concernant les...
Section 1re. - Le registre des intérimaires
Section 2. [1 - Le contrat relatif à une occupa...
Section 3. - Le compte individuel
Section 4. - Le registre général du personnel, ...
Section 5. [1 - Le formulaire occasionnel]1
Section 6. [1 - Autres documents de type social...
Section 6/1. [1 - Le contrat d'engagement pour ...
Section 6/2. [1 - Les informations sur la relat...
Section 7. [1 L'attestation de vacances]1
CHAPITRE 7. - Les infractions concernant les re...
Section 1re. - Conventions collectives de travail
Section 2. - La non-institution des organes d'e...
Section 3. - Les entraves au fonctionnement des...
Section 4. - Les manquements à l'obligation d'i...
Section 5. - Les notifications à faire en cas d...
Section 6. - Le règlement de travail
Section 7. - Le bilan social
Section 8. - Les prestations d'intérêt public
CHAPITRE 8. - Les infractions en matière de con...
CHAPITRE 9. - Les infractions concernant la séc...
Section 1re. - Les atteintes à la confidentiali...
Section 2. - L'assurance contre les accidents d...
Section 3. - L'appellation du Fonds de sécurité...
Section 4. - Le financement de la sécurité sociale
Section 4/1. [1 Le "Fonds Retour Au Travail"]1
Section 5. - L'assujettissement frauduleux
Section 6. - Les relations entre les différente...
Section 7. - La transmission de documents aux i...
Section 8. - La délivrance au travailleur des d...
Section 9. - Les obligations des praticiens de ...
Section 9/1
Section 10. - Le contrôle du chômage
Section 11. [1 - Les cartes ISI+]1
Section 12. - La mise au travail d'un chômeur o...
CHAPITRE 10. - Les infractions de faux, d'usage...
CHAPITRE 11. [1 - Règles communes aux chapitres...
CHAPITRE 12. [1 Les obligations prévues dans le...
CHAPITRE 13. [1 - L'amélioration de la qualité ...
Tekst (529)
Texte (529)
BOEK 1. - De preventie, de vaststelling en de vervolging van de inbreuken en hun bestraffing in het algemeen
LIVRE 1. - La prévention, la constatation et la poursuite des infractions et leur répression en général
TITEL 1. - Beleid inzake preventie en toezicht
TITRE 1er. - La politique de prévention et de surveillance
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Article 1er. [1 [2 la politique de lutte contre la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2
§ 1er. Sans préjudice d'autres dispositions, pour l'application du présent titre, on entend par [2 fraude sociale, travail illégal et dumping social]2 : toute infraction à une législation sociale relevant de la compétence de l'autorité fédérale.
§ 2. [2 la politique de lutte contre la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2 est définie par le Conseil des ministres, qui désigne les ministres compétents pour son exécution.
Cette politique est communiquée par les ministres compétents pour les Affaires sociales, l'Emploi, la Justice, les Indépendants et la Lutte contre la fraude sociale au Service d'Information et de Recherche Sociale.]1
§ 1er. Sans préjudice d'autres dispositions, pour l'application du présent titre, on entend par [2 fraude sociale, travail illégal et dumping social]2 : toute infraction à une législation sociale relevant de la compétence de l'autorité fédérale.
§ 2. [2 la politique de lutte contre la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2 est définie par le Conseil des ministres, qui désigne les ministres compétents pour son exécution.
Cette politique est communiquée par les ministres compétents pour les Affaires sociales, l'Emploi, la Justice, les Indépendants et la Lutte contre la fraude sociale au Service d'Information et de Recherche Sociale.]1
Art. 1/1. [1 De sociale dumping
Onder voorbehoud van andersluidende bepalingen wordt voor de toepassing van deze titel verstaan onder "sociale dumping": een brede waaier aan opzettelijke misbruikpraktijken en de omzeiling van bestaande Europese en/of nationale wetgeving, met inbegrip van wetten en algemeen toepasselijke collectieve overeenkomsten, die oneerlijke concurrentie mogelijk maken door de arbeids- en werkingskosten op illegale wijze te minimaliseren, en resulteren in de schending van de rechten en de uitbuiting van werknemers.]1
Onder voorbehoud van andersluidende bepalingen wordt voor de toepassing van deze titel verstaan onder "sociale dumping": een brede waaier aan opzettelijke misbruikpraktijken en de omzeiling van bestaande Europese en/of nationale wetgeving, met inbegrip van wetten en algemeen toepasselijke collectieve overeenkomsten, die oneerlijke concurrentie mogelijk maken door de arbeids- en werkingskosten op illegale wijze te minimaliseren, en resulteren in de schending van de rechten en de uitbuiting van werknemers.]1
Art. 1/1. [1 Le dumping social
Sans préjudice d'autres dispositions, pour l'application du présent titre, on entend par "dumping social": un large éventail de pratiques abusives délibérées et le contournement de la législation européenne et/ou nationale existante, y compris les lois et les conventions collectives applicables, qui permettent une concurrence déloyale en minimisant les coûts de main-d'oeuvre et d'exploitation par des moyens illégaux, et entraînent la violation des droits des travailleurs et leur exploitation.]1
Sans préjudice d'autres dispositions, pour l'application du présent titre, on entend par "dumping social": un large éventail de pratiques abusives délibérées et le contournement de la législation européenne et/ou nationale existante, y compris les lois et les conventions collectives applicables, qui permettent une concurrence déloyale en minimisant les coûts de main-d'oeuvre et d'exploitation par des moyens illégaux, et entraînent la violation des droits des travailleurs et leur exploitation.]1
Art. 2. [1 [2 Strategisch plan en operationeel actieplan voor de bestrijding van sociale fraude, illegale arbeid en sociale dumping]2
In het kader van [2 Het beleid van de strijd tegen de sociale fraude, de illegale arbeid en de sociale dumping]2 wordt door het strategisch comité, onder leiding van het regeringslid dat bevoegd is voor de bestrijding van de sociale fraude, [2 een strategisch plan voor de bestrijding van sociale fraude, illegale arbeid en sociale dumping]2 opgesteld. Dit strategisch plan heeft betrekking op een periode van vier jaar en houdt rekening met de bestuursovereenkomsten van de Openbare Instellingen van de Sociale Zekerheid en de federale overheidsdiensten.
Dit strategisch plan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Ministerraad, die het ten laatste op 1 januari van het eerste jaar van de periode waarop het betrekking heeft, goedkeurt.
Het strategisch plan wordt [2 tweejaarlijks]2 verder geconcretiseerd in een operationeel actieplan voor de bestrijding van sociale fraude.
Het operationeel actieplan bevat onder meer :
1° de individuele controleacties;
2° de gemeenschappelijke controleacties;
3° nieuwe beleids - en operationele acties.
[2 Het operationeel actieplan wordt ter validatie voorgelegd aan het strategisch comité en ter goedkeuring voorgelegd aan het Ministerieel Comité voor de Fraudebestrijding. Het Ministerieel Comité voor de Fraudebestrijding keurt het plan ten laatste op 1 januari van de periode waarop het betrekking heeft.]2]1
[2 De Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst zorgt elk kwartaal voor een verslag over de opbrengsten uit de strijd tegen de sociale fraude, de illegale arbeid en de sociale dumping.]2
In het kader van [2 Het beleid van de strijd tegen de sociale fraude, de illegale arbeid en de sociale dumping]2 wordt door het strategisch comité, onder leiding van het regeringslid dat bevoegd is voor de bestrijding van de sociale fraude, [2 een strategisch plan voor de bestrijding van sociale fraude, illegale arbeid en sociale dumping]2 opgesteld. Dit strategisch plan heeft betrekking op een periode van vier jaar en houdt rekening met de bestuursovereenkomsten van de Openbare Instellingen van de Sociale Zekerheid en de federale overheidsdiensten.
Dit strategisch plan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Ministerraad, die het ten laatste op 1 januari van het eerste jaar van de periode waarop het betrekking heeft, goedkeurt.
Het strategisch plan wordt [2 tweejaarlijks]2 verder geconcretiseerd in een operationeel actieplan voor de bestrijding van sociale fraude.
Het operationeel actieplan bevat onder meer :
1° de individuele controleacties;
2° de gemeenschappelijke controleacties;
3° nieuwe beleids - en operationele acties.
[2 Het operationeel actieplan wordt ter validatie voorgelegd aan het strategisch comité en ter goedkeuring voorgelegd aan het Ministerieel Comité voor de Fraudebestrijding. Het Ministerieel Comité voor de Fraudebestrijding keurt het plan ten laatste op 1 januari van de periode waarop het betrekking heeft.]2]1
[2 De Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst zorgt elk kwartaal voor een verslag over de opbrengsten uit de strijd tegen de sociale fraude, de illegale arbeid en de sociale dumping.]2
Art. 2. [1 [2 Le plan stratégique et le plan d'action opérationnel pour la lutte contre la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2
Dans le cadre de [2 la politique de lutte contre la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2, le comité stratégique établit [2 un plan stratégique de lutte contre la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2 sous la direction du membre du gouvernement compétent pour la lutte contre la fraude sociale. Ce plan stratégique porte sur une période de quatre ans et tient compte des contrats d'administration des institutions publiques de sécurité sociale ainsi que des services publics fédéraux.
Ce plan stratégique est soumis au Conseil des ministres pour approbation, qui l'approuve au plus tard le 1er janvier de la première année de la période auquel il se rapporte.
Le plan stratégique se concrétise [2 tous les deux ans]2 en un plan d'action opérationnel de lutte contre la fraude sociale.
Le plan d'action opérationnel comprend notamment :
1° les actions individuelles de contrôle;
2° les actions collectives de contrôle;
3° les nouvelles actions stratégiques et opérationnelles.
[2 Le plan d'action opérationnel est soumis au comité stratégique pour validation et au comité ministériel pour la lutte contre la fraude pour approbation. Le Comité ministériel pour la lutte contre la fraude approuve le plan au plus tard le 1er janvier de la période à laquelle il se rapporte.]2]1
[2 Le Service d'information et de recherche sociale fournit chaque trimestre un rapport sur les revenus de la lutte contre la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social.]2
Dans le cadre de [2 la politique de lutte contre la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2, le comité stratégique établit [2 un plan stratégique de lutte contre la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2 sous la direction du membre du gouvernement compétent pour la lutte contre la fraude sociale. Ce plan stratégique porte sur une période de quatre ans et tient compte des contrats d'administration des institutions publiques de sécurité sociale ainsi que des services publics fédéraux.
Ce plan stratégique est soumis au Conseil des ministres pour approbation, qui l'approuve au plus tard le 1er janvier de la première année de la période auquel il se rapporte.
Le plan stratégique se concrétise [2 tous les deux ans]2 en un plan d'action opérationnel de lutte contre la fraude sociale.
Le plan d'action opérationnel comprend notamment :
1° les actions individuelles de contrôle;
2° les actions collectives de contrôle;
3° les nouvelles actions stratégiques et opérationnelles.
[2 Le plan d'action opérationnel est soumis au comité stratégique pour validation et au comité ministériel pour la lutte contre la fraude pour approbation. Le Comité ministériel pour la lutte contre la fraude approuve le plan au plus tard le 1er janvier de la période à laquelle il se rapporte.]2]1
[2 Le Service d'information et de recherche sociale fournit chaque trimestre un rapport sur les revenus de la lutte contre la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social.]2
HOOFDSTUK 2. - De Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst
CHAPITRE 2. - Le Service d'information et de Recherche sociale
Art. 3. [1 Missie en opdrachten van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst
Er wordt een Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst opgericht, hierna de SIOD genoemd, die samengesteld is uit een strategisch comité, een staf en twee structurele overlegcomités.
De SIOD valt onder de leiding van de ministers die bevoegd zijn voor de bestrijding van [2 de illegale arbeid, de sociale fraude en de sociale dumping]2.
De SIOD is een strategisch orgaan dat op basis van de kennis en inzichten van de inspectiediensten van de administraties bedoeld in artikel 4, 4° en 5°, en met wetenschappelijke ondersteuning een visie ontwikkelt op de bestrijding van [2 de illegale arbeid, de sociale fraude en de sociale dumping]2 en die omzet in concrete strategieën. De SIOD bereidt het strategisch plan en de operationele actieplannen voor en staat in voor de beleidsondersteuning.
De opdrachten van de SIOD zijn :
1° het beleid voorbereiden zoals vastgesteld door de Ministerraad inzake de strijd tegen [2 illegale arbeid, sociale fraude en sociale dumping]2, ter uitvoering van het strategisch plan en het operationeel actieplan bedoeld in artikel 2;
2° de preventieacties sturen en opzetten die nodig zijn voor de uitvoering van dit beleid;
3° het voorbereiden van de samenwerkingsprotocollen tussen de federale overheid en de gewesten betreffende de coördinatie van de controles inzake [2 illegale arbeid, sociale fraude en sociale dumping]2;
4° de trimestriële evaluatie van de realisatiegraad van de verschillende elementen van het [2 ...]2 operationeel actieplan bedoeld in artikel 2. Indien de trimestriële evaluatie twee maal op rij aangeeft dat de doelstellingen of opbrengsten zoals voorzien in het operationeel actieplan niet zullen worden bereikt, brengt de directeur van de SIOD het strategisch comité hiervan op de hoogte;
5° het voorbereiden van richtlijnen ter uitvoering van het operationeel actieplan voor de arrondissementscellen bedoeld in artikel 12;
6° de nodige inhoudelijke bijstand verlenen aan de bevoegde besturen en diensten inzake de strijd tegen [2 de illegale arbeid, de sociale fraude en de sociale dumping]2;
7° studies uitvoeren over de problematiek van [2 illegale arbeid, sociale fraude en sociale dumping]2 en het mogelijk maken meer gerichte acties te ondernemen;
8° zorgen voor overleg tussen de inspectiediensten en voor hun ondersteuning via de overlegcomités;
9° het identificeren van de gemeenschappelijke opleidingsbehoeften van de personeelsleden van de inspectiediensten en zorgen voor de nodige opleidingen;
10° een extern communicatiebeleid voorbereiden voor het strategisch comité;
11° het opvolgen van de uitvoering van de door de minister(s) gesloten partnerschapsovereenkomsten, bedoeld in [2 artikel 15/1]2, en er over rapporteren aan het strategisch comité;
12° het coördineren van de informatie meegedeeld door de inspectiediensten bevoegd voor de strijd tegen illegale tewerkstelling en jaarlijks, voor 1 juli van elk jaar, verslag uitbrengen aan de Europese Commissie;
13° een visie ontwikkelen en voorbereiden van strategieën om [2 de illegale arbeid, de sociale fraude en de sociale dumping]2 aan te pakken;
14° het organiseren van een structureel overleg met de diverse betrokken instellingen waaronder de regio's die actief meewerken aan de strijd tegen de [2 de illegale arbeid, de sociale fraude en de sociale dumping]2 en andere relevante actoren;
15° een internationale samenwerking tussen inspectiediensten op punt zetten in het kader van hun gezamenlijke acties en de opvolging ervan verzekeren;
[2 16° onverminderd de bevoegdheden van de Adviesraad van het sociaal strafrecht, het verlenen van adviezen inzake de strijd tegen sociale fraude, illegale arbeid, en sociale dumping op vraag van een lid van de federale regering, een lid van één van de Gewest- of Gemeenschapsregeringen, met betrekking tot het federale en het gefedereerde beleid;]2
[2 17° het ontvangen, verzamelen, coördineren en verwerken van informatie, die hen rechtstreeks worden meegedeeld door burgers, ondernemingen en organisaties, met het oog op het overmaken van deze informatie aan de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 16, 8°, aan de sociaal inspecteurs van de inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op een andere wetgeving of met de toepassing van een andere wetgeving, in de mate dat die inlichtingen voor laatstgenoemden noodzakelijk zijn voor de strijd tegen de illegale arbeid, de sociale fraude en de sociale dumping, of bij de uitoefening van het toezicht waarmee zij belast zijn of voor de toepassing van een andere wetgeving.
Voor het eerste lid, 17°, zijn de volgende regels van toepassing:
1° deze opdracht zal worden uitgevoerd in samenwerking met de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
2° de directeur van de SIOD bedoeld in artikel 8 of de door hem aangewezen vertegenwoordiger, is verantwoordelijk voor de verwerking van deze gegevens;
3° de personen die betrokken zijn bij de verwerkingen van persoonsgegevens door de SIOD, zijn de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die informatie bezorgde aan het Meldpunt voor een Eerlijke Concurrentie, evenals elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die ervan wordt verdacht een inbreuk, die het voorwerp uitmaakt van de verstrekte informatie, te hebben gepleegd;
4° de gegevens die worden verzameld in het kader van de bovenvermelde verwerkingen, zijn de volgende:
a) de naam, de voornaam, de hoofdverblijfplaats of de juridische vorm, de maatschappelijke benaming, en de maatschappelijke zetel, het KBO-nummer en/ of het rijksregisternummer en, bij ontstentenis ervan, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van elke persoon die ervan verdacht wordt de (mede)dader te zijn van een inbreuk;
b) de naam, de voornaam, de hoofdverblijfplaats of de juridische vorm, de maatschappelijke benaming en de maatschappelijke zetel, het KBO-nummer en/ of het rijksregisternummer en, bij ontstentenis ervan, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van elke persoon die beschouwd wordt als burgerrechtelijk aansprakelijk voor een inbreuk;
c) in voorkomend geval, de naam, de voornaam, de hoofdverblijfplaats, en de nationaliteit en het rijksregisternummer en, bij ontstentenis ervan, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van elke werknemer of elke persoon die betrokken is of kan zijn bij een inbreuk;
d) de kwalificatie van de vermeende inbreuk(en);
e) de datum en de plaats van de feiten;
5° de gegevens die worden verzameld van de natuurlijke persoon die de klacht indient, zijn de namen, de voornamen, het rijksregisternummer, het telefoonnummer en het e-mailadres;
6° de gegevens die het resultaat zijn van de bovenvermelde verwerkingen, kunnen worden overgemaakt aan:
a) de openbare instellingen van sociale zekerheid, bedoeld in artikel 16, 8°;
b) de sociaal inspecteurs van de inspectiediensten;
c) alle ambtenaren belast met het toezicht op een andere wetgeving of met de toepassing van een andere wetgeving, in de mate dat die inlichtingen voor laatstgenoemden noodzakelijk zijn bij de uitoefening van het toezicht waarmee zij belast zijn of voor de toepassing van een andere wetgeving;
d) de leden van de arrondissementscel zoals deze werd samengesteld overeenkomstig artikel 13 van dit wetboek;
e) de leden van de overlegplatformen zoals deze werden samengesteld overeenkomstig artikel 15/2 of artikel 15/3 van dit Wetboek;
7° de maximale bewaartermijn van de gegevens die het resultaat zijn van de bovenvermelde verwerkingen, is zeven jaar, vanaf de ontvangst ervan. De bewaartermijn van deze gegevens voor uitsluitend statistische doeleinden is twintig jaar.]2]1
Er wordt een Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst opgericht, hierna de SIOD genoemd, die samengesteld is uit een strategisch comité, een staf en twee structurele overlegcomités.
De SIOD valt onder de leiding van de ministers die bevoegd zijn voor de bestrijding van [2 de illegale arbeid, de sociale fraude en de sociale dumping]2.
De SIOD is een strategisch orgaan dat op basis van de kennis en inzichten van de inspectiediensten van de administraties bedoeld in artikel 4, 4° en 5°, en met wetenschappelijke ondersteuning een visie ontwikkelt op de bestrijding van [2 de illegale arbeid, de sociale fraude en de sociale dumping]2 en die omzet in concrete strategieën. De SIOD bereidt het strategisch plan en de operationele actieplannen voor en staat in voor de beleidsondersteuning.
De opdrachten van de SIOD zijn :
1° het beleid voorbereiden zoals vastgesteld door de Ministerraad inzake de strijd tegen [2 illegale arbeid, sociale fraude en sociale dumping]2, ter uitvoering van het strategisch plan en het operationeel actieplan bedoeld in artikel 2;
2° de preventieacties sturen en opzetten die nodig zijn voor de uitvoering van dit beleid;
3° het voorbereiden van de samenwerkingsprotocollen tussen de federale overheid en de gewesten betreffende de coördinatie van de controles inzake [2 illegale arbeid, sociale fraude en sociale dumping]2;
4° de trimestriële evaluatie van de realisatiegraad van de verschillende elementen van het [2 ...]2 operationeel actieplan bedoeld in artikel 2. Indien de trimestriële evaluatie twee maal op rij aangeeft dat de doelstellingen of opbrengsten zoals voorzien in het operationeel actieplan niet zullen worden bereikt, brengt de directeur van de SIOD het strategisch comité hiervan op de hoogte;
5° het voorbereiden van richtlijnen ter uitvoering van het operationeel actieplan voor de arrondissementscellen bedoeld in artikel 12;
6° de nodige inhoudelijke bijstand verlenen aan de bevoegde besturen en diensten inzake de strijd tegen [2 de illegale arbeid, de sociale fraude en de sociale dumping]2;
7° studies uitvoeren over de problematiek van [2 illegale arbeid, sociale fraude en sociale dumping]2 en het mogelijk maken meer gerichte acties te ondernemen;
8° zorgen voor overleg tussen de inspectiediensten en voor hun ondersteuning via de overlegcomités;
9° het identificeren van de gemeenschappelijke opleidingsbehoeften van de personeelsleden van de inspectiediensten en zorgen voor de nodige opleidingen;
10° een extern communicatiebeleid voorbereiden voor het strategisch comité;
11° het opvolgen van de uitvoering van de door de minister(s) gesloten partnerschapsovereenkomsten, bedoeld in [2 artikel 15/1]2, en er over rapporteren aan het strategisch comité;
12° het coördineren van de informatie meegedeeld door de inspectiediensten bevoegd voor de strijd tegen illegale tewerkstelling en jaarlijks, voor 1 juli van elk jaar, verslag uitbrengen aan de Europese Commissie;
13° een visie ontwikkelen en voorbereiden van strategieën om [2 de illegale arbeid, de sociale fraude en de sociale dumping]2 aan te pakken;
14° het organiseren van een structureel overleg met de diverse betrokken instellingen waaronder de regio's die actief meewerken aan de strijd tegen de [2 de illegale arbeid, de sociale fraude en de sociale dumping]2 en andere relevante actoren;
15° een internationale samenwerking tussen inspectiediensten op punt zetten in het kader van hun gezamenlijke acties en de opvolging ervan verzekeren;
[2 16° onverminderd de bevoegdheden van de Adviesraad van het sociaal strafrecht, het verlenen van adviezen inzake de strijd tegen sociale fraude, illegale arbeid, en sociale dumping op vraag van een lid van de federale regering, een lid van één van de Gewest- of Gemeenschapsregeringen, met betrekking tot het federale en het gefedereerde beleid;]2
[2 17° het ontvangen, verzamelen, coördineren en verwerken van informatie, die hen rechtstreeks worden meegedeeld door burgers, ondernemingen en organisaties, met het oog op het overmaken van deze informatie aan de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 16, 8°, aan de sociaal inspecteurs van de inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op een andere wetgeving of met de toepassing van een andere wetgeving, in de mate dat die inlichtingen voor laatstgenoemden noodzakelijk zijn voor de strijd tegen de illegale arbeid, de sociale fraude en de sociale dumping, of bij de uitoefening van het toezicht waarmee zij belast zijn of voor de toepassing van een andere wetgeving.
Voor het eerste lid, 17°, zijn de volgende regels van toepassing:
1° deze opdracht zal worden uitgevoerd in samenwerking met de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
2° de directeur van de SIOD bedoeld in artikel 8 of de door hem aangewezen vertegenwoordiger, is verantwoordelijk voor de verwerking van deze gegevens;
3° de personen die betrokken zijn bij de verwerkingen van persoonsgegevens door de SIOD, zijn de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die informatie bezorgde aan het Meldpunt voor een Eerlijke Concurrentie, evenals elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die ervan wordt verdacht een inbreuk, die het voorwerp uitmaakt van de verstrekte informatie, te hebben gepleegd;
4° de gegevens die worden verzameld in het kader van de bovenvermelde verwerkingen, zijn de volgende:
a) de naam, de voornaam, de hoofdverblijfplaats of de juridische vorm, de maatschappelijke benaming, en de maatschappelijke zetel, het KBO-nummer en/ of het rijksregisternummer en, bij ontstentenis ervan, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van elke persoon die ervan verdacht wordt de (mede)dader te zijn van een inbreuk;
b) de naam, de voornaam, de hoofdverblijfplaats of de juridische vorm, de maatschappelijke benaming en de maatschappelijke zetel, het KBO-nummer en/ of het rijksregisternummer en, bij ontstentenis ervan, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van elke persoon die beschouwd wordt als burgerrechtelijk aansprakelijk voor een inbreuk;
c) in voorkomend geval, de naam, de voornaam, de hoofdverblijfplaats, en de nationaliteit en het rijksregisternummer en, bij ontstentenis ervan, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van elke werknemer of elke persoon die betrokken is of kan zijn bij een inbreuk;
d) de kwalificatie van de vermeende inbreuk(en);
e) de datum en de plaats van de feiten;
5° de gegevens die worden verzameld van de natuurlijke persoon die de klacht indient, zijn de namen, de voornamen, het rijksregisternummer, het telefoonnummer en het e-mailadres;
6° de gegevens die het resultaat zijn van de bovenvermelde verwerkingen, kunnen worden overgemaakt aan:
a) de openbare instellingen van sociale zekerheid, bedoeld in artikel 16, 8°;
b) de sociaal inspecteurs van de inspectiediensten;
c) alle ambtenaren belast met het toezicht op een andere wetgeving of met de toepassing van een andere wetgeving, in de mate dat die inlichtingen voor laatstgenoemden noodzakelijk zijn bij de uitoefening van het toezicht waarmee zij belast zijn of voor de toepassing van een andere wetgeving;
d) de leden van de arrondissementscel zoals deze werd samengesteld overeenkomstig artikel 13 van dit wetboek;
e) de leden van de overlegplatformen zoals deze werden samengesteld overeenkomstig artikel 15/2 of artikel 15/3 van dit Wetboek;
7° de maximale bewaartermijn van de gegevens die het resultaat zijn van de bovenvermelde verwerkingen, is zeven jaar, vanaf de ontvangst ervan. De bewaartermijn van deze gegevens voor uitsluitend statistische doeleinden is twintig jaar.]2]1
Art. 3. [1 La mission et les tâches du Service d'Information et de Recherche Sociale
Un Service d'Information et de Recherche Sociale, nommé ci-après le SIRS, est créé. Il se compose d'un comité stratégique, d'un staff et de deux comités de concertation structurelle.
Le SIRS est placé sous l'autorité des ministres compétents pour la lutte contre [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2.
Le SIRS est un organe stratégique qui, sur la base des connaissances et réflexions des services d'inspection des administrations visées à l'article 4, 4° et 5°, et d'un appui scientifique, développe une vision de la lutte contre [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2, qui se traduit en stratégies concrètes. Le SIRS prépare le plan stratégique et les plans d'action opérationnels et est chargé de l'appui politique.
Les tâches du SIRS sont :
1° préparer la politique telle que définie par le Conseil des ministres en matière de lutte contre [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2 en exécution du plan stratégique et du plan d'action opérationnel visés à l'article 2;
2° orienter et mener des actions de prévention nécessaires à la mise en oeuvre de cette politique;
3° préparer les protocoles de collaboration entre l'autorité fédérale et les régions concernant la coordination des contrôles en matière [2 de fraude sociale, de travail illégal et de dumping social]2;
4° évaluer trimestriellement le degré de réalisation des différents éléments du plan d'action opérationnel [2 ...]2 visé à l'article 2. Si l'évaluation trimestrielle indique deux fois de suite que les objectifs définis dans le plan opérationnel ne seront pas atteints ou que les produits ne seront pas réalisés, le directeur du SIRS en avise le comité stratégique;
5° préparer des directives en exécution du plan d'action opérationnel pour les cellules d'arrondissement visées à l'article 12;
6° apporter aux administrations et aux services compétents en matière de lutte contre [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2 toute l'assistance nécessaire sur le fond;
7° réaliser des études relatives à la problématique [2 de la fraude sociale, du travail illégal et du dumping social]2 en permettant un meilleur ciblage des actions à mener;
8° assurer la concertation entre les services d'inspection et leur soutien par l'intermédiaire des comités de concertation;
9° identifier les besoins communs en formation des membres du personnel des services d'inspection et assurer les formations nécessaires;
10° définir une politique de communication externe pour le comité stratégique;
11° assurer le suivi de la mise en oeuvre des conventions de partenariat conclues par le(s) ministre(s), visées à l'[2 article 15/1]2, et en faire rapport au comité stratégique;
12° coordonner les informations communiquées par les services d'inspection compétents pour lutter contre l'occupation illégale et faire rapport chaque année, avant le 1er juillet, à la Commission européenne;
13° dégager une vision et préparer des stratégies pour contrer [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2;
14° organiser une concertation structurelle avec les différentes institutions concernées dont les régions qui collaborent activement à la lutte contre [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2 ainsi qu'avec d'autres acteurs pertinents;
15° mettre au point une collaboration internationale entre services d'inspection dans le cadre des actions communes aux différents services [2 et en assurer le suivi]2;
[2 16° sans préjudice des compétences du Conseil consultatif du droit pénal social, fournir des avis concernant la politique fédérale et fédérée en matière de lutte contre la fraude sociale, le travail illégal, et le dumping social à la demande d'un membre du gouvernement fédéral, d'un membre d'un des gouvernements régionaux ou communautaires;]2
[2 17° recevoir, collecter, coordonner et traiter les informations qui leur sont directement communiquées par les citoyens, les entreprises et les organisations, en vue de les transmettre aux institutions publiques de sécurité sociale visées à l'article 16, 8°, aux inspecteurs sociaux des services d'inspection, ainsi qu'à tous les fonctionnaires chargés de la surveillance d'une autre législation ou de l'application d'une autre législation, dans la mesure où ces informations sont nécessaires à ces derniers dans la lutte contre le travail illégal, la fraude sociale et le dumping social, ou dans l'exercice de la surveillance dont ils sont chargés ou pour l'application d'une autre législation.
Les règles suivantes sont d'application pour l'alinéa 1er, 17°:
1° cette tâche s'effectuera en collaboration avec la Banque Carrefour de la Sécurité Sociale;
2° le directeur du SIRS visé à l'article 8 ou son représentant qu'il désigne, est responsable du traitement de ces données;
3° les personnes concernées par les traitements de données à caractère personnel par le SIRS sont la personne physique ou la personne morale qui a fourni des informations au Point de Contact pour une Concurrence Loyale, ainsi que toute personne physique ou personne morale soupçonnée d'avoir commis une infraction, qui fait l'objet des informations fournies;
4° les données collectées dans le cadre des traitements mentionnés ci-dessus sont:
a) le nom, le prénom, la résidence principale ou la forme juridique, la dénomination sociale, et le siège social, le numéro BCE et/ou le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale ou un autre numéro d'identification de toute personne qui est suspectée d'être (co)auteur d'une infraction;
b) le nom, le prénom, la résidence principale ou la forme juridique, la dénomination sociale et le siège social, le numéro BCE et/ou le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale ou un autre numéro d'identification de toute personne qui est considérée comme civilement responsable d'une infraction;
c) le cas échéant, le nom, le prénom, la résidence principale, et la nationalité et le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale ou un autre numéro d'identification de tout travailleur ou de toute personne qui est ou pourrait être concernée par une infraction;
d) la qualification de l'/des infraction(s) supposée(s);
e) la date et le lieu des faits;
5° les données collectées de la personne physique déposant plainte, sont les noms, les prénoms, le numéro de registre national, le numéro de téléphone et l'adresse mail;
6° les données issues des traitements mentionnés ci-dessus peuvent être transférées:
a) aux institutions publiques de sécurité sociale, visées à l'article 16, 8°;
b) aux inspecteurs sociaux des services d'inspection;
c) à tous les fonctionnaires chargés de la surveillance d'une autre législation ou de l'application d'une autre législation, dans la mesure où ces renseignements sont nécessaires à ces derniers dans l'exercice de la surveillance dont ils sont chargés ou pour l'application d'une autre législation;
d) aux membres de la cellule d'arrondissement telle que constituée conformément à l'article 13 du présent Code;
e) aux membres des plateformes de concertation telle que constituées conformément à l'article 15/2 ou à l'article 15/3 du présent Code;
7° la durée maximale de conservation des données issues des traitements mentionnées ci-dessus est de sept ans, à compter de leur réception. La durée de conservation de ces données est de vingt ans à des fins exclusivement statistiques.]2]1
Un Service d'Information et de Recherche Sociale, nommé ci-après le SIRS, est créé. Il se compose d'un comité stratégique, d'un staff et de deux comités de concertation structurelle.
Le SIRS est placé sous l'autorité des ministres compétents pour la lutte contre [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2.
Le SIRS est un organe stratégique qui, sur la base des connaissances et réflexions des services d'inspection des administrations visées à l'article 4, 4° et 5°, et d'un appui scientifique, développe une vision de la lutte contre [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2, qui se traduit en stratégies concrètes. Le SIRS prépare le plan stratégique et les plans d'action opérationnels et est chargé de l'appui politique.
Les tâches du SIRS sont :
1° préparer la politique telle que définie par le Conseil des ministres en matière de lutte contre [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2 en exécution du plan stratégique et du plan d'action opérationnel visés à l'article 2;
2° orienter et mener des actions de prévention nécessaires à la mise en oeuvre de cette politique;
3° préparer les protocoles de collaboration entre l'autorité fédérale et les régions concernant la coordination des contrôles en matière [2 de fraude sociale, de travail illégal et de dumping social]2;
4° évaluer trimestriellement le degré de réalisation des différents éléments du plan d'action opérationnel [2 ...]2 visé à l'article 2. Si l'évaluation trimestrielle indique deux fois de suite que les objectifs définis dans le plan opérationnel ne seront pas atteints ou que les produits ne seront pas réalisés, le directeur du SIRS en avise le comité stratégique;
5° préparer des directives en exécution du plan d'action opérationnel pour les cellules d'arrondissement visées à l'article 12;
6° apporter aux administrations et aux services compétents en matière de lutte contre [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2 toute l'assistance nécessaire sur le fond;
7° réaliser des études relatives à la problématique [2 de la fraude sociale, du travail illégal et du dumping social]2 en permettant un meilleur ciblage des actions à mener;
8° assurer la concertation entre les services d'inspection et leur soutien par l'intermédiaire des comités de concertation;
9° identifier les besoins communs en formation des membres du personnel des services d'inspection et assurer les formations nécessaires;
10° définir une politique de communication externe pour le comité stratégique;
11° assurer le suivi de la mise en oeuvre des conventions de partenariat conclues par le(s) ministre(s), visées à l'[2 article 15/1]2, et en faire rapport au comité stratégique;
12° coordonner les informations communiquées par les services d'inspection compétents pour lutter contre l'occupation illégale et faire rapport chaque année, avant le 1er juillet, à la Commission européenne;
13° dégager une vision et préparer des stratégies pour contrer [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2;
14° organiser une concertation structurelle avec les différentes institutions concernées dont les régions qui collaborent activement à la lutte contre [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2 ainsi qu'avec d'autres acteurs pertinents;
15° mettre au point une collaboration internationale entre services d'inspection dans le cadre des actions communes aux différents services [2 et en assurer le suivi]2;
[2 16° sans préjudice des compétences du Conseil consultatif du droit pénal social, fournir des avis concernant la politique fédérale et fédérée en matière de lutte contre la fraude sociale, le travail illégal, et le dumping social à la demande d'un membre du gouvernement fédéral, d'un membre d'un des gouvernements régionaux ou communautaires;]2
[2 17° recevoir, collecter, coordonner et traiter les informations qui leur sont directement communiquées par les citoyens, les entreprises et les organisations, en vue de les transmettre aux institutions publiques de sécurité sociale visées à l'article 16, 8°, aux inspecteurs sociaux des services d'inspection, ainsi qu'à tous les fonctionnaires chargés de la surveillance d'une autre législation ou de l'application d'une autre législation, dans la mesure où ces informations sont nécessaires à ces derniers dans la lutte contre le travail illégal, la fraude sociale et le dumping social, ou dans l'exercice de la surveillance dont ils sont chargés ou pour l'application d'une autre législation.
Les règles suivantes sont d'application pour l'alinéa 1er, 17°:
1° cette tâche s'effectuera en collaboration avec la Banque Carrefour de la Sécurité Sociale;
2° le directeur du SIRS visé à l'article 8 ou son représentant qu'il désigne, est responsable du traitement de ces données;
3° les personnes concernées par les traitements de données à caractère personnel par le SIRS sont la personne physique ou la personne morale qui a fourni des informations au Point de Contact pour une Concurrence Loyale, ainsi que toute personne physique ou personne morale soupçonnée d'avoir commis une infraction, qui fait l'objet des informations fournies;
4° les données collectées dans le cadre des traitements mentionnés ci-dessus sont:
a) le nom, le prénom, la résidence principale ou la forme juridique, la dénomination sociale, et le siège social, le numéro BCE et/ou le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale ou un autre numéro d'identification de toute personne qui est suspectée d'être (co)auteur d'une infraction;
b) le nom, le prénom, la résidence principale ou la forme juridique, la dénomination sociale et le siège social, le numéro BCE et/ou le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale ou un autre numéro d'identification de toute personne qui est considérée comme civilement responsable d'une infraction;
c) le cas échéant, le nom, le prénom, la résidence principale, et la nationalité et le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale ou un autre numéro d'identification de tout travailleur ou de toute personne qui est ou pourrait être concernée par une infraction;
d) la qualification de l'/des infraction(s) supposée(s);
e) la date et le lieu des faits;
5° les données collectées de la personne physique déposant plainte, sont les noms, les prénoms, le numéro de registre national, le numéro de téléphone et l'adresse mail;
6° les données issues des traitements mentionnés ci-dessus peuvent être transférées:
a) aux institutions publiques de sécurité sociale, visées à l'article 16, 8°;
b) aux inspecteurs sociaux des services d'inspection;
c) à tous les fonctionnaires chargés de la surveillance d'une autre législation ou de l'application d'une autre législation, dans la mesure où ces renseignements sont nécessaires à ces derniers dans l'exercice de la surveillance dont ils sont chargés ou pour l'application d'une autre législation;
d) aux membres de la cellule d'arrondissement telle que constituée conformément à l'article 13 du présent Code;
e) aux membres des plateformes de concertation telle que constituées conformément à l'article 15/2 ou à l'article 15/3 du présent Code;
7° la durée maximale de conservation des données issues des traitements mentionnées ci-dessus est de sept ans, à compter de leur réception. La durée de conservation de ces données est de vingt ans à des fins exclusivement statistiques.]2]1
Art. 4. [1 Samenstelling van het strategisch comité
Het strategisch comité is samengesteld uit :
1° het regeringslid dat bevoegd is voor de bestrijding van sociale fraude of zijn vertegenwoordiger;
2° de ministers bevoegd voor Sociale Zaken, Werk Justitie en Zelfstandigen of hun vertegenwoordiger;
3° de directeur van de SIOD;
4° de administrateurs-generaal van de Rijksdient voor Sociale Zekerheid, het Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen, de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening en het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
5° de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
6° de procureur-generaal aangesteld door het College van procureurs-generaal;
Het strategisch comité wordt voorgezeten door het regeringslid dat bevoegd is voor de bestrijding van de sociale fraude.]1
Het strategisch comité is samengesteld uit :
1° het regeringslid dat bevoegd is voor de bestrijding van sociale fraude of zijn vertegenwoordiger;
2° de ministers bevoegd voor Sociale Zaken, Werk Justitie en Zelfstandigen of hun vertegenwoordiger;
3° de directeur van de SIOD;
4° de administrateurs-generaal van de Rijksdient voor Sociale Zekerheid, het Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen, de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening en het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
5° de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
6° de procureur-generaal aangesteld door het College van procureurs-generaal;
Het strategisch comité wordt voorgezeten door het regeringslid dat bevoegd is voor de bestrijding van de sociale fraude.]1
Art. 4. [1 La composition du comité stratégique
Le comité stratégique se compose comme suit :
1° du membre du gouvernement compétent pour la lutte contre la fraude sociale ou son représentant;
2° des ministres compétents pour les Affaires sociales, l'Emploi, la Justice et les Indépendants ou leur représentant;
3° du directeur du SIRS;
4° des administrateurs généraux de l'Office national de sécurité sociale, de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, de l'Office national de l'emploi et de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité;
5° du président du comité de direction du service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale;
6° du procureur général désigné par le Collège des procureurs généraux;
La présidence du comité stratégique est assurée par le membre du gouvernement compétent pour la lutte contre la fraude sociale.]1
Le comité stratégique se compose comme suit :
1° du membre du gouvernement compétent pour la lutte contre la fraude sociale ou son représentant;
2° des ministres compétents pour les Affaires sociales, l'Emploi, la Justice et les Indépendants ou leur représentant;
3° du directeur du SIRS;
4° des administrateurs généraux de l'Office national de sécurité sociale, de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, de l'Office national de l'emploi et de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité;
5° du président du comité de direction du service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale;
6° du procureur général désigné par le Collège des procureurs généraux;
La présidence du comité stratégique est assurée par le membre du gouvernement compétent pour la lutte contre la fraude sociale.]1
Wijzigingen
Art. 5. [1 Opdrachten van het strategisch comité
Het strategisch comité heeft onder meer als opdracht :
1° het valideren van het strategisch plan, bedoeld in artikel 2, voor een periode van vier jaar, rekening houdend met de bestuursovereenkomsten van de Openbare Instellingen van de Sociale Zekerheid en de federale overheidsdiensten;
2° het valideren van het operationeel actieplan, bedoeld in artikel 2;
3° het valideren van de voorgestelde strategieën;
4° het valideren van de doelstellingen per inspectiedienst m.b.t. de uitvoering van het operationeel actieplan;
5° het valideren van de opdrachten van de staf, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid.]1
Het strategisch comité heeft onder meer als opdracht :
1° het valideren van het strategisch plan, bedoeld in artikel 2, voor een periode van vier jaar, rekening houdend met de bestuursovereenkomsten van de Openbare Instellingen van de Sociale Zekerheid en de federale overheidsdiensten;
2° het valideren van het operationeel actieplan, bedoeld in artikel 2;
3° het valideren van de voorgestelde strategieën;
4° het valideren van de doelstellingen per inspectiedienst m.b.t. de uitvoering van het operationeel actieplan;
5° het valideren van de opdrachten van de staf, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid.]1
Art. 5. [1 Les tâches du comité stratégique
Le comité stratégique a notamment pour missions :
1° la validation du plan d'action stratégique, visé à l'article 2, pour une période de quatre ans, compte tenu des contrats d'administration des institutions publiques de sécurité sociale et des services publics fédéraux;
2° la validation du plan d'action opérationnel, visé à l'article 2;
3° la validation des stratégies proposées;
4° la validation des objectifs par service d'inspection en ce qui concerne la mise en oeuvre du plan opérationnel;
5° la validation des tâches du staff, visé à l'article 3, alinéa 4.]1
Le comité stratégique a notamment pour missions :
1° la validation du plan d'action stratégique, visé à l'article 2, pour une période de quatre ans, compte tenu des contrats d'administration des institutions publiques de sécurité sociale et des services publics fédéraux;
2° la validation du plan d'action opérationnel, visé à l'article 2;
3° la validation des stratégies proposées;
4° la validation des objectifs par service d'inspection en ce qui concerne la mise en oeuvre du plan opérationnel;
5° la validation des tâches du staff, visé à l'article 3, alinéa 4.]1
Wijzigingen
Art. 6. [1 Samenstelling van de staf van de SIOD
De staf van de SIOD is samengesteld uit :
1° de directeur van de SIOD;
2° experten belast met de ondersteuning van de directeur bij het opstellen en opvolgen van het strategisch plan en het operationeel actieplan, bedoeld in artikel 2;
3° een magistraat van een arbeidsauditoraat en/of van een arbeidsauditoraat-generaal;
4° een lid van de Federale Overheidsdienst Financiën;
5° SIOD-coördinatoren, waarvan het statuut wordt bepaald door de Koning : het betreffen sociaal inspecteurs afkomstig van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.
6° een secretariaat dat de staf bijstaat. Het secretariaat van de staf is eveneens belast met de taken van het secretariaat van het strategisch comité.
De staf van de SIOD wordt aangestuurd door het strategisch comité.]1
De staf van de SIOD is samengesteld uit :
1° de directeur van de SIOD;
2° experten belast met de ondersteuning van de directeur bij het opstellen en opvolgen van het strategisch plan en het operationeel actieplan, bedoeld in artikel 2;
3° een magistraat van een arbeidsauditoraat en/of van een arbeidsauditoraat-generaal;
4° een lid van de Federale Overheidsdienst Financiën;
5° SIOD-coördinatoren, waarvan het statuut wordt bepaald door de Koning : het betreffen sociaal inspecteurs afkomstig van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.
6° een secretariaat dat de staf bijstaat. Het secretariaat van de staf is eveneens belast met de taken van het secretariaat van het strategisch comité.
De staf van de SIOD wordt aangestuurd door het strategisch comité.]1
Art. 6. [1 La composition du staff du SIRS
Le staff du SIRS est composé :
1° du directeur du SIRS;
2° des experts chargés du soutien du directeur lors de la rédaction et du suivi du plan stratégique et du plan d'action opérationnel, visés à l'article 2;
3° d'un magistrat d'un auditorat du travail et/ou d'un auditorat général du travail;
4° d'un membre du Service public fédéral Finances;
5° des coordinateurs SIRS, dont le statut est fixé par le Roi : il s'agit d'inspecteurs sociaux de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale, de l'Office national de sécurité sociale, de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité et de l'Office national de l'Emploi.
6° [2 d'un secrétariat]2 qui assiste le staff. Le secrétariat du staff est également chargé des tâches du secrétariat du Comité stratégique.
Le staff du SIRS est dirigé par le comité stratégique.]1
Le staff du SIRS est composé :
1° du directeur du SIRS;
2° des experts chargés du soutien du directeur lors de la rédaction et du suivi du plan stratégique et du plan d'action opérationnel, visés à l'article 2;
3° d'un magistrat d'un auditorat du travail et/ou d'un auditorat général du travail;
4° d'un membre du Service public fédéral Finances;
5° des coordinateurs SIRS, dont le statut est fixé par le Roi : il s'agit d'inspecteurs sociaux de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale, de l'Office national de sécurité sociale, de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité et de l'Office national de l'Emploi.
6° [2 d'un secrétariat]2 qui assiste le staff. Le secrétariat du staff est également chargé des tâches du secrétariat du Comité stratégique.
Le staff du SIRS est dirigé par le comité stratégique.]1
Art. 7. [1 Opdrachten van de staf
De staf is belast met de uitvoering van de opdrachten van de SIOD, bedoeld in artikel 3.
De SIOD-coördinatoren zorgen voor de ondersteuning van de arrondissementscellen. Zij stellen hun kennis en ervaring als expert ter beschikking aan de SIOD.]1
De staf is belast met de uitvoering van de opdrachten van de SIOD, bedoeld in artikel 3.
De SIOD-coördinatoren zorgen voor de ondersteuning van de arrondissementscellen. Zij stellen hun kennis en ervaring als expert ter beschikking aan de SIOD.]1
Art. 7. [1 Les tâches du staff
Le staff est chargé de l'exécution des tâches du SIRS visées à l'article 3.
Les coordinateurs SIRS sont chargés du soutien des cellules d'arrondissement. Ils mettent leurs connaissances et leur expertise à la disposition du SIRS.]1
Le staff est chargé de l'exécution des tâches du SIRS visées à l'article 3.
Les coordinateurs SIRS sont chargés du soutien des cellules d'arrondissement. Ils mettent leurs connaissances et leur expertise à la disposition du SIRS.]1
Wijzigingen
Art. 8. [1 De functie van leidinggevende, genoemd de directeur van de SIOD, de voorwaarden voor zijn benoeming en zijn statuut
De directeur van de SIOD moet een managementfunctie bekleden.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de benoemingsvoorwaarden en het geldelijk en administratief statuut van de directeur.
[2 In afwachting van de aanstelling van de gevolmachtigde leidend ambtenaar, bedoeld in eerste en tweede lid, oefent de ambtenaar die op 1 juli 2017 de leiding over de algemene directie Toezicht op de sociale wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg heeft, de functie van directeur van het Bureau verder uit. De opdracht van deze persoon loopt af op het ogenblik dat de gevolmachtigde leidend ambtenaar wordt aangesteld.]2]1
De directeur van de SIOD moet een managementfunctie bekleden.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de benoemingsvoorwaarden en het geldelijk en administratief statuut van de directeur.
[2 In afwachting van de aanstelling van de gevolmachtigde leidend ambtenaar, bedoeld in eerste en tweede lid, oefent de ambtenaar die op 1 juli 2017 de leiding over de algemene directie Toezicht op de sociale wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg heeft, de functie van directeur van het Bureau verder uit. De opdracht van deze persoon loopt af op het ogenblik dat de gevolmachtigde leidend ambtenaar wordt aangesteld.]2]1
Art. 8. [1 La fonction du dirigeant, appelé le directeur du SIRS, les conditions de sa nomination et son statut
Le directeur du SIRS doit être titulaire d'une fonction de management.
Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les conditions de nomination et le statut pécuniaire et administratif du directeur.
[2 Dans l'attente de la désignation du fonctionnaire mandataire dirigeant visé aux alinéas 1er et 2, le fonctionnaire qui, à la date du 1er juillet 2017 dirige la direction générale Contrôle des lois sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale, poursuit l'exercice de la fonction du directeur du Bureau. Le mandat de cette personne se termine au moment où le fonctionnaire mandataire dirigeant est désigné.]2]1
Le directeur du SIRS doit être titulaire d'une fonction de management.
Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les conditions de nomination et le statut pécuniaire et administratif du directeur.
[2 Dans l'attente de la désignation du fonctionnaire mandataire dirigeant visé aux alinéas 1er et 2, le fonctionnaire qui, à la date du 1er juillet 2017 dirige la direction générale Contrôle des lois sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale, poursuit l'exercice de la fonction du directeur du Bureau. Le mandat de cette personne se termine au moment où le fonctionnaire mandataire dirigeant est désigné.]2]1
Art. 9. [1 Opdrachten van de directeur van de SIOD
De directeur van de SIOD:
- staat in voor het dagelijks beheer van de SIOD en voor het goede beheer van de opdrachten van de SIOD, zoals omschreven in artikel 3;
- staat in voor het beheer van het personeel van de staf, bedoeld in artikel 6, 1e lid, 2° tot en met 5°;
- zit tevens de structurele overlegcomités voor;
- stelt de actieplannen, bedoeld in artikel 2, voor aan de Nationale Arbeidsraad en het Algemeen Beheerscomité van Zelfstandigen.
Hij heeft zitting in de commissie voor partnerschapsovereenkomsten opgericht bij de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Hij deelt de resultaten van de werkzaamheden van deze commissie aan het strategisch comité en de staf mee.
Waar in deze wet en haar uitvoeringsbesluiten sprake is van de "directeur van het bureau" of de "directeur van het federaal aansturingsbureau" moet dit worden gelezen als de "directeur van de SIOD]1
De directeur van de SIOD:
- staat in voor het dagelijks beheer van de SIOD en voor het goede beheer van de opdrachten van de SIOD, zoals omschreven in artikel 3;
- staat in voor het beheer van het personeel van de staf, bedoeld in artikel 6, 1e lid, 2° tot en met 5°;
- zit tevens de structurele overlegcomités voor;
- stelt de actieplannen, bedoeld in artikel 2, voor aan de Nationale Arbeidsraad en het Algemeen Beheerscomité van Zelfstandigen.
Hij heeft zitting in de commissie voor partnerschapsovereenkomsten opgericht bij de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Hij deelt de resultaten van de werkzaamheden van deze commissie aan het strategisch comité en de staf mee.
Waar in deze wet en haar uitvoeringsbesluiten sprake is van de "directeur van het bureau" of de "directeur van het federaal aansturingsbureau" moet dit worden gelezen als de "directeur van de SIOD]1
Art. 9. [1 Les tâches du directeur du SIRS
Le directeur du SIRS :
- est chargé de la gestion journalière du SIRS et de la bonne exécution des missions du SIRS tel que définies à l'article 3;
- est chargé de la gestion du personnel du staff visé à l'article 6, alinéa 1er, 2° à 5°;
- préside par ailleurs les comités de concertation structurelle;
- présente les plans d'action visés à l'article 2 au Conseil national du Travail et au Comité général de gestion des Indépendants.
Il siège au sein de la commission de conventions de partenariat instituée au sein du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale. Il communique les résultats des travaux de cette commission au comité stratégique et au staff.
A chaque endroit où cette loi ou ses arrêtés d'exécution parlent du "directeur du bureau" ou du "directeur du bureau fédéral d'orientation", il faut le lire comme le "directeur du SIRS"]1
Le directeur du SIRS :
- est chargé de la gestion journalière du SIRS et de la bonne exécution des missions du SIRS tel que définies à l'article 3;
- est chargé de la gestion du personnel du staff visé à l'article 6, alinéa 1er, 2° à 5°;
- préside par ailleurs les comités de concertation structurelle;
- présente les plans d'action visés à l'article 2 au Conseil national du Travail et au Comité général de gestion des Indépendants.
Il siège au sein de la commission de conventions de partenariat instituée au sein du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale. Il communique les résultats des travaux de cette commission au comité stratégique et au staff.
A chaque endroit où cette loi ou ses arrêtés d'exécution parlent du "directeur du bureau" ou du "directeur du bureau fédéral d'orientation", il faut le lire comme le "directeur du SIRS"]1
Wijzigingen
Art. 10. [1 De benoeming van de leden van de staf, en hun statuut
De leden van de staf worden benoemd door de Koning, met uitzondering van de in artikel 6, eerste lid, 3°, bedoelde magistraat. Deze laatste wordt aangeduid door de procureur-generaal die bevoegd is voor het sociaal strafrecht. [2 De Koning bepaalt het administratief en geldelijk statuut van de leden van de staf bedoeld in artikel 6, eerste lid, 4° en 5°.]2
De functies van de leden van de staf bedoeld in artikel 6, eerste lid, 2°, kunnen niet worden ingevuld via een verlof voor opdracht van algemeen belang.
Tijdens hun mandaat behouden de sociaal inspecteurs, bedoeld in artikel 6, eerste lid, 5°, hun hoedanigheid van sociaal inspecteur in de zin van Titel 2 van het boek I van dit Wetboek.]1
De leden van de staf worden benoemd door de Koning, met uitzondering van de in artikel 6, eerste lid, 3°, bedoelde magistraat. Deze laatste wordt aangeduid door de procureur-generaal die bevoegd is voor het sociaal strafrecht. [2 De Koning bepaalt het administratief en geldelijk statuut van de leden van de staf bedoeld in artikel 6, eerste lid, 4° en 5°.]2
De functies van de leden van de staf bedoeld in artikel 6, eerste lid, 2°, kunnen niet worden ingevuld via een verlof voor opdracht van algemeen belang.
Tijdens hun mandaat behouden de sociaal inspecteurs, bedoeld in artikel 6, eerste lid, 5°, hun hoedanigheid van sociaal inspecteur in de zin van Titel 2 van het boek I van dit Wetboek.]1
Art. 10. [1 La nomination des membres du staff et leur statut
Les membres du staff sont nommés par le Roi, à l'exception du magistrat visé à l'article 6, alinéa 1er, 3°. Celui-ci est désigné par le procureur général qui a le droit pénal social dans ses attributions. [2 Le Roi fixe le statut administratif et pécuniaire des membres du staff visés à l'article 6, alinéa 1er, 4° et 5°.]2
Les fonctions des membres du staff visés à l'article 6, alinéa 1er, 2°, ne peuvent être remplies par le biais d'un congé pris dans le cadre d'une mission d'intérêt général.
Durant leur mandat, les inspecteurs sociaux visés à l'article 6, alinéa 1er, 5°, gardent leur qualité d'inspecteur social au sens du Titre 2 du livre Ier du présent Code.]1
Les membres du staff sont nommés par le Roi, à l'exception du magistrat visé à l'article 6, alinéa 1er, 3°. Celui-ci est désigné par le procureur général qui a le droit pénal social dans ses attributions. [2 Le Roi fixe le statut administratif et pécuniaire des membres du staff visés à l'article 6, alinéa 1er, 4° et 5°.]2
Les fonctions des membres du staff visés à l'article 6, alinéa 1er, 2°, ne peuvent être remplies par le biais d'un congé pris dans le cadre d'une mission d'intérêt général.
Durant leur mandat, les inspecteurs sociaux visés à l'article 6, alinéa 1er, 5°, gardent leur qualité d'inspecteur social au sens du Titre 2 du livre Ier du présent Code.]1
Art. 11. [1 Samenstelling en opdrachten van de structurele overlegcomités
§ 1. Er worden twee structurele overlegcomités opgericht, één voor het stelsel van de werknemers en één voor het stelsel van de zelfstandigen. Ingeval een doeltreffende organisatie van het werk dit vereist, kan de directeur van de SIOD beslissen om de twee structurele overlegcomités samen te voegen tot 1 overlegcomité.
Deze overlegcomités staan in voor het opvolgen, evalueren en verbeteren van de samenwerking inzake de strijd tegen bijdragefraude, uitkeringsfraude en de grensoverschrijdende sociale fraude.
§ 2. Deze overlegcomités zijn elk samengesteld als volgt :
1° de directeur van de SIOD, die het comité voorzit;
2° een SIOD-vertegenwoordiger per comité;
3° de leidende ambtenaren van de federale inspectiediensten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, het Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen en het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
4° de procureur-generaal aangesteld door het College van procureurs-generaal en een vertegenwoordiger van de Raad van Arbeidsauditeurs;
5° de vertegenwoordigers van de regionale inspectiediensten die deelnemen met raadgevende stem;
6° de leidende ambtenaar van de Directie van de Administratieve geldboeten van de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt van de federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
De voorzitter van elk comité kan een vertegenwoordiger van de Federale Overheidsdienst Financiën uitnodigen indien zijn aanwezigheid vereist is om de structurele strategische samenwerking tussen fiscus en sociale inspectiediensten te versterken. Hij heeft een raadgevende stem.
§ 3. Elk overlegcomité heeft als taak :
1° de coördinatie van de uitvoering van het operationeel actieplan;
2° het voorstellen van kritische succesfactoren en kritische prestatie-indicatoren, de opvolging ervan te verzekeren en er over te rapporteren;
3° het formuleren van voorstellen tot standaardisering van de werkprocessen;
4° het opvolgen van de acties en er over rapporteren;
5° het formuleren van voorstellen tot vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving aan de regering via het strategisch comité.]1
§ 1. Er worden twee structurele overlegcomités opgericht, één voor het stelsel van de werknemers en één voor het stelsel van de zelfstandigen. Ingeval een doeltreffende organisatie van het werk dit vereist, kan de directeur van de SIOD beslissen om de twee structurele overlegcomités samen te voegen tot 1 overlegcomité.
Deze overlegcomités staan in voor het opvolgen, evalueren en verbeteren van de samenwerking inzake de strijd tegen bijdragefraude, uitkeringsfraude en de grensoverschrijdende sociale fraude.
§ 2. Deze overlegcomités zijn elk samengesteld als volgt :
1° de directeur van de SIOD, die het comité voorzit;
2° een SIOD-vertegenwoordiger per comité;
3° de leidende ambtenaren van de federale inspectiediensten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, het Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen en het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
4° de procureur-generaal aangesteld door het College van procureurs-generaal en een vertegenwoordiger van de Raad van Arbeidsauditeurs;
5° de vertegenwoordigers van de regionale inspectiediensten die deelnemen met raadgevende stem;
6° de leidende ambtenaar van de Directie van de Administratieve geldboeten van de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt van de federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
De voorzitter van elk comité kan een vertegenwoordiger van de Federale Overheidsdienst Financiën uitnodigen indien zijn aanwezigheid vereist is om de structurele strategische samenwerking tussen fiscus en sociale inspectiediensten te versterken. Hij heeft een raadgevende stem.
§ 3. Elk overlegcomité heeft als taak :
1° de coördinatie van de uitvoering van het operationeel actieplan;
2° het voorstellen van kritische succesfactoren en kritische prestatie-indicatoren, de opvolging ervan te verzekeren en er over te rapporteren;
3° het formuleren van voorstellen tot standaardisering van de werkprocessen;
4° het opvolgen van de acties en er over rapporteren;
5° het formuleren van voorstellen tot vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving aan de regering via het strategisch comité.]1
Art. 11. [1 La composition et les tâches des comités de concertation structurelle
§ 1er. Il est institué deux comités de concertation structurelle, un pour le régime des travailleurs salariés et un pour le régime des indépendants. Si une organisation efficace du travail l'exige, le directeur du SIRS peut décider de fusionner les deux comités de concertation structurelle en un seul.
Ces comités de concertation sont chargés du suivi, de l'évaluation et de l'amélioration de la collaboration en matière de lutte contre la fraude sociale, la fraude aux allocations et la fraude sociale transfrontalière.
§ 2. Chaque comité de concertation est composé comme suit :
1° du directeur du SIRS, qui préside le comité;
2° d'un représentant du SIRS par comité;
3° des fonctionnaires dirigeants des services d'inspection fédéraux du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale, de l'Office national de sécurité sociale, de l'Office national de l'Emploi, de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, et de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité;
4° du procureur général désigné par le Collège des procureurs généraux et un représentant du Conseil des Auditeurs du travail;
5° des représentants des services d'inspection régionaux qui ont une voix consultative;
6° du fonctionnaire dirigeant de la Direction des amendes administratives de la Direction générale Emploi et marché du travail du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
Le président de chaque comité peut inviter un représentant du Service public fédéral Finances si sa présence est requise pour renforcer la collaboration stratégique et structurelle entre le fisc et les services d'inspection sociale. Il a une voix consultative.
§ 3. La tâche de chaque comité de concertation consiste à :
1° coordonner la réalisation du plan d'action opérationnel;
2° proposer des facteurs de succès critiques et des indicateurs de prestation critiques, d'en assurer le suivi et de rédiger des rapports en la matière;
3° formuler des propositions de standardisation des processus de travail;
4° assurer le suivi des actions et à établir des rapports;
5° formuler à l'attention du gouvernement via le comité stratégique, des propositions de simplification et d'amélioration de la réglementation.]1
§ 1er. Il est institué deux comités de concertation structurelle, un pour le régime des travailleurs salariés et un pour le régime des indépendants. Si une organisation efficace du travail l'exige, le directeur du SIRS peut décider de fusionner les deux comités de concertation structurelle en un seul.
Ces comités de concertation sont chargés du suivi, de l'évaluation et de l'amélioration de la collaboration en matière de lutte contre la fraude sociale, la fraude aux allocations et la fraude sociale transfrontalière.
§ 2. Chaque comité de concertation est composé comme suit :
1° du directeur du SIRS, qui préside le comité;
2° d'un représentant du SIRS par comité;
3° des fonctionnaires dirigeants des services d'inspection fédéraux du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale, de l'Office national de sécurité sociale, de l'Office national de l'Emploi, de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, et de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité;
4° du procureur général désigné par le Collège des procureurs généraux et un représentant du Conseil des Auditeurs du travail;
5° des représentants des services d'inspection régionaux qui ont une voix consultative;
6° du fonctionnaire dirigeant de la Direction des amendes administratives de la Direction générale Emploi et marché du travail du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
Le président de chaque comité peut inviter un représentant du Service public fédéral Finances si sa présence est requise pour renforcer la collaboration stratégique et structurelle entre le fisc et les services d'inspection sociale. Il a une voix consultative.
§ 3. La tâche de chaque comité de concertation consiste à :
1° coordonner la réalisation du plan d'action opérationnel;
2° proposer des facteurs de succès critiques et des indicateurs de prestation critiques, d'en assurer le suivi et de rédiger des rapports en la matière;
3° formuler des propositions de standardisation des processus de travail;
4° assurer le suivi des actions et à établir des rapports;
5° formuler à l'attention du gouvernement via le comité stratégique, des propositions de simplification et d'amélioration de la réglementation.]1
Wijzigingen
Art. 12. [1 Er wordt zowel in de schoot van de [2 Nationale Arbeidsraad]2 als in de schoot van het [2 Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen]2 een informatieplatform sociale fraude opgericht ter bevordering van de dialoog tussen de regeringsleden bevoegd voor sociale fraude en het management van de SIOD enerzijds en de sociale partners anderzijds. De ontwerpen van strategische plannen en de ontwerpen van operationele actieplannen worden daar onder meer besproken.]1
Art. 12. [1 Une plateforme d'information fraude sociale est créée tant auprès du [2 Conseil national du Travail]2 qu'auprès du [2 Comité général de gestion pour le statut social des travailleurs indépendants de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants]2 afin de stimuler le dialogue entre les membres du gouvernement compétents en matière de fraude sociale et le management du SIRS, d'une part, et les partenaires sociaux, d'autre part. Les projets de plans stratégiques et les projets de plans d'action opérationnels y seront entre autres discutés.]1
HOOFDSTUK 3. [1 - De arrondissementscel]1
CHAPITRE 3. [1 - La cellule d'arrondissement]1
Art. 13. [1 De samenstelling van de arrondissementscel
Per arbeidsauditoraat wordt een arrondissementscel opgericht, hierna "de cel" genoemd, voorgezeten door de arbeidsauditeur en voor het overige samengesteld als volgt : een vertegenwoordiger van de inspectiediensten Toezicht Sociale Wetten /Toezicht Welzijn op het Werk, van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, het Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, een vertegenwoordiger van de Federale Overheidsdienst Financiën, een magistraat van een parket van de procureur des Konings, een lid van de lokale politie, een coördinator van de SIOD zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, 5°, en de secretaris van de cel.
Aan de arrondissementscel wordt, op zijn verzoek, de vertegenwoordiger toegevoegd van de gewestelijke inspectiedienst bevoegd inzake tewerkstellingsbeleid krachtens artikel 6, § 1, IX, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980. De voorzitter van de cel kan iedere andere dienst uitnodigen op de vergaderingen indien zijn aanwezigheid nodig blijkt.
[2 Als dit aangewezen is met het oog op een efficiëntere organisatie van het werk, kan een cel meerdere arbeidsauditoraten omvatten.
Als dit aangewezen is met het oog op een efficiëntere organisatie van het werk, kunnen binnen een arbeidsauditoraat meerdere arrondissementscellen worden opgericht.
In de gevallen bedoeld in de twee vorige leden, wordt om de fusie of splitsing van de arrondissementscellen gevraagd door de oorspronkelijke arrondissementscellen die dit voorstel voorleggen aan het strategisch comité dat het moet goedkeuren.]2]1
Per arbeidsauditoraat wordt een arrondissementscel opgericht, hierna "de cel" genoemd, voorgezeten door de arbeidsauditeur en voor het overige samengesteld als volgt : een vertegenwoordiger van de inspectiediensten Toezicht Sociale Wetten /Toezicht Welzijn op het Werk, van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, het Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, een vertegenwoordiger van de Federale Overheidsdienst Financiën, een magistraat van een parket van de procureur des Konings, een lid van de lokale politie, een coördinator van de SIOD zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, 5°, en de secretaris van de cel.
Aan de arrondissementscel wordt, op zijn verzoek, de vertegenwoordiger toegevoegd van de gewestelijke inspectiedienst bevoegd inzake tewerkstellingsbeleid krachtens artikel 6, § 1, IX, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980. De voorzitter van de cel kan iedere andere dienst uitnodigen op de vergaderingen indien zijn aanwezigheid nodig blijkt.
[2 Als dit aangewezen is met het oog op een efficiëntere organisatie van het werk, kan een cel meerdere arbeidsauditoraten omvatten.
Als dit aangewezen is met het oog op een efficiëntere organisatie van het werk, kunnen binnen een arbeidsauditoraat meerdere arrondissementscellen worden opgericht.
In de gevallen bedoeld in de twee vorige leden, wordt om de fusie of splitsing van de arrondissementscellen gevraagd door de oorspronkelijke arrondissementscellen die dit voorstel voorleggen aan het strategisch comité dat het moet goedkeuren.]2]1
Art. 13. [1 La composition de la cellule d'arrondissement
II est institué une cellule d'arrondissement par auditorat du travail, dénommée ci-après "la cellule", présidée par l'auditeur du travail et pour le surplus composée comme suit: d'un représentant des services d'inspection du Contrôle des Lois sociales/Contrôle du Bien-Etre au travail, de l'Office national de sécurité sociale, de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, de l'Office national de l'emploi et de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, d'un représentant du Service public fédéral Finances, d'un magistrat d'un parquet du procureur du Roi, d'un membre de la police locale, d'un coordinateur du SIRS tel que visé à l'article 6, alinéa 1er, 5°, et du secrétaire de la cellule.
Est associé à la cellule d'arrondissement, à sa demande, le représentant du service d'inspection régionale compétent en matière d'emploi en vertu de l'article 6, § 1er, IX, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles. Le président de la cellule peut inviter tout autre service à participer aux réunions si sa présence s'avère nécessaire.
[2 Si une organisation plus efficiente du travail le préconise, une cellule peut regrouper plusieurs auditorats du travail.
Si une organisation plus efficiente du travail le préconise, plusieurs cellules d'arrondissement peuvent être créées dans un auditorat du travail.
Dans les cas visés aux deux alinéas précédents, la fusion ou scission des cellules d'arrondissement est sollicitée par les cellules d'arrondissement initiales qui soumettent cette proposition au comité stratégique qui doit l'approuver.]2]1
II est institué une cellule d'arrondissement par auditorat du travail, dénommée ci-après "la cellule", présidée par l'auditeur du travail et pour le surplus composée comme suit: d'un représentant des services d'inspection du Contrôle des Lois sociales/Contrôle du Bien-Etre au travail, de l'Office national de sécurité sociale, de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, de l'Office national de l'emploi et de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, d'un représentant du Service public fédéral Finances, d'un magistrat d'un parquet du procureur du Roi, d'un membre de la police locale, d'un coordinateur du SIRS tel que visé à l'article 6, alinéa 1er, 5°, et du secrétaire de la cellule.
Est associé à la cellule d'arrondissement, à sa demande, le représentant du service d'inspection régionale compétent en matière d'emploi en vertu de l'article 6, § 1er, IX, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles. Le président de la cellule peut inviter tout autre service à participer aux réunions si sa présence s'avère nécessaire.
[2 Si une organisation plus efficiente du travail le préconise, une cellule peut regrouper plusieurs auditorats du travail.
Si une organisation plus efficiente du travail le préconise, plusieurs cellules d'arrondissement peuvent être créées dans un auditorat du travail.
Dans les cas visés aux deux alinéas précédents, la fusion ou scission des cellules d'arrondissement est sollicitée par les cellules d'arrondissement initiales qui soumettent cette proposition au comité stratégique qui doit l'approuver.]2]1
Art. 14. [1 De opdracht van de cel
De opdracht van de cel bestaat erin :
1° de organisatie en de coördinatie van de controles op de naleving van de verschillende sociale wetgevingen in verband met [2 sociale fraude, illegale arbeid, en sociale dumping]2, zoals onder meer bepaald in het operationeel actieplan;
2° de richtlijnen en de onderrichtingen van de staf uit te voeren;
3° informatie aan te leggen en opleidingen, onder andere sociaal strafrecht, te organiseren voor de leden van de diensten die deelnemen aan de vergaderingen van de cel;
4° de informatie aan te leveren zodat de balans kan worden opgemaakt van de gezamenlijke acties van de inspectiediensten die gevoerd worden binnen de cel;
5° de leden van de cel te informeren over de opvolging van de dossiers die worden behandeld door de sociale inspectiediensten en gerechtelijk vervolgd worden, alsook over de voor de inspectiediensten relevante rechtspraak.
De cel komt ten minste éénmaal per maand samen in het kader van de concrete uitvoering van haar taken, in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van de acties opgesomd onder 1°.
De staf kan, op voorstel van het strategisch comité of één van zijn leden, doen overgaan tot een actie die het volledige Belgische grondgebied omvat of tot een actie die het ambtsgebied van meerdere cellen omvat.]1
De opdracht van de cel bestaat erin :
1° de organisatie en de coördinatie van de controles op de naleving van de verschillende sociale wetgevingen in verband met [2 sociale fraude, illegale arbeid, en sociale dumping]2, zoals onder meer bepaald in het operationeel actieplan;
2° de richtlijnen en de onderrichtingen van de staf uit te voeren;
3° informatie aan te leggen en opleidingen, onder andere sociaal strafrecht, te organiseren voor de leden van de diensten die deelnemen aan de vergaderingen van de cel;
4° de informatie aan te leveren zodat de balans kan worden opgemaakt van de gezamenlijke acties van de inspectiediensten die gevoerd worden binnen de cel;
5° de leden van de cel te informeren over de opvolging van de dossiers die worden behandeld door de sociale inspectiediensten en gerechtelijk vervolgd worden, alsook over de voor de inspectiediensten relevante rechtspraak.
De cel komt ten minste éénmaal per maand samen in het kader van de concrete uitvoering van haar taken, in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van de acties opgesomd onder 1°.
De staf kan, op voorstel van het strategisch comité of één van zijn leden, doen overgaan tot een actie die het volledige Belgische grondgebied omvat of tot een actie die het ambtsgebied van meerdere cellen omvat.]1
Art. 14. [1 La tâche de la cellule
La tâche de la cellule consiste à :
1° organiser et coordonner les contrôles du respect des différentes législations sociales en rapport avec [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2, tel qu'entre autres définis dans le plan d'action opérationnel;
2° exécuter les directives et instructions établies par le staff;
3° mettre sur pied des informations et des formations, entre autres concernant le droit pénal social, à destination des membres des services participant aux réunions de la cellule;
4° fournir les informations nécessaires permettant de dresser le bilan des actions communes menées par les services d'inspection au sein de la cellule;
5° informer les membres de la cellule d'arrondissement du suivi des dossiers traités par les services d'inspection sociale et poursuivis devant les tribunaux ainsi que des jurisprudences pertinentes pour les services d'inspection.
La cellule se réunit au moins une fois par mois dans le cadre de l'exécution concrète de ses missions, plus particulièrement en ce qui concerne l'organisation des actions énumérées sous 1°.
Sur la proposition du comité stratégique ou d'un de ses membres, le staff peut faire procéder à une action qui couvre l'ensemble du territoire belge ou à une action qui couvre le ressort de plusieurs cellules.]1
La tâche de la cellule consiste à :
1° organiser et coordonner les contrôles du respect des différentes législations sociales en rapport avec [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2, tel qu'entre autres définis dans le plan d'action opérationnel;
2° exécuter les directives et instructions établies par le staff;
3° mettre sur pied des informations et des formations, entre autres concernant le droit pénal social, à destination des membres des services participant aux réunions de la cellule;
4° fournir les informations nécessaires permettant de dresser le bilan des actions communes menées par les services d'inspection au sein de la cellule;
5° informer les membres de la cellule d'arrondissement du suivi des dossiers traités par les services d'inspection sociale et poursuivis devant les tribunaux ainsi que des jurisprudences pertinentes pour les services d'inspection.
La cellule se réunit au moins une fois par mois dans le cadre de l'exécution concrète de ses missions, plus particulièrement en ce qui concerne l'organisation des actions énumérées sous 1°.
Sur la proposition du comité stratégique ou d'un de ses membres, le staff peut faire procéder à une action qui couvre l'ensemble du territoire belge ou à une action qui couvre le ressort de plusieurs cellules.]1
Art. 15. [1 Secretariaat van de cel
Voor elke cel wordt in een secretariaat voorzien.
Het secretariaat wordt waargenomen door één van de inspectiediensten van de overheidsdiensten opgesomd in artikel 11, § 2, 3°, overeenkomstig het Protocolakkoord dat door de staf wordt voorgesteld.
Het secretariaat wordt gevestigd in de zetel van één van de diensten bedoeld in het tweede lid.
De verslagen van de vergaderingen van de cel worden opgesteld door het secretariaat en overgemaakt aan de staf.]1
Voor elke cel wordt in een secretariaat voorzien.
Het secretariaat wordt waargenomen door één van de inspectiediensten van de overheidsdiensten opgesomd in artikel 11, § 2, 3°, overeenkomstig het Protocolakkoord dat door de staf wordt voorgesteld.
Het secretariaat wordt gevestigd in de zetel van één van de diensten bedoeld in het tweede lid.
De verslagen van de vergaderingen van de cel worden opgesteld door het secretariaat en overgemaakt aan de staf.]1
Art. 15. [1 Le secrétariat de la cellule
Un secrétariat est institué par cellule d'arrondissement.
Le secrétariat est assuré par un des services d'inspection des administrations publiques, tels que reprises dans l'article 11, § 2, 3°, conformément au Protocole d'accord proposé par le staff.
Le secrétariat est établi au siège local d'un des services visés à l'alinéa 2.
Les procès-verbaux des réunions de la cellule sont établis par le secrétariat et sont transmis au staff.]1
Un secrétariat est institué par cellule d'arrondissement.
Le secrétariat est assuré par un des services d'inspection des administrations publiques, tels que reprises dans l'article 11, § 2, 3°, conformément au Protocole d'accord proposé par le staff.
Le secrétariat est établi au siège local d'un des services visés à l'alinéa 2.
Les procès-verbaux des réunions de la cellule sont établis par le secrétariat et sont transmis au staff.]1
Wijzigingen
Art. 15/1. [1 De partnerschapscommissie, de samenstelling ervan en de partnerschapsovereenkomst
Er wordt een partnerschapscommissie opgericht die haar zetel heeft in de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Ze is samengesteld uit :
1° de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, die de partnerschapscommissie voorzit;
2° de directeur van de SIOD;
3° de secretaris van de Nationale Arbeidsraad;
4° de secretaris van het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen;
5° de administrateurs-generaal van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, de Rijksdienst voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, en het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen.
Deze commissie is ermee belast de partnerschapsovereenkomsten tussen de bevoegde minister(s) en organisaties voor te bereiden.
In de partnerschapsovereenkomst kunnen de ondertekenende partijen beslissen over elke informatie- en sensibiliseringsactie gericht tot de professionelen en de consumenten. Zij mogen tevens de verstrekking door organisaties organiseren, van iedere inlichting die nuttig is voor de preventie en de vaststelling van inbreuken.]1
Er wordt een partnerschapscommissie opgericht die haar zetel heeft in de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Ze is samengesteld uit :
1° de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, die de partnerschapscommissie voorzit;
2° de directeur van de SIOD;
3° de secretaris van de Nationale Arbeidsraad;
4° de secretaris van het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen;
5° de administrateurs-generaal van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, de Rijksdienst voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, en het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen.
Deze commissie is ermee belast de partnerschapsovereenkomsten tussen de bevoegde minister(s) en organisaties voor te bereiden.
In de partnerschapsovereenkomst kunnen de ondertekenende partijen beslissen over elke informatie- en sensibiliseringsactie gericht tot de professionelen en de consumenten. Zij mogen tevens de verstrekking door organisaties organiseren, van iedere inlichting die nuttig is voor de preventie en de vaststelling van inbreuken.]1
Art. 15/1. [1 La commission de partenariat, sa composition et la convention de partenariat
Il est institué une commission de partenariat qui a son siège au SPF Emploi, Travail et Concertation sociale. Elle est composée:
1° du président du comité de direction du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale, qui préside la commission de partenariat;
2° du directeur du SIRS;
3° du secrétaire du Conseil national du travail;
4° du secrétaire du Comité général de gestion pour le statut social des travailleurs indépendants;
5° des administrateurs généraux de l'Office national de sécurité sociale, de l'Office national de l'emploi, de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité et de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.
Cette commission est chargée de préparer les conventions de partenariat entre le(s) ministre(s) compétent(s) et des organisations.
Dans la convention de partenariat, les signataires peuvent décider de toute action d'information et de sensibilisation dirigée vers les professionnels et les consommateurs. Elles peuvent aussi organiser la fourniture, par les organisations, de toute information utile à la prévention et à la constatation des infractions.]1
Il est institué une commission de partenariat qui a son siège au SPF Emploi, Travail et Concertation sociale. Elle est composée:
1° du président du comité de direction du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale, qui préside la commission de partenariat;
2° du directeur du SIRS;
3° du secrétaire du Conseil national du travail;
4° du secrétaire du Comité général de gestion pour le statut social des travailleurs indépendants;
5° des administrateurs généraux de l'Office national de sécurité sociale, de l'Office national de l'emploi, de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité et de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.
Cette commission est chargée de préparer les conventions de partenariat entre le(s) ministre(s) compétent(s) et des organisations.
Dans la convention de partenariat, les signataires peuvent décider de toute action d'information et de sensibilisation dirigée vers les professionnels et les consommateurs. Elles peuvent aussi organiser la fourniture, par les organisations, de toute information utile à la prévention et à la constatation des infractions.]1
HOOFDSTUK 4. [1 - De overlegplatformen voor de bestrijding van sociale fraude]1
CHAPITRE 4. [1 - Les plateformes de concertation de la lutte contre la fraude sociale]1
Art. 15/2. [1 Het overlegplatform voor de strijd tegen de ernstige en/of georganiseerde sociale fraude
Er wordt een overlegplatform voor de strijd tegen de ernstige en/of georganiseerde sociale fraude opgericht, genaamd "platform Justitie" dat is samengesteld uit :
1° de leidende ambtenaren van de sociale inspectiediensten Toezicht Sociale Wetten/Toezicht Welzijn op het Werk van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, van het Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen, van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
2° de procureur-generaal aan wie specifieke taken worden toegewezen met betrekking tot de materie van het sociaal recht, in het bijzonder met betrekking tot de sociale criminaliteit en de fraude op de sociale wetgeving of zijn vertegenwoordiger;
3° de procureur federaal of diens vertegenwoordiger;
4° de arbeidsauditeurs betrokken bij de dossiers onderzocht door het platform;
5° één of meerdere coördinatoren van de SIOD zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, 5°;
6° de directeur-generaal van de federale gerechtelijke politie of zijn vertegenwoordiger;
7° iedere andere vertegenwoordiger waarvan de aanwezigheid noodzakelijk of nuttig geacht wordt voor de behandeling van de dossiers die betrekking hebben op ernstige en/of georganiseerde fraude.
Het overlegplatform voor de strijd tegen de ernstige en/of georganiseerde sociale fraude wordt samen voorgezeten door de procureur-generaal die het sociaal strafrecht binnen zijn bevoegdheden heeft en door de procureur voor de coördinatieaspecten.
Het overlegplatform voor de strijd tegen de ernstige en/of georganiseerde sociale fraude komt samen in de lokalen van het College van procureurs-generaal.
§ 2. Het overlegplatform voor de strijd tegen de ernstige en/of georganiseerde sociale fraude heeft als taak het maken van concrete afspraken over de nodige capaciteit aan inspecteurs, controleurs en informaticatoepassingen voor onder andere datamining, risico-analyse, die wordt ter beschikking gesteld van de gerechtelijke penale aanpak en het strafrechtelijk gevolg door de arbeidsauditeurs of het federaal parket.]1
Er wordt een overlegplatform voor de strijd tegen de ernstige en/of georganiseerde sociale fraude opgericht, genaamd "platform Justitie" dat is samengesteld uit :
1° de leidende ambtenaren van de sociale inspectiediensten Toezicht Sociale Wetten/Toezicht Welzijn op het Werk van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, van het Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen, van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
2° de procureur-generaal aan wie specifieke taken worden toegewezen met betrekking tot de materie van het sociaal recht, in het bijzonder met betrekking tot de sociale criminaliteit en de fraude op de sociale wetgeving of zijn vertegenwoordiger;
3° de procureur federaal of diens vertegenwoordiger;
4° de arbeidsauditeurs betrokken bij de dossiers onderzocht door het platform;
5° één of meerdere coördinatoren van de SIOD zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, 5°;
6° de directeur-generaal van de federale gerechtelijke politie of zijn vertegenwoordiger;
7° iedere andere vertegenwoordiger waarvan de aanwezigheid noodzakelijk of nuttig geacht wordt voor de behandeling van de dossiers die betrekking hebben op ernstige en/of georganiseerde fraude.
Het overlegplatform voor de strijd tegen de ernstige en/of georganiseerde sociale fraude wordt samen voorgezeten door de procureur-generaal die het sociaal strafrecht binnen zijn bevoegdheden heeft en door de procureur voor de coördinatieaspecten.
Het overlegplatform voor de strijd tegen de ernstige en/of georganiseerde sociale fraude komt samen in de lokalen van het College van procureurs-generaal.
§ 2. Het overlegplatform voor de strijd tegen de ernstige en/of georganiseerde sociale fraude heeft als taak het maken van concrete afspraken over de nodige capaciteit aan inspecteurs, controleurs en informaticatoepassingen voor onder andere datamining, risico-analyse, die wordt ter beschikking gesteld van de gerechtelijke penale aanpak en het strafrechtelijk gevolg door de arbeidsauditeurs of het federaal parket.]1
Art. 15/2. [1 La plateforme de lutte contre la fraude sociale grave et/ou organisée
Il est créé une plateforme de lutte contre la fraude sociale grave et/ou organisée, nommée "plateforme Justice", qui se compose comme suit :
1° des fonctionnaires dirigeants des services d'inspection du Contrôle des Lois sociales/Contrôle du Bien-Etre au travail, de l'Office national de sécurité sociale, de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, de l'Office national de l'Emploi et de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité;
2° du procureur général chargé des missions spécifiques relatives aux matières du droit social, plus particulièrement celles relatives à la criminalité sociale et à la fraude à la législation sociale, ou de son représentant;
3° du procureur fédéral ou de son représentant;
4° des auditeurs de travail impliqués dans les dossiers examinés par la plateforme;
5° d'un ou de plusieurs coordinateurs du SIRS, tel que visé à l'article 6, alinéa 1er, 5°;
6° du directeur général de la police fédérale judiciaire ou de son représentant;
7° de tout autre représentant dont la présence est jugée nécessaire ou utile pour le traitement des dossiers qui concernent la fraude sérieuse et/ou organisée.
La plateforme de lutte contre la fraude sociale grave et/ou organisée est coprésidée par le procureur général ayant le droit pénal social dans ses attributions et le procureur pour les aspects de coordination.
La plateforme de lutte contre la fraude sociale grave et/ou organisée se réunit dans les locaux du Collège des procureurs généraux.
§ 2. La mission de la plateforme de lutte contre la fraude sociale grave et/ou organisée consiste à conclure des accords concrets sur la capacité nécessaire en inspecteurs, contrôleurs et applications informatiques pour réaliser entre autres le datamining et une analyse des risques permettant de faciliter l'approche judiciaire pénale et le suivi pénal assuré par les auditeurs du travail ou le parquet fédéral.]1
Il est créé une plateforme de lutte contre la fraude sociale grave et/ou organisée, nommée "plateforme Justice", qui se compose comme suit :
1° des fonctionnaires dirigeants des services d'inspection du Contrôle des Lois sociales/Contrôle du Bien-Etre au travail, de l'Office national de sécurité sociale, de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, de l'Office national de l'Emploi et de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité;
2° du procureur général chargé des missions spécifiques relatives aux matières du droit social, plus particulièrement celles relatives à la criminalité sociale et à la fraude à la législation sociale, ou de son représentant;
3° du procureur fédéral ou de son représentant;
4° des auditeurs de travail impliqués dans les dossiers examinés par la plateforme;
5° d'un ou de plusieurs coordinateurs du SIRS, tel que visé à l'article 6, alinéa 1er, 5°;
6° du directeur général de la police fédérale judiciaire ou de son représentant;
7° de tout autre représentant dont la présence est jugée nécessaire ou utile pour le traitement des dossiers qui concernent la fraude sérieuse et/ou organisée.
La plateforme de lutte contre la fraude sociale grave et/ou organisée est coprésidée par le procureur général ayant le droit pénal social dans ses attributions et le procureur pour les aspects de coordination.
La plateforme de lutte contre la fraude sociale grave et/ou organisée se réunit dans les locaux du Collège des procureurs généraux.
§ 2. La mission de la plateforme de lutte contre la fraude sociale grave et/ou organisée consiste à conclure des accords concrets sur la capacité nécessaire en inspecteurs, contrôleurs et applications informatiques pour réaliser entre autres le datamining et une analyse des risques permettant de faciliter l'approche judiciaire pénale et le suivi pénal assuré par les auditeurs du travail ou le parquet fédéral.]1
Art. 15/3. [1 Het operationeel platform voor de strijd tegen de sociale fraude, genaamd "platform inspectiediensten"
§ 1. Er wordt een operationeel platform voor de strijd tegen sociale fraude opgericht, dat is samengesteld uit :
1° de leidende ambtenaren van de sociale inspectiediensten Toezicht Sociale Wetten/Toezicht Welzijn op het Werk, van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, van het Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen, van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
2° De procureur-generaal aan wie specifieke taken worden toegewezen met betrekking tot de materie van het sociaal recht, in het bijzonder met betrekking tot de sociale criminaliteit en de fraude op de sociale wetgeving;
3° de arbeidsauditeurs die betrokken zijn bij het te onderzoeken dossier;
4° een vertegenwoordiger van de federale en lokale politie indien zijn aanwezigheid noodzakelijk is in het kader van het te onderzoeken dossier;
5° iedere andere partners waarvan de aanwezigheid noodzakelijk of nuttig is voor de behandeling van het te onderzoeken dossier.
Het voorzitterschap en de plaats van samenkomst zal op basis van een beurtrol tussen de directeurs-generaal van de inspectiediensten worden toegekend.
Dit operationeel platform kan bijeen worden geroepen door de personen, zoals bedoeld in het eerste lid, 1° of 2°, en dit op elk moment dat zij dit nodig achten.
§ 2. Het operationeel platform voor de strijd tegen de sociale fraude heeft als opdracht :
1° het bepalen van de onderzoeken die het voorwerp moeten uitmaken van een gecoördineerde aanpak en van het gevolg dat aan deze dossiers moet gegeven worden;
2° een akkoord vinden over de capaciteit en de middelen die ter beschikking worden gesteld voor het uitvoeren van de onderzoeken;
3° het toezicht houden op de acties die worden opgezet op het gebied van de strijd tegen de grensoverschrijdende fraude, om zo te komen tot een coherente aanpak:
d) bij de benadering van het fenomeen;
e) bij de keuze van de onderzoeken;
f) bij de manier waarop de vastgestelde fraude wordt opgevolgd en vervolgd.]1
§ 1. Er wordt een operationeel platform voor de strijd tegen sociale fraude opgericht, dat is samengesteld uit :
1° de leidende ambtenaren van de sociale inspectiediensten Toezicht Sociale Wetten/Toezicht Welzijn op het Werk, van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, van het Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen, van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
2° De procureur-generaal aan wie specifieke taken worden toegewezen met betrekking tot de materie van het sociaal recht, in het bijzonder met betrekking tot de sociale criminaliteit en de fraude op de sociale wetgeving;
3° de arbeidsauditeurs die betrokken zijn bij het te onderzoeken dossier;
4° een vertegenwoordiger van de federale en lokale politie indien zijn aanwezigheid noodzakelijk is in het kader van het te onderzoeken dossier;
5° iedere andere partners waarvan de aanwezigheid noodzakelijk of nuttig is voor de behandeling van het te onderzoeken dossier.
Het voorzitterschap en de plaats van samenkomst zal op basis van een beurtrol tussen de directeurs-generaal van de inspectiediensten worden toegekend.
Dit operationeel platform kan bijeen worden geroepen door de personen, zoals bedoeld in het eerste lid, 1° of 2°, en dit op elk moment dat zij dit nodig achten.
§ 2. Het operationeel platform voor de strijd tegen de sociale fraude heeft als opdracht :
1° het bepalen van de onderzoeken die het voorwerp moeten uitmaken van een gecoördineerde aanpak en van het gevolg dat aan deze dossiers moet gegeven worden;
2° een akkoord vinden over de capaciteit en de middelen die ter beschikking worden gesteld voor het uitvoeren van de onderzoeken;
3° het toezicht houden op de acties die worden opgezet op het gebied van de strijd tegen de grensoverschrijdende fraude, om zo te komen tot een coherente aanpak:
d) bij de benadering van het fenomeen;
e) bij de keuze van de onderzoeken;
f) bij de manier waarop de vastgestelde fraude wordt opgevolgd en vervolgd.]1
Art. 15/3. [1 La plateforme opérationnelle de lutte contre la fraude sociale, nommée "plateforme services d'inspection"
§ 1er. Il est créé une plateforme opérationnelle de lutte contre la fraude sociale qui est composée :
1° des fonctionnaires dirigeants des services d'inspection du Contrôle des Lois sociales/Contrôle du Bien-Etre au travail, de l'Office national de sécurité sociale, de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, de l'Office national de l'emploi et de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité;
2° du procureur général chargé des missions spécifiques relatives aux matières du droit social, plus particulièrement celles relatives à la criminalité sociale et la fraude en matière de la législation sociale;
3° des auditeurs du travail concernés par le dossier à examiner;
4° d'un représentant de la police fédérale et locale, si sa présence est nécessaire dans le cadre du dossier à examiner;
5° de tout autre partenaire dont la présence s'avère nécessaire ou utile pour le traitement du dossier à examiner.
La présidence et les lieux de réunion seront déterminés sur la base d'une tournante entre les directeurs-généraux des services d'inspection.
Cette plateforme opérationnelle pourra être convoquée par les personnes visées à l'alinéa 1er, 1° ou 2°, et ce chaque fois que ces personnes l'estimeront nécessaire.
§ 2. La tâche de la plateforme opérationnelle de lutte contre la fraude sociale consiste à :
1° définir les enquêtes qui doivent faire l'objet d'une approche coordonnée et la suite à réserver à ces dossiers;
2° se mettre d'accord sur la capacité et les moyens mises à disposition pour la réalisation des enquêtes;
3° surveiller les actions menées dans le domaine de la lutte contre la fraude transfrontalière afin d'arriver à une approche cohérente concernant:
d) la manière d'aborder le phénomène de fraude;
e) le choix des enquêtes à mener;
f) le suivi de la fraude constatée et les poursuites engagées.]1
§ 1er. Il est créé une plateforme opérationnelle de lutte contre la fraude sociale qui est composée :
1° des fonctionnaires dirigeants des services d'inspection du Contrôle des Lois sociales/Contrôle du Bien-Etre au travail, de l'Office national de sécurité sociale, de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, de l'Office national de l'emploi et de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité;
2° du procureur général chargé des missions spécifiques relatives aux matières du droit social, plus particulièrement celles relatives à la criminalité sociale et la fraude en matière de la législation sociale;
3° des auditeurs du travail concernés par le dossier à examiner;
4° d'un représentant de la police fédérale et locale, si sa présence est nécessaire dans le cadre du dossier à examiner;
5° de tout autre partenaire dont la présence s'avère nécessaire ou utile pour le traitement du dossier à examiner.
La présidence et les lieux de réunion seront déterminés sur la base d'une tournante entre les directeurs-généraux des services d'inspection.
Cette plateforme opérationnelle pourra être convoquée par les personnes visées à l'alinéa 1er, 1° ou 2°, et ce chaque fois que ces personnes l'estimeront nécessaire.
§ 2. La tâche de la plateforme opérationnelle de lutte contre la fraude sociale consiste à :
1° définir les enquêtes qui doivent faire l'objet d'une approche coordonnée et la suite à réserver à ces dossiers;
2° se mettre d'accord sur la capacité et les moyens mises à disposition pour la réalisation des enquêtes;
3° surveiller les actions menées dans le domaine de la lutte contre la fraude transfrontalière afin d'arriver à une approche cohérente concernant:
d) la manière d'aborder le phénomène de fraude;
e) le choix des enquêtes à mener;
f) le suivi de la fraude constatée et les poursuites engagées.]1
Art. 15/4. [1 De gegevensuitwisseling
§ 1. Teneinde aan de diensten belast met de strijd tegen [2 sociale fraude, illegale arbeid, en sociale dumping]2 toe te laten op permanente wijze de noodzakelijke gegevens uit te wisselen, overeenkomstig de bepalingen voorzien in dit wetboek, duiden de leidend ambtenaren van de sociale inspectiediensten bedoeld in artikel 15/2 een sociaal inspecteur als effectief lid en een sociaal inspecteur als vervanger aan, belast met het waken over deze gegevensuitwisseling met naleving van de bepalingen opgesomd in artikel 54 tot 57 van dit wetboek. Indien mogelijk zal deze gegevensuitwisseling gebeuren door middel van een elektronisch platform.
§ 2. Het elektronisch platform bedoeld in de vorige paragraaf kan de informatie die noodzakelijk is voor de strijd tegen de [2 sociale fraude, illegale arbeid, en sociale dumping]2 verzamelen, ontvangen, coördineren en verwerken en deze overmaken aan de openbare instellingen en aan de meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van de sociale inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren die belast zijn met het toezicht op een andere wetgeving of met de toepassing van een andere wetgeving, voor zover deze inlichtingen hen van nut zijn bij de uitoefening van het toezicht waarmee zij belast zijn of voor de toepassing van een andere wetgeving. De leidend ambtenaren van de inspectiediensten bedoeld in artikel 15/2 duiden de verantwoordelijke ambtenaar voor de verwerking van deze gegevens aan.]1
§ 1. Teneinde aan de diensten belast met de strijd tegen [2 sociale fraude, illegale arbeid, en sociale dumping]2 toe te laten op permanente wijze de noodzakelijke gegevens uit te wisselen, overeenkomstig de bepalingen voorzien in dit wetboek, duiden de leidend ambtenaren van de sociale inspectiediensten bedoeld in artikel 15/2 een sociaal inspecteur als effectief lid en een sociaal inspecteur als vervanger aan, belast met het waken over deze gegevensuitwisseling met naleving van de bepalingen opgesomd in artikel 54 tot 57 van dit wetboek. Indien mogelijk zal deze gegevensuitwisseling gebeuren door middel van een elektronisch platform.
§ 2. Het elektronisch platform bedoeld in de vorige paragraaf kan de informatie die noodzakelijk is voor de strijd tegen de [2 sociale fraude, illegale arbeid, en sociale dumping]2 verzamelen, ontvangen, coördineren en verwerken en deze overmaken aan de openbare instellingen en aan de meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van de sociale inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren die belast zijn met het toezicht op een andere wetgeving of met de toepassing van een andere wetgeving, voor zover deze inlichtingen hen van nut zijn bij de uitoefening van het toezicht waarmee zij belast zijn of voor de toepassing van een andere wetgeving. De leidend ambtenaren van de inspectiediensten bedoeld in artikel 15/2 duiden de verantwoordelijke ambtenaar voor de verwerking van deze gegevens aan.]1
Art. 15/4. [1 L'échange de données
§ 1er. Afin de permettre aux services chargés de la lutte contre [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2 d'échanger de manière permanente les données nécessaires, conformément aux dispositions prévues dans le présent Code, les fonctionnaires dirigeants des services d'inspection sociale mentionnés à l'article 15/2, désignent un inspecteur social comme membre effectif et un inspecteur social comme suppléant qui sont chargés de l'échange de données dans le respect des dispositions mentionnées aux articles 54 à 57 du présent Code. Si possible, cet échange de données sera réalisé au moyen d'une plateforme électronique.
§ 2. La plateforme électronique mentionnée au paragraphe précédent peut collecter, recevoir, coordonner et traiter l'information nécessaire à la lutte contre [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2 et la communiquer aux institutions publiques et aux institutions coopérantes de sécurité sociale, aux inspecteurs sociaux des services d'inspection sociale, ainsi qu'à tous les fonctionnaires chargés de la surveillance d'une autre législation ou de l'application d'une autre législation, dans la mesure où ces renseignements peuvent intéresser ces derniers dans l'exercice de la surveillance dont ils sont chargés ou pour l'application d'une autre législation. Les fonctionnaires dirigeants des services d'inspection sociaux mentionnés à l'article 15/2, désignent le fonctionnaire responsable du traitement de ces données.]1
§ 1er. Afin de permettre aux services chargés de la lutte contre [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2 d'échanger de manière permanente les données nécessaires, conformément aux dispositions prévues dans le présent Code, les fonctionnaires dirigeants des services d'inspection sociale mentionnés à l'article 15/2, désignent un inspecteur social comme membre effectif et un inspecteur social comme suppléant qui sont chargés de l'échange de données dans le respect des dispositions mentionnées aux articles 54 à 57 du présent Code. Si possible, cet échange de données sera réalisé au moyen d'une plateforme électronique.
§ 2. La plateforme électronique mentionnée au paragraphe précédent peut collecter, recevoir, coordonner et traiter l'information nécessaire à la lutte contre [2 la fraude sociale, le travail illégal et le dumping social]2 et la communiquer aux institutions publiques et aux institutions coopérantes de sécurité sociale, aux inspecteurs sociaux des services d'inspection sociale, ainsi qu'à tous les fonctionnaires chargés de la surveillance d'une autre législation ou de l'application d'une autre législation, dans la mesure où ces renseignements peuvent intéresser ces derniers dans l'exercice de la surveillance dont ils sont chargés ou pour l'application d'une autre législation. Les fonctionnaires dirigeants des services d'inspection sociaux mentionnés à l'article 15/2, désignent le fonctionnaire responsable du traitement de ces données.]1
HOOFDSTUK 5. [1 Het wetenschappelijk Comité van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst]1
CHAPITRE 5. [1 Le Comité scientifique du Service d'information et de recherche sociale]1
Art. 15/5. [1 Het wetenschappelijk Comité
Bij de SIOD wordt een wetenschappelijk Comité opgericht, dat samengesteld is uit leden die gespecialiseerd zijn in de materies die pertinent zijn voor de strijd tegen de sociale fraude, tegen de illegale arbeid of tegen de sociale dumping.
Onverminderd de bevoegdheden van de Adviesraad van het sociaal strafrecht, bedoeld in artikel 96, verricht dit wetenschappelijk Comité op verzoek van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst of op eigen initiatief onderzoeken, verricht het studies, geeft het adviezen of aanbevelingen over de materies die verband houden met sociale fraude, illegale arbeid of sociale dumping, met als doel de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst te helpen studies op dit gebied uit te voeren, de te voeren acties gerichter te maken en strategieën voor te bereiden om die fenomenen te tegen te gaan.
Dit Comité oefent zijn opdrachten in volledige onafhankelijkheid uit.
De Koning bepaalt de samenstelling van het Wetenschappelijk Comité evenals de regels in verband met de werking ervan.
De Koning bepaalt de onverenigbaarheden met betrekking tot de uitoefening van het beroep van de deskundigen.
De Koning benoemt de leden van het Comité.]1
Bij de SIOD wordt een wetenschappelijk Comité opgericht, dat samengesteld is uit leden die gespecialiseerd zijn in de materies die pertinent zijn voor de strijd tegen de sociale fraude, tegen de illegale arbeid of tegen de sociale dumping.
Onverminderd de bevoegdheden van de Adviesraad van het sociaal strafrecht, bedoeld in artikel 96, verricht dit wetenschappelijk Comité op verzoek van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst of op eigen initiatief onderzoeken, verricht het studies, geeft het adviezen of aanbevelingen over de materies die verband houden met sociale fraude, illegale arbeid of sociale dumping, met als doel de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst te helpen studies op dit gebied uit te voeren, de te voeren acties gerichter te maken en strategieën voor te bereiden om die fenomenen te tegen te gaan.
Dit Comité oefent zijn opdrachten in volledige onafhankelijkheid uit.
De Koning bepaalt de samenstelling van het Wetenschappelijk Comité evenals de regels in verband met de werking ervan.
De Koning bepaalt de onverenigbaarheden met betrekking tot de uitoefening van het beroep van de deskundigen.
De Koning benoemt de leden van het Comité.]1
Art. 15/5. [1 Le Comité scientifique
Il est institué auprès du SIRS un Comité scientifique, composé de membres qui sont spécialisés dans les matières pertinentes pour la lutte contre la fraude sociale, le travail illégal ou le dumping social.
Sans préjudice des compétences du Conseil consultatif du droit pénal social, visé à l'article 96, ce Comité scientifique examine, fait des études, donne des avis ou recommandations à la demande du Service d'information et de recherche sociale ou d'initiative sur les matières relevant de la fraude sociale, du travail illégal ou du dumping social aux fins d'aider le Service d'information et de recherche sociale à réaliser des études en ce domaine, à mieux cibler les actions à mener et à préparer des stratégies pour contrer ces phénomènes.
Ce Comité exerce ses missions en toute indépendance.
Le Roi détermine la composition du Comité scientifique ainsi que les règles relatives à son fonctionnement.
Le Roi détermine les incompatibilités relatives à l'exercice de la profession des experts.
Le Roi nomme les membres du Comité.]1
Il est institué auprès du SIRS un Comité scientifique, composé de membres qui sont spécialisés dans les matières pertinentes pour la lutte contre la fraude sociale, le travail illégal ou le dumping social.
Sans préjudice des compétences du Conseil consultatif du droit pénal social, visé à l'article 96, ce Comité scientifique examine, fait des études, donne des avis ou recommandations à la demande du Service d'information et de recherche sociale ou d'initiative sur les matières relevant de la fraude sociale, du travail illégal ou du dumping social aux fins d'aider le Service d'information et de recherche sociale à réaliser des études en ce domaine, à mieux cibler les actions à mener et à préparer des stratégies pour contrer ces phénomènes.
Ce Comité exerce ses missions en toute indépendance.
Le Roi détermine la composition du Comité scientifique ainsi que les règles relatives à son fonctionnement.
Le Roi détermine les incompatibilités relatives à l'exercice de la profession des experts.
Le Roi nomme les membres du Comité.]1
TITEL 2. - De uitoefening van het toezicht en de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie
TITRE 2. - L'exercice de la surveillance et la qualité d'officier de police judiciaire
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
CHAPITRE 1er. - Généralités
Art. 16. Definities
Voor de toepassing van Boek I van dit Wetboek en de uitvoeringsmaatregelen ervan, wordt verstaan onder :
1° [5 sociaal inspecteurs:
a) de ambtenaren die onder het gezag staan van de ministers tot wiens bevoegdheid de werkgelegenheid en arbeid, de sociale zekerheid, de sociale zaken en volksgezondheid, de zelfstandigen behoren of die onder het gezag staan van de openbare instellingen die ervan afhangen, en die zijn belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in boek 2 van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten;
b) de personeelsleden die stagiair zijn, na afloop van het eerste trimester van de stage en na gunstig advies van hun hiërarchische overste en die onder het gezag staan van de ministers tot wiens bevoegdheid de werkgelegenheid en arbeid, de sociale zekerheid, de sociale zaken en volksgezondheid, de zelfstandigen behoren of die onder het gezag staan van de openbare instellingen die ervan afhangen, en die zijn belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in boek 2 van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten;
c) de aangeduide leden van de dienst van het Ministerie van Landsverdediging die belast is met het toezicht op het welzijn op het werk en die onder het gezag staat van de minister tot wiens bevoegdheid de defensie behoort, wanneer zij toezicht uitoefenen over de wetgeving inzake het welzijn op het werk;]5
2° " werknemers " : de personen die krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon en degenen die daarmee gelijkgesteld worden :
a) de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon;
b) de personen die geen arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon maar die geheel of gedeeltelijk onderworpen zijn aan de wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de werknemers;
3° " werkgevers " :
a) de personen die gezag over de werknemers uitoefenen;
b) de personen die ermee worden gelijkgesteld ingevolge een bepaling van sociaal recht;
c) met de werkgever worden ook gelijkgesteld :
- zij die kinderen arbeid doen verrichten of hen werkzaamheden doen uitvoeren;
- de invoerders van ruwe diamant;
- de reders;
- zij die een bureau voor arbeidsbemiddeling exploiteren of die een commissiegeld innen in het kader van de wetgeving betreffende het exploiteren van bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling;
- de gebruikers in het kader van de wetgeving betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, alsmede de personen die, voor eigen rekening, werknemers ter beschikking stellen van gebruikers;
[5 - degenen met wie een werknemer in contact komt als kandidaat voor een job;]5
4° " gerechtigden " : de personen die recht hebben op een sociale uitkering, hetzij op basis van de sociale zekerheid hetzij op basis van een regeling voor maatschappelijke bijstand, of andere voordelen toegekend door de reglementering waarop de sociaal inspecteurs toezicht uitoefenen, alsook zij die er aanspraak op maken;
5° " sociale gegevens " : alle gegevens die nodig zijn voor de toepassing van de wetgeving betreffende het arbeidsrecht en de sociale zekerheid;
6° " sociale gegevens van persoonlijke aard " : alle sociale gegevens met betrekking tot een [5 natuurlijke]5 persoon die is of kan worden geïdentificeerd;
7° " medische gegevens van persoonlijke aard " : alle sociale gegevens van persoonlijke aard waarvan men informatie kan afleiden over de vroegere, de huidige of de toekomstige fysieke of psychische gezondheidstoestand van de persoon die is of kan worden geïdentificeerd [5 ...]5;
8° " openbare instellingen van sociale zekerheid " : de openbare instellingen alsmede de federale Overheidsdiensten die belast zijn met de toepassing van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid;
9° " meewerkende instellingen van sociale zekerheid " :de privaatrechtelijke instellingen, die erkend zijn om mee te werken aan de toepassing van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid;
10° " arbeidsplaatsen " : alle plaatsen waar werkzaamheden worden verricht die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs onderworpen zijn of waar personen tewerkgesteld zijn die onderworpen zijn aan de bepalingen van de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen, en onder meer de ondernemingen, gedeelten van ondernemingen, inrichtingen, gedeelten van inrichtingen, gebouwen, lokalen, plaatsen gelegen binnen het bedrijfsterrein, werven en werken buiten de ondernemingen;
11° " informatiedragers " : gelijk welke informatiedragers onder welke vorm ook, zoals boeken, registers, documenten, numerieke of digitale informatiedragers, schijven, banden en met inbegrip van deze die toegankelijk zijn door een informaticasysteem of door elk ander elektronisch apparaat;
12° " overtreder " : persoon aan wie een administratieve geldboete kan worden opgelegd;
13° " bevoegde administratie " : de administratie en de ambtenaren die door de Koning aangesteld zijn om administratieve geldboeten op te leggen.
[1 14° " de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude " : de sociale inspectiediensten van de Federale Staat, de politie, de Sociale inlichtingen- en Opsporingsdienst, de bevoegde administratie, het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken, de onderzoeksrechters, het College van de procureurs-generaal [3 , de Directie van het epv en van het eDossier, de openbare instellingen van sociale zekerheid en de diensten die belast zijn met de invordering van de strafrechtelijke en de administratieve geldboeten]3;
15° " de elektronische identiteitskaart " : de elektronische identiteitskaart bedoeld in de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
16° " het Beheerscomité " : het Beheerscomité van de databank [4 epv]4, bedoeld in artikel 100/8;
17° " het [4 epv]4 " : het proces-verbaal tot vaststelling van inbreuken dat wordt aangemaakt, opgeslagen en verzonden overeenkomstig het in artikel 100/2 bedoelde model via de daartoe ontworpen informaticatoepassing;
18° " de databank [4 epv]4 " : de databank die opgericht wordt door artikel 100/6 en waarin de gegevens van de e-PV's die opgenomen zijn in het in artikel 100/2 bedoelde model evenals de gegevens opgenomen in de bijlagen bij deze e-PV's, worden opgeslagen en bijgehouden;
19° " de Ginaa-databank " : de databank van de bevoegde administratie, die de gegevens bevat met betrekking tot de opdrachten die haar in of krachtens het eerste boek worden toegewezen;]1
[2 20° "datamining" : het gericht zoeken naar verbanden in gegevensverzamelingen met als doel profielen op te stellen voor meer diepgaand onderzoek;
21° "datamatching" : het vergelijken van twee sets van verzamelde data met elkaar;]2
[3 22° de Directie van het epv en van het eDossier: de Directie van het epv en van het eDossier van de Algemene Directie Arbeidsrecht en juridische studiën van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die als wettelijke opdrachten heeft om de ontwikkeling van het epv en het eDossier te coördineren ten behoeve van de betrokken actoren en om eventuele lacunes, verbeteringen of toevoegingen aan deze beide applicaties op te sporen, na te gaan en op te volgen;
23° het eDossier-platform: het informaticaplatform dat de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude toelaat om onderling een volledige elektronische gegevensuitwisseling te realiseren vanaf de opening van een dossier, door de opstelling van een epv, tot en met de afsluiting van het dossier;
24° het eBericht: het elektronisch bericht waarmee het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 93, § § 1 en 2, de inspectiedienst die het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk heeft opgemaakt en de bevoegde administratie informeert over de genomen beslissing over de strafvordering uit hoofde van een inbreuk die opgenomen is in dit proces-verbaal;
25° de eBeslissing: de elektronische mededeling met toepassing van artikel 94, eerste lid, van de administratieve beslissing van de bevoegde administratie tot oplegging van de administratieve geldboete, tot schuldigverklaring of tot klassering zonder gevolg van de inbreuk aan de inspectiedienst die het proces-verbaal heeft opgemaakt en aan het openbaar ministerie.]3
Voor de toepassing van Boek I van dit Wetboek en de uitvoeringsmaatregelen ervan, wordt verstaan onder :
1° [5 sociaal inspecteurs:
a) de ambtenaren die onder het gezag staan van de ministers tot wiens bevoegdheid de werkgelegenheid en arbeid, de sociale zekerheid, de sociale zaken en volksgezondheid, de zelfstandigen behoren of die onder het gezag staan van de openbare instellingen die ervan afhangen, en die zijn belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in boek 2 van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten;
b) de personeelsleden die stagiair zijn, na afloop van het eerste trimester van de stage en na gunstig advies van hun hiërarchische overste en die onder het gezag staan van de ministers tot wiens bevoegdheid de werkgelegenheid en arbeid, de sociale zekerheid, de sociale zaken en volksgezondheid, de zelfstandigen behoren of die onder het gezag staan van de openbare instellingen die ervan afhangen, en die zijn belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in boek 2 van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten;
c) de aangeduide leden van de dienst van het Ministerie van Landsverdediging die belast is met het toezicht op het welzijn op het werk en die onder het gezag staat van de minister tot wiens bevoegdheid de defensie behoort, wanneer zij toezicht uitoefenen over de wetgeving inzake het welzijn op het werk;]5
2° " werknemers " : de personen die krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon en degenen die daarmee gelijkgesteld worden :
a) de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon;
b) de personen die geen arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon maar die geheel of gedeeltelijk onderworpen zijn aan de wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de werknemers;
3° " werkgevers " :
a) de personen die gezag over de werknemers uitoefenen;
b) de personen die ermee worden gelijkgesteld ingevolge een bepaling van sociaal recht;
c) met de werkgever worden ook gelijkgesteld :
- zij die kinderen arbeid doen verrichten of hen werkzaamheden doen uitvoeren;
- de invoerders van ruwe diamant;
- de reders;
- zij die een bureau voor arbeidsbemiddeling exploiteren of die een commissiegeld innen in het kader van de wetgeving betreffende het exploiteren van bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling;
- de gebruikers in het kader van de wetgeving betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, alsmede de personen die, voor eigen rekening, werknemers ter beschikking stellen van gebruikers;
[5 - degenen met wie een werknemer in contact komt als kandidaat voor een job;]5
4° " gerechtigden " : de personen die recht hebben op een sociale uitkering, hetzij op basis van de sociale zekerheid hetzij op basis van een regeling voor maatschappelijke bijstand, of andere voordelen toegekend door de reglementering waarop de sociaal inspecteurs toezicht uitoefenen, alsook zij die er aanspraak op maken;
5° " sociale gegevens " : alle gegevens die nodig zijn voor de toepassing van de wetgeving betreffende het arbeidsrecht en de sociale zekerheid;
6° " sociale gegevens van persoonlijke aard " : alle sociale gegevens met betrekking tot een [5 natuurlijke]5 persoon die is of kan worden geïdentificeerd;
7° " medische gegevens van persoonlijke aard " : alle sociale gegevens van persoonlijke aard waarvan men informatie kan afleiden over de vroegere, de huidige of de toekomstige fysieke of psychische gezondheidstoestand van de persoon die is of kan worden geïdentificeerd [5 ...]5;
8° " openbare instellingen van sociale zekerheid " : de openbare instellingen alsmede de federale Overheidsdiensten die belast zijn met de toepassing van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid;
9° " meewerkende instellingen van sociale zekerheid " :de privaatrechtelijke instellingen, die erkend zijn om mee te werken aan de toepassing van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid;
10° " arbeidsplaatsen " : alle plaatsen waar werkzaamheden worden verricht die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs onderworpen zijn of waar personen tewerkgesteld zijn die onderworpen zijn aan de bepalingen van de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen, en onder meer de ondernemingen, gedeelten van ondernemingen, inrichtingen, gedeelten van inrichtingen, gebouwen, lokalen, plaatsen gelegen binnen het bedrijfsterrein, werven en werken buiten de ondernemingen;
11° " informatiedragers " : gelijk welke informatiedragers onder welke vorm ook, zoals boeken, registers, documenten, numerieke of digitale informatiedragers, schijven, banden en met inbegrip van deze die toegankelijk zijn door een informaticasysteem of door elk ander elektronisch apparaat;
12° " overtreder " : persoon aan wie een administratieve geldboete kan worden opgelegd;
13° " bevoegde administratie " : de administratie en de ambtenaren die door de Koning aangesteld zijn om administratieve geldboeten op te leggen.
[1 14° " de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude " : de sociale inspectiediensten van de Federale Staat, de politie, de Sociale inlichtingen- en Opsporingsdienst, de bevoegde administratie, het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken, de onderzoeksrechters, het College van de procureurs-generaal [3 , de Directie van het epv en van het eDossier, de openbare instellingen van sociale zekerheid en de diensten die belast zijn met de invordering van de strafrechtelijke en de administratieve geldboeten]3;
15° " de elektronische identiteitskaart " : de elektronische identiteitskaart bedoeld in de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
16° " het Beheerscomité " : het Beheerscomité van de databank [4 epv]4, bedoeld in artikel 100/8;
17° " het [4 epv]4 " : het proces-verbaal tot vaststelling van inbreuken dat wordt aangemaakt, opgeslagen en verzonden overeenkomstig het in artikel 100/2 bedoelde model via de daartoe ontworpen informaticatoepassing;
18° " de databank [4 epv]4 " : de databank die opgericht wordt door artikel 100/6 en waarin de gegevens van de e-PV's die opgenomen zijn in het in artikel 100/2 bedoelde model evenals de gegevens opgenomen in de bijlagen bij deze e-PV's, worden opgeslagen en bijgehouden;
19° " de Ginaa-databank " : de databank van de bevoegde administratie, die de gegevens bevat met betrekking tot de opdrachten die haar in of krachtens het eerste boek worden toegewezen;]1
[2 20° "datamining" : het gericht zoeken naar verbanden in gegevensverzamelingen met als doel profielen op te stellen voor meer diepgaand onderzoek;
21° "datamatching" : het vergelijken van twee sets van verzamelde data met elkaar;]2
[3 22° de Directie van het epv en van het eDossier: de Directie van het epv en van het eDossier van de Algemene Directie Arbeidsrecht en juridische studiën van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die als wettelijke opdrachten heeft om de ontwikkeling van het epv en het eDossier te coördineren ten behoeve van de betrokken actoren en om eventuele lacunes, verbeteringen of toevoegingen aan deze beide applicaties op te sporen, na te gaan en op te volgen;
23° het eDossier-platform: het informaticaplatform dat de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude toelaat om onderling een volledige elektronische gegevensuitwisseling te realiseren vanaf de opening van een dossier, door de opstelling van een epv, tot en met de afsluiting van het dossier;
24° het eBericht: het elektronisch bericht waarmee het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 93, § § 1 en 2, de inspectiedienst die het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk heeft opgemaakt en de bevoegde administratie informeert over de genomen beslissing over de strafvordering uit hoofde van een inbreuk die opgenomen is in dit proces-verbaal;
25° de eBeslissing: de elektronische mededeling met toepassing van artikel 94, eerste lid, van de administratieve beslissing van de bevoegde administratie tot oplegging van de administratieve geldboete, tot schuldigverklaring of tot klassering zonder gevolg van de inbreuk aan de inspectiedienst die het proces-verbaal heeft opgemaakt en aan het openbaar ministerie.]3
Wijzigingen
Art. 16. Les définitions
Pour l'application du Livre Ier du présent Code et de ses mesures d'exécution, on entend par :
1° [5 inspecteurs sociaux:
a) les fonctionnaires qui relèvent de l'autorité des ministres ayant dans leurs attributions l'emploi et le travail, la sécurité sociale, les affaires sociales et la santé publique, les indépendants ou qui relèvent des institutions publiques qui en dépendent, et qui sont chargés de surveiller le respect des dispositions du présent Code, des lois visées au livre 2 du présent Code et des autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect, ainsi que de surveiller le respect des dispositions des arrêtés d'exécution du présent Code et des lois précitées;
b) les membres du personnel qui ont la qualité de stagiaire au terme du premier trimestre du stage et après avis favorable de leur supérieur hiérarchique et qui relèvent de l'autorité des ministres ayant dans leurs attributions l'emploi et le travail, la sécurité sociale, les affaires sociales et la santé publique, les indépendants ou qui relèvent des institutions publiques qui en dépendent, et qui sont chargés de surveiller le respect des dispositions du présent Code, des lois visées au livre 2 du présent Code et des autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect, ainsi que de surveiller le respect des dispositions des arrêtés d'exécution du présent Code et des lois précitées;
c) les membres désignés du service du Ministère de la Défense qui est chargé du contrôle du bien-être au travail et qui relève de l'autorité du ministre ayant dans ses attributions la défense, lorsqu'ils surveillent la législation relative au bien-être;]5
2° " travailleurs " : les personnes qui exécutent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne en vertu d'un contrat de travail et celles qui y sont assimilées :
a) les personnes qui, autrement qu'en vertu d'un contrat de travail, exécutent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne;
b) les personnes qui ne travaillent pas sous l'autorité d'une autre personne mais qui sont assujetties en tout ou en partie à la législation sur la sécurité sociale des travailleurs;
3° " employeurs " :
a) les personnes qui exercent l'autorité sur les travailleurs;
b) les personnes qui y sont assimilées en vertu d'une législation sociale;
c) sont également assimilés à l'employeur :
- ceux qui font travailler des enfants ou leur font exercer des activités;
- les importateurs de diamant brut;
- les armateurs;
- ceux qui exploitent un bureau de placement ou qui perçoivent une commission dans le cadre de la législation relative à l'exploitation des bureaux de placement payants;
- les utilisateurs dans le cadre de la législation sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, ainsi que les personnes qui, pour leur propre compte, mettent des travailleurs à la disposition d'utilisateurs;
[5 - ceux avec lesquels un travailleur entre en contact en tant que candidat à un emploi;]5
4° " bénéficiaires " : les bénéficiaires de prestations sociales, soit de la sécurité sociale, soit d'un régime d'aide sociale, ou d'autres avantages accordés par les législations dont les inspecteurs sociaux exercent la surveillance, et ceux qui ont demandé à en bénéficier;
5° " données sociales " : toutes les données nécessaires à l'application de la législation concernant le droit du travail et de la sécurité sociale;
6° " données sociales à caractère personnel " : toutes les données sociales concernant une personne [5 physique]5 identifiée ou identifiable;
7° " données médicales à caractère personnel " : toutes les données sociales à caractère personnel dont on peut déduire une information sur l'état antérieur, actuel ou futur de la santé physique ou psychique de la personne physique identifiée ou identifiable [5 ...]5;
8° " institutions publiques de sécurité sociale " : les institutions publiques ainsi que les Services publics fédéraux qui sont chargés d'appliquer la législation relative à la sécurité sociale;
9° " institutions coopérantes de sécurité sociale " : les organismes de droit privé, agréés pour collaborer à l'application de la législation relative à la sécurité sociale;
10° " lieux de travail " : tous les lieux où des activités qui sont soumises au contrôle des inspecteurs sociaux sont exercées ou dans lesquels sont occupées des personnes soumises aux dispositions de la législation dont ils exercent la surveillance, et entre autres, les entreprises, parties d'entreprises, établissements, parties d'établissements, bâtiments, locaux, endroits situés dans l'enceinte de l'entreprise, chantiers et travaux en dehors des entreprises;
11° " supports d'information " : tous les supports d'information sous quelque forme que ce soit, comme des livres, registres, documents, supports d'information numériques ou digitaux, disques, bandes, y compris ceux qui sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique;
12° " contrevenant " : la personne à laquelle une amende administrative peut être infligée;
13° " administration compétente " : l'administration et les fonctionnaires désignés par le Roi pour infliger les amendes administratives.
[1 14° " les acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale " : les services d'inspection sociale de l'Etat fédéral, la police, le Service d'Information et de Recherche sociale, l'administration compétente, le ministère public près les cours et tribunaux, les juges d'instruction, le Collège des Procureurs généraux [3 la Direction de l'epv et de l'eDossier, les institutions publiques de sécurité sociale et les services qui sont chargés du recouvrement des amendes pénales et administratives]3;
15° " la carte d'identité électronique " : la carte d'identité électronique visée dans la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes d'étranger et aux documents de séjour et modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques;
16° " le Comité de gestion " : le Comité de gestion de la banque de données [4 epv]4, visée à l'article 100/8;
17° " l'[4 epv]4 " : le procès-verbal de constatation d'infractions qui est établi, enregistré et envoyé au moyen de l'application informatique conçue à cette fin conformément au modèle visé à l'article 100/2;
18° " la banque de données [4 epv]4 " : la banque de données, visée à l'article 100/6 et dans laquelle sont intégrées et conservées les données des e-PV qui sont contenues dans le modèle visé à l'article 100/2 ainsi que les données contenues dans les annexes de ces e-PV;
19° " la banque de données Ginaa " : la banque de données de l'administration compétente, qui contient les données relatives aux missions qui lui sont attribuées dans ou en vertu du livre 1er;]1
[2 20° "datamining" : la recherche de façon ponctuelle des liens dans des collectes de données afin d'établir des profils pour des recherches plus approfondies;
21° "datamatching" : la comparaison l'un avec l'autre de deux sets de données rassemblées;]2
[3 22° la Direction de l'epv et de l'eDossier: la Direction de l'epv et de l'eDossier de la Direction générale Droit du Travail et études juridiques du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale, qui a comme missions légales de coordonner le développement de l'epv et de l'eDossier au profit de tous les acteurs concernés et de détecter, vérifier et suivre les éventuelles lacunes, améliorations ou ajouts à ces deux applications;
23° la plateforme eDossier: la plateforme informatique qui permet aux acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale de réaliser un échange électronique complet de données à partir de l'ouverture d'un dossier, par la rédaction d'un epv, jusque et y compris la clôture du dossier;
24° l'eAvis: l'avis électronique au moyen duquel le ministère public informe, conformément à l'article 93, § § 1er et 2, le service d'inspection qui a dressé le procès-verbal de constatation d'une infraction et l'administration compétente de la décision rendue sur l'action publique du chef d'une infraction constatée dans ce procès-verbal;
25° l'eDécision: la communication électronique, en application de l'article 94, alinéa 1er, de la décision administrative de l'administration compétente infligeant une amende administrative, de déclaration de culpabilité ou de classement sans suite de l'infraction au service d'inspection qui a dressé le procès-verbal et au ministère public.]3
Pour l'application du Livre Ier du présent Code et de ses mesures d'exécution, on entend par :
1° [5 inspecteurs sociaux:
a) les fonctionnaires qui relèvent de l'autorité des ministres ayant dans leurs attributions l'emploi et le travail, la sécurité sociale, les affaires sociales et la santé publique, les indépendants ou qui relèvent des institutions publiques qui en dépendent, et qui sont chargés de surveiller le respect des dispositions du présent Code, des lois visées au livre 2 du présent Code et des autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect, ainsi que de surveiller le respect des dispositions des arrêtés d'exécution du présent Code et des lois précitées;
b) les membres du personnel qui ont la qualité de stagiaire au terme du premier trimestre du stage et après avis favorable de leur supérieur hiérarchique et qui relèvent de l'autorité des ministres ayant dans leurs attributions l'emploi et le travail, la sécurité sociale, les affaires sociales et la santé publique, les indépendants ou qui relèvent des institutions publiques qui en dépendent, et qui sont chargés de surveiller le respect des dispositions du présent Code, des lois visées au livre 2 du présent Code et des autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect, ainsi que de surveiller le respect des dispositions des arrêtés d'exécution du présent Code et des lois précitées;
c) les membres désignés du service du Ministère de la Défense qui est chargé du contrôle du bien-être au travail et qui relève de l'autorité du ministre ayant dans ses attributions la défense, lorsqu'ils surveillent la législation relative au bien-être;]5
2° " travailleurs " : les personnes qui exécutent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne en vertu d'un contrat de travail et celles qui y sont assimilées :
a) les personnes qui, autrement qu'en vertu d'un contrat de travail, exécutent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne;
b) les personnes qui ne travaillent pas sous l'autorité d'une autre personne mais qui sont assujetties en tout ou en partie à la législation sur la sécurité sociale des travailleurs;
3° " employeurs " :
a) les personnes qui exercent l'autorité sur les travailleurs;
b) les personnes qui y sont assimilées en vertu d'une législation sociale;
c) sont également assimilés à l'employeur :
- ceux qui font travailler des enfants ou leur font exercer des activités;
- les importateurs de diamant brut;
- les armateurs;
- ceux qui exploitent un bureau de placement ou qui perçoivent une commission dans le cadre de la législation relative à l'exploitation des bureaux de placement payants;
- les utilisateurs dans le cadre de la législation sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, ainsi que les personnes qui, pour leur propre compte, mettent des travailleurs à la disposition d'utilisateurs;
[5 - ceux avec lesquels un travailleur entre en contact en tant que candidat à un emploi;]5
4° " bénéficiaires " : les bénéficiaires de prestations sociales, soit de la sécurité sociale, soit d'un régime d'aide sociale, ou d'autres avantages accordés par les législations dont les inspecteurs sociaux exercent la surveillance, et ceux qui ont demandé à en bénéficier;
5° " données sociales " : toutes les données nécessaires à l'application de la législation concernant le droit du travail et de la sécurité sociale;
6° " données sociales à caractère personnel " : toutes les données sociales concernant une personne [5 physique]5 identifiée ou identifiable;
7° " données médicales à caractère personnel " : toutes les données sociales à caractère personnel dont on peut déduire une information sur l'état antérieur, actuel ou futur de la santé physique ou psychique de la personne physique identifiée ou identifiable [5 ...]5;
8° " institutions publiques de sécurité sociale " : les institutions publiques ainsi que les Services publics fédéraux qui sont chargés d'appliquer la législation relative à la sécurité sociale;
9° " institutions coopérantes de sécurité sociale " : les organismes de droit privé, agréés pour collaborer à l'application de la législation relative à la sécurité sociale;
10° " lieux de travail " : tous les lieux où des activités qui sont soumises au contrôle des inspecteurs sociaux sont exercées ou dans lesquels sont occupées des personnes soumises aux dispositions de la législation dont ils exercent la surveillance, et entre autres, les entreprises, parties d'entreprises, établissements, parties d'établissements, bâtiments, locaux, endroits situés dans l'enceinte de l'entreprise, chantiers et travaux en dehors des entreprises;
11° " supports d'information " : tous les supports d'information sous quelque forme que ce soit, comme des livres, registres, documents, supports d'information numériques ou digitaux, disques, bandes, y compris ceux qui sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique;
12° " contrevenant " : la personne à laquelle une amende administrative peut être infligée;
13° " administration compétente " : l'administration et les fonctionnaires désignés par le Roi pour infliger les amendes administratives.
[1 14° " les acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale " : les services d'inspection sociale de l'Etat fédéral, la police, le Service d'Information et de Recherche sociale, l'administration compétente, le ministère public près les cours et tribunaux, les juges d'instruction, le Collège des Procureurs généraux [3 la Direction de l'epv et de l'eDossier, les institutions publiques de sécurité sociale et les services qui sont chargés du recouvrement des amendes pénales et administratives]3;
15° " la carte d'identité électronique " : la carte d'identité électronique visée dans la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes d'étranger et aux documents de séjour et modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques;
16° " le Comité de gestion " : le Comité de gestion de la banque de données [4 epv]4, visée à l'article 100/8;
17° " l'[4 epv]4 " : le procès-verbal de constatation d'infractions qui est établi, enregistré et envoyé au moyen de l'application informatique conçue à cette fin conformément au modèle visé à l'article 100/2;
18° " la banque de données [4 epv]4 " : la banque de données, visée à l'article 100/6 et dans laquelle sont intégrées et conservées les données des e-PV qui sont contenues dans le modèle visé à l'article 100/2 ainsi que les données contenues dans les annexes de ces e-PV;
19° " la banque de données Ginaa " : la banque de données de l'administration compétente, qui contient les données relatives aux missions qui lui sont attribuées dans ou en vertu du livre 1er;]1
[2 20° "datamining" : la recherche de façon ponctuelle des liens dans des collectes de données afin d'établir des profils pour des recherches plus approfondies;
21° "datamatching" : la comparaison l'un avec l'autre de deux sets de données rassemblées;]2
[3 22° la Direction de l'epv et de l'eDossier: la Direction de l'epv et de l'eDossier de la Direction générale Droit du Travail et études juridiques du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale, qui a comme missions légales de coordonner le développement de l'epv et de l'eDossier au profit de tous les acteurs concernés et de détecter, vérifier et suivre les éventuelles lacunes, améliorations ou ajouts à ces deux applications;
23° la plateforme eDossier: la plateforme informatique qui permet aux acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale de réaliser un échange électronique complet de données à partir de l'ouverture d'un dossier, par la rédaction d'un epv, jusque et y compris la clôture du dossier;
24° l'eAvis: l'avis électronique au moyen duquel le ministère public informe, conformément à l'article 93, § § 1er et 2, le service d'inspection qui a dressé le procès-verbal de constatation d'une infraction et l'administration compétente de la décision rendue sur l'action publique du chef d'une infraction constatée dans ce procès-verbal;
25° l'eDécision: la communication électronique, en application de l'article 94, alinéa 1er, de la décision administrative de l'administration compétente infligeant une amende administrative, de déclaration de culpabilité ou de classement sans suite de l'infraction au service d'inspection qui a dressé le procès-verbal et au ministère public.]3
Wijzigingen
Art. 17. [1 § 1.]1 De met het toezicht belaste overheden
Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren, de door de bevoegde overheden aangewezen ambtenaren, evenals de sociaal inspecteurs toezicht op de naleving van de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in Boek 2 van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede op de naleving van de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten.
De Koning wijst de wetten en de uitvoeringsbesluiten aan waarvoor de diensten, waartoe de sociaal inspecteurs behoren, bevoegd zijn.
[1 § 2. Onverminderd de bevoegdheid van de politieambtenaren, zijn de sociaal inspecteurs van de volgende diensten of instellingen belast met het toezicht op de naleving in de ondernemingen van de verplichtingen opgelegd in het raam van [2 de maatregelen teneinde de gevolgen van de epidemische noodsituatie voor de volksgezondheid te voorkomen of beperken, genomen met toepassing van de artikelen 4 en 5 van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie]2, bedoeld bij artikel 238 van dit Wetboek :
- de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
- de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
- de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
- de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
- FEDRIS;
- het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
- het Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder "ondernemingen" : "alle arbeidsplaatsen" zoals gedefinieerd in artikel 16, 10°, van dit Wetboek.
Om het toezicht uit te oefenen bedoeld bij het eerste lid beschikken de sociaal inspecteurs over de in de artikelen 23 tot 42 en 43 tot 49 van dit Wetboek bedoelde bevoegdheden.]1
Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren, de door de bevoegde overheden aangewezen ambtenaren, evenals de sociaal inspecteurs toezicht op de naleving van de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in Boek 2 van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede op de naleving van de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten.
De Koning wijst de wetten en de uitvoeringsbesluiten aan waarvoor de diensten, waartoe de sociaal inspecteurs behoren, bevoegd zijn.
[1 § 2. Onverminderd de bevoegdheid van de politieambtenaren, zijn de sociaal inspecteurs van de volgende diensten of instellingen belast met het toezicht op de naleving in de ondernemingen van de verplichtingen opgelegd in het raam van [2 de maatregelen teneinde de gevolgen van de epidemische noodsituatie voor de volksgezondheid te voorkomen of beperken, genomen met toepassing van de artikelen 4 en 5 van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie]2, bedoeld bij artikel 238 van dit Wetboek :
- de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
- de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
- de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
- de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
- FEDRIS;
- het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
- het Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder "ondernemingen" : "alle arbeidsplaatsen" zoals gedefinieerd in artikel 16, 10°, van dit Wetboek.
Om het toezicht uit te oefenen bedoeld bij het eerste lid beschikken de sociaal inspecteurs over de in de artikelen 23 tot 42 en 43 tot 49 van dit Wetboek bedoelde bevoegdheden.]1
Art. 17. [1 § 1.]1 Les autorités chargées de la surveillance
Sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire, les fonctionnaires désignés par le Roi, les fonctionnaires désignés par les autorités compétentes, ainsi que les inspecteurs sociaux surveillent le respect des dispositions du présent Code, des lois visées au Livre 2 du présent Code et des autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect, et le respect des dispositions des arrêtés d'exécution du présent Code et des lois précitées.
Le Roi désigne les lois et les arrêtés d'exécution pour lesquels les services dont les inspecteurs sociaux relèvent sont compétents.
[1 § 2. Sans préjudice de la compétence des fonctionnaires de police, sont chargés de surveiller dans les entreprises le respect des obligations prévues dans le cadre [2 des mesures nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences de la situation d'urgence épidémique pour la santé publique, prises en application des articles 4 et 5 de la loi du 14 août 2021 relative aux mesures de police administrative lors d'une situation d'urgence épidémique]2, visées à l'article 238 du présent Code, les inspecteurs sociaux des services ou institutions suivants :
- la Direction générale Contrôle des Lois Sociales du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale;
- la Direction générale Contrôle du Bien-être au Travail du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale;
- l'Office national de Sécurité sociale;
- l'Office national de l'Emploi;
- FEDRIS;
- l'Institut national d'assurance maladie-invalidité;
- l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.
Pour l'application du présent article, on entend par " entreprises " les " lieux de travail " tels que définis à l'article 16, 10°, du présent Code.
Pour exercer la surveillance visée à l'alinéa 1er, les inspecteurs sociaux disposent des pouvoirs visés aux articles 23 à 42 et 43 à 49 du présent Code.]1
Sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire, les fonctionnaires désignés par le Roi, les fonctionnaires désignés par les autorités compétentes, ainsi que les inspecteurs sociaux surveillent le respect des dispositions du présent Code, des lois visées au Livre 2 du présent Code et des autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect, et le respect des dispositions des arrêtés d'exécution du présent Code et des lois précitées.
Le Roi désigne les lois et les arrêtés d'exécution pour lesquels les services dont les inspecteurs sociaux relèvent sont compétents.
[1 § 2. Sans préjudice de la compétence des fonctionnaires de police, sont chargés de surveiller dans les entreprises le respect des obligations prévues dans le cadre [2 des mesures nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences de la situation d'urgence épidémique pour la santé publique, prises en application des articles 4 et 5 de la loi du 14 août 2021 relative aux mesures de police administrative lors d'une situation d'urgence épidémique]2, visées à l'article 238 du présent Code, les inspecteurs sociaux des services ou institutions suivants :
- la Direction générale Contrôle des Lois Sociales du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale;
- la Direction générale Contrôle du Bien-être au Travail du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale;
- l'Office national de Sécurité sociale;
- l'Office national de l'Emploi;
- FEDRIS;
- l'Institut national d'assurance maladie-invalidité;
- l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.
Pour l'application du présent article, on entend par " entreprises " les " lieux de travail " tels que définis à l'article 16, 10°, du présent Code.
Pour exercer la surveillance visée à l'alinéa 1er, les inspecteurs sociaux disposent des pouvoirs visés aux articles 23 à 42 et 43 à 49 du présent Code.]1
HOOFDSTUK 2. - Bevoegdheden van de sociaal inspecteurs en de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie
CHAPITRE 2. - Les pouvoirs des inspecteurs sociaux et la qualité d'officier de police judiciaire
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1re. - Généralités
Art. 18. Finaliteitsbeginsel
De sociaal inspecteurs oefenen de in dit hoofdstuk bedoelde bevoegdheden uit met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in Boek 2 van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten.
De sociaal inspecteurs oefenen de in dit hoofdstuk bedoelde bevoegdheden uit met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in Boek 2 van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten.
Art. 18. Le principe de finalité
Les inspecteurs sociaux exercent les pouvoirs visés au présent chapitre en vue de la surveillance du respect des dispositions du présent Code, des lois visées au Livre 2 du présent Code et des autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect, ainsi qu'en vue de la surveillance du respect des dispositions des arrêtés d'exécution du présent Code et des lois précitées.
Les inspecteurs sociaux exercent les pouvoirs visés au présent chapitre en vue de la surveillance du respect des dispositions du présent Code, des lois visées au Livre 2 du présent Code et des autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect, ainsi qu'en vue de la surveillance du respect des dispositions des arrêtés d'exécution du présent Code et des lois précitées.
Art. 19. Proportionaliteitsbeginsel
Bij de uitoefening van de in dit hoofdstuk bedoelde bevoegdheden dienen de sociaal inspecteurs er voor te zorgen dat de middelen die zij aanwenden passend en noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in Boek 2 van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten.
Bij de uitoefening van de in dit hoofdstuk bedoelde bevoegdheden dienen de sociaal inspecteurs er voor te zorgen dat de middelen die zij aanwenden passend en noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in Boek 2 van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten.
Art. 19. Le principe de proportionnalité
Lors de l'exécution des pouvoirs visés au présent chapitre, les inspecteurs sociaux veillent à ce que les moyens qu'ils utilisent soient appropriés et nécessaires pour la surveillance du respect des dispositions du présent Code, des lois visées au Livre 2 du présent Code et des autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect ainsi que pour la surveillance du respect des dispositions des arrêtés d'exécution du présent Code et des lois précitées.
Lors de l'exécution des pouvoirs visés au présent chapitre, les inspecteurs sociaux veillent à ce que les moyens qu'ils utilisent soient appropriés et nécessaires pour la surveillance du respect des dispositions du présent Code, des lois visées au Livre 2 du présent Code et des autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect ainsi que pour la surveillance du respect des dispositions des arrêtés d'exécution du présent Code et des lois précitées.
Art. 20. Legitimatiebewijs
De sociaal inspecteurs oefenen hun opdrachten uit voorzien van het legitimatiebewijs van hun ambt.
De sociaal inspecteurs moeten hun legitimatiebewijs steeds voorleggen.
De Koning bepaalt het model van dit legitimatiebewijs.
[1 Wanneer de sociaal inspecteurs optreden met het oog op het opsporen en vaststellen van inbreuken op de antidiscriminatiewetgeving en zijn uitvoeringsbesluiten, zoals bedoeld in artikel 42/1 van dit Wetboek, dient het legitimatiebewijs niet voorgelegd te worden, noch dienen ze hun hoedanigheid mede te delen.]1
De sociaal inspecteurs oefenen hun opdrachten uit voorzien van het legitimatiebewijs van hun ambt.
De sociaal inspecteurs moeten hun legitimatiebewijs steeds voorleggen.
De Koning bepaalt het model van dit legitimatiebewijs.
[1 Wanneer de sociaal inspecteurs optreden met het oog op het opsporen en vaststellen van inbreuken op de antidiscriminatiewetgeving en zijn uitvoeringsbesluiten, zoals bedoeld in artikel 42/1 van dit Wetboek, dient het legitimatiebewijs niet voorgelegd te worden, noch dienen ze hun hoedanigheid mede te delen.]1
Art. 20. Le titre de légitimation
Les inspecteurs sociaux exercent leurs missions munis du titre de légitimation de leurs fonctions.
Les inspecteurs sociaux doivent toujours présenter leur titre de légitimation.
Le Roi détermine le modèle de ce titre de légitimation.
[1 Lorsque les inspecteurs sociaux agissent, en vue de la recherche et de la constatation des infractions relatives à la législation antidiscrimination et à ses arrêtés d'exécution, comme visé à l'article 42/1 du présent Code, le titre de légitimation ne doit pas être présenté et ils ne doivent pas non plus communiquer leur qualité.]1
Les inspecteurs sociaux exercent leurs missions munis du titre de légitimation de leurs fonctions.
Les inspecteurs sociaux doivent toujours présenter leur titre de légitimation.
Le Roi détermine le modèle de ce titre de légitimation.
[1 Lorsque les inspecteurs sociaux agissent, en vue de la recherche et de la constatation des infractions relatives à la législation antidiscrimination et à ses arrêtés d'exécution, comme visé à l'article 42/1 du présent Code, le titre de légitimation ne doit pas être présenté et ils ne doivent pas non plus communiquer leur qualité.]1
Wijzigingen
Art. 21. De beoordelingsbevoegdheid van de sociaal inspecteurs
Onverminderd het vorderingsrecht van het openbaar ministerie en van de onderzoeksrechter, bedoeld in de artikelen 28ter, § 3, en 56, § 2, van het Wetboek van strafvordering, bezitten de sociaal inspecteurs een beoordelingsbevoegdheid om :
1° inlichtingen en adviezen te verschaffen, met name met betrekking tot de meest doeltreffende middelen voor de naleving van de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in Boek II van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede voor de naleving van de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten, waarop ze toezicht houden;
2° waarschuwingen te geven;
3° de overtreder een termijn te verlenen om zich in regel te stellen;
4° de maatregelen te nemen, bedoeld in de artikelen 23 tot 49;
[1 4°/1 aan de opdrachtgever, de aannemers of de onderaannemers zoals bedoeld in artikel 35/1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, een schriftelijke kennisgeving over te zenden zoals bepaald in artikel 49/1.]1
[2 4°/2 aan de aannemers en opdrachtgevers bedoeld in artikel 35/9 tot 35/11 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, de in artikel 49/2 van dit Wetboek bedoelde schriftelijke kennisgeving te verrichten.]2
[3 4°/3 aan de hoofdelijk aansprakelijke personen bedoeld in de artikelen 35/6/1 tot 35/6/3 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, de in artikel 49/3 van dit Wetboek bedoelde schriftelijke kennisgeving te verrichten.]3
5° processen-verbaal op te maken tot vaststelling van de inbreuken op de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in Boek II van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten.
Onverminderd het vorderingsrecht van het openbaar ministerie en van de onderzoeksrechter, bedoeld in de artikelen 28ter, § 3, en 56, § 2, van het Wetboek van strafvordering, bezitten de sociaal inspecteurs een beoordelingsbevoegdheid om :
1° inlichtingen en adviezen te verschaffen, met name met betrekking tot de meest doeltreffende middelen voor de naleving van de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in Boek II van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede voor de naleving van de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten, waarop ze toezicht houden;
2° waarschuwingen te geven;
3° de overtreder een termijn te verlenen om zich in regel te stellen;
4° de maatregelen te nemen, bedoeld in de artikelen 23 tot 49;
[1 4°/1 aan de opdrachtgever, de aannemers of de onderaannemers zoals bedoeld in artikel 35/1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, een schriftelijke kennisgeving over te zenden zoals bepaald in artikel 49/1.]1
[2 4°/2 aan de aannemers en opdrachtgevers bedoeld in artikel 35/9 tot 35/11 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, de in artikel 49/2 van dit Wetboek bedoelde schriftelijke kennisgeving te verrichten.]2
[3 4°/3 aan de hoofdelijk aansprakelijke personen bedoeld in de artikelen 35/6/1 tot 35/6/3 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, de in artikel 49/3 van dit Wetboek bedoelde schriftelijke kennisgeving te verrichten.]3
5° processen-verbaal op te maken tot vaststelling van de inbreuken op de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in Boek II van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten.
Art. 21. Le pouvoir d'appréciation des inspecteurs sociaux
Sans préjudice du droit de réquisition du ministère public et du juge d'instruction, visé aux articles 28ter, § 3 et 56, § 2, du Code d'instruction criminelle, les inspecteurs sociaux disposent d'un pouvoir d'appréciation pour :
1° fournir des renseignements et des conseils, notamment sur les moyens les plus efficaces pour respecter les dispositions du présent Code, les lois visées au Livre II du présent Code et les autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect, ainsi que pour respecter les dispositions des arrêtés d'exécution du présent Code et des lois précitées, dont ils exercent la surveillance;
2° donner des avertissements;
3° fixer au contrevenant un délai pour se mettre en règle;
4° prendre les mesures visées aux articles 23 à 49;
[1 4°/1 transmettre au donneur d'ordre, aux entrepreneurs ou aux sous-traitants visés à l'article 35/1 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, une notification écrite comme prévue à l'article 49/1;]1
[2 4°/2 transmettre la notification écrite visée à l'article 49/2 du présent Code aux entrepreneurs et aux donneurs d'ordre visés aux articles 35/9 à 35/11 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs;]2
[3 4°/3 transmettre la notification écrite visée à l'article 49/3 du présent Code aux responsables solidaires visés aux articles 35/6/1 à 35/6/3 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.]3
5° dresser des procès-verbaux constatant les infractions aux dispositions du présent Code, des lois visées au livre II du présent Code et des autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect, ainsi qu'aux dispositions des arrêtés d'exécution du présent Code et des lois précitées.
Sans préjudice du droit de réquisition du ministère public et du juge d'instruction, visé aux articles 28ter, § 3 et 56, § 2, du Code d'instruction criminelle, les inspecteurs sociaux disposent d'un pouvoir d'appréciation pour :
1° fournir des renseignements et des conseils, notamment sur les moyens les plus efficaces pour respecter les dispositions du présent Code, les lois visées au Livre II du présent Code et les autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect, ainsi que pour respecter les dispositions des arrêtés d'exécution du présent Code et des lois précitées, dont ils exercent la surveillance;
2° donner des avertissements;
3° fixer au contrevenant un délai pour se mettre en règle;
4° prendre les mesures visées aux articles 23 à 49;
[1 4°/1 transmettre au donneur d'ordre, aux entrepreneurs ou aux sous-traitants visés à l'article 35/1 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, une notification écrite comme prévue à l'article 49/1;]1
[2 4°/2 transmettre la notification écrite visée à l'article 49/2 du présent Code aux entrepreneurs et aux donneurs d'ordre visés aux articles 35/9 à 35/11 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs;]2
[3 4°/3 transmettre la notification écrite visée à l'article 49/3 du présent Code aux responsables solidaires visés aux articles 35/6/1 à 35/6/3 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.]3
5° dresser des procès-verbaux constatant les infractions aux dispositions du présent Code, des lois visées au livre II du présent Code et des autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect, ainsi qu'aux dispositions des arrêtés d'exécution du présent Code et des lois précitées.
Art. 21/1. [1 Onafhankelijkheid
Onverminderd het vorderingsrecht van het openbaar ministerie en van de onderzoeksrechter, bedoeld in de artikelen 28ter, § 3, en 56, § 2, van het Wetboek van strafvordering, zijn de sociaal inspecteurs onafhankelijk in de uitoefening van hun opdrachten.]1
Onverminderd het vorderingsrecht van het openbaar ministerie en van de onderzoeksrechter, bedoeld in de artikelen 28ter, § 3, en 56, § 2, van het Wetboek van strafvordering, zijn de sociaal inspecteurs onafhankelijk in de uitoefening van hun opdrachten.]1
Art. 21/1. [1 L'indépendance
Sans préjudice du droit de réquisition du ministère public et du juge d'instruction, visé aux articles 28ter, § 3, et 56, § 2, du Code d'instruction criminelle, les inspecteurs sociaux sont indépendants dans l'exercice de leurs missions.]1
Sans préjudice du droit de réquisition du ministère public et du juge d'instruction, visé aux articles 28ter, § 3, et 56, § 2, du Code d'instruction criminelle, les inspecteurs sociaux sont indépendants dans l'exercice de leurs missions.]1
Art. 22. De mogelijkheid om de bijstand van de politie te vorderen
De sociaal inspecteurs kunnen in de uitoefening van hun ambt, de bijstand van de politie vorderen.
De sociaal inspecteurs kunnen in de uitoefening van hun ambt, de bijstand van de politie vorderen.
Art. 22. La possibilité de requérir l'assistance de la police
Les inspecteurs sociaux peuvent, dans l'exercice de leurs fonctions, requérir l'assistance de la police.
Les inspecteurs sociaux peuvent, dans l'exercice de leurs fonctions, requérir l'assistance de la police.
Afdeling 2. - Bevoegdheden van de sociaal inspecteurs
Section 2. - Les pouvoirs des inspecteurs sociaux
Art. 23. Toegang tot de arbeidsplaatsen
De sociaal inspecteurs mogen bij de uitoefening van hun opdracht op elk ogenblik van de dag of van de nacht, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnengaan in alle arbeidsplaatsen of andere plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn of waarvan zij redelijkerwijze kunnen vermoeden dat daar personen werken die onderworpen zijn aan de bepalingen van de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen.
[1 Indien nodig kunnen de sociaal inspecteurs een beroep doen op de politiediensten om de in het eerste lid bedoelde plaatsen te betreden.]1
De sociaal inspecteurs mogen bij de uitoefening van hun opdracht op elk ogenblik van de dag of van de nacht, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnengaan in alle arbeidsplaatsen of andere plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn of waarvan zij redelijkerwijze kunnen vermoeden dat daar personen werken die onderworpen zijn aan de bepalingen van de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen.
[1 Indien nodig kunnen de sociaal inspecteurs een beroep doen op de politiediensten om de in het eerste lid bedoelde plaatsen te betreden.]1
Art. 23. L'accès aux lieux de travail
Les inspecteurs sociaux peuvent dans l'exercice de leur mission pénétrer librement, à toute heure du jour et de la nuit, sans avertissement préalable, dans tous les lieux de travail ou autres lieux qui sont soumis à leur contrôle ou dans lesquels ils peuvent avoir un motif raisonnable de supposer que travaillent des personnes soumises aux dispositions de la législation dont ils exercent la surveillance.
[1 Les inspecteurs sociaux peuvent, si nécessaire, faire appel aux services de police pour entrer dans les lieux visés à l'alinéa 1er.]1
Les inspecteurs sociaux peuvent dans l'exercice de leur mission pénétrer librement, à toute heure du jour et de la nuit, sans avertissement préalable, dans tous les lieux de travail ou autres lieux qui sont soumis à leur contrôle ou dans lesquels ils peuvent avoir un motif raisonnable de supposer que travaillent des personnes soumises aux dispositions de la législation dont ils exercent la surveillance.
[1 Les inspecteurs sociaux peuvent, si nécessaire, faire appel aux services de police pour entrer dans les lieux visés à l'alinéa 1er.]1
Wijzigingen
Art. 24. Toegang tot de bewoonde ruimten
§ 1. De sociaal inspecteurs hebben enkel toegang tot de bewoonde ruimten in de volgende gevallen :
- wanneer de sociaal inspecteurs zich tot vaststelling op heterdaad van een inbreuk ter plaatse begeven;
- op verzoek of met toestemming van de persoon die het werkelijk genot heeft van de bewoonde ruimte; het verzoek of de toestemming moet schriftelijk en voorafgaand aan de visitatie worden gegeven;
- in geval van oproep vanuit die plaats;
- in geval van brand of overstroming;
- wanneer de sociaal inspecteurs in het bezit zijn van een machtiging tot visitatie uitgereikt door de onderzoeksrechter.
§ 2. Voor het bekomen van een machtiging tot visitatie richten de sociaal inspecteurs een met redenen omkleed verzoek aan de onderzoeksrechter. Dit verzoek bevat minstens de volgende gegevens :
- de identificatie van de bewoonde ruimten die het voorwerp zijn van de visitatie;
- de wetgeving die het voorwerp is van het toezicht en waarvoor de sociaal inspecteurs van oordeel zijn een machtiging tot visitatie nodig te hebben;
- wanneer dit het geval is, de eventuele inbreuken die het voorwerp zijn van het toezicht;
- alle bescheiden en inlichtingen waaruit blijkt dat het gebruik van dit middel nodig is.
Een machtiging tot visitatie kan door de sociaal inspecteurs worden bekomen voor de toegang tot de bewoonde ruimten na 21 uur en voor 5 uur mits het verzoek aan de onderzoeksrechter bijzonder wordt gemotiveerd.
§ 3. De onderzoeksrechter beslist binnen een termijn van maximum 48 uur na de ontvangst van het verzoek.
De beslissing van de onderzoeksrechter is met redenen omkleed.
De beslissing van de onderzoeksrechter ten gevolge van een verzoek tot visitatie voor de toegang tot de bewoonde ruimten na 21 uur en voor 5 uur is echter bijzonder gemotiveerd.
Tegen deze beslissing is geen beroep mogelijk.
Met uitzondering van de stukken waaruit de identiteit van de indiener van een eventuele klacht of aangifte kan worden afgeleid en onverminderd de toepassing van artikel 59 dient het geheel van de motiveringsstukken tot het bekomen van de machtiging tot visitatie, zoals bedoeld in § 2, eerste lid, aan het strafdossier of aan het dossier in het kader waarvan een administratieve geldboete kan worden opgelegd, te worden toegevoegd.
§ 4. In geval van visitatie van bewoonde ruimten beschikken de sociaal inspecteurs over alle bevoegdheden bedoeld in Boek 1, Titel 2, Hoofdstuk 2, afdelingen 1, 2 en 3, met uitzondering van de opsporing van informatiedragers bedoeld in artikel 28 en van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 30, 31, 32, 33 en 34, tweede lid.
[1 § 5. Indien nodig kunnen de sociaal inspecteurs een beroep doen op de politiediensten om een machtiging tot visitatie uit te voeren.]1
§ 1. De sociaal inspecteurs hebben enkel toegang tot de bewoonde ruimten in de volgende gevallen :
- wanneer de sociaal inspecteurs zich tot vaststelling op heterdaad van een inbreuk ter plaatse begeven;
- op verzoek of met toestemming van de persoon die het werkelijk genot heeft van de bewoonde ruimte; het verzoek of de toestemming moet schriftelijk en voorafgaand aan de visitatie worden gegeven;
- in geval van oproep vanuit die plaats;
- in geval van brand of overstroming;
- wanneer de sociaal inspecteurs in het bezit zijn van een machtiging tot visitatie uitgereikt door de onderzoeksrechter.
§ 2. Voor het bekomen van een machtiging tot visitatie richten de sociaal inspecteurs een met redenen omkleed verzoek aan de onderzoeksrechter. Dit verzoek bevat minstens de volgende gegevens :
- de identificatie van de bewoonde ruimten die het voorwerp zijn van de visitatie;
- de wetgeving die het voorwerp is van het toezicht en waarvoor de sociaal inspecteurs van oordeel zijn een machtiging tot visitatie nodig te hebben;
- wanneer dit het geval is, de eventuele inbreuken die het voorwerp zijn van het toezicht;
- alle bescheiden en inlichtingen waaruit blijkt dat het gebruik van dit middel nodig is.
Een machtiging tot visitatie kan door de sociaal inspecteurs worden bekomen voor de toegang tot de bewoonde ruimten na 21 uur en voor 5 uur mits het verzoek aan de onderzoeksrechter bijzonder wordt gemotiveerd.
§ 3. De onderzoeksrechter beslist binnen een termijn van maximum 48 uur na de ontvangst van het verzoek.
De beslissing van de onderzoeksrechter is met redenen omkleed.
De beslissing van de onderzoeksrechter ten gevolge van een verzoek tot visitatie voor de toegang tot de bewoonde ruimten na 21 uur en voor 5 uur is echter bijzonder gemotiveerd.
Tegen deze beslissing is geen beroep mogelijk.
Met uitzondering van de stukken waaruit de identiteit van de indiener van een eventuele klacht of aangifte kan worden afgeleid en onverminderd de toepassing van artikel 59 dient het geheel van de motiveringsstukken tot het bekomen van de machtiging tot visitatie, zoals bedoeld in § 2, eerste lid, aan het strafdossier of aan het dossier in het kader waarvan een administratieve geldboete kan worden opgelegd, te worden toegevoegd.
§ 4. In geval van visitatie van bewoonde ruimten beschikken de sociaal inspecteurs over alle bevoegdheden bedoeld in Boek 1, Titel 2, Hoofdstuk 2, afdelingen 1, 2 en 3, met uitzondering van de opsporing van informatiedragers bedoeld in artikel 28 en van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 30, 31, 32, 33 en 34, tweede lid.
[1 § 5. Indien nodig kunnen de sociaal inspecteurs een beroep doen op de politiediensten om een machtiging tot visitatie uit te voeren.]1
Art. 24. L'accès aux espaces habités
§ 1er. Les inspecteurs sociaux ont uniquement accès aux espaces habités dans les cas suivants :
- lorsque les inspecteurs sociaux se rendent sur place pour constater une infraction en flagrant délit;
- à la demande ou avec l'accord de la personne qui a la jouissance réelle de l'espace habité; la demande ou l'accord doit être donné par écrit et préalablement à la visite domiciliaire;
- en cas d'appel provenant de ce lieu;
- en cas d'incendie ou d'inondation;
- lorsque les inspecteurs sociaux sont en possession d'une autorisation de visite domiciliaire délivrée par le juge d'instruction.
§ 2. Pour obtenir une autorisation de visite domiciliaire, les inspecteurs sociaux adressent une demande motivée au juge d'instruction. Cette demande contient au moins les données suivantes :
- l'identification des espaces habités qui font l'objet de la visite domiciliaire;
- la législation qui fait l'objet du contrôle et pour laquelle les inspecteurs sociaux sont d'avis qu'ils ont besoin d'une autorisation de visite domiciliaire;
- lorsque c'est le cas, les infractions éventuelles qui font l'objet du contrôle;
- tous les documents et renseignements desquels il ressort que l'utilisation de ce moyen est nécessaire.
Les inspecteurs sociaux peuvent obtenir une autorisation de visite domiciliaire pour l'accès aux espaces habités après 21 heures et avant 5 heures moyennant une motivation spéciale de la demande au juge d'instruction.
§ 3. Le juge d'instruction décide dans un délai de 48 heures maximum après réception de la demande.
La décision du juge d'instruction est motivée.
Toutefois, la décision du juge d'instruction suite à une demande de visite domiciliaire pour l'accès aux espaces habités après 21 heures et avant 5 heures est spécialement motivée.
Aucune voie de recours n'est possible contre cette décision.
A l'exception des pièces qui permettent de déduire l'identité de l'auteur d'une éventuelle plainte ou dénonciation et sans préjudice de l'application de l'article 59, toutes les pièces motivant l'obtention d'une autorisation de visite domiciliaire conformément au § 2, alinéa 1er, doivent être versées au dossier répressif ou au dossier dans le cadre duquel une amende administrative peut être infligée.
§ 4. Dans le cas d'une visite domiciliaire d'espaces habités, les inspecteurs sociaux disposent de tous les pouvoirs visés dans le Livre 1er, Titre 2, Chapitre 2, sections 1re, 2 et 3, à l'exception de la recherche de supports d'informations visés par l'article 28 et des pouvoirs visés par les articles 30, 31, 32, 33 et 34, alinéa 2.
[1 § 5. Les inspecteurs sociaux peuvent, si nécessaire, faire appel aux services de police pour exécuter une autorisation de visite domiciliaire.]1
§ 1er. Les inspecteurs sociaux ont uniquement accès aux espaces habités dans les cas suivants :
- lorsque les inspecteurs sociaux se rendent sur place pour constater une infraction en flagrant délit;
- à la demande ou avec l'accord de la personne qui a la jouissance réelle de l'espace habité; la demande ou l'accord doit être donné par écrit et préalablement à la visite domiciliaire;
- en cas d'appel provenant de ce lieu;
- en cas d'incendie ou d'inondation;
- lorsque les inspecteurs sociaux sont en possession d'une autorisation de visite domiciliaire délivrée par le juge d'instruction.
§ 2. Pour obtenir une autorisation de visite domiciliaire, les inspecteurs sociaux adressent une demande motivée au juge d'instruction. Cette demande contient au moins les données suivantes :
- l'identification des espaces habités qui font l'objet de la visite domiciliaire;
- la législation qui fait l'objet du contrôle et pour laquelle les inspecteurs sociaux sont d'avis qu'ils ont besoin d'une autorisation de visite domiciliaire;
- lorsque c'est le cas, les infractions éventuelles qui font l'objet du contrôle;
- tous les documents et renseignements desquels il ressort que l'utilisation de ce moyen est nécessaire.
Les inspecteurs sociaux peuvent obtenir une autorisation de visite domiciliaire pour l'accès aux espaces habités après 21 heures et avant 5 heures moyennant une motivation spéciale de la demande au juge d'instruction.
§ 3. Le juge d'instruction décide dans un délai de 48 heures maximum après réception de la demande.
La décision du juge d'instruction est motivée.
Toutefois, la décision du juge d'instruction suite à une demande de visite domiciliaire pour l'accès aux espaces habités après 21 heures et avant 5 heures est spécialement motivée.
Aucune voie de recours n'est possible contre cette décision.
A l'exception des pièces qui permettent de déduire l'identité de l'auteur d'une éventuelle plainte ou dénonciation et sans préjudice de l'application de l'article 59, toutes les pièces motivant l'obtention d'une autorisation de visite domiciliaire conformément au § 2, alinéa 1er, doivent être versées au dossier répressif ou au dossier dans le cadre duquel une amende administrative peut être infligée.
§ 4. Dans le cas d'une visite domiciliaire d'espaces habités, les inspecteurs sociaux disposent de tous les pouvoirs visés dans le Livre 1er, Titre 2, Chapitre 2, sections 1re, 2 et 3, à l'exception de la recherche de supports d'informations visés par l'article 28 et des pouvoirs visés par les articles 30, 31, 32, 33 et 34, alinéa 2.
[1 § 5. Les inspecteurs sociaux peuvent, si nécessaire, faire appel aux services de police pour exécuter une autorisation de visite domiciliaire.]1
Wijzigingen
Art. 25. Inwinnen van inlichtingen
Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk mogen de sociaal inspecteurs overgaan tot elk onderzoek, elke controle en elk verhoor, alsook alle inlichtingen inwinnen die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen dat de bepalingen van de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen, werkelijk worden nageleefd.
Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk mogen de sociaal inspecteurs overgaan tot elk onderzoek, elke controle en elk verhoor, alsook alle inlichtingen inwinnen die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen dat de bepalingen van de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen, werkelijk worden nageleefd.
Art. 25. La collecte d'information
Sans préjudice des dispositions de ce chapitre, les inspecteurs sociaux peuvent procéder à tout examen, contrôle et audition et recueillir toutes les informations qu'ils estiment nécessaires pour s'assurer que les dispositions de la législation dont ils exercent la surveillance, sont effectivement observées.
Sans préjudice des dispositions de ce chapitre, les inspecteurs sociaux peuvent procéder à tout examen, contrôle et audition et recueillir toutes les informations qu'ils estiment nécessaires pour s'assurer que les dispositions de la législation dont ils exercent la surveillance, sont effectivement observées.
Art. 26. Identificatie van de personen
De sociaal inspecteurs mogen de identiteit opnemen van de personen die zich op de arbeidsplaatsen bevinden alsook van eenieder van wie zij de identificatie nodig achten voor de uitoefening van het toezicht.
Zij kunnen daartoe van deze personen de overlegging van officiële identificatiedocumenten eisen.
Zij kunnen bovendien deze personen identificeren met de hulp van niet-officiële documenten die deze hen vrijwillig voorleggen wanneer deze personen geen officiële identificatiedocumenten kunnen voorleggen of wanneer de sociaal inspecteurs aan de authenticiteit ervan of aan de identiteit van deze personen twijfelen.
Zij kunnen eveneens, in de gevallen en onder de voorwaarden en nadere regelen bepaald in artikel 39, de identiteit van deze personen trachten te achterhalen door middel van beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan.
De sociaal inspecteurs mogen de identiteit opnemen van de personen die zich op de arbeidsplaatsen bevinden alsook van eenieder van wie zij de identificatie nodig achten voor de uitoefening van het toezicht.
Zij kunnen daartoe van deze personen de overlegging van officiële identificatiedocumenten eisen.
Zij kunnen bovendien deze personen identificeren met de hulp van niet-officiële documenten die deze hen vrijwillig voorleggen wanneer deze personen geen officiële identificatiedocumenten kunnen voorleggen of wanneer de sociaal inspecteurs aan de authenticiteit ervan of aan de identiteit van deze personen twijfelen.
Zij kunnen eveneens, in de gevallen en onder de voorwaarden en nadere regelen bepaald in artikel 39, de identiteit van deze personen trachten te achterhalen door middel van beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan.
Art. 26. L'identification des personnes
Les inspecteurs sociaux peuvent prendre l'identité des personnes se trouvant sur les lieux de travail, ainsi que de toute personne dont ils estiment l'identification nécessaire pour l'exercice de la surveillance.
Ils peuvent, à cet effet, exiger de ces personnes la présentation de documents officiels d'identification.
Ils peuvent en outre identifier ces personnes à l'aide de documents non officiels que celles-ci leur soumettent volontairement lorsque ces personnes ne sont pas en mesure de présenter des documents officiels d'identification ou lorsque les inspecteurs sociaux doutent de leur authenticité ou de l'identité de ces personnes.
Ils peuvent également essayer de rechercher l'identité de ces personnes au moyen de constatations par image, quel qu'en soit le support, dans les cas et conditions et selon les modalités visés à l'article 39.
Les inspecteurs sociaux peuvent prendre l'identité des personnes se trouvant sur les lieux de travail, ainsi que de toute personne dont ils estiment l'identification nécessaire pour l'exercice de la surveillance.
Ils peuvent, à cet effet, exiger de ces personnes la présentation de documents officiels d'identification.
Ils peuvent en outre identifier ces personnes à l'aide de documents non officiels que celles-ci leur soumettent volontairement lorsque ces personnes ne sont pas en mesure de présenter des documents officiels d'identification ou lorsque les inspecteurs sociaux doutent de leur authenticité ou de l'identité de ces personnes.
Ils peuvent également essayer de rechercher l'identité de ces personnes au moyen de constatations par image, quel qu'en soit le support, dans les cas et conditions et selon les modalités visés à l'article 39.
Art. 27. Verhoor van personen
De sociaal inspecteurs mogen hetzij alleen, hetzij samen, hetzij in aanwezigheid van getuigen, gelijk welke persoon wiens verhoor zij noodzakelijk achten, ondervragen over elk feit waarvan de kennisname nuttig is voor de uitoefening van het toezicht.
De sociaal inspecteurs mogen hetzij alleen, hetzij samen, hetzij in aanwezigheid van getuigen, gelijk welke persoon wiens verhoor zij noodzakelijk achten, ondervragen over elk feit waarvan de kennisname nuttig is voor de uitoefening van het toezicht.
Art. 27. L'audition de personnes
Les inspecteurs sociaux peuvent interroger, soit seuls, soit ensemble, soit en présence de témoins, toute personne dont ils estiment l'audition nécessaire, sur tout fait dont la connaissance est utile à l'exercice de la surveillance.
Les inspecteurs sociaux peuvent interroger, soit seuls, soit ensemble, soit en présence de témoins, toute personne dont ils estiment l'audition nécessaire, sur tout fait dont la connaissance est utile à l'exercice de la surveillance.
Art. 28. Informatiedragers met hetzij sociale gegevens, hetzij andere door de wet voorgeschreven gegevens
§ 1. De sociaal inspecteurs mogen zich alle informatiedragers doen overleggen die zich bevinden op de arbeidsplaatsen of op de andere plaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen, op voorwaarde dat deze informatiedragers :
1° hetzij sociale gegevens, bedoeld in artikel 16, 5°, bevatten;
2° hetzij gelijk welke andere gegevens bevatten die ingevolge de wetgeving dienen te worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, zelfs wanneer de sociaal inspecteurs niet zijn belast met het toezicht op deze wetgeving, [1 ...]1.
De sociaal inspecteurs mogen zich eveneens de toegang doen verschaffen tot de in het eerste lid bedoelde informatiedragers die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat.
§ 2. Wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber afwezig is op het ogenblik van de controle nemen de sociaal inspecteurs de nodige maatregelen om de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber te contacteren om voormelde informatiedragers te doen voorleggen of om zich toegang te doen verschaffen tot de in § 1, eerste lid, bedoelde informatiedragers die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat.
§ 3. De sociaal inspecteurs kunnen overgaan tot het opsporen en onderzoeken van de in § 1 bedoelde informatiedragers in de volgende gevallen :
1° wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber voormelde informatiedragers niet vrijwillig voorlegt, zonder zich evenwel te verzetten tegen deze opsporing of dit onderzoek;
2° wanneer de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber op het ogenblik van de controle niet bereikbaar is.
De sociaal inspecteurs kunnen slechts overgaan tot de opsporing of het onderzoek van deze informatiedragers op voorwaarde dat de aard van de opsporing of het onderzoek dit vereist wanneer het gevaar bestaat dat deze informatiedragers of de gegevens die zij bevatten naar aanleiding van de controle verdwijnen of worden gewijzigd of wanneer de gezondheid of de veiligheid van de werknemers dit vereist.
Wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber zich verzet tegen deze opsporing of dit onderzoek wordt een proces-verbaal opgesteld wegens [2 belemmering]2 van toezicht.
§ 4. [1 De Koning kan, ten informatieve titel, een lijst opstellen met de in § 1, eerste lid, 2°, bedoelde gegevens die ingevolge de wetgeving dienen te worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, en die zich op informatiedragers bevinden op de arbeidsplaatsen of op de andere plaatsen die onderworpen zijn aan het toezicht van de sociaal inspecteurs of die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat en waartoe de sociaal inspecteurs toegang hebben.]1
§ 1. De sociaal inspecteurs mogen zich alle informatiedragers doen overleggen die zich bevinden op de arbeidsplaatsen of op de andere plaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen, op voorwaarde dat deze informatiedragers :
1° hetzij sociale gegevens, bedoeld in artikel 16, 5°, bevatten;
2° hetzij gelijk welke andere gegevens bevatten die ingevolge de wetgeving dienen te worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, zelfs wanneer de sociaal inspecteurs niet zijn belast met het toezicht op deze wetgeving, [1 ...]1.
De sociaal inspecteurs mogen zich eveneens de toegang doen verschaffen tot de in het eerste lid bedoelde informatiedragers die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat.
§ 2. Wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber afwezig is op het ogenblik van de controle nemen de sociaal inspecteurs de nodige maatregelen om de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber te contacteren om voormelde informatiedragers te doen voorleggen of om zich toegang te doen verschaffen tot de in § 1, eerste lid, bedoelde informatiedragers die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat.
§ 3. De sociaal inspecteurs kunnen overgaan tot het opsporen en onderzoeken van de in § 1 bedoelde informatiedragers in de volgende gevallen :
1° wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber voormelde informatiedragers niet vrijwillig voorlegt, zonder zich evenwel te verzetten tegen deze opsporing of dit onderzoek;
2° wanneer de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber op het ogenblik van de controle niet bereikbaar is.
De sociaal inspecteurs kunnen slechts overgaan tot de opsporing of het onderzoek van deze informatiedragers op voorwaarde dat de aard van de opsporing of het onderzoek dit vereist wanneer het gevaar bestaat dat deze informatiedragers of de gegevens die zij bevatten naar aanleiding van de controle verdwijnen of worden gewijzigd of wanneer de gezondheid of de veiligheid van de werknemers dit vereist.
Wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber zich verzet tegen deze opsporing of dit onderzoek wordt een proces-verbaal opgesteld wegens [2 belemmering]2 van toezicht.
§ 4. [1 De Koning kan, ten informatieve titel, een lijst opstellen met de in § 1, eerste lid, 2°, bedoelde gegevens die ingevolge de wetgeving dienen te worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, en die zich op informatiedragers bevinden op de arbeidsplaatsen of op de andere plaatsen die onderworpen zijn aan het toezicht van de sociaal inspecteurs of die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat en waartoe de sociaal inspecteurs toegang hebben.]1
Art. 28. Les supports d'information contenant soit des données sociales, soit d'autres données prescrites par la loi
§ 1er. Les inspecteurs sociaux peuvent se faire produire tous les supports d'information qui se trouvent sur les lieux de travail ou d'autres lieux qui sont soumis à leur contrôle à condition que ces supports d'information :
1° soit contiennent des données sociales, visées à l'article 16, 5°;
2° soit contiennent n'importe quelles autres données, dont l'établissement, la tenue ou la conservation sont prescrits par la législation, même lorsque les inspecteurs sociaux ne sont pas chargés de la surveillance de cette législation, [1 ...]1.
Les inspecteurs sociaux peuvent également se faire fournir l'accès aux supports d'information visés à l'alinéa 1er qui sont accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
§ 2. Lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire est absent au moment du contrôle, les inspecteurs sociaux prennent les mesures nécessaires pour contacter l'employeur, son préposé ou son mandataire afin de se faire produire les supports d'information précités ou afin de se faire fournir l'accès aux supports d'information visés au § 1er, alinéa 1er, qui sont accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
§ 3. Les inspecteurs sociaux peuvent procéder à la recherche et à l'examen des supports d'information visés au § 1er dans les cas suivants :
1° lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire ne présente pas volontairement les supports d'information précités, sans toutefois s'opposer à cette recherche ou à cet examen;
2° lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire n'est pas joignable au moment du contrôle.
Les inspecteurs sociaux peuvent uniquement procéder à la recherche ou à l'examen de ces supports d'information à condition que la nature de la recherche ou celle de l'examen l'exige lorsque le danger existe qu'à l'occasion du contrôle, ces supports d'information ou les données qu'ils contiennent disparaissent ou soient modifiés ou lorsque la santé ou la sécurité des travailleurs le requiert.
Lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire s'oppose à cette recherche ou à cet examen, un procès-verbal est établi pour obstacle à la surveillance.
§ 4. [1 Le Roi peut, à titre informatif, dresser une liste contenant les données visées au § 1er, alinéa 1er, 2°, dont l'établissement, la tenue ou la conservation sont prescrits par la législation, et qui se trouvent sur des supports d'information dans les lieux de travail ou les autres lieux soumis au contrôle des inspecteurs sociaux ou qui sont accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique et auquel les inspecteurs sociaux ont accès.]1
§ 1er. Les inspecteurs sociaux peuvent se faire produire tous les supports d'information qui se trouvent sur les lieux de travail ou d'autres lieux qui sont soumis à leur contrôle à condition que ces supports d'information :
1° soit contiennent des données sociales, visées à l'article 16, 5°;
2° soit contiennent n'importe quelles autres données, dont l'établissement, la tenue ou la conservation sont prescrits par la législation, même lorsque les inspecteurs sociaux ne sont pas chargés de la surveillance de cette législation, [1 ...]1.
Les inspecteurs sociaux peuvent également se faire fournir l'accès aux supports d'information visés à l'alinéa 1er qui sont accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
§ 2. Lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire est absent au moment du contrôle, les inspecteurs sociaux prennent les mesures nécessaires pour contacter l'employeur, son préposé ou son mandataire afin de se faire produire les supports d'information précités ou afin de se faire fournir l'accès aux supports d'information visés au § 1er, alinéa 1er, qui sont accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
§ 3. Les inspecteurs sociaux peuvent procéder à la recherche et à l'examen des supports d'information visés au § 1er dans les cas suivants :
1° lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire ne présente pas volontairement les supports d'information précités, sans toutefois s'opposer à cette recherche ou à cet examen;
2° lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire n'est pas joignable au moment du contrôle.
Les inspecteurs sociaux peuvent uniquement procéder à la recherche ou à l'examen de ces supports d'information à condition que la nature de la recherche ou celle de l'examen l'exige lorsque le danger existe qu'à l'occasion du contrôle, ces supports d'information ou les données qu'ils contiennent disparaissent ou soient modifiés ou lorsque la santé ou la sécurité des travailleurs le requiert.
Lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire s'oppose à cette recherche ou à cet examen, un procès-verbal est établi pour obstacle à la surveillance.
§ 4. [1 Le Roi peut, à titre informatif, dresser une liste contenant les données visées au § 1er, alinéa 1er, 2°, dont l'établissement, la tenue ou la conservation sont prescrits par la législation, et qui se trouvent sur des supports d'information dans les lieux de travail ou les autres lieux soumis au contrôle des inspecteurs sociaux ou qui sont accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique et auquel les inspecteurs sociaux ont accès.]1
Wijzigingen
Art. 28 TOEKOMSTIG RECHT. Informatiedragers met hetzij sociale gegevens, hetzij andere door de wet voorgeschreven gegevens
§ 1. De sociaal inspecteurs mogen zich alle informatiedragers doen overleggen die zich bevinden op de arbeidsplaatsen of op de andere plaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen, op voorwaarde dat deze informatiedragers :
1° hetzij sociale gegevens, bedoeld in artikel 16, 5°, bevatten;
2° hetzij gelijk welke andere gegevens bevatten die ingevolge de wetgeving dienen te worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, zelfs wanneer de sociaal inspecteurs niet zijn belast met het toezicht op deze wetgeving, [1 ...]1.
De sociaal inspecteurs mogen zich eveneens de toegang doen verschaffen tot de in het eerste lid bedoelde informatiedragers die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat.
[3 § 1/1. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde informatiedragers zich niet op de arbeidsplaatsen of op andere plaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen, bevinden en deze informatiedragers vanuit deze plaatsen niet toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat, dient de werkgever, zijn aangestelde [4 , zijn lasthebber of de zelfstandige]4 de nodige maatregelen te treffen om aan de sociaal inspecteurs op hun vraag toegang te verschaffen tot deze informatiedragers.]3
§ 2. Wanneer de werkgever, zijn aangestelde [4 , zijn lasthebber of de zelfstandige]4 afwezig is op het ogenblik van de controle nemen de sociaal inspecteurs de nodige maatregelen om de werkgever, zijn aangestelde [4 , zijn lasthebber of de zelfstandige]4 te contacteren om voormelde informatiedragers te doen voorleggen of om zich toegang te doen verschaffen tot de in § 1, eerste lid, bedoelde informatiedragers die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat [3 of tot de in paragraaf 1/1 bedoelde informatiedragers die vanuit deze plaatsen niet toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat]3.
§ 3. De sociaal inspecteurs kunnen overgaan tot het opsporen en onderzoeken van de in § 1 bedoelde informatiedragers in de volgende gevallen :
1° wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber voormelde informatiedragers niet vrijwillig voorlegt, zonder zich evenwel te verzetten tegen deze opsporing of dit onderzoek;
2° wanneer de werkgever, zijn aangestelde [4 , zijn lasthebber of de zelfstandige]4 op het ogenblik van de controle niet bereikbaar is.
De sociaal inspecteurs kunnen slechts overgaan tot de opsporing of het onderzoek van deze informatiedragers op voorwaarde dat de aard van de opsporing of het onderzoek dit vereist wanneer het gevaar bestaat dat deze informatiedragers of de gegevens die zij bevatten naar aanleiding van de controle verdwijnen of worden gewijzigd of wanneer de gezondheid of de veiligheid van de werknemers dit vereist.
Wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber zich verzet tegen deze opsporing of dit onderzoek wordt een proces-verbaal opgesteld wegens [2 belemmering]2 van toezicht.
§ 4. [1 De Koning kan, ten informatieve titel, een lijst opstellen met de in § 1, eerste lid, 2°, bedoelde gegevens die ingevolge de wetgeving dienen te worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, en die zich op informatiedragers bevinden op de arbeidsplaatsen of op de andere plaatsen die onderworpen zijn aan het toezicht van de sociaal inspecteurs of die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat en waartoe de sociaal inspecteurs toegang hebben.]1
§ 1. De sociaal inspecteurs mogen zich alle informatiedragers doen overleggen die zich bevinden op de arbeidsplaatsen of op de andere plaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen, op voorwaarde dat deze informatiedragers :
1° hetzij sociale gegevens, bedoeld in artikel 16, 5°, bevatten;
2° hetzij gelijk welke andere gegevens bevatten die ingevolge de wetgeving dienen te worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, zelfs wanneer de sociaal inspecteurs niet zijn belast met het toezicht op deze wetgeving, [1 ...]1.
De sociaal inspecteurs mogen zich eveneens de toegang doen verschaffen tot de in het eerste lid bedoelde informatiedragers die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat.
[3 § 1/1. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde informatiedragers zich niet op de arbeidsplaatsen of op andere plaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen, bevinden en deze informatiedragers vanuit deze plaatsen niet toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat, dient de werkgever, zijn aangestelde [4 , zijn lasthebber of de zelfstandige]4 de nodige maatregelen te treffen om aan de sociaal inspecteurs op hun vraag toegang te verschaffen tot deze informatiedragers.]3
§ 2. Wanneer de werkgever, zijn aangestelde [4 , zijn lasthebber of de zelfstandige]4 afwezig is op het ogenblik van de controle nemen de sociaal inspecteurs de nodige maatregelen om de werkgever, zijn aangestelde [4 , zijn lasthebber of de zelfstandige]4 te contacteren om voormelde informatiedragers te doen voorleggen of om zich toegang te doen verschaffen tot de in § 1, eerste lid, bedoelde informatiedragers die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat [3 of tot de in paragraaf 1/1 bedoelde informatiedragers die vanuit deze plaatsen niet toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat]3.
§ 3. De sociaal inspecteurs kunnen overgaan tot het opsporen en onderzoeken van de in § 1 bedoelde informatiedragers in de volgende gevallen :
1° wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber voormelde informatiedragers niet vrijwillig voorlegt, zonder zich evenwel te verzetten tegen deze opsporing of dit onderzoek;
2° wanneer de werkgever, zijn aangestelde [4 , zijn lasthebber of de zelfstandige]4 op het ogenblik van de controle niet bereikbaar is.
De sociaal inspecteurs kunnen slechts overgaan tot de opsporing of het onderzoek van deze informatiedragers op voorwaarde dat de aard van de opsporing of het onderzoek dit vereist wanneer het gevaar bestaat dat deze informatiedragers of de gegevens die zij bevatten naar aanleiding van de controle verdwijnen of worden gewijzigd of wanneer de gezondheid of de veiligheid van de werknemers dit vereist.
Wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber zich verzet tegen deze opsporing of dit onderzoek wordt een proces-verbaal opgesteld wegens [2 belemmering]2 van toezicht.
§ 4. [1 De Koning kan, ten informatieve titel, een lijst opstellen met de in § 1, eerste lid, 2°, bedoelde gegevens die ingevolge de wetgeving dienen te worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, en die zich op informatiedragers bevinden op de arbeidsplaatsen of op de andere plaatsen die onderworpen zijn aan het toezicht van de sociaal inspecteurs of die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat en waartoe de sociaal inspecteurs toegang hebben.]1
Art. 28 DROIT FUTUR. Les supports d'information contenant soit des données sociales, soit d'autres données prescrites par la loi
§ 1er. Les inspecteurs sociaux peuvent se faire produire tous les supports d'information qui se trouvent sur les lieux de travail ou d'autres lieux qui sont soumis à leur contrôle à condition que ces supports d'information :
1° soit contiennent des données sociales, visées à l'article 16, 5°;
2° soit contiennent n'importe quelles autres données, dont l'établissement, la tenue ou la conservation sont prescrits par la législation, même lorsque les inspecteurs sociaux ne sont pas chargés de la surveillance de cette législation, [1 ...]1.
Les inspecteurs sociaux peuvent également se faire fournir l'accès aux supports d'information visés à l'alinéa 1er qui sont accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
[2 § 1er/1. - Lorsque les supports d'information visés au paragraphe 1er ne se trouvent pas sur les lieux de travail ou d'autres lieux qui sont soumis à leur contrôle et que ces supports d'information ne sont pas accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique, l'employeur, son préposé [3 , son mandataire ou l'indépendant]3 doit prendre les mesures nécessaires pour fournir l'accès à ces supports d'informations aux inspecteurs sociaux, à leur demande.]2
§ 2. Lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire est absent au moment du contrôle, les inspecteurs sociaux prennent les mesures nécessaires pour contacter l'employeur, son préposé [3 , son mandataire ou l'indépendant]3 afin de se faire produire les supports d'information précités ou afin de se faire fournir l'accès aux supports d'information visés au § 1er, alinéa 1er, qui sont accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique [2 ou aux supports d'information visés au paragraphe 1er/1 qui ne sont pas accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique]2.
§ 3. Les inspecteurs sociaux peuvent procéder à la recherche et à l'examen des supports d'information visés au § 1er dans les cas suivants :
1° lorsque l'employeur, son préposé [3 , son mandataire ou l'indépendant]3 ne présente pas volontairement les supports d'information précités, sans toutefois s'opposer à cette recherche ou à cet examen;
2° lorsque l'employeur, son préposé [3 , son mandataire ou l'indépendant]3 n'est pas joignable au moment du contrôle.
Les inspecteurs sociaux peuvent uniquement procéder à la recherche ou à l'examen de ces supports d'information à condition que la nature de la recherche ou celle de l'examen l'exige lorsque le danger existe qu'à l'occasion du contrôle, ces supports d'information ou les données qu'ils contiennent disparaissent ou soient modifiés ou lorsque la santé ou la sécurité des travailleurs le requiert.
Lorsque l'employeur, son préposé [3 , son mandataire ou l'indépendant]3 s'oppose à cette recherche ou à cet examen, un procès-verbal est établi pour obstacle à la surveillance.
§ 4. [1 Le Roi peut, à titre informatif, dresser une liste contenant les données visées au § 1er, alinéa 1er, 2°, dont l'établissement, la tenue ou la conservation sont prescrits par la législation, et qui se trouvent sur des supports d'information dans les lieux de travail ou les autres lieux soumis au contrôle des inspecteurs sociaux ou qui sont accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique et auquel les inspecteurs sociaux ont accès.]1
§ 1er. Les inspecteurs sociaux peuvent se faire produire tous les supports d'information qui se trouvent sur les lieux de travail ou d'autres lieux qui sont soumis à leur contrôle à condition que ces supports d'information :
1° soit contiennent des données sociales, visées à l'article 16, 5°;
2° soit contiennent n'importe quelles autres données, dont l'établissement, la tenue ou la conservation sont prescrits par la législation, même lorsque les inspecteurs sociaux ne sont pas chargés de la surveillance de cette législation, [1 ...]1.
Les inspecteurs sociaux peuvent également se faire fournir l'accès aux supports d'information visés à l'alinéa 1er qui sont accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
[2 § 1er/1. - Lorsque les supports d'information visés au paragraphe 1er ne se trouvent pas sur les lieux de travail ou d'autres lieux qui sont soumis à leur contrôle et que ces supports d'information ne sont pas accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique, l'employeur, son préposé [3 , son mandataire ou l'indépendant]3 doit prendre les mesures nécessaires pour fournir l'accès à ces supports d'informations aux inspecteurs sociaux, à leur demande.]2
§ 2. Lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire est absent au moment du contrôle, les inspecteurs sociaux prennent les mesures nécessaires pour contacter l'employeur, son préposé [3 , son mandataire ou l'indépendant]3 afin de se faire produire les supports d'information précités ou afin de se faire fournir l'accès aux supports d'information visés au § 1er, alinéa 1er, qui sont accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique [2 ou aux supports d'information visés au paragraphe 1er/1 qui ne sont pas accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique]2.
§ 3. Les inspecteurs sociaux peuvent procéder à la recherche et à l'examen des supports d'information visés au § 1er dans les cas suivants :
1° lorsque l'employeur, son préposé [3 , son mandataire ou l'indépendant]3 ne présente pas volontairement les supports d'information précités, sans toutefois s'opposer à cette recherche ou à cet examen;
2° lorsque l'employeur, son préposé [3 , son mandataire ou l'indépendant]3 n'est pas joignable au moment du contrôle.
Les inspecteurs sociaux peuvent uniquement procéder à la recherche ou à l'examen de ces supports d'information à condition que la nature de la recherche ou celle de l'examen l'exige lorsque le danger existe qu'à l'occasion du contrôle, ces supports d'information ou les données qu'ils contiennent disparaissent ou soient modifiés ou lorsque la santé ou la sécurité des travailleurs le requiert.
Lorsque l'employeur, son préposé [3 , son mandataire ou l'indépendant]3 s'oppose à cette recherche ou à cet examen, un procès-verbal est établi pour obstacle à la surveillance.
§ 4. [1 Le Roi peut, à titre informatif, dresser une liste contenant les données visées au § 1er, alinéa 1er, 2°, dont l'établissement, la tenue ou la conservation sont prescrits par la législation, et qui se trouvent sur des supports d'information dans les lieux de travail ou les autres lieux soumis au contrôle des inspecteurs sociaux ou qui sont accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique et auquel les inspecteurs sociaux ont accès.]1
Art. 29. Informatiedragers met andere gegevens
De sociaal inspecteurs mogen zich eveneens, zonder verplaatsing, alle informatiedragers die gelijk welke andere gegevens bevatten ter inzage doen overleggen wanneer zij dit nodig achten voor het volbrengen van hun opdracht en overgaan tot het onderzoek ervan.
Zij beschikken eveneens over deze bevoegdheid voor de gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat.
De sociaal inspecteurs mogen zich eveneens, zonder verplaatsing, alle informatiedragers die gelijk welke andere gegevens bevatten ter inzage doen overleggen wanneer zij dit nodig achten voor het volbrengen van hun opdracht en overgaan tot het onderzoek ervan.
Zij beschikken eveneens over deze bevoegdheid voor de gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat.
Art. 29. Les supports d'information contenant d'autres données
Les inspecteurs sociaux peuvent également se faire produire, sans déplacement, pour en prendre connaissance, tous les supports d'information qui contiennent n'importe quelles autres données, lorsqu'ils le jugent nécessaire à l'accomplissement de leur mission, et procéder à leur examen.
Ils disposent également de ce pouvoir pour les données qui sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
Les inspecteurs sociaux peuvent également se faire produire, sans déplacement, pour en prendre connaissance, tous les supports d'information qui contiennent n'importe quelles autres données, lorsqu'ils le jugent nécessaire à l'accomplissement de leur mission, et procéder à leur examen.
Ils disposent également de ce pouvoir pour les données qui sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
Art. 30. Gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm
Wanneer de gegevens bedoeld in de artikelen 28 en 29 toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat, hebben de sociaal inspecteurs het recht zich de op die informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm te doen voorleggen, in de door hen gevraagde vorm.
Wanneer de gegevens bedoeld in de artikelen 28 en 29 toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat, hebben de sociaal inspecteurs het recht zich de op die informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm te doen voorleggen, in de door hen gevraagde vorm.
Art. 30. Les données sous une forme lisible et intelligible
Lorsque les données visées aux articles 28 et 29 sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique, les inspecteurs sociaux ont le droit de se faire communiquer, dans la forme demandée par eux, les données enregistrées sur ces supports d'information sous une forme lisible et intelligible.
Lorsque les données visées aux articles 28 et 29 sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique, les inspecteurs sociaux ont le droit de se faire communiquer, dans la forme demandée par eux, les données enregistrées sur ces supports d'information sous une forme lisible et intelligible.
Art. 31. Recht van toegang
§ 1. Wanneer de gegevens bedoeld in artikel 28 toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat vanuit de arbeidsplaats of vanuit een andere plaats die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs is onderworpen, moeten de werkgever, zijn aangestelden [1 , zijn lasthebbers of de zelfstandige]1 aan de sociaal inspecteurs een recht van toegang langs elektronische weg tot het informaticasysteem of tot elk ander elektronisch apparaat en tot deze gegevens waarborgen, een recht van fysieke toegang tot de binnenkant van de kast van het informaticasysteem of van elk ander elektronisch apparaat, evenals een recht tot downloading en tot gebruik langs elektronische weg van deze gegevens.
§ 2. De in § 1 bedoelde rechten gelden eveneens wanneer de plaats van bewaring van deze gegevens zich in een ander land bevindt en deze gegevens in België langs elektronische weg toegankelijk zijn vanuit de arbeidsplaats of vanuit een andere plaats die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs is onderworpen.
§ 3. De in § 1 bedoelde rechten gelden eveneens wanneer deze gegevens zich bevinden in een informaticasysteem of in elk ander elektronisch apparaat, in België of in het buitenland, dat niet beheerd wordt door de werkgever, zijn aangestelden [1 , zijn lasthebbers of de zelfstandige]1, en deze gegevens langs elektronische weg toegankelijk zijn in België vanuit de arbeidsplaats of vanuit een andere plaats die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs is onderworpen.
§ 4. De sociaal inspecteurs zien erop toe dat de integriteit van de verzamelde gegevens en van het materieel waartoe zij toegang hebben gewaarborgd is.
§ 1. Wanneer de gegevens bedoeld in artikel 28 toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat vanuit de arbeidsplaats of vanuit een andere plaats die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs is onderworpen, moeten de werkgever, zijn aangestelden [1 , zijn lasthebbers of de zelfstandige]1 aan de sociaal inspecteurs een recht van toegang langs elektronische weg tot het informaticasysteem of tot elk ander elektronisch apparaat en tot deze gegevens waarborgen, een recht van fysieke toegang tot de binnenkant van de kast van het informaticasysteem of van elk ander elektronisch apparaat, evenals een recht tot downloading en tot gebruik langs elektronische weg van deze gegevens.
§ 2. De in § 1 bedoelde rechten gelden eveneens wanneer de plaats van bewaring van deze gegevens zich in een ander land bevindt en deze gegevens in België langs elektronische weg toegankelijk zijn vanuit de arbeidsplaats of vanuit een andere plaats die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs is onderworpen.
§ 3. De in § 1 bedoelde rechten gelden eveneens wanneer deze gegevens zich bevinden in een informaticasysteem of in elk ander elektronisch apparaat, in België of in het buitenland, dat niet beheerd wordt door de werkgever, zijn aangestelden [1 , zijn lasthebbers of de zelfstandige]1, en deze gegevens langs elektronische weg toegankelijk zijn in België vanuit de arbeidsplaats of vanuit een andere plaats die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs is onderworpen.
§ 4. De sociaal inspecteurs zien erop toe dat de integriteit van de verzamelde gegevens en van het materieel waartoe zij toegang hebben gewaarborgd is.
Art. 31. Le droit d'accès
§ 1er. Lorsque les données visées à l'article 28 sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique à partir du lieu de travail ou d'un autre lieu qui est soumis au contrôle des inspecteurs sociaux, l'employeur, ses préposés [1 , ses mandataires ou l'indépendant]1, doivent assurer aux inspecteurs sociaux un droit d'accès par voie électronique au système informatique ou à tout autre appareil électronique et à ces données, un droit d'accès physique à l'intérieur du boîtier du système informatique ou de tout autre appareil électronique, ainsi qu'un droit de téléchargement et d'utilisation par voie électronique de ces données.
§ 2. Les droits visés au § 1er s'appliquent aussi lorsque le lieu de conservation de ces données est situé dans un autre pays et que ces données sont accessibles en Belgique par voie électronique à partir du lieu de travail ou d'un autre lieu qui est soumis au contrôle des inspecteurs sociaux.
§ 3. Les droits visés au § 1er s'appliquent aussi lorsque ces données se trouvent dans un système informatique ou dans tout autre appareil électronique, en Belgique ou à l'étranger, qui n'est pas géré par l'employeur, ses préposés [1 , ses mandataires ou l'indépendant]1, et que ces données sont accessibles en Belgique par voie électronique à partir du lieu de travail ou d'un autre lieu qui est soumis au contrôle des inspecteurs sociaux.
§ 4. Les inspecteurs sociaux veillent à assurer l'intégrité des données récoltées et du matériel auquel ils ont accès.
§ 1er. Lorsque les données visées à l'article 28 sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique à partir du lieu de travail ou d'un autre lieu qui est soumis au contrôle des inspecteurs sociaux, l'employeur, ses préposés [1 , ses mandataires ou l'indépendant]1, doivent assurer aux inspecteurs sociaux un droit d'accès par voie électronique au système informatique ou à tout autre appareil électronique et à ces données, un droit d'accès physique à l'intérieur du boîtier du système informatique ou de tout autre appareil électronique, ainsi qu'un droit de téléchargement et d'utilisation par voie électronique de ces données.
§ 2. Les droits visés au § 1er s'appliquent aussi lorsque le lieu de conservation de ces données est situé dans un autre pays et que ces données sont accessibles en Belgique par voie électronique à partir du lieu de travail ou d'un autre lieu qui est soumis au contrôle des inspecteurs sociaux.
§ 3. Les droits visés au § 1er s'appliquent aussi lorsque ces données se trouvent dans un système informatique ou dans tout autre appareil électronique, en Belgique ou à l'étranger, qui n'est pas géré par l'employeur, ses préposés [1 , ses mandataires ou l'indépendant]1, et que ces données sont accessibles en Belgique par voie électronique à partir du lieu de travail ou d'un autre lieu qui est soumis au contrôle des inspecteurs sociaux.
§ 4. Les inspecteurs sociaux veillent à assurer l'intégrité des données récoltées et du matériel auquel ils ont accès.
Wijzigingen
Art. 32. Informatie over het beheer van het informaticasysteem
De werkgever, zijn aangestelden [1 , zijn lasthebbers of de zelfstandige]1 die een beroep doen op een informaticasysteem of op elk ander elektronisch apparaat om de in artikel 28 bedoelde gegevens op te maken, bij te houden of te bewaren, zijn ertoe gehouden, op verzoek van de sociaal inspecteurs, ter plaatse, de dossiers met betrekking tot de analyses, de programma's, het beheer en de exploitatie van het gebruikte systeem ter inzage over te leggen.
De werkgever, zijn aangestelden [1 , zijn lasthebbers of de zelfstandige]1 die een beroep doen op een informaticasysteem of op elk ander elektronisch apparaat om de in artikel 28 bedoelde gegevens op te maken, bij te houden of te bewaren, zijn ertoe gehouden, op verzoek van de sociaal inspecteurs, ter plaatse, de dossiers met betrekking tot de analyses, de programma's, het beheer en de exploitatie van het gebruikte systeem ter inzage over te leggen.
Art. 32. L'information sur l'exploitation du système informatique
L'employeur, ses préposés [1 , ses mandataires ou l'indépendant]1 qui recourent à un système informatique ou à tout autre appareil électronique pour établir, tenir et conserver les données visées à l'article 28 sont tenus, lorsqu'ils en sont requis par les inspecteurs sociaux, de leur communiquer, sans déplacement, les dossiers d'analyse, de programmation, de gestion et de l'exploitation du système utilisé.
L'employeur, ses préposés [1 , ses mandataires ou l'indépendant]1 qui recourent à un système informatique ou à tout autre appareil électronique pour établir, tenir et conserver les données visées à l'article 28 sont tenus, lorsqu'ils en sont requis par les inspecteurs sociaux, de leur communiquer, sans déplacement, les dossiers d'analyse, de programmation, de gestion et de l'exploitation du système utilisé.
Wijzigingen
Art. 33. Integriteit van de gegevens
De sociaal inspecteurs mogen, door middel van het informaticasysteem of elk ander elektronisch apparaat en met de bijstand van de werkgever, zijn aangestelden [1 , zijn lasthebbers of de zelfstandige]1, de betrouwbaarheid nagaan van de geïnformatiseerde gegevens en bewerkingen, door de overlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm.
De sociaal inspecteurs mogen, door middel van het informaticasysteem of elk ander elektronisch apparaat en met de bijstand van de werkgever, zijn aangestelden [1 , zijn lasthebbers of de zelfstandige]1, de betrouwbaarheid nagaan van de geïnformatiseerde gegevens en bewerkingen, door de overlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm.
Art. 33. L'intégrité des données
Les inspecteurs sociaux peuvent vérifier, au moyen du système informatique ou par tout autre appareil électronique et avec l'assistance de l'employeur, de ses préposés [1 , de ses mandataires ou de l'indépendant]1, la fiabilité des données et traitements informatiques, en exigeant la communication de documents spécialement établis en vue de présenter les données enregistrées sur les supports informatiques sous une forme lisible et intelligible.
Les inspecteurs sociaux peuvent vérifier, au moyen du système informatique ou par tout autre appareil électronique et avec l'assistance de l'employeur, de ses préposés [1 , de ses mandataires ou de l'indépendant]1, la fiabilité des données et traitements informatiques, en exigeant la communication de documents spécialement établis en vue de présenter les données enregistrées sur les supports informatiques sous une forme lisible et intelligible.
Wijzigingen
Art. 34. Kopieën
De sociaal inspecteurs mogen kopieën nemen, in welke vorm ook, [1 ongeacht de dragers,]1 van de informatiedragers, bedoeld in de artikelen 28 en 29 of van de gegevens die zij bevatten, of zich deze kosteloos laten verstrekken door de werkgever, zijn aangestelden [1 , zijn lasthebbers of de zelfstandige]1. De sociaal inspecteurs vragen bij voorkeur een elektronische kopie aan de werkgever, zijn aangestelden [1 , zijn lasthebbers of de zelfstandige]1.
Wanneer het informatiedragers bedoeld in artikel 28 betreft die toegankelijk zijn via een informaticasysteem mogen de sociaal inspecteurs, door middel van het informaticasysteem of elk ander elektronisch apparaat en met de bijstand van de werkgever, zijn aangestelden [1 , zijn lasthebbers of de zelfstandige]1, kopieën maken in de door hen gewenste vorm [1 ongeacht de dragers,]1 van het geheel of een deel van voormelde gegevens.
De sociaal inspecteurs mogen kopieën nemen, in welke vorm ook, [1 ongeacht de dragers,]1 van de informatiedragers, bedoeld in de artikelen 28 en 29 of van de gegevens die zij bevatten, of zich deze kosteloos laten verstrekken door de werkgever, zijn aangestelden [1 , zijn lasthebbers of de zelfstandige]1. De sociaal inspecteurs vragen bij voorkeur een elektronische kopie aan de werkgever, zijn aangestelden [1 , zijn lasthebbers of de zelfstandige]1.
Wanneer het informatiedragers bedoeld in artikel 28 betreft die toegankelijk zijn via een informaticasysteem mogen de sociaal inspecteurs, door middel van het informaticasysteem of elk ander elektronisch apparaat en met de bijstand van de werkgever, zijn aangestelden [1 , zijn lasthebbers of de zelfstandige]1, kopieën maken in de door hen gewenste vorm [1 ongeacht de dragers,]1 van het geheel of een deel van voormelde gegevens.
Art. 34. Les copies
Les inspecteurs sociaux peuvent prendre des copies, sous n'importe quelle forme, [1 et quel qu'en soit le support,]1 des supports d'information, visés aux articles 28 et 29 ou des données qu'ils contiennent, ou se les faire fournir sans frais par l'employeur, ses préposés [1 , ses mandataires ou l'indépendant]1. Les inspecteurs sociaux demandent de préférence une copie électronique à l'employeur, à ses préposés [1 , ses mandataires ou l'indépendant]1.
Lorsqu'il s'agit de supports d'information visés à l'article 28 qui sont accessibles par un système informatique, les inspecteurs sociaux peuvent, au moyen du système informatique ou par tout autre appareil électronique et avec l'assistance de l'employeur, de ses préposés [1 , de ses mandataires ou de l'indépendant]1, effectuer des copies, dans la forme qu'ils souhaitent, [1 et quel qu'en soit le support]1 de tout ou partie des données précitées.
Les inspecteurs sociaux peuvent prendre des copies, sous n'importe quelle forme, [1 et quel qu'en soit le support,]1 des supports d'information, visés aux articles 28 et 29 ou des données qu'ils contiennent, ou se les faire fournir sans frais par l'employeur, ses préposés [1 , ses mandataires ou l'indépendant]1. Les inspecteurs sociaux demandent de préférence une copie électronique à l'employeur, à ses préposés [1 , ses mandataires ou l'indépendant]1.
Lorsqu'il s'agit de supports d'information visés à l'article 28 qui sont accessibles par un système informatique, les inspecteurs sociaux peuvent, au moyen du système informatique ou par tout autre appareil électronique et avec l'assistance de l'employeur, de ses préposés [1 , de ses mandataires ou de l'indépendant]1, effectuer des copies, dans la forme qu'ils souhaitent, [1 et quel qu'en soit le support]1 de tout ou partie des données précitées.
Wijzigingen
Art. 35. Beslag en verzegeling
De sociaal inspecteurs kunnen de informatiedragers bedoeld in artikel 28 in beslag nemen of verzegelen, ongeacht of de werkgever, zijn aangestelden [1 , zijn lasthebbers of de zelfstandige]1 al dan niet eigenaar zijn van deze informatiedragers.
Zij beschikken over deze bevoegdheden wanneer dit noodzakelijk is voor de opsporing, voor het onderzoek of voor het leveren van het bewijs van de inbreuken of wanneer het gevaar bestaat dat met deze informatiedragers de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken zullen worden gepleegd.
Wanneer de inbeslagneming materieel onmogelijk is, worden deze gegevens, evenals de gegevens noodzakelijk om deze te kunnen verstaan, gekopieerd op dragers, die toebehoren aan de overheid. In geval van noodgeval of om technische redenen, kan gebruik gemaakt worden van dragers, die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken.
De sociaal inspecteurs kunnen de informatiedragers bedoeld in artikel 28 in beslag nemen of verzegelen, ongeacht of de werkgever, zijn aangestelden [1 , zijn lasthebbers of de zelfstandige]1 al dan niet eigenaar zijn van deze informatiedragers.
Zij beschikken over deze bevoegdheden wanneer dit noodzakelijk is voor de opsporing, voor het onderzoek of voor het leveren van het bewijs van de inbreuken of wanneer het gevaar bestaat dat met deze informatiedragers de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken zullen worden gepleegd.
Wanneer de inbeslagneming materieel onmogelijk is, worden deze gegevens, evenals de gegevens noodzakelijk om deze te kunnen verstaan, gekopieerd op dragers, die toebehoren aan de overheid. In geval van noodgeval of om technische redenen, kan gebruik gemaakt worden van dragers, die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken.
Art. 35. La saisie et la mise sous scellés
Les inspecteurs sociaux peuvent saisir ou mettre sous scellés les supports d'information visés à l'article 28 que l'employeur, ses préposés [1 , ses mandataires ou l'indépendant]1 soient ou non propriétaires de ces supports d'information.
Ils disposent de ces compétences lorsque cela est nécessaire à la recherche, à l'examen ou à l'établissement de la preuve d'infractions ou lorsque le danger existe que les infractions persistent avec ces supports d'information ou que de nouvelles infractions soient commises.
Lorsque la saisie est matériellement impossible, ces données, tout comme les données qui sont nécessaires pour pouvoir les comprendre, sont copiées sur des supports appartenant à l'autorité. En cas d'urgence ou pour des raisons techniques, il peut être fait usage des supports qui sont à la disposition des personnes autorisées à utiliser le système informatique.
Les inspecteurs sociaux peuvent saisir ou mettre sous scellés les supports d'information visés à l'article 28 que l'employeur, ses préposés [1 , ses mandataires ou l'indépendant]1 soient ou non propriétaires de ces supports d'information.
Ils disposent de ces compétences lorsque cela est nécessaire à la recherche, à l'examen ou à l'établissement de la preuve d'infractions ou lorsque le danger existe que les infractions persistent avec ces supports d'information ou que de nouvelles infractions soient commises.
Lorsque la saisie est matériellement impossible, ces données, tout comme les données qui sont nécessaires pour pouvoir les comprendre, sont copiées sur des supports appartenant à l'autorité. En cas d'urgence ou pour des raisons techniques, il peut être fait usage des supports qui sont à la disposition des personnes autorisées à utiliser le système informatique.
Wijzigingen
Art. 36. Vertaling
Wanneer dit nodig is voor het toezicht kunnen de sociaal inspecteurs een vertaling eisen in één van de nationale talen van de gegevens bedoeld in artikel 28 wanneer deze zijn opgesteld in een andere taal dan één van de nationale talen.
Wanneer dit nodig is voor het toezicht kunnen de sociaal inspecteurs een vertaling eisen in één van de nationale talen van de gegevens bedoeld in artikel 28 wanneer deze zijn opgesteld in een andere taal dan één van de nationale talen.
Art. 36. La traduction
Lorsque la surveillance le requiert, les inspecteurs sociaux peuvent exiger une traduction des données visées à l'article 28 dans une des langues nationales, si elles sont établies dans une autre langue qu'une des langues nationales.
Lorsque la surveillance le requiert, les inspecteurs sociaux peuvent exiger une traduction des données visées à l'article 28 dans une des langues nationales, si elles sont établies dans une autre langue qu'une des langues nationales.
Art. 37. Staalname
De sociaal inspecteurs mogen van alle bewerkte of afgewerkte goederen, van producten en stoffen die bewaard, gebruikt of behandeld worden, stalen nemen en meenemen voor ontleding of voor het leveren van het bewijs van de inbreuk, mits de houders van deze goederen, producten en stoffen, de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, daarvan op de hoogte te brengen. In voorkomend geval moeten de houders van deze goederen, producten en stoffen, de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers de verpakkingen leveren die nodig zijn voor het vervoer en het behoud van die stalen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regelen voor het nemen, meenemen en ontleden van deze stalen alsook de voorwaarden en de nadere regelen voor de erkenning van natuurlijke of rechtspersonen bevoegd om de ontledingen uit te voeren.
De sociaal inspecteurs mogen van alle bewerkte of afgewerkte goederen, van producten en stoffen die bewaard, gebruikt of behandeld worden, stalen nemen en meenemen voor ontleding of voor het leveren van het bewijs van de inbreuk, mits de houders van deze goederen, producten en stoffen, de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, daarvan op de hoogte te brengen. In voorkomend geval moeten de houders van deze goederen, producten en stoffen, de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers de verpakkingen leveren die nodig zijn voor het vervoer en het behoud van die stalen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regelen voor het nemen, meenemen en ontleden van deze stalen alsook de voorwaarden en de nadere regelen voor de erkenning van natuurlijke of rechtspersonen bevoegd om de ontledingen uit te voeren.
Art. 37. Le prélèvement d'échantillons
Les inspecteurs sociaux peuvent prélever et emporter des échantillons de toutes matières ouvrées ou achevées, de produits et substances, conservés, utilisés ou manipulés aux fins d'analyse ou pour l'administration de la preuve d'une infraction, pourvu que les détenteurs de ces matières, produits et substances, l'employeur, ses préposés ou mandataires en soient avertis. Le cas échéant, les détenteurs desdits produits, matières et substances, l'employeur, ses préposés ou mandataires, doivent fournir les emballages nécessaires pour le transport et la conservation de ces échantillons. Le Roi détermine les conditions dans lesquelles et les modalités selon lesquelles ces échantillons sont prélevés, emportés et analysés ainsi que les conditions et modalités de l'agréation des personnes, physiques ou morales, compétentes pour exécuter les analyses.
Les inspecteurs sociaux peuvent prélever et emporter des échantillons de toutes matières ouvrées ou achevées, de produits et substances, conservés, utilisés ou manipulés aux fins d'analyse ou pour l'administration de la preuve d'une infraction, pourvu que les détenteurs de ces matières, produits et substances, l'employeur, ses préposés ou mandataires en soient avertis. Le cas échéant, les détenteurs desdits produits, matières et substances, l'employeur, ses préposés ou mandataires, doivent fournir les emballages nécessaires pour le transport et la conservation de ces échantillons. Le Roi détermine les conditions dans lesquelles et les modalités selon lesquelles ces échantillons sont prélevés, emportés et analysés ainsi que les conditions et modalités de l'agréation des personnes, physiques ou morales, compétentes pour exécuter les analyses.
Art. 38. Beslag en verzegeling van andere goederen
De sociaal inspecteurs mogen andere roerende goederen dan informatiedragers, alsmede onroerende goederen, ongeacht of de overtreder al dan niet de eigenaar is van deze goederen, die aan hun toezicht onderworpen zijn of aan de hand waarvan inbreuken kunnen worden vastgesteld op de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen, in beslag nemen of verzegelen wanneer zulks noodzakelijk is voor het leveren van het bewijs van deze inbreuken of het gevaar bestaat dat met deze goederen de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken worden gepleegd.
De sociaal inspecteurs mogen andere roerende goederen dan informatiedragers, alsmede onroerende goederen, ongeacht of de overtreder al dan niet de eigenaar is van deze goederen, die aan hun toezicht onderworpen zijn of aan de hand waarvan inbreuken kunnen worden vastgesteld op de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen, in beslag nemen of verzegelen wanneer zulks noodzakelijk is voor het leveren van het bewijs van deze inbreuken of het gevaar bestaat dat met deze goederen de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken worden gepleegd.
Art. 38. La saisie et la mise sous scellés d'autres biens
Les inspecteurs sociaux peuvent saisir ou mettre sous scellés d'autres biens mobiliers que des supports d'information, ainsi que les biens immobiliers, que le contrevenant en soit propriétaire ou pas, qui sont soumis à leur contrôle ou par lesquels des infractions à la législation dont ils exercent la surveillance peuvent être constatées lorsque cela est nécessaire à l'établissement de la preuve de ces infractions ou lorsque le danger existe qu'avec ces biens, les infractions persistent ou que de nouvelles infractions soient commises.
Les inspecteurs sociaux peuvent saisir ou mettre sous scellés d'autres biens mobiliers que des supports d'information, ainsi que les biens immobiliers, que le contrevenant en soit propriétaire ou pas, qui sont soumis à leur contrôle ou par lesquels des infractions à la législation dont ils exercent la surveillance peuvent être constatées lorsque cela est nécessaire à l'établissement de la preuve de ces infractions ou lorsque le danger existe qu'avec ces biens, les infractions persistent ou que de nouvelles infractions soient commises.
Art. 39. Vaststellingen door beeldmateriaal
§ 1. De sociaal inspecteurs mogen vaststellingen doen door middel van het maken van beeldmateriaal, [1 ongeacht het technisch hulpmiddel of de drager ervan]1.
Zij kunnen eveneens beeldmateriaal van derden gebruiken, voor zover deze personen dit beeldmateriaal rechtmatig hebben gemaakt of verkregen.
§ 2. In bewoonde ruimten mogen de sociaal inspecteurs [1 ...]1 vaststellingen doen door middel van het maken van beeldmateriaal, [1 ongeacht het technisch hulpmiddel of de drager ervan]1, op voorwaarde dat zij hiertoe beschikken over een machtiging uitgereikt door de onderzoeksrechter. Het verzoek dat de sociaal inspecteur aan de onderzoeksrechter richt om die machtiging te krijgen, dient minstens de gegevens te bevatten vermeld in artikel 24, § 2.
Deze machtiging van de onderzoeksrechter is niet vereist wanneer het beeldmateriaal bestemd is om de vaststelling te doen van inbreuken op de wetgeving betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en er zich ingevolge deze inbreuk een arbeidsongeval heeft voorgedaan of zou kunnen voordoen.
§ 3. Voor de toepassing van dit Wetboek gelden de vaststellingen die de sociaal inspecteurs hebben gedaan door middel van het door hen gemaakte beeldmateriaal tot bewijs van het tegendeel, voor zover voldaan is aan de hierna vermelde voorwaarden :
1° de vaststellingen moeten het voorwerp uitmaken van een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk door middel van beeldmateriaal, dat naast de in artikel 64 vermelde gegevens ook nog de volgende gegevens moet bevatten :
- de identiteit van de ambtenaar die het beeldmateriaal heeft gemaakt;
- de dag, de datum, het uur waarop en de exacte beschrijving van de plaats waar het beeldmateriaal is gemaakt;
- de volledige identificatie van het technisch hulpmiddel waarmee het beeldmateriaal is gemaakt;
- een beschrijving van wat op dat beeldmateriaal is te zien, alsmede het verband met de vastgestelde inbreuk;
- wanneer het gaat om een detailopname, een aanduiding op het beeldmateriaal waaruit de schaal blijkt;
[1 - het beeldmateriaal als bijlage bij het proces-verbaal]1;
[1 - wanneer er meerdere beelden of meerdere dragers zijn, een nummering van dit beelden of deze dragers, die eveneens moet voorkomen in de ermee overeenstemmende beschrijving, in het proces-verbaal, van wat op de beelden is te zien]1;
2° [1 ...]1
§ 1. De sociaal inspecteurs mogen vaststellingen doen door middel van het maken van beeldmateriaal, [1 ongeacht het technisch hulpmiddel of de drager ervan]1.
Zij kunnen eveneens beeldmateriaal van derden gebruiken, voor zover deze personen dit beeldmateriaal rechtmatig hebben gemaakt of verkregen.
§ 2. In bewoonde ruimten mogen de sociaal inspecteurs [1 ...]1 vaststellingen doen door middel van het maken van beeldmateriaal, [1 ongeacht het technisch hulpmiddel of de drager ervan]1, op voorwaarde dat zij hiertoe beschikken over een machtiging uitgereikt door de onderzoeksrechter. Het verzoek dat de sociaal inspecteur aan de onderzoeksrechter richt om die machtiging te krijgen, dient minstens de gegevens te bevatten vermeld in artikel 24, § 2.
Deze machtiging van de onderzoeksrechter is niet vereist wanneer het beeldmateriaal bestemd is om de vaststelling te doen van inbreuken op de wetgeving betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en er zich ingevolge deze inbreuk een arbeidsongeval heeft voorgedaan of zou kunnen voordoen.
§ 3. Voor de toepassing van dit Wetboek gelden de vaststellingen die de sociaal inspecteurs hebben gedaan door middel van het door hen gemaakte beeldmateriaal tot bewijs van het tegendeel, voor zover voldaan is aan de hierna vermelde voorwaarden :
1° de vaststellingen moeten het voorwerp uitmaken van een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk door middel van beeldmateriaal, dat naast de in artikel 64 vermelde gegevens ook nog de volgende gegevens moet bevatten :
- de identiteit van de ambtenaar die het beeldmateriaal heeft gemaakt;
- de dag, de datum, het uur waarop en de exacte beschrijving van de plaats waar het beeldmateriaal is gemaakt;
- de volledige identificatie van het technisch hulpmiddel waarmee het beeldmateriaal is gemaakt;
- een beschrijving van wat op dat beeldmateriaal is te zien, alsmede het verband met de vastgestelde inbreuk;
- wanneer het gaat om een detailopname, een aanduiding op het beeldmateriaal waaruit de schaal blijkt;
[1 - het beeldmateriaal als bijlage bij het proces-verbaal]1;
[1 - wanneer er meerdere beelden of meerdere dragers zijn, een nummering van dit beelden of deze dragers, die eveneens moet voorkomen in de ermee overeenstemmende beschrijving, in het proces-verbaal, van wat op de beelden is te zien]1;
2° [1 ...]1
Art. 39. Les constatations par image
§ 1er. Les inspecteurs sociaux peuvent faire des constatations en réalisant des images, [1 quel qu'en soit l'instrument technique ou le support]1.
Ils peuvent également utiliser des images provenant de tiers pour autant que ces personnes ont fait ou obtenu ces images de façon légitime.
§ 2. Dans les espaces habités, les inspecteurs sociaux peuvent [1 ...]1 faire des constatations au moyen d'images, [1 quel qu'en soit l'instrument technique ou le support]1, à la condition de disposer à cet effet d'une autorisation délivrée par le juge d'instruction. La demande d'obtention de cette autorisation adressée par l'inspecteur social au juge d'instruction doit au moins comprendre les données mentionnées dans l'article 24, § 2.
Cette autorisation du juge d'instruction n'est toutefois pas requise lorsque les images sont destinées à constater des infractions à la législation relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et qu'à la suite de cette infraction un accident du travail s'est produit ou pourrait se produire.
§ 3. Servent de preuve pour l'application du présent Code, les constatations faites par les inspecteurs sociaux au moyen des images qu'ils ont faites, et ce jusqu'à preuve du contraire, pour autant qu'il soit satisfait aux conditions mentionnées ci-après :
1° les constatations doivent faire l'objet d'un procès-verbal de constatation d'une infraction faite au moyen d'images qui, outre les données mentionnées dans l'article 64, doit également comprendre les données suivantes :
- l'identité du fonctionnaire ayant réalisé les images;
- le jour, la date, l'heure et la description exacte du lieu où les images ont été réalisées;
- l'identification complète de l'équipement technique ayant permis de réaliser les images;
- une description de ce qui est visible sur les images en question, ainsi que le lien avec l'infraction constatée;
- lorsqu'il s'agit d'une prise de vues d'un détail, une indication sur l'image permettant de déterminer l'échelle;
[1 - l'image en annexe du procès-verbal]1;
[1 - lorsqu'il y a plusieurs images ou supports, une numérotation de ces images ou de ces supports, qui doit également apparaître dans la description correspondante dans le procès-verbal, de ce qui peut être observé sur les images]1;
2° [1 ...]1
§ 1er. Les inspecteurs sociaux peuvent faire des constatations en réalisant des images, [1 quel qu'en soit l'instrument technique ou le support]1.
Ils peuvent également utiliser des images provenant de tiers pour autant que ces personnes ont fait ou obtenu ces images de façon légitime.
§ 2. Dans les espaces habités, les inspecteurs sociaux peuvent [1 ...]1 faire des constatations au moyen d'images, [1 quel qu'en soit l'instrument technique ou le support]1, à la condition de disposer à cet effet d'une autorisation délivrée par le juge d'instruction. La demande d'obtention de cette autorisation adressée par l'inspecteur social au juge d'instruction doit au moins comprendre les données mentionnées dans l'article 24, § 2.
Cette autorisation du juge d'instruction n'est toutefois pas requise lorsque les images sont destinées à constater des infractions à la législation relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et qu'à la suite de cette infraction un accident du travail s'est produit ou pourrait se produire.
§ 3. Servent de preuve pour l'application du présent Code, les constatations faites par les inspecteurs sociaux au moyen des images qu'ils ont faites, et ce jusqu'à preuve du contraire, pour autant qu'il soit satisfait aux conditions mentionnées ci-après :
1° les constatations doivent faire l'objet d'un procès-verbal de constatation d'une infraction faite au moyen d'images qui, outre les données mentionnées dans l'article 64, doit également comprendre les données suivantes :
- l'identité du fonctionnaire ayant réalisé les images;
- le jour, la date, l'heure et la description exacte du lieu où les images ont été réalisées;
- l'identification complète de l'équipement technique ayant permis de réaliser les images;
- une description de ce qui est visible sur les images en question, ainsi que le lien avec l'infraction constatée;
- lorsqu'il s'agit d'une prise de vues d'un détail, une indication sur l'image permettant de déterminer l'échelle;
[1 - l'image en annexe du procès-verbal]1;
[1 - lorsqu'il y a plusieurs images ou supports, une numérotation de ces images ou de ces supports, qui doit également apparaître dans la description correspondante dans le procès-verbal, de ce qui peut être observé sur les images]1;
2° [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 40. De bevoegdheid maatregelen te bevelen
De sociaal inspecteurs mogen :
1° bevelen dat de documenten die moeten worden aangeplakt ingevolge de wetgevingen waarop zij toezicht uitoefenen, daadwerkelijk aangeplakt worden en blijven, binnen een termijn die zij bepalen of zonder uitstel;
2° indien ze zulks nodig achten in het belang van de rechthebbenden van de sociale zekerheid of van hen die er aanspraak op maken, opdracht geven aan de instellingen van sociale zekerheid om aan voormelde personen, binnen de termijn die ze vaststellen, de sociale gegevens van persoonlijke aard mee te delen die op hen betrekking hebben of om, eveneens binnen de termijn die ze vaststellen, de onjuiste, onvolledige, onnauwkeurige of overbodige sociale gegevens die ze bewaren, te verbeteren, uit te wissen of niet te gebruiken.
De sociaal inspecteurs mogen :
1° bevelen dat de documenten die moeten worden aangeplakt ingevolge de wetgevingen waarop zij toezicht uitoefenen, daadwerkelijk aangeplakt worden en blijven, binnen een termijn die zij bepalen of zonder uitstel;
2° indien ze zulks nodig achten in het belang van de rechthebbenden van de sociale zekerheid of van hen die er aanspraak op maken, opdracht geven aan de instellingen van sociale zekerheid om aan voormelde personen, binnen de termijn die ze vaststellen, de sociale gegevens van persoonlijke aard mee te delen die op hen betrekking hebben of om, eveneens binnen de termijn die ze vaststellen, de onjuiste, onvolledige, onnauwkeurige of overbodige sociale gegevens die ze bewaren, te verbeteren, uit te wissen of niet te gebruiken.
Art. 40. Le pouvoir d'ordonner des mesures
Les inspecteurs sociaux peuvent :
1° ordonner que les documents dont l'apposition est prévue par les législations dont ils exercent la surveillance, soient et restent effectivement apposés, dans un délai qu'ils déterminent ou sans délai;
2° s'ils l'estiment nécessaire dans l'intérêt des bénéficiaires de la sécurité sociale ou de ceux qui ont demandé à en bénéficier, enjoindre aux institutions de sécurité sociale de communiquer aux personnes précitées, dans le délai qu'ils fixent, les données sociales à caractère personnel qui les concernent et de corriger ou effacer, également dans le délai qu'ils fixent, ou de n'en pas faire usage, les données sociales inexactes, incomplètes, imprécises ou superflues qu'elles conservent.
Les inspecteurs sociaux peuvent :
1° ordonner que les documents dont l'apposition est prévue par les législations dont ils exercent la surveillance, soient et restent effectivement apposés, dans un délai qu'ils déterminent ou sans délai;
2° s'ils l'estiment nécessaire dans l'intérêt des bénéficiaires de la sécurité sociale ou de ceux qui ont demandé à en bénéficier, enjoindre aux institutions de sécurité sociale de communiquer aux personnes précitées, dans le délai qu'ils fixent, les données sociales à caractère personnel qui les concernent et de corriger ou effacer, également dans le délai qu'ils fixent, ou de n'en pas faire usage, les données sociales inexactes, incomplètes, imprécises ou superflues qu'elles conservent.
Art. 41. Opmaak of overhandiging van documenten
De sociaal inspecteurs mogen, als zij zulks in het belang van de werknemers, de gerechtigden of de sociaal verzekerden nodig achten, elk document opmaken of overhandigen ter vervanging van de documenten bedoeld in de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen.
De sociaal inspecteurs mogen, als zij zulks in het belang van de werknemers, de gerechtigden of de sociaal verzekerden nodig achten, elk document opmaken of overhandigen ter vervanging van de documenten bedoeld in de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen.
Art. 41. L'établissement ou la délivrance de documents
Les inspecteurs sociaux peuvent, s'ils l'estiment nécessaire dans l'intérêt des travailleurs, des bénéficiaires ou des assurés sociaux, établir ou délivrer tout document remplaçant ceux visés par la législation dont ils exercent la surveillance.
Les inspecteurs sociaux peuvent, s'ils l'estiment nécessaire dans l'intérêt des travailleurs, des bénéficiaires ou des assurés sociaux, établir ou délivrer tout document remplaçant ceux visés par la législation dont ils exercent la surveillance.
Art. 42. Vordering tot staking
Een vordering tot staking kan, overeenkomstig [1 boek XVII van het Wetboek van economisch recht]1, worden ingesteld bij de voorzitter van de [2 ondernemingsrechtbank]2 door de leidende ambtenaar van de inspectiedienst die voor de bedoelde bepalingen bevoegd is.
Een vordering tot staking kan, overeenkomstig [1 boek XVII van het Wetboek van economisch recht]1, worden ingesteld bij de voorzitter van de [2 ondernemingsrechtbank]2 door de leidende ambtenaar van de inspectiedienst die voor de bedoelde bepalingen bevoegd is.
Art. 42. L'action en cessation
Une action en cessation peut, conformément [1 au livre XVII du Code de droit économique]1, être introduite auprès du président du [2 tribunal de l'entreprise]2 par le fonctionnaire dirigeant le service d'inspection compétent pour les dispositions visées.
Une action en cessation peut, conformément [1 au livre XVII du Code de droit économique]1, être introduite auprès du président du [2 tribunal de l'entreprise]2 par le fonctionnaire dirigeant le service d'inspection compétent pour les dispositions visées.
Afdeling 2/1. [1 - Bijzondere bevoegdheden van de sociaal inspecteurs op het vlak van de vaststellingen inzake discriminatie]1
Section 2/1. [1 - Les pouvoirs spécifiques des inspecteurs sociaux en matière de constatations relatives à la discrimination]1
Art. 42/1. [1 Bijzondere bevoegdheid inzake discriminatie
§ 1. Met het oog op het opsporen en vaststellen van inbreuken op de antidiscriminatiewetgeving en zijn uitvoeringsbesluiten, hebben de sociaal inspecteurs de bevoegdheid om, [2 bij objectieve aanwijzingen van discriminatie, of na een onderbouwde klacht of een melding of op basis van resultaten van datamining en datamatching]2, zich voor te doen als klanten, potentiële klanten, werknemers of potentiële werknemers om na te gaan of op grond van een wettelijk beschermd criterium gediscrimineerd werd of wordt.
§ 2. Onverminderd paragraaf 3 is het de sociaal inspecteurs, belast met de uitvoering van de bijzondere bevoegdheid inzake discriminatie zoals bedoeld in paragraaf 1, verboden in het kader van hun opdracht strafbare feiten te plegen.
§ 3. [3 Plegen geen strafbaar feit]3, de sociaal inspecteurs die, in het kader van hun opdracht en met het oog op het welslagen ervan of ter verzekering van hun eigen veiligheid, strikt noodzakelijke strafbare feiten plegen met het uitdrukkelijk en voorafgaand akkoord van de arbeidsauditeur of de procureur des Konings.
Die strafbare feiten [3 ...]3 moeten noodzakelijkerwijs evenredig zijn met het nagestreefde doel.
[3 Pleegt geen strafbaar feit]3 de magistraat die machtiging verleent aan een sociaal inspecteur tot het plegen van strafbare feiten in het kader van de uitoefening van de bijzondere bevoegdheid inzake discriminatie zoals bedoeld in paragraaf 1.
§ 4. De uitoefening van de bijzondere bevoegdheid inzake discriminatie zoals bedoeld in § 1 kan slechts gebeuren na een schriftelijk en voorafgaand akkoord van de arbeidsauditeur of de procureur des Konings. Dit akkoord heeft eveneens betrekking op de strikt noodzakelijke strafbare feiten en de machtiging daartoe, zoals bedoeld in § 3.
Alle acties ondernomen tijdens de opsporing en de resultaten ervan worden opgetekend in een verslag en worden meegedeeld aan de arbeidsauditeur of de procureur des Konings.
§ 5. De betrokken persoon of personen waarbij vaststellingen worden gedaan, mogen niet worden geprovoceerd in de zin van het artikel 30 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.
De opsporingsmethode moet zich beperken tot het creëren van de gelegenheid om een discriminerende praktijk aan het licht te brengen. Deze bevoegdheid kan enkel worden uitgeoefend indien het voor de uitoefening van het toezicht noodzakelijk is om de reële omstandigheden die gelden voor gewone klanten, potentiële klanten, werknemers of potentiele werknemers te kunnen vaststellen [4 en indien deze vaststellingen, rekening houdend met het proportionaliteitsbeginsel, niet op een andere manier kunnen gebeuren]4. Zij mag niet tot gevolg hebben dat een discriminerende praktijk gecreëerd wordt terwijl er geen ernstige aanwijzing was van praktijken die men kan bestempelen als directe of indirecte discriminatie.]1
[5 § 6. De sociaal inspecteur kan, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit bepaalt, in het kader van de opdrachten die hem door dit artikel worden toevertrouwd kortstondig een beroep doen op een persoon die niet tot de inspectiediensten behoort indien zulks kennelijk noodzakelijk is voor het welslagen van zijn opdracht.
De in het eerste lid bedoelde persoon die niet tot de inspectiediensten behoort is onderworpen aan de bepalingen van paragraaf 5.]5
§ 1. Met het oog op het opsporen en vaststellen van inbreuken op de antidiscriminatiewetgeving en zijn uitvoeringsbesluiten, hebben de sociaal inspecteurs de bevoegdheid om, [2 bij objectieve aanwijzingen van discriminatie, of na een onderbouwde klacht of een melding of op basis van resultaten van datamining en datamatching]2, zich voor te doen als klanten, potentiële klanten, werknemers of potentiële werknemers om na te gaan of op grond van een wettelijk beschermd criterium gediscrimineerd werd of wordt.
§ 2. Onverminderd paragraaf 3 is het de sociaal inspecteurs, belast met de uitvoering van de bijzondere bevoegdheid inzake discriminatie zoals bedoeld in paragraaf 1, verboden in het kader van hun opdracht strafbare feiten te plegen.
§ 3. [3 Plegen geen strafbaar feit]3, de sociaal inspecteurs die, in het kader van hun opdracht en met het oog op het welslagen ervan of ter verzekering van hun eigen veiligheid, strikt noodzakelijke strafbare feiten plegen met het uitdrukkelijk en voorafgaand akkoord van de arbeidsauditeur of de procureur des Konings.
Die strafbare feiten [3 ...]3 moeten noodzakelijkerwijs evenredig zijn met het nagestreefde doel.
[3 Pleegt geen strafbaar feit]3 de magistraat die machtiging verleent aan een sociaal inspecteur tot het plegen van strafbare feiten in het kader van de uitoefening van de bijzondere bevoegdheid inzake discriminatie zoals bedoeld in paragraaf 1.
§ 4. De uitoefening van de bijzondere bevoegdheid inzake discriminatie zoals bedoeld in § 1 kan slechts gebeuren na een schriftelijk en voorafgaand akkoord van de arbeidsauditeur of de procureur des Konings. Dit akkoord heeft eveneens betrekking op de strikt noodzakelijke strafbare feiten en de machtiging daartoe, zoals bedoeld in § 3.
Alle acties ondernomen tijdens de opsporing en de resultaten ervan worden opgetekend in een verslag en worden meegedeeld aan de arbeidsauditeur of de procureur des Konings.
§ 5. De betrokken persoon of personen waarbij vaststellingen worden gedaan, mogen niet worden geprovoceerd in de zin van het artikel 30 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.
De opsporingsmethode moet zich beperken tot het creëren van de gelegenheid om een discriminerende praktijk aan het licht te brengen. Deze bevoegdheid kan enkel worden uitgeoefend indien het voor de uitoefening van het toezicht noodzakelijk is om de reële omstandigheden die gelden voor gewone klanten, potentiële klanten, werknemers of potentiele werknemers te kunnen vaststellen [4 en indien deze vaststellingen, rekening houdend met het proportionaliteitsbeginsel, niet op een andere manier kunnen gebeuren]4. Zij mag niet tot gevolg hebben dat een discriminerende praktijk gecreëerd wordt terwijl er geen ernstige aanwijzing was van praktijken die men kan bestempelen als directe of indirecte discriminatie.]1
[5 § 6. De sociaal inspecteur kan, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit bepaalt, in het kader van de opdrachten die hem door dit artikel worden toevertrouwd kortstondig een beroep doen op een persoon die niet tot de inspectiediensten behoort indien zulks kennelijk noodzakelijk is voor het welslagen van zijn opdracht.
De in het eerste lid bedoelde persoon die niet tot de inspectiediensten behoort is onderworpen aan de bepalingen van paragraaf 5.]5
Wijzigingen
Art. 42/1. [1 Les pouvoirs particuliers en matière de discrimination
§ 1er. En vue de la recherche et de la constatation des infractions relatives à la législation antidiscrimination et à ses arrêtés d'exécution, les inspecteurs sociaux ont le pouvoir [2 en présence d'indications objectives de discrimination, ou à la suite d'une plainte étayée ou d'un signalement ou sur la base de résultats de datamining et de datamatching]2, de se présenter comme des clients, des clients potentiels, des travailleurs ou des travailleurs potentiels, pour vérifier si une discrimination fondée sur un critère protégé légalement a été ou est commise.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 3, il est interdit aux inspecteurs sociaux chargés d'exécuter les pouvoirs particuliers en matière de discrimination visés au § 1er, de commettre des faits punissables dans le cadre de leur mission.
§ 3. [3 Ne commettent pas d'infraction]3, les inspecteurs sociaux qui, dans le cadre de leur mission et en vue de la réussite de celle-ci ou afin de garantir leur propre sécurité, commettent des faits punissables absolument nécessaires avec l'accord exprès et préalable de l'auditeur du travail ou du procureur du Roi.
Ces faits punissables [3 ...]3 doivent être nécessairement proportionnels à l'objectif visé.
Le magistrat qui autorise un inspecteur social à commettre des faits punissables dans le cadre de l'exécution des pouvoirs particuliers en matière de discrimination visés au paragraphe 1er, [3 ne commet pas d'infraction]3.
§ 4. Il ne peut être procédé à l'exécution des pouvoirs particuliers en matière de discrimination visés au § 1er, qu'après l'accord préalable et écrit de l'auditeur du travail ou du procureur du Roi. Cet accord a trait également aux faits punissables absolument nécessaires et à l'autorisation de ceux-ci, comme visés au § 3.
Toutes les actions entreprises lors de la recherche et leurs résultats doivent être consignés dans un rapport et communiqués à l'auditeur du travail ou au procureur du Roi.
§ 5. La personne ou les personnes concernées faisant l'objet des constatations ne peuvent pas être provoquées au sens de l'article 30 du titre préliminaire du Code d'Instruction criminelle.
La méthode de recherche doit se limiter à créer l'occasion de mettre à jour une pratique discriminatoire. Ce pouvoir peut uniquement être exercé s'il est nécessaire à l'exercice de la surveillance afin de pouvoir constater les circonstances qui sont d'application pour des clients habituels, des clients potentiels, des travailleurs ou des travailleurs potentiels [4 et si ces constats ne peuvent, compte tenu du principe de proportionnalité, être faits par d'autres moyens]4. Il ne peut pas avoir pour effet de créer une pratique discriminatoire alors qu'il n'y avait aucun indice sérieux de pratiques qu'on puisse qualifier de discrimination directe ou indirecte.]1
[5 § 6. Aux conditions et suivant les modalités fixées par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, l'inspecteur social peut dans le cadre des missions qui lui sont confiées par le présent article, momentanément faire appel à une personne qui ne fait pas partie des services d'inspection si cela s'avère nécessaire à la réussite de sa mission.
La personne qui ne fait pas partie des services d'inspection visée à l'alinéa 1er est soumise aux dispositions du paragraphe 5.]5
§ 1er. En vue de la recherche et de la constatation des infractions relatives à la législation antidiscrimination et à ses arrêtés d'exécution, les inspecteurs sociaux ont le pouvoir [2 en présence d'indications objectives de discrimination, ou à la suite d'une plainte étayée ou d'un signalement ou sur la base de résultats de datamining et de datamatching]2, de se présenter comme des clients, des clients potentiels, des travailleurs ou des travailleurs potentiels, pour vérifier si une discrimination fondée sur un critère protégé légalement a été ou est commise.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 3, il est interdit aux inspecteurs sociaux chargés d'exécuter les pouvoirs particuliers en matière de discrimination visés au § 1er, de commettre des faits punissables dans le cadre de leur mission.
§ 3. [3 Ne commettent pas d'infraction]3, les inspecteurs sociaux qui, dans le cadre de leur mission et en vue de la réussite de celle-ci ou afin de garantir leur propre sécurité, commettent des faits punissables absolument nécessaires avec l'accord exprès et préalable de l'auditeur du travail ou du procureur du Roi.
Ces faits punissables [3 ...]3 doivent être nécessairement proportionnels à l'objectif visé.
Le magistrat qui autorise un inspecteur social à commettre des faits punissables dans le cadre de l'exécution des pouvoirs particuliers en matière de discrimination visés au paragraphe 1er, [3 ne commet pas d'infraction]3.
§ 4. Il ne peut être procédé à l'exécution des pouvoirs particuliers en matière de discrimination visés au § 1er, qu'après l'accord préalable et écrit de l'auditeur du travail ou du procureur du Roi. Cet accord a trait également aux faits punissables absolument nécessaires et à l'autorisation de ceux-ci, comme visés au § 3.
Toutes les actions entreprises lors de la recherche et leurs résultats doivent être consignés dans un rapport et communiqués à l'auditeur du travail ou au procureur du Roi.
§ 5. La personne ou les personnes concernées faisant l'objet des constatations ne peuvent pas être provoquées au sens de l'article 30 du titre préliminaire du Code d'Instruction criminelle.
La méthode de recherche doit se limiter à créer l'occasion de mettre à jour une pratique discriminatoire. Ce pouvoir peut uniquement être exercé s'il est nécessaire à l'exercice de la surveillance afin de pouvoir constater les circonstances qui sont d'application pour des clients habituels, des clients potentiels, des travailleurs ou des travailleurs potentiels [4 et si ces constats ne peuvent, compte tenu du principe de proportionnalité, être faits par d'autres moyens]4. Il ne peut pas avoir pour effet de créer une pratique discriminatoire alors qu'il n'y avait aucun indice sérieux de pratiques qu'on puisse qualifier de discrimination directe ou indirecte.]1
[5 § 6. Aux conditions et suivant les modalités fixées par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, l'inspecteur social peut dans le cadre des missions qui lui sont confiées par le présent article, momentanément faire appel à une personne qui ne fait pas partie des services d'inspection si cela s'avère nécessaire à la réussite de sa mission.
La personne qui ne fait pas partie des services d'inspection visée à l'alinéa 1er est soumise aux dispositions du paragraphe 5.]5
Wijzigingen
Art. 42/2. [2 Bevoegdheden inzake discriminatie, in geval van daden die, zonder strafbaar te zijn, verboden zijn]2
[1 De sociaal inspecteurs die belast zijn met het toezicht op de antidiscriminatiewetgeving en haar uitvoeringsbesluiten, zijn eveneens bevoegd voor het opsporen en het vaststellen van daden die, zonder strafbaar te zijn, verboden zijn door deze wetgeving.]1
[1 De sociaal inspecteurs die belast zijn met het toezicht op de antidiscriminatiewetgeving en haar uitvoeringsbesluiten, zijn eveneens bevoegd voor het opsporen en het vaststellen van daden die, zonder strafbaar te zijn, verboden zijn door deze wetgeving.]1
Art. 42/2. [2 Les pouvoirs en matière de discrimination, en cas d'actes qui, sans être punissables pénalement, sont interdits]2
[1 Les inspecteurs sociaux chargés de la surveillance de la législation anti-discrimination et de ses arrêtés d'exécution sont également compétents pour la recherche et la constatation d'actes qui, sans être punissables pénalement, sont interdits par ces lois.]1
[1 Les inspecteurs sociaux chargés de la surveillance de la législation anti-discrimination et de ses arrêtés d'exécution sont également compétents pour la recherche et la constatation d'actes qui, sans être punissables pénalement, sont interdits par ces lois.]1
Afdeling 3. - De bevoegdheden van de sociaal inspecteurs op het vlak van gezondheid en veiligheid van de werknemers in het bijzonder
Section 3. - Les pouvoirs des inspecteurs sociaux en matière de santé et de sécurité des travailleurs en particulier
Art. 43. Passende preventiemaatregelen
De sociaal inspecteurs zijn bevoegd om de passende maatregelen voor te schrijven waarmee de gevaren voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers op de arbeidsplaatsen of andere plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn, kunnen worden voorkomen en waarmee de gebreken of vormen van hinder die zij vaststellen en als een gevaar voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers beschouwen, kunnen worden bestreden of weggewerkt.
De sociaal inspecteurs mogen tijdens de uitoefening van hun opdracht bevelen dat, met het oog op het voorkomen van de gevaren en het verhelpen van de in het eerste lid bedoelde gebreken of vormen van hinder, de nodige wijzigingen worden aangebracht binnen een termijn die zij bepalen, of zonder uitstel indien het vastgestelde gevaar hun dreigend lijkt.
De sociaal inspecteurs zijn bevoegd om de passende maatregelen voor te schrijven waarmee de gevaren voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers op de arbeidsplaatsen of andere plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn, kunnen worden voorkomen en waarmee de gebreken of vormen van hinder die zij vaststellen en als een gevaar voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers beschouwen, kunnen worden bestreden of weggewerkt.
De sociaal inspecteurs mogen tijdens de uitoefening van hun opdracht bevelen dat, met het oog op het voorkomen van de gevaren en het verhelpen van de in het eerste lid bedoelde gebreken of vormen van hinder, de nodige wijzigingen worden aangebracht binnen een termijn die zij bepalen, of zonder uitstel indien het vastgestelde gevaar hun dreigend lijkt.
Art. 43. Les mesures de prévention adéquates
Les inspecteurs sociaux sont compétents pour prescrire les mesures adéquates en vue de prévenir les menaces pour la santé ou la sécurité des travailleurs sur les lieux de travail ou autres lieux soumis à leur contrôle et en vue de combattre ou d'éliminer les défectuosités ou les nuisances qu'ils constatent et qu'ils considèrent comme une menace pour la santé ou la sécurité des travailleurs.
Les inspecteurs sociaux peuvent, dans l'exercice de leur mission, ordonner que, pour prévenir ces menaces et remédier aux défectuosités ou nuisances visées à l'alinéa 1er, les modifications nécessaires soient apportées dans un délai qu'ils déterminent, ou sans délai si le danger qu'ils constatent leur apparaît comme imminent.
Les inspecteurs sociaux sont compétents pour prescrire les mesures adéquates en vue de prévenir les menaces pour la santé ou la sécurité des travailleurs sur les lieux de travail ou autres lieux soumis à leur contrôle et en vue de combattre ou d'éliminer les défectuosités ou les nuisances qu'ils constatent et qu'ils considèrent comme une menace pour la santé ou la sécurité des travailleurs.
Les inspecteurs sociaux peuvent, dans l'exercice de leur mission, ordonner que, pour prévenir ces menaces et remédier aux défectuosités ou nuisances visées à l'alinéa 1er, les modifications nécessaires soient apportées dans un délai qu'ils déterminent, ou sans délai si le danger qu'ils constatent leur apparaît comme imminent.
Art. 44. Specifieke verboden
De sociaal inspecteurs mogen, wanneer de gezondheid of de veiligheid van de werknemers zulks vereist, tijdelijk of definitief verbod opleggen om :
1° aanwezig te zijn op een arbeidsplaats of op een andere plaats die aan hun toezicht onderworpen is, dan wel de toegang daartoe aan alle of aan bepaalde werknemers te verlenen;
2° gebruik te maken van enigerlei uitrustingen, installaties, machines of materieel of die in gebruik te houden;
3° bepaalde gevaarlijke stoffen of preparaten, de bronnen van risico's voor infectie, aan te wenden;
4° bepaalde productieprocessen toe te passen dan wel bepaalde gevaarlijke producten of afvalstoffen te bewaren;
5° incorrecte methoden te gebruiken voor identificatie van risico's die aan gevaarlijke stoffen, preparaten of afvalstoffen te wijten zijn.
De sociaal inspecteurs mogen, wanneer de gezondheid of de veiligheid van de werknemers zulks vereist, tijdelijk of definitief verbod opleggen om :
1° aanwezig te zijn op een arbeidsplaats of op een andere plaats die aan hun toezicht onderworpen is, dan wel de toegang daartoe aan alle of aan bepaalde werknemers te verlenen;
2° gebruik te maken van enigerlei uitrustingen, installaties, machines of materieel of die in gebruik te houden;
3° bepaalde gevaarlijke stoffen of preparaten, de bronnen van risico's voor infectie, aan te wenden;
4° bepaalde productieprocessen toe te passen dan wel bepaalde gevaarlijke producten of afvalstoffen te bewaren;
5° incorrecte methoden te gebruiken voor identificatie van risico's die aan gevaarlijke stoffen, preparaten of afvalstoffen te wijten zijn.
Art. 44. Les interdictions particulières
Si la santé ou la sécurité des travailleurs l'exige, les inspecteurs sociaux peuvent interdire temporairement ou définitivement :
1° d'occuper un lieu de travail ou un autre lieu soumis à leur contrôle ou de donner l'accès à ces lieux à tous les travailleurs ou à certains de ceux-ci;
2° d'utiliser ou de maintenir en service des équipements, des installations, des machines ou un matériel quelconques;
3° de mettre en oeuvre certaines substances ou préparations dangereuses, les sources de risques d'infection;
4° d'appliquer certains processus de production ou de conserver certains produits ou déchets dangereux;
5° d'utiliser des méthodes incorrectes d'identification de risques dus à des substances, préparations ou déchets dangereux.
Si la santé ou la sécurité des travailleurs l'exige, les inspecteurs sociaux peuvent interdire temporairement ou définitivement :
1° d'occuper un lieu de travail ou un autre lieu soumis à leur contrôle ou de donner l'accès à ces lieux à tous les travailleurs ou à certains de ceux-ci;
2° d'utiliser ou de maintenir en service des équipements, des installations, des machines ou un matériel quelconques;
3° de mettre en oeuvre certaines substances ou préparations dangereuses, les sources de risques d'infection;
4° d'appliquer certains processus de production ou de conserver certains produits ou déchets dangereux;
5° d'utiliser des méthodes incorrectes d'identification de risques dus à des substances, préparations ou déchets dangereux.
Art. 45. Bevel om bijzondere maatregelen in te voeren
§ 1. De sociaal inspecteurs mogen bevelen om organisatorische maatregelen te treffen met betrekking tot de interne diensten voor preventie en bescherming op het werk, die opgericht moeten worden met toepassing van de reglementering inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, wanneer zij vaststellen dat de organisatorische maatregelen die moeten getroffen worden in het kader van deze reglementering niet of slechts gedeeltelijk zijn getroffen en hierdoor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers onmiddellijk of op termijn in gevaar kan worden gebracht.
Zij mogen de termijn bepalen waarbinnen de organisatorische maatregelen moeten worden getroffen.
§ 2. De sociaal inspecteurs mogen bevelen om maatregelen te treffen, organisatorische maatregelen inbegrepen, die door preventieadviseurs van interne of externe diensten voor preventie en bescherming op het werk aan de werkgevers zijn aanbevolen om de veiligheid of de gezondheid van de werknemers te waarborgen, wanneer zij vaststellen dat deze werkgevers de aanbevolen maatregelen niet of slechts gedeeltelijk treffen en indien zij ingevolge deze onthouding, de reglementering inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk overtreden.
Zij mogen eveneens bevelen om alternatieve maatregelen te treffen die tot een resultaat leiden dat ten minste evenwaardig is wat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers betreft.
Zij mogen de termijn bepalen waarbinnen de organisatorische maatregelen moeten worden getroffen.
§ 3. De sociaal inspecteurs mogen bevelen om maatregelen te treffen, organisatorische maatregelen inbegrepen, wanneer zij vaststellen dat de werkgever geen interne dienst voor preventie en bescherming op het werk heeft opgericht of geen beroep doet op een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk terwijl hij hiertoe verplicht was en deze nalatigheid de veiligheid of de gezondheid van de werknemers in het gedrang brengt.
Zij kunnen, vooraleer die maatregelen te bevelen, aan de werkgever de verplichting opleggen een interne dienst voor preventie en bescherming op het werk op te richten of een beroep te doen op een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, binnen de termijn die zij bepalen.
[1 § 4. De sociaal inspecteurs mogen bevelen om concrete preventiemaatregelen te treffen, organisatorische maatregelen inbegrepen, die door een verzekeringsonderneming of een preventie-instituut voorgesteld zijn in een actieplan met concrete preventiemaatregelen teneinde een herhaling van arbeidsongevallen die aanleiding hebben gegeven tot de toepassing van het koninklijk besluit van 23 december 2008 tot uitvoering van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 in verband met de onevenredig verzwaarde risico's, te voorkomen, wanneer zij vaststellen dat de werkgever de in dit actieplan voorgestelde concrete preventiemaatregelen niet of slechts gedeeltelijk uitvoert, en dat hij, ingevolge deze nalatigheid, de reglementering i.v.m. het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk overtreedt.]1
§ 1. De sociaal inspecteurs mogen bevelen om organisatorische maatregelen te treffen met betrekking tot de interne diensten voor preventie en bescherming op het werk, die opgericht moeten worden met toepassing van de reglementering inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, wanneer zij vaststellen dat de organisatorische maatregelen die moeten getroffen worden in het kader van deze reglementering niet of slechts gedeeltelijk zijn getroffen en hierdoor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers onmiddellijk of op termijn in gevaar kan worden gebracht.
Zij mogen de termijn bepalen waarbinnen de organisatorische maatregelen moeten worden getroffen.
§ 2. De sociaal inspecteurs mogen bevelen om maatregelen te treffen, organisatorische maatregelen inbegrepen, die door preventieadviseurs van interne of externe diensten voor preventie en bescherming op het werk aan de werkgevers zijn aanbevolen om de veiligheid of de gezondheid van de werknemers te waarborgen, wanneer zij vaststellen dat deze werkgevers de aanbevolen maatregelen niet of slechts gedeeltelijk treffen en indien zij ingevolge deze onthouding, de reglementering inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk overtreden.
Zij mogen eveneens bevelen om alternatieve maatregelen te treffen die tot een resultaat leiden dat ten minste evenwaardig is wat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers betreft.
Zij mogen de termijn bepalen waarbinnen de organisatorische maatregelen moeten worden getroffen.
§ 3. De sociaal inspecteurs mogen bevelen om maatregelen te treffen, organisatorische maatregelen inbegrepen, wanneer zij vaststellen dat de werkgever geen interne dienst voor preventie en bescherming op het werk heeft opgericht of geen beroep doet op een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk terwijl hij hiertoe verplicht was en deze nalatigheid de veiligheid of de gezondheid van de werknemers in het gedrang brengt.
Zij kunnen, vooraleer die maatregelen te bevelen, aan de werkgever de verplichting opleggen een interne dienst voor preventie en bescherming op het werk op te richten of een beroep te doen op een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, binnen de termijn die zij bepalen.
[1 § 4. De sociaal inspecteurs mogen bevelen om concrete preventiemaatregelen te treffen, organisatorische maatregelen inbegrepen, die door een verzekeringsonderneming of een preventie-instituut voorgesteld zijn in een actieplan met concrete preventiemaatregelen teneinde een herhaling van arbeidsongevallen die aanleiding hebben gegeven tot de toepassing van het koninklijk besluit van 23 december 2008 tot uitvoering van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 in verband met de onevenredig verzwaarde risico's, te voorkomen, wanneer zij vaststellen dat de werkgever de in dit actieplan voorgestelde concrete preventiemaatregelen niet of slechts gedeeltelijk uitvoert, en dat hij, ingevolge deze nalatigheid, de reglementering i.v.m. het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk overtreedt.]1
Art. 45. L'ordre d'adopter des mesures particulières
§ 1er. Les inspecteurs sociaux peuvent ordonner de prendre des mesures organisationnelles concernant les services internes de prévention et de protection au travail, qui doivent être institués en application de la réglementation en matière du bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, lorsqu'ils constatent que les mesures organisationnelles qui doivent être prises dans le cadre de cette réglementation, ne sont pas prises ou ne le sont que partiellement et que, par conséquent, la sécurité ou la santé des travailleurs peut immédiatement ou à terme être mises en danger.
Ils peuvent fixer le délai dans lequel les mesures organisationnelles doivent être prises.
§ 2. Les inspecteurs sociaux peuvent ordonner de prendre des mesures, mesures organisationnelles y comprises, qui sont recommandées aux employeurs par des conseillers en prévention de services internes ou externes de prévention et de protection au travail afin de garantir la sécurité ou la santé des travailleurs, lorsqu'ils constatent que ces employeurs ne prennent pas ces mesures ou qu'ils ne les prennent que partiellement et lorsqu'en raison de cette abstention, ils contreviennent à la réglementation en matière de bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail.
Ils peuvent également ordonner de prendre des mesures alternatives, conduisant à un résultat au moins équivalent en ce qui concerne la sécurité et la santé des travailleurs.
Ils peuvent fixer le délai dans lequel les mesures organisationnelles doivent être prises.
§ 3. Les inspecteurs sociaux peuvent ordonner de prendre des mesures, mesures organisationnelles y comprises, lorsqu'ils constatent que l'employeur n'a pas institué de service interne de prévention et de protection au travail ou qu'il ne fait pas appel à un service externe de prévention et de protection au travail alors qu'il y était obligé et que ce manquement met la sécurité ou la santé des travailleurs en danger.
Avant d'ordonner ces mesures, ils peuvent obliger l'employeur à créer un service interne de prévention et de protection au travail ou à faire appel à un service externe pour la prévention et la protection au travail dans le délai qu'ils déterminent.
[1 § 4. Les inspecteurs sociaux peuvent ordonner de prendre des mesures concrètes de prévention, mesures organisationnelles y comprises, qui sont proposées par une entreprise d'assurances ou un institut de prévention dans un plan d'action incluant des mesures concrètes de prévention à prendre afin de prévenir la répétition d'accidents du travail qui ont donné lieu à l'application de l'arrêté royal du 23 décembre 2008 portant exécution de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail en matière de risques aggravés de manière disproportionnée, lorsqu'ils constatent que l'employeur ne met pas en oeuvre les mesures concrètes de prévention proposées dans ce plan d'action ou qu'il ne les met en oeuvre que partiellement, et qu'en raison de cette abstention, il contrevient à la réglementation en matière de bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail.]1
§ 1er. Les inspecteurs sociaux peuvent ordonner de prendre des mesures organisationnelles concernant les services internes de prévention et de protection au travail, qui doivent être institués en application de la réglementation en matière du bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, lorsqu'ils constatent que les mesures organisationnelles qui doivent être prises dans le cadre de cette réglementation, ne sont pas prises ou ne le sont que partiellement et que, par conséquent, la sécurité ou la santé des travailleurs peut immédiatement ou à terme être mises en danger.
Ils peuvent fixer le délai dans lequel les mesures organisationnelles doivent être prises.
§ 2. Les inspecteurs sociaux peuvent ordonner de prendre des mesures, mesures organisationnelles y comprises, qui sont recommandées aux employeurs par des conseillers en prévention de services internes ou externes de prévention et de protection au travail afin de garantir la sécurité ou la santé des travailleurs, lorsqu'ils constatent que ces employeurs ne prennent pas ces mesures ou qu'ils ne les prennent que partiellement et lorsqu'en raison de cette abstention, ils contreviennent à la réglementation en matière de bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail.
Ils peuvent également ordonner de prendre des mesures alternatives, conduisant à un résultat au moins équivalent en ce qui concerne la sécurité et la santé des travailleurs.
Ils peuvent fixer le délai dans lequel les mesures organisationnelles doivent être prises.
§ 3. Les inspecteurs sociaux peuvent ordonner de prendre des mesures, mesures organisationnelles y comprises, lorsqu'ils constatent que l'employeur n'a pas institué de service interne de prévention et de protection au travail ou qu'il ne fait pas appel à un service externe de prévention et de protection au travail alors qu'il y était obligé et que ce manquement met la sécurité ou la santé des travailleurs en danger.
Avant d'ordonner ces mesures, ils peuvent obliger l'employeur à créer un service interne de prévention et de protection au travail ou à faire appel à un service externe pour la prévention et la protection au travail dans le délai qu'ils déterminent.
[1 § 4. Les inspecteurs sociaux peuvent ordonner de prendre des mesures concrètes de prévention, mesures organisationnelles y comprises, qui sont proposées par une entreprise d'assurances ou un institut de prévention dans un plan d'action incluant des mesures concrètes de prévention à prendre afin de prévenir la répétition d'accidents du travail qui ont donné lieu à l'application de l'arrêté royal du 23 décembre 2008 portant exécution de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail en matière de risques aggravés de manière disproportionnée, lorsqu'ils constatent que l'employeur ne met pas en oeuvre les mesures concrètes de prévention proposées dans ce plan d'action ou qu'il ne les met en oeuvre que partiellement, et qu'en raison de cette abstention, il contrevient à la réglementation en matière de bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail.]1
Wijzigingen
Art. 46. Bevel tot stopzetting van de arbeid
De sociaal inspecteurs mogen :
1° de stopzetting bevelen van iedere arbeid in een arbeidsplaats of op een andere plaats die aan hun toezicht onderworpen is, wanneer de gezondheid of de veiligheid van de werknemers zulks vereist;
2° de stopzetting bevelen van iedere arbeid waarvoor, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen, organisatorische maatregelen moeten worden getroffen, wanneer deze maatregelen niet werden getroffen en hierdoor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers onmiddellijk of op termijn in gevaar kunnen worden gebracht.
Deze stopzetting wordt bevolen in afwachting dat de personen die hiertoe verplicht zijn, de bedoelde maatregelen hebben genomen.
De sociaal inspecteurs mogen :
1° de stopzetting bevelen van iedere arbeid in een arbeidsplaats of op een andere plaats die aan hun toezicht onderworpen is, wanneer de gezondheid of de veiligheid van de werknemers zulks vereist;
2° de stopzetting bevelen van iedere arbeid waarvoor, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen, organisatorische maatregelen moeten worden getroffen, wanneer deze maatregelen niet werden getroffen en hierdoor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers onmiddellijk of op termijn in gevaar kunnen worden gebracht.
Deze stopzetting wordt bevolen in afwachting dat de personen die hiertoe verplicht zijn, de bedoelde maatregelen hebben genomen.
Art. 46. L'ordre de cessation du travail
Les inspecteurs sociaux peuvent :
1° ordonner la cessation de tout travail sur un lieu de travail ou sur un autre lieu soumis à leur contrôle, si la santé ou la sécurité des travailleurs l'exige;
2° ordonner la cessation de tout travail pour lequel, conformément à la réglementation applicable sous leur surveillance, des mesures organisationnelles doivent être prises, lorsque ces mesures n'ont pas été prises et que, par conséquent, la sécurité ou la santé des travailleurs peuvent immédiatement ou à terme être mises en danger.
Cette cessation est ordonnée en attendant que les personnes tenues à ces obligations aient pris ces mesures.
Les inspecteurs sociaux peuvent :
1° ordonner la cessation de tout travail sur un lieu de travail ou sur un autre lieu soumis à leur contrôle, si la santé ou la sécurité des travailleurs l'exige;
2° ordonner la cessation de tout travail pour lequel, conformément à la réglementation applicable sous leur surveillance, des mesures organisationnelles doivent être prises, lorsque ces mesures n'ont pas été prises et que, par conséquent, la sécurité ou la santé des travailleurs peuvent immédiatement ou à terme être mises en danger.
Cette cessation est ordonnée en attendant que les personnes tenues à ces obligations aient pris ces mesures.
Art. 47. Ontruimingsbevel
De sociaal inspecteurs mogen iedere arbeidsplaats of iedere andere plaats die aan hun toezicht onderworpen is onmiddellijk laten ontruimen, wanneer het gevaar hun dreigend lijkt.
De sociaal inspecteurs mogen iedere arbeidsplaats of iedere andere plaats die aan hun toezicht onderworpen is onmiddellijk laten ontruimen, wanneer het gevaar hun dreigend lijkt.
Art. 47. L'ordre d'évacuation
Les inspecteurs sociaux peuvent faire évacuer immédiatement chaque lieu de travail ou chaque autre lieu soumis à leur contrôle, si le danger leur apparaît comme imminent.
Les inspecteurs sociaux peuvent faire évacuer immédiatement chaque lieu de travail ou chaque autre lieu soumis à leur contrôle, si le danger leur apparaît comme imminent.
Art. 48. Verzegeling
De sociaal inspecteurs mogen arbeidsplaatsen, andere plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn, uitrustingen, installaties, machines, materieel, toestellen, producten of fabricageafval verzegelen, wanneer het gevaar hun dreigend lijkt.
De sociaal inspecteurs mogen arbeidsplaatsen, andere plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn, uitrustingen, installaties, machines, materieel, toestellen, producten of fabricageafval verzegelen, wanneer het gevaar hun dreigend lijkt.
Art. 48. L'apposition de scellés
Les inspecteurs sociaux peuvent mettre sous scellés des lieux de travail, d'autres lieux soumis à leur contrôle, des équipements, des installations, des machines, du matériel, des appareils, des produits ou des déchets de fabrication, si le danger leur apparaît comme imminent.
Les inspecteurs sociaux peuvent mettre sous scellés des lieux de travail, d'autres lieux soumis à leur contrôle, des équipements, des installations, des machines, du matériel, des appareils, des produits ou des déchets de fabrication, si le danger leur apparaît comme imminent.
Art. 49. Maatregelen ten opzichte van de zelfstandigen
De sociaal inspecteurs mogen de acties opgesomd in de artikelen 43, 44, 46, eerste lid, 1°, 47 en 48 ondernemen ten aanzien van de zelfstandigen die op een zelfde arbeidsplaats [1 samen]1 met werknemers bedrijvig zijn en die daardoor verplichtingen hebben met toepassing van de reglementering inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
De sociaal inspecteurs mogen de acties opgesomd in de artikelen 43, 44, 46, eerste lid, 1°, 47 en 48 ondernemen ten aanzien van de zelfstandigen die op een zelfde arbeidsplaats [1 samen]1 met werknemers bedrijvig zijn en die daardoor verplichtingen hebben met toepassing van de reglementering inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
Art. 49. Les mesures à l'égard des travailleurs indépendants
Les inspecteurs sociaux peuvent entreprendre les actions énumérées aux articles 43, 44, 46, alinéa 1er, 1°, 47 et 48 vis-à-vis des travailleurs indépendants qui oeuvrent sur un même lieu de travail avec des travailleurs et ont, de ce fait, des obligations en application de la réglementation en matière de bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail.
Les inspecteurs sociaux peuvent entreprendre les actions énumérées aux articles 43, 44, 46, alinéa 1er, 1°, 47 et 48 vis-à-vis des travailleurs indépendants qui oeuvrent sur un même lieu de travail avec des travailleurs et ont, de ce fait, des obligations en application de la réglementation en matière de bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail.
Afdeling 3/1. [1 - Bijzondere bevoegdheid van de sociaal inspecteurs op het vlak van de betaling van het loon door de werkgever.]1
Section 3/1. [1 - Compétence spéciale des inspecteurs sociaux en ce qui concerne le paiement de la rémunération par l'employeur.]1
Art. 49/1. [1 Schriftelijke kennisgeving van een zwaarwichtige inbreuk door de werkgever op zijn verplichting om tijdig het loon te betalen.
De sociaal inspecteurs kunnen de in artikel 35/1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers bedoelde opdrachtgevers, aannemers en onderaannemers, schriftelijk in kennis stellen van de omstandigheid dat hun aannemers of de na deze aannemers komende onderaannemers, op zwaarwichtige wijze tekortschieten in hun verplichting het aan hun werknemers verschuldigde loon tijdig te betalen.
Deze kennisgeving vermeldt :
1° het aantal en de identiteit van de werknemers waarvan de inspectie heeft vastgesteld dat zij prestaties hebben geleverd in het raam van werken die de bestemmeling van de kennisgeving hetzij rechtstreeks, hetzij via intermediaire aannemers of onderaannemers laat uitvoeren;
2° het loon waarop de betrokken werknemers recht hebben ten laste van de werkgever;
3° het gedeelte van het loon waarop de werknemers recht hebben, dat niet werd betaald door de werkgever gedurende de voorafgaande betaalperiode;
4° het gemiddeld aantal werknemers die op het ogenblik van de kennisgeving worden tewerkgesteld door de aannemer of de onderaannemer waarop de kennisgeving betrekking heeft;
5° het door de Koning bepaalde minimumloon zoals bepaald in artikel 35/3, § 3, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers;
6° het in artikel 35/3, § 3, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, bedoelde percentage;
7° de periode gedurende dewelke de hoofdelijke aansprakelijkheid geldt.
Een afschrift van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving wordt overgezonden aan de aannemer of de onderaannemer waarop deze kennisgeving betrekking heeft.]1
De sociaal inspecteurs kunnen de in artikel 35/1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers bedoelde opdrachtgevers, aannemers en onderaannemers, schriftelijk in kennis stellen van de omstandigheid dat hun aannemers of de na deze aannemers komende onderaannemers, op zwaarwichtige wijze tekortschieten in hun verplichting het aan hun werknemers verschuldigde loon tijdig te betalen.
Deze kennisgeving vermeldt :
1° het aantal en de identiteit van de werknemers waarvan de inspectie heeft vastgesteld dat zij prestaties hebben geleverd in het raam van werken die de bestemmeling van de kennisgeving hetzij rechtstreeks, hetzij via intermediaire aannemers of onderaannemers laat uitvoeren;
2° het loon waarop de betrokken werknemers recht hebben ten laste van de werkgever;
3° het gedeelte van het loon waarop de werknemers recht hebben, dat niet werd betaald door de werkgever gedurende de voorafgaande betaalperiode;
4° het gemiddeld aantal werknemers die op het ogenblik van de kennisgeving worden tewerkgesteld door de aannemer of de onderaannemer waarop de kennisgeving betrekking heeft;
5° het door de Koning bepaalde minimumloon zoals bepaald in artikel 35/3, § 3, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers;
6° het in artikel 35/3, § 3, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, bedoelde percentage;
7° de periode gedurende dewelke de hoofdelijke aansprakelijkheid geldt.
Een afschrift van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving wordt overgezonden aan de aannemer of de onderaannemer waarop deze kennisgeving betrekking heeft.]1
Art. 49/1. [1 Notification écrite d'une infraction grave, dans le chef de l'employeur, à son obligation de payer, dans les délais la rémunération
Les inspecteurs sociaux peuvent informer par écrit les donneurs d'ordre, les entrepreneurs et les sous-traitants visés à l'article 35/1 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, de ce que leurs entrepreneurs ou les sous-traitants succédant à ceux-ci manquent gravement à leur obligation de payer dans les délais la rémunération due à leurs travailleurs.
Cette notification mentionne :
1° le nombre et l'identité des travailleurs dont l'inspection a constaté qu'ils ont fourni des prestations dans le cadre de travaux que le destinataire de la notification fait effectuer, soit directement, soit par le biais d'entrepreneurs ou de sous-traitants intermédiaires;
2° la rémunération à laquelle les travailleurs concernés ont droit à charge de l'employeur;
3° la partie de la rémunération à laquelle ont droit les travailleurs, qui n'a pas été payée par l'employeur durant la période de paiement précédente;
4° le nombre moyen de travailleurs qui, au moment de la notification, sont occupés par l'entrepreneur ou le sous-traitant concernés par celle-ci;
5° le salaire minimum fixé par le Roi, tel que défini à l'article 35/3, § 3, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs;
6° le pourcentage visé à l'article 35/3, § 3, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs;
7° la période durant laquelle la responsabilité solidaire est d'application.
Une copie de la notification visée à l'alinéa 2 est transmise à l'entrepreneur ou aux sous-traitants concernés par cette notification.]1
Les inspecteurs sociaux peuvent informer par écrit les donneurs d'ordre, les entrepreneurs et les sous-traitants visés à l'article 35/1 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, de ce que leurs entrepreneurs ou les sous-traitants succédant à ceux-ci manquent gravement à leur obligation de payer dans les délais la rémunération due à leurs travailleurs.
Cette notification mentionne :
1° le nombre et l'identité des travailleurs dont l'inspection a constaté qu'ils ont fourni des prestations dans le cadre de travaux que le destinataire de la notification fait effectuer, soit directement, soit par le biais d'entrepreneurs ou de sous-traitants intermédiaires;
2° la rémunération à laquelle les travailleurs concernés ont droit à charge de l'employeur;
3° la partie de la rémunération à laquelle ont droit les travailleurs, qui n'a pas été payée par l'employeur durant la période de paiement précédente;
4° le nombre moyen de travailleurs qui, au moment de la notification, sont occupés par l'entrepreneur ou le sous-traitant concernés par celle-ci;
5° le salaire minimum fixé par le Roi, tel que défini à l'article 35/3, § 3, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs;
6° le pourcentage visé à l'article 35/3, § 3, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs;
7° la période durant laquelle la responsabilité solidaire est d'application.
Une copie de la notification visée à l'alinéa 2 est transmise à l'entrepreneur ou aux sous-traitants concernés par cette notification.]1
Afdeling 3/2. [1 Bijzondere bevoegdheid van de sociaal inspecteurs op het vlak van de tewerkstelling van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land in België]1
Section 3/2. [1 La compétence spéciale des inspecteurs sociaux en ce qui concerne l'occupation d'un ressortissant d'un pays tiers en séjour illégal en Belgique]1
Art. 49/2. [1 Schriftelijke kennisgeving van een tewerkstelling van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land in België
De sociaal inspecteurs kunnen de aannemers bedoeld in artikel 35/9 en 35/10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, schriftelijk in kennis stellen dat hun rechtstreekse of onrechtstreekse onderaannemer, een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt.
De sociaal inspecteurs kunnen de opdrachtgevers bedoeld in artikel 35/11 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, schriftelijk in kennis stellen dat hun aannemer of onderaannemer, een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt.
Deze kennisgeving vermeldt :
1° het aantal en de identiteit van de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen waarvan de inspectie heeft vastgesteld dat zij prestaties hebben geleverd in het raam van de activiteiten die de bestemmeling van de kennisgeving laat uitvoeren;
2° de identiteit en het adres van de werkgever die de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen bedoeld in het derde lid, 1°, heeft tewerkgesteld;
3° de plaats waar de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen de prestaties bedoeld in het derde lid, 1°, hebben geleverd;
4° de identiteit en het adres van de bestemmeling van de kennisgeving.
Een afschrift van deze kennisgeving wordt door de sociaal inspecteurs overgezonden aan de werkgever die de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen bedoeld in de bepaling onder 1° heeft tewerkgesteld]1
De sociaal inspecteurs kunnen de aannemers bedoeld in artikel 35/9 en 35/10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, schriftelijk in kennis stellen dat hun rechtstreekse of onrechtstreekse onderaannemer, een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt.
De sociaal inspecteurs kunnen de opdrachtgevers bedoeld in artikel 35/11 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, schriftelijk in kennis stellen dat hun aannemer of onderaannemer, een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt.
Deze kennisgeving vermeldt :
1° het aantal en de identiteit van de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen waarvan de inspectie heeft vastgesteld dat zij prestaties hebben geleverd in het raam van de activiteiten die de bestemmeling van de kennisgeving laat uitvoeren;
2° de identiteit en het adres van de werkgever die de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen bedoeld in het derde lid, 1°, heeft tewerkgesteld;
3° de plaats waar de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen de prestaties bedoeld in het derde lid, 1°, hebben geleverd;
4° de identiteit en het adres van de bestemmeling van de kennisgeving.
Een afschrift van deze kennisgeving wordt door de sociaal inspecteurs overgezonden aan de werkgever die de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen bedoeld in de bepaling onder 1° heeft tewerkgesteld]1
Art. 49/2. [1 La notification écrite de l'occupation d'un ressortissant d'un pays tiers en séjour illégal en Belgique
Les inspecteurs sociaux peuvent informer par écrit les entrepreneurs visés aux articles 35/9 et 35/10 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs que leur sous-traitant direct ou indirect occupe un ou des ressortissants de pays tiers en séjour illégal.
Les inspecteurs sociaux peuvent informer par écrit les donneurs d'ordre visés à l'article 35/11 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs que leur entrepreneur ou leur sous-traitant occupe un ou des ressortissants de pays tiers en séjour illégal.
Cette notification mentionne :
1° le nombre et l'identité des ressortissants de pays tiers en séjour illégal dont l'inspection a constaté qu'ils ont fourni des prestations dans le cadre des activités que le destinataire de la notification fait effectuer;
2° l'identité et l'adresse de l'employeur qui a occupé les ressortissants de pays tiers en séjour illégal visés à l'alinéa 3, 1°;
3° le lieu où les ressortissants de pays tiers en séjour illégal ont fourni les prestations visées à l'alinéa 3, 1°;
4° l'identité et l'adresse du destinataire de la notification.
Une copie de cette notification est transmise par les inspecteurs sociaux à l'employeur qui a occupé les ressortissants de pays tiers en séjour illégal visés au point 1°.]1
Les inspecteurs sociaux peuvent informer par écrit les entrepreneurs visés aux articles 35/9 et 35/10 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs que leur sous-traitant direct ou indirect occupe un ou des ressortissants de pays tiers en séjour illégal.
Les inspecteurs sociaux peuvent informer par écrit les donneurs d'ordre visés à l'article 35/11 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs que leur entrepreneur ou leur sous-traitant occupe un ou des ressortissants de pays tiers en séjour illégal.
Cette notification mentionne :
1° le nombre et l'identité des ressortissants de pays tiers en séjour illégal dont l'inspection a constaté qu'ils ont fourni des prestations dans le cadre des activités que le destinataire de la notification fait effectuer;
2° l'identité et l'adresse de l'employeur qui a occupé les ressortissants de pays tiers en séjour illégal visés à l'alinéa 3, 1°;
3° le lieu où les ressortissants de pays tiers en séjour illégal ont fourni les prestations visées à l'alinéa 3, 1°;
4° l'identité et l'adresse du destinataire de la notification.
Une copie de cette notification est transmise par les inspecteurs sociaux à l'employeur qui a occupé les ressortissants de pays tiers en séjour illégal visés au point 1°.]1
Afdeling 3/3. [1 - Bijzondere bevoegdheid van de sociaal inspecteurs op het vlak van de bijzondere hoofdelijke aansprakelijkheid van de rechtstreekse contractant in geval van activiteiten in de bouwsector]1
Section 3/3. [1 - La compétence spéciale des inspecteurs sociaux en ce qui concerne la responsabilité solidaire particulière du contractant direct, en cas d'activités dans le domaine de la construction.]1
Art. 49/3. [1 Schriftelijke kennisgeving op het vlak van de bijzondere hoofdelijke aansprakelijkheid van de rechtstreekse contractant in geval van activiteiten in de bouwsector.
De sociaal inspecteurs kunnen de opdrachtgevers bedoeld in artikel 35/6/3, § 1, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, schriftelijk in kennis stellen dat hun aannemer zijn verplichting niet nakomt om het verschuldigd loon te betalen aan de werknemers van deze aannemer.
De sociaal inspecteurs kunnen, naargelang het geval, de aannemers en de intermediaire aannemers bedoeld in artikel 35/6/3, § 2, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, schriftelijk in kennis stellen dat hun rechtstreekse onderaannemers hun verplichting niet nakomen om het verschuldigd loon te betalen aan de werknemers van deze onderaannemers.
Deze kennisgeving vermeldt :
1° het aantal en de identiteit van de werknemers waarvan de sociaal inspecteurs hebben vastgesteld dat zij prestaties hebben geleverd in het raam van de activiteiten in de bouwsector die, naargelang het geval :
- de opdrachtgever, die de kennisgeving heeft ontvangen, rechtstreeks laat uitvoeren via zijn aannemer die werkgever is van voormelde werknemers;
- de aannemer of de intermediaire aannemer, die de kennisgeving heeft ontvangen, rechtstreeks laat uitvoeren via zijn onderaannemer die werkgever is van voormelde werknemers;
2° de identiteit en het adres van, naargelang het geval, de tewerkstellende aannemer of onderaannemer bedoeld in 1° die zijn verplichting niet is nagekomen om het verschuldigd loon te betalen aan zijn werknemers;
3° het loon waarop de betrokken werknemers recht hebben ten laste van hun werkgever maar dat niet werd uitbetaald door deze werkgever;
4° de plaats of de plaatsen waar de activiteiten in de bouwsector worden uitgevoerd door de werknemers bedoeld in 1° ;
5° de identiteit en het adres van de opdrachtgever, de aannemer of de intermediaire aannemer, die de kennisgeving heeft ontvangen.
Een afschrift van deze kennisgeving wordt overgezonden aan de bij deze kennisgeving betrokken werkgever.]1
De sociaal inspecteurs kunnen de opdrachtgevers bedoeld in artikel 35/6/3, § 1, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, schriftelijk in kennis stellen dat hun aannemer zijn verplichting niet nakomt om het verschuldigd loon te betalen aan de werknemers van deze aannemer.
De sociaal inspecteurs kunnen, naargelang het geval, de aannemers en de intermediaire aannemers bedoeld in artikel 35/6/3, § 2, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, schriftelijk in kennis stellen dat hun rechtstreekse onderaannemers hun verplichting niet nakomen om het verschuldigd loon te betalen aan de werknemers van deze onderaannemers.
Deze kennisgeving vermeldt :
1° het aantal en de identiteit van de werknemers waarvan de sociaal inspecteurs hebben vastgesteld dat zij prestaties hebben geleverd in het raam van de activiteiten in de bouwsector die, naargelang het geval :
- de opdrachtgever, die de kennisgeving heeft ontvangen, rechtstreeks laat uitvoeren via zijn aannemer die werkgever is van voormelde werknemers;
- de aannemer of de intermediaire aannemer, die de kennisgeving heeft ontvangen, rechtstreeks laat uitvoeren via zijn onderaannemer die werkgever is van voormelde werknemers;
2° de identiteit en het adres van, naargelang het geval, de tewerkstellende aannemer of onderaannemer bedoeld in 1° die zijn verplichting niet is nagekomen om het verschuldigd loon te betalen aan zijn werknemers;
3° het loon waarop de betrokken werknemers recht hebben ten laste van hun werkgever maar dat niet werd uitbetaald door deze werkgever;
4° de plaats of de plaatsen waar de activiteiten in de bouwsector worden uitgevoerd door de werknemers bedoeld in 1° ;
5° de identiteit en het adres van de opdrachtgever, de aannemer of de intermediaire aannemer, die de kennisgeving heeft ontvangen.
Een afschrift van deze kennisgeving wordt overgezonden aan de bij deze kennisgeving betrokken werkgever.]1
Art. 49/3. [1 Notification écrite en ce qui concerne la responsabilité solidaire particulière du contractant direct, en cas d'activités dans le domaine de la construction.
Les inspecteurs sociaux peuvent informer par écrit les donneurs d'ordres visés à l'article 35/6/3, § 1er, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, de ce que leur entrepreneur manque à son obligation de payer la rémunération due aux travailleurs de cet entrepreneur.
Les inspecteurs sociaux peuvent informer par écrit, selon le cas, les entrepreneurs et les entrepreneurs intermédiaires visés à l'article 35/6/3, § 2, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, de ce que leurs sous-traitants directs manquent à leur obligation de payer la rémunération due aux travailleurs de ces sous-traitants.
Cette notification mentionne :
1° le nombre et l'identité des travailleurs dont les inspecteurs sociaux ont constaté qu'ils ont fourni des prestations dans le cadre d'activités dans le domaine de la construction que, selon le cas :
- le donneur d'ordres destinataire de la notification fait effectuer directement par le biais de son entrepreneur employeur desdits travailleurs;
- l'entrepreneur ou l'entrepreneur intermédiaire destinataire de la notification fait effectuer directement par le biais de son sous-traitant employeur desdits travailleurs;
2° l'identité et l'adresse, selon le cas, de l'entrepreneur employeur ou du sous-traitant employeur visés au 1° et qui ont manqué à leur obligation de payer la rémunération due à leurs travailleurs;
3° la rémunération à laquelle les travailleurs concernés ont droit à charge de leur employeur, mais qui n'a pas été payée par cet employeur;
4° le ou les lieux où sont exécutées les activités dans le domaine de la construction par les travailleurs visés au 1° ;
5° l'identité et l'adresse du donneur d'ordres, de l'entrepreneur ou de l'entrepreneur intermédiaire, destinataires de la notification.
Une copie de la présente notification est transmise à l'employeur concerné par cette notification.]1
Les inspecteurs sociaux peuvent informer par écrit les donneurs d'ordres visés à l'article 35/6/3, § 1er, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, de ce que leur entrepreneur manque à son obligation de payer la rémunération due aux travailleurs de cet entrepreneur.
Les inspecteurs sociaux peuvent informer par écrit, selon le cas, les entrepreneurs et les entrepreneurs intermédiaires visés à l'article 35/6/3, § 2, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, de ce que leurs sous-traitants directs manquent à leur obligation de payer la rémunération due aux travailleurs de ces sous-traitants.
Cette notification mentionne :
1° le nombre et l'identité des travailleurs dont les inspecteurs sociaux ont constaté qu'ils ont fourni des prestations dans le cadre d'activités dans le domaine de la construction que, selon le cas :
- le donneur d'ordres destinataire de la notification fait effectuer directement par le biais de son entrepreneur employeur desdits travailleurs;
- l'entrepreneur ou l'entrepreneur intermédiaire destinataire de la notification fait effectuer directement par le biais de son sous-traitant employeur desdits travailleurs;
2° l'identité et l'adresse, selon le cas, de l'entrepreneur employeur ou du sous-traitant employeur visés au 1° et qui ont manqué à leur obligation de payer la rémunération due à leurs travailleurs;
3° la rémunération à laquelle les travailleurs concernés ont droit à charge de leur employeur, mais qui n'a pas été payée par cet employeur;
4° le ou les lieux où sont exécutées les activités dans le domaine de la construction par les travailleurs visés au 1° ;
5° l'identité et l'adresse du donneur d'ordres, de l'entrepreneur ou de l'entrepreneur intermédiaire, destinataires de la notification.
Une copie de la présente notification est transmise à l'employeur concerné par cette notification.]1
Afdeling 3/4. [1 - De bijzondere bevoegdheid van de sociaal inspecteurs in verband met de hoofdelijke aansprakelijkheid in geval van werkzaamheden in de verhuissector]1
Section 3/4. [1 La compétence spéciale des inspecteurs sociaux en ce qui concerne la responsabilité solidaire en cas d'activités dans le secteur du déménagement]1
Art. 49/4. [1 De schriftelijke kennisgeving van de invoering van de identificatiegegevens van een onderneming in de databank bedoeld in artikel 35/15 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers
De sociaal inspecteurs brengen de hoofdelijk aansprakelijke personen bedoeld in artikel 35/6/8 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers schriftelijk ervan op de hoogte dat, naargelang van het geval, de identificatiegegevens van hun aannemer of van de onderaannemer die na hem volgt, ingevoerd werden in de databank bedoeld in artikel 35/15 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.
Deze kennisgeving vermeldt:
1° de identificatiegegevens van de aannemer werkgever of van de onderaannemer werkgever, zoals vastgesteld in artikel 35/15 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers;
2° de datum waarop voormelde identificatiegegevens ingevoerd werden in de databank bedoeld in het artikel 35/15 van de voormelde wet van 12 april 1965;
3° de identiteit en het adres van de hoofdelijk aansprakelijke personen bedoeld in artikel 35/6/8 van de voormelde wet van 12 april 1965, die de ontvangers zijn van deze kennisgeving;
4° de plaats(en) waar, naar gelang van het geval, de werkzaamheden in de verhuissector in de zin van artikel 35/6/6, § 1, 1°, van de wet van 12 april 1965, uitgevoerd worden door de werknemers van, naar gelang van het geval, de aannemer werkgever of de onderaannemer werkgever ten behoeve van de hoofdelijk aansprakelijke personen bedoeld in artikel 35/6/8 van dezelfde wet van 12 april 1965.
Een afschrift van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving wordt overgemaakt aan de aannemer of de onderaannemer waarop deze kennisgeving betrekking heeft.
De Koning kan aan de in het tweede lid opgenomen lijst andere vermeldingen toevoegen.
De Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg is verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens bedoeld in paragraaf 2 en de gegevens die krachtens paragraaf 4 worden toegevoegd.
De in het tweede lid bedoelde gegevens en deze toegevoegd krachtens het vierde lid worden door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg bewaard zolang de identificatiegegevens van de werkgever aannemer of de werkgever onderaannemer, bedoeld in artikel 35/15 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, in de databank bedoeld in datzelfde artikel 35/15 zijn opgenomen, zonder dat deze bewaring evenwel langer kan duren dan vijf jaar te rekenen vanaf de verzending van de kennisgeving aan de hoofdelijk aansprakelijke personen bedoeld in artikel 35/6/8 van dezelfde wet van 12 april 1965.]1
De sociaal inspecteurs brengen de hoofdelijk aansprakelijke personen bedoeld in artikel 35/6/8 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers schriftelijk ervan op de hoogte dat, naargelang van het geval, de identificatiegegevens van hun aannemer of van de onderaannemer die na hem volgt, ingevoerd werden in de databank bedoeld in artikel 35/15 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.
Deze kennisgeving vermeldt:
1° de identificatiegegevens van de aannemer werkgever of van de onderaannemer werkgever, zoals vastgesteld in artikel 35/15 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers;
2° de datum waarop voormelde identificatiegegevens ingevoerd werden in de databank bedoeld in het artikel 35/15 van de voormelde wet van 12 april 1965;
3° de identiteit en het adres van de hoofdelijk aansprakelijke personen bedoeld in artikel 35/6/8 van de voormelde wet van 12 april 1965, die de ontvangers zijn van deze kennisgeving;
4° de plaats(en) waar, naar gelang van het geval, de werkzaamheden in de verhuissector in de zin van artikel 35/6/6, § 1, 1°, van de wet van 12 april 1965, uitgevoerd worden door de werknemers van, naar gelang van het geval, de aannemer werkgever of de onderaannemer werkgever ten behoeve van de hoofdelijk aansprakelijke personen bedoeld in artikel 35/6/8 van dezelfde wet van 12 april 1965.
Een afschrift van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving wordt overgemaakt aan de aannemer of de onderaannemer waarop deze kennisgeving betrekking heeft.
De Koning kan aan de in het tweede lid opgenomen lijst andere vermeldingen toevoegen.
De Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg is verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens bedoeld in paragraaf 2 en de gegevens die krachtens paragraaf 4 worden toegevoegd.
De in het tweede lid bedoelde gegevens en deze toegevoegd krachtens het vierde lid worden door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg bewaard zolang de identificatiegegevens van de werkgever aannemer of de werkgever onderaannemer, bedoeld in artikel 35/15 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, in de databank bedoeld in datzelfde artikel 35/15 zijn opgenomen, zonder dat deze bewaring evenwel langer kan duren dan vijf jaar te rekenen vanaf de verzending van de kennisgeving aan de hoofdelijk aansprakelijke personen bedoeld in artikel 35/6/8 van dezelfde wet van 12 april 1965.]1
Art. 49/4. [1 La notification écrite de l'introduction des données d'identification d'une entreprise dans la banque de données visée à l'article 35/15 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs
Les inspecteurs sociaux informent par écrit les responsables solidaires visés à l'article 35/6/8 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, de ce que, selon le cas, les données d'identification de leur entrepreneur ou du sous-traitant succédant à celui-ci ont été introduites dans la banque de données visée par l'article 35/15 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.
Cette notification mentionne:
1° les données d'identification de l'entrepreneur employeur ou du sous-traitant employeur, telles que définies par l'article 35/15 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs;
2° la date à laquelle les données d'identification précitées ont été introduites dans la banque de données visée par l'article 35/15 de la loi précitée du 12 avril 1965;
3° l'identité et l'adresse des responsables solidaires visés à l'article 35/6/8 de la loi précitée du 12 avril 1965 et qui sont destinataires de cette notification;
4° le ou les lieux où sont exécutées, selon le cas, les activités dans le secteur du déménagement au sens de l'article 35/6/6, paragraphe 1er, 1°, de la loi du 12 avril 1965, par les travailleurs, selon le cas de l'entrepreneur employeur ou du sous-traitant employeur au bénéfice des responsables solidaires visés à l'article 35/6/8 de la même loi du 12 avril 1965.
Une copie de la notification visée à l'alinéa 2 est transmise à l'entrepreneur ou au sous-traitant concernés par cette notification.
Le Roi peut ajouter d'autres mentions à la liste prévue à l'alinéa 2.
Le Service public Fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale est responsable du traitement des données visées à l'alinéa 2 et de celles ajoutées en vertu de l'alinéa 4.
Les données visées à l'alinéa 2 et celles ajoutées en vertu de l'alinéa 4 sont conservées par le Service public Fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale aussi longtemps que les données d'identification de l'entrepreneur employeur ou du sous-traitant employeur, telles que définies par l'article 35/15 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, sont mentionnées dans la banque de données au sens du même article 35/15 sans toutefois qu'une telle conservation ne puisse excéder une durée de cinq ans à compter de l'envoi de la notification aux responsables solidaires visés à l'article 35/6/8 de la même loi du 12 avril 1965.]1
Les inspecteurs sociaux informent par écrit les responsables solidaires visés à l'article 35/6/8 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, de ce que, selon le cas, les données d'identification de leur entrepreneur ou du sous-traitant succédant à celui-ci ont été introduites dans la banque de données visée par l'article 35/15 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.
Cette notification mentionne:
1° les données d'identification de l'entrepreneur employeur ou du sous-traitant employeur, telles que définies par l'article 35/15 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs;
2° la date à laquelle les données d'identification précitées ont été introduites dans la banque de données visée par l'article 35/15 de la loi précitée du 12 avril 1965;
3° l'identité et l'adresse des responsables solidaires visés à l'article 35/6/8 de la loi précitée du 12 avril 1965 et qui sont destinataires de cette notification;
4° le ou les lieux où sont exécutées, selon le cas, les activités dans le secteur du déménagement au sens de l'article 35/6/6, paragraphe 1er, 1°, de la loi du 12 avril 1965, par les travailleurs, selon le cas de l'entrepreneur employeur ou du sous-traitant employeur au bénéfice des responsables solidaires visés à l'article 35/6/8 de la même loi du 12 avril 1965.
Une copie de la notification visée à l'alinéa 2 est transmise à l'entrepreneur ou au sous-traitant concernés par cette notification.
Le Roi peut ajouter d'autres mentions à la liste prévue à l'alinéa 2.
Le Service public Fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale est responsable du traitement des données visées à l'alinéa 2 et de celles ajoutées en vertu de l'alinéa 4.
Les données visées à l'alinéa 2 et celles ajoutées en vertu de l'alinéa 4 sont conservées par le Service public Fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale aussi longtemps que les données d'identification de l'entrepreneur employeur ou du sous-traitant employeur, telles que définies par l'article 35/15 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, sont mentionnées dans la banque de données au sens du même article 35/15 sans toutefois qu'une telle conservation ne puisse excéder une durée de cinq ans à compter de l'envoi de la notification aux responsables solidaires visés à l'article 35/6/8 de la même loi du 12 avril 1965.]1
Afdeling 4. - Hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie
Section 4. - La qualité d'officier de police judiciaire
Art. 50. Aanwijzing
De door de Koning aangewezen sociaal inspecteurs worden bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur.
De Koning bepaalt de voorwaarden betreffende de ervaring en de opleiding van deze sociaal inspecteurs.
De door de Koning aangewezen sociaal inspecteurs worden bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur.
De Koning bepaalt de voorwaarden betreffende de ervaring en de opleiding van deze sociaal inspecteurs.
Art. 50. La désignation
Les inspecteurs sociaux désignés par le Roi sont revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi et de l'auditeur du travail.
Le Roi détermine les conditions concernant l'expérience et la formation de ces inspecteurs sociaux.
Les inspecteurs sociaux désignés par le Roi sont revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi et de l'auditeur du travail.
Le Roi détermine les conditions concernant l'expérience et la formation de ces inspecteurs sociaux.
Art. 51. Bevoegdheden van sociaal inspecteurs officier van gerechtelijke politie
De bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur, toegekend aan de door de Koning aangewezen sociaal inspecteurs, kunnen slechts worden uitgeoefend met het oog op de opsporing en vaststelling van de inbreuken bedoeld in dit Wetboek en in de artikelen 433quinquies tot 433octies van het Strafwetboek en in de artikelen 77bis tot 77quinquies van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
[1 De sociaal inspecteurs met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie behouden de in artikel 21 bedoelde beoordelingsbevoegdheid wanneer ze buiten de door de rechterlijke overheid opgelegde taken optreden.]1
De bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur, toegekend aan de door de Koning aangewezen sociaal inspecteurs, kunnen slechts worden uitgeoefend met het oog op de opsporing en vaststelling van de inbreuken bedoeld in dit Wetboek en in de artikelen 433quinquies tot 433octies van het Strafwetboek en in de artikelen 77bis tot 77quinquies van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
[1 De sociaal inspecteurs met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie behouden de in artikel 21 bedoelde beoordelingsbevoegdheid wanneer ze buiten de door de rechterlijke overheid opgelegde taken optreden.]1
Art. 51. Les compétences des inspecteurs sociaux officiers de police judiciaire
Les pouvoirs d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi et de l'auditeur du travail, conférés aux inspecteurs sociaux désignés par le Roi ne peuvent être exercés qu'en vue de la recherche et de la constatation des infractions visées dans le présent Code et dans les articles 433quinquies à 433octies du Code pénal et dans les articles 77bis à 77quinquies de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
[1 Les inspecteurs sociaux revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire conservent le pouvoir d'appréciation prévu à l'article 21 lorsqu'ils agissent en dehors des devoirs prescrits par l'autorité judiciaire.]1
Les pouvoirs d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi et de l'auditeur du travail, conférés aux inspecteurs sociaux désignés par le Roi ne peuvent être exercés qu'en vue de la recherche et de la constatation des infractions visées dans le présent Code et dans les articles 433quinquies à 433octies du Code pénal et dans les articles 77bis à 77quinquies de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
[1 Les inspecteurs sociaux revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire conservent le pouvoir d'appréciation prévu à l'article 21 lorsqu'ils agissent en dehors des devoirs prescrits par l'autorité judiciaire.]1
Wijzigingen
Art. 52. Eedaflegging
Om hun bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie te kunnen uitoefenen, leggen de sociaal inspecteurs bedoeld in artikel 50, in handen van de procureur-generaal van het rechtsgebied van hun woonplaats, de eed af in de volgende bewoordingen :
" Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en het mij opgedragen ambt trouw waar te nemen. ".
Zij kunnen hun bevoegdheden buiten het rechtsgebied van hun woonplaats uitoefenen.
Om hun bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie te kunnen uitoefenen, leggen de sociaal inspecteurs bedoeld in artikel 50, in handen van de procureur-generaal van het rechtsgebied van hun woonplaats, de eed af in de volgende bewoordingen :
" Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en het mij opgedragen ambt trouw waar te nemen. ".
Zij kunnen hun bevoegdheden buiten het rechtsgebied van hun woonplaats uitoefenen.
Art. 52. La prestation de serment
Pour pouvoir exercer leurs attributions d'officier de police judiciaire, les inspecteurs sociaux visés à l'article 50 prêtent serment, devant le procureur général du ressort de leur domicile, dans les termes suivants :
" Je jure fidélité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge, et de remplir fidèlement les fonctions qui me sont conférées. ".
Ils peuvent exercer leurs attributions en dehors du ressort de leur domicile.
Pour pouvoir exercer leurs attributions d'officier de police judiciaire, les inspecteurs sociaux visés à l'article 50 prêtent serment, devant le procureur général du ressort de leur domicile, dans les termes suivants :
" Je jure fidélité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge, et de remplir fidèlement les fonctions qui me sont conférées. ".
Ils peuvent exercer leurs attributions en dehors du ressort de leur domicile.
HOOFDSTUK 3. - Beroep tegen de door de sociaal inspecteurs genomen maatregelen
CHAPITRE 3. - Recours contre les mesures prises par les inspecteurs sociaux
Art. 53. Formele garanties
§ 1. De inbeslagnemingen en de verzegelingen verricht op basis van de artikelen 35 en 38 en de maatregelen genomen door de sociaal inspecteurs ter uitvoering van de artikelen 31, 37, en 43 tot 49 moeten het voorwerp uitmaken van een schriftelijke vaststelling.
De in artikel 28, § 3, bedoelde opsporingsmaatregelen en, in voorkomend geval, de onderzoeksmaatregelen die er uit voortvloeien en welke op die plaats worden uitgevoerd, moeten eveneens het voorwerp uitmaken van een schriftelijke vaststelling.
§ 2. De schriftelijke vaststelling wordt persoonlijk overhandigd aan de werkgever, zijn aangestelde [1 , zijn lasthebber of de zelfstandige]1, die tekent voor ontvangst.
[2 Indien de werkgever, zijn aangestelde, zijn lasthebber of de zelfstandige niet aanwezig is, wordt de schriftelijke vaststelling onmiddellijk achtergelaten. Binnen een termijn van veertien dagen wordt tevens bij een aangetekende zending of elk ander middel dat de datum van de zending waarborgt, in beide gevallen met ontvangstbewijs, een kopie verstuurd naar de werkgever, zijn aangestelde, zijn lasthebber of de zelfstandige.]2
§ 3. Het in § 1 bedoelde geschrift moet minstens vermelden :
1° de datum en het uur waarop de maatregelen zijn genomen;
2° de identiteit van de sociaal inspecteurs, de hoedanigheid waarin zij optreden en de administratie waartoe zij behoren;
3° de genomen maatregelen;
4° de weergave van de tekst van de artikelen 209 en 210;
5° de rechtsmiddelen tegen de maatregelen, het bevoegde gerechtelijk arrondissement en de weergave van de tekst van artikel 2 van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht;
6° de overheidsinstelling die in geval van beroep moet worden gedagvaard.
Wanneer de maatregelen bedoeld in het eerste lid, 3°, betrekking hebben op de in artikel 28, § 3, bedoelde opsporingsmaatregelen en, in voorkomend geval, op de onderzoeksmaatregelen die eruit voortvloeien en welke op die plaats werden uitgevoerd, bevat de beschrijving onder meer de volgende gegevens :
1° de beschrijving van de plaats of de plaatsen waar deze opsporings- of onderzoeksmaatregelen hebben plaats gevonden;
2° de wetgeving waarop toezicht wordt uitgeoefend en waarop zich een inbreuk heeft voorgedaan of mogelijk heeft voorgedaan die deze opsporings- of onderzoeksmaatregelen noodzakelijk maakt;
3° de lijst van de informatiedragers bedoeld in artikel 28, § 1, die werden opgespoord en, in voorkomend geval, die ter plaatse werden onderzocht;
4° de beschrijving van de feiten waaruit blijkt dat de bedoelde opsporingsmaatregelen of onderzoeksmaatregelen zijn gebeurd in de gevallen en onder de voorwaarden bedoeld bij artikel 28, § 3;
5° de verantwoording van het feit dat het met de bedoelde opsporings- of onderzoeksmaatregelen beoogde resultaat niet kon worden bereikt met andere, minder ingrijpende maatregelen.
§ 1. De inbeslagnemingen en de verzegelingen verricht op basis van de artikelen 35 en 38 en de maatregelen genomen door de sociaal inspecteurs ter uitvoering van de artikelen 31, 37, en 43 tot 49 moeten het voorwerp uitmaken van een schriftelijke vaststelling.
De in artikel 28, § 3, bedoelde opsporingsmaatregelen en, in voorkomend geval, de onderzoeksmaatregelen die er uit voortvloeien en welke op die plaats worden uitgevoerd, moeten eveneens het voorwerp uitmaken van een schriftelijke vaststelling.
§ 2. De schriftelijke vaststelling wordt persoonlijk overhandigd aan de werkgever, zijn aangestelde [1 , zijn lasthebber of de zelfstandige]1, die tekent voor ontvangst.
[2 Indien de werkgever, zijn aangestelde, zijn lasthebber of de zelfstandige niet aanwezig is, wordt de schriftelijke vaststelling onmiddellijk achtergelaten. Binnen een termijn van veertien dagen wordt tevens bij een aangetekende zending of elk ander middel dat de datum van de zending waarborgt, in beide gevallen met ontvangstbewijs, een kopie verstuurd naar de werkgever, zijn aangestelde, zijn lasthebber of de zelfstandige.]2
§ 3. Het in § 1 bedoelde geschrift moet minstens vermelden :
1° de datum en het uur waarop de maatregelen zijn genomen;
2° de identiteit van de sociaal inspecteurs, de hoedanigheid waarin zij optreden en de administratie waartoe zij behoren;
3° de genomen maatregelen;
4° de weergave van de tekst van de artikelen 209 en 210;
5° de rechtsmiddelen tegen de maatregelen, het bevoegde gerechtelijk arrondissement en de weergave van de tekst van artikel 2 van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht;
6° de overheidsinstelling die in geval van beroep moet worden gedagvaard.
Wanneer de maatregelen bedoeld in het eerste lid, 3°, betrekking hebben op de in artikel 28, § 3, bedoelde opsporingsmaatregelen en, in voorkomend geval, op de onderzoeksmaatregelen die eruit voortvloeien en welke op die plaats werden uitgevoerd, bevat de beschrijving onder meer de volgende gegevens :
1° de beschrijving van de plaats of de plaatsen waar deze opsporings- of onderzoeksmaatregelen hebben plaats gevonden;
2° de wetgeving waarop toezicht wordt uitgeoefend en waarop zich een inbreuk heeft voorgedaan of mogelijk heeft voorgedaan die deze opsporings- of onderzoeksmaatregelen noodzakelijk maakt;
3° de lijst van de informatiedragers bedoeld in artikel 28, § 1, die werden opgespoord en, in voorkomend geval, die ter plaatse werden onderzocht;
4° de beschrijving van de feiten waaruit blijkt dat de bedoelde opsporingsmaatregelen of onderzoeksmaatregelen zijn gebeurd in de gevallen en onder de voorwaarden bedoeld bij artikel 28, § 3;
5° de verantwoording van het feit dat het met de bedoelde opsporings- of onderzoeksmaatregelen beoogde resultaat niet kon worden bereikt met andere, minder ingrijpende maatregelen.
Art. 53. Les garanties formelles
§ 1er. Les saisies et mises sous scellés pratiquées en vertu des articles 35 et 38 ainsi que les mesures prises par les inspecteurs sociaux en exécution des articles 31, 37, et 43 à 49 doivent faire l'objet d'un constat écrit.
Les mesures de recherche visées à l'article 28, § 3, et, le cas échéant, les mesures d'examen qui en résultent et qui sont effectuées à cet endroit, doivent également faire l'objet d'un constat écrit.
§ 2. Le constat écrit est remis de la main à la main à l'employeur, son préposé [1 , son mandataire ou l'indépendant]1 qui en accuse réception.
[2 Si l'employeur, son préposé, son mandataire ou l'indépendant n'est pas présent, le constat écrit est déposé sur-le-champ. Une copie est également envoyée dans un délai de quatorze jours par envoi recommandé ou par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi, dans les deux cas avec accusé de réception, à l'employeur, son préposé, son mandataire ou l'indépendant.]2
§ 3. L'écrit visé au § 1er doit au moins mentionner :
1° la date et l'heure auxquelles les mesures sont prises;
2° l'identité des inspecteurs sociaux, la qualité en laquelle ils interviennent et l'administration dont ils relèvent;
3° les mesures prises;
4° la reproduction du texte des article 209 et 210;
5° les voies de recours contre les mesures, l'arrondissement judiciaire compétent ainsi que la reproduction du texte de l'article 2 de la loi du 2 juin 2010 comportant des dispositions de droit pénal social;
6° l'autorité qui doit être citée en cas de recours.
Lorsque les mesures visées à l'alinéa 1er, 3°, concernent les mesures de recherche visées à l'article 28, § 3, et, le cas échéant, les mesures d'examen qui en découlent et qui ont été effectuées sur ce lieu, la description contient entre autres les données suivantes :
1° la description du lieu ou des lieux où ces mesures de recherche ou d'examen ont eu lieu;
2° la législation dont la surveillance est exercée et à laquelle une infraction a été commise ou probablement commise qui rend nécessaire ces mesures de recherche ou d'examen;
3° la liste des supports d'information visés à l'article 28, § 1er, qui ont été recherchés et, le cas échéant, qui ont été examinés sur place;
4° la description des faits dont il ressort que les mesures de recherche prises ou les mesures d'examen ont eu lieu dans les cas et sous les conditions visés à l'article 28, § 3;
5° la justification du fait que le résultat poursuivi avec les mesures de recherche ou d'examen visées ne pouvait pas être atteint par d'autres mesures, moins contraignantes.
§ 1er. Les saisies et mises sous scellés pratiquées en vertu des articles 35 et 38 ainsi que les mesures prises par les inspecteurs sociaux en exécution des articles 31, 37, et 43 à 49 doivent faire l'objet d'un constat écrit.
Les mesures de recherche visées à l'article 28, § 3, et, le cas échéant, les mesures d'examen qui en résultent et qui sont effectuées à cet endroit, doivent également faire l'objet d'un constat écrit.
§ 2. Le constat écrit est remis de la main à la main à l'employeur, son préposé [1 , son mandataire ou l'indépendant]1 qui en accuse réception.
[2 Si l'employeur, son préposé, son mandataire ou l'indépendant n'est pas présent, le constat écrit est déposé sur-le-champ. Une copie est également envoyée dans un délai de quatorze jours par envoi recommandé ou par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi, dans les deux cas avec accusé de réception, à l'employeur, son préposé, son mandataire ou l'indépendant.]2
§ 3. L'écrit visé au § 1er doit au moins mentionner :
1° la date et l'heure auxquelles les mesures sont prises;
2° l'identité des inspecteurs sociaux, la qualité en laquelle ils interviennent et l'administration dont ils relèvent;
3° les mesures prises;
4° la reproduction du texte des article 209 et 210;
5° les voies de recours contre les mesures, l'arrondissement judiciaire compétent ainsi que la reproduction du texte de l'article 2 de la loi du 2 juin 2010 comportant des dispositions de droit pénal social;
6° l'autorité qui doit être citée en cas de recours.
Lorsque les mesures visées à l'alinéa 1er, 3°, concernent les mesures de recherche visées à l'article 28, § 3, et, le cas échéant, les mesures d'examen qui en découlent et qui ont été effectuées sur ce lieu, la description contient entre autres les données suivantes :
1° la description du lieu ou des lieux où ces mesures de recherche ou d'examen ont eu lieu;
2° la législation dont la surveillance est exercée et à laquelle une infraction a été commise ou probablement commise qui rend nécessaire ces mesures de recherche ou d'examen;
3° la liste des supports d'information visés à l'article 28, § 1er, qui ont été recherchés et, le cas échéant, qui ont été examinés sur place;
4° la description des faits dont il ressort que les mesures de recherche prises ou les mesures d'examen ont eu lieu dans les cas et sous les conditions visés à l'article 28, § 3;
5° la justification du fait que le résultat poursuivi avec les mesures de recherche ou d'examen visées ne pouvait pas être atteint par d'autres mesures, moins contraignantes.
HOOFDSTUK 4. - Overlegging en mededeling van de gegevens
CHAPITRE 4. - Production et communication des données
Art. 54. Mededeling van inlichtingen door de sociaal inspecteurs aan andere administraties
Wanneer zij zulks nodig achten, delen de sociaal inspecteurs de inlichtingen die zij tijdens hun onderzoek hebben ingewonnen mee aan de openbare en aan de meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociaal inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op een andere wetgeving of met de toepassing van een andere wetgeving, in de mate dat die inlichtingen laatstgenoemden kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee zij belast zijn of voor de toepassing van een andere wetgeving.
Deze inlichtingen moeten verplicht worden meegedeeld wanneer de openbare instellingen van sociale zekerheid, de sociaal inspecteurs van de andere inspectiediensten of de andere ambtenaren belast met het toezicht of met de toepassing van een andere wetgeving erom verzoeken.
Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.
Inlichtingen betreffende medische gegevens van persoonlijke aard mogen slechts worden meegedeeld of gebruikt met inachtneming van het medisch beroepsgeheim.
Wanneer zij zulks nodig achten, delen de sociaal inspecteurs de inlichtingen die zij tijdens hun onderzoek hebben ingewonnen mee aan de openbare en aan de meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociaal inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op een andere wetgeving of met de toepassing van een andere wetgeving, in de mate dat die inlichtingen laatstgenoemden kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee zij belast zijn of voor de toepassing van een andere wetgeving.
Deze inlichtingen moeten verplicht worden meegedeeld wanneer de openbare instellingen van sociale zekerheid, de sociaal inspecteurs van de andere inspectiediensten of de andere ambtenaren belast met het toezicht of met de toepassing van een andere wetgeving erom verzoeken.
Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.
Inlichtingen betreffende medische gegevens van persoonlijke aard mogen slechts worden meegedeeld of gebruikt met inachtneming van het medisch beroepsgeheim.
Art. 54. La communication de renseignements par les inspecteurs sociaux à d'autres administrations
Lorsqu'ils l'estiment nécessaire, les inspecteurs sociaux communiquent les renseignements recueillis lors de leur enquête, aux institutions publiques [1 de sécurité sociale]1 et aux institutions coopérantes de sécurité sociale, aux inspecteurs sociaux des autres services d'inspection, ainsi qu'à tous les autres fonctionnaires chargés de la surveillance d'une autre législation ou de l'application d'une autre législation, dans la mesure où ces renseignements peuvent intéresser ces derniers dans l'exercice de la surveillance dont ils sont chargés ou pour l'application d'une autre législation.
Il y a obligation de communiquer ces renseignements lorsque les institutions publiques de sécurité sociale, les inspecteurs sociaux des autres services d'inspection ou les autres fonctionnaires chargés de la surveillance ou de l'application d'une autre législation les demandent.
Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Les renseignements concernant des données médicales à caractère personnel ne peuvent être communiqués ou utilisés que dans le respect du secret médical.
Lorsqu'ils l'estiment nécessaire, les inspecteurs sociaux communiquent les renseignements recueillis lors de leur enquête, aux institutions publiques [1 de sécurité sociale]1 et aux institutions coopérantes de sécurité sociale, aux inspecteurs sociaux des autres services d'inspection, ainsi qu'à tous les autres fonctionnaires chargés de la surveillance d'une autre législation ou de l'application d'une autre législation, dans la mesure où ces renseignements peuvent intéresser ces derniers dans l'exercice de la surveillance dont ils sont chargés ou pour l'application d'une autre législation.
Il y a obligation de communiquer ces renseignements lorsque les institutions publiques de sécurité sociale, les inspecteurs sociaux des autres services d'inspection ou les autres fonctionnaires chargés de la surveillance ou de l'application d'une autre législation les demandent.
Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Les renseignements concernant des données médicales à caractère personnel ne peuvent être communiqués ou utilisés que dans le respect du secret médical.
Wijzigingen
Art. 55. Mededeling van inlichtingen aan de sociaal inspecteurs door andere administraties
Onverminderd artikel 44/1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, zijn alle diensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, de provincies, de gemeenten, de verenigingen waartoe ze behoren, de openbare instellingen die ervan afhangen, alsmede van alle openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, gehouden aan de sociaal inspecteurs, op hun verzoek, alle inlichtingen te geven die laatstgenoemden nuttig achten voor het toezicht op de naleving van de wetgeving waarmee zij belast zijn, alsmede gelijk welke informatiedragers ter inzage over te leggen en kopieën ervan te verstrekken onder gelijk welke vorm.
Alle voornoemde diensten zijn verplicht die inlichtingen en die kopieën kosteloos te verstrekken.
Een samenwerkingsakkoord tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, bedoeld bij artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, regelt de mededeling van inlichtingen aan de sociaal inspecteurs door de diensten van de gemeenschappen en de gewesten, de kosten die er betrekking op hebben, alsmede andere vormen van wederzijdse bijstand en samenwerking.
De inlichtingen en informatiedragers verzameld tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de rechterlijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de rechterlijke overheid.
Onverminderd artikel 44/1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, zijn alle diensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, de provincies, de gemeenten, de verenigingen waartoe ze behoren, de openbare instellingen die ervan afhangen, alsmede van alle openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, gehouden aan de sociaal inspecteurs, op hun verzoek, alle inlichtingen te geven die laatstgenoemden nuttig achten voor het toezicht op de naleving van de wetgeving waarmee zij belast zijn, alsmede gelijk welke informatiedragers ter inzage over te leggen en kopieën ervan te verstrekken onder gelijk welke vorm.
Alle voornoemde diensten zijn verplicht die inlichtingen en die kopieën kosteloos te verstrekken.
Een samenwerkingsakkoord tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, bedoeld bij artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, regelt de mededeling van inlichtingen aan de sociaal inspecteurs door de diensten van de gemeenschappen en de gewesten, de kosten die er betrekking op hebben, alsmede andere vormen van wederzijdse bijstand en samenwerking.
De inlichtingen en informatiedragers verzameld tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de rechterlijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de rechterlijke overheid.
Art. 55. La communication de renseignements aux inspecteurs sociaux par d'autres administrations
Sans préjudice de l'article 44/1 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, tous les services de l'Etat, y compris les parquets et les greffes des cours et de toutes les juridictions, des provinces, des communes, des associations dont elles font partie, des institutions publiques qui en dépendent, ainsi que de toutes les institutions publiques et les institutions coopérantes de sécurité sociale, sont tenus, vis-à-vis des inspecteurs sociaux et à leur demande, de leur fournir tous renseignements que ces derniers estiment utiles au contrôle du respect de la législation dont ils sont chargés, ainsi que de leur produire, pour en prendre connaissance, tous les supports d'information et de leur en fournir des copies sous n'importe quelle forme.
Tous les services précités sont tenus de fournir sans frais ces renseignements et ces copies.
Un accord de coopération entre l'Etat, les communautés et les régions, visé à l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, règle la communication des renseignements aux inspecteurs sociaux par les services des communautés et des régions ainsi que les frais y afférents et les autres formes d'assistance réciproque et de collaboration.
Toutefois, tous les renseignements et tous les supports d'information recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Sans préjudice de l'article 44/1 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, tous les services de l'Etat, y compris les parquets et les greffes des cours et de toutes les juridictions, des provinces, des communes, des associations dont elles font partie, des institutions publiques qui en dépendent, ainsi que de toutes les institutions publiques et les institutions coopérantes de sécurité sociale, sont tenus, vis-à-vis des inspecteurs sociaux et à leur demande, de leur fournir tous renseignements que ces derniers estiment utiles au contrôle du respect de la législation dont ils sont chargés, ainsi que de leur produire, pour en prendre connaissance, tous les supports d'information et de leur en fournir des copies sous n'importe quelle forme.
Tous les services précités sont tenus de fournir sans frais ces renseignements et ces copies.
Un accord de coopération entre l'Etat, les communautés et les régions, visé à l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, règle la communication des renseignements aux inspecteurs sociaux par les services des communautés et des régions ainsi que les frais y afférents et les autres formes d'assistance réciproque et de collaboration.
Toutefois, tous les renseignements et tous les supports d'information recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Art. 56. Gebruikmaking van inlichtingen die verkregen zijn van andere administraties of inspectiediensten
De openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, de sociaal inspecteurs, de sociaal inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook alle ambtenaren belast met het toezicht op een andere wetgeving, mogen de inlichtingen verkregen op grond van respectievelijk artikelen 54 of 55 gebruiken voor de uitoefening van alle opdrachten betreffende het toezicht waarmee ze belast zijn.
De openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, de sociaal inspecteurs, de sociaal inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook alle ambtenaren belast met het toezicht op een andere wetgeving, mogen de inlichtingen verkregen op grond van respectievelijk artikelen 54 of 55 gebruiken voor de uitoefening van alle opdrachten betreffende het toezicht waarmee ze belast zijn.
Art. 56. L'utilisation de renseignements obtenus d'autres administrations ou services d'inspection
Les institutions publiques et les institutions coopérantes de sécurité sociale, les inspecteurs sociaux, les inspecteurs sociaux des autres services d'inspection, ainsi que tous les autres fonctionnaires chargés de la surveillance d'une autre législation, peuvent utiliser les renseignements obtenus sur la base respectivement des articles 54 ou 55 pour l'exercice de toutes les missions concernant la surveillance dont ils sont chargés.
Les institutions publiques et les institutions coopérantes de sécurité sociale, les inspecteurs sociaux, les inspecteurs sociaux des autres services d'inspection, ainsi que tous les autres fonctionnaires chargés de la surveillance d'une autre législation, peuvent utiliser les renseignements obtenus sur la base respectivement des articles 54 ou 55 pour l'exercice de toutes les missions concernant la surveillance dont ils sont chargés.
Art. 57. Gegevensuitwisseling en andere vormen van samenwerking met de arbeidsinspecties van de andere lidstaten van de Internationale Arbeidsorganisatie en de Staten die Verdrag nr. 81 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel niet hebben ondertekend
Met de arbeidsinspecties van de andere lidstaten van de Internationale Arbeidsorganisatie, waar het Verdrag nr. 81 betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel, goedgekeurd bij de wet van 29 maart 1957, gelding heeft, mogen de sociaal inspecteurs alle inlichtingen uitwisselen die van nut kunnen zijn voor de uitoefening van het toezicht waarmee elk van hen belast is.
Van de inlichtingen die van de arbeidsinspecties van de andere lidstaten van de Internationale Arbeidsorganisatie worden verkregen, wordt op dezelfde wijze gebruik gemaakt als van de soortgelijke inlichtingen die de sociaal inspecteurs rechtstreeks inzamelen.
De inlichtingen ten behoeve van de arbeidsinspecties van die lidstaten worden op dezelfde wijze ingezameld door de sociaal inspecteurs als de soortgelijke inlichtingen die zij inzamelen voor de uitoefening van het toezicht waarmee zij zelf belast zijn.
De administraties waartoe de sociaal inspecteurs behoren kunnen eveneens, ter uitvoering van een akkoord dat met de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van de Internationale Arbeidsorganisatie wordt gesloten, op het nationale grondgebied de aanwezigheid toestaan van ambtenaren van de arbeidsinspectie van die lidstaat om alle inlichtingen in te zamelen die van nut kunnen zijn voor de uitoefening van het toezicht waarmee laatstgenoemden belast zijn.
De inlichtingen die door een sociaal inspecteur in het buitenland worden ingezameld in het kader van een akkoord dat met een lidstaat van de Internationale Arbeidsorganisatie is gesloten, kunnen in dezelfde voorwaarden worden gebruikt als de inlichtingen die hier te lande door de sociaal inspecteurs worden ingezameld.
Ter uitvoering van een dergelijk akkoord kunnen de administraties waartoe de sociaal inspecteurs behoren met de arbeidsinspecties van de andere lidstaten van de Internationale Arbeidsorganisatie bedoeld in het eerste lid eveneens overgaan tot andere vormen van wederzijdse bijstand en samenwerking.
Het bepaalde in het eerste tot zesde lid is tevens van toepassing op de akkoorden gesloten inzake uitwisseling van gegevens tussen de bevoegde Belgische autoriteiten en de bevoegde autoriteiten van de Staten die het Verdrag nr. 81 betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel, goedgekeurd bij de wet van 29 maart 1957, niet hebben ondertekend.
Met de arbeidsinspecties van de andere lidstaten van de Internationale Arbeidsorganisatie, waar het Verdrag nr. 81 betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel, goedgekeurd bij de wet van 29 maart 1957, gelding heeft, mogen de sociaal inspecteurs alle inlichtingen uitwisselen die van nut kunnen zijn voor de uitoefening van het toezicht waarmee elk van hen belast is.
Van de inlichtingen die van de arbeidsinspecties van de andere lidstaten van de Internationale Arbeidsorganisatie worden verkregen, wordt op dezelfde wijze gebruik gemaakt als van de soortgelijke inlichtingen die de sociaal inspecteurs rechtstreeks inzamelen.
De inlichtingen ten behoeve van de arbeidsinspecties van die lidstaten worden op dezelfde wijze ingezameld door de sociaal inspecteurs als de soortgelijke inlichtingen die zij inzamelen voor de uitoefening van het toezicht waarmee zij zelf belast zijn.
De administraties waartoe de sociaal inspecteurs behoren kunnen eveneens, ter uitvoering van een akkoord dat met de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van de Internationale Arbeidsorganisatie wordt gesloten, op het nationale grondgebied de aanwezigheid toestaan van ambtenaren van de arbeidsinspectie van die lidstaat om alle inlichtingen in te zamelen die van nut kunnen zijn voor de uitoefening van het toezicht waarmee laatstgenoemden belast zijn.
De inlichtingen die door een sociaal inspecteur in het buitenland worden ingezameld in het kader van een akkoord dat met een lidstaat van de Internationale Arbeidsorganisatie is gesloten, kunnen in dezelfde voorwaarden worden gebruikt als de inlichtingen die hier te lande door de sociaal inspecteurs worden ingezameld.
Ter uitvoering van een dergelijk akkoord kunnen de administraties waartoe de sociaal inspecteurs behoren met de arbeidsinspecties van de andere lidstaten van de Internationale Arbeidsorganisatie bedoeld in het eerste lid eveneens overgaan tot andere vormen van wederzijdse bijstand en samenwerking.
Het bepaalde in het eerste tot zesde lid is tevens van toepassing op de akkoorden gesloten inzake uitwisseling van gegevens tussen de bevoegde Belgische autoriteiten en de bevoegde autoriteiten van de Staten die het Verdrag nr. 81 betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel, goedgekeurd bij de wet van 29 maart 1957, niet hebben ondertekend.
Art. 57. L'échange d'information et les autres formes de collaboration avec les inspections du travail des autres Etats membres de l'Organisation internationale du travail et des Etats non signataires de la Convention n° 81 relative à l'inspection du travail dans l'industrie et le commerce
Les inspecteurs sociaux peuvent échanger avec les inspections du travail des autres Etats membres de l'Organisation internationale du travail, où la convention n° 81 relative à l'inspection du travail dans l'industrie et le commerce, approuvée par la loi du 29 mars 1957, est en vigueur, tous renseignements qui peuvent être utiles pour l'exercice de la surveillance dont chacun d'entre eux est chargé.
Les renseignements reçus des inspections du travail des autres Etats membres de l'Organisation internationale du travail sont utilisés dans les mêmes conditions que les renseignements similaires recueillis directement par les inspecteurs sociaux.
Les renseignements destinés aux inspections du travail de ces Etats membres sont recueillis par les inspecteurs sociaux dans les mêmes conditions que les renseignements similaires destinés à l'exercice de la surveillance dont ils sont chargés eux-mêmes.
Les administrations auxquelles appartiennent les inspecteurs sociaux peuvent également, en exécution d'un accord conclu avec les autorités compétentes d'un Etat membre de l'Organisation internationale du travail, autoriser sur le territoire national la présence de fonctionnaires de l'inspection du travail de cet Etat membre en vue de recueillir tout renseignement qui peut être utile à l'exercice de la surveillance dont ces derniers sont chargés.
Les renseignements recueillis à l'étranger par un inspecteur social dans le cadre d'un accord conclu avec un Etat membre de l'Organisation internationale du travail, peuvent être utilisés dans les mêmes conditions que les renseignements recueillis dans le pays par les inspecteurs sociaux.
En exécution d'un tel accord, les administrations dont les inspecteurs sociaux relèvent peuvent recourir à d'autres formes d'assistance réciproque et de collaboration avec les inspections du travail des autres Etats membres de l'Organisation internationale du travail visées à l'alinéa 1er.
Les dispositions des alinéas 1er à 6 sont également applicables aux accords conclus en matière d'échange d'information entre les autorités compétentes belges et les autorités compétentes des Etats non-signataires de la convention n° 81 relative à l'inspection du travail dans l'industrie et le commerce approuvée par la loi du 29 mars 1957.
Les inspecteurs sociaux peuvent échanger avec les inspections du travail des autres Etats membres de l'Organisation internationale du travail, où la convention n° 81 relative à l'inspection du travail dans l'industrie et le commerce, approuvée par la loi du 29 mars 1957, est en vigueur, tous renseignements qui peuvent être utiles pour l'exercice de la surveillance dont chacun d'entre eux est chargé.
Les renseignements reçus des inspections du travail des autres Etats membres de l'Organisation internationale du travail sont utilisés dans les mêmes conditions que les renseignements similaires recueillis directement par les inspecteurs sociaux.
Les renseignements destinés aux inspections du travail de ces Etats membres sont recueillis par les inspecteurs sociaux dans les mêmes conditions que les renseignements similaires destinés à l'exercice de la surveillance dont ils sont chargés eux-mêmes.
Les administrations auxquelles appartiennent les inspecteurs sociaux peuvent également, en exécution d'un accord conclu avec les autorités compétentes d'un Etat membre de l'Organisation internationale du travail, autoriser sur le territoire national la présence de fonctionnaires de l'inspection du travail de cet Etat membre en vue de recueillir tout renseignement qui peut être utile à l'exercice de la surveillance dont ces derniers sont chargés.
Les renseignements recueillis à l'étranger par un inspecteur social dans le cadre d'un accord conclu avec un Etat membre de l'Organisation internationale du travail, peuvent être utilisés dans les mêmes conditions que les renseignements recueillis dans le pays par les inspecteurs sociaux.
En exécution d'un tel accord, les administrations dont les inspecteurs sociaux relèvent peuvent recourir à d'autres formes d'assistance réciproque et de collaboration avec les inspections du travail des autres Etats membres de l'Organisation internationale du travail visées à l'alinéa 1er.
Les dispositions des alinéas 1er à 6 sont également applicables aux accords conclus en matière d'échange d'information entre les autorités compétentes belges et les autorités compétentes des Etats non-signataires de la convention n° 81 relative à l'inspection du travail dans l'industrie et le commerce approuvée par la loi du 29 mars 1957.
HOOFDSTUK 5. - Plichten van de sociaal inspecteurs
CHAPITRE 5. - Les devoirs des inspecteurs sociaux
Art. 58. Vertrouwelijkheid van de gegevens
De sociaal inspecteurs moeten de nodige maatregelen nemen om het vertrouwelijk karakter te verzekeren van de sociale gegevens van persoonlijke aard waarvan ze kennis hebben gekregen in de uitoefening van hun opdracht en om te verzekeren dat deze gegevens uitsluitend worden aangewend voor de uitoefening van hun toezichtopdracht.
[2 Hij die het eerste lid schendt, zelfs voor de rechtbanken, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.]2
[1 ...]1
De sociaal inspecteurs moeten de nodige maatregelen nemen om het vertrouwelijk karakter te verzekeren van de sociale gegevens van persoonlijke aard waarvan ze kennis hebben gekregen in de uitoefening van hun opdracht en om te verzekeren dat deze gegevens uitsluitend worden aangewend voor de uitoefening van hun toezichtopdracht.
[2 Hij die het eerste lid schendt, zelfs voor de rechtbanken, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.]2
[1 ...]1
Art. 58. La confidentialité des données
Les inspecteurs sociaux doivent prendre les mesures nécessaires afin de garantir le caractère confidentiel des données sociales à caractère personnel dont ils ont obtenu connaissance dans l'exercice de leur mission, et afin de garantir l'usage de ces données aux seules fins requises pour l'exercice de leur mission de surveillance.
[2 Celui qui viole l'alinéa 1er, même devant les tribunaux, est puni des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.]2
[1 ...]1
Les inspecteurs sociaux doivent prendre les mesures nécessaires afin de garantir le caractère confidentiel des données sociales à caractère personnel dont ils ont obtenu connaissance dans l'exercice de leur mission, et afin de garantir l'usage de ces données aux seules fins requises pour l'exercice de leur mission de surveillance.
[2 Celui qui viole l'alinéa 1er, même devant les tribunaux, est puni des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.]2
[1 ...]1
Art. 58/1. [1 Het geheim van het administratief onderzoek
Behoudens de wettelijke uitzonderingen is het administratief onderzoek geheim.
Eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het administratief onderzoek, is tot geheimhouding verplicht.
Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.]1
Behoudens de wettelijke uitzonderingen is het administratief onderzoek geheim.
Eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het administratief onderzoek, is tot geheimhouding verplicht.
Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.]1
Art. 58/1. [1 Le secret de l'enquête administrative
Sauf les exceptions prévues par la loi, l'enquête administrative est secrète.
Toute personne appelée à collaborer à l'enquête administrative à titre professionnel est tenue au secret professionnel.
Celui qui viole ce secret est puni des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.]1
Sauf les exceptions prévues par la loi, l'enquête administrative est secrète.
Toute personne appelée à collaborer à l'enquête administrative à titre professionnel est tenue au secret professionnel.
Celui qui viole ce secret est puni des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.]1
Art. 59. [1 Geheimhoudingsplicht in geval van een klacht of een aangifte]1
Behoudens uitdrukkelijke machtiging van de indiener van een klacht of van een aangifte betreffende een inbreuk op de bepalingen van de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen, mogen de sociaal inspecteurs in geen enkel geval, zelfs niet voor de rechtbanken, de naam van de indiener van deze klacht of van deze aangifte bekend maken.
Het is hun eveneens verboden aan de werkgever of aan zijn vertegenwoordiger te onthullen dat ingevolge een klacht of een aangifte een onderzoek werd ingesteld.
[1 Hij die deze geheimhoudingsplicht schendt, zelfs voor de rechtbanken, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.]1
Behoudens uitdrukkelijke machtiging van de indiener van een klacht of van een aangifte betreffende een inbreuk op de bepalingen van de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen, mogen de sociaal inspecteurs in geen enkel geval, zelfs niet voor de rechtbanken, de naam van de indiener van deze klacht of van deze aangifte bekend maken.
Het is hun eveneens verboden aan de werkgever of aan zijn vertegenwoordiger te onthullen dat ingevolge een klacht of een aangifte een onderzoek werd ingesteld.
[1 Hij die deze geheimhoudingsplicht schendt, zelfs voor de rechtbanken, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.]1
Art. 59. [1 Le devoir de discrétion en cas de plainte ou de dénonciation]1
Sauf autorisation expresse de l'auteur d'une plainte ou d'une dénonciation relative à une infraction aux dispositions de la législation dont ils exercent la surveillance, les inspecteurs sociaux ne peuvent révéler en aucun cas, même devant les tribunaux, le nom de l'auteur de cette plainte ou de cette dénonciation.
Il leur est également interdit de révéler à l'employeur ou à son représentant qu'il a été procédé à une enquête à la suite d'une plainte ou d'une dénonciation.
[1 Celui qui viole ce devoir de discrétion, même devant les tribunaux, est puni des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.]1
Sauf autorisation expresse de l'auteur d'une plainte ou d'une dénonciation relative à une infraction aux dispositions de la législation dont ils exercent la surveillance, les inspecteurs sociaux ne peuvent révéler en aucun cas, même devant les tribunaux, le nom de l'auteur de cette plainte ou de cette dénonciation.
Il leur est également interdit de révéler à l'employeur ou à son représentant qu'il a été procédé à une enquête à la suite d'une plainte ou d'une dénonciation.
[1 Celui qui viole ce devoir de discrétion, même devant les tribunaux, est puni des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.]1
Wijzigingen
Art. 60. Integriteitsplicht van de sociaal inspecteurs
De sociaal inspecteurs mogen geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben in de ondernemingen of instellingen waarop zij toezicht dienen uit te oefenen.
De sociaal inspecteurs mogen geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben in de ondernemingen of instellingen waarop zij toezicht dienen uit te oefenen.
Art. 60. L'obligation d'intégrité des inspecteurs sociaux
Les inspecteurs sociaux ne peuvent avoir un intérêt quelconque, direct ou indirect, dans les entreprises ou institutions qu'ils sont chargés de contrôler.
Les inspecteurs sociaux ne peuvent avoir un intérêt quelconque, direct ou indirect, dans les entreprises ou institutions qu'ils sont chargés de contrôler.
Art. 61. Voorschriften inzake de plichtenleer
De sociaal inspecteurs dienen bij het uitvoeren van hun toezichtopdracht de voorschriften inzake de plichtenleer in acht te nemen.
[1 Overeenkomstig artikel 14ter, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel bepalen de ministers, onder wiens bevoegdheid de sociaal inspecteurs vallen, de aanvullende deontologische regels van de sociaal inspecteurs, met het respect voor het deontologische kader voor de ambtenaren van het federaal administratief openbaar ambt, na advies van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, zoals bedoeld in artikel 3.]1
De sociaal inspecteurs dienen bij het uitvoeren van hun toezichtopdracht de voorschriften inzake de plichtenleer in acht te nemen.
[1 Overeenkomstig artikel 14ter, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel bepalen de ministers, onder wiens bevoegdheid de sociaal inspecteurs vallen, de aanvullende deontologische regels van de sociaal inspecteurs, met het respect voor het deontologische kader voor de ambtenaren van het federaal administratief openbaar ambt, na advies van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, zoals bedoeld in artikel 3.]1
Art. 61. Les règles de déontologie
Les inspecteurs sociaux sont tenus de respecter, dans l'exercice de leur mission de surveillance, les règles de déontologie.
[1 Conformément à l'article 14ter, alinéa 2, de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, les ministres dont les inspecteurs sociaux relèvent déterminent les règles de déontologie complémentaires des inspecteurs sociaux, dans le respect du cadre déontologique des agents de la fonction publique administrative fédérale et après avis du Service d'information et de recherche sociale visé à l'article 3.]1
Les inspecteurs sociaux sont tenus de respecter, dans l'exercice de leur mission de surveillance, les règles de déontologie.
[1 Conformément à l'article 14ter, alinéa 2, de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, les ministres dont les inspecteurs sociaux relèvent déterminent les règles de déontologie complémentaires des inspecteurs sociaux, dans le respect du cadre déontologique des agents de la fonction publique administrative fédérale et après avis du Service d'information et de recherche sociale visé à l'article 3.]1
Wijzigingen
TITEL 3. - Processen-verbaal
TITRE 3. - Les procès-verbaux
HOOFDSTUK 1. - Processen-verbaal van verhoor
CHAPITRE 1er. - Les procès-verbaux d'audition
Art. 62. Het verhoor
Bij het verhoren van personen, ongeacht in welke hoedanigheid zij worden verhoord, worden ten minste de volgende regels in acht genomen :
1° ieder verhoor begint met de mededeling aan de ondervraagde persoon dat :
a) hij kan vragen dat alle vragen die hem worden gesteld en alle antwoorden die hij geeft, worden genoteerd in de gebruikte bewoordingen;
b) hij kan vragen dat iedere maatregel behorende tot de bevoegdheid van de sociaal inspecteurs krachtens dit Wetboek wordt verricht;
c) zijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt;
2° eenieder die wordt ondervraagd, mag gebruik maken van de documenten in zijn bezit, zonder dat daardoor het verhoor wordt uitgesteld. Hij mag, tijdens de ondervraging of later, eisen dat deze documenten bij het proces-verbaal van verhoor worden gevoegd;
3° het proces-verbaal vermeldt nauwkeurig het tijdstip waarop het verhoor wordt aangevat, eventueel onderbroken en hervat, alsook beëindigd. Het vermeldt nauwkeurig de identiteit van de personen die in het verhoor, of in een gedeelte daarvan, tussenkomen, en het tijdstip van hun aankomst en vertrek. Het vermeldt ook de bijzondere omstandigheden en alles wat op de verklaring of de omstandigheden waarin zij is afgelegd, een bijzonder licht kan werpen.
Aan het einde van het verhoor geeft men de ondervraagde persoon het proces-verbaal van zijn verhoor te lezen, tenzij hij vraagt dat het hem wordt voorgelezen. Er wordt hem gevraagd of hij zijn verklaringen wil verbeteren of daaraan iets wil toevoegen.
Indien de ondervraagde persoon zich in een andere taal dan die van de procedure wenst uit te drukken, wordt ofwel een beroep gedaan op een beëdigde tolk, ofwel worden zijn verklaringen genoteerd in zijn taal, ofwel wordt hem gevraagd zelf zijn verklaring te noteren. Zo het verhoor plaatsheeft met bijstand van een tolk worden diens identiteit en hoedanigheid vermeld.
Het proces-verbaal van verhoor geeft de tekst van dit artikel weer.
Bij het verhoren van personen, ongeacht in welke hoedanigheid zij worden verhoord, worden ten minste de volgende regels in acht genomen :
1° ieder verhoor begint met de mededeling aan de ondervraagde persoon dat :
a) hij kan vragen dat alle vragen die hem worden gesteld en alle antwoorden die hij geeft, worden genoteerd in de gebruikte bewoordingen;
b) hij kan vragen dat iedere maatregel behorende tot de bevoegdheid van de sociaal inspecteurs krachtens dit Wetboek wordt verricht;
c) zijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt;
2° eenieder die wordt ondervraagd, mag gebruik maken van de documenten in zijn bezit, zonder dat daardoor het verhoor wordt uitgesteld. Hij mag, tijdens de ondervraging of later, eisen dat deze documenten bij het proces-verbaal van verhoor worden gevoegd;
3° het proces-verbaal vermeldt nauwkeurig het tijdstip waarop het verhoor wordt aangevat, eventueel onderbroken en hervat, alsook beëindigd. Het vermeldt nauwkeurig de identiteit van de personen die in het verhoor, of in een gedeelte daarvan, tussenkomen, en het tijdstip van hun aankomst en vertrek. Het vermeldt ook de bijzondere omstandigheden en alles wat op de verklaring of de omstandigheden waarin zij is afgelegd, een bijzonder licht kan werpen.
Aan het einde van het verhoor geeft men de ondervraagde persoon het proces-verbaal van zijn verhoor te lezen, tenzij hij vraagt dat het hem wordt voorgelezen. Er wordt hem gevraagd of hij zijn verklaringen wil verbeteren of daaraan iets wil toevoegen.
Indien de ondervraagde persoon zich in een andere taal dan die van de procedure wenst uit te drukken, wordt ofwel een beroep gedaan op een beëdigde tolk, ofwel worden zijn verklaringen genoteerd in zijn taal, ofwel wordt hem gevraagd zelf zijn verklaring te noteren. Zo het verhoor plaatsheeft met bijstand van een tolk worden diens identiteit en hoedanigheid vermeld.
Het proces-verbaal van verhoor geeft de tekst van dit artikel weer.
Art. 62. L'audition
Lors de l'audition de personnes, entendues en quelque qualité que ce soit, seront respectées au moins les règles suivantes :
1° au début de toute audition, il est communiqué à la personne interrogée :
a) qu'elle peut demander que toutes les questions qui lui sont posées et les réponses qu'elle donne soient actées dans les termes utilisés;
b) qu'elle peut demander qu'il soit procédé à toute mesure relevant du pouvoir des inspecteurs sociaux en vertu du présent Code;
c) que ses déclarations peuvent être utilisées comme preuve en justice;
2° toute personne interrogée peut utiliser les documents en sa possession, sans que cela puisse entraîner le report de l'audition. Elle peut, lors de l'interrogatoire ou ultérieurement, exiger que ces documents soient joints au procès-verbal d'audition;
3° le procès-verbal mentionne avec précision l'heure à laquelle l'audition prend cours, est éventuellement interrompue et reprise, et prend fin. Il mentionne avec précision l'identité des personnes qui interviennent lors de l'audition ou à une partie de celle-ci ainsi que le moment de leur arrivée et de leur départ. Il mentionne également les circonstances particulières et tout ce qui peut éclairer d'un jour particulier la déclaration ou les circonstances dans lesquelles elle a été faite.
A la fin de l'audition, le procès-verbal est donné en lecture à la personne interrogée, à moins que celle-ci ne demande que lecture lui en soit faite. Il lui est demandé si ses déclarations ne doivent pas être corrigées ou complétées.
Si la personne interrogée souhaite s'exprimer dans une autre langue que celle de la procédure, soit il est fait appel à un interprète assermenté, soit ses déclarations sont notées dans sa langue, soit il lui est demandé de noter elle-même sa déclaration. Si l'interrogatoire a lieu avec l'assistance d'un interprète, son identité et sa qualité sont mentionnées.
Le procès verbal d'audition reproduit le texte du présent article .
Lors de l'audition de personnes, entendues en quelque qualité que ce soit, seront respectées au moins les règles suivantes :
1° au début de toute audition, il est communiqué à la personne interrogée :
a) qu'elle peut demander que toutes les questions qui lui sont posées et les réponses qu'elle donne soient actées dans les termes utilisés;
b) qu'elle peut demander qu'il soit procédé à toute mesure relevant du pouvoir des inspecteurs sociaux en vertu du présent Code;
c) que ses déclarations peuvent être utilisées comme preuve en justice;
2° toute personne interrogée peut utiliser les documents en sa possession, sans que cela puisse entraîner le report de l'audition. Elle peut, lors de l'interrogatoire ou ultérieurement, exiger que ces documents soient joints au procès-verbal d'audition;
3° le procès-verbal mentionne avec précision l'heure à laquelle l'audition prend cours, est éventuellement interrompue et reprise, et prend fin. Il mentionne avec précision l'identité des personnes qui interviennent lors de l'audition ou à une partie de celle-ci ainsi que le moment de leur arrivée et de leur départ. Il mentionne également les circonstances particulières et tout ce qui peut éclairer d'un jour particulier la déclaration ou les circonstances dans lesquelles elle a été faite.
A la fin de l'audition, le procès-verbal est donné en lecture à la personne interrogée, à moins que celle-ci ne demande que lecture lui en soit faite. Il lui est demandé si ses déclarations ne doivent pas être corrigées ou complétées.
Si la personne interrogée souhaite s'exprimer dans une autre langue que celle de la procédure, soit il est fait appel à un interprète assermenté, soit ses déclarations sont notées dans sa langue, soit il lui est demandé de noter elle-même sa déclaration. Si l'interrogatoire a lieu avec l'assistance d'un interprète, son identité et sa qualité sont mentionnées.
Le procès verbal d'audition reproduit le texte du présent article .
Art. 63. Overhandiging van een kopie van de tekst van het verhoor aan de gehoorde persoon
Onverminderd de bepalingen in bijzondere wetten delen de sociaal inspecteurs die een persoon ondervragen, deze persoon mee dat hij kosteloos een kopie van de tekst van zijn verhoor kan verkrijgen.
Deze kopie wordt hem onmiddellijk of binnen de maand overhandigd of toegezonden.
Evenwel kan de door de Koning aangewezen ambtenaar, met een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van deze mededeling uitstellen voor een eenmalig hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.
Het proces-verbaal van verhoor geeft de tekst van dit artikel weer.
Onverminderd de bepalingen in bijzondere wetten delen de sociaal inspecteurs die een persoon ondervragen, deze persoon mee dat hij kosteloos een kopie van de tekst van zijn verhoor kan verkrijgen.
Deze kopie wordt hem onmiddellijk of binnen de maand overhandigd of toegezonden.
Evenwel kan de door de Koning aangewezen ambtenaar, met een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van deze mededeling uitstellen voor een eenmalig hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.
Het proces-verbaal van verhoor geeft de tekst van dit artikel weer.
Art. 63. La remise d'une copie du texte de l'audition à la personne entendue
Sans préjudice des dispositions des lois particulières, les inspecteurs sociaux qui interrogent une personne l'informent qu'elle peut demander une copie du texte de son audition, qui lui est délivrée gratuitement.
Cette copie lui est remise ou adressée immédiatement ou dans le mois.
Toutefois, le fonctionnaire désigné par le Roi peut, par décision motivée, retarder le moment de cette communication pendant un délai de trois mois maximum renouvelable une fois. Cette décision est déposée au dossier.
Le procès-verbal d'audition reproduit le texte du présent article .
Sans préjudice des dispositions des lois particulières, les inspecteurs sociaux qui interrogent une personne l'informent qu'elle peut demander une copie du texte de son audition, qui lui est délivrée gratuitement.
Cette copie lui est remise ou adressée immédiatement ou dans le mois.
Toutefois, le fonctionnaire désigné par le Roi peut, par décision motivée, retarder le moment de cette communication pendant un délai de trois mois maximum renouvelable une fois. Cette décision est déposée au dossier.
Le procès-verbal d'audition reproduit le texte du présent article .
HOOFDSTUK 2. - Processen-verbaal tot vaststelling van een inbreuk
CHAPITRE 2. - Les procès-verbaux constatant une infraction
Art. 64. Proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk
Ieder proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek bevat minstens de volgende gegevens :
1° de identiteit van de verbaliserende ambtenaar;
2° de bepaling waaraan de verbaliserende ambtenaar zijn bevoegdheid tot optreden ontleent;
3° de plaats en de datum van de inbreuk;
4° de identiteit van de vermoedelijke dader en van de betrokkenen;
5° de wetsbepaling waarop inbreuk werd gepleegd;
6° een beknopt relaas van de feiten met betrekking tot de gepleegde inbreuken;
7° de datum en de plaats van opmaak van het proces-verbaal, het eventuele verband met andere processen-verbaal, en, in voorkomend geval, de inventaris van de bijlagen.
De Koning kan algemene vormregels opstellen die toepasselijk zijn voor de processen-verbaal tot vaststelling van een inbreuk.
Ieder proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek bevat minstens de volgende gegevens :
1° de identiteit van de verbaliserende ambtenaar;
2° de bepaling waaraan de verbaliserende ambtenaar zijn bevoegdheid tot optreden ontleent;
3° de plaats en de datum van de inbreuk;
4° de identiteit van de vermoedelijke dader en van de betrokkenen;
5° de wetsbepaling waarop inbreuk werd gepleegd;
6° een beknopt relaas van de feiten met betrekking tot de gepleegde inbreuken;
7° de datum en de plaats van opmaak van het proces-verbaal, het eventuele verband met andere processen-verbaal, en, in voorkomend geval, de inventaris van de bijlagen.
De Koning kan algemene vormregels opstellen die toepasselijk zijn voor de processen-verbaal tot vaststelling van een inbreuk.
Art. 64. Le procès-verbal constatant une infraction
Tout procès-verbal constatant une infraction aux dispositions du présent Code contient au moins les données suivantes :
1° l'identité du fonctionnaire verbalisant;
2° la disposition en vertu de laquelle le fonctionnaire verbalisant est compétent pour agir;
3° le lieu et la date de l'infraction;
4° l'identité de l'auteur présumé et des personnes intéressées;
5° la disposition légale violée;
6° un exposé succinct des faits en rapport avec les infractions commises;
7° les date et lieu de rédaction du procès-verbal, le lien éventuel avec d'autres procès-verbaux, et, le cas échéant, l'inventaire des annexes.
Le Roi peut établir des règles générales de forme applicables aux procès-verbaux de constatation d'une infraction.
Tout procès-verbal constatant une infraction aux dispositions du présent Code contient au moins les données suivantes :
1° l'identité du fonctionnaire verbalisant;
2° la disposition en vertu de laquelle le fonctionnaire verbalisant est compétent pour agir;
3° le lieu et la date de l'infraction;
4° l'identité de l'auteur présumé et des personnes intéressées;
5° la disposition légale violée;
6° un exposé succinct des faits en rapport avec les infractions commises;
7° les date et lieu de rédaction du procès-verbal, le lien éventuel avec d'autres procès-verbaux, et, le cas échéant, l'inventaire des annexes.
Le Roi peut établir des règles générales de forme applicables aux procès-verbaux de constatation d'une infraction.
Art. 65. Mededeling van het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk
Het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk wordt aan het openbaar ministerie overgezonden.
Een exemplaar van het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek wordt bezorgd aan de bevoegde administratie, bedoeld in artikel 70.
Een afschrift wordt bezorgd aan de vermoedelijke dader van de inbreuk alsook eventueel aan zijn werkgever. Bij gebrek aan een afschrift kunnen zij daarvan te allen tijde afschrift krijgen hetzij bij de overheid die het proces-verbaal heeft opgesteld, hetzij bij de bevoegde administratie.
[1 Evenwel, in geval van ernstige en uitzonderlijke omstandigheden kan het openbaar ministerie, met een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van deze mededeling uitstellen voor een eenmaal hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.
In geval van toepassing van het vierde lid, begint de in artikel 66 vermelde termijn van veertien dagen te lopen op de dag na die waarop de termijn van uitstel waartoe het openbaar ministerie heeft besloten afloopt.]1
Het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk wordt aan het openbaar ministerie overgezonden.
Een exemplaar van het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek wordt bezorgd aan de bevoegde administratie, bedoeld in artikel 70.
Een afschrift wordt bezorgd aan de vermoedelijke dader van de inbreuk alsook eventueel aan zijn werkgever. Bij gebrek aan een afschrift kunnen zij daarvan te allen tijde afschrift krijgen hetzij bij de overheid die het proces-verbaal heeft opgesteld, hetzij bij de bevoegde administratie.
[1 Evenwel, in geval van ernstige en uitzonderlijke omstandigheden kan het openbaar ministerie, met een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van deze mededeling uitstellen voor een eenmaal hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.
In geval van toepassing van het vierde lid, begint de in artikel 66 vermelde termijn van veertien dagen te lopen op de dag na die waarop de termijn van uitstel waartoe het openbaar ministerie heeft besloten afloopt.]1
Art. 65. La communication du procès-verbal constatant une infraction
Le procès-verbal constatant une infraction est transmis au ministère public.
Un exemplaire du procès-verbal constatant une infraction aux dispositions du présent Code est transmis à l'administration compétente, visée à l'article 70.
Une copie en est communiquée à l'auteur présumé de l'infraction ainsi que, le cas échéant, à son employeur. A défaut, ceux-ci ont, à tout moment, le droit d'en obtenir une copie, soit auprès de l'autorité qui a dressé le procès- verbal, soit auprès de l'administration compétente.
[1 Toutefois, en cas de circonstances graves et exceptionnelles, le ministère public peut, par une décision motivée, retarder le moment de cette communication pendant un délai de trois mois maximum renouvelable une fois. Cette décision est déposée au dossier.
En cas d'application de l'alinéa 4, le délai de quatorze jours visé à l'article 66 commence à courir le jour suivant l'expiration de la période de report décidée par le ministère public.]1
Le procès-verbal constatant une infraction est transmis au ministère public.
Un exemplaire du procès-verbal constatant une infraction aux dispositions du présent Code est transmis à l'administration compétente, visée à l'article 70.
Une copie en est communiquée à l'auteur présumé de l'infraction ainsi que, le cas échéant, à son employeur. A défaut, ceux-ci ont, à tout moment, le droit d'en obtenir une copie, soit auprès de l'autorité qui a dressé le procès- verbal, soit auprès de l'administration compétente.
[1 Toutefois, en cas de circonstances graves et exceptionnelles, le ministère public peut, par une décision motivée, retarder le moment de cette communication pendant un délai de trois mois maximum renouvelable une fois. Cette décision est déposée au dossier.
En cas d'application de l'alinéa 4, le délai de quatorze jours visé à l'article 66 commence à courir le jour suivant l'expiration de la période de report décidée par le ministère public.]1
Wijzigingen
Art. 66. Bijzondere bewijskracht van de processen-verbaal tot vaststelling van een inbreuk
De processen-verbaal die opgemaakt zijn door de sociaal inspecteurs hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is, voor zover een afschrift ervan ter kennis wordt gebracht van de vermoedelijke dader van de inbreuk en, in voorkomend geval, van zijn werkgever binnen een termijn van veertien dagen die aanvangt de dag na de vaststelling van de inbreuk.
Wanneer de vermoedelijke dader van de inbreuk of de werkgever niet kan worden geïdentificeerd op de dag van de vaststelling van de inbreuk begint de termijn van veertien dagen te lopen op de dag waarop de sociaal inspecteurs de vermoedelijke dader van de inbreuk met zekerheid konden identificeren.
Wanneer de vervaldag, die inbegrepen is in die termijn, een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt deze verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.
Voor de toepassing van de termijn bedoeld in het eerste lid, vormen het geven van een waarschuwing, het verlenen van een termijn om aan de voorschriften te voldoen of het nemen van maatregelen bedoeld in de artikelen 22 tot 49, geen vaststelling van de inbreuk.
De processen-verbaal die opgemaakt zijn door de sociaal inspecteurs hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is, voor zover een afschrift ervan ter kennis wordt gebracht van de vermoedelijke dader van de inbreuk en, in voorkomend geval, van zijn werkgever binnen een termijn van veertien dagen die aanvangt de dag na de vaststelling van de inbreuk.
Wanneer de vermoedelijke dader van de inbreuk of de werkgever niet kan worden geïdentificeerd op de dag van de vaststelling van de inbreuk begint de termijn van veertien dagen te lopen op de dag waarop de sociaal inspecteurs de vermoedelijke dader van de inbreuk met zekerheid konden identificeren.
Wanneer de vervaldag, die inbegrepen is in die termijn, een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt deze verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.
Voor de toepassing van de termijn bedoeld in het eerste lid, vormen het geven van een waarschuwing, het verlenen van een termijn om aan de voorschriften te voldoen of het nemen van maatregelen bedoeld in de artikelen 22 tot 49, geen vaststelling van de inbreuk.
Art. 66. La force probante particulière des procès-verbaux constatant une infraction
Les procès-verbaux dressés par les inspecteurs sociaux font foi jusqu'à preuve du contraire pour autant qu'une copie en soit transmise à l'auteur présumé de l'infraction et, le cas échéant, à son employeur, dans un délai de quatorze jours prenant cours le lendemain du jour de la constatation de l'infraction.
Lorsque l'auteur présumé de l'infraction ou l'employeur ne peut pas être identifié le jour de la constatation de l'infraction, le délai de quatorze jours commence à courir le jour où l'auteur présumé de l'infraction a pu être identifié de façon certaine par les inspecteurs sociaux.
Lorsque le jour de l'échéance, qui est compris dans ce délai, est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, il est reporté au plus prochain jour ouvrable.
Pour l'application du délai visé à l'alinéa 1er, l'avertissement, la fixation d'un délai pour se mettre en ordre ou l'adoption d'une des mesures visées aux articles 22 à 49, n'emportent pas la constatation de l'infraction.
Les procès-verbaux dressés par les inspecteurs sociaux font foi jusqu'à preuve du contraire pour autant qu'une copie en soit transmise à l'auteur présumé de l'infraction et, le cas échéant, à son employeur, dans un délai de quatorze jours prenant cours le lendemain du jour de la constatation de l'infraction.
Lorsque l'auteur présumé de l'infraction ou l'employeur ne peut pas être identifié le jour de la constatation de l'infraction, le délai de quatorze jours commence à courir le jour où l'auteur présumé de l'infraction a pu être identifié de façon certaine par les inspecteurs sociaux.
Lorsque le jour de l'échéance, qui est compris dans ce délai, est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, il est reporté au plus prochain jour ouvrable.
Pour l'application du délai visé à l'alinéa 1er, l'avertissement, la fixation d'un délai pour se mettre en ordre ou l'adoption d'une des mesures visées aux articles 22 à 49, n'emportent pas la constatation de l'infraction.
Art. 67. Draagwijdte van de bijzondere bewijskracht
De materiële vaststellingen die gedaan zijn in een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk door de sociaal inspecteurs van een inspectiedienst kunnen met hun bewijskracht gebruikt worden door de sociaal inspecteurs van dezelfde dienst, van andere inspectiediensten of door de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van een andere wetgeving.
De materiële vaststellingen die gedaan zijn in een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk door de sociaal inspecteurs van een inspectiedienst kunnen met hun bewijskracht gebruikt worden door de sociaal inspecteurs van dezelfde dienst, van andere inspectiediensten of door de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van een andere wetgeving.
Art. 67. L'étendue de la force probante particulière
Les constatations matérielles faites dans un procès-verbal constatant une infraction par les inspecteurs sociaux d'un service d'inspection peuvent être utilisées, avec leur force probante, par les inspecteurs sociaux du même service, des autres services d'inspection ou par les fonctionnaires chargés de la surveillance du respect d'une autre législation.
Les constatations matérielles faites dans un procès-verbal constatant une infraction par les inspecteurs sociaux d'un service d'inspection peuvent être utilisées, avec leur force probante, par les inspecteurs sociaux du même service, des autres services d'inspection ou par les fonctionnaires chargés de la surveillance du respect d'une autre législation.
TITEL 4. - Vervolging van de inbreuken
TITRE 4. - La poursuite des infractions
HOOFDSTUK 1. - De verschillende regels voor de vervolging van de inbreuken
CHAPITRE 1er. - Les différentes modalités de poursuite des infractions
Art. 68. Vervolging vanwege het openbaar ministerie
[1 Onverminderd de rechten van de burgerlijke partij, kunnen de inbreuken vastgesteld bij proces-verbaal die bestraft worden met een sanctie van niveau 2, 3 of 4 en bedoeld in boek 2 op initiatief van het openbaar ministerie aanleiding geven tot strafvervolging voor de correctionele rechtbank, tot het verval van de strafvordering door de betaling van een geldsom bedoeld bij artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering, tot het verval van de strafvordering door de uitvoering van maatregelen en de naleving van voorwaarden bedoeld bij artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering of ten slotte ook tot de in artikel 138bis, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsvordering.]1
[1 Onverminderd de rechten van de burgerlijke partij, kunnen de inbreuken vastgesteld bij proces-verbaal die bestraft worden met een sanctie van niveau 2, 3 of 4 en bedoeld in boek 2 op initiatief van het openbaar ministerie aanleiding geven tot strafvervolging voor de correctionele rechtbank, tot het verval van de strafvordering door de betaling van een geldsom bedoeld bij artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering, tot het verval van de strafvordering door de uitvoering van maatregelen en de naleving van voorwaarden bedoeld bij artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering of ten slotte ook tot de in artikel 138bis, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsvordering.]1
Art. 68. Les modalités des poursuites du ministère public
[1 Sans préjudice des droits de la partie civile, les infractions constatées dans un procès-verbal punies d'une sanction de niveau 2, 3 ou 4 et visées au livre 2 peuvent donner lieu, sur l'initiative du ministère public, à une poursuite pénale devant le tribunal correctionnel, à l'extinction de l'action publique moyennant le paiement d'une somme d'argent visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle, à l'extinction de l'action publique moyennant l'exécution de mesures et le respect des conditions visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle ou enfin à une action visée à l'article 138bis, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire.]1
[1 Sans préjudice des droits de la partie civile, les infractions constatées dans un procès-verbal punies d'une sanction de niveau 2, 3 ou 4 et visées au livre 2 peuvent donner lieu, sur l'initiative du ministère public, à une poursuite pénale devant le tribunal correctionnel, à l'extinction de l'action publique moyennant le paiement d'une somme d'argent visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle, à l'extinction de l'action publique moyennant l'exécution de mesures et le respect des conditions visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle ou enfin à une action visée à l'article 138bis, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire.]1
Wijzigingen
Art. 69. Vervolging vanwege de bevoegde administratie
[1 § 1. Voor de inbreuken vastgesteld bij proces-verbaal die bestraft worden met een sanctie van niveau 1 en bedoeld in boek 2, kan de bevoegde administratie, op eigen initiatief, beslissen tot het opleggen van een administratieve geldboete, een schuldigverklaring of een klassering zonder gevolg.
§ 2. Voor de inbreuken vastgesteld bij proces-verbaal die bestraft worden met een sanctie van niveau 2, 3 of 4 en bedoeld in boek 2, kan de bevoegde administratie beslissen tot het opleggen van een administratieve geldboete, een schuldigverklaring of een klassering zonder gevolg wanneer het openbaar ministerie afziet van strafvervolging van die inbreuken.]1
[1 § 1. Voor de inbreuken vastgesteld bij proces-verbaal die bestraft worden met een sanctie van niveau 1 en bedoeld in boek 2, kan de bevoegde administratie, op eigen initiatief, beslissen tot het opleggen van een administratieve geldboete, een schuldigverklaring of een klassering zonder gevolg.
§ 2. Voor de inbreuken vastgesteld bij proces-verbaal die bestraft worden met een sanctie van niveau 2, 3 of 4 en bedoeld in boek 2, kan de bevoegde administratie beslissen tot het opleggen van een administratieve geldboete, een schuldigverklaring of een klassering zonder gevolg wanneer het openbaar ministerie afziet van strafvervolging van die inbreuken.]1
Art. 69. Les modalités des poursuites de l'administration compétente
[1 § 1er. Pour les infractions constatées dans un procès-verbal punies d'une sanction de niveau 1 et visées au livre 2, l'administration compétente, peut, d'initiative, décider d'infliger une amende administrative, de déclarer la culpabilité ou de classer sans suite.
§ 2. Pour les infractions constatées dans un procès-verbal punies d'une sanction de niveau 2, 3 ou 4 et visées au livre 2, l'administration compétente peut décider d'infliger une amende administrative, de déclarer la culpabilité ou de classer sans suite lorsque le ministère public renonce à poursuivre pénalement ces infractions.]1
[1 § 1er. Pour les infractions constatées dans un procès-verbal punies d'une sanction de niveau 1 et visées au livre 2, l'administration compétente, peut, d'initiative, décider d'infliger une amende administrative, de déclarer la culpabilité ou de classer sans suite.
§ 2. Pour les infractions constatées dans un procès-verbal punies d'une sanction de niveau 2, 3 ou 4 et visées au livre 2, l'administration compétente peut décider d'infliger une amende administrative, de déclarer la culpabilité ou de classer sans suite lorsque le ministère public renonce à poursuivre pénalement ces infractions.]1
Wijzigingen
Art. 70. Bevoegde administratie
De Koning wijst, op de voordracht van de bevoegde ministers, de bevoegde administratie en de ambtenaren van deze administratie aan die gemachtigd zijn om administratieve geldboeten op te leggen.
De Koning wijst, op de voordracht van de bevoegde ministers, de bevoegde administratie en de ambtenaren van deze administratie aan die gemachtigd zijn om administratieve geldboeten op te leggen.
Art. 70. L'administration compétente
Le Roi, sur proposition des ministres compétents, désigne l'administration compétente et les fonctionnaires de cette administration habilités à infliger les amendes administratives.
Le Roi, sur proposition des ministres compétents, désigne l'administration compétente et les fonctionnaires de cette administration habilités à infliger les amendes administratives.
Art. 71. Voorrang van de strafvervolging
De strafvervolging sluit de toepassing van een administratieve geldboete uit, zelfs als ze afgesloten wordt met een vrijspraak.
[1 Het verval van de strafvordering door de betaling van een geldsom bedoeld bij artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering]1, [1 het verval van de strafvordering door de uitvoering van maatregelen en de naleving van voorwaarden bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering]1 of de rechtsvordering die uitgaat van het openbaar ministerie krachtens artikel 138bis, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek sluiten eveneens de toepassing van een administratieve geldboete uit.
De strafvervolging sluit de toepassing van een administratieve geldboete uit, zelfs als ze afgesloten wordt met een vrijspraak.
[1 Het verval van de strafvordering door de betaling van een geldsom bedoeld bij artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering]1, [1 het verval van de strafvordering door de uitvoering van maatregelen en de naleving van voorwaarden bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering]1 of de rechtsvordering die uitgaat van het openbaar ministerie krachtens artikel 138bis, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek sluiten eveneens de toepassing van een administratieve geldboete uit.
Art. 71. La priorité des poursuites pénales
Les poursuites pénales excluent l'application d'une amende administrative même si un acquittement les clôture.
[1 L'extinction de l'action publique moyennant le paiement d'une somme d'argent visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle, l'extinction de l'action publique moyennant l'exécution de mesures et le respect des conditions visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle]1 ou l'action exercée par le ministère public en vertu de l'article 138bis, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire excluent également l'application d'une amende administrative.
Les poursuites pénales excluent l'application d'une amende administrative même si un acquittement les clôture.
[1 L'extinction de l'action publique moyennant le paiement d'une somme d'argent visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle, l'extinction de l'action publique moyennant l'exécution de mesures et le respect des conditions visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle]1 ou l'action exercée par le ministère public en vertu de l'article 138bis, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire excluent également l'application d'une amende administrative.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 2. - Het openbaar ministerie
CHAPITRE 2. - Le ministère public
Art. 72. [1 Het openbaar ministerie bezorgt aan de bevoegde administratie een kennisgeving van:
- zijn beslissing om al dan niet strafvervolging in te stellen;
- zijn beslissing om het verval van de strafvordering bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering voor te stellen;
- het mislukken van het voorstel van het verval van de strafvordering bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering;
- het verval van de strafvordering bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering;
- zijn beslissing om het verval van de strafvordering bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering voor te stellen;
- het mislukken van het voorstel van het verval van de strafvordering bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering;
- het verval van de strafvordering bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering;
- of zijn beslissing om de in artikel 138bis, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsvordering in te stellen.
De bevoegde administratie beslist of de administratieve procedure moet worden opgestart:
- wanneer het openbaar ministerie afziet van het instellen van strafvervolging;
- desgevallend in geval van het mislukken van het voorstel van het verval van de strafvordering bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering;
- desgevallend in geval van mislukken van het voorstel van het verval van de strafvordering bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering;
- desgevallend wanneer het openbaar ministerie afziet van het instellen van de in artikel 138bis, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsvordering;
- of wanneer het openbaar ministerie geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van zes maanden te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk.]1
- zijn beslissing om al dan niet strafvervolging in te stellen;
- zijn beslissing om het verval van de strafvordering bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering voor te stellen;
- het mislukken van het voorstel van het verval van de strafvordering bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering;
- het verval van de strafvordering bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering;
- zijn beslissing om het verval van de strafvordering bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering voor te stellen;
- het mislukken van het voorstel van het verval van de strafvordering bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering;
- het verval van de strafvordering bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering;
- of zijn beslissing om de in artikel 138bis, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsvordering in te stellen.
De bevoegde administratie beslist of de administratieve procedure moet worden opgestart:
- wanneer het openbaar ministerie afziet van het instellen van strafvervolging;
- desgevallend in geval van het mislukken van het voorstel van het verval van de strafvordering bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering;
- desgevallend in geval van mislukken van het voorstel van het verval van de strafvordering bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering;
- desgevallend wanneer het openbaar ministerie afziet van het instellen van de in artikel 138bis, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsvordering;
- of wanneer het openbaar ministerie geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van zes maanden te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk.]1
Art. 72. [1 Le ministère public notifie à l'administration compétente:
- sa décision d'intenter ou non les poursuites pénales;
- sa décision de proposer l'extinction de l'action publique visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle;
- l'échec de la proposition d'extinction de l'action publique visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle;
- l'extinction de l'action publique visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle;
- sa décision de proposer l'extinction de l'action publique visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle;
- l'échec de la proposition d'extinction de l'action publique visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle;
- l'extinction de l'action publique visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle;
- ou sa décision d'exercer l'action visée à l'article 138bis, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire.
L'administration compétente décide s'il y a lieu d'entamer la procédure administrative:
- lorsque le ministère public renonce à intenter les poursuites pénales;
- le cas échéant en cas d'échec de la proposition d'extinction de l'action publique visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle;
- le cas échéant en cas d'échec de la proposition d'extinction de l'action publique visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle;
- le cas échéant lorsque le ministère public renonce à exercer l'action visée à l'article 138bis, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire;
- ou si le ministère public n'a pas pris de décision dans un délai de six mois à compter du jour de la réception du procès-verbal de constatation de l'infraction.]1
- sa décision d'intenter ou non les poursuites pénales;
- sa décision de proposer l'extinction de l'action publique visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle;
- l'échec de la proposition d'extinction de l'action publique visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle;
- l'extinction de l'action publique visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle;
- sa décision de proposer l'extinction de l'action publique visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle;
- l'échec de la proposition d'extinction de l'action publique visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle;
- l'extinction de l'action publique visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle;
- ou sa décision d'exercer l'action visée à l'article 138bis, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire.
L'administration compétente décide s'il y a lieu d'entamer la procédure administrative:
- lorsque le ministère public renonce à intenter les poursuites pénales;
- le cas échéant en cas d'échec de la proposition d'extinction de l'action publique visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle;
- le cas échéant en cas d'échec de la proposition d'extinction de l'action publique visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle;
- le cas échéant lorsque le ministère public renonce à exercer l'action visée à l'article 138bis, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire;
- ou si le ministère public n'a pas pris de décision dans un délai de six mois à compter du jour de la réception du procès-verbal de constatation de l'infraction.]1
Wijzigingen
Art. 73. [1 Afschrift van het administratief onderzoek, van het aanvullend opsporingsonderzoek en van het gerechtelijk onderzoek]1
[1 Het openbaar ministerie verstuurt een afschrift van de procedurestukken van het administratief onderzoek, van het aanvullend opsporingsonderzoek en van het gerechtelijk onderzoek, desgevallend, aan de bevoegde administratie:
- indien het afziet van het instellen van strafvervolging;
- desgevallend in geval van het mislukken van het voorstel van het verval van de strafvordering door de betaling van een geldsom bedoeld bij artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering;
- desgevallend in geval van het mislukken van het verval van de strafvordering door de uitvoering van maatregelen en de naleving van voorwaarden bedoeld bij artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering;
- desgevallend wanneer het openbaar ministerie afziet van het instellen van de in artikel 138bis, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsvordering.
Indien stukken binnenkomen na de gevallen bedoeld in het eerste lid, bij het openbaar ministerie, zendt het ze onverwijld door naar de bevoegde administratie.]1
[1 Het openbaar ministerie verstuurt een afschrift van de procedurestukken van het administratief onderzoek, van het aanvullend opsporingsonderzoek en van het gerechtelijk onderzoek, desgevallend, aan de bevoegde administratie:
- indien het afziet van het instellen van strafvervolging;
- desgevallend in geval van het mislukken van het voorstel van het verval van de strafvordering door de betaling van een geldsom bedoeld bij artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering;
- desgevallend in geval van het mislukken van het verval van de strafvordering door de uitvoering van maatregelen en de naleving van voorwaarden bedoeld bij artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering;
- desgevallend wanneer het openbaar ministerie afziet van het instellen van de in artikel 138bis, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsvordering.
Indien stukken binnenkomen na de gevallen bedoeld in het eerste lid, bij het openbaar ministerie, zendt het ze onverwijld door naar de bevoegde administratie.]1
Art. 73. [1 La copie de l'enquête administrative, celle de l'enquête d'information complémentaire et celle de l'enquête judiciaire]1
[1 Le ministère public envoie une copie des pièces de procédure de l'enquête administrative, de l'information complémentaire et une copie de l'instruction judiciaire, le cas échéant, à l'administration compétente:
- s'il renonce à intenter les poursuites pénales;
- le cas échéant en cas d'échec de la proposition d'extinction de l'action publique moyennant le paiement d'une somme d'argent visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle;
- le cas échéant en cas d'échec de l'extinction de l'action publique moyennant l'exécution de mesures et le respect des conditions visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle;
- le cas échéant lorsque le ministère public renonce à exercer l'action visée à l'article 138bis, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire.
Si des pièces arrivent auprès du ministère public postérieurement aux cas visés à l'alinéa 1er, il les fait parvenir sans délai à l'administration compétente.]1
[1 Le ministère public envoie une copie des pièces de procédure de l'enquête administrative, de l'information complémentaire et une copie de l'instruction judiciaire, le cas échéant, à l'administration compétente:
- s'il renonce à intenter les poursuites pénales;
- le cas échéant en cas d'échec de la proposition d'extinction de l'action publique moyennant le paiement d'une somme d'argent visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle;
- le cas échéant en cas d'échec de l'extinction de l'action publique moyennant l'exécution de mesures et le respect des conditions visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle;
- le cas échéant lorsque le ministère public renonce à exercer l'action visée à l'article 138bis, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire.
Si des pièces arrivent auprès du ministère public postérieurement aux cas visés à l'alinéa 1er, il les fait parvenir sans délai à l'administration compétente.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 3. - Administratieve vervolging
CHAPITRE 3. - La poursuite administrative
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1re. - Généralités
Art. 74. Onafhankelijkheid met betrekking tot het opleggen van administratieve geldboeten en belangenconflicten
De bevoegde administratie en de ambtenaren die binnen die administratie aangesteld zijn om de administratieve geldboeten op te leggen, dienen die bevoegdheid uit te oefenen onder voorwaarden die hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid waarborgen.
Deze ambtenaren mogen geen beslissing nemen in een dossier waarin ze reeds zijn opgetreden in een andere hoedanigheid, noch rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben in de ondernemingen of instellingen die betrokken zijn in de procedure.
De bevoegde administratie en de ambtenaren die binnen die administratie aangesteld zijn om de administratieve geldboeten op te leggen, dienen die bevoegdheid uit te oefenen onder voorwaarden die hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid waarborgen.
Deze ambtenaren mogen geen beslissing nemen in een dossier waarin ze reeds zijn opgetreden in een andere hoedanigheid, noch rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben in de ondernemingen of instellingen die betrokken zijn in de procedure.
Art. 74. L'indépendance pour infliger des amendes administratives et les conflits d'intérêt
L'administration compétente ainsi que les fonctionnaires désignés pour infliger les amendes administratives au sein de cette administration doivent exercer cette compétence dans des conditions garantissant leur indépendance et leur impartialité.
Ces fonctionnaires ne peuvent prendre de décision dans un dossier dans lequel ils sont déjà intervenus dans une autre qualité, ni avoir un intérêt direct ou indirect dans les entreprises ou institutions concernées par la procédure.
L'administration compétente ainsi que les fonctionnaires désignés pour infliger les amendes administratives au sein de cette administration doivent exercer cette compétence dans des conditions garantissant leur indépendance et leur impartialité.
Ces fonctionnaires ne peuvent prendre de décision dans un dossier dans lequel ils sont déjà intervenus dans une autre qualité, ni avoir un intérêt direct ou indirect dans les entreprises ou institutions concernées par la procédure.
Art. 75. De griffie van de administratieve geldboeten
De bevoegde administratie beschikt over een griffie.
De Koning bepaalt de taken en nadere regels voor haar werking.
De bevoegde administratie beschikt over een griffie.
De Koning bepaalt de taken en nadere regels voor haar werking.
Art. 75. Le greffe des amendes administratives
Il y a un greffe au sein de l'administration compétente.
Le Roi en détermine les tâches et les modalités de fonctionnement.
Il y a un greffe au sein de l'administration compétente.
Le Roi en détermine les tâches et les modalités de fonctionnement.
Afdeling 2. - Bevoegdheden van de bevoegde administratie
Section 2. - Les pouvoirs de l'administration compétente
Art. 76. Bijkomende inlichtingen
De bevoegde administratie kan van de bevoegde ministers, overheidsinstellingen of overheidsdiensten de noodzakelijke administratieve inlichtingen vragen om te kunnen beschikken over alle elementen die haar in staat moeten stellen om met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen over het gevolg dat aan het dossier in behandeling moet worden gegeven.
Daartoe moeten alle overheidsdiensten met inbegrip van de parketten, de griffies van hoven en rechtbanken, de sociale inspecties en de politie, alle diensten van de provincies, agglomeraties, gemeentefederaties, gemeenten, verenigingen waartoe ze behoren, de overheidsinstellingen die ervan afhangen, alsook alle openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, ingaan op het verzoek van de bevoegde administratie om haar alle inlichtingen te verstrekken en haar kopieën te bezorgen, in eender welke vorm, van alle informatiedragers om te beschikken over alle elementen die haar in staat moeten stellen om met volledige kennis van zaken te beslissen over het gevolg dat aan het dossier in behandeling moet worden gegeven.
De voornoemde diensten zijn verplicht om de inlichtingen en afschriften kosteloos te bezorgen.
Een samenwerkingsakkoord tussen de Staat, de gemeenschappen en gewesten, zoals bedoeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, regelt de mededeling van inlichtingen aan de bevoegde administratie door de diensten van de gemeenschappen en gewesten, alsmede de kosten die er betrekking op hebben.
De inlichtingen verkregen tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de rechterlijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de rechterlijke overheid.
De bevoegde administratie kan van de bevoegde ministers, overheidsinstellingen of overheidsdiensten de noodzakelijke administratieve inlichtingen vragen om te kunnen beschikken over alle elementen die haar in staat moeten stellen om met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen over het gevolg dat aan het dossier in behandeling moet worden gegeven.
Daartoe moeten alle overheidsdiensten met inbegrip van de parketten, de griffies van hoven en rechtbanken, de sociale inspecties en de politie, alle diensten van de provincies, agglomeraties, gemeentefederaties, gemeenten, verenigingen waartoe ze behoren, de overheidsinstellingen die ervan afhangen, alsook alle openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, ingaan op het verzoek van de bevoegde administratie om haar alle inlichtingen te verstrekken en haar kopieën te bezorgen, in eender welke vorm, van alle informatiedragers om te beschikken over alle elementen die haar in staat moeten stellen om met volledige kennis van zaken te beslissen over het gevolg dat aan het dossier in behandeling moet worden gegeven.
De voornoemde diensten zijn verplicht om de inlichtingen en afschriften kosteloos te bezorgen.
Een samenwerkingsakkoord tussen de Staat, de gemeenschappen en gewesten, zoals bedoeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, regelt de mededeling van inlichtingen aan de bevoegde administratie door de diensten van de gemeenschappen en gewesten, alsmede de kosten die er betrekking op hebben.
De inlichtingen verkregen tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de rechterlijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de rechterlijke overheid.
Art. 76. Les renseignements complémentaires
L'administration compétente peut requérir des ministres compétents ou des institutions ou services publics compétents, les renseignements administratifs nécessaires pour disposer de tous les éléments lui permettant de décider en pleine connaissance de cause des suites à donner au dossier qu'elle traite.
A cette fin, tous les services de l'Etat, y compris les parquets, les greffes des cours et tribunaux, les inspections sociales et la police, tous les services des provinces, des agglomérations, des fédérations de communes, des communes, des associations dont elles font partie, des institutions publiques qui en dépendent, ainsi que de toutes les institutions publiques et les institutions coopérantes de sécurité sociale, sont tenus, vis-à-vis de l'administration compétente et à sa demande, de lui fournir tout renseignement, ainsi que de lui produire des copies, sous n'importe quelle forme, de tous les supports d'information pour disposer de tous les éléments lui permettant de décider en toute connaissance de cause des suites à donner au dossier qu'elle traite.
Les services précités sont tenus de fournir sans frais ces renseignements et copies.
Un accord de coopération entre l'Etat, les communautés et les régions, visé à l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, règle la communication des renseignements à l'administration compétente par les services des communautés et des régions ainsi que les frais y afférents.
Toutefois, tous renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
L'administration compétente peut requérir des ministres compétents ou des institutions ou services publics compétents, les renseignements administratifs nécessaires pour disposer de tous les éléments lui permettant de décider en pleine connaissance de cause des suites à donner au dossier qu'elle traite.
A cette fin, tous les services de l'Etat, y compris les parquets, les greffes des cours et tribunaux, les inspections sociales et la police, tous les services des provinces, des agglomérations, des fédérations de communes, des communes, des associations dont elles font partie, des institutions publiques qui en dépendent, ainsi que de toutes les institutions publiques et les institutions coopérantes de sécurité sociale, sont tenus, vis-à-vis de l'administration compétente et à sa demande, de lui fournir tout renseignement, ainsi que de lui produire des copies, sous n'importe quelle forme, de tous les supports d'information pour disposer de tous les éléments lui permettant de décider en toute connaissance de cause des suites à donner au dossier qu'elle traite.
Les services précités sont tenus de fournir sans frais ces renseignements et copies.
Un accord de coopération entre l'Etat, les communautés et les régions, visé à l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, règle la communication des renseignements à l'administration compétente par les services des communautés et des régions ainsi que les frais y afférents.
Toutefois, tous renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Afdeling 3. - Verweermiddelen
Section 3. - Les moyens de défense
Art. 77. Uitnodiging tot indiening van verweermiddelen
[1 De overtreder wordt bij een aangetekende zending of elk ander middel dat de datum van de zending waarborgt verzocht zijn verweermiddelen in te dienen.]1 [1 Deze zending vermeldt de volgende gegevens:]1
1° de referenties van het proces-verbaal tot vaststelling van de inbreuk en houdende het relaas van de feiten die aan de basis liggen van de aanvang van de procedure;
2° [1 het recht van de overtreder om zijn verweermiddelen schriftelijk of mondeling in te dienen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de dag van kennisgeving, namelijk de dag dat de aangetekende zending werd aangeboden aan de geadresseerde in persoon, op zijn hoofdverblijfplaats of op de maatschappelijk zetel, of de dag die wordt gewaarborgd door het gebruikte middel voor de zending;]1
3° het recht om zich te laten bijstaan door een raadsman;
4° het adres van de bevoegde administratie waar de overtreder zijn dossier kan inzien, alsmede de openingsuren gedurende welke hij hiervoor bij de bevoegde administratie terecht kan;
5° het recht van de overtreder of van zijn raadsman op een afschrift van het dossier;
6° de adressen en openingsuren van de gewestelijke kantoren van de administraties die belast zijn met het toezicht op de desbetreffende wetgeving, met het oog op de indiening van de verweermiddelen;
7° het postadres en het e-mailadres van de bevoegde administratie alsook de openingsuren ervan, met het oog op de indiening van de verweermiddelen.
[1 Indien de overtreder de aangetekende zending niet heeft afgehaald binnen de vastgestelde termijn of de zending niet in ontvangst heeft genomen binnen de vastgestelde termijn wanneer deze is verstuurd met elk ander middel dat de datum van de zending waarborgt, kan de bevoegde administratie hem, bij gewone zending, ter informatie, nog een tweede uitnodiging toesturen om zijn verweermiddelen in te dienen.]1
Deze tweede uitnodiging doet geen nieuwe termijn van dertig dagen lopen voor de indiening van verweermiddelen.
[1 De overtreder wordt bij een aangetekende zending of elk ander middel dat de datum van de zending waarborgt verzocht zijn verweermiddelen in te dienen.]1 [1 Deze zending vermeldt de volgende gegevens:]1
1° de referenties van het proces-verbaal tot vaststelling van de inbreuk en houdende het relaas van de feiten die aan de basis liggen van de aanvang van de procedure;
2° [1 het recht van de overtreder om zijn verweermiddelen schriftelijk of mondeling in te dienen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de dag van kennisgeving, namelijk de dag dat de aangetekende zending werd aangeboden aan de geadresseerde in persoon, op zijn hoofdverblijfplaats of op de maatschappelijk zetel, of de dag die wordt gewaarborgd door het gebruikte middel voor de zending;]1
3° het recht om zich te laten bijstaan door een raadsman;
4° het adres van de bevoegde administratie waar de overtreder zijn dossier kan inzien, alsmede de openingsuren gedurende welke hij hiervoor bij de bevoegde administratie terecht kan;
5° het recht van de overtreder of van zijn raadsman op een afschrift van het dossier;
6° de adressen en openingsuren van de gewestelijke kantoren van de administraties die belast zijn met het toezicht op de desbetreffende wetgeving, met het oog op de indiening van de verweermiddelen;
7° het postadres en het e-mailadres van de bevoegde administratie alsook de openingsuren ervan, met het oog op de indiening van de verweermiddelen.
[1 Indien de overtreder de aangetekende zending niet heeft afgehaald binnen de vastgestelde termijn of de zending niet in ontvangst heeft genomen binnen de vastgestelde termijn wanneer deze is verstuurd met elk ander middel dat de datum van de zending waarborgt, kan de bevoegde administratie hem, bij gewone zending, ter informatie, nog een tweede uitnodiging toesturen om zijn verweermiddelen in te dienen.]1
Deze tweede uitnodiging doet geen nieuwe termijn van dertig dagen lopen voor de indiening van verweermiddelen.
Art. 77. L'invitation à présenter des moyens de défense
[1 Le contrevenant est invité, par un envoi recommandé ou par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi, à présenter ses moyens de défense.]1 [1 Cet envoi communique les informations suivantes:]1
1° les références du procès-verbal qui constate l'infraction et relate les faits à propos desquels la procédure est entamée;
2° [1 le droit pour le contrevenant d'exposer ses moyens de défense par écrit ou oralement dans un délai de trente jours à compter du jour de la notification, à savoir le jour où l'envoi recommandé a été présenté au destinataire en personne, à sa résidence principale ou au siège social, ou le jour garanti par le moyen utilisé pour l'envoi;]1
3° le droit de se faire assister d'un conseil;
4° l'adresse de l'administration compétente où le contrevenant peut consulter son dossier ainsi que les heures d'ouverture au cours desquelles il est en droit de le consulter;
5° le droit pour le contrevenant ou pour son conseil d'obtenir une copie du dossier;
6° les adresses et heures d'ouverture des bureaux régionaux des administrations chargées de la surveillance de la législation concernée en vue de la présentation des moyens de défense;
7° les adresses postale et électronique de l'administration compétente ainsi que ses heures d'ouverture en vue de la présentation des moyens de défense.
[1 Si le contrevenant n'a pas retiré l'envoi recommandé dans le délai requis ou n'a pas reçu l'envoi dans le délai requis quand celui-ci est envoyé par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi, l'administration compétente peut encore lui envoyer, par envoi ordinaire, à titre informatif, une seconde invitation à présenter ses moyens de défense.]1
Cette seconde invitation ne fait pas courir un nouveau délai de trente jours pour introduire des moyens de défense.
[1 Le contrevenant est invité, par un envoi recommandé ou par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi, à présenter ses moyens de défense.]1 [1 Cet envoi communique les informations suivantes:]1
1° les références du procès-verbal qui constate l'infraction et relate les faits à propos desquels la procédure est entamée;
2° [1 le droit pour le contrevenant d'exposer ses moyens de défense par écrit ou oralement dans un délai de trente jours à compter du jour de la notification, à savoir le jour où l'envoi recommandé a été présenté au destinataire en personne, à sa résidence principale ou au siège social, ou le jour garanti par le moyen utilisé pour l'envoi;]1
3° le droit de se faire assister d'un conseil;
4° l'adresse de l'administration compétente où le contrevenant peut consulter son dossier ainsi que les heures d'ouverture au cours desquelles il est en droit de le consulter;
5° le droit pour le contrevenant ou pour son conseil d'obtenir une copie du dossier;
6° les adresses et heures d'ouverture des bureaux régionaux des administrations chargées de la surveillance de la législation concernée en vue de la présentation des moyens de défense;
7° les adresses postale et électronique de l'administration compétente ainsi que ses heures d'ouverture en vue de la présentation des moyens de défense.
[1 Si le contrevenant n'a pas retiré l'envoi recommandé dans le délai requis ou n'a pas reçu l'envoi dans le délai requis quand celui-ci est envoyé par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi, l'administration compétente peut encore lui envoyer, par envoi ordinaire, à titre informatif, une seconde invitation à présenter ses moyens de défense.]1
Cette seconde invitation ne fait pas courir un nouveau délai de trente jours pour introduire des moyens de défense.
Wijzigingen
Art. 78. Indiening van de verweermiddelen
De verweermiddelen kunnen schriftelijk, inbegrepen via e-mail, worden ingediend.
Ze kunnen ook mondeling worden ingediend, hetzij bij de bevoegde administratie, hetzij bij één van de gewestelijke kantoren van de administraties die belast zijn met het toezicht op de desbetreffende wetgeving. Deze laatsten bezorgen deze onverwijld aan de bevoegde administratie na er akte te hebben van genomen.
De verweermiddelen kunnen schriftelijk, inbegrepen via e-mail, worden ingediend.
Ze kunnen ook mondeling worden ingediend, hetzij bij de bevoegde administratie, hetzij bij één van de gewestelijke kantoren van de administraties die belast zijn met het toezicht op de desbetreffende wetgeving. Deze laatsten bezorgen deze onverwijld aan de bevoegde administratie na er akte te hebben van genomen.
Art. 78. La présentation des moyens de défense
Les moyens de défense peuvent être présentés par écrit, y compris par courrier électronique.
Ils peuvent aussi être présentés oralement, soit auprès de l'administration compétente, soit auprès d'un des bureaux régionaux des administrations chargées de la surveillance de la législation concernée. Ces derniers les transmettent sans délai à l'administration compétente après en avoir pris acte.
Les moyens de défense peuvent être présentés par écrit, y compris par courrier électronique.
Ils peuvent aussi être présentés oralement, soit auprès de l'administration compétente, soit auprès d'un des bureaux régionaux des administrations chargées de la surveillance de la législation concernée. Ces derniers les transmettent sans délai à l'administration compétente après en avoir pris acte.
Art. 79. Inzage van het dossier
De bevoegde administratie stelt het dossier met betrekking tot de inbreuken welke aanleiding kunnen geven tot een administratieve geldboete ter beschikking van de overtreder of diens raadsman, zodat hij het kan raadplegen op de griffie en, op diens verzoek, geeft zij toelating om een kopie te maken van de stukken van het dossier. Artikel 460ter van het Strafwetboek is toepasselijk op de overtreder die gelijkgesteld wordt met de inverdenkinggestelde met het oog op de toepassing van die bepaling.
De kosten van de kopieën zijn ten laste van de overtreder. Het tarief wordt vastgesteld door de Koning.
De bevoegde administratie stelt het dossier met betrekking tot de inbreuken welke aanleiding kunnen geven tot een administratieve geldboete ter beschikking van de overtreder of diens raadsman, zodat hij het kan raadplegen op de griffie en, op diens verzoek, geeft zij toelating om een kopie te maken van de stukken van het dossier. Artikel 460ter van het Strafwetboek is toepasselijk op de overtreder die gelijkgesteld wordt met de inverdenkinggestelde met het oog op de toepassing van die bepaling.
De kosten van de kopieën zijn ten laste van de overtreder. Het tarief wordt vastgesteld door de Koning.
Art. 79. La consultation du dossier
L'administration compétente met à la disposition du contrevenant ou de son avocat le dossier relatif aux infractions pouvant donner lieu à l'application de l'amende administrative afin qu'il le consulte au greffe et elle l'autorise, sur demande, à prendre la copie des pièces du dossier. L'article 460ter du Code pénal est applicable au contrevenant qui est assimilé à l'inculpé en vue de l'application de cette disposition.
Les frais des copies sont à charge du contrevenant. Le tarif en est établi par le Roi.
L'administration compétente met à la disposition du contrevenant ou de son avocat le dossier relatif aux infractions pouvant donner lieu à l'application de l'amende administrative afin qu'il le consulte au greffe et elle l'autorise, sur demande, à prendre la copie des pièces du dossier. L'article 460ter du Code pénal est applicable au contrevenant qui est assimilé à l'inculpé en vue de l'application de cette disposition.
Les frais des copies sont à charge du contrevenant. Le tarif en est établi par le Roi.
Art. 80. Vertegenwoordiging bij de bevoegde administratie door een afgevaardigde van een representatieve organisatie
De afgevaardigde van een representatieve organisatie van werknemers die een schriftelijke volmacht heeft, kan de arbeider of de bediende bij de bevoegde administratie vertegenwoordigen en in zijn naam alle handelingen verrichten die bij deze vertegenwoordiging horen.
De afgevaardigde van een representatieve organisatie van werknemers die een schriftelijke volmacht heeft, kan de arbeider of de bediende bij de bevoegde administratie vertegenwoordigen en in zijn naam alle handelingen verrichten die bij deze vertegenwoordiging horen.
Art. 80. La représentation auprès de l'administration compétente par un délégué d'une organisation représentative
Le délégué d'une organisation représentative de travailleurs, porteur d'une procuration écrite, peut représenter l'ouvrier ou l'employé auprès de l'administration compétente et accomplir en son nom les diligences que cette représentation comporte.
Le délégué d'une organisation représentative de travailleurs, porteur d'une procuration écrite, peut représenter l'ouvrier ou l'employé auprès de l'administration compétente et accomplir en son nom les diligences que cette représentation comporte.
Afdeling 4. - Beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete
Section 4. - La décision infligeant une amende administrative
Art. 81. Verjaringstermijn
De administratieve geldboete kan niet meer worden opgelegd vijf jaar na de feiten.
De daden van onderzoek of van vervolging, met inbegrip van de kennisgevingen van de beslissingen van het openbaar ministerie omtrent het al dan niet instellen van strafvervolging en het verzoek ten aanzien van de overtreder om verweermiddelen in te dienen, verricht binnen de in het eerste lid gestelde termijn, stuiten evenwel de loop ervan. Met die daden vangt een nieuwe termijn van gelijke duur aan, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.
De administratieve geldboete kan niet meer worden opgelegd vijf jaar na de feiten.
De daden van onderzoek of van vervolging, met inbegrip van de kennisgevingen van de beslissingen van het openbaar ministerie omtrent het al dan niet instellen van strafvervolging en het verzoek ten aanzien van de overtreder om verweermiddelen in te dienen, verricht binnen de in het eerste lid gestelde termijn, stuiten evenwel de loop ervan. Met die daden vangt een nieuwe termijn van gelijke duur aan, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.
Art. 81. Le délai de prescription
L'amende administrative ne peut plus être infligée cinq ans après les faits.
Toutefois, les actes d'instruction ou de poursuites, y compris les notifications des décisions du ministère public d'intenter des poursuites pénales ou de ne pas poursuivre et l'invitation au contrevenant de présenter des moyens de défense, accomplis dans le délai déterminé à l'alinéa 1er, en interrompent le cours. Ces actes font courir un nouveau délai d'égale durée, même à l'égard des personnes qui n'y sont pas impliquées.
L'amende administrative ne peut plus être infligée cinq ans après les faits.
Toutefois, les actes d'instruction ou de poursuites, y compris les notifications des décisions du ministère public d'intenter des poursuites pénales ou de ne pas poursuivre et l'invitation au contrevenant de présenter des moyens de défense, accomplis dans le délai déterminé à l'alinéa 1er, en interrompent le cours. Ces actes font courir un nouveau délai d'égale durée, même à l'égard des personnes qui n'y sont pas impliquées.
Art. 82. Inachtneming van de termijn om verweermiddelen in te dienen
De administratieve geldboete mag niet worden opgelegd vóór het eind van de termijn vermeld in artikel 77, of vóór het schriftelijk of mondeling verweer van de overtreder, wanneer dit wordt ingediend vóór het einde van de voormelde termijn.
De administratieve geldboete mag niet worden opgelegd vóór het eind van de termijn vermeld in artikel 77, of vóór het schriftelijk of mondeling verweer van de overtreder, wanneer dit wordt ingediend vóór het einde van de voormelde termijn.
Art. 82. Le respect du délai de présentation des moyens de défense
L'amende administrative ne peut être infligée avant l'échéance du délai prévu à l'article 77 ou avant la défense écrite ou orale du contrevenant, lorsque celle-ci est présentée avant la fin du délai précité.
L'amende administrative ne peut être infligée avant l'échéance du délai prévu à l'article 77 ou avant la défense écrite ou orale du contrevenant, lorsque celle-ci est présentée avant la fin du délai précité.
Art. 83. Redelijke termijn
Indien de duur van de vervolging door de bevoegde administratie de redelijke termijn overschrijdt, kan deze zich beperken tot een eenvoudige schuldigverklaring of een administratieve geldboete opleggen die lager is dan het wettelijk minimum.
Indien de duur van de vervolging door de bevoegde administratie de redelijke termijn overschrijdt, kan deze zich beperken tot een eenvoudige schuldigverklaring of een administratieve geldboete opleggen die lager is dan het wettelijk minimum.
Art. 83. Le délai raisonnable
Si la durée des poursuites par l'administration compétente dépasse le délai raisonnable, celle-ci peut se limiter à une simple déclaration de culpabilité ou infliger une amende administrative inférieure au minimum prévu par la loi.
Si la durée des poursuites par l'administration compétente dépasse le délai raisonnable, celle-ci peut se limiter à une simple déclaration de culpabilité ou infliger une amende administrative inférieure au minimum prévu par la loi.
Art. 84. Beslissing
De beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete is met redenen omkleed. Ze omvat onder andere de overwegingen die feitelijk en rechtens aan de basis liggen van de beslissing, enerzijds als antwoord op de ingediende verweermiddelen en anderzijds als motivering voor het bedrag van de administratieve geldboete.
Ze omvat daarenboven inzonderheid de volgende elementen :
1° de bepalingen die de rechtsgrond ervan uitmaken;
2° de referenties van het proces-verbaal tot vaststelling van de inbreuk en houdende het relaas van de feiten die aan de basis lagen van de aanvang van de procedure;
3° de datum van het verzoek tot indiening van de verweermiddelen;
4° het bedrag van de administratieve geldboete;
5° de bepalingen van artikel 88, eerste en tweede lid, met betrekking tot de betaling van de geldboete;
6° de bepaling van artikel 3 van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het Sociaal strafrecht betreffende het beroep tegen de beslissing.
De beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete is met redenen omkleed. Ze omvat onder andere de overwegingen die feitelijk en rechtens aan de basis liggen van de beslissing, enerzijds als antwoord op de ingediende verweermiddelen en anderzijds als motivering voor het bedrag van de administratieve geldboete.
Ze omvat daarenboven inzonderheid de volgende elementen :
1° de bepalingen die de rechtsgrond ervan uitmaken;
2° de referenties van het proces-verbaal tot vaststelling van de inbreuk en houdende het relaas van de feiten die aan de basis lagen van de aanvang van de procedure;
3° de datum van het verzoek tot indiening van de verweermiddelen;
4° het bedrag van de administratieve geldboete;
5° de bepalingen van artikel 88, eerste en tweede lid, met betrekking tot de betaling van de geldboete;
6° de bepaling van artikel 3 van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het Sociaal strafrecht betreffende het beroep tegen de beslissing.
Art. 84. La décision
La décision infligeant l'amende administrative est motivée. Elle contient, entre autres, les considérations de droit et de fait pour, d'une part, répondre aux moyens de défense présentés et, d'autre part, motiver le montant de l'amende administrative.
Elle comprend, en outre, notamment les éléments suivants :
1° les dispositions qui lui servent de base légale;
2° les références du procès-verbal constatant l'infraction et relatant les faits à propos desquels la procédure a été entamée;
3° la date de l'invitation à présenter des moyens de défense;
4° le montant de l'amende administrative;
5° les dispositions de l'article 88, alinéas 1er et 2, relatif au paiement de l'amende;
6° la disposition de l'article 3 de la loi du 2 juin 2010 comportant des dispositions de droit pénal social relatif au recours contre la décision.
La décision infligeant l'amende administrative est motivée. Elle contient, entre autres, les considérations de droit et de fait pour, d'une part, répondre aux moyens de défense présentés et, d'autre part, motiver le montant de l'amende administrative.
Elle comprend, en outre, notamment les éléments suivants :
1° les dispositions qui lui servent de base légale;
2° les références du procès-verbal constatant l'infraction et relatant les faits à propos desquels la procédure a été entamée;
3° la date de l'invitation à présenter des moyens de défense;
4° le montant de l'amende administrative;
5° les dispositions de l'article 88, alinéas 1er et 2, relatif au paiement de l'amende;
6° la disposition de l'article 3 de la loi du 2 juin 2010 comportant des dispositions de droit pénal social relatif au recours contre la décision.
Art. 85. Kennisgeving van de beslissing
[1 De beslissing wordt aan de overtreder ter kennis gebracht bij een aangetekende zending of elk ander middel dat de datum van de zending waarborgt overeenkomstig artikel 77, samen met een verzoek tot betaling van de boete binnen de termijn bepaald bij artikel 88.]1
De kennisgeving doet de strafvordering vervallen.
[1 Indien de overtreder de aangetekende zending niet heeft afgehaald binnen de vastgestelde termijn of de zending niet in ontvangst heeft genomen binnen de vastgestelde termijn wanneer deze is verstuurd met elk ander middel dat de datum van de zending waarborgt, kan de bevoegde administratie hem bij gewone zending, ter informatie, nog een kopie van de beslissing toesturen.]1
[1 De beslissing wordt aan de overtreder ter kennis gebracht bij een aangetekende zending of elk ander middel dat de datum van de zending waarborgt overeenkomstig artikel 77, samen met een verzoek tot betaling van de boete binnen de termijn bepaald bij artikel 88.]1
De kennisgeving doet de strafvordering vervallen.
[1 Indien de overtreder de aangetekende zending niet heeft afgehaald binnen de vastgestelde termijn of de zending niet in ontvangst heeft genomen binnen de vastgestelde termijn wanneer deze is verstuurd met elk ander middel dat de datum van de zending waarborgt, kan de bevoegde administratie hem bij gewone zending, ter informatie, nog een kopie van de beslissing toesturen.]1
Art. 85. La notification de la décision
[1 La décision est notifiée au contrevenant par envoi recommandé ou par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi conformément à l'article 77, en même temps qu'une invitation à acquitter l'amende dans le délai visé à l'article 88.]1
La notification éteint l'action publique.
[1 Si le contrevenant n'a pas récupéré l'envoi recommandé dans le délai requis ou n'a pas reçu l'envoi dans le délai requis quand celui-ci est envoyé par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi, l'administration compétente peut encore lui envoyer, à titre informatif, une copie de la décision par pli ordinaire.]1
[1 La décision est notifiée au contrevenant par envoi recommandé ou par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi conformément à l'article 77, en même temps qu'une invitation à acquitter l'amende dans le délai visé à l'article 88.]1
La notification éteint l'action publique.
[1 Si le contrevenant n'a pas récupéré l'envoi recommandé dans le délai requis ou n'a pas reçu l'envoi dans le délai requis quand celui-ci est envoyé par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi, l'administration compétente peut encore lui envoyer, à titre informatif, une copie de la décision par pli ordinaire.]1
Wijzigingen
Art. 86. Uitvoerbare kracht
De beslissing heeft uitvoerbare kracht.
De beslissing heeft uitvoerbare kracht.
Art. 86. La force exécutoire
La décision a force exécutoire.
La décision a force exécutoire.
Afdeling 5. - Beroep
Section 5. - Le recours
Art. 87. Bewijslast
De regels inzake bewijslast die gelden voor de strafrechtspleging zijn van toepassing op de beroepsprocedure voor de arbeidsrechtbank en het arbeidshof.
De regels inzake bewijslast die gelden voor de strafrechtspleging zijn van toepassing op de beroepsprocedure voor de arbeidsrechtbank en het arbeidshof.
Art. 87. La charge de la preuve
Les règles de la procédure pénale relatives à la charge de la preuve sont applicables à la procédure de recours devant le tribunal et la cour du travail.
Les règles de la procédure pénale relatives à la charge de la preuve sont applicables à la procédure de recours devant le tribunal et la cour du travail.
Afdeling 6. - Betaling van de administratieve geldboete
Section 6. - Le paiement de l'amende administrative
Art. 88. Betalingstermijn en betalingswijze
De administratieve geldboete moet betaald worden binnen een termijn van drie maanden, die ingaat op de dag van de kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete of op de dag waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
De bevoegde administratie kan evenwel de overtreder op diens verzoek en indien daartoe aanleiding bestaat een langere termijn toekennen die geenszins de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot invordering van de geldboete zoals bedoeld bij artikel 90 mag overschrijden. In dat geval deelt de bevoegde administratie het afbetalingsplan schriftelijk mee aan de overtreder.
De administratieve geldboete wordt betaald via storting of overschrijving op de rekening(en) die zijn bepaald door de Koning.
De Koning kan de betalingsregels voor de opgelegde administratieve geldboeten bepalen.
[1 In geval van beroep tegen de beslissing van de bevoegde administratie tot oplegging van een administratieve geldboete kunnen de arbeidsgerechten op verzoek van de overtreder en onder dezelfde voorwaarden als de bevoegde administratie een langere termijn voor de betaling van de geldboete toestaan.]1
De administratieve geldboete moet betaald worden binnen een termijn van drie maanden, die ingaat op de dag van de kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete of op de dag waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
De bevoegde administratie kan evenwel de overtreder op diens verzoek en indien daartoe aanleiding bestaat een langere termijn toekennen die geenszins de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot invordering van de geldboete zoals bedoeld bij artikel 90 mag overschrijden. In dat geval deelt de bevoegde administratie het afbetalingsplan schriftelijk mee aan de overtreder.
De administratieve geldboete wordt betaald via storting of overschrijving op de rekening(en) die zijn bepaald door de Koning.
De Koning kan de betalingsregels voor de opgelegde administratieve geldboeten bepalen.
[1 In geval van beroep tegen de beslissing van de bevoegde administratie tot oplegging van een administratieve geldboete kunnen de arbeidsgerechten op verzoek van de overtreder en onder dezelfde voorwaarden als de bevoegde administratie een langere termijn voor de betaling van de geldboete toestaan.]1
Art. 88. Le délai et le mode de paiement
L'amende administrative doit être payée dans un délai de trois mois à compter du jour de la notification de la décision infligeant l'amende administrative ou à compter du jour où la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.
L'administration compétente peut toutefois accorder au contrevenant, sur sa demande et s'il y a lieu, un délai plus long, qui ne pourra en aucun cas dépasser le délai de prescription de l'action en récupération de l'amende visé à l'article 90. Dans ce cas, l'administration compétente communique par écrit, au contrevenant, le plan d'apurement.
L'amende administrative est acquittée par versement ou virement au(x) compte(s) désigné(s) par le Roi.
Le Roi peut déterminer les modalités de paiement des amendes administratives infligées.
[1 En cas de recours contre la décision de l'administration compétente infligeant une amende administrative, les juridictions du travail peuvent accorder un délai plus long pour le paiement de l'amende à la demande du contrevenant et dans les mêmes conditions que l'administration compétente.]1
L'amende administrative doit être payée dans un délai de trois mois à compter du jour de la notification de la décision infligeant l'amende administrative ou à compter du jour où la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.
L'administration compétente peut toutefois accorder au contrevenant, sur sa demande et s'il y a lieu, un délai plus long, qui ne pourra en aucun cas dépasser le délai de prescription de l'action en récupération de l'amende visé à l'article 90. Dans ce cas, l'administration compétente communique par écrit, au contrevenant, le plan d'apurement.
L'amende administrative est acquittée par versement ou virement au(x) compte(s) désigné(s) par le Roi.
Le Roi peut déterminer les modalités de paiement des amendes administratives infligées.
[1 En cas de recours contre la décision de l'administration compétente infligeant une amende administrative, les juridictions du travail peuvent accorder un délai plus long pour le paiement de l'amende à la demande du contrevenant et dans les mêmes conditions que l'administration compétente.]1
Wijzigingen
Art. 89. Invordering
Indien de overtreder in gebreke blijft voor de betaling van de administratieve geldboete, hetzij binnen de termijn van drie maanden bepaald in artikel 88, hetzij na een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest of het hem overeenkomstig artikel 88 toegekende afbetalingsplan niet nakomt, maakt de bevoegde administratie de zaak aanhangig bij [1 de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen]1, met het oog op de invordering van het bedrag van deze geldboete.
Met het oog hierop bezorgt de bevoegde administratie een kopie van de administratieve beslissing en eventueel van het in kracht van gewijsde gegane vonnis of het arrest, aan [2 de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen]2.
De door [2 de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen]2 in te stellen vervolgingen gebeuren overeenkomstig [1 de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949]1.
Indien de overtreder in gebreke blijft voor de betaling van de administratieve geldboete, hetzij binnen de termijn van drie maanden bepaald in artikel 88, hetzij na een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest of het hem overeenkomstig artikel 88 toegekende afbetalingsplan niet nakomt, maakt de bevoegde administratie de zaak aanhangig bij [1 de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen]1, met het oog op de invordering van het bedrag van deze geldboete.
Met het oog hierop bezorgt de bevoegde administratie een kopie van de administratieve beslissing en eventueel van het in kracht van gewijsde gegane vonnis of het arrest, aan [2 de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen]2.
De door [2 de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen]2 in te stellen vervolgingen gebeuren overeenkomstig [1 de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949]1.
Art. 89. Le recouvrement
Si le contrevenant demeure en défaut de payer l'amende administrative, soit dans le délai de trois mois prévu à l'article 88, soit après un jugement ou un arrêt coulé en force de chose jugée ou ne respecte pas le plan d'apurement qui lui a été accordé en vertu de l'article 88, l'administration compétente saisit [1 l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales]1 en vue du recouvrement du montant de cette amende.
A cet effet, l'administration compétente transmet une copie de la décision administrative à [2 l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales]2 et, le cas échéant, du jugement ou de l'arrêt coulé en force de chose jugée.
Les poursuites à intenter par [2 l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales]2 se déroulent conformément [1 aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre 1949]1.
Si le contrevenant demeure en défaut de payer l'amende administrative, soit dans le délai de trois mois prévu à l'article 88, soit après un jugement ou un arrêt coulé en force de chose jugée ou ne respecte pas le plan d'apurement qui lui a été accordé en vertu de l'article 88, l'administration compétente saisit [1 l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales]1 en vue du recouvrement du montant de cette amende.
A cet effet, l'administration compétente transmet une copie de la décision administrative à [2 l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales]2 et, le cas échéant, du jugement ou de l'arrêt coulé en force de chose jugée.
Les poursuites à intenter par [2 l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales]2 se déroulent conformément [1 aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre 1949]1.
Art. 90. Verjaring van de rechtsvordering tot invordering
De rechtsvordering tot invordering van de administratieve geldboete verjaart tien jaar na de dag waarop geen beroep meer kan worden aangetekend tegen de beslissing van de bevoegde administratie.
De rechtsvordering tot invordering van de administratieve geldboete verjaart tien jaar na de dag waarop geen beroep meer kan worden aangetekend tegen de beslissing van de bevoegde administratie.
Art. 90. La prescription de l'action en récupération
L'action en récupération de l'amende administrative se prescrit par dix ans à dater du jour où la décision de l'administration compétente n'est plus susceptible de recours.
L'action en récupération de l'amende administrative se prescrit par dix ans à dater du jour où la décision de l'administration compétente n'est plus susceptible de recours.
Art. 91. Verval van rechtsvordering van de administratie
Door de betaling van de geldboete vervalt de rechtsvordering van de bevoegde administratie.
Door de betaling van de geldboete vervalt de rechtsvordering van de bevoegde administratie.
Art. 91. L'extinction de l'action de l'administration
Le paiement de l'amende met fin à l'action de l'administration compétente.
Le paiement de l'amende met fin à l'action de l'administration compétente.
Afdeling 7. [1 - Bijzondere bepalingen inzake de grensoverschrijdende handhaving van administratieve financiële sancties en geldboeten]1
Section 7. [1 - Les dispositions particulières concernant l'exécution transfrontalière de sanctions et amendes administratives pécuniaires.]1
Art. 91/1. [1 Kennisgeving van de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete aan een in een andere EU-lidstaat gevestigde dienstverrichter wegens het niet-naleven van de in België geldende regels inzake detachering van werknemers.
§ 1. De bevoegde administratie kan, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VI van voormelde richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014, bij de bevoegde instantie van een andere EU-lidstaat een verzoek tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete indienen.
Het moet hierbij gaan om een administratieve geldboete die :
1. door de bevoegde administratie overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek is opgelegd of, in voorkomend geval, door de arbeidsgerechten is bevestigd;
2. door de bevoegde administratie niet ter kennis kan worden gebracht aan de in een andere EU-lidstaat gevestigde dienstverrichter overeenkomstig artikel 85 van dit wetboek.
§ 2. De bevoegde administratie dient geen verzoek tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete in, indien en zo lang als de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete in België wordt betwist of aangevochten.
§ 3. De bevoegde administratie doet zonder onnodige vertraging het verzoek tot kennisgeving via het IMI-systeem door middel van een uniform instrument en verstrekt daarin ten minste de volgende gegevens :
a) de naam en het bekende adres van de geadresseerde en alle andere relevante gegevens of informatie voor de identificatie van de geadresseerde;
b) een samenvatting van de feiten en de omstandigheden van de inbreuk, de aard van de inbreuk en de toepasselijke regelgeving;
c) het instrument dat de handhaving in België toelaat en alle andere relevante gegevens of documenten - met inbegrip van gegevens of documenten van juridische aard - met betrekking tot de onderliggende vordering en de administratieve geldboete;
d) de naam, het adres en andere contactgegevens van de bevoegde administratie en;
e) het doel van de kennisgeving en de termijn waarbinnen de kennisgeving moet worden gedaan.]1
§ 1. De bevoegde administratie kan, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VI van voormelde richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014, bij de bevoegde instantie van een andere EU-lidstaat een verzoek tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete indienen.
Het moet hierbij gaan om een administratieve geldboete die :
1. door de bevoegde administratie overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek is opgelegd of, in voorkomend geval, door de arbeidsgerechten is bevestigd;
2. door de bevoegde administratie niet ter kennis kan worden gebracht aan de in een andere EU-lidstaat gevestigde dienstverrichter overeenkomstig artikel 85 van dit wetboek.
§ 2. De bevoegde administratie dient geen verzoek tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete in, indien en zo lang als de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete in België wordt betwist of aangevochten.
§ 3. De bevoegde administratie doet zonder onnodige vertraging het verzoek tot kennisgeving via het IMI-systeem door middel van een uniform instrument en verstrekt daarin ten minste de volgende gegevens :
a) de naam en het bekende adres van de geadresseerde en alle andere relevante gegevens of informatie voor de identificatie van de geadresseerde;
b) een samenvatting van de feiten en de omstandigheden van de inbreuk, de aard van de inbreuk en de toepasselijke regelgeving;
c) het instrument dat de handhaving in België toelaat en alle andere relevante gegevens of documenten - met inbegrip van gegevens of documenten van juridische aard - met betrekking tot de onderliggende vordering en de administratieve geldboete;
d) de naam, het adres en andere contactgegevens van de bevoegde administratie en;
e) het doel van de kennisgeving en de termijn waarbinnen de kennisgeving moet worden gedaan.]1
Art. 91/1. [1 Notification d'une décision infligeant une amende administrative à un prestataire de services établi dans un autre Etat membre de l'Union européenne en raison du non-respect des règles applicables en Belgique en matière de détachement de travailleurs.
§ 1er . L'administration compétente peut introduire une demande de notification de la décision infligeant une amende administrative auprès de l'instance compétente d'un autre Etat membre de l'Union européenne, conformément aux dispositions du Chapitre VI de la directive 2014/67/UE précitée du Parlement Européen et du Conseil du 15 mai 2014.
Il doit être question d'une amende administrative qui :
1. est infligée par l'administration compétente, conformément aux dispositions du présent code ou qui est, le cas échéant, confirmée par les juridictions du travail;
2. qui ne peut être portée à la connaissance du prestataire de services établi dans un autre Etat membre de l'Union européenne par l'administration compétente, conformément à l'article 85 du présent code.
§ 2. L'administration compétente n'introduit pas de demande de notification d'une décision infligeant une amende administrative, si et aussi longtemps que la décision d'infliger une amende administrative est contestée ou attaquée en Belgique.
§ 3. L'administration compétente soumet, sans retard injustifié, la demande de notification via le système IMI au moyen d'un instrument uniforme et y indique au minimum les données suivantes :
a) le nom et l'adresse du destinataire, et toute autre donnée ou information pertinente aux fins de l'identification de celui-ci;
b) un résumé des faits et des circonstances de l'infraction, la nature de celle-ci et la réglementation applicable;
c) l'instrument permettant l'exécution en Belgique et tout autre renseignement ou document pertinent - y compris les données ou documents de nature juridique - concernant la plainte correspondante et l'amende administrative;
d) le nom, l'adresse et autres données de contact de l'administration compétente et;
e) le but de la notification et le délai dans lequel la notification doit avoir lieu.]1
§ 1er . L'administration compétente peut introduire une demande de notification de la décision infligeant une amende administrative auprès de l'instance compétente d'un autre Etat membre de l'Union européenne, conformément aux dispositions du Chapitre VI de la directive 2014/67/UE précitée du Parlement Européen et du Conseil du 15 mai 2014.
Il doit être question d'une amende administrative qui :
1. est infligée par l'administration compétente, conformément aux dispositions du présent code ou qui est, le cas échéant, confirmée par les juridictions du travail;
2. qui ne peut être portée à la connaissance du prestataire de services établi dans un autre Etat membre de l'Union européenne par l'administration compétente, conformément à l'article 85 du présent code.
§ 2. L'administration compétente n'introduit pas de demande de notification d'une décision infligeant une amende administrative, si et aussi longtemps que la décision d'infliger une amende administrative est contestée ou attaquée en Belgique.
§ 3. L'administration compétente soumet, sans retard injustifié, la demande de notification via le système IMI au moyen d'un instrument uniforme et y indique au minimum les données suivantes :
a) le nom et l'adresse du destinataire, et toute autre donnée ou information pertinente aux fins de l'identification de celui-ci;
b) un résumé des faits et des circonstances de l'infraction, la nature de celle-ci et la réglementation applicable;
c) l'instrument permettant l'exécution en Belgique et tout autre renseignement ou document pertinent - y compris les données ou documents de nature juridique - concernant la plainte correspondante et l'amende administrative;
d) le nom, l'adresse et autres données de contact de l'administration compétente et;
e) le but de la notification et le délai dans lequel la notification doit avoir lieu.]1
Art. 91/2. [1 Invordering van de administratieve geldboete opgelegd aan een in een andere EU-lidstaat gevestigde dienstverrichter wegens het niet-naleven van de in België geldende regels inzake detachering van werknemers.
§ 1. De administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen kan, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VI van voormelde richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014, bij de bevoegde instantie van een andere EU-lidstaat een verzoek tot invordering van een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete indienen.
Het moet hierbij gaan om een administratieve geldboete die :
1. door de bevoegde administratie overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek is opgelegd of, in voorkomend geval, door de arbeidsgerechten is bevestigd;
2. waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld;
3. door de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen niet kan worden ingevorderd van de in een andere EU-lidstaat gevestigde dienstverrichter overeenkomstig artikel 89, derde lid.
§ 2. De administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen dient geen verzoek tot invordering van een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete in, indien en zo lang de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete, evenals de onderliggende vordering en/of het instrument dat de handhaving in België toelaat, in België worden betwist of aangevochten.
§ 3. De administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen doet zonder onnodige vertraging het verzoek tot invordering via het IMI-systeem door middel van een uniform instrument en verstrekt daarin ten minste de volgende gegevens :
a) de naam en het bekende adres van de geadresseerde en alle andere relevante gegevens of informatie voor de identificatie van de geadresseerde;
b) een samenvatting van de feiten en de omstandigheden van de inbreuk, de aard van de inbreuk en de toepasselijke regelgeving;
c) het instrument dat de handhaving in België toelaat en alle andere relevante gegevens of documenten - met inbegrip van gegevens of documenten van juridische aard - met betrekking tot de onderliggende vordering en de administratieve geldboete;
d) de naam, het adres en andere contactgegevens van de bevoegde administratie en van de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen;
e) de datum waarop het vonnis of arrest of de beslissing voor tenuitvoerlegging vatbaar of definitief is geworden, een beschrijving van de aard en het bedrag van de administratieve geldboete, alle gegevens die voor het handhavingsproces relevant zijn - met inbegrip van het feit of het vonnis of arrest of de beslissing aan de verweerder(s) betekend is en/of bij verstek is gewezen, alsmede een bevestiging van de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen dat tegen de geldboete geen beroep meer kan worden aangetekend - evenals de onderliggende vordering op basis waarvan het verzoek wordt ingediend, en de verschillende componenten ervan.]1
§ 1. De administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen kan, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VI van voormelde richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014, bij de bevoegde instantie van een andere EU-lidstaat een verzoek tot invordering van een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete indienen.
Het moet hierbij gaan om een administratieve geldboete die :
1. door de bevoegde administratie overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek is opgelegd of, in voorkomend geval, door de arbeidsgerechten is bevestigd;
2. waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld;
3. door de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen niet kan worden ingevorderd van de in een andere EU-lidstaat gevestigde dienstverrichter overeenkomstig artikel 89, derde lid.
§ 2. De administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen dient geen verzoek tot invordering van een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete in, indien en zo lang de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete, evenals de onderliggende vordering en/of het instrument dat de handhaving in België toelaat, in België worden betwist of aangevochten.
§ 3. De administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen doet zonder onnodige vertraging het verzoek tot invordering via het IMI-systeem door middel van een uniform instrument en verstrekt daarin ten minste de volgende gegevens :
a) de naam en het bekende adres van de geadresseerde en alle andere relevante gegevens of informatie voor de identificatie van de geadresseerde;
b) een samenvatting van de feiten en de omstandigheden van de inbreuk, de aard van de inbreuk en de toepasselijke regelgeving;
c) het instrument dat de handhaving in België toelaat en alle andere relevante gegevens of documenten - met inbegrip van gegevens of documenten van juridische aard - met betrekking tot de onderliggende vordering en de administratieve geldboete;
d) de naam, het adres en andere contactgegevens van de bevoegde administratie en van de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen;
e) de datum waarop het vonnis of arrest of de beslissing voor tenuitvoerlegging vatbaar of definitief is geworden, een beschrijving van de aard en het bedrag van de administratieve geldboete, alle gegevens die voor het handhavingsproces relevant zijn - met inbegrip van het feit of het vonnis of arrest of de beslissing aan de verweerder(s) betekend is en/of bij verstek is gewezen, alsmede een bevestiging van de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen dat tegen de geldboete geen beroep meer kan worden aangetekend - evenals de onderliggende vordering op basis waarvan het verzoek wordt ingediend, en de verschillende componenten ervan.]1
Art. 91/2. [1 Recouvrement d'une amende administrative infligée à un prestataire de services établi dans un autre Etat membre de l'Union européenne en raison du non-respect des règles applicables en Belgique en matière de détachement de travailleurs.
§ 1er. L'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales peut, conformément aux dispositions du Chapitre VI de la directive 2014/67/EU précitée du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014, introduire une demande de recouvrement d'une décision infligeant une amende administrative auprès de l'instance compétente d'un autre Etat membre.
Il doit être question d'une amende administrative :
1. qui est infligée par l'administration compétente, conformément aux dispositions du présent code ou qui est, le cas échéant, confirmée par les juridictions du travail;
2. qui n'est plus susceptible de recours;
3. qui ne peut pas être exécutée par l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales auprès du prestataire de service établi dans un autre Etat membre de l'Union européenne, conformément à l'article 89, troisième alinéa.
§ 2. L'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales n'introduit pas de demande de recouvrement d'une décision infligeant une amende administrative, si et aussi longtemps que la décision infligeant une amende administrative, de même que la plainte correspondante et/ou l'instrument qui permet l'exécution en Belgique, est contestée ou attaquée en Belgique.
§ 3. L'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales soumet, sans retard injustifié, la demande de recouvrement via le système IMI au moyen d'un instrument uniforme, et y indique au minimum les données suivantes :
a) le nom et l'adresse du destinataire, et toute autre donnée ou information pertinente aux fins de l'identification de celui-ci;
b) un résumé des faits et des circonstances de l'infraction, la nature de celle-ci et la réglementation applicable;
c) l'instrument permettant l'exécution en Belgique et tout autre renseignement ou document pertinent - y compris les données ou documents notamment de nature juridique - en ce qui concerne la plainte correspondante et l'amende administrative;
d) le nom, l'adresse et autres données de contact de l'administration compétente et de l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales;
e) la date à laquelle le jugement ou l'arrêt ou la décision est devenu exécutoire ou définitif, une description de la nature et du montant de l'amende administrative, toute donnée pertinente pour le processus d'exécution - y compris si et, dans l'affirmative, comment le jugement ou l'arrêt ou la décision a été signifié ou notifié au(x) défendeur(s) et/ou a été rendu par défaut, et la confirmation de l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales, que l'amende n'est plus susceptible d'appel - ainsi que la plainte correspondante sur base de laquelle la demande a été introduite et les différents éléments qui la composent.]1
§ 1er. L'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales peut, conformément aux dispositions du Chapitre VI de la directive 2014/67/EU précitée du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014, introduire une demande de recouvrement d'une décision infligeant une amende administrative auprès de l'instance compétente d'un autre Etat membre.
Il doit être question d'une amende administrative :
1. qui est infligée par l'administration compétente, conformément aux dispositions du présent code ou qui est, le cas échéant, confirmée par les juridictions du travail;
2. qui n'est plus susceptible de recours;
3. qui ne peut pas être exécutée par l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales auprès du prestataire de service établi dans un autre Etat membre de l'Union européenne, conformément à l'article 89, troisième alinéa.
§ 2. L'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales n'introduit pas de demande de recouvrement d'une décision infligeant une amende administrative, si et aussi longtemps que la décision infligeant une amende administrative, de même que la plainte correspondante et/ou l'instrument qui permet l'exécution en Belgique, est contestée ou attaquée en Belgique.
§ 3. L'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales soumet, sans retard injustifié, la demande de recouvrement via le système IMI au moyen d'un instrument uniforme, et y indique au minimum les données suivantes :
a) le nom et l'adresse du destinataire, et toute autre donnée ou information pertinente aux fins de l'identification de celui-ci;
b) un résumé des faits et des circonstances de l'infraction, la nature de celle-ci et la réglementation applicable;
c) l'instrument permettant l'exécution en Belgique et tout autre renseignement ou document pertinent - y compris les données ou documents notamment de nature juridique - en ce qui concerne la plainte correspondante et l'amende administrative;
d) le nom, l'adresse et autres données de contact de l'administration compétente et de l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales;
e) la date à laquelle le jugement ou l'arrêt ou la décision est devenu exécutoire ou définitif, une description de la nature et du montant de l'amende administrative, toute donnée pertinente pour le processus d'exécution - y compris si et, dans l'affirmative, comment le jugement ou l'arrêt ou la décision a été signifié ou notifié au(x) défendeur(s) et/ou a été rendu par défaut, et la confirmation de l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales, que l'amende n'est plus susceptible d'appel - ainsi que la plainte correspondante sur base de laquelle la demande a été introduite et les différents éléments qui la composent.]1
Art. 91/3. [1 Verzoek van een andere EU-lidstaat tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie en/of boete opgelegd aan een in België gevestigde dienstverrichter wegens het niet-naleven van de in de betreffende lidstaat geldende regels inzake detachering van werknemers.
§ 1. De bevoegde administratie neemt, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VI van voormelde richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014, kennis van ieder verzoek van een bevoegde instantie van een andere EU-lidstaat tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie en/of boete opgelegd aan een in België gevestigde dienstverrichter wegens het niet-naleven van de in de betreffende lidstaat geldende regels inzake detachering van werknemers.
Het moet hierbij gaan om een administratieve financiële sanctie en/of boete die :
1. overeenkomstig de wetten en procedures van de verzoekende lidstaat door een bevoegde instantie is opgelegd of door een administratieve of gerechtelijke instantie of, in voorkomend geval, door arbeidsgerechten is bevestigd;
2. door de verzoekende instantie van een andere EU-lidstaat niet ter kennis kan worden gebracht aan de in België gevestigde dienstverrichter overeenkomstig de in die EU-lidstaat geldende nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve gebruiken.
§ 2. De bevoegde administratie gaat na of :
1. het via het IMI-systeem ontvangen verzoek vergezeld is van de relevante documenten, desgevallend met inbegrip van het vonnis of arrest of de onherroepelijke beslissing, of een gewaarmerkt afschrift daarvan;
2. deze administratieve financiële sanctie of boete onder de toepassing valt van voormelde richtlijn;
3. het verzoek volledig is, strookt met de onderliggende beslissing en de in artikel 16, leden 1 en 2, van voormelde richtlijn vermelde gegevens bevat en met name :
a) de naam en het bekende adres van de geadresseerde en alle andere relevante gegevens of informatie voor de identificatie van de geadresseerde;
b) een samenvatting van de feiten en de omstandigheden van de inbreuk, de aard van de inbreuk en de toepasselijke regelgeving;
c) het instrument dat de handhaving in de verzoekende lidstaat toelaat en alle andere relevante gegevens of documenten - met inbegrip van gegevens of documenten van juridische aard - met betrekking tot de onderliggende vordering en de administratieve financiële sanctie en/of boete;
d) de naam, het adres en andere contactgegevens van de voor de beoordeling van de administratieve financiële sanctie en/of boete bevoegde instantie en van de bevoegde instantie - als die van de eerstgenoemde instantie verschilt - waar nadere informatie kan worden verkregen over de administratieve financiële sanctie en/of boete of over de mogelijkheden om de betalingsverplichting of de beslissing tot betalingsverplichting te betwisten en;
e) het doel van de kennisgeving en de termijn waarbinnen de kennisgeving moet worden gedaan.
§ 3. [2 In bevestigend geval, gaat zij over tot de kennisgeving van de beslissing bij een aangetekende zending of elk ander middel dat de datum van de zending waarborgt.]2
De bevoegde administratie doet de kennisgeving van de beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie en/of boete, alsmede van de desbetreffende documenten, aan de in België gevestigde dienstverrichter binnen de maand na ontvangst van het verzoek daartoe van een bevoegde instantie van de andere EU-lidstaat.
De beslissing die aldus door de bevoegde administratie ter kennis werd gebracht aan de in België gevestigde dienstverrichter, heeft uitvoerbare kracht. Zij wordt geacht hetzelfde effect te sorteren als wanneer de kennisgeving door de verzoekende lidstaat was gedaan.
§ 4. De bevoegde administratie kan weigeren om gevolg te geven aan het verzoek tot kennisgeving wanneer :
1. het verzoek van de andere EU-lidstaat de in § 2, 3, a) t.e.m. e), vermelde gegevens niet bevat;
2. het verzoek van de andere EU-lidstaat onvolledig is;
3. het verzoek onmiskenbaar niet strookt met de onderliggende beslissing.
§ 5. De bevoegde administratie stelt de verzoekende instantie van de andere EU-lidstaat zo snel mogelijk in kennis van :
1. de maatregelen die zij naar aanleiding van het verzoek tot kennisgeving heeft genomen en, meer in het bijzonder, de datum waarop de geadresseerde in kennis werd gebracht;
2. de weigeringsgronden, in het geval dat zij de kennisgeving weigert van de beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie en/of boete.]1
§ 1. De bevoegde administratie neemt, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VI van voormelde richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014, kennis van ieder verzoek van een bevoegde instantie van een andere EU-lidstaat tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie en/of boete opgelegd aan een in België gevestigde dienstverrichter wegens het niet-naleven van de in de betreffende lidstaat geldende regels inzake detachering van werknemers.
Het moet hierbij gaan om een administratieve financiële sanctie en/of boete die :
1. overeenkomstig de wetten en procedures van de verzoekende lidstaat door een bevoegde instantie is opgelegd of door een administratieve of gerechtelijke instantie of, in voorkomend geval, door arbeidsgerechten is bevestigd;
2. door de verzoekende instantie van een andere EU-lidstaat niet ter kennis kan worden gebracht aan de in België gevestigde dienstverrichter overeenkomstig de in die EU-lidstaat geldende nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve gebruiken.
§ 2. De bevoegde administratie gaat na of :
1. het via het IMI-systeem ontvangen verzoek vergezeld is van de relevante documenten, desgevallend met inbegrip van het vonnis of arrest of de onherroepelijke beslissing, of een gewaarmerkt afschrift daarvan;
2. deze administratieve financiële sanctie of boete onder de toepassing valt van voormelde richtlijn;
3. het verzoek volledig is, strookt met de onderliggende beslissing en de in artikel 16, leden 1 en 2, van voormelde richtlijn vermelde gegevens bevat en met name :
a) de naam en het bekende adres van de geadresseerde en alle andere relevante gegevens of informatie voor de identificatie van de geadresseerde;
b) een samenvatting van de feiten en de omstandigheden van de inbreuk, de aard van de inbreuk en de toepasselijke regelgeving;
c) het instrument dat de handhaving in de verzoekende lidstaat toelaat en alle andere relevante gegevens of documenten - met inbegrip van gegevens of documenten van juridische aard - met betrekking tot de onderliggende vordering en de administratieve financiële sanctie en/of boete;
d) de naam, het adres en andere contactgegevens van de voor de beoordeling van de administratieve financiële sanctie en/of boete bevoegde instantie en van de bevoegde instantie - als die van de eerstgenoemde instantie verschilt - waar nadere informatie kan worden verkregen over de administratieve financiële sanctie en/of boete of over de mogelijkheden om de betalingsverplichting of de beslissing tot betalingsverplichting te betwisten en;
e) het doel van de kennisgeving en de termijn waarbinnen de kennisgeving moet worden gedaan.
§ 3. [2 In bevestigend geval, gaat zij over tot de kennisgeving van de beslissing bij een aangetekende zending of elk ander middel dat de datum van de zending waarborgt.]2
De bevoegde administratie doet de kennisgeving van de beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie en/of boete, alsmede van de desbetreffende documenten, aan de in België gevestigde dienstverrichter binnen de maand na ontvangst van het verzoek daartoe van een bevoegde instantie van de andere EU-lidstaat.
De beslissing die aldus door de bevoegde administratie ter kennis werd gebracht aan de in België gevestigde dienstverrichter, heeft uitvoerbare kracht. Zij wordt geacht hetzelfde effect te sorteren als wanneer de kennisgeving door de verzoekende lidstaat was gedaan.
§ 4. De bevoegde administratie kan weigeren om gevolg te geven aan het verzoek tot kennisgeving wanneer :
1. het verzoek van de andere EU-lidstaat de in § 2, 3, a) t.e.m. e), vermelde gegevens niet bevat;
2. het verzoek van de andere EU-lidstaat onvolledig is;
3. het verzoek onmiskenbaar niet strookt met de onderliggende beslissing.
§ 5. De bevoegde administratie stelt de verzoekende instantie van de andere EU-lidstaat zo snel mogelijk in kennis van :
1. de maatregelen die zij naar aanleiding van het verzoek tot kennisgeving heeft genomen en, meer in het bijzonder, de datum waarop de geadresseerde in kennis werd gebracht;
2. de weigeringsgronden, in het geval dat zij de kennisgeving weigert van de beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie en/of boete.]1
Art. 91/3. [1 Demande provenant d'un autre Etat membre de l'Union européenne et ayant pour objet la notification d'une décision infligeant une sanction administrative pécuniaire et/ou une amende administrative à un prestataire de services établi en Belgique en raison du non-respect des règles applicables dans l'Etat membre concerné en matière de détachement de travailleurs.
§ 1er. Conformément aux dispositions du chapitre VI de la directive 2014/67/EU précitée du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014, l'administration compétente prend connaissance de chaque demande provenant d'une instance compétente d'un autre Etat membre de l'Union européenne et ayant pour objet la notification d'une décision infligeant une sanction administrative pécuniaire et/ou une amende administrative à un prestataire de services établi en Belgique en raison du non-respect des règles applicables dans l'Etat membre concerné en matière de détachement de travailleurs.
Il doit être question d'une sanction administrative pécuniaire et/ou d'une amende qui :
1. est infligée conformément au droit et aux procédures de l'Etat membre requérant par les autorités compétentes ou confirmée par une instance administrative ou judiciaire ou, le cas échéant, par des juridictions du travail;
2. ne peut pas être portée à la connaissance du prestataire de services établi en Belgique par l'instance requérante d'un autre Etat membre de l'Union européenne conformément à la législation, à la réglementation et aux pratiques administratives en vigueur dans cet Etat membre.
§ 2. L'administration compétente vérifie si :
1. la demande, reçue via le système IMI, est accompagnée des documents pertinents, y compris, si nécessaire, le jugement ou l'arrêt ou la décision en dernier ressort, éventuellement sous forme d'une copie certifiée;
2. cette sanction et/ou amende administrative pécuniaire relève du champ d'application de la directive précitée;
3. la demande est complète, conforme à la décision correspondante et mentionne les données visées à l'article 16, alinéas 1 et 2, de la directive précitée, à savoir :
a) le nom et l'adresse du destinataire, et toute autre donnée ou information pertinente aux fins de l'identification de celui-ci;
b) un résumé des faits et des circonstances de l'infraction, la nature de celle-ci et la réglementation applicable;
c) l'instrument permettant l'exécution dans l'Etat membre requérant et tout autre renseignement ou document pertinent - y compris les données ou les documents de nature juridique - concernant la plainte correspondante, la sanction et/ou l'amende administrative pécuniaire;
d) le nom, l'adresse et les coordonnées de l'autorité compétente chargée de l'évaluation de la sanction et/ou de l'amende administrative pécuniaire et, s'il est différent, de l'organisme compétent auprès duquel des informations complémentaires peuvent être obtenues concernant la sanction et/ou l'amende administrative pécuniaire et les possibilités de contestation de l'obligation de paiement ou de la décision qui inflige celle-ci, et le but de la notification et;
e) le but de la notification et le délai dans lequel la notification doit avoir lieu.
§ 3. [2 Si tel est le cas, elle est chargée de la notification de la décision via un envoi recommandé ou par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi.]2
L'administration compétente notifie la décision infligeant une sanction et/ou amende administrative pécuniaire, de même que les documents y afférant, au prestataire de service établi en Belgique dans le mois qui suit la réception de la demande de l'instance compétente d'un autre Etat membre de l'Union européenne.
La décision qui a, dès lors, été portée à la connaissance du prestataire de service établi en Belgique par l'administration compétente, a force exécutoire. Elle est réputée produire les mêmes effets que si la notification était le fait de l'Etat membre requérant.
§ 4. L'administration compétente peut refuser de donner suite à une demande de notification quand :
1. la demande de l'autre Etat membre de l'Union européenne ne contient pas les données mentionnées dans le § 2, 3, points a) à e);
2. la demande de l'autre Etat membre de l'Union européenne est incomplète;
3. il est indéniable que la demande ne cadre pas avec la décision correspondante.
§ 5. L'administration compétente informe aussi vite que possible l'instance requérante de l'autre Etat membre de l'Union européenne :
1. de la suite donnée à sa demande de notification et, plus particulièrement, de la date de la notification au destinataire;
2. des motifs de refus, au cas où elle refuserait de donner suite à une demande de notification d'une décision infligeant une sanction et/ou une amende administrative pécuniaire.]1
§ 1er. Conformément aux dispositions du chapitre VI de la directive 2014/67/EU précitée du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014, l'administration compétente prend connaissance de chaque demande provenant d'une instance compétente d'un autre Etat membre de l'Union européenne et ayant pour objet la notification d'une décision infligeant une sanction administrative pécuniaire et/ou une amende administrative à un prestataire de services établi en Belgique en raison du non-respect des règles applicables dans l'Etat membre concerné en matière de détachement de travailleurs.
Il doit être question d'une sanction administrative pécuniaire et/ou d'une amende qui :
1. est infligée conformément au droit et aux procédures de l'Etat membre requérant par les autorités compétentes ou confirmée par une instance administrative ou judiciaire ou, le cas échéant, par des juridictions du travail;
2. ne peut pas être portée à la connaissance du prestataire de services établi en Belgique par l'instance requérante d'un autre Etat membre de l'Union européenne conformément à la législation, à la réglementation et aux pratiques administratives en vigueur dans cet Etat membre.
§ 2. L'administration compétente vérifie si :
1. la demande, reçue via le système IMI, est accompagnée des documents pertinents, y compris, si nécessaire, le jugement ou l'arrêt ou la décision en dernier ressort, éventuellement sous forme d'une copie certifiée;
2. cette sanction et/ou amende administrative pécuniaire relève du champ d'application de la directive précitée;
3. la demande est complète, conforme à la décision correspondante et mentionne les données visées à l'article 16, alinéas 1 et 2, de la directive précitée, à savoir :
a) le nom et l'adresse du destinataire, et toute autre donnée ou information pertinente aux fins de l'identification de celui-ci;
b) un résumé des faits et des circonstances de l'infraction, la nature de celle-ci et la réglementation applicable;
c) l'instrument permettant l'exécution dans l'Etat membre requérant et tout autre renseignement ou document pertinent - y compris les données ou les documents de nature juridique - concernant la plainte correspondante, la sanction et/ou l'amende administrative pécuniaire;
d) le nom, l'adresse et les coordonnées de l'autorité compétente chargée de l'évaluation de la sanction et/ou de l'amende administrative pécuniaire et, s'il est différent, de l'organisme compétent auprès duquel des informations complémentaires peuvent être obtenues concernant la sanction et/ou l'amende administrative pécuniaire et les possibilités de contestation de l'obligation de paiement ou de la décision qui inflige celle-ci, et le but de la notification et;
e) le but de la notification et le délai dans lequel la notification doit avoir lieu.
§ 3. [2 Si tel est le cas, elle est chargée de la notification de la décision via un envoi recommandé ou par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi.]2
L'administration compétente notifie la décision infligeant une sanction et/ou amende administrative pécuniaire, de même que les documents y afférant, au prestataire de service établi en Belgique dans le mois qui suit la réception de la demande de l'instance compétente d'un autre Etat membre de l'Union européenne.
La décision qui a, dès lors, été portée à la connaissance du prestataire de service établi en Belgique par l'administration compétente, a force exécutoire. Elle est réputée produire les mêmes effets que si la notification était le fait de l'Etat membre requérant.
§ 4. L'administration compétente peut refuser de donner suite à une demande de notification quand :
1. la demande de l'autre Etat membre de l'Union européenne ne contient pas les données mentionnées dans le § 2, 3, points a) à e);
2. la demande de l'autre Etat membre de l'Union européenne est incomplète;
3. il est indéniable que la demande ne cadre pas avec la décision correspondante.
§ 5. L'administration compétente informe aussi vite que possible l'instance requérante de l'autre Etat membre de l'Union européenne :
1. de la suite donnée à sa demande de notification et, plus particulièrement, de la date de la notification au destinataire;
2. des motifs de refus, au cas où elle refuserait de donner suite à une demande de notification d'une décision infligeant une sanction et/ou une amende administrative pécuniaire.]1
Art. 91/4. [1 Verzoek van een andere EU-lidstaat tot invordering van een beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie en/of boete opgelegd aan een in België gevestigde dienstverrichter wegens het niet-naleven van de in de betreffende lidstaat geldende regels inzake detachering van werknemers.
§ 1. De bevoegde administratie neemt, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VI van voormelde richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014, kennis van ieder verzoek van een bevoegde instantie van een andere EU-lidstaat tot invordering van een administratieve financiële sanctie en/of boete opgelegd aan een in België gevestigde dienstverrichter wegens het niet-naleven van de in de betreffende lidstaat geldende regels inzake detachering van werknemers.
Het moet hierbij gaan om een administratieve financiële sanctie en/of boete die :
1. overeenkomstig de wetten en procedures van de verzoekende lidstaat door een bevoegde instantie is opgelegd of door een administratieve of gerechtelijke instantie of, in voorkomend geval, door arbeidsgerechten is bevestigd;
2. waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld;
3. door de verzoekende instantie van een andere EU-lidstaat niet kan worden ingevorderd van de in België gevestigde dienstverrichter overeenkomstig de in die EU-lidstaat geldende nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve gebruiken.
§ 2. De bevoegde administratie gaat na of :
1. het via het IMI-systeem ontvangen verzoek vergezeld is van de relevante documenten in verband met de invordering van die administratieve financiële sanctie en/of boete, desgevallend met inbegrip van het vonnis of arrest of de definitieve beslissing, of een gewaarmerkt afschrift daarvan, die de wettelijke basis en titel vormt voor de tenuitvoerlegging van het invorderingsverzoek;
2. de in te vorderen financiële sanctie of boete onder de toepassing valt van voormelde richtlijn;
3. het verzoek volledig is, strookt met de onderliggende beslissing en de in artikel 16, leden 1 en 2, van voormelde richtlijn vermelde gegevens bevat en met name :
a) de naam en het bekende adres van de geadresseerde en alle andere relevante gegevens of informatie voor de identificatie van de geadresseerde;
b) een samenvatting van de feiten en de omstandigheden van de inbreuk, de aard van de inbreuk en de toepasselijke regelgeving;
c) het instrument dat de handhaving in de verzoekende lidstaat toelaat en alle andere relevante gegevens of documenten - met inbegrip van gegevens of documenten van juridische aard - met betrekking tot de onderliggende vordering en de administratieve financiële sanctie en/of boete;
d) de naam, het adres en andere contactgegevens van de voor de beoordeling van de administratieve sanctie en/of boete bevoegde instantie en van de bevoegde instantie - als die van de eerstgenoemde instantie verschilt - waar nadere informatie kan worden verkregen over de administratieve financiële sanctie en/of boete of over de mogelijkheden om de betalingsverplichting of de beslissing tot betalingsverplichting te betwisten, en;
e) de datum waarop het vonnis of arrest of de beslissing voor tenuitvoerlegging vatbaar of definitief is geworden, een beschrijving van de aard en het bedrag van de administratieve financiële sanctie en/of boete, alle gegevens die voor het handhavingsproces relevant zijn - met inbegrip van het feit of het vonnis of arrest of de beslissing aan de verweerder(s) betekend is en/of bij verstek is gewezen, alsmede een bevestiging van de verzoekende instantie dat tegen de administratieve financiële sanctie en/of boete geen beroep meer kan worden aangetekend - evenals de onderliggende vordering op basis waarvan het verzoek wordt ingediend, en de verschillende componenten ervan;
4. de in te vorderen administratieve financiële sanctie en/of boete minstens 350 euro bedraagt of het equivalent van dat bedrag;
§ 3. In bevestigend geval, maakt zij het verzoek tot invordering overeenkomstig artikel 89, eerste lid, aanhangig bij de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen, met het oog op de invordering van het bedrag van deze administratieve financiële sanctie en/of boete.
Deze invordering gebeurt op basis van de in voormelde richtlijn voorziene titel ontvangen via het IMI-systeem.
Deze invordering gebeurt overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949.
§ 4. De administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen doet de kennisgeving van het verzoek tot invordering van een administratieve financiële sanctie en/of boete, alsmede van de desbetreffende documenten, aan de in België gevestigde dienstverrichter binnen de maand na ontvangst van het verzoek daartoe van een bevoegde instantie van de andere EU-lidstaat.
§ 5. De administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen kan weigeren om gevolg te geven aan het invorderingsverzoek indien :
1. het verzoek van de andere EU-lidstaat de in § 2, 3, a) t.e.m. e), vermelde gegevens niet bevat;
2. het verzoek onvolledig is;
3. het verzoek onmiskenbaar niet strookt met de onderliggende beslissing;
4. de in te vorderen administratieve financiële sanctie en/of boete minder bedraagt dan 350 euro of het equivalent van dat bedrag;
5. uit onderzoek duidelijk blijkt dat de verwachte kosten of middelen van de invordering van de boete niet in verhouding staan tot het in te vorderen bedrag of grote moeilijkheden zouden opleveren;
6. de in de Belgische Grondwet opgenomen grondrechten en vrijheden van verweerders en de rechtsbeginselen die op hen van toepassing zijn, niet zijn nageleefd.
§ 6. De administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen stelt de verzoekende instantie van de andere EU-lidstaat zo snel mogelijk in kennis van :
1. de maatregelen die zij naar aanleiding van het verzoek tot invordering heeft genomen en, meer in het bijzonder, de datum waarop de geadresseerde in kennis werd gebracht;
2. de weigeringsgronden, in het geval dat zij de uitvoering weigert van een verzoek tot invordering van een administratieve financiële sanctie en/of boete.]1
§ 1. De bevoegde administratie neemt, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VI van voormelde richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014, kennis van ieder verzoek van een bevoegde instantie van een andere EU-lidstaat tot invordering van een administratieve financiële sanctie en/of boete opgelegd aan een in België gevestigde dienstverrichter wegens het niet-naleven van de in de betreffende lidstaat geldende regels inzake detachering van werknemers.
Het moet hierbij gaan om een administratieve financiële sanctie en/of boete die :
1. overeenkomstig de wetten en procedures van de verzoekende lidstaat door een bevoegde instantie is opgelegd of door een administratieve of gerechtelijke instantie of, in voorkomend geval, door arbeidsgerechten is bevestigd;
2. waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld;
3. door de verzoekende instantie van een andere EU-lidstaat niet kan worden ingevorderd van de in België gevestigde dienstverrichter overeenkomstig de in die EU-lidstaat geldende nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve gebruiken.
§ 2. De bevoegde administratie gaat na of :
1. het via het IMI-systeem ontvangen verzoek vergezeld is van de relevante documenten in verband met de invordering van die administratieve financiële sanctie en/of boete, desgevallend met inbegrip van het vonnis of arrest of de definitieve beslissing, of een gewaarmerkt afschrift daarvan, die de wettelijke basis en titel vormt voor de tenuitvoerlegging van het invorderingsverzoek;
2. de in te vorderen financiële sanctie of boete onder de toepassing valt van voormelde richtlijn;
3. het verzoek volledig is, strookt met de onderliggende beslissing en de in artikel 16, leden 1 en 2, van voormelde richtlijn vermelde gegevens bevat en met name :
a) de naam en het bekende adres van de geadresseerde en alle andere relevante gegevens of informatie voor de identificatie van de geadresseerde;
b) een samenvatting van de feiten en de omstandigheden van de inbreuk, de aard van de inbreuk en de toepasselijke regelgeving;
c) het instrument dat de handhaving in de verzoekende lidstaat toelaat en alle andere relevante gegevens of documenten - met inbegrip van gegevens of documenten van juridische aard - met betrekking tot de onderliggende vordering en de administratieve financiële sanctie en/of boete;
d) de naam, het adres en andere contactgegevens van de voor de beoordeling van de administratieve sanctie en/of boete bevoegde instantie en van de bevoegde instantie - als die van de eerstgenoemde instantie verschilt - waar nadere informatie kan worden verkregen over de administratieve financiële sanctie en/of boete of over de mogelijkheden om de betalingsverplichting of de beslissing tot betalingsverplichting te betwisten, en;
e) de datum waarop het vonnis of arrest of de beslissing voor tenuitvoerlegging vatbaar of definitief is geworden, een beschrijving van de aard en het bedrag van de administratieve financiële sanctie en/of boete, alle gegevens die voor het handhavingsproces relevant zijn - met inbegrip van het feit of het vonnis of arrest of de beslissing aan de verweerder(s) betekend is en/of bij verstek is gewezen, alsmede een bevestiging van de verzoekende instantie dat tegen de administratieve financiële sanctie en/of boete geen beroep meer kan worden aangetekend - evenals de onderliggende vordering op basis waarvan het verzoek wordt ingediend, en de verschillende componenten ervan;
4. de in te vorderen administratieve financiële sanctie en/of boete minstens 350 euro bedraagt of het equivalent van dat bedrag;
§ 3. In bevestigend geval, maakt zij het verzoek tot invordering overeenkomstig artikel 89, eerste lid, aanhangig bij de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen, met het oog op de invordering van het bedrag van deze administratieve financiële sanctie en/of boete.
Deze invordering gebeurt op basis van de in voormelde richtlijn voorziene titel ontvangen via het IMI-systeem.
Deze invordering gebeurt overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949.
§ 4. De administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen doet de kennisgeving van het verzoek tot invordering van een administratieve financiële sanctie en/of boete, alsmede van de desbetreffende documenten, aan de in België gevestigde dienstverrichter binnen de maand na ontvangst van het verzoek daartoe van een bevoegde instantie van de andere EU-lidstaat.
§ 5. De administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen kan weigeren om gevolg te geven aan het invorderingsverzoek indien :
1. het verzoek van de andere EU-lidstaat de in § 2, 3, a) t.e.m. e), vermelde gegevens niet bevat;
2. het verzoek onvolledig is;
3. het verzoek onmiskenbaar niet strookt met de onderliggende beslissing;
4. de in te vorderen administratieve financiële sanctie en/of boete minder bedraagt dan 350 euro of het equivalent van dat bedrag;
5. uit onderzoek duidelijk blijkt dat de verwachte kosten of middelen van de invordering van de boete niet in verhouding staan tot het in te vorderen bedrag of grote moeilijkheden zouden opleveren;
6. de in de Belgische Grondwet opgenomen grondrechten en vrijheden van verweerders en de rechtsbeginselen die op hen van toepassing zijn, niet zijn nageleefd.
§ 6. De administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen stelt de verzoekende instantie van de andere EU-lidstaat zo snel mogelijk in kennis van :
1. de maatregelen die zij naar aanleiding van het verzoek tot invordering heeft genomen en, meer in het bijzonder, de datum waarop de geadresseerde in kennis werd gebracht;
2. de weigeringsgronden, in het geval dat zij de uitvoering weigert van een verzoek tot invordering van een administratieve financiële sanctie en/of boete.]1
Art. 91/4. [1 Demande provenant d'un autre Etat membre de l'UE et ayant pour objet l'exécution d'une décision infligeant une sanction et/ou une amende administrative pécuniaire infligée à un prestataire de service établi en Belgique en raison du non-respect des règles en vigueur dans l'Etat membre concerné en matière de détachement de travailleurs.
§ 1er. Conformément aux dispositions du Chapitre VI de la directive 2014/67/UE précitée du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014, l'administration compétente prend connaissance de chaque demande provenant d'une instance compétente d'un autre Etat membre de l'Union européenne et ayant pour objet l'exécution d'une sanction et/ou d'une amende administrative pécuniaire infligée à un prestataire de services établi en Belgique en raison du non-respect des règles en vigueur dans l'Etat membre concerné en matière de détachement de travailleurs.
Il doit être question d'une sanction et/ou d'une amende administrative pécuniaire qui :
1. est infligée par une autorité compétente ou confirmée par une instance administrative ou judiciaire ou, le cas échéant, par des juridictions du travail et ce, conformément aux lois et procédures de l'Etat membre requérant;
2. ne peut plus faire l'objet d'un recours;
3. ne peut pas être recouvrée par l'instance requérante d'un autre Etat membre de l'Union Européenne auprès du prestataire de service établi en Belgique, conformément aux dispositions légales et réglementaires nationales et aux usages administratifs en vigueur dans cet Etat membre de l'Union Européenne.
§ 2. L'administration compétente vérifie si :
1. la demande réceptionnée via le système IMI est accompagnée des documents pertinents relatifs au recouvrement de cette sanction et/ ou amende administrative pécuniaire, y compris, s'il y a lieu, le jugement ou l'arrêt ou la décision définitive, éventuellement sous forme d'une copie certifiée, constituant la base juridique et le titre exécutoire pour la demande d'exécution;
2. la sanction ou l'amende pécuniaire à recouvrer se situe dans le champ d'application de la directive précitée;
3. la demande est complète, si elle est conforme à la décision sous-jacente et si elle contient les données mentionnées à l'article 16, alinéas 1 et 2, de la directive précitée, à savoir :
a) le nom et l'adresse du destinataire, et toute autre donnée ou information pertinente aux fins de l'identification de celui-ci;
b) une synthèse des faits et circonstances de l'infraction, la nature de celle-ci et les règles applicables concernées;
c) l'instrument permettant l'exécution dans l'Etat membre requérant et tout autre renseignement ou document pertinent, notamment de nature juridique, concernant la plainte correspondante et la sanction et/ou l'amende administrative pécuniaire;
d) le nom, l'adresse et les coordonnées de l'instance compétente chargée de l'évaluation de la sanction et/ou de l'amende administrative et, s'il est différent, de l'instance compétente auprès de laquelle des informations complémentaires peuvent être obtenues concernant la sanction et/ou l'amende administrative pécuniaire et les possibilités de contestation de l'obligation de paiement ou de la décision qui inflige celle-ci, et;
e) la date à laquelle le jugement ou l'arrêt ou la décision est devenu exécutoire ou définitif, une description de la nature et du montant de la sanction et/ou de l'amende administrative pécuniaire, toute donnée pertinente dans le cadre du processus d'exécution, - y compris si et, dans l'affirmative, comment le jugement ou l'arrêt ou la décision a été notifié ou signifié au(x) défendeur(s) et/ou a été rendu par défaut, et la confirmation, par l'autorité requérante que la sanction et/ou l'amende administrative pécuniaire n'est plus susceptible d'appel, ainsi que la plainte correspondante et les éléments qui la composent;
4. le montant de cette amende et/ou sanction administrative pécuniaire est supérieure ou égal à 350 euros ou à l'équivalent de ce montant;
§ 3. Si tel est le cas, elle soumet, conformément à l'article 89, alinéa 1er, une demande d'exécution à l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales en vue du recouvrement du montant de cette sanction et/ou de cette amende administrative pécuniaire.
Ce recouvrement est exécuté sur base du titre prévu dans la directive précitée réceptionné via le système IMI.
Ce recouvrement est exécuté conformément aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre 1949.
§ 4. L'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales notifie la demande d'exécution d'une sanction et/ou d'une amende administrative pécuniaire et les documents pertinents au prestataire de service établi en Belgique dans le mois à compter de la réception de cette demande provenant d'une instance compétente d'une autre Etat membre de l'Union européenne.
§ 5. L'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales peut refuser de donner suite à la demande d'exécution si :
1. la demande de l'autre Etat membre de l'Union européenne ne contient pas les informations visées au § 2, 3, a) à e);
2. elle est incomplète;
3. elle ne correspond manifestement pas à la décision qui la motive;
4. le montant de cette amende et/ou sanction administrative pécuniaire est inférieur à 350 euros ou à l'équivalent de ce montant;
5. il ressort clairement d'une enquête que les sommes ou ressources à mobiliser en vue d'exécuter l'amende sont disproportionnées par rapport au montant à recouvrer ou qu'il faudrait faire face à des difficultés considérables;
6. les droits et libertés fondamentaux de la défense inscrits dans la Constitution belge et les principes juridiques qui s'y appliquent ne sont pas respectés.
§ 6. L'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales informe, le plus rapidement possible, l'autorité requérante de l'autre Etat membre de l'Union européenne :
1. des mesures prises suite à sa demande d'exécution et, plus particulièrement, de la date de la notification au destinataire;
2. des motifs de refus, au cas où elle refuserait de donner suite à une demande d'exécution d'une sanction et/ou d'une amende administrative pécuniaire.]1
§ 1er. Conformément aux dispositions du Chapitre VI de la directive 2014/67/UE précitée du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014, l'administration compétente prend connaissance de chaque demande provenant d'une instance compétente d'un autre Etat membre de l'Union européenne et ayant pour objet l'exécution d'une sanction et/ou d'une amende administrative pécuniaire infligée à un prestataire de services établi en Belgique en raison du non-respect des règles en vigueur dans l'Etat membre concerné en matière de détachement de travailleurs.
Il doit être question d'une sanction et/ou d'une amende administrative pécuniaire qui :
1. est infligée par une autorité compétente ou confirmée par une instance administrative ou judiciaire ou, le cas échéant, par des juridictions du travail et ce, conformément aux lois et procédures de l'Etat membre requérant;
2. ne peut plus faire l'objet d'un recours;
3. ne peut pas être recouvrée par l'instance requérante d'un autre Etat membre de l'Union Européenne auprès du prestataire de service établi en Belgique, conformément aux dispositions légales et réglementaires nationales et aux usages administratifs en vigueur dans cet Etat membre de l'Union Européenne.
§ 2. L'administration compétente vérifie si :
1. la demande réceptionnée via le système IMI est accompagnée des documents pertinents relatifs au recouvrement de cette sanction et/ ou amende administrative pécuniaire, y compris, s'il y a lieu, le jugement ou l'arrêt ou la décision définitive, éventuellement sous forme d'une copie certifiée, constituant la base juridique et le titre exécutoire pour la demande d'exécution;
2. la sanction ou l'amende pécuniaire à recouvrer se situe dans le champ d'application de la directive précitée;
3. la demande est complète, si elle est conforme à la décision sous-jacente et si elle contient les données mentionnées à l'article 16, alinéas 1 et 2, de la directive précitée, à savoir :
a) le nom et l'adresse du destinataire, et toute autre donnée ou information pertinente aux fins de l'identification de celui-ci;
b) une synthèse des faits et circonstances de l'infraction, la nature de celle-ci et les règles applicables concernées;
c) l'instrument permettant l'exécution dans l'Etat membre requérant et tout autre renseignement ou document pertinent, notamment de nature juridique, concernant la plainte correspondante et la sanction et/ou l'amende administrative pécuniaire;
d) le nom, l'adresse et les coordonnées de l'instance compétente chargée de l'évaluation de la sanction et/ou de l'amende administrative et, s'il est différent, de l'instance compétente auprès de laquelle des informations complémentaires peuvent être obtenues concernant la sanction et/ou l'amende administrative pécuniaire et les possibilités de contestation de l'obligation de paiement ou de la décision qui inflige celle-ci, et;
e) la date à laquelle le jugement ou l'arrêt ou la décision est devenu exécutoire ou définitif, une description de la nature et du montant de la sanction et/ou de l'amende administrative pécuniaire, toute donnée pertinente dans le cadre du processus d'exécution, - y compris si et, dans l'affirmative, comment le jugement ou l'arrêt ou la décision a été notifié ou signifié au(x) défendeur(s) et/ou a été rendu par défaut, et la confirmation, par l'autorité requérante que la sanction et/ou l'amende administrative pécuniaire n'est plus susceptible d'appel, ainsi que la plainte correspondante et les éléments qui la composent;
4. le montant de cette amende et/ou sanction administrative pécuniaire est supérieure ou égal à 350 euros ou à l'équivalent de ce montant;
§ 3. Si tel est le cas, elle soumet, conformément à l'article 89, alinéa 1er, une demande d'exécution à l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales en vue du recouvrement du montant de cette sanction et/ou de cette amende administrative pécuniaire.
Ce recouvrement est exécuté sur base du titre prévu dans la directive précitée réceptionné via le système IMI.
Ce recouvrement est exécuté conformément aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre 1949.
§ 4. L'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales notifie la demande d'exécution d'une sanction et/ou d'une amende administrative pécuniaire et les documents pertinents au prestataire de service établi en Belgique dans le mois à compter de la réception de cette demande provenant d'une instance compétente d'une autre Etat membre de l'Union européenne.
§ 5. L'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales peut refuser de donner suite à la demande d'exécution si :
1. la demande de l'autre Etat membre de l'Union européenne ne contient pas les informations visées au § 2, 3, a) à e);
2. elle est incomplète;
3. elle ne correspond manifestement pas à la décision qui la motive;
4. le montant de cette amende et/ou sanction administrative pécuniaire est inférieur à 350 euros ou à l'équivalent de ce montant;
5. il ressort clairement d'une enquête que les sommes ou ressources à mobiliser en vue d'exécuter l'amende sont disproportionnées par rapport au montant à recouvrer ou qu'il faudrait faire face à des difficultés considérables;
6. les droits et libertés fondamentaux de la défense inscrits dans la Constitution belge et les principes juridiques qui s'y appliquent ne sont pas respectés.
§ 6. L'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales informe, le plus rapidement possible, l'autorité requérante de l'autre Etat membre de l'Union européenne :
1. des mesures prises suite à sa demande d'exécution et, plus particulièrement, de la date de la notification au destinataire;
2. des motifs de refus, au cas où elle refuserait de donner suite à une demande d'exécution d'une sanction et/ou d'une amende administrative pécuniaire.]1
Art. 91/5. [1 Schorsing van de procedure tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie en/of boete opgelegd aan een in België gevestigde dienstverrichter en van de procedure tot invordering van een administratieve financiële sanctie en/of boete opgelegd aan een in België gevestigde dienstverrichter.
Indien de betrokken dienstverrichter of een belanghebbende partij in de loop van de procedure tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie en/of boete die beschreven wordt in artikel 91/3, of in de loop van de procedure tot invordering van een administratieve financiële sanctie en/of boete die beschreven wordt in artikel 91/4, de administratieve sanctie en/of boete en/of de onderliggende vordering aanvecht of er beroep tegen instelt, wordt deze procedure geschorst in afwachting van een beslissing van het bevoegde orgaan of instantie in de verzoekende lidstaat.
Het aanvechten of het instellen van beroep dient te geschieden bij de bevoegde instantie of autoriteit in de verzoekende lidstaat.]1
Indien de betrokken dienstverrichter of een belanghebbende partij in de loop van de procedure tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie en/of boete die beschreven wordt in artikel 91/3, of in de loop van de procedure tot invordering van een administratieve financiële sanctie en/of boete die beschreven wordt in artikel 91/4, de administratieve sanctie en/of boete en/of de onderliggende vordering aanvecht of er beroep tegen instelt, wordt deze procedure geschorst in afwachting van een beslissing van het bevoegde orgaan of instantie in de verzoekende lidstaat.
Het aanvechten of het instellen van beroep dient te geschieden bij de bevoegde instantie of autoriteit in de verzoekende lidstaat.]1
Art. 91/5. [1 Suspension de la procédure de notification d'une décision infligeant une sanction et/ou une amende administrative pécuniaire à un prestataire de service établi en Belgique et de la procédure d'exécution d'une sanction et/ou d'une amende administrative pécuniaire infligée à un prestataire de service établi en Belgique.
Si, au cours de la procédure de notification d'une décision infligeant une sanction et/ou une amende administrative pécuniaire qui est décrite dans l'article 91/3 ou au cours de la procédure d'exécution d'une sanction et/ou d'une amende administrative pécuniaire décrite dans l'article 91/4, le prestataire de services concerné ou une partie intéressée conteste ou introduit un recours à l'encontre de la sanction et/ou de l'amende administrative et/ou de la plainte correspondante, cette procédure est suspendue dans l'attente de la décision de l'instance ou l'organe compétent de l'Etat membre requérant.
La contestation ou l'introduction d'un recours doit être effectuée auprès de l'instance ou de l'autorité compétente de l'Etat membre requérant.]1
Si, au cours de la procédure de notification d'une décision infligeant une sanction et/ou une amende administrative pécuniaire qui est décrite dans l'article 91/3 ou au cours de la procédure d'exécution d'une sanction et/ou d'une amende administrative pécuniaire décrite dans l'article 91/4, le prestataire de services concerné ou une partie intéressée conteste ou introduit un recours à l'encontre de la sanction et/ou de l'amende administrative et/ou de la plainte correspondante, cette procédure est suspendue dans l'attente de la décision de l'instance ou l'organe compétent de l'Etat membre requérant.
La contestation ou l'introduction d'un recours doit être effectuée auprès de l'instance ou de l'autorité compétente de l'Etat membre requérant.]1
Art. 91/6. [1 Praktische modaliteiten van de procedure tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie en/of boete opgelegd aan een in België gevestigde dienstverrichter en van de procedure tot invordering van een administratieve financiële sanctie en/of boete opgelegd aan een in België gevestigde dienstverrichter.
§ 1. De bedragen die ingevorderd worden in het kader van de procedure tot invordering van een administratieve financiële sanctie en/of boete die beschreven wordt in artikel 91/4, komen toe aan de Belgische Schatkist.
De verschuldigde bedragen worden door de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en invordering van niet-fiscale schuldvorderingen ingevorderd in euro.
In voorkomend geval zet de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen de administratieve financiële sanctie en/of boete om in euro volgens de wisselkoers die op de datum van het opleggen van de administratieve financiële sanctie en/of boete van toepassing was.
§ 2. België ziet ten aanzien van de andere EU-lidstaat die het verzoek tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie en/of boete of het verzoek tot invordering van een beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie en/of boete ingediend heeft, af van de vergoeding van de kosten die voortvloeien uit de procedure tot kennisgeving die beschreven wordt in artikel 91/3, en uit de procedure tot invordering die beschreven wordt in artikel 91/4.]1
§ 1. De bedragen die ingevorderd worden in het kader van de procedure tot invordering van een administratieve financiële sanctie en/of boete die beschreven wordt in artikel 91/4, komen toe aan de Belgische Schatkist.
De verschuldigde bedragen worden door de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en invordering van niet-fiscale schuldvorderingen ingevorderd in euro.
In voorkomend geval zet de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen de administratieve financiële sanctie en/of boete om in euro volgens de wisselkoers die op de datum van het opleggen van de administratieve financiële sanctie en/of boete van toepassing was.
§ 2. België ziet ten aanzien van de andere EU-lidstaat die het verzoek tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie en/of boete of het verzoek tot invordering van een beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie en/of boete ingediend heeft, af van de vergoeding van de kosten die voortvloeien uit de procedure tot kennisgeving die beschreven wordt in artikel 91/3, en uit de procedure tot invordering die beschreven wordt in artikel 91/4.]1
Art. 91/6. [1 Modalités pratiques de la procédure de notification d'une décision infligeant une sanction et/ou une amende administrative pécuniaire à un prestataire de service établi en Belgique et de la procédure d'exécution d'une sanction et/ou d'une amende administrative pécuniaire infligée à un prestataire de service établi en Belgique.
§ 1er. Les montants qui sont recouvrés dans le cadre de la procédure d'exécution d'une sanction et/ou d'une amende administrative pécuniaire qui est décrite à l'article 91/4 reviennent au Trésor public belge.
Les montants dus sont récupérés en euros par l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales.
Le cas échéant, l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales convertit la sanction et/ou l'amende administrative pécuniaire en euros suivant le taux de change d'application à la date à laquelle la sanction et/ou l'amende administrative pécuniaire a été infligée.
§ 2. La Belgique renonce à l'égard des autres Etats membre de l'Union européenne qui ont introduit une demande de notification d'une décision infligeant une sanction et/ou une amende administrative pécuniaire ou une demande d'exécution d'une décision infligeant une sanction et/ou une amende administrative pécuniaire à l'indemnisation des frais résultant de la procédure de notification qui est décrite à l'article 91/3 et de la procédure d'exécution décrite à l'article 91/4.]1
§ 1er. Les montants qui sont recouvrés dans le cadre de la procédure d'exécution d'une sanction et/ou d'une amende administrative pécuniaire qui est décrite à l'article 91/4 reviennent au Trésor public belge.
Les montants dus sont récupérés en euros par l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales.
Le cas échéant, l'administration du SPF Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non-fiscales convertit la sanction et/ou l'amende administrative pécuniaire en euros suivant le taux de change d'application à la date à laquelle la sanction et/ou l'amende administrative pécuniaire a été infligée.
§ 2. La Belgique renonce à l'égard des autres Etats membre de l'Union européenne qui ont introduit une demande de notification d'une décision infligeant une sanction et/ou une amende administrative pécuniaire ou une demande d'exécution d'une décision infligeant une sanction et/ou une amende administrative pécuniaire à l'indemnisation des frais résultant de la procédure de notification qui est décrite à l'article 91/3 et de la procédure d'exécution décrite à l'article 91/4.]1
TITEL 5. - Bijzondere bepalingen
TITRE 5. - Les dispositions particulières
HOOFDSTUK I. - Mededelingen van de beslissingen en inlichtingen
CHAPITRE 1er. - Les communications des décisions et d'informations
Art. 92. Mededeling van inlichtingen door het openbaar ministerie
De procureur des Konings die een strafzaak behandelt, waarvan het onderzoek ernstige aanwijzingen vertoont van inbreuken op de bepalingen van dit Wetboek, brengt de arbeidsauditeur hiervan op de hoogte.
De procureur des Konings die een strafzaak behandelt, waarvan het onderzoek ernstige aanwijzingen vertoont van inbreuken op de bepalingen van dit Wetboek, brengt de arbeidsauditeur hiervan op de hoogte.
Art. 92. La communication de renseignements par le ministère public
Le procureur du Roi qui traite une affaire pénale dont l'examen fait apparaître des indices sérieux d'infractions aux dispositions du présent Code, en informe l'auditeur du travail.
Le procureur du Roi qui traite une affaire pénale dont l'examen fait apparaître des indices sérieux d'infractions aux dispositions du présent Code, en informe l'auditeur du travail.
Art. 93. Mededeling van de beslissing inzake de strafvordering
§ 1. [3 De inspectiedienst die het proces-verbaal opgesteld heeft, wordt ingelicht over elke beslissing over de strafvordering uit hoofde van de inbreuk op de wetgeving waarop hij toezicht uitoefent, en ontvangt een afschrift van deze beslissing.
Deze inlichting en het afschrift worden meegedeeld binnen de maand nadat de beslissing genomen werd, naargelang van het geval, door het openbaar ministerie of door de griffier van de rechtbank van eerste aanleg of van het hof van beroep die de beslissing heeft uitgesproken.]3
§ 2. [3 Elke beslissing over de strafvordering uit hoofde van een inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek maakt ook het voorwerp uit van een inlichting aan de bevoegde administratie en zij ontvangt een afschrift van deze beslissing.
Deze inlichting en het afschrift worden meegedeeld binnen de maand nadat de beslissing genomen werd, naar gelang van het geval, door het openbaar ministerie of door de griffier van de rechtbank van eerste aanleg of van het hof van beroep die de beslissing heeft uitgesproken.]3
§ 3. Bij een veroordeling voor de feiten die vermeld zijn in de artikelen 151, 152, 175, [3 175/1,]3 181, 186, eerste lid, 1° tot 3° en 7°, 188, 209 en 210, ten laste van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, wordt een afschrift van het vonnis of arrest verzonden naar de Commissie die ingesteld is bij artikel 13 van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken [1 ...]1.
Deze mededeling gebeurt binnen de maand vanaf het nemen van de beslissing door, naar gelang het geval, de griffier van de rechtbank van eerste aanleg of van het hof van beroep die ze heeft uitgesproken.
[2 § 4. Bij een veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden of tot geldboete van meer dan 4.000 euro wegens een inbreuk bedoeld in Boek 2, ten laste van een aanbieder van postdiensten zoals bedoeld in artikel 2, 2°, van de wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten en die vermeld wordt op de lijst bedoeld in artikel 6/1, § 6, van diezelfde wet, wordt een afschrift van het vonnis of arrest verzonden naar het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie zoals bedoeld in artikel 13 van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector.
Voor de toepassing van de bepalingen van het eerste lid wordt geen rekening gehouden met de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten.
De mededeling gebeurt binnen de maand vanaf de uitspraak van de veroordeling door, naar gelang het geval, de griffier van de rechtbank van eerste aanleg die of van het hof van beroep dat ze heeft uitgesproken.]2
§ 1. [3 De inspectiedienst die het proces-verbaal opgesteld heeft, wordt ingelicht over elke beslissing over de strafvordering uit hoofde van de inbreuk op de wetgeving waarop hij toezicht uitoefent, en ontvangt een afschrift van deze beslissing.
Deze inlichting en het afschrift worden meegedeeld binnen de maand nadat de beslissing genomen werd, naargelang van het geval, door het openbaar ministerie of door de griffier van de rechtbank van eerste aanleg of van het hof van beroep die de beslissing heeft uitgesproken.]3
§ 2. [3 Elke beslissing over de strafvordering uit hoofde van een inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek maakt ook het voorwerp uit van een inlichting aan de bevoegde administratie en zij ontvangt een afschrift van deze beslissing.
Deze inlichting en het afschrift worden meegedeeld binnen de maand nadat de beslissing genomen werd, naar gelang van het geval, door het openbaar ministerie of door de griffier van de rechtbank van eerste aanleg of van het hof van beroep die de beslissing heeft uitgesproken.]3
§ 3. Bij een veroordeling voor de feiten die vermeld zijn in de artikelen 151, 152, 175, [3 175/1,]3 181, 186, eerste lid, 1° tot 3° en 7°, 188, 209 en 210, ten laste van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, wordt een afschrift van het vonnis of arrest verzonden naar de Commissie die ingesteld is bij artikel 13 van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken [1 ...]1.
Deze mededeling gebeurt binnen de maand vanaf het nemen van de beslissing door, naar gelang het geval, de griffier van de rechtbank van eerste aanleg of van het hof van beroep die ze heeft uitgesproken.
[2 § 4. Bij een veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden of tot geldboete van meer dan 4.000 euro wegens een inbreuk bedoeld in Boek 2, ten laste van een aanbieder van postdiensten zoals bedoeld in artikel 2, 2°, van de wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten en die vermeld wordt op de lijst bedoeld in artikel 6/1, § 6, van diezelfde wet, wordt een afschrift van het vonnis of arrest verzonden naar het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie zoals bedoeld in artikel 13 van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector.
Voor de toepassing van de bepalingen van het eerste lid wordt geen rekening gehouden met de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten.
De mededeling gebeurt binnen de maand vanaf de uitspraak van de veroordeling door, naar gelang het geval, de griffier van de rechtbank van eerste aanleg die of van het hof van beroep dat ze heeft uitgesproken.]2
Art. 93. La communication de la décision sur l'action publique
§ 1er. [3 Le service d'inspection qui a dressé le procès-verbal est informé de toute décision rendue sur l'action publique du chef d'infraction à la législation dont il exerce la surveillance et il reçoit copie de ladite décision.
Cette information et la copie sont communiquées dans le mois de la prise de la décision selon le cas, par le ministère public ou par le greffier du tribunal de première instance ou de la cour d'appel qui l'a prononcée.]3
§ 2. [3 Toute décision rendue sur l'action publique du chef d'infraction aux dispositions du présent Code fait également l'objet d'une information à l'administration compétente et elle reçoit copie de ladite décision.
Cette information et la copie sont communiquées dans le mois de la prise de la décision selon le cas, par le ministère public ou par le greffier du tribunal de première instance ou de la cour d'appel qui l'a prononcée.]3
§ 3. En cas de condamnation pour les faits visés aux articles 151, 152, 175, [3 175/1,]3 181, 186, alinéa 1er, 1° à 3° et 7°, 188, 209 et 210, à charge de l'employeur, de ses préposés ou de ses mandataires, une copie du jugement ou de l'arrêt est transmise à la Commission instituée par l'article 13 de la loi du 20 mars 1991 organisant l'agréation d'entrepreneurs de travaux [1 ...]1.
Cette communication est faite dans le mois de la prise de la décision, selon le cas, par le greffier du tribunal de première instance ou de la cour d'appel qui l'a prononcée.
[2 § 4. En cas de condamnation à une peine d'emprisonnement principale supérieure à six mois ou à une amende supérieure à 4.000 euros pour une infraction visée au Livre 2, à l'encontre d'un prestataire de services postaux tel que visé à l'article 2, 2°, de la loi du 26 janvier 2018 sur les services postaux et qui est mentionné sur la liste visée à l'article 6/1, § 6, de la même loi, une copie du jugement ou de l'arrêt est adressée à l'Institut belge des postes et télécommunications tel que visé à l'article 13 de la loi du 17 janvier 2003 portant statut du régulateur des secteurs des postes et télécommunications belges.
Pour l'application des dispositions de l'alinéa 1er, il n'est pas tenu compte des décimes additionnels en cas d'amendes pénales.
La communication est effectuée par, selon le cas, le greffier du tribunal de première instance ou de la cour d'appel qui a prononcé la condamnation, dans un délai d'un mois à compter de la date du prononcé.]2
§ 1er. [3 Le service d'inspection qui a dressé le procès-verbal est informé de toute décision rendue sur l'action publique du chef d'infraction à la législation dont il exerce la surveillance et il reçoit copie de ladite décision.
Cette information et la copie sont communiquées dans le mois de la prise de la décision selon le cas, par le ministère public ou par le greffier du tribunal de première instance ou de la cour d'appel qui l'a prononcée.]3
§ 2. [3 Toute décision rendue sur l'action publique du chef d'infraction aux dispositions du présent Code fait également l'objet d'une information à l'administration compétente et elle reçoit copie de ladite décision.
Cette information et la copie sont communiquées dans le mois de la prise de la décision selon le cas, par le ministère public ou par le greffier du tribunal de première instance ou de la cour d'appel qui l'a prononcée.]3
§ 3. En cas de condamnation pour les faits visés aux articles 151, 152, 175, [3 175/1,]3 181, 186, alinéa 1er, 1° à 3° et 7°, 188, 209 et 210, à charge de l'employeur, de ses préposés ou de ses mandataires, une copie du jugement ou de l'arrêt est transmise à la Commission instituée par l'article 13 de la loi du 20 mars 1991 organisant l'agréation d'entrepreneurs de travaux [1 ...]1.
Cette communication est faite dans le mois de la prise de la décision, selon le cas, par le greffier du tribunal de première instance ou de la cour d'appel qui l'a prononcée.
[2 § 4. En cas de condamnation à une peine d'emprisonnement principale supérieure à six mois ou à une amende supérieure à 4.000 euros pour une infraction visée au Livre 2, à l'encontre d'un prestataire de services postaux tel que visé à l'article 2, 2°, de la loi du 26 janvier 2018 sur les services postaux et qui est mentionné sur la liste visée à l'article 6/1, § 6, de la même loi, une copie du jugement ou de l'arrêt est adressée à l'Institut belge des postes et télécommunications tel que visé à l'article 13 de la loi du 17 janvier 2003 portant statut du régulateur des secteurs des postes et télécommunications belges.
Pour l'application des dispositions de l'alinéa 1er, il n'est pas tenu compte des décimes additionnels en cas d'amendes pénales.
La communication est effectuée par, selon le cas, le greffier du tribunal de première instance ou de la cour d'appel qui a prononcé la condamnation, dans un délai d'un mois à compter de la date du prononcé.]2
Art. 94. Mededeling van de beslissing van de bevoegde administratie
De administratieve of gerechtelijke beslissingen tot oplegging van de administratieve geldboeten, tot schuldigverklaring of tot klassering zonder gevolg van de inbreuk worden door de bevoegde administratie meegedeeld aan de inspectiedienst die het proces-verbaal heeft opgemaakt [2 en het openbaar ministerie]2.
Indien de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete of tot schuldigverklaring betrekking heeft op feiten bedoeld bij de artikelen 151, 152, 175, 181, 186, eerste lid, 1° tot 3° en 7°, 188, 209 en 210, verzendt de bevoegde administratie een afschrift ervan naar de Commissie die ingesteld is bij artikel 13 van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken [1 ...]1.
De administratieve of gerechtelijke beslissingen tot oplegging van de administratieve geldboeten, tot schuldigverklaring of tot klassering zonder gevolg van de inbreuk worden door de bevoegde administratie meegedeeld aan de inspectiedienst die het proces-verbaal heeft opgemaakt [2 en het openbaar ministerie]2.
Indien de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete of tot schuldigverklaring betrekking heeft op feiten bedoeld bij de artikelen 151, 152, 175, 181, 186, eerste lid, 1° tot 3° en 7°, 188, 209 en 210, verzendt de bevoegde administratie een afschrift ervan naar de Commissie die ingesteld is bij artikel 13 van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken [1 ...]1.
Art. 94. La communication de la décision de l'administration compétente
Les décisions administratives ou judiciaires infligeant les amendes administratives, déclarant la culpabilité ou par laquelle l'infraction est classée sans suite sont communiquées par l'administration compétente au service d'inspection qui a dressé le procès-verbal [2 et au ministère public]2.
Si la décision infligeant une amende administrative ou déclarant la culpabilité est relative à des faits visés aux articles 151, 152, 175, 181, 186, alinéa 1er, 1° à 3° et 7°, 188, 209 et 210, l'administration compétente en transmet une copie à la Commission instituée par l'article 13 de la loi du 20 mars 1991 organisant l'agréation d'entrepreneurs de travaux [1 ...]1.
Les décisions administratives ou judiciaires infligeant les amendes administratives, déclarant la culpabilité ou par laquelle l'infraction est classée sans suite sont communiquées par l'administration compétente au service d'inspection qui a dressé le procès-verbal [2 et au ministère public]2.
Si la décision infligeant une amende administrative ou déclarant la culpabilité est relative à des faits visés aux articles 151, 152, 175, 181, 186, alinéa 1er, 1° à 3° et 7°, 188, 209 et 210, l'administration compétente en transmet une copie à la Commission instituée par l'article 13 de la loi du 20 mars 1991 organisant l'agréation d'entrepreneurs de travaux [1 ...]1.
Art. 95. Mededeling van inlichtingen betreffende de invordering
[1 De administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen]1 deelt bij het begin van ieder jaar aan de bevoegde administratie de inlichtingen mee over het voorbije jaar wat de dossiers betreft waarmee zij belast werd, enerzijds, inzake de invordering van de administratieve geldboeten, zowel wat hun totaal bedrag betreft, als wat het bedrag betreft dat in elk afzonderlijk dossier werd geïnd, en, anderzijds, inzake de dossiers die zij definitief heeft geklasseerd zonder gevolg.
[1 De administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen]1 deelt bij het begin van ieder jaar aan de bevoegde administratie de inlichtingen mee over het voorbije jaar wat de dossiers betreft waarmee zij belast werd, enerzijds, inzake de invordering van de administratieve geldboeten, zowel wat hun totaal bedrag betreft, als wat het bedrag betreft dat in elk afzonderlijk dossier werd geïnd, en, anderzijds, inzake de dossiers die zij definitief heeft geklasseerd zonder gevolg.
Art. 95. La communication d'information sur le recouvrement
[1 L'administration du Service public fédéral Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non fiscales]1 communique au début de chaque année à l'administration compétente, les informations de l'année écoulée en ce qui concerne les dossiers dont elle est chargée, d'une part, au sujet du recouvrement des amendes administratives, tant en ce qui concerne leur montant total qu'en ce qui concerne le montant recouvré dans chaque dossier particulier dont elle est chargée, et d'autre part, au sujet des dossiers qu'elle a classés définitivement sans suite.
[1 L'administration du Service public fédéral Finances chargée de la perception et du recouvrement des créances non fiscales]1 communique au début de chaque année à l'administration compétente, les informations de l'année écoulée en ce qui concerne les dossiers dont elle est chargée, d'une part, au sujet du recouvrement des amendes administratives, tant en ce qui concerne leur montant total qu'en ce qui concerne le montant recouvré dans chaque dossier particulier dont elle est chargée, et d'autre part, au sujet des dossiers qu'elle a classés définitivement sans suite.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 2. - Adviesraad van het sociaal strafrecht
CHAPITRE 2. - Le conseil consultatif du droit pénal social
Art. 96. Adviesraad van het sociaal strafrecht
Bij de minister van Justitie wordt een " Adviesraad van het sociaal strafrecht " opgericht, hierna de " Adviesraad " genoemd.
Bij de minister van Justitie wordt een " Adviesraad van het sociaal strafrecht " opgericht, hierna de " Adviesraad " genoemd.
Art. 96. Le Conseil consultatif du droit pénal social
Il est institué auprès du ministre de la Justice un " Conseil consultatif du droit pénal social, ci-après dénommé " le Conseil consultatif ".
Il est institué auprès du ministre de la Justice un " Conseil consultatif du droit pénal social, ci-après dénommé " le Conseil consultatif ".
Art. 97. Taken van de Adviesraad
[1 § 1.]1 De Adviesraad heeft de volgende taken :
1° uit eigen beweging of op verzoek van de minister van Justitie, de minister van Werk of de minister van Sociale Zaken studies wijden aan en adviezen verstrekken over de juridische, sociaal-economische en administratieve vraagstukken in verband met de toepassing van het sociaal strafrecht;
2° waken over de overeenstemming tussen, enerzijds, de bepalingen van voorstellen en ontwerpen van wet die, rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, betrekking hebben op het sociaal strafrecht, en, anderzijds, de bepalingen van dit Wetboek, teneinde de coherentie in deze materie te bewaren; de Adviesraad kan daartoe een advies uitbrengen, uit eigen beweging of op verzoek;
3° advies uitbrengen, uit eigen beweging of op verzoek, over de integratie in dit Wetboek van reeds bestaande of van nieuwe wetsbepalingen met betrekking tot het sociaal strafrecht;
4° [1 uit eigen beweging of op verzoek van één van de in 1° bedoelde ministers]1 advies uitbrengen over de ontwerpen van uitvoeringsbesluiten inzake het sociaal strafrecht.
5° [1 ...]1
De Koning kan de opdrachten van de Adviesraad uitbreiden bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
[1 § 2. Behalve in speciaal gemotiveerde gevallen van hoogdringendheid waarin het niet mogelijk is om te wachten op het bekomen van het advies binnen de verkorte termijn voorzien door de Koning, is elk wetsontwerp tot invoeging, schrapping of wijziging van een bepaling van het Sociaal Strafwetboek, elk in de Kamercommissie geagendeerd wetsvoorstel tot invoeging, schrapping of wijziging van een bepaling van het Sociaal Strafwetboek of elk ontwerp van uitvoeringsbesluit in verband met het sociaal strafrecht onderworpen aan het voorafgaandelijk advies van de Adviesraad. Dit advies wordt uitgebracht binnen de termijnen en volgens de voorwaarden bepaald door de Koning.]1
[1 § 3. De Adviesraad coördineert de opstelling van het in artikel 99 bedoelde jaarverslag.]1
[1 § 1.]1 De Adviesraad heeft de volgende taken :
1° uit eigen beweging of op verzoek van de minister van Justitie, de minister van Werk of de minister van Sociale Zaken studies wijden aan en adviezen verstrekken over de juridische, sociaal-economische en administratieve vraagstukken in verband met de toepassing van het sociaal strafrecht;
2° waken over de overeenstemming tussen, enerzijds, de bepalingen van voorstellen en ontwerpen van wet die, rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, betrekking hebben op het sociaal strafrecht, en, anderzijds, de bepalingen van dit Wetboek, teneinde de coherentie in deze materie te bewaren; de Adviesraad kan daartoe een advies uitbrengen, uit eigen beweging of op verzoek;
3° advies uitbrengen, uit eigen beweging of op verzoek, over de integratie in dit Wetboek van reeds bestaande of van nieuwe wetsbepalingen met betrekking tot het sociaal strafrecht;
4° [1 uit eigen beweging of op verzoek van één van de in 1° bedoelde ministers]1 advies uitbrengen over de ontwerpen van uitvoeringsbesluiten inzake het sociaal strafrecht.
5° [1 ...]1
De Koning kan de opdrachten van de Adviesraad uitbreiden bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
[1 § 2. Behalve in speciaal gemotiveerde gevallen van hoogdringendheid waarin het niet mogelijk is om te wachten op het bekomen van het advies binnen de verkorte termijn voorzien door de Koning, is elk wetsontwerp tot invoeging, schrapping of wijziging van een bepaling van het Sociaal Strafwetboek, elk in de Kamercommissie geagendeerd wetsvoorstel tot invoeging, schrapping of wijziging van een bepaling van het Sociaal Strafwetboek of elk ontwerp van uitvoeringsbesluit in verband met het sociaal strafrecht onderworpen aan het voorafgaandelijk advies van de Adviesraad. Dit advies wordt uitgebracht binnen de termijnen en volgens de voorwaarden bepaald door de Koning.]1
[1 § 3. De Adviesraad coördineert de opstelling van het in artikel 99 bedoelde jaarverslag.]1
Art. 97. Les missions du Conseil consultatif
[1 § 1er.]1 Le Conseil consultatif a les missions suivantes :
1° étudier et formuler des avis, d'initiative ou à la demande du ministre de la Justice, du ministre de l'Emploi ou du ministre des Affaires sociales, sur les questions juridiques, socio-économiques et administratives relatives à l'application du droit pénal social;
2° veiller à la concordance entre, d'une part, les dispositions des propositions et des projets de loi qui, de manière directe ou indirecte, en tout ou en partie, ont trait au droit pénal social, et, d'autre part, les dispositions du présent code, afin de maintenir la cohérence en cette matière; le Conseil consultatif peut à cet effet rendre un avis, d'initiative ou à la demande;
3° rendre un avis, d'initiative ou à la demande, sur l'intégration dans le présent code de dispositions légales, déjà existantes ou nouvelles, relatives au droit pénal social;
4° rendre un avis [1 d'initiative ou à la demande d'un des ministres visés au 1°]1 sur les projets d'arrêtés d'exécution relatifs au droit pénal social;
5° [1 ...]1
Le Roi peut étendre les missions du Conseil consultatif par un arrêté délibéré en Conseil des ministres.
[1 § 2. Hors les cas d'urgence spécialement motivés pour lesquels il n'est pas possible d'attendre l'obtention de l'avis dans le délai réduit prévu par le Roi, tout projet de loi insérant, supprimant ou modifiant une disposition du Code pénal social, toute proposition de loi agendée en Commission de la Chambre des représentants insérant, supprimant ou modifiant une disposition du Code pénal social ou tout projet d'arrêté d'exécution relatif au droit pénal social est soumis à l'avis préalable du Conseil consultatif. Cet avis est rendu dans les délais et selon les conditions déterminés par le Roi.]1
[1 § 3. Le Conseil consultatif coordonne la rédaction du rapport annuel visé à l'article 99.]1
[1 § 1er.]1 Le Conseil consultatif a les missions suivantes :
1° étudier et formuler des avis, d'initiative ou à la demande du ministre de la Justice, du ministre de l'Emploi ou du ministre des Affaires sociales, sur les questions juridiques, socio-économiques et administratives relatives à l'application du droit pénal social;
2° veiller à la concordance entre, d'une part, les dispositions des propositions et des projets de loi qui, de manière directe ou indirecte, en tout ou en partie, ont trait au droit pénal social, et, d'autre part, les dispositions du présent code, afin de maintenir la cohérence en cette matière; le Conseil consultatif peut à cet effet rendre un avis, d'initiative ou à la demande;
3° rendre un avis, d'initiative ou à la demande, sur l'intégration dans le présent code de dispositions légales, déjà existantes ou nouvelles, relatives au droit pénal social;
4° rendre un avis [1 d'initiative ou à la demande d'un des ministres visés au 1°]1 sur les projets d'arrêtés d'exécution relatifs au droit pénal social;
5° [1 ...]1
Le Roi peut étendre les missions du Conseil consultatif par un arrêté délibéré en Conseil des ministres.
[1 § 2. Hors les cas d'urgence spécialement motivés pour lesquels il n'est pas possible d'attendre l'obtention de l'avis dans le délai réduit prévu par le Roi, tout projet de loi insérant, supprimant ou modifiant une disposition du Code pénal social, toute proposition de loi agendée en Commission de la Chambre des représentants insérant, supprimant ou modifiant une disposition du Code pénal social ou tout projet d'arrêté d'exécution relatif au droit pénal social est soumis à l'avis préalable du Conseil consultatif. Cet avis est rendu dans les délais et selon les conditions déterminés par le Roi.]1
[1 § 3. Le Conseil consultatif coordonne la rédaction du rapport annuel visé à l'article 99.]1
Wijzigingen
Art. 98. Samenstelling en werking van de Adviesraad
De Koning bepaalt de samenstelling van de Adviesraad, alsmede de regels inzake de werking ervan.
De Koning bepaalt de samenstelling van de Adviesraad, alsmede de regels inzake de werking ervan.
Art. 98. La composition et le fonctionnement du Conseil consultatif
Le Roi détermine la composition du Conseil consultatif, ainsi que les règles relatives à son fonctionnement.
Le Roi détermine la composition du Conseil consultatif, ainsi que les règles relatives à son fonctionnement.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 96,97 et 98 fixée au 09-06-2011 par AR 2011-06-07/01, art. 16)
HOOFDSTUK 3. - Jaarverslag
CHAPITRE 3. - Le rapport annuel
Art. 99. Jaarverslag
De minister van Justitie, de minister van Werk en de minister van Sociale Zaken, in samenwerking met de bevoegde overheden, brengen ieder jaar, vóór 30 juni, verslag uit bij de Wetgevende Kamers over de behandeling van de inbreuken op de bepalingen van dit Wetboek, vastgesteld en vervolgd in de loop van het afgelopen jaar.
Dat verslag wordt eveneens toegezonden aan de Directeur- generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.
De Koning bepaalt de inhoud van het jaarverslag bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De minister van Justitie, de minister van Werk en de minister van Sociale Zaken, in samenwerking met de bevoegde overheden, brengen ieder jaar, vóór 30 juni, verslag uit bij de Wetgevende Kamers over de behandeling van de inbreuken op de bepalingen van dit Wetboek, vastgesteld en vervolgd in de loop van het afgelopen jaar.
Dat verslag wordt eveneens toegezonden aan de Directeur- generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.
De Koning bepaalt de inhoud van het jaarverslag bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Art. 99. Le rapport annuel
Le ministre de la Justice, le ministre de l'Emploi et le ministre des Affaires sociales, en collaboration avec les autorités compétentes, font chaque année, avant le 30 juin, rapport aux Chambres législatives sur le traitement réservé aux infractions aux dispositions du présent Code, constatées et poursuivies au cours de l'année écoulée.
Ce rapport est également communiqué au Directeur général du Bureau International du Travail.
Le Roi détermine le contenu du rapport annuel par un arrêté délibéré en Conseil des ministres.
Le ministre de la Justice, le ministre de l'Emploi et le ministre des Affaires sociales, en collaboration avec les autorités compétentes, font chaque année, avant le 30 juin, rapport aux Chambres législatives sur le traitement réservé aux infractions aux dispositions du présent Code, constatées et poursuivies au cours de l'année écoulée.
Ce rapport est également communiqué au Directeur général du Bureau International du Travail.
Le Roi détermine le contenu du rapport annuel par un arrêté délibéré en Conseil des ministres.
HOOFDSTUK 4. - Burgerlijke partijstelling
CHAPITRE 4. - La constitution de partie civile
Art. 100. Burgerlijke partijstelling vanwege de beroepsorganisaties
De beroepsorganisatie die een partnerschapsovereenkomst heeft gesloten in de zin van [1 artikel 15/1]1, kan zich burgerlijke partij stellen [1 in de procedures met betrekking tot sociale fraude, illegale arbeid, en sociale dumping]1 wanneer de gepleegde feiten van die aard zijn dat ze de belangen schaden die zij gelast is te verdedigen en te bevorderen.
De beroepsorganisatie die een partnerschapsovereenkomst heeft gesloten in de zin van [1 artikel 15/1]1, kan zich burgerlijke partij stellen [1 in de procedures met betrekking tot sociale fraude, illegale arbeid, en sociale dumping]1 wanneer de gepleegde feiten van die aard zijn dat ze de belangen schaden die zij gelast is te verdedigen en te bevorderen.
Art. 100. La constitution de partie civile des organisations professionnelles
L'organisation professionnelle qui a conclu une convention de partenariat au sens de l'[1 article 15/1]1, peut se constituer partie civile [1 dans les procédures relatives à la fraude sociale, au travail illégal et au dumping social]1, lorsque les faits commis sont de nature à porter préjudice aux intérêts qu'elle a la charge de défendre et de promouvoir.
L'organisation professionnelle qui a conclu une convention de partenariat au sens de l'[1 article 15/1]1, peut se constituer partie civile [1 dans les procédures relatives à la fraude sociale, au travail illégal et au dumping social]1, lorsque les faits commis sont de nature à porter préjudice aux intérêts qu'elle a la charge de défendre et de promouvoir.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 5. [1 - Regeling van bepaalde aspecten van de elektronische informatie-uitwisseling tussen de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude]1
CHAPITRE 5. [1 - Réglementation de certains aspects de l'échange électronique d'information entre les acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale]1
Afdeling 1. [1 Algemeen]1
Section 1re. [1 Généralités]1
Art. 100/1. Toepassingsgebied en finaliteit
[1 Dit hoofdstuk regelt bepaalde aspecten van de elektronische informatie-uitwisseling tussen de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude, met name het epv, de databank epv, het eDossier-platform en de Ginaa-databank.
Deze elektronische uitwisseling kan zowel gebeuren via de mededeling door doorgifte van gegevens als door de terbeschikkingstelling van gegevens en documenten.]1
[1 Dit hoofdstuk regelt bepaalde aspecten van de elektronische informatie-uitwisseling tussen de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude, met name het epv, de databank epv, het eDossier-platform en de Ginaa-databank.
Deze elektronische uitwisseling kan zowel gebeuren via de mededeling door doorgifte van gegevens als door de terbeschikkingstelling van gegevens en documenten.]1
Art. 100/1. Le champ dapplication et la finalité
[1 Le présent chapitre règle certains aspects de l'échange électronique d'information entre les acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale, à savoir l'epv, la banque de données epv, la plateforme eDossier et la banque de données Ginaa.
Cet échange électronique peut aussi bien avoir lieu par le biais de la communication par transmission de données que par le biais de la mise à disposition de données et de documents.]1
[1 Le présent chapitre règle certains aspects de l'échange électronique d'information entre les acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale, à savoir l'epv, la banque de données epv, la plateforme eDossier et la banque de données Ginaa.
Cet échange électronique peut aussi bien avoir lieu par le biais de la communication par transmission de données que par le biais de la mise à disposition de données et de documents.]1
Wijzigingen
Afdeling 2. [1 Het epv]1
Section 2. [1 L'epv]1
Art. 100/2. [1 Uniform model van proces-verbaal tot vaststelling van inbreuken
Met het oog op de in artikel 100/1 bedoelde elektronische informatie-uitwisseling maken de sociaal inspecteurs van de door de Koning aangewezen sociale inspectiediensten hun processen-verbaal tot vaststelling van inbreuken elektronisch aan via de daartoe ontworpen informaticatoepassing overeenkomstig het uniform model dat door het Beheerscomité wordt vastgesteld.
Het Beheerscomité kan tevens een regeling uitwerken voor het geval dat het proces-verbaal niet overeenkomstig het eerste lid kan aangemaakt worden ingevolge overmacht, inzonderheid wegens het disfunctioneren van de informaticatoepassing of in geval van verlies, diefstal of beschadiging van de elektronische identiteitskaart van de verbaliserende ambtenaar.]1
Met het oog op de in artikel 100/1 bedoelde elektronische informatie-uitwisseling maken de sociaal inspecteurs van de door de Koning aangewezen sociale inspectiediensten hun processen-verbaal tot vaststelling van inbreuken elektronisch aan via de daartoe ontworpen informaticatoepassing overeenkomstig het uniform model dat door het Beheerscomité wordt vastgesteld.
Het Beheerscomité kan tevens een regeling uitwerken voor het geval dat het proces-verbaal niet overeenkomstig het eerste lid kan aangemaakt worden ingevolge overmacht, inzonderheid wegens het disfunctioneren van de informaticatoepassing of in geval van verlies, diefstal of beschadiging van de elektronische identiteitskaart van de verbaliserende ambtenaar.]1
Art. 100/2. [1 Le modèle uniforme du procès-verbal de constatation d'infractions
En vue de l'échange électronique d'information visé à l'article 100/1, les inspecteurs sociaux des services d'inspection sociale désignés par le Roi établissent leur procès-verbaux de constatation d'infractions de manière électronique au moyen de l'application informatique conçue à cette fin conformément au modèle uniforme qui est déterminé par le Comité de gestion.
Le Comité de gestion peut en outre élaborer une réglementation pour le cas dans lequel un procès-verbal ne peut pas être établi conformément à l'alinéa 1er suite à un cas de force majeure, particulièrement en raison d'un dysfonctionnement de l'application informatique ou en cas de perte, de vol ou de dégradation de la carte d'identité électronique du fonctionnaire verbalisant.]1
En vue de l'échange électronique d'information visé à l'article 100/1, les inspecteurs sociaux des services d'inspection sociale désignés par le Roi établissent leur procès-verbaux de constatation d'infractions de manière électronique au moyen de l'application informatique conçue à cette fin conformément au modèle uniforme qui est déterminé par le Comité de gestion.
Le Comité de gestion peut en outre élaborer une réglementation pour le cas dans lequel un procès-verbal ne peut pas être établi conformément à l'alinéa 1er suite à un cas de force majeure, particulièrement en raison d'un dysfonctionnement de l'application informatique ou en cas de perte, de vol ou de dégradation de la carte d'identité électronique du fonctionnaire verbalisant.]1
Art. 100/3. [1 Elektronische ondertekening van het [5 epv]5
§ 1. [3 Het [5 epv]5 wordt door de opsteller of opstellers elektronisch ondertekend door middel van de gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.]3
[2 De Koning kan bepalen dat het [5 epv]5 door de opsteller elektronisch ondertekend kan worden door middel van een ander systeem, waarbij de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité, bedoeld in de wet van 5 september 2018 tot oprichting van het informatieveiligheidscomité en tot wijziging van diverse wetten betreffende de uitvoering van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, nagaat of dat systeem de mogelijkheid biedt om de identiteit van de ondertekenaar en de integriteit van het ondertekende [5 epv]5 met afdoende waarborgen vast te stellen.]2
§ 2. Voor de toepassing van deze titel wordt, onverminderd de [4 artikelen 8.18 en volgende]4 van het Burgerlijk Wetboek, het [5 epv]5 dat door de opsteller of opstellers elektronisch werd ondertekend overeenkomstig § 1, gelijkgesteld met een proces-verbaal op papieren drager ondertekend door middel van een handgeschreven handtekening.
§ 3. In afwijking van § 1 kan de Koning bepalen dat het [5 epv]5, dat wordt aangemaakt overeenkomstig artikel 100/2, eerste lid, onder de voorwaarden, volgens de nadere regels en, in voorkomend geval, voor de duur die Hij bepaalt, op papieren drager wordt opgesteld en wordt ondertekend met een handgeschreven handtekening.]1
§ 1. [3 Het [5 epv]5 wordt door de opsteller of opstellers elektronisch ondertekend door middel van de gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.]3
[2 De Koning kan bepalen dat het [5 epv]5 door de opsteller elektronisch ondertekend kan worden door middel van een ander systeem, waarbij de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité, bedoeld in de wet van 5 september 2018 tot oprichting van het informatieveiligheidscomité en tot wijziging van diverse wetten betreffende de uitvoering van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, nagaat of dat systeem de mogelijkheid biedt om de identiteit van de ondertekenaar en de integriteit van het ondertekende [5 epv]5 met afdoende waarborgen vast te stellen.]2
§ 2. Voor de toepassing van deze titel wordt, onverminderd de [4 artikelen 8.18 en volgende]4 van het Burgerlijk Wetboek, het [5 epv]5 dat door de opsteller of opstellers elektronisch werd ondertekend overeenkomstig § 1, gelijkgesteld met een proces-verbaal op papieren drager ondertekend door middel van een handgeschreven handtekening.
§ 3. In afwijking van § 1 kan de Koning bepalen dat het [5 epv]5, dat wordt aangemaakt overeenkomstig artikel 100/2, eerste lid, onder de voorwaarden, volgens de nadere regels en, in voorkomend geval, voor de duur die Hij bepaalt, op papieren drager wordt opgesteld en wordt ondertekend met een handgeschreven handtekening.]1
Wijzigingen
Art. 100/3. [1 La signature électronique de l'[5 epv]5
§ 1er. [3 L'[5 epv]5 est signé par son auteur ou ses auteurs de manière électronique au moyen d'une signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE.]3
[2 Le Roi peut prévoir que l'[5 epv]5 peut être signé par son auteur de manière électronique au moyen d'un autre système, à l'égard duquel la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information, visée dans la loi du 5 septembre 2018 instituant le comité de sécurité de l'information et modifiant diverses lois concernant la mise en oeuvre du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, vérifie si ce système permet de déterminer l'identité du signataire et l'intégrité de l'[5 epv]5 signé avec des garanties suffisantes.]2
§ 2. Pour l'application de ce titre, sans préjudice des [4 articles 8.18 et suivants]4 du Code civil, l'[5 epv]5 qui a été signé de manière électronique par son auteur ou ses auteurs, conformément au § 1er, est assimilé à un procès-verbal sur support papier signé au moyen d'une signature manuscrite.
§ 3. Par dérogation au § 1er, le Roi peut prévoir que l'[5 epv]5, établi conformément à l'article 100/2, alinéa 1er, dans les conditions, selon les modalités et, le cas échéant, pour la durée qu'Il fixe, est rédigé sur support papier et est signé au moyen d'une signature manuscrite.]1
§ 1er. [3 L'[5 epv]5 est signé par son auteur ou ses auteurs de manière électronique au moyen d'une signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE.]3
[2 Le Roi peut prévoir que l'[5 epv]5 peut être signé par son auteur de manière électronique au moyen d'un autre système, à l'égard duquel la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information, visée dans la loi du 5 septembre 2018 instituant le comité de sécurité de l'information et modifiant diverses lois concernant la mise en oeuvre du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, vérifie si ce système permet de déterminer l'identité du signataire et l'intégrité de l'[5 epv]5 signé avec des garanties suffisantes.]2
§ 2. Pour l'application de ce titre, sans préjudice des [4 articles 8.18 et suivants]4 du Code civil, l'[5 epv]5 qui a été signé de manière électronique par son auteur ou ses auteurs, conformément au § 1er, est assimilé à un procès-verbal sur support papier signé au moyen d'une signature manuscrite.
§ 3. Par dérogation au § 1er, le Roi peut prévoir que l'[5 epv]5, établi conformément à l'article 100/2, alinéa 1er, dans les conditions, selon les modalités et, le cas échéant, pour la durée qu'Il fixe, est rédigé sur support papier et est signé au moyen d'une signature manuscrite.]1
Wijzigingen
Art. 100/4. [1 Mededeling van het [3 epv]3
[2 ...]2 In afwijking van artikel 33 van de wet van 10 juli 2006 betreffende de elektronische procesvoering, stelt de Koning op eensluidend advies van het College van procureurs-generaal de nadere regels vast voor de in artikel 65, eerste lid, bedoelde mededeling. Hij stelt eveneens de nadere regels vast voor de in artikel 65, tweede en derde lid, bedoelde mededelingen.]1
[2 ...]2 In afwijking van artikel 33 van de wet van 10 juli 2006 betreffende de elektronische procesvoering, stelt de Koning op eensluidend advies van het College van procureurs-generaal de nadere regels vast voor de in artikel 65, eerste lid, bedoelde mededeling. Hij stelt eveneens de nadere regels vast voor de in artikel 65, tweede en derde lid, bedoelde mededelingen.]1
Art. 100/4. [1 La communication de l'[3 epv]3
[2 ...]2 Par dérogation à l'article 33 de la loi du 10 juillet 2006 relative à la procédure par voie électronique, le Roi détermine, sur avis conforme du Collège des procureurs généraux, les modalités pour la communication visée à l'article 65, alinéa 1er. Il détermine également les modalités des communications visées à l'article 65, alinéas 2 et 3.]1
[2 ...]2 Par dérogation à l'article 33 de la loi du 10 juillet 2006 relative à la procédure par voie électronique, le Roi détermine, sur avis conforme du Collège des procureurs généraux, les modalités pour la communication visée à l'article 65, alinéa 1er. Il détermine également les modalités des communications visées à l'article 65, alinéas 2 et 3.]1
Art. 100/5. [1 Archivering van het [2 epv]2
De Koning kan nadere regels vaststellen voor de archivering van het [2 epv]2 voor zover de regeling opgenomen in de archiefwet van 24 juni 1955 ontoereikend is.]1
[3 Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), worden persoonsgegevens die opgeslagen zijn in de databank epv niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn die vijf jaar na de definitieve beëindiging van de rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit het epv niet mag overschrijden. Deze gegevens kunnen bewaard blijven na anonimisering of minstens pseudonimisering, indien anonimisering niet voldoet voor de beoogde finaliteit van statistische doelstellingen en wetenschappelijk of historisch onderzoek. De gepseudonimiseerde gegevens kunnen slechts bewaard blijven zolang doeleinden van wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistiek daartoe nopen.]3
De Koning kan nadere regels vaststellen voor de archivering van het [2 epv]2 voor zover de regeling opgenomen in de archiefwet van 24 juni 1955 ontoereikend is.]1
[3 Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), worden persoonsgegevens die opgeslagen zijn in de databank epv niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn die vijf jaar na de definitieve beëindiging van de rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit het epv niet mag overschrijden. Deze gegevens kunnen bewaard blijven na anonimisering of minstens pseudonimisering, indien anonimisering niet voldoet voor de beoogde finaliteit van statistische doelstellingen en wetenschappelijk of historisch onderzoek. De gepseudonimiseerde gegevens kunnen slechts bewaard blijven zolang doeleinden van wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistiek daartoe nopen.]3
Art. 100/5. [1 L'archivage de l'[2 epv]2
Le Roi peut déterminer les modalités pour l'archivage de l'[2 epv]2 pour autant que la réglementation prise dans la loi du 24 juin 1955 relative aux archives est insuffisante.]1
[3 Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins d'archivage dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visés à l'article 89 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les données à caractère personnel stockées dans la banque de données epv ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder cinq ans après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratifs et extrajudiciaires découlant de l'epv. Ces données peuvent rester conservées après anonymisation ou, à tout le moins, pseudonymisation si l'anonymisation ne répond pas à la finalité visée d'objectifs statistiques et de recherche scientifique ou historique. Les données pseudonymisées ne peuvent être conservées qu'aussi longtemps que des fins de recherche scientifique ou historique ou de statistiques le requièrent.]3
Le Roi peut déterminer les modalités pour l'archivage de l'[2 epv]2 pour autant que la réglementation prise dans la loi du 24 juin 1955 relative aux archives est insuffisante.]1
[3 Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins d'archivage dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visés à l'article 89 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les données à caractère personnel stockées dans la banque de données epv ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder cinq ans après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratifs et extrajudiciaires découlant de l'epv. Ces données peuvent rester conservées après anonymisation ou, à tout le moins, pseudonymisation si l'anonymisation ne répond pas à la finalité visée d'objectifs statistiques et de recherche scientifique ou historique. Les données pseudonymisées ne peuvent être conservées qu'aussi longtemps que des fins de recherche scientifique ou historique ou de statistiques le requièrent.]3
Art. 100/6. [1 Oprichting van de databank [4 epv]4
Er wordt een databank e-PV opgericht.
[5 Iedere inspectiedienst is verwerkingsverantwoordelijke wat betreft de epv's die hij opstelt en aanmaakt in de databank epv.
Iedere entiteit die toegang heeft tot de databank epv is verantwoordelijk voor de verwerkingen die zij uitvoert via en in deze databank.
Zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens die opgenomen zijn in de databank epv:
- alle entiteiten die toegang hebben tot de databank epv overeenkomstig artikel 100/10, § § 1, 3 en 4, [6 ...]6 artikel 4.2.1.26/3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek en artikel 4 van de wet van 20 juli 2022 tot invoering van het elektronisch proces-verbaal bij de inspectiediensten van het directoraat-generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid van de FOD Mobiliteit en Vervoer en tot wijziging van het Sociaal Strafwetboek;
- het Beheerscomité van de databank epv.]5
Het opslaan en het bijhouden van de in het [5 zesde lid]5 bedoelde gegevens beogen volgende doeleinden :
1° het verzamelen van informatie die nuttig is om de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude in staat te stellen op een adequate wijze de illegale arbeid en de sociale fraude te bestrijden;
2° het verzamelen van informatie die nuttig is om de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude in staat te stellen hun wettelijke opdrachten uit te oefenen;
3° het opmaken van interne en externe statistieken;
[2 4° [6 ...]6]2
[3 5° het verzamelen van informatie die noodzakelijk is om de scheepvaartcontroleurs bedoeld in artikel 1.1.1.2, 5° van het Belgisch Scheepvaartwetboek in staat te stellen hun wettelijke opdrachten uit te oefenen.]3
De databank [4 epv]4 bevat de gegevens die opgenomen zijn in het in artikel 100/2 [6 ...]6 [3 en in artikel 4.2.1.26/2, eerste lid, van het Belgisch Scheepvaartwetboek]3 bedoelde model van [4 epv]4 aangaande volgende personen :
1° iedere persoon die ervan verdacht wordt (mede)dader te zijn van een inbreuk;
2° iedere persoon die burgerrechtelijk aansprakelijk geacht wordt voor een inbreuk;
3° iedere werknemer of persoon die betrokken is of geacht wordt betrokken te zijn bij een inbreuk;
4° iedere andere in het [4 epv]4 vermelde persoon, waarvan de opname van de gegevens in het [4 epv]4 noodzakelijk is voor het goed begrip van de in het [4 epv]4 vastgestelde feiten.
Voor zover zij betrekking hebben op een natuurlijke persoon die is of kan worden geïdentificeerd, zijn de in het [5 zesde lid]5 bedoelde gegevens sociale gegevens van persoonlijke aard in de zin van artikel 2, eerste lid, 6°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.]1
[2 Het [5 zevende lid]5 is niet van toepassing op gegevens opgenomen in de databank [4 epv]4 die betrekking hebben op de processen-verbaal bedoeld [6 ...]6 [3 en in artikel 4.2.1.26/2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek]3.]2
Er wordt een databank e-PV opgericht.
[5 Iedere inspectiedienst is verwerkingsverantwoordelijke wat betreft de epv's die hij opstelt en aanmaakt in de databank epv.
Iedere entiteit die toegang heeft tot de databank epv is verantwoordelijk voor de verwerkingen die zij uitvoert via en in deze databank.
Zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens die opgenomen zijn in de databank epv:
- alle entiteiten die toegang hebben tot de databank epv overeenkomstig artikel 100/10, § § 1, 3 en 4, [6 ...]6 artikel 4.2.1.26/3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek en artikel 4 van de wet van 20 juli 2022 tot invoering van het elektronisch proces-verbaal bij de inspectiediensten van het directoraat-generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid van de FOD Mobiliteit en Vervoer en tot wijziging van het Sociaal Strafwetboek;
- het Beheerscomité van de databank epv.]5
Het opslaan en het bijhouden van de in het [5 zesde lid]5 bedoelde gegevens beogen volgende doeleinden :
1° het verzamelen van informatie die nuttig is om de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude in staat te stellen op een adequate wijze de illegale arbeid en de sociale fraude te bestrijden;
2° het verzamelen van informatie die nuttig is om de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude in staat te stellen hun wettelijke opdrachten uit te oefenen;
3° het opmaken van interne en externe statistieken;
[2 4° [6 ...]6]2
[3 5° het verzamelen van informatie die noodzakelijk is om de scheepvaartcontroleurs bedoeld in artikel 1.1.1.2, 5° van het Belgisch Scheepvaartwetboek in staat te stellen hun wettelijke opdrachten uit te oefenen.]3
De databank [4 epv]4 bevat de gegevens die opgenomen zijn in het in artikel 100/2 [6 ...]6 [3 en in artikel 4.2.1.26/2, eerste lid, van het Belgisch Scheepvaartwetboek]3 bedoelde model van [4 epv]4 aangaande volgende personen :
1° iedere persoon die ervan verdacht wordt (mede)dader te zijn van een inbreuk;
2° iedere persoon die burgerrechtelijk aansprakelijk geacht wordt voor een inbreuk;
3° iedere werknemer of persoon die betrokken is of geacht wordt betrokken te zijn bij een inbreuk;
4° iedere andere in het [4 epv]4 vermelde persoon, waarvan de opname van de gegevens in het [4 epv]4 noodzakelijk is voor het goed begrip van de in het [4 epv]4 vastgestelde feiten.
Voor zover zij betrekking hebben op een natuurlijke persoon die is of kan worden geïdentificeerd, zijn de in het [5 zesde lid]5 bedoelde gegevens sociale gegevens van persoonlijke aard in de zin van artikel 2, eerste lid, 6°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.]1
[2 Het [5 zevende lid]5 is niet van toepassing op gegevens opgenomen in de databank [4 epv]4 die betrekking hebben op de processen-verbaal bedoeld [6 ...]6 [3 en in artikel 4.2.1.26/2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek]3.]2
Wijzigingen
Art. 100/6. [1 La création de la banque de données [4 epv]4
Une banque de données [4 epv]4 est créée.
[5 Chaque service d'inspection sociale est responsable du traitement en ce qui concerne les epv qu'il établit et crée dans la banque de données epv.
Chaque entité ayant accès à la banque de données epv est responsable des traitements qu'elle effectue dans le cadre de ses missions via et dans cette banque de données.
Sont responsables conjointement du traitement des données contenues dans la banque de données epv:
- toutes les entités ayant accès à la banque de données epv conformément à l'article 100/10, § § 1, 3 et 4 [6 ...]6, à l'article 4.2.1.26/3 du Code belge de la navigation et à l'article 4 de la loi du 20 juillet 2022 portant l'introduction du procès-verbal électronique pour les services d'inspections de la Direction générale Transport routier et Sécurité routière du Service public fédéral Mobilité et Transports et modifiant le Code pénal social;
- le Comité de gestion de la banque de données epv.]5
Le stockage et le fait de tenir à jour les données visées à [5 l'alinéa 6]5 poursuivent les objectifs suivants :
1° la collecte de l'information utile pour permettre aux acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale de combattre de manière adéquate le travail illégal et la fraude sociale;
2° la collecte de l'information utile pour permettre aux acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale d'effectuer leurs missions légales;
3° l'élaboration de statistiques internes et externes;
[2 4° [6 ...]6]2
[3 5° la collecte des informations nécessaires pour permettre aux contrôleurs de la navigation visés à l'article 1.1.1.2, 5° du Code belge de la navigation d'exercer leurs missions légales.]3
La banque de données [4 epv]4 contient des données qui sont reprises dans le modèle d'[4 epv]4 visé à l'article 100/2 [6 ...]6 [3 et à l'article 4.2.1.26/2, alinéa 1er, du Code belge de la navigation]3, à propos des personnes suivantes :
1° toute personne suspectée d'être (co)auteur d'une infraction;
2° toute personne qui est civilement tenue responsable pour une infraction;
3° tout travailleur ou personne qui est concerné ou considéré comme étant concerné par une infraction;
4° toute autre personne mentionnée dans l'e-PV dont la reprise des données dans l'[4 epv]4 est nécessaire pour une bonne compréhension des faits constatés dans l'[4 epv]4.
Pour autant qu'elles concernent une personne physique qui est ou peut être identifiée, les données visées à [5 l'alinéa 6]5 sont les données sociales à caractère personnel au sens de l'article 2, alinéa 1er, 6°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale.]1
[2 [5 L'alinéa 7]5 ne s'applique pas aux données de la banque de données [4 epv]4 qui portent sur les procès-verbaux visés [6 ...]6 [3 à l'article 4.2.1.26/2 du Code belge de la navigation]3.]2
Une banque de données [4 epv]4 est créée.
[5 Chaque service d'inspection sociale est responsable du traitement en ce qui concerne les epv qu'il établit et crée dans la banque de données epv.
Chaque entité ayant accès à la banque de données epv est responsable des traitements qu'elle effectue dans le cadre de ses missions via et dans cette banque de données.
Sont responsables conjointement du traitement des données contenues dans la banque de données epv:
- toutes les entités ayant accès à la banque de données epv conformément à l'article 100/10, § § 1, 3 et 4 [6 ...]6, à l'article 4.2.1.26/3 du Code belge de la navigation et à l'article 4 de la loi du 20 juillet 2022 portant l'introduction du procès-verbal électronique pour les services d'inspections de la Direction générale Transport routier et Sécurité routière du Service public fédéral Mobilité et Transports et modifiant le Code pénal social;
- le Comité de gestion de la banque de données epv.]5
Le stockage et le fait de tenir à jour les données visées à [5 l'alinéa 6]5 poursuivent les objectifs suivants :
1° la collecte de l'information utile pour permettre aux acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale de combattre de manière adéquate le travail illégal et la fraude sociale;
2° la collecte de l'information utile pour permettre aux acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale d'effectuer leurs missions légales;
3° l'élaboration de statistiques internes et externes;
[2 4° [6 ...]6]2
[3 5° la collecte des informations nécessaires pour permettre aux contrôleurs de la navigation visés à l'article 1.1.1.2, 5° du Code belge de la navigation d'exercer leurs missions légales.]3
La banque de données [4 epv]4 contient des données qui sont reprises dans le modèle d'[4 epv]4 visé à l'article 100/2 [6 ...]6 [3 et à l'article 4.2.1.26/2, alinéa 1er, du Code belge de la navigation]3, à propos des personnes suivantes :
1° toute personne suspectée d'être (co)auteur d'une infraction;
2° toute personne qui est civilement tenue responsable pour une infraction;
3° tout travailleur ou personne qui est concerné ou considéré comme étant concerné par une infraction;
4° toute autre personne mentionnée dans l'e-PV dont la reprise des données dans l'[4 epv]4 est nécessaire pour une bonne compréhension des faits constatés dans l'[4 epv]4.
Pour autant qu'elles concernent une personne physique qui est ou peut être identifiée, les données visées à [5 l'alinéa 6]5 sont les données sociales à caractère personnel au sens de l'article 2, alinéa 1er, 6°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale.]1
[2 [5 L'alinéa 7]5 ne s'applique pas aux données de la banque de données [4 epv]4 qui portent sur les procès-verbaux visés [6 ...]6 [3 à l'article 4.2.1.26/2 du Code belge de la navigation]3.]2
Wijzigingen
Art. 100/7. [1 Financiering van de databank [2 epv]2
De kredieten die vereist zijn voor de oprichting en de werking van de databank [2 epv]2 worden ingeschreven op de begroting van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.]1
De kredieten die vereist zijn voor de oprichting en de werking van de databank [2 epv]2 worden ingeschreven op de begroting van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.]1
Art. 100/7. [1 Le financement de la banque de données [2 epv]2
Les crédits qui sont requis pour la création et le fonctionnement de la banque de données [2 epv]2 sont inscrits au budget du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.]1
Les crédits qui sont requis pour la création et le fonctionnement de la banque de données [2 epv]2 sont inscrits au budget du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.]1
Art. 100/8. [1 Beheerscomité van de databank [4 epv]4
§ 1. Er wordt een Beheerscomité opgericht voor de databank [4 epv]4.
Het Beheerscomité is samengesteld uit :
1° [5 de coördinator van de Directie van het epv en het eDossier, die het voorzitterschap van het comité waarneemt;]5
2° de leidend ambtenaren van de in artikel 100/2 bedoelde sociale inspectiediensten;
3° de directeur van het Federaal Aansturingsbureau van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst;
4° de procureur-generaal aangewezen door het College van procureurs-generaal;
5° een leidend ambtenaar van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
[2 6° [7 ...]7]2
[3 7° de leidend ambtenaren van de inspectiediensten van het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;]3
[5 9° een leidend ambtenaar van de bevoegde administratie;]5
Het Beheerscomité is gevestigd op het adres van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
Het Beheerscomité vergadert minstens tweemaal per jaar.
Het secretariaat wordt waargenomen door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
§ 2. Het Beheerscomité beschikt over de volgende bevoegdheden :
1° de databank [4 epv]4 beheren;
2° elk initiatief nemen dat kan bijdragen tot de doeltreffendheid van de werking van de databank [4 epv]4;
3° elk initiatief nemen tot aanpassing van de databank [4 epv]4 aan de wijzigingen op wetgevend, regelgevend en technologisch vlak;
4° de bevoegde ministers in kennis stellen van de middelen die vereist zijn voor de goede werking van de databank [4 epv]4;
5° jaarlijks aan de bevoegde ministers de budgettaire ramingen meedelen met betrekking tot de kostprijs voor de werking en het onderhoud van de databank [4 epv]4, daarin begrepen de kostprijs van de archivering van de in het systeem opgeslagen gegevens;
6° akkoorden sluiten met betrekking tot de diensten die vereist zijn voor het beheer van de databank [4 epv]4;
7° [6 de verantwoordelijken voor de verwerking van de gegevens van de databank epv bijeenbrengen via hun vertegenwoordigers in het beheerscomité om akkoorden te sluiten met betrekking tot de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de instellingen die deel uitmaken van het Beheerscomité met naleving van de regels inzake de gegevensbescherming;]6
8° advies verlenen op eigen initiatief of op verzoek van de bevoegde ministers met betrekking tot wetgevende en andere initiatieven die van invloed zijn op de werking van de databank [4 epv]4;
9° een huishoudelijk reglement opstellen waarbij onder meer de regels worden vastgesteld voor de vervanging van de leden.]1
§ 1. Er wordt een Beheerscomité opgericht voor de databank [4 epv]4.
Het Beheerscomité is samengesteld uit :
1° [5 de coördinator van de Directie van het epv en het eDossier, die het voorzitterschap van het comité waarneemt;]5
2° de leidend ambtenaren van de in artikel 100/2 bedoelde sociale inspectiediensten;
3° de directeur van het Federaal Aansturingsbureau van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst;
4° de procureur-generaal aangewezen door het College van procureurs-generaal;
5° een leidend ambtenaar van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
[2 6° [7 ...]7]2
[3 7° de leidend ambtenaren van de inspectiediensten van het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;]3
[5 9° een leidend ambtenaar van de bevoegde administratie;]5
Het Beheerscomité is gevestigd op het adres van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
Het Beheerscomité vergadert minstens tweemaal per jaar.
Het secretariaat wordt waargenomen door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
§ 2. Het Beheerscomité beschikt over de volgende bevoegdheden :
1° de databank [4 epv]4 beheren;
2° elk initiatief nemen dat kan bijdragen tot de doeltreffendheid van de werking van de databank [4 epv]4;
3° elk initiatief nemen tot aanpassing van de databank [4 epv]4 aan de wijzigingen op wetgevend, regelgevend en technologisch vlak;
4° de bevoegde ministers in kennis stellen van de middelen die vereist zijn voor de goede werking van de databank [4 epv]4;
5° jaarlijks aan de bevoegde ministers de budgettaire ramingen meedelen met betrekking tot de kostprijs voor de werking en het onderhoud van de databank [4 epv]4, daarin begrepen de kostprijs van de archivering van de in het systeem opgeslagen gegevens;
6° akkoorden sluiten met betrekking tot de diensten die vereist zijn voor het beheer van de databank [4 epv]4;
7° [6 de verantwoordelijken voor de verwerking van de gegevens van de databank epv bijeenbrengen via hun vertegenwoordigers in het beheerscomité om akkoorden te sluiten met betrekking tot de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de instellingen die deel uitmaken van het Beheerscomité met naleving van de regels inzake de gegevensbescherming;]6
8° advies verlenen op eigen initiatief of op verzoek van de bevoegde ministers met betrekking tot wetgevende en andere initiatieven die van invloed zijn op de werking van de databank [4 epv]4;
9° een huishoudelijk reglement opstellen waarbij onder meer de regels worden vastgesteld voor de vervanging van de leden.]1
Wijzigingen
Art. 100/8. [1 Le Comité de gestion de la banque de données [4 epv]4
§ 1er. Un Comité de gestion de la banque de données [4 epv]4 est créé.
Le Comité de gestion est composé :
1° [5 du coordinateur de la Direction de l'epv et de l'eDossier, qui assure la présidence du Comité;]5
2° des fonctionnaires dirigeant des services d'inspection sociale visés à l'article 100/2;
3° du directeur du Bureau fédéral d'orientation du Service d'information et de recherche sociale;
4° du procureur général désigné par le Collège des procureurs généraux;
5° d'un fonctionnaire dirigeant la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale;
[2 6° [7 ...]7]2
[3 7° des fonctionnaires dirigeants des services d'inspection de la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports;]3
[5 9° d'un fonctionnaire dirigeant l'administration compétente;]5
Le Comité de gestion est établi à l'adresse du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
Le Comité de gestion se réunit au moins deux fois par an.
Le secrétariat est assuré par le Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
§ 2. Le Comité de gestion dispose des compétences suivantes :
1° gérer la banque de données [4 epv]4;
2° prendre toute initiative qui peut contribuer à l'efficacité du fonctionnement de la banque de données [4 epv]4;
3° prendre toute initiative visant à adapter la banque de données [4 epv]4 aux modifications sur le plan législatif, réglementaire et technologique;
4° informer les ministres compétents des moyens qui sont requis pour le bon fonctionnement de la banque de données [4 epv]4;
5° communiquer chaque année aux ministres compétents les estimations budgétaires en ce qui concerne le coût pour le fonctionnement et l'entretien de la banque de données [4 epv]4, y compris le coût de l'archivage des données intégrées dans le système;
6° conclure des accords en ce qui concerne les services requis pour la gestion de la banque de données [4 epv]4;
7° [6 rassembler les responsables conjoints de traitement de la banque de données epv, par l'intermédiaire de leurs représentants au sein du Comité de gestion, afin qu'ils concluent des accords en ce qui concerne la responsabilité conjointe des institutions faisant partie du Comité de gestion en respectant la législation relative à la protection des données;]6
8° donner des avis d'initiative ou à la demande des ministres compétents en ce qui concerne des initiatives législatives et des autres initiatives qui ont une influence sur le fonctionnement de la banque de données [4 epv]4;
9° établir un règlement d'ordre intérieur dans lequel sont entre autres fixées les règles pour le remplacement des membres.]1
§ 1er. Un Comité de gestion de la banque de données [4 epv]4 est créé.
Le Comité de gestion est composé :
1° [5 du coordinateur de la Direction de l'epv et de l'eDossier, qui assure la présidence du Comité;]5
2° des fonctionnaires dirigeant des services d'inspection sociale visés à l'article 100/2;
3° du directeur du Bureau fédéral d'orientation du Service d'information et de recherche sociale;
4° du procureur général désigné par le Collège des procureurs généraux;
5° d'un fonctionnaire dirigeant la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale;
[2 6° [7 ...]7]2
[3 7° des fonctionnaires dirigeants des services d'inspection de la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports;]3
[5 9° d'un fonctionnaire dirigeant l'administration compétente;]5
Le Comité de gestion est établi à l'adresse du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
Le Comité de gestion se réunit au moins deux fois par an.
Le secrétariat est assuré par le Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
§ 2. Le Comité de gestion dispose des compétences suivantes :
1° gérer la banque de données [4 epv]4;
2° prendre toute initiative qui peut contribuer à l'efficacité du fonctionnement de la banque de données [4 epv]4;
3° prendre toute initiative visant à adapter la banque de données [4 epv]4 aux modifications sur le plan législatif, réglementaire et technologique;
4° informer les ministres compétents des moyens qui sont requis pour le bon fonctionnement de la banque de données [4 epv]4;
5° communiquer chaque année aux ministres compétents les estimations budgétaires en ce qui concerne le coût pour le fonctionnement et l'entretien de la banque de données [4 epv]4, y compris le coût de l'archivage des données intégrées dans le système;
6° conclure des accords en ce qui concerne les services requis pour la gestion de la banque de données [4 epv]4;
7° [6 rassembler les responsables conjoints de traitement de la banque de données epv, par l'intermédiaire de leurs représentants au sein du Comité de gestion, afin qu'ils concluent des accords en ce qui concerne la responsabilité conjointe des institutions faisant partie du Comité de gestion en respectant la législation relative à la protection des données;]6
8° donner des avis d'initiative ou à la demande des ministres compétents en ce qui concerne des initiatives législatives et des autres initiatives qui ont une influence sur le fonctionnement de la banque de données [4 epv]4;
9° établir un règlement d'ordre intérieur dans lequel sont entre autres fixées les règles pour le remplacement des membres.]1
Wijzigingen
Art. 100/9. [1 Toezicht op de verwerking van de gegevens in het kader van de databank epv
§ 1. Volgende personen voeren een monitoring uit en volgen de veiligheid op van de verwerking van de gegevens met betrekking tot het epv, teneinde de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te garanderen:
- de functionarissen voor de gegevensbescherming van de in artikel 100/10, § § 1 en 3 bedoelde entiteiten;
- [2 ...]2
- de functionaris voor de gegevensbescherming van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
- de door het openbaar ministerie aangewezen persoon.
§ 2. De in § 1 bedoelde functionarissen voor de gegevensbescherming en de door het openbaar ministerie aangeduide persoon, brengen verslag uit aan de hoogste leidinggevende van hun entiteit van deze monitoring.]1
§ 1. Volgende personen voeren een monitoring uit en volgen de veiligheid op van de verwerking van de gegevens met betrekking tot het epv, teneinde de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te garanderen:
- de functionarissen voor de gegevensbescherming van de in artikel 100/10, § § 1 en 3 bedoelde entiteiten;
- [2 ...]2
- de functionaris voor de gegevensbescherming van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
- de door het openbaar ministerie aangewezen persoon.
§ 2. De in § 1 bedoelde functionarissen voor de gegevensbescherming en de door het openbaar ministerie aangeduide persoon, brengen verslag uit aan de hoogste leidinggevende van hun entiteit van deze monitoring.]1
Art. 100/9. [1 La surveillance du traitement des données dans le cadre de la banque de données epv
§ 1er. Les personnes suivantes assurent le contrôle et le suivi de la sécurité du traitement des données relatives à l'epv afin de garantir la protection de la vie privée:
- les délégués à la protection des données des entités visées à l'article 100/10, § § 1er et 3;
- [2 ...]2
- le délégué à la protection des données du Service public fédéral Mobilité et Transports;
- la personne désignée par le ministère public.
§ 2. Les délégués à la protection des données et la personne désignée par le ministère public visés dans le § 1er, effectuent un rapportage de cette activité de monitoring au niveau le plus élevé de la direction de leur entité.]1
§ 1er. Les personnes suivantes assurent le contrôle et le suivi de la sécurité du traitement des données relatives à l'epv afin de garantir la protection de la vie privée:
- les délégués à la protection des données des entités visées à l'article 100/10, § § 1er et 3;
- [2 ...]2
- le délégué à la protection des données du Service public fédéral Mobilité et Transports;
- la personne désignée par le ministère public.
§ 2. Les délégués à la protection des données et la personne désignée par le ministère public visés dans le § 1er, effectuent un rapportage de cette activité de monitoring au niveau le plus élevé de la direction de leur entité.]1
Art. 100/10. [1 Toegang tot de databank [5 epv]5
§ 1. Onverminderd de artikelen 54 en 55 en mits machtiging van [2 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité]2 hebben de door de Koning gemachtigde categorieën van ambtenaren van de door de Koning aangewezen federale sociale inspectiediensten toegang tot de volgende gegevens van de databank [5 epv]5 :
1° de datum van opstelling van het proces-verbaal;
2° het nummer van het proces-verbaal;
3° de aanduiding of het gaat om een proces-verbaal opgesteld op eigen initiatief van de verbalisant of in uitvoering van een taak opgelegd door een rechterlijke overheid;
4° de dienst waartoe de verbaliserende ambtenaar behoort;
5° de naam van de verbaliserende ambtenaar;
6° [6 de naam, voornaam, hoofdverblijfplaats, geboortedatum, geboorteplaats en nationaliteit of de rechtsvorm, maatschappelijke naam en maatschappelijke zetel, de hoedanigheid, het KBO-nummer en/of het rijksregisternummer en, bij gebreke hieraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van iedere persoon die ervan verdacht wordt (mede)dader te zijn van een inbreuk alsmede het paritair comité en de NACE-code van de economische sector(en) waaronder deze persoon valt;]6
7° [6 de naam, voornaam, hoofdverblijfplaats, geboortedatum, geboorteplaats en nationaliteit of de rechtsvorm, maatschappelijke naam en maatschappelijke zetel, de hoedanigheid, het KBO-nummer en/of het rijksregisternummer en, bij gebreke hieraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van iedere persoon die burgerrechtelijk aansprakelijk geacht wordt voor een inbreuk alsmede het paritair comité en de NACE-code van de economische sector(en) waaronder deze persoon valt;]6
8° [6 de naam, voornaam, hoofdverblijfplaats, geboortedatum, geboorteplaats en nationaliteit en het rijksregisternummer en, bij gebreke hieraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van iedere werknemer of persoon die betrokken is of geacht wordt betrokken te zijn bij een inbreuk;]6
9° de kwalificatie van de vastgestelde inbreuk(en).
De in het eerste lid bedoelde machtiging van [2 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité]2 is niet vereist voor de toegang tot de gegevens van de processen-verbaal die opgesteld zijn door de eigen inspectiedienst.
§ 2. [6 Onverminderd de artikelen 54 en 55 en mits machtiging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité kunnen de in § 1 bedoelde ambtenaren, voor zover deze gegevens strikt noodzakelijk zijn voor de concrete uitoefening van het toezicht waarmee zij zijn belast of in toepassing van een andere wetgeving, kennisnemen van de andere dan de in § 1 vermelde gegevens opgenomen in de databank epv met betrekking tot:
1° de plaats en datum van de inbreuken en de vaststellingen;
2° de uiteenzetting van de feiten;
3° de aanvullende informatie betreffende antecedenten en bijzondere omstandigheden;
4° de inventaris van de bijlagen;
5° de inhoud van de bijlagen;
6° de informatie inzake de verzending van het proces-verbaal, meer bepaald betreffende de bestemmelingen van het origineel en van de kopie;
7° de taal van de pdf (Portable Document Format), de validatie en de ondertekening.
Voor zover deze gegevens opgenomen zijn in een proces-verbaal dat opgesteld wordt tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de rechterlijke overheid, zijn ze evenwel enkel toegankelijk met de uitdrukkelijke toestemming van deze laatste.
De in het eerste lid bedoelde machtiging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité is niet vereist voor de toegang tot de gegevens van de processen-verbaal die opgesteld zijn door de eigen inspectiedienst.]6
§ 3. [6 Mits machtiging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité hebben de ambtenaren van de bevoegde administratie en van de Directie van het epv en het eDossier toegang tot alle gegevens van de databank epv, voor zover deze gegevens strikt noodzakelijk zijn voor de concrete uitoefening van hun wettelijke opdracht. Deze toegang sluit de toegang in tot de gegevens die opgenomen zijn in de processen-verbaal die opgesteld worden tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de rechterlijke overheid, zonder dat de toestemming van deze laatste moet worden gevraagd.]6
§ 4. Het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken en de onderzoeksrechters hebben toegang tot de gegevens van de databank [5 epv]5 in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdracht. In afwijking van de bepalingen van artikel 15 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid is deze toegang niet onderworpen aan de machtiging van [2 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité]2.
§ 5. [6 Na advies van het Beheerscomité, kan de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité de toegang tot de gegevens van de databank epv, met inbegrip van de gegevens die opgenomen zijn in de processen-verbaal die opgesteld worden tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid, geheel of gedeeltelijk uitbreiden tot andere dan de in de § § 1 en 4 bedoelde categorieën van personen binnen de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude [7 ...]7, tot de inspectiediensten van het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, tot de inspectiediensten van het directoraat-generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, tot de Dienst Vreemdelingenzaken, tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten belast met de veiligheidsopdrachten zoals bedoeld in de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-en veiligheidsdiensten, tot de federale politie, wanneer deze optreedt in opdracht van de Nationale Veiligheidsoverheid en tot de Cel voor Financiële Informatieverwerking belast met de behandeling van verdachte financiële verrichtingen die verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme zoals bedoeld in de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten.
De gegevens die opgenomen zijn in een proces-verbaal dat opgesteld wordt tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid, zijn in geen enkel geval toegankelijk zonder de uitdrukkelijke toestemming van deze laatste.
Inlichtingen betreffende medische gegevens van persoonlijke aard mogen slechts worden meegedeeld of gebruikt met inachtneming van het medisch beroepsgeheim.
De toegang tot de gegevens van de databank epv kan slechts worden uitgebreid door de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité tot de bij deze leden bepaalde categorieën van personen, diensten en instellingen voor zover de categorieën van persoonsgegevens en de doelstelling van verzameling en verwerking van persoonsgegevens door een wet worden bepaald voor de betrokken categorie van personen, diensten of instellingen en de verzameling en verwerking van deze persoonsgegevens ter zake dienend en noodzakelijk zijn.
De kamer sociale zekerheid en gezondheid kan de voorwaarden en de nadere regels bepalen voor de uitbreiding van de toegang tot de gegevens van de databank epv.]6
§ 6. In afwijking van de §§ 1, 2 en 5, kan het openbaar ministerie ten aanzien van de in deze §§ bedoelde personen, met uitzondering van de opsteller van het [5 epv]5, de toegang uitstellen tot de gegevens opgenomen in een bepaald [5 epv]5 wanneer en zolang de bevoegde magistraat van oordeel is dat deze toegang de uitoefening van de strafvordering of de veiligheid van een persoon in gevaar kan brengen.]1
[3 § 7. [7 ...]7]3
[4 § 8. De paragrafen 1 tot en met 6 van dit artikel zijn niet van toepassing op de processen-verbaal bedoeld in artikel 4.2.1.26/2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek.
De toegang tot de databank [5 epv]5 voor wat betreft de processen-verbaal bedoeld in het eerste lid wordt uitsluitend geregeld door het artikel 4.2.1.26/3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek.]4
§ 1. Onverminderd de artikelen 54 en 55 en mits machtiging van [2 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité]2 hebben de door de Koning gemachtigde categorieën van ambtenaren van de door de Koning aangewezen federale sociale inspectiediensten toegang tot de volgende gegevens van de databank [5 epv]5 :
1° de datum van opstelling van het proces-verbaal;
2° het nummer van het proces-verbaal;
3° de aanduiding of het gaat om een proces-verbaal opgesteld op eigen initiatief van de verbalisant of in uitvoering van een taak opgelegd door een rechterlijke overheid;
4° de dienst waartoe de verbaliserende ambtenaar behoort;
5° de naam van de verbaliserende ambtenaar;
6° [6 de naam, voornaam, hoofdverblijfplaats, geboortedatum, geboorteplaats en nationaliteit of de rechtsvorm, maatschappelijke naam en maatschappelijke zetel, de hoedanigheid, het KBO-nummer en/of het rijksregisternummer en, bij gebreke hieraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van iedere persoon die ervan verdacht wordt (mede)dader te zijn van een inbreuk alsmede het paritair comité en de NACE-code van de economische sector(en) waaronder deze persoon valt;]6
7° [6 de naam, voornaam, hoofdverblijfplaats, geboortedatum, geboorteplaats en nationaliteit of de rechtsvorm, maatschappelijke naam en maatschappelijke zetel, de hoedanigheid, het KBO-nummer en/of het rijksregisternummer en, bij gebreke hieraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van iedere persoon die burgerrechtelijk aansprakelijk geacht wordt voor een inbreuk alsmede het paritair comité en de NACE-code van de economische sector(en) waaronder deze persoon valt;]6
8° [6 de naam, voornaam, hoofdverblijfplaats, geboortedatum, geboorteplaats en nationaliteit en het rijksregisternummer en, bij gebreke hieraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van iedere werknemer of persoon die betrokken is of geacht wordt betrokken te zijn bij een inbreuk;]6
9° de kwalificatie van de vastgestelde inbreuk(en).
De in het eerste lid bedoelde machtiging van [2 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité]2 is niet vereist voor de toegang tot de gegevens van de processen-verbaal die opgesteld zijn door de eigen inspectiedienst.
§ 2. [6 Onverminderd de artikelen 54 en 55 en mits machtiging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité kunnen de in § 1 bedoelde ambtenaren, voor zover deze gegevens strikt noodzakelijk zijn voor de concrete uitoefening van het toezicht waarmee zij zijn belast of in toepassing van een andere wetgeving, kennisnemen van de andere dan de in § 1 vermelde gegevens opgenomen in de databank epv met betrekking tot:
1° de plaats en datum van de inbreuken en de vaststellingen;
2° de uiteenzetting van de feiten;
3° de aanvullende informatie betreffende antecedenten en bijzondere omstandigheden;
4° de inventaris van de bijlagen;
5° de inhoud van de bijlagen;
6° de informatie inzake de verzending van het proces-verbaal, meer bepaald betreffende de bestemmelingen van het origineel en van de kopie;
7° de taal van de pdf (Portable Document Format), de validatie en de ondertekening.
Voor zover deze gegevens opgenomen zijn in een proces-verbaal dat opgesteld wordt tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de rechterlijke overheid, zijn ze evenwel enkel toegankelijk met de uitdrukkelijke toestemming van deze laatste.
De in het eerste lid bedoelde machtiging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité is niet vereist voor de toegang tot de gegevens van de processen-verbaal die opgesteld zijn door de eigen inspectiedienst.]6
§ 3. [6 Mits machtiging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité hebben de ambtenaren van de bevoegde administratie en van de Directie van het epv en het eDossier toegang tot alle gegevens van de databank epv, voor zover deze gegevens strikt noodzakelijk zijn voor de concrete uitoefening van hun wettelijke opdracht. Deze toegang sluit de toegang in tot de gegevens die opgenomen zijn in de processen-verbaal die opgesteld worden tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de rechterlijke overheid, zonder dat de toestemming van deze laatste moet worden gevraagd.]6
§ 4. Het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken en de onderzoeksrechters hebben toegang tot de gegevens van de databank [5 epv]5 in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdracht. In afwijking van de bepalingen van artikel 15 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid is deze toegang niet onderworpen aan de machtiging van [2 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité]2.
§ 5. [6 Na advies van het Beheerscomité, kan de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité de toegang tot de gegevens van de databank epv, met inbegrip van de gegevens die opgenomen zijn in de processen-verbaal die opgesteld worden tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid, geheel of gedeeltelijk uitbreiden tot andere dan de in de § § 1 en 4 bedoelde categorieën van personen binnen de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude [7 ...]7, tot de inspectiediensten van het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, tot de inspectiediensten van het directoraat-generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, tot de Dienst Vreemdelingenzaken, tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten belast met de veiligheidsopdrachten zoals bedoeld in de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-en veiligheidsdiensten, tot de federale politie, wanneer deze optreedt in opdracht van de Nationale Veiligheidsoverheid en tot de Cel voor Financiële Informatieverwerking belast met de behandeling van verdachte financiële verrichtingen die verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme zoals bedoeld in de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten.
De gegevens die opgenomen zijn in een proces-verbaal dat opgesteld wordt tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid, zijn in geen enkel geval toegankelijk zonder de uitdrukkelijke toestemming van deze laatste.
Inlichtingen betreffende medische gegevens van persoonlijke aard mogen slechts worden meegedeeld of gebruikt met inachtneming van het medisch beroepsgeheim.
De toegang tot de gegevens van de databank epv kan slechts worden uitgebreid door de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité tot de bij deze leden bepaalde categorieën van personen, diensten en instellingen voor zover de categorieën van persoonsgegevens en de doelstelling van verzameling en verwerking van persoonsgegevens door een wet worden bepaald voor de betrokken categorie van personen, diensten of instellingen en de verzameling en verwerking van deze persoonsgegevens ter zake dienend en noodzakelijk zijn.
De kamer sociale zekerheid en gezondheid kan de voorwaarden en de nadere regels bepalen voor de uitbreiding van de toegang tot de gegevens van de databank epv.]6
§ 6. In afwijking van de §§ 1, 2 en 5, kan het openbaar ministerie ten aanzien van de in deze §§ bedoelde personen, met uitzondering van de opsteller van het [5 epv]5, de toegang uitstellen tot de gegevens opgenomen in een bepaald [5 epv]5 wanneer en zolang de bevoegde magistraat van oordeel is dat deze toegang de uitoefening van de strafvordering of de veiligheid van een persoon in gevaar kan brengen.]1
[3 § 7. [7 ...]7]3
[4 § 8. De paragrafen 1 tot en met 6 van dit artikel zijn niet van toepassing op de processen-verbaal bedoeld in artikel 4.2.1.26/2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek.
De toegang tot de databank [5 epv]5 voor wat betreft de processen-verbaal bedoeld in het eerste lid wordt uitsluitend geregeld door het artikel 4.2.1.26/3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek.]4
Wijzigingen
Art. 100/10. [1 L'accès à la banque de données [5 epv]5
§ 1er. Sans préjudice des articles 54 et 55 et moyennant l'autorisation de [2 la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information]2, les catégories de fonctionnaires habilités par le Roi des services d'inspection sociale fédéraux désignés par le Roi ont accès aux données suivantes de la banque de données [5 epv]5 :
1° la date d'établissement du procès-verbal;
2° le numéro du procès-verbal;
3° l'indication du fait qu'il s'agit d'un procès-verbal établi d'initiative par le verbalisant ou en exécution d'un devoir prescrit par une autorité judiciaire;
4° le service auquel appartient le fonctionnaire verbalisant;
5° le nom du fonctionnaire verbalisant;
6° [6 le nom, le prénom, la résidence principale, la date de naissance, le lieu de naissance et la nationalité ou la forme juridique, la dénomination sociale, et le siège social, la qualité, le numéro BCE et/ou le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale, ou un autre numéro d'identification de toute personne qui est suspectée d'être (co)auteur d'une infraction ainsi que la commission paritaire et le code NACE du (des) secteur(s) économique(s) dont cette personne relève;]6
7° [6 le nom, le prénom, la résidence principale, la date de naissance, le lieu de naissance et la nationalité ou la forme juridique, la dénomination sociale et le siège social, la qualité, le numéro BCE et/ou le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale, ou un autre numéro d'identification de toute personne qui est considérée comme civilement responsable d'une infraction ainsi que la commission paritaire et le code NACE du(des) secteur(s) économique(s) dont cette personne relève;]6
8° [6 le nom, le prénom, la résidence principale, la date de naissance, le lieu de naissance et la nationalité et le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale, ou un autre numéro d'identification de tout travailleur ou de toute personne qui est ou pourrait être concernée par une infraction;]6
9° la qualification de l'/des infraction(s) constatée(s).
L'autorisation de [2 la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information]2, visée à l'alinéa 1er, n'est pas requise pour l'accès aux données des procès-verbaux qui ont été dressés par leur propre service d'inspection.
§ 2. [6 Sans préjudice des articles 54 et 55 et moyennant l'autorisation de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information, les fonctionnaires visés au § 1er peuvent prendre connaissance des autres données que celles mentionnées au § 1er reprises dans la banque de données epv, pour autant que ces données sont strictement nécessaires dans l'exercice concret de la surveillance dont ils sont chargés ou en application d'une autre législation, en ce qui concerne:
1° le lieu et la date des infractions et des constatations;
2° l'exposé des faits;
3° les informations complémentaires relatives aux antécédents et aux circonstances particulières;
4° l'inventaire des annexes;
5° le contenu des annexes;
6° l'information relative à l'envoi du procès-verbal, plus particulièrement ce qui concerne les destinataires de l'original et de la copie;
7° la langue du PDF (Portable Document Format), la validation et la signature.
Dans la mesure où ces données sont reprises dans un procès-verbal qui a été dressé durant l'exercice des devoirs prescrits par l'autorité judiciaire, ils y ont uniquement accès avec l'autorisation expresse de cette dernière.
L'autorisation de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information mentionnée au premier alinéa n'est pas nécessaire pour l'accès aux données des procès-verbaux établis par leur propre service d'inspection]6
§ 3. [6 Moyennant l'autorisation de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information, les fonctionnaires de l'administration compétente et de la Direction de l'epv et de l'eDossier ont accès à toutes les données de la banque de données epv, pour autant que ces données sont strictement nécessaires à l'exercice concret de leur mission légale. Cet accès inclut l'accès aux données reprises dans les procès-verbaux qui sont établis durant l'exécution des devoirs prescrits par l'autorité judiciaire, sans que l'autorisation de cette dernière doive être sollicitée.]6
§ 4. Le ministère public, près les cours et tribunaux et les juges d'instruction ont accès aux données de la banque de données [5 epv]5 dans le cadre de l'exercice de leur mission légale. Par dérogation aux dispositions de l'article 15 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale, cet accès n'est pas subordonné à l'autorisation de [2 la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information]2.
§ 5. [6 Après avis du Comité de gestion, la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information peut étendre, en tout ou en partie, l'accès aux données de la banque de données epv, y compris les données qui sont reprises dans les procès-verbaux établis durant l'exercice des devoirs prescrits par l'autorité judiciaire, à d'autres catégories de personnes parmi les acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale que celles visées aux §§ 1er et 4 [7 ...]7, aux services d'inspection de la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports, aux services d'inspection de la Direction générale Transport routier et Sécurité routière du Service public fédéral Mobilité et Transports, à l'Office des Etrangers, aux services de renseignement et de sécurité chargés des missions de sécurité visées par la loi du 30 novembre 1998 organique des services de renseignement et de sécurité, à la police fédérale lorsqu'elle agit pour le compte de l'Autorité nationale de sécurité et à la Cellule de traitement des informations financières chargée de traiter les transactions financières suspectes liées au blanchiment d'argent ou au financement du terrorisme visées par la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces.
Les données qui sont reprises dans un procès-verbal établi durant l'exercice des devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne sont en aucun cas accessibles sans l'autorisation expresse de cette dernière.
Les renseignements concernant des données médicales à caractère personnel ne peuvent être communiqués ou utilisés que dans le respect du secret médical.
L'accès aux données de la banque de données epv peut uniquement être élargi par la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information aux catégories de personnes, de services et d'institutions visées dans les alinéas précédents pour autant que les catégories de données à caractère personnel et la finalité de la collecte et du traitement des données à caractère personnel sont prévues par une loi pour la catégorie de personnes, de services ou d'institutions concernée et que la collecte et le traitement de ces données à caractère personnel sont pertinents et nécessaires en l'espèce.
La chambre sécurité sociale et santé peut déterminer les conditions et les modalités pour l'élargissement de l'accès aux données de la banque de données epv.]6
§ 6. Par dérogation aux §§ 1er, 2 et 5, le ministère public peut retarder à l'égard des personnes visées dans ces §§, à l'exception de l'auteur de l'[5 epv]5, l'accès aux données contenues dans un [5 epv]5 déterminé lorsque et tant que le magistrat compétent est d'avis que cet accès peut constituer un danger pour l'exercice de l'action pénale ou pour la sécurité d'une personne.]1
[3 § 7. [7 ...]7]3
[4 § 8. Les paragraphes 1 à 6 du présent article ne s'appliquent pas aux procès-verbaux visés à l'article 4.2.1.26/2 du Code belge de la navigation.
L'accès à la banque de données [5 epv]5 pour ce qui concerne les procès-verbaux visés à l'alinéa 1er est uniquement régi par l'article 4.2.1.26/3 du Code belge de la navigation.]4
§ 1er. Sans préjudice des articles 54 et 55 et moyennant l'autorisation de [2 la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information]2, les catégories de fonctionnaires habilités par le Roi des services d'inspection sociale fédéraux désignés par le Roi ont accès aux données suivantes de la banque de données [5 epv]5 :
1° la date d'établissement du procès-verbal;
2° le numéro du procès-verbal;
3° l'indication du fait qu'il s'agit d'un procès-verbal établi d'initiative par le verbalisant ou en exécution d'un devoir prescrit par une autorité judiciaire;
4° le service auquel appartient le fonctionnaire verbalisant;
5° le nom du fonctionnaire verbalisant;
6° [6 le nom, le prénom, la résidence principale, la date de naissance, le lieu de naissance et la nationalité ou la forme juridique, la dénomination sociale, et le siège social, la qualité, le numéro BCE et/ou le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale, ou un autre numéro d'identification de toute personne qui est suspectée d'être (co)auteur d'une infraction ainsi que la commission paritaire et le code NACE du (des) secteur(s) économique(s) dont cette personne relève;]6
7° [6 le nom, le prénom, la résidence principale, la date de naissance, le lieu de naissance et la nationalité ou la forme juridique, la dénomination sociale et le siège social, la qualité, le numéro BCE et/ou le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale, ou un autre numéro d'identification de toute personne qui est considérée comme civilement responsable d'une infraction ainsi que la commission paritaire et le code NACE du(des) secteur(s) économique(s) dont cette personne relève;]6
8° [6 le nom, le prénom, la résidence principale, la date de naissance, le lieu de naissance et la nationalité et le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale, ou un autre numéro d'identification de tout travailleur ou de toute personne qui est ou pourrait être concernée par une infraction;]6
9° la qualification de l'/des infraction(s) constatée(s).
L'autorisation de [2 la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information]2, visée à l'alinéa 1er, n'est pas requise pour l'accès aux données des procès-verbaux qui ont été dressés par leur propre service d'inspection.
§ 2. [6 Sans préjudice des articles 54 et 55 et moyennant l'autorisation de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information, les fonctionnaires visés au § 1er peuvent prendre connaissance des autres données que celles mentionnées au § 1er reprises dans la banque de données epv, pour autant que ces données sont strictement nécessaires dans l'exercice concret de la surveillance dont ils sont chargés ou en application d'une autre législation, en ce qui concerne:
1° le lieu et la date des infractions et des constatations;
2° l'exposé des faits;
3° les informations complémentaires relatives aux antécédents et aux circonstances particulières;
4° l'inventaire des annexes;
5° le contenu des annexes;
6° l'information relative à l'envoi du procès-verbal, plus particulièrement ce qui concerne les destinataires de l'original et de la copie;
7° la langue du PDF (Portable Document Format), la validation et la signature.
Dans la mesure où ces données sont reprises dans un procès-verbal qui a été dressé durant l'exercice des devoirs prescrits par l'autorité judiciaire, ils y ont uniquement accès avec l'autorisation expresse de cette dernière.
L'autorisation de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information mentionnée au premier alinéa n'est pas nécessaire pour l'accès aux données des procès-verbaux établis par leur propre service d'inspection]6
§ 3. [6 Moyennant l'autorisation de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information, les fonctionnaires de l'administration compétente et de la Direction de l'epv et de l'eDossier ont accès à toutes les données de la banque de données epv, pour autant que ces données sont strictement nécessaires à l'exercice concret de leur mission légale. Cet accès inclut l'accès aux données reprises dans les procès-verbaux qui sont établis durant l'exécution des devoirs prescrits par l'autorité judiciaire, sans que l'autorisation de cette dernière doive être sollicitée.]6
§ 4. Le ministère public, près les cours et tribunaux et les juges d'instruction ont accès aux données de la banque de données [5 epv]5 dans le cadre de l'exercice de leur mission légale. Par dérogation aux dispositions de l'article 15 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale, cet accès n'est pas subordonné à l'autorisation de [2 la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information]2.
§ 5. [6 Après avis du Comité de gestion, la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information peut étendre, en tout ou en partie, l'accès aux données de la banque de données epv, y compris les données qui sont reprises dans les procès-verbaux établis durant l'exercice des devoirs prescrits par l'autorité judiciaire, à d'autres catégories de personnes parmi les acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale que celles visées aux §§ 1er et 4 [7 ...]7, aux services d'inspection de la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports, aux services d'inspection de la Direction générale Transport routier et Sécurité routière du Service public fédéral Mobilité et Transports, à l'Office des Etrangers, aux services de renseignement et de sécurité chargés des missions de sécurité visées par la loi du 30 novembre 1998 organique des services de renseignement et de sécurité, à la police fédérale lorsqu'elle agit pour le compte de l'Autorité nationale de sécurité et à la Cellule de traitement des informations financières chargée de traiter les transactions financières suspectes liées au blanchiment d'argent ou au financement du terrorisme visées par la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces.
Les données qui sont reprises dans un procès-verbal établi durant l'exercice des devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne sont en aucun cas accessibles sans l'autorisation expresse de cette dernière.
Les renseignements concernant des données médicales à caractère personnel ne peuvent être communiqués ou utilisés que dans le respect du secret médical.
L'accès aux données de la banque de données epv peut uniquement être élargi par la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information aux catégories de personnes, de services et d'institutions visées dans les alinéas précédents pour autant que les catégories de données à caractère personnel et la finalité de la collecte et du traitement des données à caractère personnel sont prévues par une loi pour la catégorie de personnes, de services ou d'institutions concernée et que la collecte et le traitement de ces données à caractère personnel sont pertinents et nécessaires en l'espèce.
La chambre sécurité sociale et santé peut déterminer les conditions et les modalités pour l'élargissement de l'accès aux données de la banque de données epv.]6
§ 6. Par dérogation aux §§ 1er, 2 et 5, le ministère public peut retarder à l'égard des personnes visées dans ces §§, à l'exception de l'auteur de l'[5 epv]5, l'accès aux données contenues dans un [5 epv]5 déterminé lorsque et tant que le magistrat compétent est d'avis que cet accès peut constituer un danger pour l'exercice de l'action pénale ou pour la sécurité d'une personne.]1
[3 § 7. [7 ...]7]3
[4 § 8. Les paragraphes 1 à 6 du présent article ne s'appliquent pas aux procès-verbaux visés à l'article 4.2.1.26/2 du Code belge de la navigation.
L'accès à la banque de données [5 epv]5 pour ce qui concerne les procès-verbaux visés à l'alinéa 1er est uniquement régi par l'article 4.2.1.26/3 du Code belge de la navigation.]4
Wijzigingen
Afdeling 3. [1 De in artikel 65 bedoelde processen-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk]1
Section 3. [1 Les procès-verbaux de la police constatant une infraction visés à l'article 65]1
Art. 100/10/1. [1 Overmaking van de gestructureerde gegevens inzake de in artikel 65 bedoelde processen-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk
Samen met het desbetreffende eBericht bezorgt het openbaar ministerie, voor zover het hierover beschikt, volgende gestructureerde gegevens inzake de in artikel 65 bedoelde processen-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk aan de bevoegde administratie zodat deze kunnen opgeladen worden in de Ginaa-databank:
1° de in artikel 100/12/1, 2°, bedoelde gegevens wat betreft de in artikel 65 bedoelde processen-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk;
2° de aanduiding of het gaat om een initieel of een navolgend proces-verbaal en, indien het gaat om een navolgend proces-verbaal, het nummer en de datum van het initieel proces-verbaal waarvan het de opvolging betreft;
3° de taal waarin het proces-verbaal is opgesteld.]1
Samen met het desbetreffende eBericht bezorgt het openbaar ministerie, voor zover het hierover beschikt, volgende gestructureerde gegevens inzake de in artikel 65 bedoelde processen-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk aan de bevoegde administratie zodat deze kunnen opgeladen worden in de Ginaa-databank:
1° de in artikel 100/12/1, 2°, bedoelde gegevens wat betreft de in artikel 65 bedoelde processen-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk;
2° de aanduiding of het gaat om een initieel of een navolgend proces-verbaal en, indien het gaat om een navolgend proces-verbaal, het nummer en de datum van het initieel proces-verbaal waarvan het de opvolging betreft;
3° de taal waarin het proces-verbaal is opgesteld.]1
Art. 100/10/1. [1 Le transfert des données structurées concernant les procès-verbaux de la police constatant une infraction visés à l'article 65
En même temps que l'eAvis correspondant, le ministère public, dans la mesure où il en dispose, fournit à l'administration compétente les données structurées suivantes relatives aux procès-verbaux de la police constatant une infraction visés à l'article 65, afin qu'elles puissent être chargées dans la base de données Ginaa:
1° les données visées à l'article 100/12/1, 2°, en ce qui concerne les procès-verbaux de la police constatant une infraction visés à l'article 65;
2° l'indication s'il s'agit d'un procès-verbal initial ou d'un procès-verbal subséquent et, s'il s'agit d'un procès-verbal subséquent, le numéro et la date du procès-verbal initial dont il est la suite;
3° la langue dans laquelle le procès-verbal a été dressé.]1
En même temps que l'eAvis correspondant, le ministère public, dans la mesure où il en dispose, fournit à l'administration compétente les données structurées suivantes relatives aux procès-verbaux de la police constatant une infraction visés à l'article 65, afin qu'elles puissent être chargées dans la base de données Ginaa:
1° les données visées à l'article 100/12/1, 2°, en ce qui concerne les procès-verbaux de la police constatant une infraction visés à l'article 65;
2° l'indication s'il s'agit d'un procès-verbal initial ou d'un procès-verbal subséquent et, s'il s'agit d'un procès-verbal subséquent, le numéro et la date du procès-verbal initial dont il est la suite;
3° la langue dans laquelle le procès-verbal a été dressé.]1
Afdeling 4. [1 De Ginaa-databank]1
Section 4. [1 La banque de données Ginaa]1
Art. 100/11. [1 Verwerking van persoonsgegevens in de Ginaa-databank
Wat de in artikel 16, 19°, bedoelde Ginaa-databank, betreft, is de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg de verantwoordelijke voor de verwerking van de in het derde lid bedoelde gegevens, in de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
Het opslaan en het bijhouden van de in het derde lid bedoelde gegevens beogen volgende doeleinden :
1° het verzamelen van informatie die nuttig is om de bevoegde administratie in staat te stellen om de opdrachten uit te oefenen die haar in of krachtens het Eerste Boek worden toegewezen;
2° het verzamelen van informatie inzake de vervolging van de inbreuken die nuttig is om de andere actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude in staat te stellen hun wettelijke opdrachten uit te oefenen;
3° het verzamelen van informatie inzake de vervolging van de inbreuken die nuttig is om de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude in staat te stellen op een adequate wijze de illegale arbeid en de sociale fraude te bestrijden;
4° het opmaken van interne en externe statistieken.
De Ginaa-databank bevat de door Koning bepaalde gegevens aangaande :
1° iedere persoon die ervan verdacht wordt (mede)dader te zijn van een inbreuk;
2° iedere persoon aan wie een administratieve geldboete kan opgelegd worden;
3° iedere werknemer of persoon die betrokken is of geacht wordt betrokken te zijn bij een inbreuk.
Voor zover zij betrekking hebben op een natuurlijke persoon die is of kan worden geïdentificeerd, zijn de in het derde lid bedoelde gegevens de sociale gegevens van persoonlijke aard in de zin van artikel 2, eerste lid, 6°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.]1
Wat de in artikel 16, 19°, bedoelde Ginaa-databank, betreft, is de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg de verantwoordelijke voor de verwerking van de in het derde lid bedoelde gegevens, in de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
Het opslaan en het bijhouden van de in het derde lid bedoelde gegevens beogen volgende doeleinden :
1° het verzamelen van informatie die nuttig is om de bevoegde administratie in staat te stellen om de opdrachten uit te oefenen die haar in of krachtens het Eerste Boek worden toegewezen;
2° het verzamelen van informatie inzake de vervolging van de inbreuken die nuttig is om de andere actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude in staat te stellen hun wettelijke opdrachten uit te oefenen;
3° het verzamelen van informatie inzake de vervolging van de inbreuken die nuttig is om de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude in staat te stellen op een adequate wijze de illegale arbeid en de sociale fraude te bestrijden;
4° het opmaken van interne en externe statistieken.
De Ginaa-databank bevat de door Koning bepaalde gegevens aangaande :
1° iedere persoon die ervan verdacht wordt (mede)dader te zijn van een inbreuk;
2° iedere persoon aan wie een administratieve geldboete kan opgelegd worden;
3° iedere werknemer of persoon die betrokken is of geacht wordt betrokken te zijn bij een inbreuk.
Voor zover zij betrekking hebben op een natuurlijke persoon die is of kan worden geïdentificeerd, zijn de in het derde lid bedoelde gegevens de sociale gegevens van persoonlijke aard in de zin van artikel 2, eerste lid, 6°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.]1
Art. 100/11. [1 Le traitement des données à caractère personnel dans la banque de données Ginaa
En ce qui concerne la banque de données Ginaa visée à l'article 16, 19°, le Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale est le responsable pour le traitement des données visées à l'alinéa 3, dans le sens de l'article 1er, § 4, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
Le stockage et le fait de tenir à jour les données visées à l'alinéa 3 poursuivent les objectifs suivants :
1° la collecte de l'information qui est utile pour permettre à l'administration compétente d'exercer les missions qui lui sont attribuées dans ou en vertu du Livre Ier;
2° la collecte de l'information relative à la poursuite des infractions qui est utile pour permettre aux acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale d'exercer leurs missions légales;
3° la collecte de l'information relative à la poursuite des infractions qui est utile pour permettre aux acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale de combattre de manière adéquate le travail illégal et la fraude sociale;
4° l'élaboration de statistiques internes et externes.
La banque de données Ginaa contient les données déterminées par le Roi à propos de :
1° toute personne suspectée d'être (co)auteur d'une infraction;
2° toute personne à qui une amende administrative peut être infligée;
3° tout travailleur ou personne qui est concerné ou considéré comme étant concerné par une infraction.
Pour autant qu'elles concernent une personne physique qui est ou peut être identifiée, les données visées à l'alinéa 3 sont les données sociales à caractère personnel au sens de l'article 2, alinéa 1er, 6°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale.]1
En ce qui concerne la banque de données Ginaa visée à l'article 16, 19°, le Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale est le responsable pour le traitement des données visées à l'alinéa 3, dans le sens de l'article 1er, § 4, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
Le stockage et le fait de tenir à jour les données visées à l'alinéa 3 poursuivent les objectifs suivants :
1° la collecte de l'information qui est utile pour permettre à l'administration compétente d'exercer les missions qui lui sont attribuées dans ou en vertu du Livre Ier;
2° la collecte de l'information relative à la poursuite des infractions qui est utile pour permettre aux acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale d'exercer leurs missions légales;
3° la collecte de l'information relative à la poursuite des infractions qui est utile pour permettre aux acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale de combattre de manière adéquate le travail illégal et la fraude sociale;
4° l'élaboration de statistiques internes et externes.
La banque de données Ginaa contient les données déterminées par le Roi à propos de :
1° toute personne suspectée d'être (co)auteur d'une infraction;
2° toute personne à qui une amende administrative peut être infligée;
3° tout travailleur ou personne qui est concerné ou considéré comme étant concerné par une infraction.
Pour autant qu'elles concernent une personne physique qui est ou peut être identifiée, les données visées à l'alinéa 3 sont les données sociales à caractère personnel au sens de l'article 2, alinéa 1er, 6°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale.]1
Afdeling 5. [1 Het eDossier-platform]1
Section 5. [1 La plateforme eDossier]1
Art. 100/12. [1 Oprichting van het eDossier-platform
§ 1. Er wordt een eDossier-platform opgericht.
§ 2. Het eDossier-platform heeft als doel om, door een onderlinge elektronische dienstverlening en informatie-uitwisseling tussen de in paragraaf 3 bedoelde actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude, georganiseerd met de nodige waarborgen op het vlak van de informatieveiligheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de handhaving van de sociale wetgeving te optimaliseren.
De elektronische dienstverlening en informatie-uitwisseling heeft betrekking op de respectievelijke stappen die de in § 3 bedoelde actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude nemen in het kader van de uitoefening van hun wettelijke bevoegdheid inzake:
- het opstellen van een epv;
- de afhandeling hiervan via de vervolging vanwege het openbaar ministerie, de administratieve vervolging of de vervolging met het oog op het opleggen van een administratieve sanctie;
- de uitvoering van de opgelegde strafsancties, administratieve geldboeten of administratieve sancties.
Het eDossier-platform maakt het voor de in § 3 bedoelde actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude mogelijk om:
- de gestructureerde gegevens van het eDossier te raadplegen en zodoende op de hoogte te zijn van het gevolg dat aan een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk werd gegeven, of, indien het eDossier nog in behandeling is, de status van het eDossier te kennen;
- documenten die betrekking hebben op het gevolg dat aan een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk wordt gegeven mee te delen aan een andere actor;
- diezelfde documenten te raadplegen; deze documenten worden via het eDossier-platform ter beschikking gesteld door de actor van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude die de authentieke bron is van dit document;
- statistieken op te maken die betrekking hebben op de ganse keten van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude voor intern en extern gebruik;
- een gemeenschappelijk kennisbeheer uit te bouwen.
§ 3. Het eDossier-platform wordt beperkt tot de elektronische dienstverlening en informatie-uitwisseling tussen de sociale inspectiediensten, de bevoegde administratie en het openbaar ministerie met betrekking tot de epv's opgesteld door de sociale inspectiediensten en de in artikel 65 bedoelde processen-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk. Aan de Directie van het epv en van het eDossier en aan de Sociale inlichtingen- en Opsporingsdienst wordt een toegangsrecht toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 100/12/7, § § 2 en 3.]1
§ 1. Er wordt een eDossier-platform opgericht.
§ 2. Het eDossier-platform heeft als doel om, door een onderlinge elektronische dienstverlening en informatie-uitwisseling tussen de in paragraaf 3 bedoelde actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude, georganiseerd met de nodige waarborgen op het vlak van de informatieveiligheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de handhaving van de sociale wetgeving te optimaliseren.
De elektronische dienstverlening en informatie-uitwisseling heeft betrekking op de respectievelijke stappen die de in § 3 bedoelde actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude nemen in het kader van de uitoefening van hun wettelijke bevoegdheid inzake:
- het opstellen van een epv;
- de afhandeling hiervan via de vervolging vanwege het openbaar ministerie, de administratieve vervolging of de vervolging met het oog op het opleggen van een administratieve sanctie;
- de uitvoering van de opgelegde strafsancties, administratieve geldboeten of administratieve sancties.
Het eDossier-platform maakt het voor de in § 3 bedoelde actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude mogelijk om:
- de gestructureerde gegevens van het eDossier te raadplegen en zodoende op de hoogte te zijn van het gevolg dat aan een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk werd gegeven, of, indien het eDossier nog in behandeling is, de status van het eDossier te kennen;
- documenten die betrekking hebben op het gevolg dat aan een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk wordt gegeven mee te delen aan een andere actor;
- diezelfde documenten te raadplegen; deze documenten worden via het eDossier-platform ter beschikking gesteld door de actor van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude die de authentieke bron is van dit document;
- statistieken op te maken die betrekking hebben op de ganse keten van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude voor intern en extern gebruik;
- een gemeenschappelijk kennisbeheer uit te bouwen.
§ 3. Het eDossier-platform wordt beperkt tot de elektronische dienstverlening en informatie-uitwisseling tussen de sociale inspectiediensten, de bevoegde administratie en het openbaar ministerie met betrekking tot de epv's opgesteld door de sociale inspectiediensten en de in artikel 65 bedoelde processen-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk. Aan de Directie van het epv en van het eDossier en aan de Sociale inlichtingen- en Opsporingsdienst wordt een toegangsrecht toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 100/12/7, § § 2 en 3.]1
Art. 100/12. [1 La création de la plateforme eDossier
§ 1er. Une plateforme eDossier est créée.
§ 2. La plateforme eDossier poursuit pour objectif la fourniture mutuelle de services électroniques et l'échange d'informations entre les acteurs visés au paragraphe 3 de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale, organisée avec les garanties nécessaires en matière de sécurité de l'information et de protection de la vie privée, afin d'optimiser l'application de la législation sociale.
Cette fourniture de service électronique et cet échange d'informations concernent les mesures respectives prises par les acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale visés au § 3 dans l'exercice de leurs compétences légales relatives:
- à l'établissement d'un epv;
- à son traitement via des poursuites par le ministère public, la poursuite administrative ou la poursuite en vue de l'imposition d'une sanction administrative;
- à l'exécution des sanctions pénales infligées, des amendes administratives ou des sanctions administratives.
La plateforme eDossier permet aux acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale:
- de consulter les données structurées de l'eDossier et ainsi d'être informés des suites données à un procès-verbal de constatation d'infraction, ou, si l'eDossier est toujours en cours de traitement, de connaître le statut de l'eDossier;
- de communiquer les documents relatifs aux suites données à un procès-verbal de constatation d'infraction à un autre acteur;
- de consulter ces mêmes documents; ces documents sont mis à disposition via la plateforme eDossier par l'acteur de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale, qui est la source authentique de ce document;
- d'établir des statistiques couvrant toute la chaîne de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale pour usage interne et externe;
- de développer une gestion commune des connaissances.
§ 3. La plateforme eDossier est limitée à la fourniture de services électroniques et à l'échange d'informations entre les services d'inspection sociale, l'administration compétente et le ministère public concernant les epv dressés par les services d'inspection sociale et les procès-verbaux constatant une infraction de la police visés à l'article 65. La Direction de l'epv et de l'eDossier et le Service d'Information et de Recherche sociale bénéficient d'un droit d'accès conformément aux dispositions de l'article 100/12/7, § § 2 et 3.]1
§ 1er. Une plateforme eDossier est créée.
§ 2. La plateforme eDossier poursuit pour objectif la fourniture mutuelle de services électroniques et l'échange d'informations entre les acteurs visés au paragraphe 3 de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale, organisée avec les garanties nécessaires en matière de sécurité de l'information et de protection de la vie privée, afin d'optimiser l'application de la législation sociale.
Cette fourniture de service électronique et cet échange d'informations concernent les mesures respectives prises par les acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale visés au § 3 dans l'exercice de leurs compétences légales relatives:
- à l'établissement d'un epv;
- à son traitement via des poursuites par le ministère public, la poursuite administrative ou la poursuite en vue de l'imposition d'une sanction administrative;
- à l'exécution des sanctions pénales infligées, des amendes administratives ou des sanctions administratives.
La plateforme eDossier permet aux acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale:
- de consulter les données structurées de l'eDossier et ainsi d'être informés des suites données à un procès-verbal de constatation d'infraction, ou, si l'eDossier est toujours en cours de traitement, de connaître le statut de l'eDossier;
- de communiquer les documents relatifs aux suites données à un procès-verbal de constatation d'infraction à un autre acteur;
- de consulter ces mêmes documents; ces documents sont mis à disposition via la plateforme eDossier par l'acteur de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale, qui est la source authentique de ce document;
- d'établir des statistiques couvrant toute la chaîne de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale pour usage interne et externe;
- de développer une gestion commune des connaissances.
§ 3. La plateforme eDossier est limitée à la fourniture de services électroniques et à l'échange d'informations entre les services d'inspection sociale, l'administration compétente et le ministère public concernant les epv dressés par les services d'inspection sociale et les procès-verbaux constatant une infraction de la police visés à l'article 65. La Direction de l'epv et de l'eDossier et le Service d'Information et de Recherche sociale bénéficient d'un droit d'accès conformément aux dispositions de l'article 100/12/7, § § 2 et 3.]1
Wijzigingen
Art. 100/12/1. [1 De gestructureerde gegevens die bijgehouden worden in het eDossier-platform
Via het e-Dossierplatform wordt het eDossier ter beschikking gesteld met de volgende gestructureerde gegevens:
1° wat het eDossier betreft:
a) het nummer van het eDossier;
b) de status van het eDossier;
2° wat het epv en het in artikel 65 bedoelde proces-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk betreft:
a) het nummer van het proces-verbaal;
b) de datum van opstelling van het proces-verbaal;
c) de dienst waartoe de verbaliserende (politie)ambtenaar behoort en de identiteit van de verbaliserende (politie)ambtenaar;
d) in voorkomend geval, het onderzoeksnummer;
e) de naam, voornaam en hoofdverblijfplaats of de rechtsvorm, maatschappelijke naam en maatschappelijke zetel, het KBO-nummer en/of het rijksregisternummer en, bij gebreke hieraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van iedere persoon die ervan verdacht wordt (mede)dader te zijn van een inbreuk alsmede de NACE-code van de economische sector(en) waaronder deze persoon valt;
f) de naam, voornaam, hoofdverblijfplaats of de rechtsvorm, maatschappelijke naam en maatschappelijke zetel, het KBO-nummer en/of het rijksregisternummer en, bij gebreke hieraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van iedere persoon die burgerrechtelijk aansprakelijk geacht wordt voor een inbreuk alsmede de NACE-code van de economische sector(en) waaronder deze persoon valt;
g) in voorkomend geval, de naam, voornaam, hoofdverblijfplaats en nationaliteit en het rijksregisternummer en, bij gebreke hieraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van iedere werknemer of persoon die betrokken is of geacht wordt betrokken te zijn bij een inbreuk;
h) de kwalificatie van de vastgestelde inbreuk(en);
i) de datum en de plaats waarop de inbreuk(en) werd(en) gepleegd;
j) de afdeling van het openbaar ministerie waaraan het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk wordt overgemaakt door de verbalisant;
k) de bevoegde administratie waaraan een exemplaar van het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk wordt bezorgd door de verbalisant;
3° wat het eBericht betreft:
a) de afdeling van het openbaar ministerie die het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk behandelt, de interne referentie van deze afdeling en de datum waarop de behandeling van het proces-verbaal wordt aangevat;
b) de beslissing van deze afdeling van het openbaar ministerie met betrekking tot het gevolg dat aan dit proces-verbaal gegeven wordt en de datum waarop deze beslissing genomen wordt;
c) het aantal bijlagen bij de in b) bedoelde beslissing;
4° wat de eBeslissing betreft:
a) de bevoegde administratie, de interne referentie van deze administratie en de datum waarop de behandeling van het proces-verbaal wordt aangevat;
b) de datum of data waarop de overtreder door de bevoegde administratie verzocht wordt om zijn verweermiddelen in te dienen en, in voorkomend geval, de datum of data waarop de verweermiddelen worden in gediend;
c) de beslissing van de bevoegde administratie met betrekking tot het gevolg dat aan dit proces-verbaal gegeven wordt, de datum waarop deze beslissing genomen wordt en de datum van de kennisgeving van deze beslissing aan de overtreder;
d) indien er een administratieve geldboete wordt opgelegd, de door de bevoegde administratie opgelegde en ontvangen bedragen en de datum van ontvangst;
e) indien er beroep wordt aangetekend tegen de in c)bedoelde beslissing, de datum waarop het beroep wordt aangetekend, de datum van het vonnis en/of het arrest dat geveld wordt naar aanleiding van dit beroep, het resultaat van het beroep en de datum waarop de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.]1
Via het e-Dossierplatform wordt het eDossier ter beschikking gesteld met de volgende gestructureerde gegevens:
1° wat het eDossier betreft:
a) het nummer van het eDossier;
b) de status van het eDossier;
2° wat het epv en het in artikel 65 bedoelde proces-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk betreft:
a) het nummer van het proces-verbaal;
b) de datum van opstelling van het proces-verbaal;
c) de dienst waartoe de verbaliserende (politie)ambtenaar behoort en de identiteit van de verbaliserende (politie)ambtenaar;
d) in voorkomend geval, het onderzoeksnummer;
e) de naam, voornaam en hoofdverblijfplaats of de rechtsvorm, maatschappelijke naam en maatschappelijke zetel, het KBO-nummer en/of het rijksregisternummer en, bij gebreke hieraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van iedere persoon die ervan verdacht wordt (mede)dader te zijn van een inbreuk alsmede de NACE-code van de economische sector(en) waaronder deze persoon valt;
f) de naam, voornaam, hoofdverblijfplaats of de rechtsvorm, maatschappelijke naam en maatschappelijke zetel, het KBO-nummer en/of het rijksregisternummer en, bij gebreke hieraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van iedere persoon die burgerrechtelijk aansprakelijk geacht wordt voor een inbreuk alsmede de NACE-code van de economische sector(en) waaronder deze persoon valt;
g) in voorkomend geval, de naam, voornaam, hoofdverblijfplaats en nationaliteit en het rijksregisternummer en, bij gebreke hieraan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of een ander identificatienummer van iedere werknemer of persoon die betrokken is of geacht wordt betrokken te zijn bij een inbreuk;
h) de kwalificatie van de vastgestelde inbreuk(en);
i) de datum en de plaats waarop de inbreuk(en) werd(en) gepleegd;
j) de afdeling van het openbaar ministerie waaraan het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk wordt overgemaakt door de verbalisant;
k) de bevoegde administratie waaraan een exemplaar van het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk wordt bezorgd door de verbalisant;
3° wat het eBericht betreft:
a) de afdeling van het openbaar ministerie die het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk behandelt, de interne referentie van deze afdeling en de datum waarop de behandeling van het proces-verbaal wordt aangevat;
b) de beslissing van deze afdeling van het openbaar ministerie met betrekking tot het gevolg dat aan dit proces-verbaal gegeven wordt en de datum waarop deze beslissing genomen wordt;
c) het aantal bijlagen bij de in b) bedoelde beslissing;
4° wat de eBeslissing betreft:
a) de bevoegde administratie, de interne referentie van deze administratie en de datum waarop de behandeling van het proces-verbaal wordt aangevat;
b) de datum of data waarop de overtreder door de bevoegde administratie verzocht wordt om zijn verweermiddelen in te dienen en, in voorkomend geval, de datum of data waarop de verweermiddelen worden in gediend;
c) de beslissing van de bevoegde administratie met betrekking tot het gevolg dat aan dit proces-verbaal gegeven wordt, de datum waarop deze beslissing genomen wordt en de datum van de kennisgeving van deze beslissing aan de overtreder;
d) indien er een administratieve geldboete wordt opgelegd, de door de bevoegde administratie opgelegde en ontvangen bedragen en de datum van ontvangst;
e) indien er beroep wordt aangetekend tegen de in c)bedoelde beslissing, de datum waarop het beroep wordt aangetekend, de datum van het vonnis en/of het arrest dat geveld wordt naar aanleiding van dit beroep, het resultaat van het beroep en de datum waarop de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.]1
Art. 100/12/1. [1 Les données structurées conservées dans la plateforme eDossier
L'eDossier est mis à disposition via la plateforme eDossier contenant les données structurées suivantes:
1° en ce qui concerne l'eDossier:
a) le numéro de l'eDossier;
b) le statut de l'eDossier;
2° en ce qui concerne l'epv et le procès-verbal constatant une infraction de la police visé à l'article 65:
a) le numéro du procès-verbal;
b) la date d'établissement du procès-verbal;
c) le service auquel le fonctionnaire verbalisant (de la police) appartient et l'identité du fonctionnaire (de la police) verbalisant;
d) le cas échéant, le numéro de l'instruction;
e) le nom, le prénom, la résidence principale ou la forme juridique, la dénomination sociale et le siège social, le numéro BCE et/ou le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale ou un autre numéro d'identification de toute personne qui est suspectée d'être (co)auteur d'une infraction ainsi que le code NACE du (des) secteur(s) économique(s) dont cette personne relève;
f) le nom, le prénom, la résidence principale ou la forme juridique, la dénomination sociale et le siège social, le numéro BCE et/ou le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale ou un autre numéro d'identification de toute personne qui est considérée comme civilement responsable d'une infraction ainsi que le code NACE du(des) secteur(s) économique(s) dont cette personne relève;
g) le cas échéant, le nom, le prénom, la résidence principale et la nationalité et le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale ou un autre numéro d'identification de tout travailleur ou de toute personne qui est ou pourrait être concernée par une infraction;
h) la qualification de l'/des infraction(s) constatée(s);
i) la date et le lieu de commission de l'/des infraction(s);
j) la division du ministère public à laquelle le procès-verbal de constatation d'infraction a été communiqué par le verbalisant;
k) l'administration compétente à laquelle un exemplaire du procès-verbal de constatation d'une infraction a été communiqué;
3° en ce qui concerne l'eAvis:
a) la division du ministère public qui traite le procès-verbal de constatation d'une infraction, les références internes de cette division et la date à laquelle le traitement du procès-verbal a commencé;
b) la décision de la division du ministère public relative aux suites données au procès-verbal de constatation d'une infraction et la date à laquelle cette décision a été prise;
c) le nombre d'annexes de la décision visée au b);
4° en ce qui concerne l'eDécision:
a) l'administration compétente, les références internes de cette administration et la date à laquelle le traitement du procès-verbal a commencé;
b) la date à laquelle ou les dates auxquelles le contrevenant a été invité par l'administration compétente à présenter des moyens de défense et le cas échéant, la date à laquelle ou les dates auxquelles les moyens de défense ont été soumis;
c) la décision de l'administration compétente relative aux suites données au procès-verbal de constatation d'une infraction, la date à laquelle cette décision a été prise et la date de notification de la décision au contrevenant;
d) si une amende administrative est infligée, les montants infligés et reçus par l'administration compétente et la date de réception;
e) si un recours est introduit contre la décision visée au c), la date à laquelle le recours a été introduit, la date du jugement et/ou de l'arrêt qui a été rendu à l'occasion de ce recours, le résultat de ce recours et la date à laquelle la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.]1
L'eDossier est mis à disposition via la plateforme eDossier contenant les données structurées suivantes:
1° en ce qui concerne l'eDossier:
a) le numéro de l'eDossier;
b) le statut de l'eDossier;
2° en ce qui concerne l'epv et le procès-verbal constatant une infraction de la police visé à l'article 65:
a) le numéro du procès-verbal;
b) la date d'établissement du procès-verbal;
c) le service auquel le fonctionnaire verbalisant (de la police) appartient et l'identité du fonctionnaire (de la police) verbalisant;
d) le cas échéant, le numéro de l'instruction;
e) le nom, le prénom, la résidence principale ou la forme juridique, la dénomination sociale et le siège social, le numéro BCE et/ou le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale ou un autre numéro d'identification de toute personne qui est suspectée d'être (co)auteur d'une infraction ainsi que le code NACE du (des) secteur(s) économique(s) dont cette personne relève;
f) le nom, le prénom, la résidence principale ou la forme juridique, la dénomination sociale et le siège social, le numéro BCE et/ou le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale ou un autre numéro d'identification de toute personne qui est considérée comme civilement responsable d'une infraction ainsi que le code NACE du(des) secteur(s) économique(s) dont cette personne relève;
g) le cas échéant, le nom, le prénom, la résidence principale et la nationalité et le numéro de Registre national et, à défaut, le numéro d'identification à la Banque Carrefour de la sécurité sociale ou un autre numéro d'identification de tout travailleur ou de toute personne qui est ou pourrait être concernée par une infraction;
h) la qualification de l'/des infraction(s) constatée(s);
i) la date et le lieu de commission de l'/des infraction(s);
j) la division du ministère public à laquelle le procès-verbal de constatation d'infraction a été communiqué par le verbalisant;
k) l'administration compétente à laquelle un exemplaire du procès-verbal de constatation d'une infraction a été communiqué;
3° en ce qui concerne l'eAvis:
a) la division du ministère public qui traite le procès-verbal de constatation d'une infraction, les références internes de cette division et la date à laquelle le traitement du procès-verbal a commencé;
b) la décision de la division du ministère public relative aux suites données au procès-verbal de constatation d'une infraction et la date à laquelle cette décision a été prise;
c) le nombre d'annexes de la décision visée au b);
4° en ce qui concerne l'eDécision:
a) l'administration compétente, les références internes de cette administration et la date à laquelle le traitement du procès-verbal a commencé;
b) la date à laquelle ou les dates auxquelles le contrevenant a été invité par l'administration compétente à présenter des moyens de défense et le cas échéant, la date à laquelle ou les dates auxquelles les moyens de défense ont été soumis;
c) la décision de l'administration compétente relative aux suites données au procès-verbal de constatation d'une infraction, la date à laquelle cette décision a été prise et la date de notification de la décision au contrevenant;
d) si une amende administrative est infligée, les montants infligés et reçus par l'administration compétente et la date de réception;
e) si un recours est introduit contre la décision visée au c), la date à laquelle le recours a été introduit, la date du jugement et/ou de l'arrêt qui a été rendu à l'occasion de ce recours, le résultat de ce recours et la date à laquelle la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.]1
Art. 100/12/2. [1 De documenten die ter beschikking gesteld worden via het eDossier-platform
Via het eDossier-platform worden volgende documenten ter beschikking gesteld:
1° wat het epv betreft: het epv en zijn bijlagen;
2° wat het in artikel 65 bedoelde proces-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk betreft: het proces-verbaal en zijn bijlagen;
3° wat het e-Bericht betreft: het eBericht en het in artikel 73 bedoelde aanvullend onderzoek; het aanvullend onderzoek wordt slechts ter beschikking gesteld indien en nadat er beslist wordt om af te zien van strafvervolging;
4° wat de eBeslissing betreft: de uitnodiging tot het indienen van de verweermiddelen, de ingediende verweermiddelen, de overige stukken waarop de beslissing steunt en de beslissing van de bevoegde administratie met betrekking tot het gevolg dat aan het proces-verbaal gegeven wordt en haar bijlagen.]1
Via het eDossier-platform worden volgende documenten ter beschikking gesteld:
1° wat het epv betreft: het epv en zijn bijlagen;
2° wat het in artikel 65 bedoelde proces-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk betreft: het proces-verbaal en zijn bijlagen;
3° wat het e-Bericht betreft: het eBericht en het in artikel 73 bedoelde aanvullend onderzoek; het aanvullend onderzoek wordt slechts ter beschikking gesteld indien en nadat er beslist wordt om af te zien van strafvervolging;
4° wat de eBeslissing betreft: de uitnodiging tot het indienen van de verweermiddelen, de ingediende verweermiddelen, de overige stukken waarop de beslissing steunt en de beslissing van de bevoegde administratie met betrekking tot het gevolg dat aan het proces-verbaal gegeven wordt en haar bijlagen.]1
Art. 100/12/2. [1 Les documents mis à disposition via la plateforme eDossier
Via la plateforme eDossier, les documents suivants sont mis à disposition:
1° en ce qui concerne l'epv: l'epv et ses annexes;
2° en ce qui concerne le procès-verbal de constatation d'une infraction de la police visé à l'article 65: le procès-verbal et ses annexes;
3° en ce qui concerne l'eAvis: l'eAvis et l'enquête complémentaire visée à l'article 73; l'enquête complémentaire est uniquement mise à disposition si et après qu'il ait été décidé de renoncer aux poursuites pénales;
4° en ce qui concerne l'eDécision: l'invitation à présenter les moyens de défense, les moyens de défense introduits, les autres pièces sur lesquelles se fonde la décision et la décision de l'administration compétente concernant la suite donnée au procès-verbal et ses annexes.]1
Via la plateforme eDossier, les documents suivants sont mis à disposition:
1° en ce qui concerne l'epv: l'epv et ses annexes;
2° en ce qui concerne le procès-verbal de constatation d'une infraction de la police visé à l'article 65: le procès-verbal et ses annexes;
3° en ce qui concerne l'eAvis: l'eAvis et l'enquête complémentaire visée à l'article 73; l'enquête complémentaire est uniquement mise à disposition si et après qu'il ait été décidé de renoncer aux poursuites pénales;
4° en ce qui concerne l'eDécision: l'invitation à présenter les moyens de défense, les moyens de défense introduits, les autres pièces sur lesquelles se fonde la décision et la décision de l'administration compétente concernant la suite donnée au procès-verbal et ses annexes.]1
Art. 100/12/3. [1 Verwerking van persoonsgegevens in het eDossier-platform
§ 1. Iedere sociale inspectiedienst is verwerkingsverantwoordelijke wat betreft de epv's die hij opstelt en de bijlagen ervan, en die ter beschikking gesteld worden in het eDossier-platform.
Het openbaar ministerie is verwerkingsverantwoordelijke wat betreft de eBerichten en de aanvullende onderzoeken die ter beschikking gesteld worden in het eDossier- platform. Het openbaar ministerie is eveneens verwerkingsverantwoordelijke wat betreft de bewerking die bestaat uit de terbeschikkingstelling van de in artikel 65 bedoelde processen-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk en hun bijlagen in het eDossier-platform.
De bevoegde administratie is verwerkingsverantwoordelijke wat betreft de uitnodiging tot het indienen van de verweermiddelen, de ingediende verweermiddelen, de overige stukken waarop de eBeslissing steunt alsmede de eBeslissing en haar bijlagen die ter beschikking gesteld worden in het eDossier-platform.
Iedere entiteit die toegang heeft tot het eDossier-platform is verantwoordelijk voor de verwerkingen die zij uitvoert via en in dit platform.
Alle entiteiten die toegang hebben tot het eDossier-platform en het Beheerscomité van het eDossier- platform zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens die opgenomen zijn in het eDossier-platform.
§ 2. De elektronische dienstverlening en informatie-uitwisseling betreffen gegevens aangaande de in artikel 100/6, zesde lid, 1°, 2° en 3°, bedoelde personen.
De verwerking van de in het eDossier- platform opgenomen gegevens beoogt volgende doeleinden:
1° het verzamelen van informatie die noodzakelijk is om de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude in staat te stellen op een adequate wijze de illegale arbeid en de sociale fraude te bestrijden;
2° het verzamelen van informatie die noodzakelijk is om de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude in staat te stellen hun wettelijke opdrachten uit te oefenen;
3° het opmaken van interne en externe statistieken.]1
§ 1. Iedere sociale inspectiedienst is verwerkingsverantwoordelijke wat betreft de epv's die hij opstelt en de bijlagen ervan, en die ter beschikking gesteld worden in het eDossier-platform.
Het openbaar ministerie is verwerkingsverantwoordelijke wat betreft de eBerichten en de aanvullende onderzoeken die ter beschikking gesteld worden in het eDossier- platform. Het openbaar ministerie is eveneens verwerkingsverantwoordelijke wat betreft de bewerking die bestaat uit de terbeschikkingstelling van de in artikel 65 bedoelde processen-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk en hun bijlagen in het eDossier-platform.
De bevoegde administratie is verwerkingsverantwoordelijke wat betreft de uitnodiging tot het indienen van de verweermiddelen, de ingediende verweermiddelen, de overige stukken waarop de eBeslissing steunt alsmede de eBeslissing en haar bijlagen die ter beschikking gesteld worden in het eDossier-platform.
Iedere entiteit die toegang heeft tot het eDossier-platform is verantwoordelijk voor de verwerkingen die zij uitvoert via en in dit platform.
Alle entiteiten die toegang hebben tot het eDossier-platform en het Beheerscomité van het eDossier- platform zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens die opgenomen zijn in het eDossier-platform.
§ 2. De elektronische dienstverlening en informatie-uitwisseling betreffen gegevens aangaande de in artikel 100/6, zesde lid, 1°, 2° en 3°, bedoelde personen.
De verwerking van de in het eDossier- platform opgenomen gegevens beoogt volgende doeleinden:
1° het verzamelen van informatie die noodzakelijk is om de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude in staat te stellen op een adequate wijze de illegale arbeid en de sociale fraude te bestrijden;
2° het verzamelen van informatie die noodzakelijk is om de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude in staat te stellen hun wettelijke opdrachten uit te oefenen;
3° het opmaken van interne en externe statistieken.]1
Art. 100/12/3. [1 Le traitement des données à caractère personnel dans la plateforme eDossier
§ 1er. Chaque service d'inspection sociale est responsable du traitement en ce qui concerne les epv qu'il établit et leurs annexes, et qui sont mis à disposition dans la plateforme eDossier.
Le ministère public est responsable du traitement en ce qui concerne les eAvis et les enquêtes complémentaires qui sont mis à disposition dans la plateforme eDossier. Le ministère public est également responsable du traitement en ce qui concerne l'opération consistant à mettre les procès-verbaux de constatation d'une infraction de la police visés à l'article 65 et leurs annexes à disposition dans la plateforme eDossier.
L'administration compétente est responsable de traitement en ce qui concerne l'invitation à présenter les moyens de défense, les moyens de défense introduits, les autres pièces sur lesquelles se fonde l'eDécision ainsi que cette eDécision et ses annexes qui sont mis à disposition dans la plateforme eDossier.
Chaque entité ayant accès à la plateforme eDossier est responsable des traitements qu'elle effectue dans le cadre de ses missions via et dans cette plateforme.
Toutes les entités ayant accès à la plateforme eDossier et le Comité de gestion de la plateforme eDossier sont responsables conjoints du traitement des données contenues dans la plateforme eDossier.
§ 2. La fourniture de services électroniques et l'échange d'informations concernent les données relatives aux personnes visées à l'article 100/6, alinéa 6, 1°, 2° et 3°.
Le traitement des données reprises dans la plateforme e-Dossier vise à atteindre les objectifs suivants:
1° la collecte d'informations qui sont nécessaires afin de permettre aux acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale de lutter contre le travail illégal et la fraude sociale de manière adéquate;
2° la collecte d'informations qui sont nécessaires afin de permettre aux acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale d'exercer leurs missions légales;
3° l'établissement de statistiques internes et externes.]1
§ 1er. Chaque service d'inspection sociale est responsable du traitement en ce qui concerne les epv qu'il établit et leurs annexes, et qui sont mis à disposition dans la plateforme eDossier.
Le ministère public est responsable du traitement en ce qui concerne les eAvis et les enquêtes complémentaires qui sont mis à disposition dans la plateforme eDossier. Le ministère public est également responsable du traitement en ce qui concerne l'opération consistant à mettre les procès-verbaux de constatation d'une infraction de la police visés à l'article 65 et leurs annexes à disposition dans la plateforme eDossier.
L'administration compétente est responsable de traitement en ce qui concerne l'invitation à présenter les moyens de défense, les moyens de défense introduits, les autres pièces sur lesquelles se fonde l'eDécision ainsi que cette eDécision et ses annexes qui sont mis à disposition dans la plateforme eDossier.
Chaque entité ayant accès à la plateforme eDossier est responsable des traitements qu'elle effectue dans le cadre de ses missions via et dans cette plateforme.
Toutes les entités ayant accès à la plateforme eDossier et le Comité de gestion de la plateforme eDossier sont responsables conjoints du traitement des données contenues dans la plateforme eDossier.
§ 2. La fourniture de services électroniques et l'échange d'informations concernent les données relatives aux personnes visées à l'article 100/6, alinéa 6, 1°, 2° et 3°.
Le traitement des données reprises dans la plateforme e-Dossier vise à atteindre les objectifs suivants:
1° la collecte d'informations qui sont nécessaires afin de permettre aux acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale de lutter contre le travail illégal et la fraude sociale de manière adéquate;
2° la collecte d'informations qui sont nécessaires afin de permettre aux acteurs de la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale d'exercer leurs missions légales;
3° l'établissement de statistiques internes et externes.]1
Art. 100/12/4. [1 Financiering van het eDossier-platform
De kredieten die vereist zijn voor de oprichting en de werking van het eDossier-platform worden ingeschreven op de begroting van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.]1
De kredieten die vereist zijn voor de oprichting en de werking van het eDossier-platform worden ingeschreven op de begroting van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.]1
Art. 100/12/4. [1 Le financement de la plateforme eDossier
Les crédits qui sont requis pour la création et le fonctionnement de la plateforme eDossier sont inscrits au budget du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.]1
Les crédits qui sont requis pour la création et le fonctionnement de la plateforme eDossier sont inscrits au budget du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.]1
Art. 100/12/5. [1 Beheerscomité van het eDossier-platform
§ 1. Er wordt een Beheerscomité opgericht voor het eDossier-platform.
Het Beheerscomité is samengesteld uit:
1° de coördinator van de Directie van het epv en het eDossier, die het voorzitterschap van het comité waarneemt;
2° de leidend ambtenaren van de in artikel 100/2 bedoelde sociale inspectiediensten;
3° de directeur van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst;
4° de procureur-generaal aangewezen door het College van procureurs-generaal;
5° een leidend ambtenaar van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
6° een leidend ambtenaar van de bevoegde administratie.
Het Beheerscomité is gevestigd op het adres van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
Het Beheerscomité vergadert minstens tweemaal per jaar.
Het secretariaat wordt waargenomen door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
§ 2. Het Beheerscomité beschikt over de volgende bevoegdheden:
1° het eDossier-platform beheren;
2° elk initiatief nemen dat kan bijdragen tot de doeltreffendheid van de werking van het eDossier-platform;
3° elk initiatief nemen tot aanpassing van het eDossier-platform aan de wijzigingen op wetgevend, regelgevend en technologisch vlak;
4° de bevoegde ministers in kennis stellen van de middelen die vereist zijn voor de goede werking van het eDossier-platform;
5° jaarlijks aan de bevoegde ministers de budgettaire ramingen meedelen met betrekking tot de kostprijs voor de werking en het onderhoud van het eDossier-platform, daarin begrepen de kostprijs van de archivering van de in het systeem opgeslagen gegevens;
6° akkoorden sluiten met betrekking tot de diensten die vereist zijn voor het beheer van het eDossier-platform;
7° de verantwoordelijken voor de verwerking van de gegevens van het eDossier-platform bijeenbrengen via hun vertegenwoordigers in het beheerscomité om akkoorden te sluiten met betrekking tot de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de instellingen die deel uitmaken van het Beheerscomité met naleving van de regels inzake de gegevensbescherming;
8° advies verlenen op eigen initiatief of op verzoek van de bevoegde ministers met betrekking tot wetgevende en andere initiatieven die van invloed zijn op de werking van het eDossier-platform;
9° een huishoudelijk reglement opstellen waarbij onder meer de regels worden vastgesteld voor de vervanging van de leden.]1
§ 1. Er wordt een Beheerscomité opgericht voor het eDossier-platform.
Het Beheerscomité is samengesteld uit:
1° de coördinator van de Directie van het epv en het eDossier, die het voorzitterschap van het comité waarneemt;
2° de leidend ambtenaren van de in artikel 100/2 bedoelde sociale inspectiediensten;
3° de directeur van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst;
4° de procureur-generaal aangewezen door het College van procureurs-generaal;
5° een leidend ambtenaar van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
6° een leidend ambtenaar van de bevoegde administratie.
Het Beheerscomité is gevestigd op het adres van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
Het Beheerscomité vergadert minstens tweemaal per jaar.
Het secretariaat wordt waargenomen door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
§ 2. Het Beheerscomité beschikt over de volgende bevoegdheden:
1° het eDossier-platform beheren;
2° elk initiatief nemen dat kan bijdragen tot de doeltreffendheid van de werking van het eDossier-platform;
3° elk initiatief nemen tot aanpassing van het eDossier-platform aan de wijzigingen op wetgevend, regelgevend en technologisch vlak;
4° de bevoegde ministers in kennis stellen van de middelen die vereist zijn voor de goede werking van het eDossier-platform;
5° jaarlijks aan de bevoegde ministers de budgettaire ramingen meedelen met betrekking tot de kostprijs voor de werking en het onderhoud van het eDossier-platform, daarin begrepen de kostprijs van de archivering van de in het systeem opgeslagen gegevens;
6° akkoorden sluiten met betrekking tot de diensten die vereist zijn voor het beheer van het eDossier-platform;
7° de verantwoordelijken voor de verwerking van de gegevens van het eDossier-platform bijeenbrengen via hun vertegenwoordigers in het beheerscomité om akkoorden te sluiten met betrekking tot de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de instellingen die deel uitmaken van het Beheerscomité met naleving van de regels inzake de gegevensbescherming;
8° advies verlenen op eigen initiatief of op verzoek van de bevoegde ministers met betrekking tot wetgevende en andere initiatieven die van invloed zijn op de werking van het eDossier-platform;
9° een huishoudelijk reglement opstellen waarbij onder meer de regels worden vastgesteld voor de vervanging van de leden.]1
Art. 100/12/5. [1 Le Comité de gestion de la plateforme eDossier
§ 1er. Un Comité de gestion de la plateforme eDossier est créé.
Le Comité de gestion est composé:
1° du coordinateur de la Direction de l'epv et de l'eDossier, qui assume la présidence du comité;
2° des fonctionnaires dirigeant des services d'inspection sociale visés à l'article 100/2;
3° du directeur du Service d'Information et de Recherche Sociale;
4° du procureur général désigné par le Collège des procureurs généraux;
5° d'un fonctionnaire dirigeant de la Banque-Carrefour de la sécurité sociale;
6° d'un fonctionnaire dirigeant de l'administration compétente.
Le Comité de gestion est établi à l'adresse du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
Le Comité de gestion se réunit au moins deux fois par an.
Le secrétariat est assuré par le Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
§ 2. Le Comité de gestion dispose des compétences suivantes:
1° gérer la plateforme eDossier;
2° prendre toute initiative qui peut contribuer à l'efficacité du fonctionnement de la plateforme eDossier;
3° prendre toute initiative visant à adapter la plateforme eDossier aux modifications sur le plan législatif, réglementaire et technologique;
4° informer les ministres compétents des moyens qui sont requis pour le bon fonctionnement de la plateforme eDossier;
5° communiquer chaque année aux ministres compétents les estimations budgétaires en ce qui concerne le coût pour le fonctionnement et l'entretien de la plateforme eDossier, y compris le coût de l'archivage des données intégrées dans le système;
6° conclure des accords en ce qui concerne les services requis pour la gestion de la plateforme eDossier;
7° rassembler les responsables de traitement de la plateforme eDossier, par l'intermédiaire de leurs représentants au sein du Comité de gestion afin qu'ils concluent des accords en ce qui concerne la responsabilité conjointe des institutions faisant partie du Comité de gestion en respectant la législation relative à la protection des données;
8° donner des avis d'initiative ou à la demande des ministres compétents en ce qui concerne des initiatives législatives et des autres initiatives qui ont une influence sur le fonctionnement de la plateforme eDossier;
9° établir un règlement d'ordre intérieur dans lequel sont entre autres fixées les règles pour le remplacement des membres.]1
§ 1er. Un Comité de gestion de la plateforme eDossier est créé.
Le Comité de gestion est composé:
1° du coordinateur de la Direction de l'epv et de l'eDossier, qui assume la présidence du comité;
2° des fonctionnaires dirigeant des services d'inspection sociale visés à l'article 100/2;
3° du directeur du Service d'Information et de Recherche Sociale;
4° du procureur général désigné par le Collège des procureurs généraux;
5° d'un fonctionnaire dirigeant de la Banque-Carrefour de la sécurité sociale;
6° d'un fonctionnaire dirigeant de l'administration compétente.
Le Comité de gestion est établi à l'adresse du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
Le Comité de gestion se réunit au moins deux fois par an.
Le secrétariat est assuré par le Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
§ 2. Le Comité de gestion dispose des compétences suivantes:
1° gérer la plateforme eDossier;
2° prendre toute initiative qui peut contribuer à l'efficacité du fonctionnement de la plateforme eDossier;
3° prendre toute initiative visant à adapter la plateforme eDossier aux modifications sur le plan législatif, réglementaire et technologique;
4° informer les ministres compétents des moyens qui sont requis pour le bon fonctionnement de la plateforme eDossier;
5° communiquer chaque année aux ministres compétents les estimations budgétaires en ce qui concerne le coût pour le fonctionnement et l'entretien de la plateforme eDossier, y compris le coût de l'archivage des données intégrées dans le système;
6° conclure des accords en ce qui concerne les services requis pour la gestion de la plateforme eDossier;
7° rassembler les responsables de traitement de la plateforme eDossier, par l'intermédiaire de leurs représentants au sein du Comité de gestion afin qu'ils concluent des accords en ce qui concerne la responsabilité conjointe des institutions faisant partie du Comité de gestion en respectant la législation relative à la protection des données;
8° donner des avis d'initiative ou à la demande des ministres compétents en ce qui concerne des initiatives législatives et des autres initiatives qui ont une influence sur le fonctionnement de la plateforme eDossier;
9° établir un règlement d'ordre intérieur dans lequel sont entre autres fixées les règles pour le remplacement des membres.]1
Art. 100/12/6. [1 Toezicht op de verwerking van de gegevens in het kader van het eDossier-platform
§ 1. De functionarissen voor de gegevensbescherming van de in artikel 100/12/7, § § 2 en 3, bedoelde entiteiten en de door het openbaar ministerie aangewezen persoon, voeren een monitoring uit en volgen de veiligheid op van de verwerking van de gegevens met betrekking tot het eDossier, teneinde de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te garanderen.
§ 2. De in § 1 bedoelde functionarissen voor de gegevensbescherming en de door het openbaar ministerie aangeduide persoon, brengen verslag uit van deze monitoring aan de hoogste leidinggevende van hun entiteit.]1
§ 1. De functionarissen voor de gegevensbescherming van de in artikel 100/12/7, § § 2 en 3, bedoelde entiteiten en de door het openbaar ministerie aangewezen persoon, voeren een monitoring uit en volgen de veiligheid op van de verwerking van de gegevens met betrekking tot het eDossier, teneinde de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te garanderen.
§ 2. De in § 1 bedoelde functionarissen voor de gegevensbescherming en de door het openbaar ministerie aangeduide persoon, brengen verslag uit van deze monitoring aan de hoogste leidinggevende van hun entiteit.]1
Art. 100/12/6. [1 La surveillance du traitement des données dans le cadre de la plateforme eDossier
§ 1er. Les délégués à la protection des données des entités visées à l'article 100/12/7, § § 2 et 3, et la personne désignée par le ministère public, établissent un monitoring et suivent la sécurité du traitement des données relatives à l'eDossier, en vue de garantir la protection de la vie privée.
§ 2. Les délégués à la protection des données et la personne désignée par le ministère public visés dans le § 1er, effectuent un rapportage de cette activité de monitoring au niveau le plus élevé de la direction de leur entité.]1
§ 1er. Les délégués à la protection des données des entités visées à l'article 100/12/7, § § 2 et 3, et la personne désignée par le ministère public, établissent un monitoring et suivent la sécurité du traitement des données relatives à l'eDossier, en vue de garantir la protection de la vie privée.
§ 2. Les délégués à la protection des données et la personne désignée par le ministère public visés dans le § 1er, effectuent un rapportage de cette activité de monitoring au niveau le plus élevé de la direction de leur entité.]1
Art. 100/12/7. [1 Toegang tot de gestructureerde gegevens die bijgehouden worden in het eDossier-platform
§ 1. Het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken en de onderzoeksrechters hebben toegang tot de gestructureerde gegevens bedoeld in artikel 100/12/1, 1°, 2°, wat betreft de in artikel 65 bedoelde processen-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk, 3° en 4°. In afwijking van de bepalingen van artikel 15 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid is deze toegang niet onderworpen aan de beraadslaging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité.
Deze toegang kan enkel uitgeoefend worden voor zover deze noodzakelijk is voor de concrete uitoefening van hun opdracht in het kader van de sociale strafrechtketen van de strijd van illegale arbeid en sociale fraude.
Zij hebben toegang tot de gestructureerde gegevens bedoeld in artikel 100/12/1, 2°, wat betreft het epv, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in artikel 100/10, § 4.
§ 2. Mits machtiging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité hebben de ambtenaren van de bevoegde administratie en van de Directie van het epv en van het eDossier toegang tot de gestructureerde gegevens bedoeld in artikel 100/12/1, 1°, 3° en 4°, voor zover deze toegang noodzakelijk is voor de concrete uitoefening van de wettelijke taken waarmee deze overheidsinstanties belast zijn in het kader van de sociale strafrechtketen van de strijd tegen illegale arbeid en sociale fraude.
Zij hebben toegang tot de gestructureerde gegevens bedoeld in artikel 100/12/1, 2°, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in artikel 100/10, § 3.
Wat de bevoegde administratie betreft, is de in het eerste lid bedoelde machtiging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité niet vereist voor de toegang tot de gestructureerde gegevens met betrekking tot de eBeslissingen die genomen worden door deze administratie.
De in artikel 100/12/1, 3°, bedoelde gestructureerde gegevens worden door het openbaar ministerie ook rechtstreeks overgemaakt aan de bevoegde administratie zodat deze opgeladen kunnen worden in de Ginaa-databank.
§ 3. Mits machtiging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité hebben de in artikel 100/10, § 1, eerste lid, bedoelde categorieën van ambtenaren van de federale sociale inspectiediensten en de ambtenaren van de Sociale inlichtingen- en Opsporingsdienst toegang tot de gestructureerde gegevens bedoeld in artikel 100/12/1, 1°, 3° en 4°, voor zover deze toegang noodzakelijk is voor de concrete uitoefening van de wettelijke taken waarmee deze overheidsinstanties belast zijn in het kader van de sociale strafrechtketen van de strijd tegen illegale arbeid en sociale fraude.
Zij hebben toegang tot de gestructureerde gegevens bedoeld in artikel 100/12/1, 2°, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in artikel 100/10, § § 1, 2 en 6.]1
§ 1. Het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken en de onderzoeksrechters hebben toegang tot de gestructureerde gegevens bedoeld in artikel 100/12/1, 1°, 2°, wat betreft de in artikel 65 bedoelde processen-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk, 3° en 4°. In afwijking van de bepalingen van artikel 15 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid is deze toegang niet onderworpen aan de beraadslaging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité.
Deze toegang kan enkel uitgeoefend worden voor zover deze noodzakelijk is voor de concrete uitoefening van hun opdracht in het kader van de sociale strafrechtketen van de strijd van illegale arbeid en sociale fraude.
Zij hebben toegang tot de gestructureerde gegevens bedoeld in artikel 100/12/1, 2°, wat betreft het epv, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in artikel 100/10, § 4.
§ 2. Mits machtiging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité hebben de ambtenaren van de bevoegde administratie en van de Directie van het epv en van het eDossier toegang tot de gestructureerde gegevens bedoeld in artikel 100/12/1, 1°, 3° en 4°, voor zover deze toegang noodzakelijk is voor de concrete uitoefening van de wettelijke taken waarmee deze overheidsinstanties belast zijn in het kader van de sociale strafrechtketen van de strijd tegen illegale arbeid en sociale fraude.
Zij hebben toegang tot de gestructureerde gegevens bedoeld in artikel 100/12/1, 2°, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in artikel 100/10, § 3.
Wat de bevoegde administratie betreft, is de in het eerste lid bedoelde machtiging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité niet vereist voor de toegang tot de gestructureerde gegevens met betrekking tot de eBeslissingen die genomen worden door deze administratie.
De in artikel 100/12/1, 3°, bedoelde gestructureerde gegevens worden door het openbaar ministerie ook rechtstreeks overgemaakt aan de bevoegde administratie zodat deze opgeladen kunnen worden in de Ginaa-databank.
§ 3. Mits machtiging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité hebben de in artikel 100/10, § 1, eerste lid, bedoelde categorieën van ambtenaren van de federale sociale inspectiediensten en de ambtenaren van de Sociale inlichtingen- en Opsporingsdienst toegang tot de gestructureerde gegevens bedoeld in artikel 100/12/1, 1°, 3° en 4°, voor zover deze toegang noodzakelijk is voor de concrete uitoefening van de wettelijke taken waarmee deze overheidsinstanties belast zijn in het kader van de sociale strafrechtketen van de strijd tegen illegale arbeid en sociale fraude.
Zij hebben toegang tot de gestructureerde gegevens bedoeld in artikel 100/12/1, 2°, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in artikel 100/10, § § 1, 2 en 6.]1
Art. 100/12/7. [1 L'accès aux données structurées qui sont conservées dans la plateforme eDossier
§ 1er. Le ministère public, près les cours et tribunaux et les juges d'instruction ont accès aux données structurées visées à l'article 100/12/1, 1°, 2° en ce qui concerne les procès-verbaux de constatation d'une infraction de la police visés à l'article 65 et 3° à 4°. Par dérogation aux dispositions de l'article 15 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la sécurité sociale, cet accès n'est pas subordonné à la délibération de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information.
Cet accès ne peut être effectué que dans la mesure où il est nécessaire à l'exercice concret de leur mission dans le cadre de la chaîne pénale sociale de lutte contre le travail illégal et la fraude sociale.
Ils ont accès aux données structurées visées à l'article 100/12/1, 2°, concernant l'epv, dans les conditions et selon les modalités visées à l'article 100/10, § 4.
§ 2. Moyennant l'autorisation de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information, les fonctionnaires de l'administration compétente et de la Direction de l'epv et de l'eDossier ont accès aux données structurées visées à l'article 100/12/1, 1°, 3° et 4° pour autant que cet accès est nécessaire à l'exercice concret des missions légales incombant à ces autorités publiques dans le cadre de la chaîne pénale sociale de lutte contre le travail illégal et la fraude sociale.
Ils ont accès aux données structurées visées à l'article 100/12/1, 2°, dans les conditions et selon les modalités visées à l'article 100/10, § 3.
En ce qui concerne l'administration compétente, l'autorisation de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information, visée à l'alinéa 1er, n'est pas requise pour l'accès aux données structurées des eDécisions qui ont été prises par cette administration compétente.
Les données structurées visées à l'article 100/12/1, 3°, sont également transférées directement par le ministère public à l'administration compétente afin qu'elles puissent être chargées dans la base de données Ginaa.
§ 3. Moyennant l'autorisation de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information, les catégories de fonctionnaires des services d'inspection sociale fédéraux visées à l'article 100/10, § 1er, alinéa 1er, et les fonctionnaires du Service d'information et de recherche sociale ont accès aux données structurées visées à l'article 100/12/1, 1°, 3° et 4°, pour autant que cet accès est nécessaire à l'exercice concret des missions légales incombant à ces autorités publiques dans le cadre de la chaîne pénale sociale de lutte contre le travail illégal et la fraude sociale.
Ils ont accès aux données structurées visées à l'article 100/12/1, 2°, dans les conditions et selon les modalités visées à l'article 100/10, § § 1er, 2 et 6.]1
§ 1er. Le ministère public, près les cours et tribunaux et les juges d'instruction ont accès aux données structurées visées à l'article 100/12/1, 1°, 2° en ce qui concerne les procès-verbaux de constatation d'une infraction de la police visés à l'article 65 et 3° à 4°. Par dérogation aux dispositions de l'article 15 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la sécurité sociale, cet accès n'est pas subordonné à la délibération de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information.
Cet accès ne peut être effectué que dans la mesure où il est nécessaire à l'exercice concret de leur mission dans le cadre de la chaîne pénale sociale de lutte contre le travail illégal et la fraude sociale.
Ils ont accès aux données structurées visées à l'article 100/12/1, 2°, concernant l'epv, dans les conditions et selon les modalités visées à l'article 100/10, § 4.
§ 2. Moyennant l'autorisation de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information, les fonctionnaires de l'administration compétente et de la Direction de l'epv et de l'eDossier ont accès aux données structurées visées à l'article 100/12/1, 1°, 3° et 4° pour autant que cet accès est nécessaire à l'exercice concret des missions légales incombant à ces autorités publiques dans le cadre de la chaîne pénale sociale de lutte contre le travail illégal et la fraude sociale.
Ils ont accès aux données structurées visées à l'article 100/12/1, 2°, dans les conditions et selon les modalités visées à l'article 100/10, § 3.
En ce qui concerne l'administration compétente, l'autorisation de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information, visée à l'alinéa 1er, n'est pas requise pour l'accès aux données structurées des eDécisions qui ont été prises par cette administration compétente.
Les données structurées visées à l'article 100/12/1, 3°, sont également transférées directement par le ministère public à l'administration compétente afin qu'elles puissent être chargées dans la base de données Ginaa.
§ 3. Moyennant l'autorisation de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information, les catégories de fonctionnaires des services d'inspection sociale fédéraux visées à l'article 100/10, § 1er, alinéa 1er, et les fonctionnaires du Service d'information et de recherche sociale ont accès aux données structurées visées à l'article 100/12/1, 1°, 3° et 4°, pour autant que cet accès est nécessaire à l'exercice concret des missions légales incombant à ces autorités publiques dans le cadre de la chaîne pénale sociale de lutte contre le travail illégal et la fraude sociale.
Ils ont accès aux données structurées visées à l'article 100/12/1, 2°, dans les conditions et selon les modalités visées à l'article 100/10, § § 1er, 2 et 6.]1
Art. 100/12/8. [1 Toegang tot de documenten die ter beschikking gesteld worden via het eDossier-platform
§ 1. Het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken en de onderzoeksrechters hebben toegang tot de documenten bedoeld in 100/12/2, 2°, 3° en 4°.
Deze toegang kan enkel uitgeoefend worden voor zover deze noodzakelijk is voor de concrete uitoefening van hun opdracht in het kader van de sociale strafrechtketen van de strijd van illegale arbeid en sociale fraude.
Zij hebben toegang tot de documenten bedoeld in artikel 100/12/2, 1°, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in artikel 100/10, § 4.
§ 2. Mits machtiging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité hebben:
1° de ambtenaren van de bevoegde administratie toegang tot de documenten bedoeld in 100/12/2, 2° et 3°;
2° de ambtenaren van de Directie van het epv en van het eDossier toegang tot de documenten bedoeld in 100/12/2, 2°, 3°, met uitzondering van het aanvullend onderzoek, en 4°.
De in het eerste lid bedoelde toegangen kunnen slechts uitgeoefend worden voor zover deze toegangen noodzakelijk zijn voor de concrete uitoefening van de wettelijke taken waarmee deze overheidsinstanties belast zijn in het kader van de sociale strafrechtketen van de strijd tegen illegale arbeid en sociale fraude.
De ambtenaren van de bevoegde administratie en van de Directie van het epv en van het eDossier hebben toegang tot de documenten bedoeld in artikel 100/2/2, 1° onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in artikel 100/10, § 3.
§ 3. Mits machtiging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité hebben de in artikel 100/10, § 1, eerste lid, bedoelde categorieën van ambtenaren van de federale sociale inspectiediensten toegang tot volgende documenten:
- wat het eBericht betreft: het eBericht, voor zover het de voortzetting vormt van een epv dat werd opgesteld door de eigen inspectiedienst of indien de betreffende feiten in het eBericht een impact hebben op een dossier dat deze dienst behandelt; deze toegang is beperkt tot de gegevens die strikt noodzakelijk zijn voor de concrete uitoefening van de controletaken waarmee deze inspectiediensten belast zijn;
- wat de eBeslissing betreft:
- voor zover het gaat om een eBeslissing die de voortzetting vormt van een epv dat werd opgesteld door de eigen inspectiedienst: de uitnodiging tot het indienen van de verweermiddelen, de ingediende verweermiddelen, de overige stukken waarop de beslissing steunt en de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete, tot schuldigverklaring of tot klassering zonder gevolg van de inbreuk en haar bijlagen;
- voor zover het gaat om een eBeslissing waarvoor de betrokken inspectiedienst door de bevoegde administratie werd aangewezen voor het opnemen van de mondelinge verweermiddelen: de uitnodiging tot het indienen van de verweermiddelen.
Deze toegang kan slechts uitgeoefend worden voor zover deze noodzakelijk is voor de concrete uitoefening van de wettelijke taken waarmee deze inspectiediensten belast zijn in het kader van de sociale strafrechtketen van de strijd tegen illegale arbeid en sociale fraude.
Zij hebben toegang tot de documenten bedoeld in artikel 100/12/2, 1°, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in artikel 100/10, § § 1, 2 en 6.]1
§ 1. Het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken en de onderzoeksrechters hebben toegang tot de documenten bedoeld in 100/12/2, 2°, 3° en 4°.
Deze toegang kan enkel uitgeoefend worden voor zover deze noodzakelijk is voor de concrete uitoefening van hun opdracht in het kader van de sociale strafrechtketen van de strijd van illegale arbeid en sociale fraude.
Zij hebben toegang tot de documenten bedoeld in artikel 100/12/2, 1°, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in artikel 100/10, § 4.
§ 2. Mits machtiging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité hebben:
1° de ambtenaren van de bevoegde administratie toegang tot de documenten bedoeld in 100/12/2, 2° et 3°;
2° de ambtenaren van de Directie van het epv en van het eDossier toegang tot de documenten bedoeld in 100/12/2, 2°, 3°, met uitzondering van het aanvullend onderzoek, en 4°.
De in het eerste lid bedoelde toegangen kunnen slechts uitgeoefend worden voor zover deze toegangen noodzakelijk zijn voor de concrete uitoefening van de wettelijke taken waarmee deze overheidsinstanties belast zijn in het kader van de sociale strafrechtketen van de strijd tegen illegale arbeid en sociale fraude.
De ambtenaren van de bevoegde administratie en van de Directie van het epv en van het eDossier hebben toegang tot de documenten bedoeld in artikel 100/2/2, 1° onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in artikel 100/10, § 3.
§ 3. Mits machtiging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité hebben de in artikel 100/10, § 1, eerste lid, bedoelde categorieën van ambtenaren van de federale sociale inspectiediensten toegang tot volgende documenten:
- wat het eBericht betreft: het eBericht, voor zover het de voortzetting vormt van een epv dat werd opgesteld door de eigen inspectiedienst of indien de betreffende feiten in het eBericht een impact hebben op een dossier dat deze dienst behandelt; deze toegang is beperkt tot de gegevens die strikt noodzakelijk zijn voor de concrete uitoefening van de controletaken waarmee deze inspectiediensten belast zijn;
- wat de eBeslissing betreft:
- voor zover het gaat om een eBeslissing die de voortzetting vormt van een epv dat werd opgesteld door de eigen inspectiedienst: de uitnodiging tot het indienen van de verweermiddelen, de ingediende verweermiddelen, de overige stukken waarop de beslissing steunt en de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete, tot schuldigverklaring of tot klassering zonder gevolg van de inbreuk en haar bijlagen;
- voor zover het gaat om een eBeslissing waarvoor de betrokken inspectiedienst door de bevoegde administratie werd aangewezen voor het opnemen van de mondelinge verweermiddelen: de uitnodiging tot het indienen van de verweermiddelen.
Deze toegang kan slechts uitgeoefend worden voor zover deze noodzakelijk is voor de concrete uitoefening van de wettelijke taken waarmee deze inspectiediensten belast zijn in het kader van de sociale strafrechtketen van de strijd tegen illegale arbeid en sociale fraude.
Zij hebben toegang tot de documenten bedoeld in artikel 100/12/2, 1°, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in artikel 100/10, § § 1, 2 en 6.]1
Art. 100/12/8. [1 L'accès aux documents mis à disposition via la plateforme eDossier
§ 1er. Le ministère public, près les cours et tribunaux et les juges d'instruction ont accès aux documents visés à l'article 100/12/2, 2°, 3° et 4°.
Cet accès ne peut être effectué que dans la mesure où il est nécessaire à l'exercice concret de leur mission dans le cadre de la chaîne pénale sociale de lutte contre le travail illégal et la fraude sociale.
Ils ont accès aux documents visés à l'article 100/12/2, 1°, dans les conditions et selon les modalités visées à l'article 100/10, § 4.
§ 2. Moyennant l'autorisation de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information:
1° les fonctionnaires de l'administration compétente ont accès aux documents visés à l'article 100/12/2, 2° et 3;
2° les fonctionnaires de la Direction de l'epv et de l'eDossier ont accès aux documents visés à l'article 100/12/2, 2°, 3°, à l'exception de l'enquête complémentaire, et 4°.
Les accès visés à l'alinéa 1er ne peuvent être effectués que pour autant que ces accès sont nécessaires à l'exercice concret des missions légales incombant à ces autorités publiques dans le cadre de la chaîne pénale sociale de lutte contre le travail illégal et la fraude sociale.
Les fonctionnaires de l'administration compétente et de la Direction de l'epv et de l'eDossier ont accès aux documents visés à l'article 100/12/2, 1°, dans les conditions et selon les modalités visées à l'article 100/10, § 3.
§ 3. Moyennant l'autorisation de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information, les catégories de fonctionnaires des services d'inspection sociale fédéraux visées à l'article 100/10, § 1er, alinéa 1er, ont accès aux documents suivants:
- en ce qui concerne l'eAvis: l'eAvis, pour autant qu'il concerne un eAvis qui constitue la suite d'un epv qui a été dressé par leur propre service d'inspection ou si les faits concernés dans l'eAvis ont un impact dans un dossier qu'il traite. Cet accès est limité aux données qui sont strictement nécessaires à l'exercice concret des missions de contrôle dont ces services d'inspections sont chargés;
- en ce qui concerne l'eDécision:
- pour autant qu'il concerne une eDécision qui constitue la suite d'un epv qui a été dressé par leur propre service d'inspection: l'invitation à présenter des moyens de défense, les moyens de défense soumis, les autres pièces sur lesquelles se fonde la décision et la décision d'infliger une amende administrative, de déclaration de culpabilité ou de classement sans suite de l'infraction et ses annexes;
- pour autant qu'il concerne une eDécision pour laquelle le service d'inspection en question est désigné par l'administration compétente pour recevoir les moyens de défense présentés oralement l'invitation à présenter des moyens de défense.
Cet accès ne peut être effectué que dans la mesure nécessaire à l'exercice concret des missions légales incombant aux services d'inspection dans le cadre de la chaîne pénale sociale de lutte contre le travail illégal et la fraude sociale.
Ils ont accès aux documents visés à l'article 100/12/2, 1°, dans les conditions et selon les modalités visées à l'article 100/10, § § 1er, 2 et 6.]1
§ 1er. Le ministère public, près les cours et tribunaux et les juges d'instruction ont accès aux documents visés à l'article 100/12/2, 2°, 3° et 4°.
Cet accès ne peut être effectué que dans la mesure où il est nécessaire à l'exercice concret de leur mission dans le cadre de la chaîne pénale sociale de lutte contre le travail illégal et la fraude sociale.
Ils ont accès aux documents visés à l'article 100/12/2, 1°, dans les conditions et selon les modalités visées à l'article 100/10, § 4.
§ 2. Moyennant l'autorisation de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information:
1° les fonctionnaires de l'administration compétente ont accès aux documents visés à l'article 100/12/2, 2° et 3;
2° les fonctionnaires de la Direction de l'epv et de l'eDossier ont accès aux documents visés à l'article 100/12/2, 2°, 3°, à l'exception de l'enquête complémentaire, et 4°.
Les accès visés à l'alinéa 1er ne peuvent être effectués que pour autant que ces accès sont nécessaires à l'exercice concret des missions légales incombant à ces autorités publiques dans le cadre de la chaîne pénale sociale de lutte contre le travail illégal et la fraude sociale.
Les fonctionnaires de l'administration compétente et de la Direction de l'epv et de l'eDossier ont accès aux documents visés à l'article 100/12/2, 1°, dans les conditions et selon les modalités visées à l'article 100/10, § 3.
§ 3. Moyennant l'autorisation de la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information, les catégories de fonctionnaires des services d'inspection sociale fédéraux visées à l'article 100/10, § 1er, alinéa 1er, ont accès aux documents suivants:
- en ce qui concerne l'eAvis: l'eAvis, pour autant qu'il concerne un eAvis qui constitue la suite d'un epv qui a été dressé par leur propre service d'inspection ou si les faits concernés dans l'eAvis ont un impact dans un dossier qu'il traite. Cet accès est limité aux données qui sont strictement nécessaires à l'exercice concret des missions de contrôle dont ces services d'inspections sont chargés;
- en ce qui concerne l'eDécision:
- pour autant qu'il concerne une eDécision qui constitue la suite d'un epv qui a été dressé par leur propre service d'inspection: l'invitation à présenter des moyens de défense, les moyens de défense soumis, les autres pièces sur lesquelles se fonde la décision et la décision d'infliger une amende administrative, de déclaration de culpabilité ou de classement sans suite de l'infraction et ses annexes;
- pour autant qu'il concerne une eDécision pour laquelle le service d'inspection en question est désigné par l'administration compétente pour recevoir les moyens de défense présentés oralement l'invitation à présenter des moyens de défense.
Cet accès ne peut être effectué que dans la mesure nécessaire à l'exercice concret des missions légales incombant aux services d'inspection dans le cadre de la chaîne pénale sociale de lutte contre le travail illégal et la fraude sociale.
Ils ont accès aux documents visés à l'article 100/12/2, 1°, dans les conditions et selon les modalités visées à l'article 100/10, § § 1er, 2 et 6.]1
Art. 100/12/9. [1 Bewaringstermijn van de gestructureerde gegevens
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming), worden persoonsgegevens die opgeslagen zijn in het eDossier-platform niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn die vijf jaar na de definitieve beëindiging van de rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit het epv of uit het in artikel 65 bedoelde proces-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk niet mag overschrijden. Deze gegevens kunnen bewaard blijven na anonimisering of minstens pseudonimisering indien anonimisering niet voldoet voor de beoogde finaliteit van statistische doelstellingen en wetenschappelijk of historisch onderzoek. De gepseudonimiseerde gegevens kunnen slechts bewaard blijven zolang doeleinden van wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistiek daartoe nopen.]1
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming), worden persoonsgegevens die opgeslagen zijn in het eDossier-platform niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn die vijf jaar na de definitieve beëindiging van de rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit het epv of uit het in artikel 65 bedoelde proces-verbaal van de politie tot vaststelling van een inbreuk niet mag overschrijden. Deze gegevens kunnen bewaard blijven na anonimisering of minstens pseudonimisering indien anonimisering niet voldoet voor de beoogde finaliteit van statistische doelstellingen en wetenschappelijk of historisch onderzoek. De gepseudonimiseerde gegevens kunnen slechts bewaard blijven zolang doeleinden van wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistiek daartoe nopen.]1
Art. 100/12/9. [1 Le délai de conservation des données structurées
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins d'archivage dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visé à l'article 89 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (Règlement général sur la protection des données), les données à caractère personnel stockées dans la plateforme eDossier ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder cinq ans après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratives et extrajudiciaires découlant de l'epv ou du procès-verbal de constatation d'une infraction de la police visé à l'article 65. Ces données peuvent rester conservées après anonymisation ou, à tout le moins, pseudonymisation si l'anonymisation ne répond pas à la finalité visée d'objectifs statistiques et de recherche scientifique ou historique. Les données pseudonymisées ne peuvent être conservées qu'aussi longtemps que des fins de recherche scientifique ou historique ou de statistiques le requièrent.]1
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins d'archivage dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visé à l'article 89 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (Règlement général sur la protection des données), les données à caractère personnel stockées dans la plateforme eDossier ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder cinq ans après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratives et extrajudiciaires découlant de l'epv ou du procès-verbal de constatation d'une infraction de la police visé à l'article 65. Ces données peuvent rester conservées après anonymisation ou, à tout le moins, pseudonymisation si l'anonymisation ne répond pas à la finalité visée d'objectifs statistiques et de recherche scientifique ou historique. Les données pseudonymisées ne peuvent être conservées qu'aussi longtemps que des fins de recherche scientifique ou historique ou de statistiques le requièrent.]1
Afdeling 6. [1 Gemeenschappelijke bepalingen inzake toegang tot de databank epv, de Ginaa-databank en het eDossier-platform]1
Section 6. [1 Les dispositions communes concernant l'accès à la banque de données epv, à la banque de données Ginaa et à la plateforme eDossier]1
Art. 100/13. [1 Gemeenschappelijke bepalingen inzake toegang tot de databank epv, de Ginaa-databank en het eDossier-platform
§ 1. Elke instantie die gemachtigd is om toegang te hebben tot de databank epv of het eDossier platform houdt een voortdurend bijgewerkte lijst bij van de personen die zij heeft aangewezen om dit recht op toegang uit te oefenen.
Elke in het eerste lid bedoelde instantie houdt een register van de raadplegingen bij. Dit register vermeldt de identificatie van de persoon die de gegevens heeft geraadpleegd, de geraadpleegde gegevens, de datum en het tijdstip van de raadpleging en de redenen voor de raadpleging - met uitzondering van de toegang tot eigen gegevens. Deze gegevens worden gedurende 10 jaar bewaard, te rekenen vanaf de datum van de raadpleging.
De impact en de relevantie van de toegangen per dossier moeten op jaarbasis beoordeeld worden door middel van statistieken en deze statistieken moeten gepubliceerd worden.
§ 2. Alle personen die toegang hebben tot de databank epv, het eDossier-platform of de Ginaa-databank moeten de nodige maatregelen nemen om het vertrouwelijk karakter te garanderen van de persoonsgegevens die opgenomen zijn in deze databanken en om te garanderen dat deze gegevens enkel gebruikt zullen worden met het oog op de in de artikelen 100/6, derde lid, 100/11, tweede lid en 100/12/3, § 2, bedoelde doeleinden.
Iedere inbreuk op de in het eerste lid bedoelde geheimhoudingsplicht wordt bestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.]1
§ 1. Elke instantie die gemachtigd is om toegang te hebben tot de databank epv of het eDossier platform houdt een voortdurend bijgewerkte lijst bij van de personen die zij heeft aangewezen om dit recht op toegang uit te oefenen.
Elke in het eerste lid bedoelde instantie houdt een register van de raadplegingen bij. Dit register vermeldt de identificatie van de persoon die de gegevens heeft geraadpleegd, de geraadpleegde gegevens, de datum en het tijdstip van de raadpleging en de redenen voor de raadpleging - met uitzondering van de toegang tot eigen gegevens. Deze gegevens worden gedurende 10 jaar bewaard, te rekenen vanaf de datum van de raadpleging.
De impact en de relevantie van de toegangen per dossier moeten op jaarbasis beoordeeld worden door middel van statistieken en deze statistieken moeten gepubliceerd worden.
§ 2. Alle personen die toegang hebben tot de databank epv, het eDossier-platform of de Ginaa-databank moeten de nodige maatregelen nemen om het vertrouwelijk karakter te garanderen van de persoonsgegevens die opgenomen zijn in deze databanken en om te garanderen dat deze gegevens enkel gebruikt zullen worden met het oog op de in de artikelen 100/6, derde lid, 100/11, tweede lid en 100/12/3, § 2, bedoelde doeleinden.
Iedere inbreuk op de in het eerste lid bedoelde geheimhoudingsplicht wordt bestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.]1
Art. 100/13. [1 Les dispositions communes concernant l'accès à la banque de données epv, à la banque de données Ginaa et à la plateforme eDossier
§ 1er. Chaque instance qui est autorisée à accéder à la banque de données epv et/ou à la plateforme eDossier établit une liste mise à jour continuellement des personnes qu'elle a désignées afin d'exercer ce droit d'accès.
Chaque instance visée à l'alinéa 1er tient un registre des consultations. Ce registre indique l'identification de la personne qui a accédé aux données, les données qui ont été consultées, la date et l'heure de la consultation ainsi que les motifs de la consultation à l'exception de l'accès aux données propres. Ces données sont conservées dix ans, à partir de la date de la consultation.
L'impact et la pertinence des accès par dossier seront évalués au moyen de statistiques sur une base annuelle et ces statistiques seront publiées.
§ 2. Toutes les personnes qui ont accès à la banque de données epv, à la plateforme eDossier ou à la banque de données Ginaa doivent prendre les mesures nécessaires afin de garantir le caractère confidentiel des données à caractère personnel qui sont contenues dans ces banques de données et afin de garantir que ces données seront uniquement utilisées en vue des objectifs visés aux articles 100/6, alinéa 3, 100/11, alinéa 2 et 100/12/3, § 2.
Toute violation du secret professionnel visé à l'alinéa 1er est punie conformément à l'article 458 du Code pénal.]1
§ 1er. Chaque instance qui est autorisée à accéder à la banque de données epv et/ou à la plateforme eDossier établit une liste mise à jour continuellement des personnes qu'elle a désignées afin d'exercer ce droit d'accès.
Chaque instance visée à l'alinéa 1er tient un registre des consultations. Ce registre indique l'identification de la personne qui a accédé aux données, les données qui ont été consultées, la date et l'heure de la consultation ainsi que les motifs de la consultation à l'exception de l'accès aux données propres. Ces données sont conservées dix ans, à partir de la date de la consultation.
L'impact et la pertinence des accès par dossier seront évalués au moyen de statistiques sur une base annuelle et ces statistiques seront publiées.
§ 2. Toutes les personnes qui ont accès à la banque de données epv, à la plateforme eDossier ou à la banque de données Ginaa doivent prendre les mesures nécessaires afin de garantir le caractère confidentiel des données à caractère personnel qui sont contenues dans ces banques de données et afin de garantir que ces données seront uniquement utilisées en vue des objectifs visés aux articles 100/6, alinéa 3, 100/11, alinéa 2 et 100/12/3, § 2.
Toute violation du secret professionnel visé à l'alinéa 1er est punie conformément à l'article 458 du Code pénal.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 5/1. [1 - Bepalingen betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens in het sociaal strafrecht.]1
CHAPITRE 5/1. [1 - Dispositions relatives à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel en droit pénal social]1
Afdeling 1. [1 - Het recht op informatie bij de verzameling van persoonsgegevens en op mededeling van persoonsgegevens.]1
Section 1re. [1 - Le droit d'information lors de la collecte de données à caractère personnel et de communication des données à caractère personnel.]1
Art. 100/14. [2 Het recht op informatie bij de verzameling van persoonsgegevens]2
[1 § 1. In afwijking van de artikelen 13 en 14 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), om de doelstellingen van algemeen belang van de sociale zekerheid te waarborgen, en voor zover artikel 14, § 5, d), in het specifieke geval niet kan worden ingeroepen, kan het recht op informatie worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten voor wat betreft verwerkingen van persoonsgegevens waarvan hetzij de sociale inspectiediensten bedoeld in het Sociaal Strafwetboek en in het koninklijk besluit van 1 juli 2011 tot uitvoering van de artikelen 16, 13°, 17, 20, 63, 70 en 88 van het Sociaal Strafwetboek en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht, hetzij [2 de Directie van de administratieve geldboeten of de Directie van het epv en het eDos-sier van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg]2, hetzij de Dienst administratieve geldboeten of de Directie eerlijke concurrentie van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen, hetzij de inspectiedienst voor de controle van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, hetzij de Dienst voor administratieve controle of de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekeringen, hetzij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst de verwerkingsverantwoordelijke zijn.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de in het eerste lid bedoelde diensten gevoerde onderzoeken, met inbegrip van de procedures voor de eventuele toepassing van een administratieve geldboete of administratieve sanctie door de bevoegde diensten, tot doel hebben.
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde afwijking niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn die [2 vijf jaar]2 na de definitieve beëindiging van de rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de beperking van de rechten van de betrokkene bedoeld in het eerste lid niet mag overschrijden. [2 Deze gegevens kunnen bewaard blijven na anonimisering of minstens pseudonimisering indien anonimisering niet voldoet voor de beoogde finaliteit van statistische doelstellingen en wetenschappelijk of historisch onderzoek. De gepseudonimiseerde gegevens kunnen slechts bewaard blijven zolang doeleinden van wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistiek daartoe nopen.]2
§ 2. Deze afwijkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek of de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd door de voormelde inspectiediensten in het kader van de uitvoering van hun wettelijke opdrachten, alsook gedurende de periode waarin [2 de Directie van de administratieve geldboeten of de Directie van het epv en het eDos-sier van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg]2, de Dienst administratieve geldboeten of de Directie eerlijke concurrentie van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen, de inspectiedienst voor de controle van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, hetzij de Dienst voor administratieve controle of de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekeringen, hetzij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst de stukken afkomstig van de sociale inspectiediensten behandelt om de vervolgingen hieromtrent in te stellen.
Deze afwijkingen gelden voor zover de toepassing van dit recht nadelig zou zijn voor de controle, het onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden of het geheim van het strafonderzoek of de veiligheid van personen dreigt te schenden.
De duur van de voorbereidende werkzaamheden, bedoeld in § 2, tweede lid, gedurende dewelke de artikelen 13 en 14 van de algemene verordening gegevensbescherming niet van toepassing zijn, mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek betreffende het meedelen van de te verstrekken informatie met toepassing van deze artikelen 13 en 14.
De beperking bedoeld in § 1, eerste lid, heeft geen betrekking op gegevens die los staan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van informatie rechtvaardigt.
§ 3. Bij ontvangst van een verzoek betreffende het meedelen van de te verstrekken informatie bedoeld in § 2, derde lid, bevestigt de functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, onverwijld, en in ieder geval binnen één maand na de ontvangst van het verzoek, over iedere weigering of beperking van informatie, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. Die informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen genoemd in § 1, tweede lid, zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen van het uitstel.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer één van de voormelde inspectiediensten gebruik heeft gemaakt van de uitzondering bepaald bij § 1, eerste lid, en met uitzondering van de situaties bedoeld in het zesde en zevende lid van paragraaf 3, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk opgeheven na de afsluiting van de controle of van het onderzoek. De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd en, in voorkomend geval, nadat de bevoegde dienst voor administratieve geldboeten een beslissing heeft genomen. Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de administratie waarvan de inspectiedienst afhangt, of aan de bevoegde instelling om over de bevindingen van het onderzoek te beslissen, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld nadat de bevoegde administratie of instelling heeft beslist over het resultaat van het onderzoek.]1
[1 § 1. In afwijking van de artikelen 13 en 14 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), om de doelstellingen van algemeen belang van de sociale zekerheid te waarborgen, en voor zover artikel 14, § 5, d), in het specifieke geval niet kan worden ingeroepen, kan het recht op informatie worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten voor wat betreft verwerkingen van persoonsgegevens waarvan hetzij de sociale inspectiediensten bedoeld in het Sociaal Strafwetboek en in het koninklijk besluit van 1 juli 2011 tot uitvoering van de artikelen 16, 13°, 17, 20, 63, 70 en 88 van het Sociaal Strafwetboek en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht, hetzij [2 de Directie van de administratieve geldboeten of de Directie van het epv en het eDos-sier van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg]2, hetzij de Dienst administratieve geldboeten of de Directie eerlijke concurrentie van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen, hetzij de inspectiedienst voor de controle van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, hetzij de Dienst voor administratieve controle of de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekeringen, hetzij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst de verwerkingsverantwoordelijke zijn.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de in het eerste lid bedoelde diensten gevoerde onderzoeken, met inbegrip van de procedures voor de eventuele toepassing van een administratieve geldboete of administratieve sanctie door de bevoegde diensten, tot doel hebben.
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde afwijking niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn die [2 vijf jaar]2 na de definitieve beëindiging van de rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de beperking van de rechten van de betrokkene bedoeld in het eerste lid niet mag overschrijden. [2 Deze gegevens kunnen bewaard blijven na anonimisering of minstens pseudonimisering indien anonimisering niet voldoet voor de beoogde finaliteit van statistische doelstellingen en wetenschappelijk of historisch onderzoek. De gepseudonimiseerde gegevens kunnen slechts bewaard blijven zolang doeleinden van wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistiek daartoe nopen.]2
§ 2. Deze afwijkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek of de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd door de voormelde inspectiediensten in het kader van de uitvoering van hun wettelijke opdrachten, alsook gedurende de periode waarin [2 de Directie van de administratieve geldboeten of de Directie van het epv en het eDos-sier van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg]2, de Dienst administratieve geldboeten of de Directie eerlijke concurrentie van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen, de inspectiedienst voor de controle van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, hetzij de Dienst voor administratieve controle of de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekeringen, hetzij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst de stukken afkomstig van de sociale inspectiediensten behandelt om de vervolgingen hieromtrent in te stellen.
Deze afwijkingen gelden voor zover de toepassing van dit recht nadelig zou zijn voor de controle, het onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden of het geheim van het strafonderzoek of de veiligheid van personen dreigt te schenden.
De duur van de voorbereidende werkzaamheden, bedoeld in § 2, tweede lid, gedurende dewelke de artikelen 13 en 14 van de algemene verordening gegevensbescherming niet van toepassing zijn, mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek betreffende het meedelen van de te verstrekken informatie met toepassing van deze artikelen 13 en 14.
De beperking bedoeld in § 1, eerste lid, heeft geen betrekking op gegevens die los staan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van informatie rechtvaardigt.
§ 3. Bij ontvangst van een verzoek betreffende het meedelen van de te verstrekken informatie bedoeld in § 2, derde lid, bevestigt de functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, onverwijld, en in ieder geval binnen één maand na de ontvangst van het verzoek, over iedere weigering of beperking van informatie, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. Die informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen genoemd in § 1, tweede lid, zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen van het uitstel.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer één van de voormelde inspectiediensten gebruik heeft gemaakt van de uitzondering bepaald bij § 1, eerste lid, en met uitzondering van de situaties bedoeld in het zesde en zevende lid van paragraaf 3, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk opgeheven na de afsluiting van de controle of van het onderzoek. De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd en, in voorkomend geval, nadat de bevoegde dienst voor administratieve geldboeten een beslissing heeft genomen. Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de administratie waarvan de inspectiedienst afhangt, of aan de bevoegde instelling om over de bevindingen van het onderzoek te beslissen, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld nadat de bevoegde administratie of instelling heeft beslist over het resultaat van het onderzoek.]1
Art. 100/14. [2 Le droit d'information lors de la collecte de données à caractère personnel]2
[1 § 1er. Par dérogation aux articles 13 et 14, du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), en vue de garantir les objectifs d'intérêt public de la sécurité sociale, et pour autant que l'article 14, § 5, d), ne puisse être invoqué dans le cas d'espèce, le droit d'information peut être retardé, limité ou exclu s'agissant des traitements de données à caractère personnel dont, soit les services d'inspection sociale visés au Code pénal social et à l'arrêté royal du 1er juillet 2011 portant exécution des articles 16, 13°, 17, 20, 63, 70 et 88 du Code pénal social et fixant la date d'entrée en vigueur de la loi du 2 juin 2010 comportant des dispositions de droit pénal social, soit [2 la Direction des amendes administratives et la Direction de l'epv et de l'eDossier du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale]2, soit le Service des amendes administratives ou la Direction concurrence loyale de l'Institut national des assurances sociales pour travailleurs indépendants, soit le service d'inspection pour la contrôle des caisses d'assurances sociales pour indépendants, soit le Service du contrôle administratif ou le Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance maladie invalidité, soit le Service d'Information et de Recherche sociale sont le responsable du traitement.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes menées par les services visés à l'alinéa 1er, en ce compris les procédures visant à l'application éventuelle d'une amende administrative ou sanction administrative par les services compétents.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visé à l'article 89 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les données à caractère personnel qui résultent de la dérogation visée à l'alinéa 1er ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder [2 cinq ans]2 après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratives et extrajudiciaires découlant de la limitation des droits de la personne concernée visée à l'alinéa 1er. [2 Ces données peuvent rester conservées après anonymisation ou, à tout le moins, pseudonymisation si l'anonymisation ne répond pas à la finalité visée d'objectifs statistiques et de recherche scientifique ou historique. Les données pseudonymisées ne peuvent être conservées qu'aussi longtemps que des fins de recherche scientifique ou historique ou de statistiques le requièrent.]2
§ 2. Ces dérogations valent durant la période dans laquelle la personne concernée est l'objet d'un contrôle ou d'une enquête ou d'actes préparatoires à ceux-ci effectués par les services d'inspection précités dans le cadre de l'exécution de leurs missions légales ainsi que durant la période durant laquelle [2 la Direction des amendes administratives et la Direction de l'epv et de l'eDossier du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale]2, le Service des amendes administratives ou la Direction concurrence loyale de l'Institut national des assurances sociales pour travailleurs indépendants, le service d'inspection pour le contrôle des caisses d'assurances sociales pour indépendants, le Service du contrôle administratif ou le Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance maladie invalidité ou le Service d'Information et de Recherche sociale traite les pièces provenant des services d'inspection sociale, en vue d'exercer les poursuites en la matière.
Ces dérogations valent dans la mesure où l' application de ce droit nuirait aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires, risque de violer le secret de l'enquête pénale ou la sécurité des personnes.
La durée des actes préparatoires, visés au § 2, alinéa 2, pendant laquelle les articles 13 et 14 du règlement général sur la protection des données ne sont pas applicables, ne peut excéder un an à partir de la réception d'une demande concernant la communication d'informations à fournir en application de ces articles 13 et 14.
La restriction visée au § 1er, alinéa 1er, ne vise pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation d'information.
§ 3. Dès réception d'une demande concernant la communication d'informations à fournir visée au § 2, alinéa 3, le délégué à la protection des données du responsable du traitement en accuse réception.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation d'information, ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités énoncées au § 1er, alinéa 2. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsqu'un des services d'inspection précité a fait usage de l'exception telle que déterminée au paragraphe 1er, alinéa 1er, et à l'exception des situations visées aux alinéas 6 et 7 du paragraphe 3, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le délégué à la protection des données du responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire soit terminée, et, le cas échéant, après que le service des amendes administratives compétent ait pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'administration dont dépend le service d'inspection ou à l'institution compétente pour statuer sur les conclusions de l'enquête, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après que l'administration ou l'institution compétente ait statué sur le résultat de l'enquête.]1
[1 § 1er. Par dérogation aux articles 13 et 14, du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), en vue de garantir les objectifs d'intérêt public de la sécurité sociale, et pour autant que l'article 14, § 5, d), ne puisse être invoqué dans le cas d'espèce, le droit d'information peut être retardé, limité ou exclu s'agissant des traitements de données à caractère personnel dont, soit les services d'inspection sociale visés au Code pénal social et à l'arrêté royal du 1er juillet 2011 portant exécution des articles 16, 13°, 17, 20, 63, 70 et 88 du Code pénal social et fixant la date d'entrée en vigueur de la loi du 2 juin 2010 comportant des dispositions de droit pénal social, soit [2 la Direction des amendes administratives et la Direction de l'epv et de l'eDossier du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale]2, soit le Service des amendes administratives ou la Direction concurrence loyale de l'Institut national des assurances sociales pour travailleurs indépendants, soit le service d'inspection pour la contrôle des caisses d'assurances sociales pour indépendants, soit le Service du contrôle administratif ou le Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance maladie invalidité, soit le Service d'Information et de Recherche sociale sont le responsable du traitement.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes menées par les services visés à l'alinéa 1er, en ce compris les procédures visant à l'application éventuelle d'une amende administrative ou sanction administrative par les services compétents.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visé à l'article 89 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les données à caractère personnel qui résultent de la dérogation visée à l'alinéa 1er ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder [2 cinq ans]2 après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratives et extrajudiciaires découlant de la limitation des droits de la personne concernée visée à l'alinéa 1er. [2 Ces données peuvent rester conservées après anonymisation ou, à tout le moins, pseudonymisation si l'anonymisation ne répond pas à la finalité visée d'objectifs statistiques et de recherche scientifique ou historique. Les données pseudonymisées ne peuvent être conservées qu'aussi longtemps que des fins de recherche scientifique ou historique ou de statistiques le requièrent.]2
§ 2. Ces dérogations valent durant la période dans laquelle la personne concernée est l'objet d'un contrôle ou d'une enquête ou d'actes préparatoires à ceux-ci effectués par les services d'inspection précités dans le cadre de l'exécution de leurs missions légales ainsi que durant la période durant laquelle [2 la Direction des amendes administratives et la Direction de l'epv et de l'eDossier du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale]2, le Service des amendes administratives ou la Direction concurrence loyale de l'Institut national des assurances sociales pour travailleurs indépendants, le service d'inspection pour le contrôle des caisses d'assurances sociales pour indépendants, le Service du contrôle administratif ou le Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance maladie invalidité ou le Service d'Information et de Recherche sociale traite les pièces provenant des services d'inspection sociale, en vue d'exercer les poursuites en la matière.
Ces dérogations valent dans la mesure où l' application de ce droit nuirait aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires, risque de violer le secret de l'enquête pénale ou la sécurité des personnes.
La durée des actes préparatoires, visés au § 2, alinéa 2, pendant laquelle les articles 13 et 14 du règlement général sur la protection des données ne sont pas applicables, ne peut excéder un an à partir de la réception d'une demande concernant la communication d'informations à fournir en application de ces articles 13 et 14.
La restriction visée au § 1er, alinéa 1er, ne vise pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation d'information.
§ 3. Dès réception d'une demande concernant la communication d'informations à fournir visée au § 2, alinéa 3, le délégué à la protection des données du responsable du traitement en accuse réception.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation d'information, ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités énoncées au § 1er, alinéa 2. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsqu'un des services d'inspection précité a fait usage de l'exception telle que déterminée au paragraphe 1er, alinéa 1er, et à l'exception des situations visées aux alinéas 6 et 7 du paragraphe 3, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le délégué à la protection des données du responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire soit terminée, et, le cas échéant, après que le service des amendes administratives compétent ait pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'administration dont dépend le service d'inspection ou à l'institution compétente pour statuer sur les conclusions de l'enquête, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après que l'administration ou l'institution compétente ait statué sur le résultat de l'enquête.]1
Afdeling 2. [1 - Het recht op inzage van persoonsgegevens.]1
Section 2. [1 - Le droit d'accès aux données à caractère personnel.]1
Art. 100/15. [2 Het recht op inzage van persoonsgegevens]2
[1 § 1. In afwijking van artikel 15 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), om de doelstellingen van algemeen belang van de sociale zekerheid te waarborgen, kan het recht op inzage van de hem betreffende persoonsgegevens geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft verwerkingen van persoonsgegevens waarvan hetzij de sociale inspectiediensten bedoeld in het Sociaal Strafwetboek en in het koninklijk besluit van 1 juli 2011 tot uitvoering van de artikelen 16, 13°, 17, 20, 63, 70 en 88 van het Sociaal Strafwetboek en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht, hetzij [2 de Directie van de administratieve geldboeten of de Directie van het epv en het eDossier van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg]2, hetzij de Dienst administratieve geldboeten of de Directie eerlijke concurrentie van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen, hetzij de inspectiedienst voor de controle van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, hetzij de Dienst voor administratieve controle of de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekeringen, hetzij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst de verwerkingsverantwoordelijke zijn.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de in het eerste lid bedoelde diensten gevoerde onderzoeken, met inbegrip van de procedures voor de eventuele toepassing van een administratieve geldboete of administratieve sanctie door de bevoegde diensten, tot doel hebben.
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde afwijking niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn die [2 vijf jaar]2 na de definitieve beëindiging van de rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de beperking van de rechten van de betrokkene bedoeld in het eerste lid niet mag overschrijden. [2 Deze gegevens kunnen bewaard blijven na anonimisering of minstens pseudonimisering indien anonimisering niet voldoet voor de beoogde finaliteit van statistische doelstellingen en wetenschappelijk of historisch onderzoek. De gepseudonimiseerde gegevens kunnen slechts bewaard blijven zolang doeleinden van wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistiek daartoe nopen.]2
§ 2. Deze afwijkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek of de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd door de voormelde inspectiediensten in het kader van de uitvoering van hun wettelijke opdrachten, alsook gedurende de periode waarin [2 de Directie van de administratieve geldboeten of de Directie van het epv en het eDossier van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg]2, de Dienst administratieve geldboeten of de Directie eerlijke concurrentie van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen, de inspectiedienst voor de controle van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, hetzij de Dienst voor administratieve controle of de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekeringen, hetzij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst de stukken afkomstig van de sociale inspectiediensten behandelt om de vervolgingen hieromtrent in te stellen.
Deze afwijkingen gelden voor zover de toepassing van dit recht nadelig zou zijn voor de controle, het onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden of het geheim van het strafonderzoek of de veiligheid van personen dreigt te schenden.
De duur van de voorbereidende werkzaamheden, bedoeld in § 2, tweede lid, gedurende dewelke artikel 15 van de algemene verordening gegevensbescherming niet van toepassing is, mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van het verzoek dat is ingediend met toepassing van artikel 15.
De beperking bedoeld in § 1, eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die los staan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van inzage rechtvaardigt.
§ 3. Bij ontvangst van een verzoek tot inzage bevestigt de functionaris voor de gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, onverwijld, en in ieder geval binnen één maand na de ontvangst van het verzoek, over iedere weigering of beperking van zijn recht op inzage van de hem betreffende gegevens alsook van de redenen voor deze weigering of beperking. Die informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen genoemd in § 1, tweede lid, zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen van het uitstel.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer één van de voormelde inspectiediensten gebruik heeft gemaakt van de uitzondering bepaald bij § 1, eerste lid, en met uitzondering van de situaties bedoeld in het zesde en zevende lid van paragraaf 3, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk opgeheven na de afsluiting van de controle of van het onderzoek. De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd en, in voorkomend geval, nadat de bevoegde dienst voor administratieve geldboeten een beslissing heeft genomen. Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de administratie waarvan de inspectiedienst afhangt, of aan de bevoegde instelling om over de bevindingen van het onderzoek te beslissen, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld nadat de bevoegde administratie of instelling heeft beslist over het resultaat van het onderzoek.]1
[1 § 1. In afwijking van artikel 15 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), om de doelstellingen van algemeen belang van de sociale zekerheid te waarborgen, kan het recht op inzage van de hem betreffende persoonsgegevens geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft verwerkingen van persoonsgegevens waarvan hetzij de sociale inspectiediensten bedoeld in het Sociaal Strafwetboek en in het koninklijk besluit van 1 juli 2011 tot uitvoering van de artikelen 16, 13°, 17, 20, 63, 70 en 88 van het Sociaal Strafwetboek en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht, hetzij [2 de Directie van de administratieve geldboeten of de Directie van het epv en het eDossier van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg]2, hetzij de Dienst administratieve geldboeten of de Directie eerlijke concurrentie van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen, hetzij de inspectiedienst voor de controle van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, hetzij de Dienst voor administratieve controle of de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekeringen, hetzij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst de verwerkingsverantwoordelijke zijn.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de in het eerste lid bedoelde diensten gevoerde onderzoeken, met inbegrip van de procedures voor de eventuele toepassing van een administratieve geldboete of administratieve sanctie door de bevoegde diensten, tot doel hebben.
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde afwijking niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn die [2 vijf jaar]2 na de definitieve beëindiging van de rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de beperking van de rechten van de betrokkene bedoeld in het eerste lid niet mag overschrijden. [2 Deze gegevens kunnen bewaard blijven na anonimisering of minstens pseudonimisering indien anonimisering niet voldoet voor de beoogde finaliteit van statistische doelstellingen en wetenschappelijk of historisch onderzoek. De gepseudonimiseerde gegevens kunnen slechts bewaard blijven zolang doeleinden van wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistiek daartoe nopen.]2
§ 2. Deze afwijkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek of de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd door de voormelde inspectiediensten in het kader van de uitvoering van hun wettelijke opdrachten, alsook gedurende de periode waarin [2 de Directie van de administratieve geldboeten of de Directie van het epv en het eDossier van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg]2, de Dienst administratieve geldboeten of de Directie eerlijke concurrentie van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen, de inspectiedienst voor de controle van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, hetzij de Dienst voor administratieve controle of de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekeringen, hetzij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst de stukken afkomstig van de sociale inspectiediensten behandelt om de vervolgingen hieromtrent in te stellen.
Deze afwijkingen gelden voor zover de toepassing van dit recht nadelig zou zijn voor de controle, het onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden of het geheim van het strafonderzoek of de veiligheid van personen dreigt te schenden.
De duur van de voorbereidende werkzaamheden, bedoeld in § 2, tweede lid, gedurende dewelke artikel 15 van de algemene verordening gegevensbescherming niet van toepassing is, mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van het verzoek dat is ingediend met toepassing van artikel 15.
De beperking bedoeld in § 1, eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die los staan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van inzage rechtvaardigt.
§ 3. Bij ontvangst van een verzoek tot inzage bevestigt de functionaris voor de gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, onverwijld, en in ieder geval binnen één maand na de ontvangst van het verzoek, over iedere weigering of beperking van zijn recht op inzage van de hem betreffende gegevens alsook van de redenen voor deze weigering of beperking. Die informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen genoemd in § 1, tweede lid, zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen van het uitstel.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer één van de voormelde inspectiediensten gebruik heeft gemaakt van de uitzondering bepaald bij § 1, eerste lid, en met uitzondering van de situaties bedoeld in het zesde en zevende lid van paragraaf 3, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk opgeheven na de afsluiting van de controle of van het onderzoek. De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd en, in voorkomend geval, nadat de bevoegde dienst voor administratieve geldboeten een beslissing heeft genomen. Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de administratie waarvan de inspectiedienst afhangt, of aan de bevoegde instelling om over de bevindingen van het onderzoek te beslissen, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld nadat de bevoegde administratie of instelling heeft beslist over het resultaat van het onderzoek.]1
Art. 100/15. [2 Le droit d'accès aux données à caractère personnel]2
[1 § 1er. Par dérogation à l'article 15 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), en vue de garantir les objectifs d'intérêt public de la sécurité sociale, le droit d'accès aux données à caractère personnel la concernant peut être retardé, limité entièrement ou partiellement s'agissant des traitements de données à caractère personnel dont soit les services d'inspection sociale visés au Code pénal social et à l'arrêté royal du 1er juillet 2011 portant exécution des articles 16, 13°, 17, 20, 63, 70 et 88 du Code pénal social et fixant la date d'entrée en vigueur de la loi du 2 juin 2010 comportant des dispositions de droit pénal social, soit [2 la Direction des amendes administratives et la Direction de l'epv et de l'eDossier du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale]2, soit le Service des amendes administratives ou la Direction concurrence loyale de l'Institut national des assurances sociales pour travailleurs indépendants, soit le service d'inspection pour le contrôle des caisses d'assurances sociales pour indépendants, soit le Service du contrôle administratif ou le Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance maladie invalidité, soit le Service d'Information et de Recherche sociale sont le responsable du traitement.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes menées par les services visés à l'alinéa 1er, en ce compris les procédures visant à l'application éventuelle d'une amende administrative ou sanction administrative par les services compétents.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visé à l'article 89 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les données à caractère personnel qui résultent de la dérogation visée à l'alinéa 1er ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder [2 cinq ans]2 après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratives et extrajudiciaires découlant de la limitation des droits de la personne concernée visée à l'alinéa 1er. [2 Ces données peuvent rester conservées après anonymisation ou, à tout le moins, pseudonymisation si l'anonymisation ne répond pas à la finalité visée d'objectifs statistiques et de recherche scientifique ou historique. Les données pseudonymisées ne peuvent être conservées qu'aussi longtemps que des fins de recherche scientifique ou historique ou de statistiques le requièrent.]2
§ 2. Ces dérogations valent durant la période dans laquelle la personne concernée est l'objet d'un contrôle ou d'une enquête ou d'actes préparatoires à ceux-ci effectués par les services d'inspection précités dans le cadre de l'exécution de ses missions légales ainsi que durant la période durant laquelle [2 la Direction des amendes administratives et la Direction de l'epv et de l'eDossier du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale]2, le Service des amendes administratives ou la Direction concurrence loyale de l'Institut national des assurances sociales pour travailleurs indépendants, le service d'inspection pour le contrôle des caisses d'assurances sociales pour indépendants, le Service du contrôle administratif ou le Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance maladie invalidité et le Service d'Information et de Recherche sociale traite les pièces provenant des services d'inspection sociale en vue d'exercer les poursuites en la matière.
Ces dérogations valent dans la mesure où l'application de ce droit nuirait aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires, risque de violer le secret de l'enquête pénale ou la sécurité des personnes.
La durée des actes préparatoires, visés au § 2, alinéa 2, pendant laquelle l' article 15 du règlement général sur la protection des données n'est pas applicable, ne peut excéder un an à partir de la réception de la demande introduite en application de l' article 15.
La restriction visée au § 1er, alinéa 1er, ne vise pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation d'accès.
§ 3. Dès réception d'une demande d'accès, le délégué à la protection des données du responsable du traitement en accuse réception.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation à son droit d'accès aux données la concernant ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'un des finalités énoncées au paragraphe 1er, alinéa 2. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsqu'un des services d'inspection précité a fait usage de l'exception telle que déterminée au § 1er, alinéa 1er, et à l'exception des situations visées aux alinéas 6 et 7 du paragraphe 3, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le délégué à la protection des données du responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire soit terminée, et, le cas échéant, après que le service des amendes administratives compétent ait pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'administration dont dépend le service d'inspection ou à l'institution compétente pour statuer sur les conclusions de l'enquête, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après que l'administration ou l'institution compétente ait statué sur le résultat de l'enquête.]1
[1 § 1er. Par dérogation à l'article 15 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), en vue de garantir les objectifs d'intérêt public de la sécurité sociale, le droit d'accès aux données à caractère personnel la concernant peut être retardé, limité entièrement ou partiellement s'agissant des traitements de données à caractère personnel dont soit les services d'inspection sociale visés au Code pénal social et à l'arrêté royal du 1er juillet 2011 portant exécution des articles 16, 13°, 17, 20, 63, 70 et 88 du Code pénal social et fixant la date d'entrée en vigueur de la loi du 2 juin 2010 comportant des dispositions de droit pénal social, soit [2 la Direction des amendes administratives et la Direction de l'epv et de l'eDossier du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale]2, soit le Service des amendes administratives ou la Direction concurrence loyale de l'Institut national des assurances sociales pour travailleurs indépendants, soit le service d'inspection pour le contrôle des caisses d'assurances sociales pour indépendants, soit le Service du contrôle administratif ou le Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance maladie invalidité, soit le Service d'Information et de Recherche sociale sont le responsable du traitement.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes menées par les services visés à l'alinéa 1er, en ce compris les procédures visant à l'application éventuelle d'une amende administrative ou sanction administrative par les services compétents.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visé à l'article 89 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les données à caractère personnel qui résultent de la dérogation visée à l'alinéa 1er ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder [2 cinq ans]2 après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratives et extrajudiciaires découlant de la limitation des droits de la personne concernée visée à l'alinéa 1er. [2 Ces données peuvent rester conservées après anonymisation ou, à tout le moins, pseudonymisation si l'anonymisation ne répond pas à la finalité visée d'objectifs statistiques et de recherche scientifique ou historique. Les données pseudonymisées ne peuvent être conservées qu'aussi longtemps que des fins de recherche scientifique ou historique ou de statistiques le requièrent.]2
§ 2. Ces dérogations valent durant la période dans laquelle la personne concernée est l'objet d'un contrôle ou d'une enquête ou d'actes préparatoires à ceux-ci effectués par les services d'inspection précités dans le cadre de l'exécution de ses missions légales ainsi que durant la période durant laquelle [2 la Direction des amendes administratives et la Direction de l'epv et de l'eDossier du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale]2, le Service des amendes administratives ou la Direction concurrence loyale de l'Institut national des assurances sociales pour travailleurs indépendants, le service d'inspection pour le contrôle des caisses d'assurances sociales pour indépendants, le Service du contrôle administratif ou le Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance maladie invalidité et le Service d'Information et de Recherche sociale traite les pièces provenant des services d'inspection sociale en vue d'exercer les poursuites en la matière.
Ces dérogations valent dans la mesure où l'application de ce droit nuirait aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires, risque de violer le secret de l'enquête pénale ou la sécurité des personnes.
La durée des actes préparatoires, visés au § 2, alinéa 2, pendant laquelle l' article 15 du règlement général sur la protection des données n'est pas applicable, ne peut excéder un an à partir de la réception de la demande introduite en application de l' article 15.
La restriction visée au § 1er, alinéa 1er, ne vise pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation d'accès.
§ 3. Dès réception d'une demande d'accès, le délégué à la protection des données du responsable du traitement en accuse réception.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation à son droit d'accès aux données la concernant ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'un des finalités énoncées au paragraphe 1er, alinéa 2. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsqu'un des services d'inspection précité a fait usage de l'exception telle que déterminée au § 1er, alinéa 1er, et à l'exception des situations visées aux alinéas 6 et 7 du paragraphe 3, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le délégué à la protection des données du responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire soit terminée, et, le cas échéant, après que le service des amendes administratives compétent ait pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'administration dont dépend le service d'inspection ou à l'institution compétente pour statuer sur les conclusions de l'enquête, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après que l'administration ou l'institution compétente ait statué sur le résultat de l'enquête.]1
Afdeling 3. [1 - Het recht op rectificatie.]1
Section 3. [1 - Le droit de rectification.]1
Art. 100/16. [2 Het recht op rectificatie]2
[1 § 1. In afwijking van artikel 16 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), om de doelstellingen van algemeen belang van de sociale zekerheid te waarborgen, kan het recht op rectificatie worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten voor wat betreft verwerkingen van persoonsgegevens waarvan hetzij de sociale inspectiediensten bedoeld in het Sociaal Strafwetboek en in het koninklijk besluit van 1 juli 2011 tot uitvoering van de artikelen 16, 13°, 17, 20, 63, 70 en 88 van het Sociaal Strafwetboek en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht, hetzij [2 de Directie van de administratieve geldboeten of de Directie van het epv en het eDossier van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg]2, hetzij de Dienst administratieve geldboeten of de Directie eerlijke concurrentie van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen, hetzij de inspectiedienst voor de controle van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, hetzij de Dienst voor administratieve controle of de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekeringen, hetzij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst de verwerkingsverantwoordelijke zijn.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de in het eerste lid bedoelde diensten gevoerde onderzoeken, met inbegrip van de procedures voor de eventuele toepassing van een administratieve geldboete of administratieve sanctie door de bevoegde diensten, tot doel hebben.
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde afwijking niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn die [2 vijf jaar]2 na de definitieve beëindiging van de rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de beperking van de rechten van de betrokkene bedoeld in het eerste lid niet mag overschrijden. [2 Deze gegevens kunnen bewaard blijven na anonimisering of minstens pseudonimisering indien anonimisering niet voldoet voor de beoogde finaliteit van statistische doelstellingen en wetenschappelijk of historisch onderzoek. De gepseudonimiseerde gegevens kunnen slechts bewaard blijven zolang doeleinden van wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistiek daartoe nopen.]2
§ 2. Deze afwijking geldt gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek of de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd door de voormelde inspectiediensten in het kader van de uitvoering van hun wettelijke opdrachten alsook gedurende de periode waarin [2 de Directie van de administratieve geldboeten of de Directie van het epv en het eDossier van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg]2, de Dienst administratieve geldboeten of de Directie eerlijke concurrentie van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen, de inspectiedienst voor de controle van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, hetzij de Dienst voor administratieve controle of de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekeringen, hetzij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst de stukken afkomstig van de sociale inspectiediensten behandelt om de vervolgingen hieromtrent in te stellen.
Deze afwijking geldt voor zover de toepassing van dit recht nadelig zou zijn voor de controle, het onderzoek, de voorbereidende werkzaamheden of het geheim van het strafonderzoek of de veiligheid van personen dreigt te schenden.
De duur van de voorbereidende werkzaamheden, bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, gedurende dewelke artikel 16 van de algemene verordening gegevensbescherming niet van toepassing is, mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van het verzoek dat is ingediend met toepassing van dit artikel 16.
De beperking bedoeld in § 1, eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het doel van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van rectificatie rechtvaardigt.
§ 3. Bij ontvangst van een verzoek tot rectificatie bevestigt de functionaris voor de gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, onverwijld, en in ieder geval binnen één maand na de ontvangst van het verzoek, over iedere weigering of beperking van zijn recht op rectificatie alsook van de redenen voor deze weigering of beperking. Die informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen genoemd in § 1, tweede lid, zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen voor het uitstel.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer één van de voormelde inspectiediensten gebruik heeft gemaakt van de uitzondering bepaald bij § 1, eerste lid, en met uitzondering van de situaties bedoeld in het zesde en zevende lid van paragraaf 3, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk opgeheven na de afsluiting van de controle of van het onderzoek. De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd en, in voorkomend geval, nadat de bevoegde dienst voor administratieve geldboeten een beslissing heeft genomen. Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de administratie waarvan de inspectiedienst afhangt, of aan de bevoegde instelling om over de bevindingen van het onderzoek te beslissen, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld nadat de bevoegde administratie of instelling heeft beslist over het resultaat van het onderzoek.]1
[1 § 1. In afwijking van artikel 16 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), om de doelstellingen van algemeen belang van de sociale zekerheid te waarborgen, kan het recht op rectificatie worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten voor wat betreft verwerkingen van persoonsgegevens waarvan hetzij de sociale inspectiediensten bedoeld in het Sociaal Strafwetboek en in het koninklijk besluit van 1 juli 2011 tot uitvoering van de artikelen 16, 13°, 17, 20, 63, 70 en 88 van het Sociaal Strafwetboek en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht, hetzij [2 de Directie van de administratieve geldboeten of de Directie van het epv en het eDossier van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg]2, hetzij de Dienst administratieve geldboeten of de Directie eerlijke concurrentie van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen, hetzij de inspectiedienst voor de controle van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, hetzij de Dienst voor administratieve controle of de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekeringen, hetzij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst de verwerkingsverantwoordelijke zijn.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de in het eerste lid bedoelde diensten gevoerde onderzoeken, met inbegrip van de procedures voor de eventuele toepassing van een administratieve geldboete of administratieve sanctie door de bevoegde diensten, tot doel hebben.
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde afwijking niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn die [2 vijf jaar]2 na de definitieve beëindiging van de rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de beperking van de rechten van de betrokkene bedoeld in het eerste lid niet mag overschrijden. [2 Deze gegevens kunnen bewaard blijven na anonimisering of minstens pseudonimisering indien anonimisering niet voldoet voor de beoogde finaliteit van statistische doelstellingen en wetenschappelijk of historisch onderzoek. De gepseudonimiseerde gegevens kunnen slechts bewaard blijven zolang doeleinden van wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistiek daartoe nopen.]2
§ 2. Deze afwijking geldt gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek of de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd door de voormelde inspectiediensten in het kader van de uitvoering van hun wettelijke opdrachten alsook gedurende de periode waarin [2 de Directie van de administratieve geldboeten of de Directie van het epv en het eDossier van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg]2, de Dienst administratieve geldboeten of de Directie eerlijke concurrentie van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen, de inspectiedienst voor de controle van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, hetzij de Dienst voor administratieve controle of de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekeringen, hetzij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst de stukken afkomstig van de sociale inspectiediensten behandelt om de vervolgingen hieromtrent in te stellen.
Deze afwijking geldt voor zover de toepassing van dit recht nadelig zou zijn voor de controle, het onderzoek, de voorbereidende werkzaamheden of het geheim van het strafonderzoek of de veiligheid van personen dreigt te schenden.
De duur van de voorbereidende werkzaamheden, bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, gedurende dewelke artikel 16 van de algemene verordening gegevensbescherming niet van toepassing is, mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van het verzoek dat is ingediend met toepassing van dit artikel 16.
De beperking bedoeld in § 1, eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het doel van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van rectificatie rechtvaardigt.
§ 3. Bij ontvangst van een verzoek tot rectificatie bevestigt de functionaris voor de gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, onverwijld, en in ieder geval binnen één maand na de ontvangst van het verzoek, over iedere weigering of beperking van zijn recht op rectificatie alsook van de redenen voor deze weigering of beperking. Die informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen genoemd in § 1, tweede lid, zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen voor het uitstel.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer één van de voormelde inspectiediensten gebruik heeft gemaakt van de uitzondering bepaald bij § 1, eerste lid, en met uitzondering van de situaties bedoeld in het zesde en zevende lid van paragraaf 3, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk opgeheven na de afsluiting van de controle of van het onderzoek. De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd en, in voorkomend geval, nadat de bevoegde dienst voor administratieve geldboeten een beslissing heeft genomen. Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de administratie waarvan de inspectiedienst afhangt, of aan de bevoegde instelling om over de bevindingen van het onderzoek te beslissen, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld nadat de bevoegde administratie of instelling heeft beslist over het resultaat van het onderzoek.]1
Art. 100/16. [2 Le droit de rectification]2
[1 § 1er. Par dérogation à l'article 16 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), en vue de garantir les objectifs d'intérêt public de la sécurité sociale, le droit de rectification peut être retardé, limité ou exclus s'agissant des traitements de données à caractère personnel dont soit les services d'inspection sociale visés au Code pénal social et à l'arrêté royal du 1er juillet 2011 portant exécution des articles 16, 13°, 17, 20, 63, 70 et 88 du Code pénal social et fixant la date d'entrée en vigueur de la loi du 2 juin 2010 comportant des dispositions de droit pénal social, soit [2 la Direction des amendes administratives et la Direction de l'epv et de l'eDossier du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale]2, soit le Service des amendes administratives ou la Direction concurrence loyale de l'Institut national des assurances sociales pour travailleurs indépendants, soit le service d'inspection pour le contrôle des caisses d'assurances sociales pour indépendants, soit le Service du contrôle administratif ou le Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance maladie invalidité, soit le Service d'Information et de Recherche sociale sont le responsable du traitement.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes menées par les services visés à l'alinéa 1er, en ce compris les procédures visant à l'application éventuelle d'une amende administrative ou sanction administrative par les services compétents.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visé à l'article 89 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les données à caractère personnel qui résultent de la dérogation visée à l'alinéa 1er ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder [2 cinq ans]2 après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratives et extrajudiciaires découlant de la limitation des droits de la personne concernée visée à l'alinéa 1er. [2 Ces données peuvent rester conservées après anonymisation ou, à tout le moins, pseudonymisation si l'anonymisation ne répond pas à la finalité visée d'objectifs statistiques et de recherche scientifique ou historique. Les données pseudonymisées ne peuvent être conservées qu'aussi longtemps que des fins de recherche scientifique ou historique ou de statistiques le requièrent.]2
§ 2. Cette dérogation vaut durant la période dans laquelle la personne concernée est l'objet d'un contrôle ou d'une enquête ou d'actes préparatoires à ceux-ci effectués par les services d'inspection précités dans le cadre de l'exécution de ses missions légales ainsi que pendant la période durant laquelle [2 la Direction des amendes administratives et la Direction de l'epv et de l'eDossier du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale]2, le Service des amendes administratives ou la Direction concurrence loyale de l'Institut national des assurances sociales pour travailleurs indépendants, le service d'inspection pour le contrôle des caisses d'assurances sociales pour indépendants, soit le Service du contrôle administratif ou le Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance maladie invalidité, soit le Service d'Information et de Recherche sociale, traite les pièces provenant des services d'inspection sociale en vue d'exercer les poursuites en la matière.
Cette dérogation vaut dans la mesure où l' application de ce droit nuirait aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires, risque de violer le secret de l'enquête pénale ou la sécurité des personnes.
La durée des actes préparatoires, visés au paragraphe 2, alinéa 2, pendant laquelle l'article 16 du règlement général sur la protection des données n'est pas applicable, ne peut excéder un an à partir de la réception de la demande introduite en application de cet article 16.
La restriction visée au § 1er, alinéa 1er, ne vise pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation de rectification.
§ 3. Dès réception d'une demande le délégué à la protection des données du responsable du traitement en accuse réception.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation à son droit de rectification, ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'un des finalités énoncées au § 1er, alinéa 2. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le délégué à la protection des données du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le délégué à la protection des données du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsqu'un des services d'inspection précité a fait usage de l'exception telle que déterminée au § 1er, alinéa 1er, et à l'exception des situations visées aux alinéas 6 et 7 du paragraphe 3, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le délégué à la protection des données du responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire soit terminée, et, le cas échéant, après que le service des amendes administratives compétent ait pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'administration dont dépend le service d'inspection ou à l'institution compétente pour statuer sur les conclusions de l'enquête, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après que l'administration ou l'institution compétente ait statué sur le résultat de l'enquête.]1
[1 § 1er. Par dérogation à l'article 16 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), en vue de garantir les objectifs d'intérêt public de la sécurité sociale, le droit de rectification peut être retardé, limité ou exclus s'agissant des traitements de données à caractère personnel dont soit les services d'inspection sociale visés au Code pénal social et à l'arrêté royal du 1er juillet 2011 portant exécution des articles 16, 13°, 17, 20, 63, 70 et 88 du Code pénal social et fixant la date d'entrée en vigueur de la loi du 2 juin 2010 comportant des dispositions de droit pénal social, soit [2 la Direction des amendes administratives et la Direction de l'epv et de l'eDossier du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale]2, soit le Service des amendes administratives ou la Direction concurrence loyale de l'Institut national des assurances sociales pour travailleurs indépendants, soit le service d'inspection pour le contrôle des caisses d'assurances sociales pour indépendants, soit le Service du contrôle administratif ou le Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance maladie invalidité, soit le Service d'Information et de Recherche sociale sont le responsable du traitement.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes menées par les services visés à l'alinéa 1er, en ce compris les procédures visant à l'application éventuelle d'une amende administrative ou sanction administrative par les services compétents.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visé à l'article 89 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les données à caractère personnel qui résultent de la dérogation visée à l'alinéa 1er ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder [2 cinq ans]2 après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratives et extrajudiciaires découlant de la limitation des droits de la personne concernée visée à l'alinéa 1er. [2 Ces données peuvent rester conservées après anonymisation ou, à tout le moins, pseudonymisation si l'anonymisation ne répond pas à la finalité visée d'objectifs statistiques et de recherche scientifique ou historique. Les données pseudonymisées ne peuvent être conservées qu'aussi longtemps que des fins de recherche scientifique ou historique ou de statistiques le requièrent.]2
§ 2. Cette dérogation vaut durant la période dans laquelle la personne concernée est l'objet d'un contrôle ou d'une enquête ou d'actes préparatoires à ceux-ci effectués par les services d'inspection précités dans le cadre de l'exécution de ses missions légales ainsi que pendant la période durant laquelle [2 la Direction des amendes administratives et la Direction de l'epv et de l'eDossier du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale]2, le Service des amendes administratives ou la Direction concurrence loyale de l'Institut national des assurances sociales pour travailleurs indépendants, le service d'inspection pour le contrôle des caisses d'assurances sociales pour indépendants, soit le Service du contrôle administratif ou le Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance maladie invalidité, soit le Service d'Information et de Recherche sociale, traite les pièces provenant des services d'inspection sociale en vue d'exercer les poursuites en la matière.
Cette dérogation vaut dans la mesure où l' application de ce droit nuirait aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires, risque de violer le secret de l'enquête pénale ou la sécurité des personnes.
La durée des actes préparatoires, visés au paragraphe 2, alinéa 2, pendant laquelle l'article 16 du règlement général sur la protection des données n'est pas applicable, ne peut excéder un an à partir de la réception de la demande introduite en application de cet article 16.
La restriction visée au § 1er, alinéa 1er, ne vise pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation de rectification.
§ 3. Dès réception d'une demande le délégué à la protection des données du responsable du traitement en accuse réception.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation à son droit de rectification, ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'un des finalités énoncées au § 1er, alinéa 2. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le délégué à la protection des données du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le délégué à la protection des données du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsqu'un des services d'inspection précité a fait usage de l'exception telle que déterminée au § 1er, alinéa 1er, et à l'exception des situations visées aux alinéas 6 et 7 du paragraphe 3, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le délégué à la protection des données du responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire soit terminée, et, le cas échéant, après que le service des amendes administratives compétent ait pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'administration dont dépend le service d'inspection ou à l'institution compétente pour statuer sur les conclusions de l'enquête, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après que l'administration ou l'institution compétente ait statué sur le résultat de l'enquête.]1
Afdeling 4. [1 - Het recht op beperking van de verwerking.]1
Section 4. [1 - Le droit à la limitation du traitement.]1
Art. 100/17. [2 Uitstel, beperking of uitsluiting van het recht op beperking van de verwerking]2
[1 § 1. In afwijking van artikel 18 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), om de doelstellingen van algemeen belang van de sociale zekerheid te waarborgen, kan het recht op beperking van de verwerking worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten, voor wat betreft verwerkingen van persoonsgegevens waarvan hetzij de sociale inspectiediensten bedoeld in het Sociaal Strafwetboek en in het koninklijk besluit van 1 juli 2011 tot uitvoering van de artikelen 16, 13°, 17, 20, 63, 70 en 88 van het Sociaal Strafwetboek en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht, hetzij [2 de Directie van de administratieve geldboeten of de Directie van het epv en het eDossier van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg]2, hetzij de Dienst administratieve geldboeten of de Directie eerlijke concurrentie van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen, hetzij de inspectiedienst voor de controle van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, hetzij de Dienst voor administratieve controle of de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekeringen, hetzij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst de verwerkingsverantwoordelijke zijn.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de in het eerste lid bedoelde diensten gevoerde onderzoeken, met inbegrip van de procedures voor de eventuele toepassing van een administratieve geldboete of administratieve sanctie door de bevoegde diensten, tot doel hebben.
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), worden de persoonsgegeven die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde afwijking niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn die [2 vijf jaar]2 na de definitieve beëindiging van de rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de beperking van de rechten van de betrokkene bedoeld in het eerste lid niet mag overschrijden. [2 Deze gegevens kunnen bewaard blijven na anonimisering of minstens pseudonimisering indien anonimisering niet voldoet voor de beoogde finaliteit van statistische doelstellingen en wetenschappelijk of historisch onderzoek. De gepseudonimiseerde gegevens kunnen slechts bewaard blijven zolang doeleinden van wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistiek daartoe nopen.]2
§ 2. Deze afwijking geldt gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek of de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd door de voormelde inspectiediensten in het kader van de uitvoering van hun wettelijke opdrachten alsook gedurende de periode waarin [2 de Directie van de administratieve geldboeten of de Directie van het epv en het eDossier van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg]2, de Dienst administratieve geldboeten of de Directie eerlijke concurrentie van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen, de inspectiedienst voor de controle van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, hetzij de Dienst voor administratieve controle of de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekeringen, hetzij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst de stukken afkomstig van de sociale inspectiediensten behandelt om de vervolgingen hieromtrent in te stellen.
Deze afwijking geldt voor zover de toepassing van dit recht nadelig zou zijn voor de controle, het onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden of het geheim van het strafonderzoek of de veiligheid van personen dreigt te schenden.
De duur van de voorbereidende werkzaamheden, bedoeld in § 2, tweede lid, gedurende dewelke artikel 18 van de algemene verordening gegevensbescherming niet van toepassing is, mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van het verzoek dat is ingediend in toepassing van dit artikel 18.
De beperking bedoeld in § 1, eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering van de beperking van de verwerking rechtvaardigt.
§ 3. Bij ontvangst van een verzoek tot beperking van de verwerking bevestigt de functionaris voor de gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, onverwijld, en in ieder geval binnen één maand na de ontvangst van het verzoek, over iedere weigering of beperking van zijn recht op beperking van de verwerking van de hem betreffende persoonsgegevens alsook van de redenen voor deze weigering of beperking. Die informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen genoemd in § 1, tweede lid, zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen voor het uitstel.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer één van de voormelde inspectiediensten gebruik heeft gemaakt van de uitzondering bepaald bij § 1, eerste lid, en met uitzondering van de situaties bedoeld in het zesde en zevende lid van paragraaf 3, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk opgeheven na de afsluiting van de controle of van het onderzoek. De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd en, in voorkomend geval, nadat de bevoegde dienst voor administratieve geldboeten een beslissing heeft genomen. Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de administratie waarvan de inspectiedienst afhangt, of aan de bevoegde instelling om over de bevindingen van het onderzoek te beslissen, worden de rechten pas hersteld nadat de bevoegde administratie of instelling heeft beslist over het resultaat van het onderzoek.]1
[1 § 1. In afwijking van artikel 18 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), om de doelstellingen van algemeen belang van de sociale zekerheid te waarborgen, kan het recht op beperking van de verwerking worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten, voor wat betreft verwerkingen van persoonsgegevens waarvan hetzij de sociale inspectiediensten bedoeld in het Sociaal Strafwetboek en in het koninklijk besluit van 1 juli 2011 tot uitvoering van de artikelen 16, 13°, 17, 20, 63, 70 en 88 van het Sociaal Strafwetboek en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht, hetzij [2 de Directie van de administratieve geldboeten of de Directie van het epv en het eDossier van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg]2, hetzij de Dienst administratieve geldboeten of de Directie eerlijke concurrentie van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen, hetzij de inspectiedienst voor de controle van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, hetzij de Dienst voor administratieve controle of de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekeringen, hetzij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst de verwerkingsverantwoordelijke zijn.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de in het eerste lid bedoelde diensten gevoerde onderzoeken, met inbegrip van de procedures voor de eventuele toepassing van een administratieve geldboete of administratieve sanctie door de bevoegde diensten, tot doel hebben.
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), worden de persoonsgegeven die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde afwijking niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn die [2 vijf jaar]2 na de definitieve beëindiging van de rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de beperking van de rechten van de betrokkene bedoeld in het eerste lid niet mag overschrijden. [2 Deze gegevens kunnen bewaard blijven na anonimisering of minstens pseudonimisering indien anonimisering niet voldoet voor de beoogde finaliteit van statistische doelstellingen en wetenschappelijk of historisch onderzoek. De gepseudonimiseerde gegevens kunnen slechts bewaard blijven zolang doeleinden van wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistiek daartoe nopen.]2
§ 2. Deze afwijking geldt gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek of de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd door de voormelde inspectiediensten in het kader van de uitvoering van hun wettelijke opdrachten alsook gedurende de periode waarin [2 de Directie van de administratieve geldboeten of de Directie van het epv en het eDossier van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg]2, de Dienst administratieve geldboeten of de Directie eerlijke concurrentie van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen, de inspectiedienst voor de controle van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, hetzij de Dienst voor administratieve controle of de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekeringen, hetzij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst de stukken afkomstig van de sociale inspectiediensten behandelt om de vervolgingen hieromtrent in te stellen.
Deze afwijking geldt voor zover de toepassing van dit recht nadelig zou zijn voor de controle, het onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden of het geheim van het strafonderzoek of de veiligheid van personen dreigt te schenden.
De duur van de voorbereidende werkzaamheden, bedoeld in § 2, tweede lid, gedurende dewelke artikel 18 van de algemene verordening gegevensbescherming niet van toepassing is, mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van het verzoek dat is ingediend in toepassing van dit artikel 18.
De beperking bedoeld in § 1, eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering van de beperking van de verwerking rechtvaardigt.
§ 3. Bij ontvangst van een verzoek tot beperking van de verwerking bevestigt de functionaris voor de gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, onverwijld, en in ieder geval binnen één maand na de ontvangst van het verzoek, over iedere weigering of beperking van zijn recht op beperking van de verwerking van de hem betreffende persoonsgegevens alsook van de redenen voor deze weigering of beperking. Die informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen genoemd in § 1, tweede lid, zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen voor het uitstel.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer één van de voormelde inspectiediensten gebruik heeft gemaakt van de uitzondering bepaald bij § 1, eerste lid, en met uitzondering van de situaties bedoeld in het zesde en zevende lid van paragraaf 3, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk opgeheven na de afsluiting van de controle of van het onderzoek. De functionaris voor gegevensbescherming van de verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd en, in voorkomend geval, nadat de bevoegde dienst voor administratieve geldboeten een beslissing heeft genomen. Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de administratie waarvan de inspectiedienst afhangt, of aan de bevoegde instelling om over de bevindingen van het onderzoek te beslissen, worden de rechten pas hersteld nadat de bevoegde administratie of instelling heeft beslist over het resultaat van het onderzoek.]1
Art. 100/17. [2 Le retardement, la limitation ou l'exclusion du droit à la limitation du traitement]2
[1 § 1er. Par dérogation à l'article 18 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), en vue de garantir les objectifs d'intérêt public de la sécurité sociale, le droit à la limitation du traitement peut être retardé, limité ou exclus s'agissant des traitements de données à caractère personnel dont soit les services d'inspection sociale visés au Code pénal social et à l'arrêté royal du 1er juillet 2011 portant exécution des articles 16, 13°, 17, 20, 63, 70 et 88 du Code pénal social et fixant la date d'entrée en vigueur de la loi du 2 juin 2010 comportant des dispositions de droit pénal social, soit [2 la Direction des amendes administratives et la Direction de l'epv et de l'eDossier du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale]2, soit le Service des amendes administratives ou la Direction concurrence loyale de l'Institut national des assurances sociales pour travailleurs indépendants, soit le service d'inspection pour le contrôle des caisses d'assurances sociales pour indépendants, soit le Service du contrôle administratif ou le Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance maladie invalidité, soit le Service d'Information et de Recherche sociale sont le responsable du traitement.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes menées par les services visés à l'alinéa 1er, en ce compris les procédures visant à l'application éventuelle d'une amende administrative ou sanction administrative par les services compétents.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visé à l'article 89 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les données à caractère personnel qui résultent de la dérogation visée à l'alinéa 1er ne sont pas conservés plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder [2 cinq ans]2 après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratives et extrajudiciaires découlant de la limitation des droits de la personne concernée visée à l'alinéa 1er. [2 Ces données peuvent rester conservées après anonymisation ou, à tout le moins, pseudonymisation si l'anonymisation ne répond pas à la finalité visée d'objectifs statistiques et de recherche scientifique ou historique. Les données pseudonymisées ne peuvent être conservées qu'aussi longtemps que des fins de recherche scientifique ou historique ou de statistiques le requièrent.]2
§ 2. Cette dérogation vaut durant la période dans laquelle la personne concernée est l'objet d'un contrôle ou d'une enquête ou d'actes préparatoires à ceux-ci effectués par les services d'inspection précités dans le cadre de l'exécution de ses missions légales ainsi que pendant la période durant laquelle [2 la Direction des amendes administratives et la Direction de l'epv et de l'eDossier du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale]2, le Service des amendes administratives ou la Direction concurrence loyale de l'Institut national des assurances sociales pour travailleurs indépendants, le service d'inspection pour le contrôle des caisses d'assurances sociales pour indépendants, soit le Service du contrôle administratif ou le Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance maladie invalidité, soit le Service d'Information et de Recherche sociale, traite les pièces provenant des services d'inspection sociale en vue d'exercer les poursuites en la matière.
Cette dérogation vaut dans la mesure où l' application de ce droit nuirait aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires ou risque de violer le secret de l'enquête pénale ou la sécurité des personnes.
La durée des actes préparatoires, visés au § 2, alinéa 2, pendant laquelle l'article 18 du règlement général sur la protection des données n'est pas applicable, ne peut excéder un an à partir de la réception de la demande introduite en application de cet article 18.
La restriction visée au § 1er, alinéa 1er, ne vise pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus de la limitation du traitement.
§ 3. Dès réception d'une demande de limitation du traitement le délégué à la protection des données du responsable du traitement en accuse réception.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation à son droit à la limitation du traitement des données à caractère personnel la concernant ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'un des finalités énoncées au § 1er, alinéa 2. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsqu'un des services d'inspection précité a fait usage de l'exception telle que déterminée au § 1er, alinéa 1er, et à l'exception des situations visées aux alinéas 6 et 7 du paragraphe 3, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le délégué à la protection des données du responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire soit terminée, et, le cas échéant, après que le service des amendes administratives compétent ait pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'administration dont dépend le service d'inspection ou à l'institution compétente pour statuer sur les conclusions de l'enquête, les droits ne sont rétablis qu'après que l'administration ou l'institution compétente ait statué sur le résultat de l'enquête.]1
[1 § 1er. Par dérogation à l'article 18 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), en vue de garantir les objectifs d'intérêt public de la sécurité sociale, le droit à la limitation du traitement peut être retardé, limité ou exclus s'agissant des traitements de données à caractère personnel dont soit les services d'inspection sociale visés au Code pénal social et à l'arrêté royal du 1er juillet 2011 portant exécution des articles 16, 13°, 17, 20, 63, 70 et 88 du Code pénal social et fixant la date d'entrée en vigueur de la loi du 2 juin 2010 comportant des dispositions de droit pénal social, soit [2 la Direction des amendes administratives et la Direction de l'epv et de l'eDossier du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale]2, soit le Service des amendes administratives ou la Direction concurrence loyale de l'Institut national des assurances sociales pour travailleurs indépendants, soit le service d'inspection pour le contrôle des caisses d'assurances sociales pour indépendants, soit le Service du contrôle administratif ou le Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance maladie invalidité, soit le Service d'Information et de Recherche sociale sont le responsable du traitement.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes menées par les services visés à l'alinéa 1er, en ce compris les procédures visant à l'application éventuelle d'une amende administrative ou sanction administrative par les services compétents.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visé à l'article 89 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les données à caractère personnel qui résultent de la dérogation visée à l'alinéa 1er ne sont pas conservés plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder [2 cinq ans]2 après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratives et extrajudiciaires découlant de la limitation des droits de la personne concernée visée à l'alinéa 1er. [2 Ces données peuvent rester conservées après anonymisation ou, à tout le moins, pseudonymisation si l'anonymisation ne répond pas à la finalité visée d'objectifs statistiques et de recherche scientifique ou historique. Les données pseudonymisées ne peuvent être conservées qu'aussi longtemps que des fins de recherche scientifique ou historique ou de statistiques le requièrent.]2
§ 2. Cette dérogation vaut durant la période dans laquelle la personne concernée est l'objet d'un contrôle ou d'une enquête ou d'actes préparatoires à ceux-ci effectués par les services d'inspection précités dans le cadre de l'exécution de ses missions légales ainsi que pendant la période durant laquelle [2 la Direction des amendes administratives et la Direction de l'epv et de l'eDossier du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale]2, le Service des amendes administratives ou la Direction concurrence loyale de l'Institut national des assurances sociales pour travailleurs indépendants, le service d'inspection pour le contrôle des caisses d'assurances sociales pour indépendants, soit le Service du contrôle administratif ou le Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance maladie invalidité, soit le Service d'Information et de Recherche sociale, traite les pièces provenant des services d'inspection sociale en vue d'exercer les poursuites en la matière.
Cette dérogation vaut dans la mesure où l' application de ce droit nuirait aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires ou risque de violer le secret de l'enquête pénale ou la sécurité des personnes.
La durée des actes préparatoires, visés au § 2, alinéa 2, pendant laquelle l'article 18 du règlement général sur la protection des données n'est pas applicable, ne peut excéder un an à partir de la réception de la demande introduite en application de cet article 18.
La restriction visée au § 1er, alinéa 1er, ne vise pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus de la limitation du traitement.
§ 3. Dès réception d'une demande de limitation du traitement le délégué à la protection des données du responsable du traitement en accuse réception.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation à son droit à la limitation du traitement des données à caractère personnel la concernant ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'un des finalités énoncées au § 1er, alinéa 2. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le délégué à la protection des données du responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsqu'un des services d'inspection précité a fait usage de l'exception telle que déterminée au § 1er, alinéa 1er, et à l'exception des situations visées aux alinéas 6 et 7 du paragraphe 3, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le délégué à la protection des données du responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire soit terminée, et, le cas échéant, après que le service des amendes administratives compétent ait pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'administration dont dépend le service d'inspection ou à l'institution compétente pour statuer sur les conclusions de l'enquête, les droits ne sont rétablis qu'après que l'administration ou l'institution compétente ait statué sur le résultat de l'enquête.]1
TITEL 6. - Bestraffing van de inbreuken in het algemeen
TITRE 6. - La répression des infractions en général
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
CHAPITRE 1er. - Généralités
Art. 101. [1 De sanctieniveaus
De inbreuken bedoeld in Boek 2 worden bestraft met een sanctie van niveau 1, niveau 2, niveau 3 of niveau 4.
De sanctie van niveau 1 bestaat uit een administratieve geldboete van 10 tot 100 euro.
De sanctie van niveau 2 bestaat uit hetzij een strafrechtelijke geldboete van 50 tot 500 euro, hetzij een administratieve geldboete van 25 tot 250 euro.
De sanctie van niveau 3 bestaat uit hetzij een strafrechtelijke geldboete van 200 tot 2.000 euro, hetzij een administratieve geldboete van 100 tot 1.000 euro.
De sanctie van niveau 4 bestaat uit hetzij een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 7.000 euro of uit één van die straffen alleen, hetzij uit een administratieve geldboete van 300 tot 3.500 euro.]1
De inbreuken bedoeld in Boek 2 worden bestraft met een sanctie van niveau 1, niveau 2, niveau 3 of niveau 4.
De sanctie van niveau 1 bestaat uit een administratieve geldboete van 10 tot 100 euro.
De sanctie van niveau 2 bestaat uit hetzij een strafrechtelijke geldboete van 50 tot 500 euro, hetzij een administratieve geldboete van 25 tot 250 euro.
De sanctie van niveau 3 bestaat uit hetzij een strafrechtelijke geldboete van 200 tot 2.000 euro, hetzij een administratieve geldboete van 100 tot 1.000 euro.
De sanctie van niveau 4 bestaat uit hetzij een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 7.000 euro of uit één van die straffen alleen, hetzij uit een administratieve geldboete van 300 tot 3.500 euro.]1
Art. 101. [1 Les niveaux de sanction
Les infractions visées au Livre 2 sont punies d'une sanction de niveau 1, de niveau 2, de niveau 3 ou de niveau 4.
La sanction de niveau 1 est constituée d'une amende administrative de 10 à 100 euros.
La sanction de niveau 2 est constituée soit d'une amende pénale de 50 à 500 euros, soit d'une amende administrative de 25 à 250 euros.
La sanction de niveau 3 est constituée soit d'une amende pénale de 200 à 2.000 euros, soit d'une amende administrative de 100 à 1.000 euros.
La sanction de niveau 4 est constituée soit d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 7.000 euros ou de l'une de ces peines seulement, soit d'une amende administrative de 300 à 3.500 euros.]1
Les infractions visées au Livre 2 sont punies d'une sanction de niveau 1, de niveau 2, de niveau 3 ou de niveau 4.
La sanction de niveau 1 est constituée d'une amende administrative de 10 à 100 euros.
La sanction de niveau 2 est constituée soit d'une amende pénale de 50 à 500 euros, soit d'une amende administrative de 25 à 250 euros.
La sanction de niveau 3 est constituée soit d'une amende pénale de 200 à 2.000 euros, soit d'une amende administrative de 100 à 1.000 euros.
La sanction de niveau 4 est constituée soit d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 7.000 euros ou de l'une de ces peines seulement, soit d'une amende administrative de 300 à 3.500 euros.]1
Wijzigingen
Art. 101/1 TOEKOMSTIG RECHT. [1 De strafrechtelijke geldboeten op rechtspersonen toepasselijk
De strafrechtelijke geldboeten toepasselijk op inbreuken gepleegd door rechtspersonen, zijn:
- voor niveau 4: geldboete van minimum vijfhonderd euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de minimumvrijheidsstraf, doch niet lager dan de minimumgeldboete op het feit gesteld; met als maximum tweeduizend euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de maximumvrijheidsstraf, doch niet lager dan het dubbele van de maximumgeldboete op het feit gesteld;
- voor niveau 2 en 3: minimum en maximum als door het boek 2 van dit Wetboek op het feit gesteld.]1
De strafrechtelijke geldboeten toepasselijk op inbreuken gepleegd door rechtspersonen, zijn:
- voor niveau 4: geldboete van minimum vijfhonderd euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de minimumvrijheidsstraf, doch niet lager dan de minimumgeldboete op het feit gesteld; met als maximum tweeduizend euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de maximumvrijheidsstraf, doch niet lager dan het dubbele van de maximumgeldboete op het feit gesteld;
- voor niveau 2 en 3: minimum en maximum als door het boek 2 van dit Wetboek op het feit gesteld.]1
Art. 101/1 DROIT FUTUR. [1 Les amendes pénales applicables aux personnes morales
Les amendes pénales applicables aux infractions commises par les personnes morales sont:
- pour le niveau 4: une amende minimale de cinq cents euros multipliés par le nombre de mois correspondant au minimum de la peine privative de liberté, et sans pouvoir être inférieure au minimum de l'amende prévue pour le fait; le maximum s'élève à deux mille euros multipliés par le nombre de mois correspondant au maximum de la peine privative de liberté, et sans pouvoir être inférieure au double du maximum de l'amende prévue pour le fait;
- pour les niveaux 2 et 3: le minimum et le maximum sont ceux prévus par le livre 2 du présent Code pour le fait.]1
Les amendes pénales applicables aux infractions commises par les personnes morales sont:
- pour le niveau 4: une amende minimale de cinq cents euros multipliés par le nombre de mois correspondant au minimum de la peine privative de liberté, et sans pouvoir être inférieure au minimum de l'amende prévue pour le fait; le maximum s'élève à deux mille euros multipliés par le nombre de mois correspondant au maximum de la peine privative de liberté, et sans pouvoir être inférieure au double du maximum de l'amende prévue pour le fait;
- pour les niveaux 2 et 3: le minimum et le maximum sont ceux prévus par le livre 2 du présent Code pour le fait.]1
Wijzigingen
Art. 102. Opdeciemen
De opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op strafrechtelijke geldboeten zijn eveneens van toepassing op de administratieve geldboeten bedoeld bij dit Wetboek.
De bevoegde administratie maakt in haar beslissing melding van de vermenigvuldiging ingevolge de voormelde wet van 5 maart 1952 en vermeldt het getal dat het gevolg is van deze verhoging.
De opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op strafrechtelijke geldboeten zijn eveneens van toepassing op de administratieve geldboeten bedoeld bij dit Wetboek.
De bevoegde administratie maakt in haar beslissing melding van de vermenigvuldiging ingevolge de voormelde wet van 5 maart 1952 en vermeldt het getal dat het gevolg is van deze verhoging.
Art. 102. Les décimes additionnels
Les décimes additionnels visés à l'article 1er, alinéa 1er, de la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales sont également applicables aux amendes administratives visées dans le présent Code.
L'administration compétente indique dans sa décision la multiplication en vertu de la loi précitée du 5 mars 1952 ainsi que le chiffre qui résulte de cette majoration.
Les décimes additionnels visés à l'article 1er, alinéa 1er, de la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales sont également applicables aux amendes administratives visées dans le présent Code.
L'administration compétente indique dans sa décision la multiplication en vertu de la loi précitée du 5 mars 1952 ainsi que le chiffre qui résulte de cette majoration.
Art. 103. Vermenigvuldiging van de geldboete
Wanneer de geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers, kandidaat-werknemers, kinderen, [2 stagiairs, zelfstandigen, minderjarigen of sekswerkers]2 geldt de regel zowel voor de strafrechtelijke als voor de administratieve geldboete.
De vermenigvuldigde geldboete mag niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.
Wanneer de geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers, kandidaat-werknemers, kinderen, [2 stagiairs, zelfstandigen, minderjarigen of sekswerkers]2 geldt de regel zowel voor de strafrechtelijke als voor de administratieve geldboete.
De vermenigvuldigde geldboete mag niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.
Art. 103 La multiplication de l'amende
Lorsque l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs, de candidats travailleurs, d'enfants, [2 de stagiaires, d'indépendants, de mineurs ou de travailleurs du sexe concernés,]2 la règle vise tant l'amende pénale que l'amende administrative.
L'amende multipliée ne peut excéder le maximum de l'amende multipliée par cent.
Lorsque l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs, de candidats travailleurs, d'enfants, [2 de stagiaires, d'indépendants, de mineurs ou de travailleurs du sexe concernés,]2 la règle vise tant l'amende pénale que l'amende administrative.
L'amende multipliée ne peut excéder le maximum de l'amende multipliée par cent.
Art. 104. Burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de betaling van de strafrechtelijk geldboete
De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de strafrechtelijke geldboeten waartoe zijn aangestelden of lasthebbers zijn veroordeeld.
De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de strafrechtelijke geldboeten waartoe zijn aangestelden of lasthebbers zijn veroordeeld.
Art. 104. La responsabilité civile pour le paiement de l'amende pénale
L'employeur est civilement responsable du paiement des amendes pénales auxquelles ses préposés ou mandataires ont été condamnés.
L'employeur est civilement responsable du paiement des amendes pénales auxquelles ses préposés ou mandataires ont été condamnés.
Art. 105. Personen aan wie een administratieve geldboete kan worden opgelegd
[1 De administratieve geldboete kan alleen aan de overtreder worden opgelegd, zelfs indien de inbreuk is begaan door een aangestelde of een lasthebber, behalve als de overtreder kan aantonen dat hij geen fout heeft begaan, omdat hij naar zijn vermogen alle maatregelen heeft genomen om te verhinderen dat het materieel element van de inbreuk zich voordoet.
De administratieve beslissing tot schuldigverklaring kan slechts worden genomen ten aanzien van de overtreder, zelfs indien de inbreuk is begaan door een aangestelde of een lasthebber, behalve als de overtreder kan aantonen dat hij geen fout heeft begaan, omdat hij naar zijn vermogen alle maatregelen heeft genomen om te verhinderen dat het materiële element van de inbreuk zich voordoet.]1
[1 De administratieve geldboete kan alleen aan de overtreder worden opgelegd, zelfs indien de inbreuk is begaan door een aangestelde of een lasthebber, behalve als de overtreder kan aantonen dat hij geen fout heeft begaan, omdat hij naar zijn vermogen alle maatregelen heeft genomen om te verhinderen dat het materieel element van de inbreuk zich voordoet.
De administratieve beslissing tot schuldigverklaring kan slechts worden genomen ten aanzien van de overtreder, zelfs indien de inbreuk is begaan door een aangestelde of een lasthebber, behalve als de overtreder kan aantonen dat hij geen fout heeft begaan, omdat hij naar zijn vermogen alle maatregelen heeft genomen om te verhinderen dat het materiële element van de inbreuk zich voordoet.]1
Art. 105. Les personnes auxquelles une amende administrative peut être infligée
[1 L'amende administrative ne peut être infligée qu'au contrevenant, même si l'infraction a été commise par un préposé ou un mandataire, sauf si le contrevenant peut démontrer qu'il n'a commis aucune faute, parce qu'il a pris toutes les mesures en son pouvoir pour empêcher que l'élément matériel de l'infraction se réalise.
La décision administrative déclarant la culpabilité ne peut être prise qu'à l'égard du contrevenant, même si l'infraction a été commise par un préposé ou un mandataire, sauf si le contrevenant peut démontrer qu'il n'a commis aucune faute, parce qu'il a pris toutes les mesures en son pouvoir pour empêcher que l'élément matériel de l'infraction se réalise.]1
[1 L'amende administrative ne peut être infligée qu'au contrevenant, même si l'infraction a été commise par un préposé ou un mandataire, sauf si le contrevenant peut démontrer qu'il n'a commis aucune faute, parce qu'il a pris toutes les mesures en son pouvoir pour empêcher que l'élément matériel de l'infraction se réalise.
La décision administrative déclarant la culpabilité ne peut être prise qu'à l'égard du contrevenant, même si l'infraction a été commise par un préposé ou un mandataire, sauf si le contrevenant peut démontrer qu'il n'a commis aucune faute, parce qu'il a pris toutes les mesures en son pouvoir pour empêcher que l'élément matériel de l'infraction se réalise.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 2. - Bijzondere strafsancties
CHAPITRE 2. - Les sanctions pénales particulières
Art. 106. Exploitatieverbod en bedrijfssluiting
§ 1. [1 Voor de inbreuken van niveau 3 en 4, en op voorwaarde dat de wet dit voorziet, kan de rechter de veroordeelde het verbod opleggen om gedurende een periode van één maand tot drie jaar, zelf of via een tussenpersoon, een onderneming of een inrichting geheel of gedeeltelijk uit te baten of bij de onderneming of inrichting waar de inbreuk is begaan onder gelijk welke hoedanigheid te worden tewerkgesteld.]1
Voor de inbreuken van niveau 3 en 4 en op voorwaarde dat de wet dit voorziet, kan de rechter bovendien, mits hij zijn beslissing ter zake met redenen omkleedt, de gehele of gedeeltelijke sluiting van de onderneming of inrichting waar de inbreuken werden begaan, bevelen voor de duur van één maand tot drie jaar.
[1 Voor de inbreuk bedoeld in artikel 235 kan de rechter enkel exploitatieverbod of een bedrijfssluiting opleggen indien de inbreuk werd begaan door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber.]1
§ 2. De duur van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van § 1 gaat in vanaf de dag waarop de veroordeelde zijn straf heeft ondergaan of waarop zijn straf verjaard is en, bij voorwaardelijke vrijlating, vanaf de dag van de invrijheidstelling, voor zover deze laatste niet ingetrokken wordt.
De gevolgen zullen evenwel een aanvang nemen zodra de veroordeling op tegenspraak of bij verstek definitief is.
§ 3. De rechter kan de in § 1 bedoelde straffen slechts opleggen wanneer dit noodzakelijk is om de inbreuken te doen stoppen of om te voorkomen dat zij zich herhalen, op voorwaarde dat de veroordeling tot deze straffen in verhouding staat tot het geheel van de betrokken sociaal-economische belangen. Voor de inbreuken van niveau 3 kunnen de in § 1 bedoelde straffen bovendien slechts worden opgelegd voor zover de gezondheid of de veiligheid van personen door deze inbreuken in gevaar wordt gebracht.
Deze straffen doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
§ 4. Elke inbreuk op de beschikking van het vonnis of van het arrest waarbij een verbod of sluiting wordt opgelegd met toepassing van § 1 wordt bestraft met een sanctie van niveau 3.
§ 1. [1 Voor de inbreuken van niveau 3 en 4, en op voorwaarde dat de wet dit voorziet, kan de rechter de veroordeelde het verbod opleggen om gedurende een periode van één maand tot drie jaar, zelf of via een tussenpersoon, een onderneming of een inrichting geheel of gedeeltelijk uit te baten of bij de onderneming of inrichting waar de inbreuk is begaan onder gelijk welke hoedanigheid te worden tewerkgesteld.]1
Voor de inbreuken van niveau 3 en 4 en op voorwaarde dat de wet dit voorziet, kan de rechter bovendien, mits hij zijn beslissing ter zake met redenen omkleedt, de gehele of gedeeltelijke sluiting van de onderneming of inrichting waar de inbreuken werden begaan, bevelen voor de duur van één maand tot drie jaar.
[1 Voor de inbreuk bedoeld in artikel 235 kan de rechter enkel exploitatieverbod of een bedrijfssluiting opleggen indien de inbreuk werd begaan door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber.]1
§ 2. De duur van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van § 1 gaat in vanaf de dag waarop de veroordeelde zijn straf heeft ondergaan of waarop zijn straf verjaard is en, bij voorwaardelijke vrijlating, vanaf de dag van de invrijheidstelling, voor zover deze laatste niet ingetrokken wordt.
De gevolgen zullen evenwel een aanvang nemen zodra de veroordeling op tegenspraak of bij verstek definitief is.
§ 3. De rechter kan de in § 1 bedoelde straffen slechts opleggen wanneer dit noodzakelijk is om de inbreuken te doen stoppen of om te voorkomen dat zij zich herhalen, op voorwaarde dat de veroordeling tot deze straffen in verhouding staat tot het geheel van de betrokken sociaal-economische belangen. Voor de inbreuken van niveau 3 kunnen de in § 1 bedoelde straffen bovendien slechts worden opgelegd voor zover de gezondheid of de veiligheid van personen door deze inbreuken in gevaar wordt gebracht.
Deze straffen doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
§ 4. Elke inbreuk op de beschikking van het vonnis of van het arrest waarbij een verbod of sluiting wordt opgelegd met toepassing van § 1 wordt bestraft met een sanctie van niveau 3.
Art. 106. L'interdiction d'exploiter et la fermeture de l'entreprise
§ 1er. [1 Pour les infractions de niveaux 3 et 4 et lorsque la loi le prévoit, le juge peut interdire au condamné d'exploiter, pour un terme d'un mois à trois ans, soit par lui-même, soit par personne interposée, une entreprise ou un établissement en tout ou en partie ou d'être employé dans l'entreprise ou l'établissement où l'infraction a été commise à quelque titre que ce soit.]1
Pour les infractions de niveaux 3 et 4 et lorsque la loi le prévoit, le juge peut, en outre, en motivant sa décision sur ce point, ordonner la fermeture, pour une durée d'un mois à trois ans, de tout ou partie de l'entreprise ou de l'établissement dans lequel les infractions ont été commises.
[1 Pour l'infraction visée à l'article 235, le juge ne peut prononcer une peine d'interdiction d'exploiter ou de fermeture de l'entreprise que si l'infraction a été commise par l'employeur, son préposé ou son mandataire.]1
§ 2. La durée de la peine prononcée en application du § 1er court à compter du jour où le condamné aura subi ou prescrit sa peine et, s'il est libéré conditionnellement, à partir du jour de la libération pour autant que celle-ci ne soit pas révoquée.
Elle produit cependant ses effets à compter du jour où la condamnation contradictoire ou par défaut est devenue définitive.
§ 3. Le juge peut uniquement infliger les peines visées au § 1er quand cela s'avère nécessaire pour faire cesser l'infraction ou empêcher sa réitération, pour autant que la condamnation à ces peines soit proportionnée à l'ensemble des intérêts socio-économiques concernés. En outre, pour les infractions de niveau 3, les peines visées au § 1er ne peuvent être infligées que pour autant que la santé ou la sécurité des personnes est mise en danger par ces infractions.
Ces peines ne portent pas atteinte aux droits des tiers.
§ 4. Toute infraction à la disposition du jugement ou de l'arrêt qui prononce une interdiction ou une fermeture en application du § 1er est punie d'une sanction de niveau 3.
§ 1er. [1 Pour les infractions de niveaux 3 et 4 et lorsque la loi le prévoit, le juge peut interdire au condamné d'exploiter, pour un terme d'un mois à trois ans, soit par lui-même, soit par personne interposée, une entreprise ou un établissement en tout ou en partie ou d'être employé dans l'entreprise ou l'établissement où l'infraction a été commise à quelque titre que ce soit.]1
Pour les infractions de niveaux 3 et 4 et lorsque la loi le prévoit, le juge peut, en outre, en motivant sa décision sur ce point, ordonner la fermeture, pour une durée d'un mois à trois ans, de tout ou partie de l'entreprise ou de l'établissement dans lequel les infractions ont été commises.
[1 Pour l'infraction visée à l'article 235, le juge ne peut prononcer une peine d'interdiction d'exploiter ou de fermeture de l'entreprise que si l'infraction a été commise par l'employeur, son préposé ou son mandataire.]1
§ 2. La durée de la peine prononcée en application du § 1er court à compter du jour où le condamné aura subi ou prescrit sa peine et, s'il est libéré conditionnellement, à partir du jour de la libération pour autant que celle-ci ne soit pas révoquée.
Elle produit cependant ses effets à compter du jour où la condamnation contradictoire ou par défaut est devenue définitive.
§ 3. Le juge peut uniquement infliger les peines visées au § 1er quand cela s'avère nécessaire pour faire cesser l'infraction ou empêcher sa réitération, pour autant que la condamnation à ces peines soit proportionnée à l'ensemble des intérêts socio-économiques concernés. En outre, pour les infractions de niveau 3, les peines visées au § 1er ne peuvent être infligées que pour autant que la santé ou la sécurité des personnes est mise en danger par ces infractions.
Ces peines ne portent pas atteinte aux droits des tiers.
§ 4. Toute infraction à la disposition du jugement ou de l'arrêt qui prononce une interdiction ou une fermeture en application du § 1er est punie d'une sanction de niveau 3.
Wijzigingen
Art. 107. Beroepsverbod en bedrijfssluiting
§ 1. [1 Voor de inbreuken van niveau 3 en 4, en op voorwaarde dat de wet dit voorziet, kan de rechter de veroordeelde verbieden om zijn beroep rechtstreeks of onrechtstreeks en in welke hoedanigheid ook uit te oefenen, gedurende een periode van één maand tot drie jaar, als hij ernstig misbruik gemaakt heeft van zijn beroep om de inbreuk te plegen.]1
Voor de inbreuken van niveau 3 en 4 en op voorwaarde dat de wet dit voorziet, kan de rechter bovendien, mits hij zijn beslissing ter zake met redenen omkleedt, de gehele of gedeeltelijke sluiting van de onderneming of van de vestigingen van de vennootschap, vereniging, organisatie of onderneming van de veroordeelde of waarvan de veroordeelde bestuurder is, bevelen voor een duur van één maand tot drie jaar.
[1 Voor de inbreuk bedoeld in artikel 235 kan de rechter enkel exploitatieverbod of een bedrijfssluiting opleggen indien de inbreuk werd begaan door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber.]1
§ 2. De duur van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van § 1 gaat in vanaf de dag waarop de veroordeelde zijn straf heeft ondergaan of waarop zijn straf verjaard is en, bij voorwaardelijke vrijlating, vanaf de dag van de invrijheidstelling, voor zover deze laatste niet ingetrokken wordt.
Zij wordt evenwel van kracht vanaf de dag waarop de veroordeling, op tegenspraak of bij verstek, definitief geworden is.
§ 3. De rechter kan de in § 1 bedoelde straffen slechts opleggen wanneer dit noodzakelijk is om de inbreuken te doen stoppen of om te voorkomen dat zij zich herhalen, op voorwaarde dat de veroordeling tot deze straffen in verhouding staat tot het geheel van de betrokken sociaal-economische belangen. Voor de inbreuken van niveau 3 kunnen de in § 1 bedoelde straffen bovendien slechts worden opgelegd voor zover de gezondheid of de veiligheid van personen door deze inbreuken in gevaar wordt gebracht.
Deze straffen doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
§ 4. Iedere inbreuk op de beschikking van het vonnis of van het arrest waarbij in toepassing van § 1 een verbod of een sluiting wordt uitgesproken, wordt bestraft met een sanctie van niveau 3.
§ 1. [1 Voor de inbreuken van niveau 3 en 4, en op voorwaarde dat de wet dit voorziet, kan de rechter de veroordeelde verbieden om zijn beroep rechtstreeks of onrechtstreeks en in welke hoedanigheid ook uit te oefenen, gedurende een periode van één maand tot drie jaar, als hij ernstig misbruik gemaakt heeft van zijn beroep om de inbreuk te plegen.]1
Voor de inbreuken van niveau 3 en 4 en op voorwaarde dat de wet dit voorziet, kan de rechter bovendien, mits hij zijn beslissing ter zake met redenen omkleedt, de gehele of gedeeltelijke sluiting van de onderneming of van de vestigingen van de vennootschap, vereniging, organisatie of onderneming van de veroordeelde of waarvan de veroordeelde bestuurder is, bevelen voor een duur van één maand tot drie jaar.
[1 Voor de inbreuk bedoeld in artikel 235 kan de rechter enkel exploitatieverbod of een bedrijfssluiting opleggen indien de inbreuk werd begaan door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber.]1
§ 2. De duur van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van § 1 gaat in vanaf de dag waarop de veroordeelde zijn straf heeft ondergaan of waarop zijn straf verjaard is en, bij voorwaardelijke vrijlating, vanaf de dag van de invrijheidstelling, voor zover deze laatste niet ingetrokken wordt.
Zij wordt evenwel van kracht vanaf de dag waarop de veroordeling, op tegenspraak of bij verstek, definitief geworden is.
§ 3. De rechter kan de in § 1 bedoelde straffen slechts opleggen wanneer dit noodzakelijk is om de inbreuken te doen stoppen of om te voorkomen dat zij zich herhalen, op voorwaarde dat de veroordeling tot deze straffen in verhouding staat tot het geheel van de betrokken sociaal-economische belangen. Voor de inbreuken van niveau 3 kunnen de in § 1 bedoelde straffen bovendien slechts worden opgelegd voor zover de gezondheid of de veiligheid van personen door deze inbreuken in gevaar wordt gebracht.
Deze straffen doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
§ 4. Iedere inbreuk op de beschikking van het vonnis of van het arrest waarbij in toepassing van § 1 een verbod of een sluiting wordt uitgesproken, wordt bestraft met een sanctie van niveau 3.
Art. 107. L'interdiction professionnelle et la fermeture de l'entreprise
§ 1er. [1 Pour les infractions de niveaux 3 et 4, et lorsque la loi le prévoit, le juge peut interdire au condamné d'exercer sa profession, directement ou indirectement, à quelque titre que ce soit, pour une durée d'un mois à trois ans, s'il a abusé gravement de sa profession pour commettre l'infraction.]1
Pour les infractions de niveaux 3 et 4 et lorsque la loi le prévoit, le juge peut, en outre, en motivant sa décision sur ce point, ordonner la fermeture, pour une durée d'un mois à trois ans, de tout ou partie de l'entreprise ou des établissements de la société, association, groupement ou entreprise du condamné ou dont le condamné est dirigeant.
[1 Pour l'infraction visée à l'article 235, le juge ne peut prononcer une peine d'interdiction professionnelle ou de fermeture de l'entreprise que si l'infraction a été commise par l'employeur, son préposé ou son mandataire.]1
§ 2. La durée de la peine prononcée en application du § 1er court à compter du jour où le condamné aura subi ou prescrit sa peine et, s'il est libéré conditionnellement, à partir du jour de la libération pour autant que celle-ci ne soit pas révoquée.
Elle produit cependant ses effets à compter du jour où la condamnation contradictoire ou par défaut est devenue définitive.
§ 3. Le juge peut uniquement infliger les peines visées au § 1er quand cela s'avère nécessaire pour faire cesser l'infraction ou empêcher sa réitération, pour autant que la condamnation à ces peines soit proportionnée à l'ensemble des intérêts socio-économiques concernés. En outre, pour les infractions de niveau 3, les peines visées au § 1er ne peuvent être infligées que pour autant que la santé ou la sécurité des personnes est mise en danger par ces infractions.
Ces peines ne portent pas atteinte aux droits des tiers.
§ 4. Toute infraction à la disposition du jugement ou de l'arrêt qui prononce une interdiction ou une fermeture en application du § 1er est punie d'une sanction de niveau 3.
§ 1er. [1 Pour les infractions de niveaux 3 et 4, et lorsque la loi le prévoit, le juge peut interdire au condamné d'exercer sa profession, directement ou indirectement, à quelque titre que ce soit, pour une durée d'un mois à trois ans, s'il a abusé gravement de sa profession pour commettre l'infraction.]1
Pour les infractions de niveaux 3 et 4 et lorsque la loi le prévoit, le juge peut, en outre, en motivant sa décision sur ce point, ordonner la fermeture, pour une durée d'un mois à trois ans, de tout ou partie de l'entreprise ou des établissements de la société, association, groupement ou entreprise du condamné ou dont le condamné est dirigeant.
[1 Pour l'infraction visée à l'article 235, le juge ne peut prononcer une peine d'interdiction professionnelle ou de fermeture de l'entreprise que si l'infraction a été commise par l'employeur, son préposé ou son mandataire.]1
§ 2. La durée de la peine prononcée en application du § 1er court à compter du jour où le condamné aura subi ou prescrit sa peine et, s'il est libéré conditionnellement, à partir du jour de la libération pour autant que celle-ci ne soit pas révoquée.
Elle produit cependant ses effets à compter du jour où la condamnation contradictoire ou par défaut est devenue définitive.
§ 3. Le juge peut uniquement infliger les peines visées au § 1er quand cela s'avère nécessaire pour faire cesser l'infraction ou empêcher sa réitération, pour autant que la condamnation à ces peines soit proportionnée à l'ensemble des intérêts socio-économiques concernés. En outre, pour les infractions de niveau 3, les peines visées au § 1er ne peuvent être infligées que pour autant que la santé ou la sécurité des personnes est mise en danger par ces infractions.
Ces peines ne portent pas atteinte aux droits des tiers.
§ 4. Toute infraction à la disposition du jugement ou de l'arrêt qui prononce une interdiction ou une fermeture en application du § 1er est punie d'une sanction de niveau 3.
Wijzigingen
Art. 107/1. [1 De uitsluiting om deel te nemen aan overheidsopdrachten of concessies
Voor de inbreuken van niveau 3 en 4, kan de uitsluiting van het recht in te schrijven voor overheidsopdrachten of om concessies te verkrijgen door de rechter worden uitgesproken, gedurende een periode van drie jaar tot ten hoogste vijf jaar, wanneer de dader veroordeeld werd uit hoofde van een van deze inbreuken behalve in de bij wet bepaalde gevallen.
De duur van de in toepassing van de in het eerste lid opgelegde straf loopt vanaf de dag waarop de veroordeelde zijn straf zal uitgezeten hebben of zijn straf zal verjaard zijn, en, als hij voorwaardelijk vrijgelaten werd, vanaf de dag van zijn vrijlating voor zover deze niet herroepen werd.
De kandidaat of de inschrijver kan het bewijs leveren dat hij maatregelen genomen heeft om zijn betrouwbaarheid aan te tonen, meer bepaald door aan te tonen dat hij in voorkomend geval een vergoeding heeft betaald tot herstel van de schade die door de strafrechtelijke inbreuk veroorzaakt werd, dat hij de feiten of de omstandigheden volledig opgehelderd heeft en actief met de met het onderzoek belaste overheden samengewerkt heeft, en dat hij concrete maatregelen genomen heeft om zijn situatie te regulariseren en om een nieuwe strafrechtelijke inbreuk te voorkomen.
Rekening houdend met de ernst en de specifieke omstandigheden van de strafrechtelijke inbreuk, evalueert de rechter deze maatregelen vooraleer de in het eerste lid bedoelde straf uit te spreken.]1
Voor de inbreuken van niveau 3 en 4, kan de uitsluiting van het recht in te schrijven voor overheidsopdrachten of om concessies te verkrijgen door de rechter worden uitgesproken, gedurende een periode van drie jaar tot ten hoogste vijf jaar, wanneer de dader veroordeeld werd uit hoofde van een van deze inbreuken behalve in de bij wet bepaalde gevallen.
De duur van de in toepassing van de in het eerste lid opgelegde straf loopt vanaf de dag waarop de veroordeelde zijn straf zal uitgezeten hebben of zijn straf zal verjaard zijn, en, als hij voorwaardelijk vrijgelaten werd, vanaf de dag van zijn vrijlating voor zover deze niet herroepen werd.
De kandidaat of de inschrijver kan het bewijs leveren dat hij maatregelen genomen heeft om zijn betrouwbaarheid aan te tonen, meer bepaald door aan te tonen dat hij in voorkomend geval een vergoeding heeft betaald tot herstel van de schade die door de strafrechtelijke inbreuk veroorzaakt werd, dat hij de feiten of de omstandigheden volledig opgehelderd heeft en actief met de met het onderzoek belaste overheden samengewerkt heeft, en dat hij concrete maatregelen genomen heeft om zijn situatie te regulariseren en om een nieuwe strafrechtelijke inbreuk te voorkomen.
Rekening houdend met de ernst en de specifieke omstandigheden van de strafrechtelijke inbreuk, evalueert de rechter deze maatregelen vooraleer de in het eerste lid bedoelde straf uit te spreken.]1
Art. 107/1. [1 L'exclusion du droit de participer à des marchés publics ou à des concessions
Pour les infractions de niveaux 3 et 4, l'exclusion du droit de participer à des marchés publics ou des concessions pourra être prononcée par le juge, pour un délai de trois ans à cinq ans au plus lorsque l'auteur été condamné du chef d'une de ces infractions, sauf dans les cas prévus par la loi.
La durée de la peine prononcée en application de l'alinéa 1er court à compter du jour où le condamné aura subi sa peine ou à compter du jour où sa peine sera prescrite et, s'il est libéré conditionnellement, à partir du jour de la libération pour autant que celle-ci ne soit pas révoquée.
Le candidat ou le soumissionnaire peut fournir des preuves qu'il a pris des mesures de nature à démontrer sa fiabilité, notamment en établissant qu'il a, le cas échéant, versé une indemnité en réparation du préjudice causé par l'infraction pénale, qu'il a clarifié totalement les faits ou les circonstances en collaborant activement avec les autorités chargées de l'enquête et qu'il a pris des mesures concrètes propres à régulariser sa situation et à prévenir une nouvelle infraction pénale.
Le juge évalue ces mesures en tenant compte de la gravité et des circonstances particulières de l'infraction pénale avant de prononcer la peine visée à l'alinéa 1er.]1
Pour les infractions de niveaux 3 et 4, l'exclusion du droit de participer à des marchés publics ou des concessions pourra être prononcée par le juge, pour un délai de trois ans à cinq ans au plus lorsque l'auteur été condamné du chef d'une de ces infractions, sauf dans les cas prévus par la loi.
La durée de la peine prononcée en application de l'alinéa 1er court à compter du jour où le condamné aura subi sa peine ou à compter du jour où sa peine sera prescrite et, s'il est libéré conditionnellement, à partir du jour de la libération pour autant que celle-ci ne soit pas révoquée.
Le candidat ou le soumissionnaire peut fournir des preuves qu'il a pris des mesures de nature à démontrer sa fiabilité, notamment en établissant qu'il a, le cas échéant, versé une indemnité en réparation du préjudice causé par l'infraction pénale, qu'il a clarifié totalement les faits ou les circonstances en collaborant activement avec les autorités chargées de l'enquête et qu'il a pris des mesures concrètes propres à régulariser sa situation et à prévenir une nouvelle infraction pénale.
Le juge évalue ces mesures en tenant compte de la gravité et des circonstances particulières de l'infraction pénale avant de prononcer la peine visée à l'alinéa 1er.]1
HOOFDSTUK 3. - De op de strafrechtelijke sancties toepasselijke regels
CHAPITRE 3. - Les règles applicables aux sanctions pénales
Art. 108. Herhaling
[1 Bij herhaling binnen de drie jaar die volgen op een veroordeling voor een inbreuk op de bepalingen van boek 2, kan de strafrechtelijke geldboete op het dubbele van het maximum worden gebracht.
Hoofdstuk V. van boek 1 van het Strafwetboek is niet van toepassing op de inbreuken bedoeld in boek 2.]1
[1 Bij herhaling binnen de drie jaar die volgen op een veroordeling voor een inbreuk op de bepalingen van boek 2, kan de strafrechtelijke geldboete op het dubbele van het maximum worden gebracht.
Hoofdstuk V. van boek 1 van het Strafwetboek is niet van toepassing op de inbreuken bedoeld in boek 2.]1
Art. 108. La récidive
[1 En cas de récidive dans les trois ans qui suivent une condamnation pour une infraction aux dispositions du livre 2, l'amende pénale peut être portée au double du maximum.
Le chapitre V du livre 1er du Code pénal n'est pas applicable aux infractions visées au livre 2.]1
[1 En cas de récidive dans les trois ans qui suivent une condamnation pour une infraction aux dispositions du livre 2, l'amende pénale peut être portée au double du maximum.
Le chapitre V du livre 1er du Code pénal n'est pas applicable aux infractions visées au livre 2.]1
Wijzigingen
Art. 109. Deelneming aan de inbreuk
Hoofdstuk VII van Boek 1 van het Strafwetboek is toepasselijk op de inbreuken bedoeld in Boek 2.
Hoofdstuk VII van Boek 1 van het Strafwetboek is toepasselijk op de inbreuken bedoeld in Boek 2.
Art. 109. La participation à l'infraction
Le chapitre VII du Livre 1er du Code pénal est applicable aux infractions visées par le Livre 2.
Le chapitre VII du Livre 1er du Code pénal est applicable aux infractions visées par le Livre 2.
Art. 110. Verzachtende omstandigheden
Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, kan de geldboete worden verminderd tot een bedrag onder het wettelijk minimum, waarbij het evenwel niet lager mag zijn dan 40 % van het voorgeschreven minimumbedrag.
De geldboete opgelegd aan de sociaal verzekerde kan worden verminderd tot een bedrag onder het wettelijk minimum overeenkomstig artikel 85 van het Strafwetboek indien zijn financiële situatie dit rechtvaardigt wegens het feit dat hij evenzeer vatbaar is voor een vermindering, een opschorting of een volledige of gedeeltelijke uitsluiting van het recht op een sociaal voordeel bedoeld bij artikel 230.
Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, kan de gevangenisstraf overeenkomstig artikel 85 van het Strafwetboek worden verminderd.
[1 In geval van niet-naleving van de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden voorzien in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die strafrechtelijk beteugeld worden of in conventionele bepalingen die door de Koning overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités algemeen verbindend zijn verklaard en die van toepassing zijn overeenkomstig artikel 5 van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, indien de enige officiële nationale website, in de zin van artikel 5 van de richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt ("de IMI-verordening"), geen melding maakt van de bovenvermelde arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden, wordt er rekening gehouden met dit gebrek aan informatie bij het bepalen van de sanctie overeenkomstig het eerste en derde lid van dit artikel.]1
Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, kan de geldboete worden verminderd tot een bedrag onder het wettelijk minimum, waarbij het evenwel niet lager mag zijn dan 40 % van het voorgeschreven minimumbedrag.
De geldboete opgelegd aan de sociaal verzekerde kan worden verminderd tot een bedrag onder het wettelijk minimum overeenkomstig artikel 85 van het Strafwetboek indien zijn financiële situatie dit rechtvaardigt wegens het feit dat hij evenzeer vatbaar is voor een vermindering, een opschorting of een volledige of gedeeltelijke uitsluiting van het recht op een sociaal voordeel bedoeld bij artikel 230.
Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, kan de gevangenisstraf overeenkomstig artikel 85 van het Strafwetboek worden verminderd.
[1 In geval van niet-naleving van de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden voorzien in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die strafrechtelijk beteugeld worden of in conventionele bepalingen die door de Koning overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités algemeen verbindend zijn verklaard en die van toepassing zijn overeenkomstig artikel 5 van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, indien de enige officiële nationale website, in de zin van artikel 5 van de richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt ("de IMI-verordening"), geen melding maakt van de bovenvermelde arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden, wordt er rekening gehouden met dit gebrek aan informatie bij het bepalen van de sanctie overeenkomstig het eerste en derde lid van dit artikel.]1
Art. 110. Les circonstances atténuantes
S'il existe des circonstances atténuantes, l'amende peut être réduite au-dessous du montant minimum porté par la loi, sans qu'elle puisse toutefois être inférieure à 40 pour-cent du montant minimum prescrit.
L'amende infligée à l'assuré social peut être réduite en dessous du montant minimum porté par la loi conformément à l'article 85 du Code pénal si sa situation financière le justifie en raison du fait qu'il est également passible d'une diminution, d'une suspension ou d'une exclusion totale ou partielle du droit à un avantage social visé à l'article 230.
S'il existe des circonstances atténuantes, la peine d'emprisonnement peut être réduite conformément à l'article 85 du Code pénal.
[1 En cas de non-respect des conditions de travail, de rémunération et d'emploi, prévues par des dispositions légales ou réglementaires sanctionnées pénalement ou par des dispositions conventionnelles rendues obligatoires par le Roi conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, et qui sont applicables conformément à l'article 5 de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci, si le site internet national officiel unique au sens de l'article 5 de la directive 2014/67/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 relative à l'exécution de la directive 96/71/CE concernant le détachement de travailleurs effectué dans le cadre d'une prestation de services et modifiant le règlement (UE) n° 1024/2012 concernant la coopération administrative par l'intermédiaire du système d'information du marché intérieur ("règlement IMI") n'indiquait pas d'informations sur les conditions de travail, de rémunération et d'emploi précitées, pareille absence d'informations est prise en compte lors de la détermination de la sanction, dans le respect des alinéas 1er et 3 du présent article.]1
S'il existe des circonstances atténuantes, l'amende peut être réduite au-dessous du montant minimum porté par la loi, sans qu'elle puisse toutefois être inférieure à 40 pour-cent du montant minimum prescrit.
L'amende infligée à l'assuré social peut être réduite en dessous du montant minimum porté par la loi conformément à l'article 85 du Code pénal si sa situation financière le justifie en raison du fait qu'il est également passible d'une diminution, d'une suspension ou d'une exclusion totale ou partielle du droit à un avantage social visé à l'article 230.
S'il existe des circonstances atténuantes, la peine d'emprisonnement peut être réduite conformément à l'article 85 du Code pénal.
[1 En cas de non-respect des conditions de travail, de rémunération et d'emploi, prévues par des dispositions légales ou réglementaires sanctionnées pénalement ou par des dispositions conventionnelles rendues obligatoires par le Roi conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, et qui sont applicables conformément à l'article 5 de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci, si le site internet national officiel unique au sens de l'article 5 de la directive 2014/67/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 relative à l'exécution de la directive 96/71/CE concernant le détachement de travailleurs effectué dans le cadre d'une prestation de services et modifiant le règlement (UE) n° 1024/2012 concernant la coopération administrative par l'intermédiaire du système d'information du marché intérieur ("règlement IMI") n'indiquait pas d'informations sur les conditions de travail, de rémunération et d'emploi précitées, pareille absence d'informations est prise en compte lors de la détermination de la sanction, dans le respect des alinéas 1er et 3 du présent article.]1
Wijzigingen
Art. 110/1. [1 Verzwarende factor
Wanneer de inbreuk bestraft wordt met een sanctie van niveau 4, maakt de omstandigheid dat hij wetens en willens gepleegd werd, een verzwarende factor uit die de rechter in overweging moet nemen bij de keuze van de sanctie onder de sancties van niveau 4 en bij de keuze van de bijzondere strafsancties.]1
[2 Als een strafrechtelijke geldboete opgelegd wordt, mag het bedrag ervan niet lager zijn dan de helft van het maximumbedrag van de strafrechtelijke geldboete voorzien in de sanctie van niveau 4 in artikel 101 van dit Wetboek.
De voorgaande leden zijn niet van toepassing op inbreuken waarbij het feit dat deze wetens en willens gepleegd werden reeds als verzwarend bestanddeel in aanmerking werd genomen om het toepasselijke sanctieniveau te verhogen van een lager sanctieniveau naar de sanctie van niveau 4.]2
Wanneer de inbreuk bestraft wordt met een sanctie van niveau 4, maakt de omstandigheid dat hij wetens en willens gepleegd werd, een verzwarende factor uit die de rechter in overweging moet nemen bij de keuze van de sanctie onder de sancties van niveau 4 en bij de keuze van de bijzondere strafsancties.]1
[2 Als een strafrechtelijke geldboete opgelegd wordt, mag het bedrag ervan niet lager zijn dan de helft van het maximumbedrag van de strafrechtelijke geldboete voorzien in de sanctie van niveau 4 in artikel 101 van dit Wetboek.
De voorgaande leden zijn niet van toepassing op inbreuken waarbij het feit dat deze wetens en willens gepleegd werden reeds als verzwarend bestanddeel in aanmerking werd genomen om het toepasselijke sanctieniveau te verhogen van een lager sanctieniveau naar de sanctie van niveau 4.]2
Art. 110/1. [1 Le facteur aggravant
Lorsque l'infraction est punie d'une sanction de niveau 4, la circonstance qu'elle ait été commise sciemment et volontairement constitue un facteur aggravant qui doit être pris en considération par le juge lors du choix de la sanction parmi les sanctions de niveau 4 et lors du choix des sanctions pénales particulières.]1
[2 Si une amende pénale est infligée, le montant de celle-ci ne peut pas être inférieur à la moitié du montant maximum de l'amende pénale prévue dans la sanction de niveau 4 à l'article 101 du présent Code.
Les alinéas précédents ne s'appliquent pas aux infractions pour lesquelles le fait qu'elles ont été commises sciemment et volontairement a déjà été pris en considération comme élément aggravant pour augmenter le niveau de sanction applicable d'un niveau de sanction inférieur à la sanction de niveau 4.]2
Lorsque l'infraction est punie d'une sanction de niveau 4, la circonstance qu'elle ait été commise sciemment et volontairement constitue un facteur aggravant qui doit être pris en considération par le juge lors du choix de la sanction parmi les sanctions de niveau 4 et lors du choix des sanctions pénales particulières.]1
[2 Si une amende pénale est infligée, le montant de celle-ci ne peut pas être inférieur à la moitié du montant maximum de l'amende pénale prévue dans la sanction de niveau 4 à l'article 101 du présent Code.
Les alinéas précédents ne s'appliquent pas aux infractions pour lesquelles le fait qu'elles ont été commises sciemment et volontairement a déjà été pris en considération comme élément aggravant pour augmenter le niveau de sanction applicable d'un niveau de sanction inférieur à la sanction de niveau 4.]2
HOOFDSTUK 4. - De op de administratieve geldboeten toepasselijke regels
CHAPITRE 4. - Les règles applicables aux amendes administratives
Art. 111. Herhaling
[1 In geval van herhaling binnen de drie jaar die volgen op een administratieve of gerechtelijke beslissing tot schuldigverklaring, op een administratieve beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete van niveau 1, 2, 3 of 4 of op een gerechtelijke beslissing tot veroordeling tot een sanctie van niveau 1, 2, 3 of 4, kan het bedrag van de administratieve geldboete op het dubbele van het maximum worden gebracht.
Deze termijn van drie jaar gaat in op de dag waarop de administratieve beslissing niet meer vatbaar is voor beroep of op de dag waarop de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
De termijn wordt van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste berekend, vanaf de dag na de handeling of gebeurtenis die er aanleiding toe geeft.
Deze regels zijn ook van toepassing in geval van herhaling binnen de voormelde termijn van drie jaar die volgt op een administratieve beslissing tot schuldigverklaring of tot het opleggen van een administratieve geldboete van een overheid die afhangt van de gefedereerde entiteiten, voor inbreuken van sociaal strafrecht, of op gerechtelijke beslissingen tot veroordeling of tot schuldigverklaring met betrekking tot deze inbreuken.]1
[1 In geval van herhaling binnen de drie jaar die volgen op een administratieve of gerechtelijke beslissing tot schuldigverklaring, op een administratieve beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete van niveau 1, 2, 3 of 4 of op een gerechtelijke beslissing tot veroordeling tot een sanctie van niveau 1, 2, 3 of 4, kan het bedrag van de administratieve geldboete op het dubbele van het maximum worden gebracht.
Deze termijn van drie jaar gaat in op de dag waarop de administratieve beslissing niet meer vatbaar is voor beroep of op de dag waarop de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
De termijn wordt van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste berekend, vanaf de dag na de handeling of gebeurtenis die er aanleiding toe geeft.
Deze regels zijn ook van toepassing in geval van herhaling binnen de voormelde termijn van drie jaar die volgt op een administratieve beslissing tot schuldigverklaring of tot het opleggen van een administratieve geldboete van een overheid die afhangt van de gefedereerde entiteiten, voor inbreuken van sociaal strafrecht, of op gerechtelijke beslissingen tot veroordeling of tot schuldigverklaring met betrekking tot deze inbreuken.]1
Art. 111. La récidive
[1 En cas de récidive dans les trois ans qui suivent une décision administrative ou judiciaire déclarant la culpabilité, ou une décision administrative infligeant une amende administrative de niveau 1, 2, 3 ou 4 ou une décision judiciaire condamnant à une sanction de niveau 1, 2, 3 ou 4, le montant de l'amende administrative peut être porté au double du maximum.
Ce délai de trois ans prend cours le jour où la décision administrative n'est plus susceptible de recours ou le jour où la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.
Le délai se compte de quantième à veille de quantième, à dater du lendemain de l'acte ou de l'événement qui y donne cours.
Ces règles s'appliquent également en cas de récidive dans le délai précité de trois ans qui suit une décision administrative déclarant la culpabilité ou infligeant une amende administrative d'une autorité relevant des entités fédérées pour des infractions de droit pénal social ou en cas de décisions judiciaires de condamnation ou déclarant la culpabilité concernant ces infractions.]1
[1 En cas de récidive dans les trois ans qui suivent une décision administrative ou judiciaire déclarant la culpabilité, ou une décision administrative infligeant une amende administrative de niveau 1, 2, 3 ou 4 ou une décision judiciaire condamnant à une sanction de niveau 1, 2, 3 ou 4, le montant de l'amende administrative peut être porté au double du maximum.
Ce délai de trois ans prend cours le jour où la décision administrative n'est plus susceptible de recours ou le jour où la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.
Le délai se compte de quantième à veille de quantième, à dater du lendemain de l'acte ou de l'événement qui y donne cours.
Ces règles s'appliquent également en cas de récidive dans le délai précité de trois ans qui suit une décision administrative déclarant la culpabilité ou infligeant une amende administrative d'une autorité relevant des entités fédérées pour des infractions de droit pénal social ou en cas de décisions judiciaires de condamnation ou déclarant la culpabilité concernant ces infractions.]1
Wijzigingen
Art. 112. Meerdaadse samenloop van inbreuken
In geval van samenloop van meerdere inbreuken worden de bedragen van de administratieve geldboeten samengevoegd zonder dat ze evenwel het dubbele van het maximum van de hoogste administratieve geldboete mogen overschrijden.
In geval van samenloop van meerdere inbreuken worden de bedragen van de administratieve geldboeten samengevoegd zonder dat ze evenwel het dubbele van het maximum van de hoogste administratieve geldboete mogen overschrijden.
Art. 112. Le concours matériel d'infractions
En cas de concours de plusieurs infractions, les montants des amendes administratives sont cumulés sans qu'ils puissent cependant excéder le double du maximum de l'amende administrative la plus élevée.
En cas de concours de plusieurs infractions, les montants des amendes administratives sont cumulés sans qu'ils puissent cependant excéder le double du maximum de l'amende administrative la plus élevée.
Art. 113. Eendaadse samenloop van inbreuken en samenloop door eenheid van opzet
Wanneer eenzelfde feit verscheidene inbreuken oplevert of wanneer verschillende inbreuken die gelijktijdig worden voorgelegd aan de bevoegde administratie de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van hetzelfde misdadig opzet, wordt alleen de zwaarste administratieve geldboete uitgesproken.
Wanneer de bevoegde administratie vaststelt dat inbreuken reeds het voorwerp waren van een beslissing tot oplegging van een definitieve administratieve geldboete, en andere feiten die bij haar aanhangig zijn en die in de vooronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste inbreuken de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, houdt zij bij de toemeting van de administratieve geldboete rekening met de reeds opgelegde administratieve geldboeten. Indien deze haar voor een juiste bestraffing van al de inbreuken voldoende lijken, spreekt zij zich uit over de schuldvraag en verwijst zij in haar beslissing naar de reeds opgelegde administratieve geldboeten. Het totaal van de administratieve geldboeten opgelegd met toepassing van dit artikel mag het maximum van de zwaarste administratieve geldboete niet te boven gaan.
[1 Wanneer de bevoegde administratie vaststelt dat inbreuken die reeds het voorwerp waren van een gerechtelijke beslissing tot veroordeling tot een definitieve straf, en andere feiten die bij haar aanhangig zijn, en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste inbreuken de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van hetzelfde misdadig opzet, houdt zij voor de vaststelling van de administratieve geldboete rekening met de reeds uitgesproken straf. Indien deze haar voor een juiste bestraffing van al de inbreuken voldoende lijkt, spreekt zij zich uit over de schuldvraag en verwijst zij in haar beslissing naar de reeds uitgesproken straf. Het totaal van de administratieve geldboeten opgelegd met toepassing van dit artikel mag het maximum van de zwaarste administratieve geldboete niet te boven gaan.
Om het bedrag van de zwaarste administratieve geldboete te bepalen, wordt het niveau van de administratieve geldboete tot bestraffing van de nieuwe inbreuk vergeleken met het niveau van de administratieve geldboete die voorzien is in het sanctieniveau waarvoor er een gerechtelijke beslissing tot veroordeling tot een definitieve straf geweest is.]1
Wanneer eenzelfde feit verscheidene inbreuken oplevert of wanneer verschillende inbreuken die gelijktijdig worden voorgelegd aan de bevoegde administratie de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van hetzelfde misdadig opzet, wordt alleen de zwaarste administratieve geldboete uitgesproken.
Wanneer de bevoegde administratie vaststelt dat inbreuken reeds het voorwerp waren van een beslissing tot oplegging van een definitieve administratieve geldboete, en andere feiten die bij haar aanhangig zijn en die in de vooronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste inbreuken de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, houdt zij bij de toemeting van de administratieve geldboete rekening met de reeds opgelegde administratieve geldboeten. Indien deze haar voor een juiste bestraffing van al de inbreuken voldoende lijken, spreekt zij zich uit over de schuldvraag en verwijst zij in haar beslissing naar de reeds opgelegde administratieve geldboeten. Het totaal van de administratieve geldboeten opgelegd met toepassing van dit artikel mag het maximum van de zwaarste administratieve geldboete niet te boven gaan.
[1 Wanneer de bevoegde administratie vaststelt dat inbreuken die reeds het voorwerp waren van een gerechtelijke beslissing tot veroordeling tot een definitieve straf, en andere feiten die bij haar aanhangig zijn, en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste inbreuken de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van hetzelfde misdadig opzet, houdt zij voor de vaststelling van de administratieve geldboete rekening met de reeds uitgesproken straf. Indien deze haar voor een juiste bestraffing van al de inbreuken voldoende lijkt, spreekt zij zich uit over de schuldvraag en verwijst zij in haar beslissing naar de reeds uitgesproken straf. Het totaal van de administratieve geldboeten opgelegd met toepassing van dit artikel mag het maximum van de zwaarste administratieve geldboete niet te boven gaan.
Om het bedrag van de zwaarste administratieve geldboete te bepalen, wordt het niveau van de administratieve geldboete tot bestraffing van de nieuwe inbreuk vergeleken met het niveau van de administratieve geldboete die voorzien is in het sanctieniveau waarvoor er een gerechtelijke beslissing tot veroordeling tot een definitieve straf geweest is.]1
Art. 113. Le concours idéal d'infractions et le concours par unité d'intention
Quand un même fait constitue plusieurs infractions ou lorsque différentes infractions soumises simultanément à l'administration compétente constituent la manifestation successive et continue de la même intention délictueuse, l'amende administrative la plus forte est seule infligée.
Quand l'administration compétente constate que des infractions ayant antérieurement fait l'objet d'une décision infligeant une amende administrative définitive et d'autres faits dont elle est saisie et qui, à les supposer établis, sont antérieurs à ladite décision et constituent avec les premières infractions la manifestation successive et continue de la même intention délictueuse, elle tient compte, pour la fixation de l'amende administrative, des amendes administratives déjà infligées. Si celles-ci lui paraissent suffire à une juste répression de l'ensemble des infractions, elle se prononce sur la culpabilité et renvoie dans sa décision aux amendes administratives déjà infligées. Le total des amendes administratives infligées en application du présent article ne peut excéder le maximum de l'amende administrative la plus forte.
[1 Quand l'administration compétente constate que des infractions ayant antérieurement fait l'objet d'une décision judiciaire condamnant à une peine définitive et d'autres faits dont elle est saisie et qui, à les supposer établis, sont antérieurs à ladite décision et constituent avec les premières infractions la manifestation successive et continue de la même intention délictueuse, elle tient compte, pour la fixation de l'amende administrative, de la peine déjà infligée. Si celle-ci lui parait suffire à une juste répression de l'ensemble des infractions, elle se prononce sur la culpabilité et renvoie dans sa décision à la peine déjà prononcée. Le total des amendes administratives infligées en application du présent article ne peut excéder le maximum de l'amende administrative la plus forte.
Pour déterminer le montant de l'amende administrative la plus forte, le niveau de l'amende administrative punissant la nouvelle infraction est comparé avec le niveau de l'amende administrative prévu dans le niveau de sanction pour lequel il y a eu une décision judiciaire condamnant à une peine définitive.]1
Quand un même fait constitue plusieurs infractions ou lorsque différentes infractions soumises simultanément à l'administration compétente constituent la manifestation successive et continue de la même intention délictueuse, l'amende administrative la plus forte est seule infligée.
Quand l'administration compétente constate que des infractions ayant antérieurement fait l'objet d'une décision infligeant une amende administrative définitive et d'autres faits dont elle est saisie et qui, à les supposer établis, sont antérieurs à ladite décision et constituent avec les premières infractions la manifestation successive et continue de la même intention délictueuse, elle tient compte, pour la fixation de l'amende administrative, des amendes administratives déjà infligées. Si celles-ci lui paraissent suffire à une juste répression de l'ensemble des infractions, elle se prononce sur la culpabilité et renvoie dans sa décision aux amendes administratives déjà infligées. Le total des amendes administratives infligées en application du présent article ne peut excéder le maximum de l'amende administrative la plus forte.
[1 Quand l'administration compétente constate que des infractions ayant antérieurement fait l'objet d'une décision judiciaire condamnant à une peine définitive et d'autres faits dont elle est saisie et qui, à les supposer établis, sont antérieurs à ladite décision et constituent avec les premières infractions la manifestation successive et continue de la même intention délictueuse, elle tient compte, pour la fixation de l'amende administrative, de la peine déjà infligée. Si celle-ci lui parait suffire à une juste répression de l'ensemble des infractions, elle se prononce sur la culpabilité et renvoie dans sa décision à la peine déjà prononcée. Le total des amendes administratives infligées en application du présent article ne peut excéder le maximum de l'amende administrative la plus forte.
Pour déterminer le montant de l'amende administrative la plus forte, le niveau de l'amende administrative punissant la nouvelle infraction est comparé avec le niveau de l'amende administrative prévu dans le niveau de sanction pour lequel il y a eu une décision judiciaire condamnant à une peine définitive.]1
Wijzigingen
Art. 114. Uitwissing van de administratieve geldboete
Voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete mag geen rekening gehouden worden met een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete of tot schuldigverklaring die [1 vijf jaar]1 of meer vóór de feiten is gewezen. Deze termijn van [1 vijf jaar]1 vangt aan op het ogenblik dat de beslissing uitvoerbare kracht heeft gekregen of wanneer de rechterlijke beslissing die zich uitspreekt over het beroep van de overtreder in kracht van gewijsde is gegaan.
Voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete mag geen rekening gehouden worden met een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete of tot schuldigverklaring die [1 vijf jaar]1 of meer vóór de feiten is gewezen. Deze termijn van [1 vijf jaar]1 vangt aan op het ogenblik dat de beslissing uitvoerbare kracht heeft gekregen of wanneer de rechterlijke beslissing die zich uitspreekt over het beroep van de overtreder in kracht van gewijsde is gegaan.
Art. 114. L'effacement de l'amende administrative
Pour la détermination du montant de l'amende administrative, il ne peut être tenu compte d'une décision infligeant une amende administrative ou déclarant la culpabilité adoptée [1 cinq ans]1 ou plus avant les faits. Ce délai de [1 cinq ans]1 commence à courir au moment où la décision est devenue exécutoire ou lorsque la décision judiciaire statuant sur le recours du contrevenant est coulée en force de chose jugée.
Pour la détermination du montant de l'amende administrative, il ne peut être tenu compte d'une décision infligeant une amende administrative ou déclarant la culpabilité adoptée [1 cinq ans]1 ou plus avant les faits. Ce délai de [1 cinq ans]1 commence à courir au moment où la décision est devenue exécutoire ou lorsque la décision judiciaire statuant sur le recours du contrevenant est coulée en force de chose jugée.
Wijzigingen
Art. 115. Verzachtende omstandigheden
Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn kan de administratieve geldboete worden verminderd tot een bedrag onder het wettelijk minimum, waarbij het evenwel niet lager mag zijn dan 40 % van het voorgeschreven minimumbedrag.
De administratieve geldboete opgelegd aan de sociaal verzekerde kan worden verminderd tot een bedrag onder het wettelijk minimum zonder dat zij lager kan zijn dan een euro indien zijn financiële situatie dit rechtvaardigt wegens het feit dat hij evenzeer vatbaar is voor een vermindering, een opschorting of een volledige of gedeeltelijke uitsluiting van het recht op een sociaal voordeel bedoeld bij artikel 230.
[1 In geval van niet-naleving van de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden voorzien in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die strafrechtelijk beteugeld worden of in conventionele bepalingen die door de Koning overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités algemeen verbindend zijn verklaard en die van toepassing zijn overeenkomstig artikel 5 van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, indien de enige officiële nationale website, in de zin van artikel 5 van de richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt ("de IMI-verordening"), geen melding maakt van de bovenvermelde arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden, wordt er rekening gehouden met dit gebrek aan informatie bij het bepalen van de administratieve geldboete overeenkomstig het eerste lid van dit artikel.]1
Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn kan de administratieve geldboete worden verminderd tot een bedrag onder het wettelijk minimum, waarbij het evenwel niet lager mag zijn dan 40 % van het voorgeschreven minimumbedrag.
De administratieve geldboete opgelegd aan de sociaal verzekerde kan worden verminderd tot een bedrag onder het wettelijk minimum zonder dat zij lager kan zijn dan een euro indien zijn financiële situatie dit rechtvaardigt wegens het feit dat hij evenzeer vatbaar is voor een vermindering, een opschorting of een volledige of gedeeltelijke uitsluiting van het recht op een sociaal voordeel bedoeld bij artikel 230.
[1 In geval van niet-naleving van de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden voorzien in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die strafrechtelijk beteugeld worden of in conventionele bepalingen die door de Koning overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités algemeen verbindend zijn verklaard en die van toepassing zijn overeenkomstig artikel 5 van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, indien de enige officiële nationale website, in de zin van artikel 5 van de richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt ("de IMI-verordening"), geen melding maakt van de bovenvermelde arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden, wordt er rekening gehouden met dit gebrek aan informatie bij het bepalen van de administratieve geldboete overeenkomstig het eerste lid van dit artikel.]1
Art. 115. Les circonstances atténuantes
S'il existe des circonstances atténuantes, l'amende administrative peut être réduite au-dessous du montant minimum porté par la loi, sans qu'elle puisse être inférieure à 40 pour-cent du montant minimum prescrit.
L'amende administrative infligée à l'assuré social peut être réduite en dessous du montant minimum porté par la loi sans qu'elle puisse être inférieure à un euro si sa situation financière le justifie en raison du fait qu'il est également passible d'une diminution, d'une suspension ou d'une exclusion totale ou partielle du droit à un avantage social visé à l'article 230.
[1 En cas de non-respect des conditions de travail, de rémunération et d'emploi, prévues par des dispositions légales ou réglementaires sanctionnées pénalement ou par des dispositions conventionnelles rendues obligatoires par le Roi conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, et qui sont applicables conformément à l'article 5 de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci, si le site internet national officiel unique au sens de l'article 5 de la directive 2014/67/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 relative à l'exécution de la directive 96/71/CE concernant le détachement de travailleurs effectué dans le cadre d'une prestation de services et modifiant le règlement (UE) n° 1024/2012 concernant la coopération administrative par l'intermédiaire du système d'information du marché intérieur ("règlement IMI") n'indiquait pas d'informations sur les conditions de travail, de rémunération et d'emploi précitées, pareille absence d'informations est prise en compte lors de la détermination de l'amende administrative, dans le respect de l'alinéa 1er du présent article.]1
S'il existe des circonstances atténuantes, l'amende administrative peut être réduite au-dessous du montant minimum porté par la loi, sans qu'elle puisse être inférieure à 40 pour-cent du montant minimum prescrit.
L'amende administrative infligée à l'assuré social peut être réduite en dessous du montant minimum porté par la loi sans qu'elle puisse être inférieure à un euro si sa situation financière le justifie en raison du fait qu'il est également passible d'une diminution, d'une suspension ou d'une exclusion totale ou partielle du droit à un avantage social visé à l'article 230.
[1 En cas de non-respect des conditions de travail, de rémunération et d'emploi, prévues par des dispositions légales ou réglementaires sanctionnées pénalement ou par des dispositions conventionnelles rendues obligatoires par le Roi conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, et qui sont applicables conformément à l'article 5 de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci, si le site internet national officiel unique au sens de l'article 5 de la directive 2014/67/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 relative à l'exécution de la directive 96/71/CE concernant le détachement de travailleurs effectué dans le cadre d'une prestation de services et modifiant le règlement (UE) n° 1024/2012 concernant la coopération administrative par l'intermédiaire du système d'information du marché intérieur ("règlement IMI") n'indiquait pas d'informations sur les conditions de travail, de rémunération et d'emploi précitées, pareille absence d'informations est prise en compte lors de la détermination de l'amende administrative, dans le respect de l'alinéa 1er du présent article.]1
Wijzigingen
Art. 115/1. [1 Verzwarende factor
Wanneer de inbreuk bestraft wordt met een sanctie van niveau 4, maakt de omstandigheid dat hij wetens en willens gepleegd werd, een verzwarende factor uit die de bevoegde administratie in overweging moet nemen bij de keuze van het bedrag van de administratieve geldboete van de sanctie van niveau 4.]1
[2 Het bedrag van de opgelegde administratieve geldboete mag niet lager zijn dan de helft van het maximumbedrag van de administratieve geldboete voorzien in de sanctie van niveau 4 in artikel 101 van dit Wetboek.
De voorgaande leden zijn niet van toepassing op inbreuken waarbij het feit dat deze wetens en willens gepleegd werden reeds als verzwarend bestanddeel in aanmerking werd genomen om het toepasselijke sanctieniveau te verhogen van een lager sanctieniveau naar de sanctie van niveau 4.]2
Wanneer de inbreuk bestraft wordt met een sanctie van niveau 4, maakt de omstandigheid dat hij wetens en willens gepleegd werd, een verzwarende factor uit die de bevoegde administratie in overweging moet nemen bij de keuze van het bedrag van de administratieve geldboete van de sanctie van niveau 4.]1
[2 Het bedrag van de opgelegde administratieve geldboete mag niet lager zijn dan de helft van het maximumbedrag van de administratieve geldboete voorzien in de sanctie van niveau 4 in artikel 101 van dit Wetboek.
De voorgaande leden zijn niet van toepassing op inbreuken waarbij het feit dat deze wetens en willens gepleegd werden reeds als verzwarend bestanddeel in aanmerking werd genomen om het toepasselijke sanctieniveau te verhogen van een lager sanctieniveau naar de sanctie van niveau 4.]2
Art. 115/1. [1 Le facteur aggravant
Lorsque l'infraction est punie d'une sanction de niveau 4, la circonstance qu'elle ait été commise sciemment et volontairement constitue un facteur aggravant qui doit être pris en considération par l'administration compétente lors du choix du montant de l'amende administrative de la sanction de niveau 4.]1
[2 Le montant de l'amende administrative infligée ne peut pas être inférieur à la moitié du montant maximum de l'amende administrative prévue dans la sanction de niveau 4 à l'article 101 du présent Code.
Les alinéas précédents ne s'appliquent pas aux infractions pour lesquelles le fait qu'elles ont été commises sciemment et volontairement a déjà été pris en considération comme élément aggravant pour augmenter le niveau de sanction applicable d'un niveau de sanction inférieur à la sanction de niveau 4.]2
Lorsque l'infraction est punie d'une sanction de niveau 4, la circonstance qu'elle ait été commise sciemment et volontairement constitue un facteur aggravant qui doit être pris en considération par l'administration compétente lors du choix du montant de l'amende administrative de la sanction de niveau 4.]1
[2 Le montant de l'amende administrative infligée ne peut pas être inférieur à la moitié du montant maximum de l'amende administrative prévue dans la sanction de niveau 4 à l'article 101 du présent Code.
Les alinéas précédents ne s'appliquent pas aux infractions pour lesquelles le fait qu'elles ont été commises sciemment et volontairement a déjà été pris en considération comme élément aggravant pour augmenter le niveau de sanction applicable d'un niveau de sanction inférieur à la sanction de niveau 4.]2
Art. 116. Uitstel
§ 1. De bevoegde administratie mag besluiten dat de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete niet of slechts gedeeltelijk zal worden ten uitvoer gelegd, voor zover aan de overtreder geen administratieve geldboete van niveau 2, 3 of 4 werd opgelegd of hij niet veroordeeld werd tot een strafsanctie van niveau 2, 3 of 4 tijdens de vijf jaren die de nieuwe inbreuk voorafgaan.
Nochtans vormt een sanctie van niveau 1, 2, 3 en 4 die vroeger uitgesproken was voor feiten die voortvloeien uit eenzelfde misdadig opzet, geen beletsel voor het verlenen van een uitstel.
[2 De bevoegde administratie mag ook besluiten dat de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete niet of slechts gedeeltelijk zal worden ten uitvoer gelegd, voor zover aan de overtreder geen administratieve geldboete werd opgelegd door een overheid van de gefedereerde entiteiten, die hoger is dan het maximum van niveau 1 na de toepassing van de vermenigvuldiging met opdeciemen en opgelegd werd tijdens de vijf jaren die de nieuwe inbreuk voorafgaan, voor inbreuken op het sociaal strafrecht.
Nochtans vormt een administratieve geldboete die vroeger werd opgelegd door een overheid van de gefedereerde entiteiten voor feiten die voortvloeien uit eenzelfde misdadig opzet, geen beletsel voor het verlenen van een uitstel.]2
§ 2. De administratie verleent het uitstel bij dezelfde beslissing als die met welke zij de geldboete oplegt.
De beslissing waarbij het uitstel wordt toegestaan of geweigerd, moet met redenen omkleed zijn.
§ 3. De proeftermijn mag niet minder zijn dan één jaar en niet meer dan drie jaar, te rekenen van de datum van de kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete of van het vonnis of het arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan.
§ 4. Het uitstel wordt van rechtswege herroepen ingeval gedurende de proeftijd een nieuwe inbreuk begaan is die de toepassing meebrengt van een administratieve geldboete van een hoger niveau dan de administratieve geldboete die tevoren gepaard ging met uitstel.
[2 Het uitstel wordt eveneens van rechtswege herroepen ingeval gedurende de proeftijd een nieuwe inbreuk begaan werd en de toepassing meebrengt van een administratieve geldboete van een hoger niveau dan de administratieve geldboete die tevoren gepaard ging met uitstel en werd opgelegd door een overheid van de gefedereerde entiteiten voor inbreuken op het sociaal strafrecht.]2
§ 5. Het uitstel kan herroepen worden ingeval gedurende de proeftijd een nieuwe inbreuk begaan is die de toepassing meebrengt van een administratieve geldboete van een gelijk of lager niveau dan de administratieve geldboete die tevoren gepaard ging met uitstel.
[2 Het uitstel kan eveneens herroepen worden ingeval gedurende de proeftijd een nieuwe inbreuk is begaan die de toepassing meebrengt van een administratieve geldboete van een gelijk of lager niveau dan de administratieve geldboete die tevoren gepaard ging met uitstel en werd opgelegd door een overheid van de gefedereerde entiteit voor inbreuken op het sociaal strafrecht.]2
§ 6. Voor een vergelijking van het niveau van de geldboeten mogen ze niet worden vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers, kandidaat-werknemers, kinderen, stagiairs [1 of zelfstandigen]1 .
§ 7. Het uitstel wordt herroepen bij dezelfde beslissing als die waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd voor de nieuwe inbreuk die begaan is tijdens de proefperiode.
De vermelding van de herroeping van het uitstel in de beslissing geschiedt zowel wanneer de herroeping van rechtswege gebeurt, als wanneer deze ter beoordeling van de bevoegde administratie wordt gelaten.
§ 8. De administratieve geldboete die uitvoerbaar wordt als gevolg van de herroeping van het uitstel wordt onbeperkt gecumuleerd met die welke opgelegd is wegens de nieuwe inbreuk.
§ 9. In geval van beroep tegen de beslissing van de bevoegde administratie tot oplegging van een administratieve geldboete kunnen de arbeidsgerechten het uitstel dat door de bevoegde administratie werd verleend niet herroepen. Ze kunnen evenwel het uitstel verlenen wanneer de bevoegde administratie het geweigerd heeft.
[2 De arbeidsgerechten kunnen uitstel verlenen onder dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde nadere regels als deze die in de vorige paragrafen zijn bepaald voor de bevoegde administratie.]2
§ 1. De bevoegde administratie mag besluiten dat de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete niet of slechts gedeeltelijk zal worden ten uitvoer gelegd, voor zover aan de overtreder geen administratieve geldboete van niveau 2, 3 of 4 werd opgelegd of hij niet veroordeeld werd tot een strafsanctie van niveau 2, 3 of 4 tijdens de vijf jaren die de nieuwe inbreuk voorafgaan.
Nochtans vormt een sanctie van niveau 1, 2, 3 en 4 die vroeger uitgesproken was voor feiten die voortvloeien uit eenzelfde misdadig opzet, geen beletsel voor het verlenen van een uitstel.
[2 De bevoegde administratie mag ook besluiten dat de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete niet of slechts gedeeltelijk zal worden ten uitvoer gelegd, voor zover aan de overtreder geen administratieve geldboete werd opgelegd door een overheid van de gefedereerde entiteiten, die hoger is dan het maximum van niveau 1 na de toepassing van de vermenigvuldiging met opdeciemen en opgelegd werd tijdens de vijf jaren die de nieuwe inbreuk voorafgaan, voor inbreuken op het sociaal strafrecht.
Nochtans vormt een administratieve geldboete die vroeger werd opgelegd door een overheid van de gefedereerde entiteiten voor feiten die voortvloeien uit eenzelfde misdadig opzet, geen beletsel voor het verlenen van een uitstel.]2
§ 2. De administratie verleent het uitstel bij dezelfde beslissing als die met welke zij de geldboete oplegt.
De beslissing waarbij het uitstel wordt toegestaan of geweigerd, moet met redenen omkleed zijn.
§ 3. De proeftermijn mag niet minder zijn dan één jaar en niet meer dan drie jaar, te rekenen van de datum van de kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete of van het vonnis of het arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan.
§ 4. Het uitstel wordt van rechtswege herroepen ingeval gedurende de proeftijd een nieuwe inbreuk begaan is die de toepassing meebrengt van een administratieve geldboete van een hoger niveau dan de administratieve geldboete die tevoren gepaard ging met uitstel.
[2 Het uitstel wordt eveneens van rechtswege herroepen ingeval gedurende de proeftijd een nieuwe inbreuk begaan werd en de toepassing meebrengt van een administratieve geldboete van een hoger niveau dan de administratieve geldboete die tevoren gepaard ging met uitstel en werd opgelegd door een overheid van de gefedereerde entiteiten voor inbreuken op het sociaal strafrecht.]2
§ 5. Het uitstel kan herroepen worden ingeval gedurende de proeftijd een nieuwe inbreuk begaan is die de toepassing meebrengt van een administratieve geldboete van een gelijk of lager niveau dan de administratieve geldboete die tevoren gepaard ging met uitstel.
[2 Het uitstel kan eveneens herroepen worden ingeval gedurende de proeftijd een nieuwe inbreuk is begaan die de toepassing meebrengt van een administratieve geldboete van een gelijk of lager niveau dan de administratieve geldboete die tevoren gepaard ging met uitstel en werd opgelegd door een overheid van de gefedereerde entiteit voor inbreuken op het sociaal strafrecht.]2
§ 6. Voor een vergelijking van het niveau van de geldboeten mogen ze niet worden vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers, kandidaat-werknemers, kinderen, stagiairs [1 of zelfstandigen]1 .
§ 7. Het uitstel wordt herroepen bij dezelfde beslissing als die waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd voor de nieuwe inbreuk die begaan is tijdens de proefperiode.
De vermelding van de herroeping van het uitstel in de beslissing geschiedt zowel wanneer de herroeping van rechtswege gebeurt, als wanneer deze ter beoordeling van de bevoegde administratie wordt gelaten.
§ 8. De administratieve geldboete die uitvoerbaar wordt als gevolg van de herroeping van het uitstel wordt onbeperkt gecumuleerd met die welke opgelegd is wegens de nieuwe inbreuk.
§ 9. In geval van beroep tegen de beslissing van de bevoegde administratie tot oplegging van een administratieve geldboete kunnen de arbeidsgerechten het uitstel dat door de bevoegde administratie werd verleend niet herroepen. Ze kunnen evenwel het uitstel verlenen wanneer de bevoegde administratie het geweigerd heeft.
[2 De arbeidsgerechten kunnen uitstel verlenen onder dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde nadere regels als deze die in de vorige paragrafen zijn bepaald voor de bevoegde administratie.]2
Art. 116. Le sursis
§ 1er. L'administration compétente peut décider qu'il sera sursis à l'exécution de la décision infligeant une amende administrative, en tout ou en partie, pour autant que le contrevenant ne s'est pas vu infliger une amende administrative de niveau 2, 3 ou 4 ou n'a pas été condamné à une sanction pénale de niveau 2, 3 ou 4 durant les cinq années qui précèdent la nouvelle infraction.
Toutefois, une sanction de niveau 1, 2, 3 et 4 infligée ou prononcée antérieurement pour des faits unis par une même intention délictueuse ne fait pas obstacle à l'octroi d'un sursis.
[2 L'administration compétente peut également décider qu'il sera sursis à l'exécution de la décision infligeant une amende administrative, en tout ou en partie, pour autant que le contrevenant ne s'est pas vu infliger une amende administrative qui est supérieure au maximum du niveau 1 après application des décimes additionnels prises au cours des cinq années précédant la nouvelle infraction et émanant d'une autorité relevant des entités fédérées pour des infractions de droit pénal social.
Toutefois, une amende administrative infligée antérieurement par une autorité relevant des entités fédérées pour des faits punis par une même intention délictueuse ne fait pas obstacle à l'octroi d'un sursis.]2
§ 2. L'administration accorde le sursis par la même décision que celle par laquelle elle inflige l'amende.
La décision accordant ou refusant le sursis doit être motivée.
§ 3. Le délai d'épreuve ne peut être inférieur à une année ni excéder trois années, à compter de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative ou à dater du jugement ou de l'arrêt coulé en force de chose jugée.
§ 4. Le sursis est révoqué de plein droit en cas de nouvelle infraction commise pendant le délai d'épreuve et ayant entraîné l'application d'une amende administrative d'un niveau supérieur à celui de l'amende administrative antérieurement assortie du sursis.
[2 Le sursis est également révoqué de plein droit en cas de nouvelle infraction commise pendant le délai d'épreuve et ayant entraîné l'application d'une amende administrative d'un niveau supérieur à celui de l'amende administrative antérieurement assortie du sursis et infligée par une autorité relevant des entités fédérées pour des infractions de droit pénal social.]2
§ 5. Le sursis peut être révoqué en cas de nouvelle infraction commise pendant le délai d'épreuve et ayant entraîné l'application d'une amende administrative d'un niveau égal ou inférieur à celui de l'amende administrative antérieurement assortie du sursis.
[2 Le sursis peut également être révoqué en cas de nouvelle infraction commise pendant le délai d'épreuve et ayant entraîné l'application d'une amende administrative d'un niveau égal ou inférieur à celui de l'amende administrative antérieurement assortie du sursis et infligée par une autorité relevant des entités fédérées pour des infractions de droit pénal social.]2
§ 6. Afin de comparer le niveau des amendes, il n'y a pas lieu de multiplier celles-ci par le nombre de travailleurs, de candidats travailleurs, d'enfants, de stagiaires [1 ou d'indépendants]1 concernés.
§ 7. Le sursis est révoqué dans la même décision que celle par laquelle est infligée l'amende administrative pour la nouvelle infraction commise dans le délai d'épreuve.
La mention de la révocation du sursis dans la décision se fait tant lorsque la révocation a lieu de plein droit que dans le cas où elle est laissée à l'appréciation de l'administration compétente.
§ 8. L'amende administrative qui devient exécutoire par suite de la révocation du sursis est cumulée sans limite avec celle infligée du chef de la nouvelle infraction.
§ 9. En cas de recours contre la décision de l'administration compétente infligeant une amende administrative, les juridictions du travail ne peuvent pas révoquer le sursis accordé par l'administration compétente. Elles peuvent cependant accorder le sursis lorsque l'administration compétente l'a refusé.
[2 Les juridictions du travail peuvent accorder le sursis dans les mêmes conditions et selon les mêmes modalités que celles prévues dans les paragraphes précédents pour l'administration compétente.]2
§ 1er. L'administration compétente peut décider qu'il sera sursis à l'exécution de la décision infligeant une amende administrative, en tout ou en partie, pour autant que le contrevenant ne s'est pas vu infliger une amende administrative de niveau 2, 3 ou 4 ou n'a pas été condamné à une sanction pénale de niveau 2, 3 ou 4 durant les cinq années qui précèdent la nouvelle infraction.
Toutefois, une sanction de niveau 1, 2, 3 et 4 infligée ou prononcée antérieurement pour des faits unis par une même intention délictueuse ne fait pas obstacle à l'octroi d'un sursis.
[2 L'administration compétente peut également décider qu'il sera sursis à l'exécution de la décision infligeant une amende administrative, en tout ou en partie, pour autant que le contrevenant ne s'est pas vu infliger une amende administrative qui est supérieure au maximum du niveau 1 après application des décimes additionnels prises au cours des cinq années précédant la nouvelle infraction et émanant d'une autorité relevant des entités fédérées pour des infractions de droit pénal social.
Toutefois, une amende administrative infligée antérieurement par une autorité relevant des entités fédérées pour des faits punis par une même intention délictueuse ne fait pas obstacle à l'octroi d'un sursis.]2
§ 2. L'administration accorde le sursis par la même décision que celle par laquelle elle inflige l'amende.
La décision accordant ou refusant le sursis doit être motivée.
§ 3. Le délai d'épreuve ne peut être inférieur à une année ni excéder trois années, à compter de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative ou à dater du jugement ou de l'arrêt coulé en force de chose jugée.
§ 4. Le sursis est révoqué de plein droit en cas de nouvelle infraction commise pendant le délai d'épreuve et ayant entraîné l'application d'une amende administrative d'un niveau supérieur à celui de l'amende administrative antérieurement assortie du sursis.
[2 Le sursis est également révoqué de plein droit en cas de nouvelle infraction commise pendant le délai d'épreuve et ayant entraîné l'application d'une amende administrative d'un niveau supérieur à celui de l'amende administrative antérieurement assortie du sursis et infligée par une autorité relevant des entités fédérées pour des infractions de droit pénal social.]2
§ 5. Le sursis peut être révoqué en cas de nouvelle infraction commise pendant le délai d'épreuve et ayant entraîné l'application d'une amende administrative d'un niveau égal ou inférieur à celui de l'amende administrative antérieurement assortie du sursis.
[2 Le sursis peut également être révoqué en cas de nouvelle infraction commise pendant le délai d'épreuve et ayant entraîné l'application d'une amende administrative d'un niveau égal ou inférieur à celui de l'amende administrative antérieurement assortie du sursis et infligée par une autorité relevant des entités fédérées pour des infractions de droit pénal social.]2
§ 6. Afin de comparer le niveau des amendes, il n'y a pas lieu de multiplier celles-ci par le nombre de travailleurs, de candidats travailleurs, d'enfants, de stagiaires [1 ou d'indépendants]1 concernés.
§ 7. Le sursis est révoqué dans la même décision que celle par laquelle est infligée l'amende administrative pour la nouvelle infraction commise dans le délai d'épreuve.
La mention de la révocation du sursis dans la décision se fait tant lorsque la révocation a lieu de plein droit que dans le cas où elle est laissée à l'appréciation de l'administration compétente.
§ 8. L'amende administrative qui devient exécutoire par suite de la révocation du sursis est cumulée sans limite avec celle infligée du chef de la nouvelle infraction.
§ 9. En cas de recours contre la décision de l'administration compétente infligeant une amende administrative, les juridictions du travail ne peuvent pas révoquer le sursis accordé par l'administration compétente. Elles peuvent cependant accorder le sursis lorsque l'administration compétente l'a refusé.
[2 Les juridictions du travail peuvent accorder le sursis dans les mêmes conditions et selon les mêmes modalités que celles prévues dans les paragraphes précédents pour l'administration compétente.]2
BOEK 2. - De inbreuken en hun bestraffing in het bijzonder
LIVRE 2. - Les infractions et leur répression en particulier
HOOFDSTUK 1. - Inbreuken tegen de persoon van de werknemer
CHAPITRE 1er. - Les infractions contre la personne du travailleur
Afdeling 1. - De persoonlijke levenssfeer van de werknemer
Section 1re. - La vie privée du travailleur
Art. 117. Medische onderzoeken
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° De werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 28 januari 2003 betreffende de medische onderzoeken die binnen het kader van de arbeidsverhoudingen worden uitgevoerd :
a) biologische tests, medische onderzoeken of mondelinge informatiegaring heeft laten uitvoeren met het oog op het verkrijgen van medische informatie over de gezondheidstoestand of stamboominformatie van een werknemer of kandidaat-werknemer om andere redenen dan die welke verband houden met de huidige geschiktheid van de werknemer voor en de specifieke kenmerken van de openstaande betrekking, buiten de gevallen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad;
b) biologische tests of medische onderzoeken heeft laten uitvoeren door een persoon die niet de preventieadviseur- arbeidsgeneesheer was, die verbonden is aan de afdeling belast met het medisch toezicht van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk of aan de afdeling belast met het medisch toezicht van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk waarop de werkgever een beroep doet;
2° de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer die de krachtens 1°, a) verboden biologische tests, medische onderzoeken of mondelinge informatiegaring heeft aangevraagd of [1 uitgevoerd]1, in strijd met de voornoemde wet van 28 januari 2003;
3° eenieder die, in strijd met de voornoemde wet van 28 januari 2003, biologische tests of medische onderzoeken heeft [1 uitgevoerd]1, terwijl hij niet de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer was, die verbonden is aan de afdeling belast met het medisch toezicht van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk of aan de afdeling belast met het medisch toezicht van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk waarop de werkgever een beroep doet;
De overtreders, de mededaders en medeplichtigen van de inbreuken bedoeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3° kunnen worden veroordeeld tot ontzetting overeenkomstig artikel 33 van het Strafwetboek.
Indien de overtreders, de mededaders of hun medeplichtigen van de inbreuken bedoeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3° beoefenaars van de geneeskunde zijn, kan de rechter hun bovendien het verbod opleggen om gedurende een termijn van een maand tot drie jaar de geneeskunde uit te oefenen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers of kandidaat-werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° De werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 28 januari 2003 betreffende de medische onderzoeken die binnen het kader van de arbeidsverhoudingen worden uitgevoerd :
a) biologische tests, medische onderzoeken of mondelinge informatiegaring heeft laten uitvoeren met het oog op het verkrijgen van medische informatie over de gezondheidstoestand of stamboominformatie van een werknemer of kandidaat-werknemer om andere redenen dan die welke verband houden met de huidige geschiktheid van de werknemer voor en de specifieke kenmerken van de openstaande betrekking, buiten de gevallen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad;
b) biologische tests of medische onderzoeken heeft laten uitvoeren door een persoon die niet de preventieadviseur- arbeidsgeneesheer was, die verbonden is aan de afdeling belast met het medisch toezicht van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk of aan de afdeling belast met het medisch toezicht van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk waarop de werkgever een beroep doet;
2° de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer die de krachtens 1°, a) verboden biologische tests, medische onderzoeken of mondelinge informatiegaring heeft aangevraagd of [1 uitgevoerd]1, in strijd met de voornoemde wet van 28 januari 2003;
3° eenieder die, in strijd met de voornoemde wet van 28 januari 2003, biologische tests of medische onderzoeken heeft [1 uitgevoerd]1, terwijl hij niet de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer was, die verbonden is aan de afdeling belast met het medisch toezicht van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk of aan de afdeling belast met het medisch toezicht van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk waarop de werkgever een beroep doet;
De overtreders, de mededaders en medeplichtigen van de inbreuken bedoeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3° kunnen worden veroordeeld tot ontzetting overeenkomstig artikel 33 van het Strafwetboek.
Indien de overtreders, de mededaders of hun medeplichtigen van de inbreuken bedoeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3° beoefenaars van de geneeskunde zijn, kan de rechter hun bovendien het verbod opleggen om gedurende een termijn van een maand tot drie jaar de geneeskunde uit te oefenen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers of kandidaat-werknemers.
Art. 117. Les examens médicaux
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° L'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 28 janvier 2003 relative aux examens médicaux dans le cadre des relations de travail :
a) a fait effectuer des tests biologiques, des examens médicaux ou des collectes d'informations orales, en vue d'obtenir des informations médicales sur l'état de santé ou des informations sur l'hérédité d'un travailleur ou d'un candidat travailleur pour d'autres considérations que celles tirées de ses aptitudes actuelles et des caractéristiques spécifiques du poste à pourvoir en dehors des cas déterminés par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres;
b) a fait effectuer des tests biologiques ou des examens médicaux par une personne n'ayant pas la qualité de conseiller en prévention-médecin du travail attaché au département chargé de la surveillance médicale du service interne de prévention et de protection au travail ou du département chargé de la surveillance médicale du service externe de prévention et de protection au travail auquel l'employeur fait appel;
2° le conseiller en prévention-médecin du travail qui, en contravention à la loi précitée du 28 janvier 2003, a demandé ou exécuté les tests biologiques, les examens médicaux, les collectes d'informations orales interdits en vertu du 1°, a);
3° quiconque, en contravention à la loi précitée du 28 janvier 2003, a exécuté des tests biologiques ou des examens médicaux alors qu'il n'était pas le conseiller en prévention-médecin du travail attaché au département chargé de la surveillance médicale du service interne de prévention et de protection au travail ou au département chargé de la surveillance médicale du service externe de prévention et de protection au travail auquel l'employeur fait appel;
Les auteurs, coauteurs et complices des infractions visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3° peuvent être condamnés à l'interdiction, conformément à l'article 33 du Code pénal.
Si les auteurs, coauteurs ou complices des infractions visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3° sont des praticiens de l'art de guérir, le juge pourra, en outre, leur interdire l'exercice de cet art pour une durée d'un mois à trois ans.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs ou de candidats travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° L'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 28 janvier 2003 relative aux examens médicaux dans le cadre des relations de travail :
a) a fait effectuer des tests biologiques, des examens médicaux ou des collectes d'informations orales, en vue d'obtenir des informations médicales sur l'état de santé ou des informations sur l'hérédité d'un travailleur ou d'un candidat travailleur pour d'autres considérations que celles tirées de ses aptitudes actuelles et des caractéristiques spécifiques du poste à pourvoir en dehors des cas déterminés par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres;
b) a fait effectuer des tests biologiques ou des examens médicaux par une personne n'ayant pas la qualité de conseiller en prévention-médecin du travail attaché au département chargé de la surveillance médicale du service interne de prévention et de protection au travail ou du département chargé de la surveillance médicale du service externe de prévention et de protection au travail auquel l'employeur fait appel;
2° le conseiller en prévention-médecin du travail qui, en contravention à la loi précitée du 28 janvier 2003, a demandé ou exécuté les tests biologiques, les examens médicaux, les collectes d'informations orales interdits en vertu du 1°, a);
3° quiconque, en contravention à la loi précitée du 28 janvier 2003, a exécuté des tests biologiques ou des examens médicaux alors qu'il n'était pas le conseiller en prévention-médecin du travail attaché au département chargé de la surveillance médicale du service interne de prévention et de protection au travail ou au département chargé de la surveillance médicale du service externe de prévention et de protection au travail auquel l'employeur fait appel;
Les auteurs, coauteurs et complices des infractions visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3° peuvent être condamnés à l'interdiction, conformément à l'article 33 du Code pénal.
Si les auteurs, coauteurs ou complices des infractions visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3° sont des praticiens de l'art de guérir, le juge pourra, en outre, leur interdire l'exercice de cet art pour une durée d'un mois à trois ans.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs ou de candidats travailleurs concernés.
Art. 118. Informatie inzake medische onderzoeken
Met een sanctie [1 van niveau 1]1 wordt bestraft, de werkgever [1 ...]1 die, in strijd met de wet van 28 januari 2003 betreffende de medische onderzoeken die binnen het kader van de arbeidsverhoudingen worden uitgevoerd, wanneer hij heeft besloten om een werknemer of een kandidaat-werknemer aan een medisch onderzoek of een toegelaten biologische test te onderwerpen, hem tien dagen voor het onderzoek bij een vertrouwelijke en aangetekende brief niet heeft meegedeeld naar welke gegevens wordt gezocht, welk onderzoek wordt uitgevoerd en om welke redenen dat gebeurt.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers of kandidaat-werknemers.
Met een sanctie [1 van niveau 1]1 wordt bestraft, de werkgever [1 ...]1 die, in strijd met de wet van 28 januari 2003 betreffende de medische onderzoeken die binnen het kader van de arbeidsverhoudingen worden uitgevoerd, wanneer hij heeft besloten om een werknemer of een kandidaat-werknemer aan een medisch onderzoek of een toegelaten biologische test te onderwerpen, hem tien dagen voor het onderzoek bij een vertrouwelijke en aangetekende brief niet heeft meegedeeld naar welke gegevens wordt gezocht, welk onderzoek wordt uitgevoerd en om welke redenen dat gebeurt.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers of kandidaat-werknemers.
Art. 118. L'information en matière d'examens médicaux
Est puni d'une sanction [1 de niveau 1]1, l'employeur [1 ...]1 qui, en contravention à la loi du 28 janvier 2003 relative aux examens médicaux dans le cadre des relations de travail, alors qu'il a décidé de soumettre un travailleur ou un candidat travailleur à un examen médical ou à un test biologique autorisé, ne l'a pas informé, par lettre confidentielle et recommandée, dix jours avant l'examen, du type d'information recherchée, de l'examen auquel il sera soumis et des raisons pour lesquelles celui-ci sera effectué.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs ou de candidats travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction [1 de niveau 1]1, l'employeur [1 ...]1 qui, en contravention à la loi du 28 janvier 2003 relative aux examens médicaux dans le cadre des relations de travail, alors qu'il a décidé de soumettre un travailleur ou un candidat travailleur à un examen médical ou à un test biologique autorisé, ne l'a pas informé, par lettre confidentielle et recommandée, dix jours avant l'examen, du type d'information recherchée, de l'examen auquel il sera soumis et des raisons pour lesquelles celui-ci sera effectué.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs ou de candidats travailleurs concernés.
Wijzigingen
Afdeling 2. [1 - De preventie van psychosociale risico's op het werk, waaronder stress, geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, gezondheid en veiligheid op het werk en welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk]1
Section 2. [1 - La prévention des risques psychosociaux au travail, dont le stress, la violence et le harcèlement moral ou sexuel au travail, la santé et la sécurité au travail et le bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail]1
Art. 119. [1 Daden van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die in contact treedt met de werknemers bij de uitvoering van hun werk en die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, een daad van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk begaat.]1
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die in contact treedt met de werknemers bij de uitvoering van hun werk en die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, een daad van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk begaat.]1
Art. 119. [1 Les actes de violence et de harcèlement moral ou sexuel au travail
Est punie d'une sanction de niveau 4, toute personne qui entre en contact avec les travailleurs lors de l'exécution de leur travail et qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, commet un acte de violence ou de harcèlement moral ou sexuel au travail.]1
Est punie d'une sanction de niveau 4, toute personne qui entre en contact avec les travailleurs lors de l'exécution de leur travail et qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, commet un acte de violence ou de harcèlement moral ou sexuel au travail.]1
Wijzigingen
Art. 120. Niet-naleving van de gerechtelijke beslissing om een einde te maken aan geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, hij die geen einde maakt aan geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk binnen de termijn die vastgesteld is door het bevoegde rechtscollege op grond van artikel 32decies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, hij die geen einde maakt aan geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk binnen de termijn die vastgesteld is door het bevoegde rechtscollege op grond van artikel 32decies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
Art. 120. Le non-respect de la décision judiciaire ordonnant de mettre fin à la violence ou au harcèlement moral ou sexuel au travail
Est punie d'une sanction de niveau 4, toute personne qui ne met pas fin à la violence ou au harcèlement moral ou sexuel au travail dans le délai fixé par la juridiction compétente sur la base de l'article 32decies de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail.
Est punie d'une sanction de niveau 4, toute personne qui ne met pas fin à la violence ou au harcèlement moral ou sexuel au travail dans le délai fixé par la juridiction compétente sur la base de l'article 32decies de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail.
Art. 121. [1 De risicoanalyse betreffende de psychosociale risico's op het werk
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° geen risicoanalyse uitvoert betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk, rekening houdend met de gevaren verbonden aan de elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk;
2° de risicoanalyse betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk uitvoert :
a) zonder medewerking van de werknemers;
b) zonder de preventieadviseur psychosociale aspecten erbij te betrekken wanneer hij deel uitmaakt van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk;
c) zonder de preventieadviseur psychosociale aspecten die deel uitmaakt van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk erbij te betrekken wanneer de complexiteit van de analyse dit vereist;
d) zonder rekening te houden met het feit dat de werknemers bij de uitvoering van hun werk op de arbeidsplaats in contact komen met andere personen dan de werknemers en de daarmee gelijkgestelde personen;
3° geen risicoanalyse uitvoert betreffende de psychosociale risico's op het niveau van een specifieke arbeidssituatie waarin een gevaar werd vastgesteld, bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 10 april 2014 betreffende de preventie van psychosociale risico's op het werk, rekening houdend met de gevaren verbonden aan de elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk, inzonderheid wanneer een lid van de hiërarchische lijn of ten minste één derde van de werknemersvertegenwoordigers in het comité voor preventie en bescherming op het werk om deze risicoanalyse vragen;
4° de risicoanalyse betreffende de psychosociale risico's op het niveau van een specifieke arbeidssituatie waarin een gevaar werd vastgesteld, bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 10 april 2014 betreffende de preventie van psychosociale risico's op het werk, uitvoert :
a) zonder medewerking van de werknemers;
b) zonder de preventieadviseur psychosociale aspecten erbij te betrekken wanneer hij deel uitmaakt van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk;
c) zonder de preventieadviseur psychosociale aspecten die deel uitmaakt van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk erbij te betrekken wanneer de complexiteit van de situatie dit vereist;
d) zonder de werknemers de mogelijkheid te geven om gegevens op een anonieme wijze mee te delen wanneer de preventieadviseur psychosociale aspecten niet bij de analyse wordt betrokken.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° geen risicoanalyse uitvoert betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk, rekening houdend met de gevaren verbonden aan de elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk;
2° de risicoanalyse betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk uitvoert :
a) zonder medewerking van de werknemers;
b) zonder de preventieadviseur psychosociale aspecten erbij te betrekken wanneer hij deel uitmaakt van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk;
c) zonder de preventieadviseur psychosociale aspecten die deel uitmaakt van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk erbij te betrekken wanneer de complexiteit van de analyse dit vereist;
d) zonder rekening te houden met het feit dat de werknemers bij de uitvoering van hun werk op de arbeidsplaats in contact komen met andere personen dan de werknemers en de daarmee gelijkgestelde personen;
3° geen risicoanalyse uitvoert betreffende de psychosociale risico's op het niveau van een specifieke arbeidssituatie waarin een gevaar werd vastgesteld, bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 10 april 2014 betreffende de preventie van psychosociale risico's op het werk, rekening houdend met de gevaren verbonden aan de elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk, inzonderheid wanneer een lid van de hiërarchische lijn of ten minste één derde van de werknemersvertegenwoordigers in het comité voor preventie en bescherming op het werk om deze risicoanalyse vragen;
4° de risicoanalyse betreffende de psychosociale risico's op het niveau van een specifieke arbeidssituatie waarin een gevaar werd vastgesteld, bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 10 april 2014 betreffende de preventie van psychosociale risico's op het werk, uitvoert :
a) zonder medewerking van de werknemers;
b) zonder de preventieadviseur psychosociale aspecten erbij te betrekken wanneer hij deel uitmaakt van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk;
c) zonder de preventieadviseur psychosociale aspecten die deel uitmaakt van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk erbij te betrekken wanneer de complexiteit van de situatie dit vereist;
d) zonder de werknemers de mogelijkheid te geven om gegevens op een anonieme wijze mee te delen wanneer de preventieadviseur psychosociale aspecten niet bij de analyse wordt betrokken.]1
Art. 121. [1 L'analyse des risques portant sur les risques psychosociaux au travail
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° ne réalise pas une analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail, en tenant compte des dangers liés aux composantes de l'organisation du travail, du contenu du travail, des conditions de travail, des conditions de vie au travail et des relations interpersonnelles au travail;
2° réalise l'analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail :
a) sans la participation des travailleurs;
b) sans y associer le conseiller en prévention aspects psychosociaux lorsqu'il fait partie du service interne pour la prévention et la protection au travail;
c) sans y associer le conseiller en prévention aspects psychosociaux du service externe pour la prévention et la protection au travail lorsque la complexité de l'analyse le requiert;
d) sans tenir compte du fait que les travailleurs entrent en contact avec des personnes autres que des travailleurs et des personnes assimilées lors de l'exécution de leur travail sur le lieu de travail;
3° ne réalise pas une analyse des risques portant sur les risques psychosociaux au travail au niveau d'une situation de travail spécifique dans laquelle un danger est détecté, visée à l'article 6 de l'arrêté royal du 10 avril 2014 relatif à la prévention des risques psychosociaux au travail, en tenant compte des dangers liés aux composantes de l'organisation du travail, du contenu du travail, des conditions de travail, des conditions de vie au travail et des relations interpersonnelles au travail, notamment lorsqu'elle est demandée par un membre de la ligne hiérarchique ou un tiers au moins de la délégation des travailleurs au comité pour la prévention et la protection au travail;
4° réalise une analyse des risques portant sur les risques psychosociaux au travail au niveau d'une situation de travail spécifique dans laquelle un danger est détecté, visée à l'article 6 de l'arrêté royal du 10 avril 2014 relatif à la prévention des risques psychosociaux au travail :
a) sans la participation des travailleurs;
b) sans y associer le conseiller en prévention aspects psychosociaux lorsqu'il fait partie du service interne pour la prévention et la protection au travail;
c) sans y associer le conseiller en prévention aspects psychosociaux du service externe pour la prévention et la protection au travail lorsque la complexité de la situation le requiert;
d) sans donner la possibilité aux travailleurs de communiquer les informations de manière anonyme lorsque le conseiller en prévention aspects psychosociaux n'est pas associé à l'analyse.]1
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° ne réalise pas une analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail, en tenant compte des dangers liés aux composantes de l'organisation du travail, du contenu du travail, des conditions de travail, des conditions de vie au travail et des relations interpersonnelles au travail;
2° réalise l'analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail :
a) sans la participation des travailleurs;
b) sans y associer le conseiller en prévention aspects psychosociaux lorsqu'il fait partie du service interne pour la prévention et la protection au travail;
c) sans y associer le conseiller en prévention aspects psychosociaux du service externe pour la prévention et la protection au travail lorsque la complexité de l'analyse le requiert;
d) sans tenir compte du fait que les travailleurs entrent en contact avec des personnes autres que des travailleurs et des personnes assimilées lors de l'exécution de leur travail sur le lieu de travail;
3° ne réalise pas une analyse des risques portant sur les risques psychosociaux au travail au niveau d'une situation de travail spécifique dans laquelle un danger est détecté, visée à l'article 6 de l'arrêté royal du 10 avril 2014 relatif à la prévention des risques psychosociaux au travail, en tenant compte des dangers liés aux composantes de l'organisation du travail, du contenu du travail, des conditions de travail, des conditions de vie au travail et des relations interpersonnelles au travail, notamment lorsqu'elle est demandée par un membre de la ligne hiérarchique ou un tiers au moins de la délégation des travailleurs au comité pour la prévention et la protection au travail;
4° réalise une analyse des risques portant sur les risques psychosociaux au travail au niveau d'une situation de travail spécifique dans laquelle un danger est détecté, visée à l'article 6 de l'arrêté royal du 10 avril 2014 relatif à la prévention des risques psychosociaux au travail :
a) sans la participation des travailleurs;
b) sans y associer le conseiller en prévention aspects psychosociaux lorsqu'il fait partie du service interne pour la prévention et la protection au travail;
c) sans y associer le conseiller en prévention aspects psychosociaux du service externe pour la prévention et la protection au travail lorsque la complexité de la situation le requiert;
d) sans donner la possibilité aux travailleurs de communiquer les informations de manière anonyme lorsque le conseiller en prévention aspects psychosociaux n'est pas associé à l'analyse.]1
Wijzigingen
Art. 122. [1 De preventiemaatregelen die betrekking hebben op de preventie van de psychosociale risico's op het werk
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° niet de passende preventiemaatregelen treft, voor zover hij een impact heeft op het gevaar, om de situaties en handelingen die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk te voorkomen, om de schade te voorkomen of om deze te beperken;
2° bij het treffen van de preventiemaatregelen bedoeld in 1°, geen rekening houdt met het feit dat zijn werknemers bij de uitvoering van hun werk op de arbeidsplaats in contact komen met andere personen dan de werknemers en de daarmee gelijkgestelde personen, inzonderheid door geen kennis te nemen van de verklaringen van de werknemers die opgenomen zijn in het register van feiten van derden;
3° niet de passende preventiemaatregelen treft, voor zover hij een impact heeft op het gevaar, om het gevaar dat voortvloeit uit een specifieke arbeidssituatie als bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 10 april 2014 betreffende de preventie van psychosociale risico's op het werk uit te schakelen of om de schade die hieruit voortvloeit, te voorkomen of te beperken;
4° niet de passende maatregelen treft, voor zover hij een impact heeft op het gevaar, om een einde te maken aan daden van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk als die ter kennis zijn gebracht van de werkgever;
5° niet de nodige bewarende maatregelen treft wanneer de ernst van de feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk het vereist;
6° geen procedures vaststelt die rechtstreeks toegankelijk zijn voor de werknemer die meent schade te ondervinden ten gevolge van psychosociale risico's op het werk, en die in overeenstemming zijn met de door de Koning vastgestelde bepalingen;
7° procedures vaststelt die rechtstreeks toegankelijk zijn voor de werknemer die meent schade te ondervinden ten gevolge van psychosociale risico's op het werk :
a) zonder het akkoord te bekomen van het comité voor preventie en bescherming op het werk;
b) zonder het akkoord te hebben bekomen van tenminste twee derden van de leden-vertegenwoordigers van de personeelsleden binnen het comité voor preventie en bescherming op het werk, als het akkoord van het comité niet werd bekomen ingevolge het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar onverminderd de toepassing van de bepalingen tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
c) die niet in overeenstemming zijn met collectieve arbeidsovereenkomsten die algemeen verbindend zijn verklaard bij koninklijk besluit;
8° geen procedures vaststelt die betrekking hebben op de wedertewerkstelling van de werknemers die menen schade te ondervinden ten gevolge van psychosociale risico's op het werk;
9° er niet op toeziet dat de werknemers die, bij de uitvoering van hun werk, het voorwerp zijn geweest van een daad van geweld, gepleegd door andere personen dan werknemers en daarmee gelijkgestelde personen die zich op de arbeidsplaats bevinden, een passende psychologische ondersteuning krijgen van gespecialiseerde diensten of instellingen, waarvan de kosten worden gedragen door de werkgever onverminderd de toepassing van andere wettelijke bepalingen;
10° niet de verplichtingen van de hiërarchische lijn bepaalt inzake de preventie van psychosociale risico's op het werk;
11° niet de nodige maatregelen treft opdat de werknemers, de leden van de hiërarchische lijn en de leden van het comité voor preventie en bescherming op het werk zouden beschikken over de nuttige informatie die is voorgeschreven door de Koning;
12° er niet op toeziet dat de werknemers, de leden van de hiërarchische lijn en de leden van het comité voor preventie en bescherming op het werk de door de Koning vastgestelde opleiding ontvangen.
De inbreuken bedoeld in het eerste lid, 4° en 5° worden bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg hebben gehad voor een werknemer.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° niet de passende preventiemaatregelen treft, voor zover hij een impact heeft op het gevaar, om de situaties en handelingen die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk te voorkomen, om de schade te voorkomen of om deze te beperken;
2° bij het treffen van de preventiemaatregelen bedoeld in 1°, geen rekening houdt met het feit dat zijn werknemers bij de uitvoering van hun werk op de arbeidsplaats in contact komen met andere personen dan de werknemers en de daarmee gelijkgestelde personen, inzonderheid door geen kennis te nemen van de verklaringen van de werknemers die opgenomen zijn in het register van feiten van derden;
3° niet de passende preventiemaatregelen treft, voor zover hij een impact heeft op het gevaar, om het gevaar dat voortvloeit uit een specifieke arbeidssituatie als bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 10 april 2014 betreffende de preventie van psychosociale risico's op het werk uit te schakelen of om de schade die hieruit voortvloeit, te voorkomen of te beperken;
4° niet de passende maatregelen treft, voor zover hij een impact heeft op het gevaar, om een einde te maken aan daden van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk als die ter kennis zijn gebracht van de werkgever;
5° niet de nodige bewarende maatregelen treft wanneer de ernst van de feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk het vereist;
6° geen procedures vaststelt die rechtstreeks toegankelijk zijn voor de werknemer die meent schade te ondervinden ten gevolge van psychosociale risico's op het werk, en die in overeenstemming zijn met de door de Koning vastgestelde bepalingen;
7° procedures vaststelt die rechtstreeks toegankelijk zijn voor de werknemer die meent schade te ondervinden ten gevolge van psychosociale risico's op het werk :
a) zonder het akkoord te bekomen van het comité voor preventie en bescherming op het werk;
b) zonder het akkoord te hebben bekomen van tenminste twee derden van de leden-vertegenwoordigers van de personeelsleden binnen het comité voor preventie en bescherming op het werk, als het akkoord van het comité niet werd bekomen ingevolge het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar onverminderd de toepassing van de bepalingen tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
c) die niet in overeenstemming zijn met collectieve arbeidsovereenkomsten die algemeen verbindend zijn verklaard bij koninklijk besluit;
8° geen procedures vaststelt die betrekking hebben op de wedertewerkstelling van de werknemers die menen schade te ondervinden ten gevolge van psychosociale risico's op het werk;
9° er niet op toeziet dat de werknemers die, bij de uitvoering van hun werk, het voorwerp zijn geweest van een daad van geweld, gepleegd door andere personen dan werknemers en daarmee gelijkgestelde personen die zich op de arbeidsplaats bevinden, een passende psychologische ondersteuning krijgen van gespecialiseerde diensten of instellingen, waarvan de kosten worden gedragen door de werkgever onverminderd de toepassing van andere wettelijke bepalingen;
10° niet de verplichtingen van de hiërarchische lijn bepaalt inzake de preventie van psychosociale risico's op het werk;
11° niet de nodige maatregelen treft opdat de werknemers, de leden van de hiërarchische lijn en de leden van het comité voor preventie en bescherming op het werk zouden beschikken over de nuttige informatie die is voorgeschreven door de Koning;
12° er niet op toeziet dat de werknemers, de leden van de hiërarchische lijn en de leden van het comité voor preventie en bescherming op het werk de door de Koning vastgestelde opleiding ontvangen.
De inbreuken bedoeld in het eerste lid, 4° en 5° worden bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg hebben gehad voor een werknemer.]1
Art. 122. [1 Les mesures de prévention relatives à la prévention des risques psychosociaux au travail
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° ne prend pas, dans la mesure où il a un impact sur le danger, les mesures de prévention appropriées pour prévenir les situations et les actes qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail, pour prévenir les dommages ou pour les limiter;
2° ne tient pas compte lorsqu'il prend les mesures de prévention visées au 1° du fait que ses travailleurs entrent en contact avec des personnes autres que des travailleurs et des personnes assimilées lors de l'exécution de leur travail sur le lieu de travail, notamment en ne prenant pas connaissance des déclarations des travailleurs qui sont reprises dans le registre de faits de tiers;
3° ne prend pas, dans la mesure où il a un impact sur le danger, les mesures de prévention appropriées pour éliminer le danger découlant d'une situation de travail spécifique visée à l'article 6 de l'arrêté royal du 10 avril 2014 relatif à la prévention des risques psychosociaux au travail ou pour prévenir ou limiter les dommages qui en découlent;
4° ne prend pas, dans la mesure où il a un impact sur le danger, les mesures appropriées pour mettre fin aux actes de violence ou de harcèlement moral ou sexuel au travail lorsqu'ils sont portés à la connaissance de l'employeur;
5° ne prend pas les mesures conservatoires nécessaires lorsque la gravité des faits de violence ou de harcèlement moral ou sexuel au travail l'exige;
6° ne met pas en place des procédures directement accessibles au travailleur qui estime subir un dommage découlant de risques psychosociaux au travail et qui sont conformes aux dispositions fixées par le Roi;
7° établit des procédures directement accessibles au travailleur qui estime subir un dommage découlant des risques psychosociaux au travail :
a) sans obtenir l'accord du comité pour la prévention et la protection au travail;
b) sans avoir obtenu l'accord d'au moins deux tiers des membres représentants les travailleurs au sein du comité pour la prévention et la protection au travail, lorsque l'accord du comité n'a pas été obtenu suite à l'avis du fonctionnaire chargé de la surveillance sans préjudice de l'application des dispositions organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats;
c) sans se conformer aux conventions collectives de travail rendues obligatoires par arrêté royal;
8° ne met pas en place des procédures qui ont trait à la remise au travail des travailleurs qui estiment avoir subi des dommages découlant de risques psychosociaux au travail;
9° ne veille pas à ce que les travailleurs, qui, lors de l'exécution de leur travail, ont été l'objet d'un acte de violence commis par des personnes autres que des travailleurs et des personnes assimilées et qui se trouvent sur les lieux de travail, reçoivent un soutien psychologique approprié auprès de services ou d'institutions spécialisées dont les coûts sont pris en charge par l'employeur, sans préjudice de l'application d'autres dispositions légales;
10° ne détermine pas les obligations de la ligne hiérarchique en matière de prévention des risques psychosociaux au travail;
11° ne prend pas les mesures nécessaires pour que les travailleurs, les membres de la ligne hiérarchique et les membres du comité pour la prévention et la protection au travail disposent des informations utiles prescrites par le Roi;
12° ne veille pas à ce que les travailleurs, les membres de la ligne hiérarchique et les membres du comité pour la prévention et la protection au travail reçoivent la formation prescrite par le Roi.
Les infractions visées à l'alinéa 1er, 4° et 5° sont punies d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elles ont eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un travailleur.]1
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° ne prend pas, dans la mesure où il a un impact sur le danger, les mesures de prévention appropriées pour prévenir les situations et les actes qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail, pour prévenir les dommages ou pour les limiter;
2° ne tient pas compte lorsqu'il prend les mesures de prévention visées au 1° du fait que ses travailleurs entrent en contact avec des personnes autres que des travailleurs et des personnes assimilées lors de l'exécution de leur travail sur le lieu de travail, notamment en ne prenant pas connaissance des déclarations des travailleurs qui sont reprises dans le registre de faits de tiers;
3° ne prend pas, dans la mesure où il a un impact sur le danger, les mesures de prévention appropriées pour éliminer le danger découlant d'une situation de travail spécifique visée à l'article 6 de l'arrêté royal du 10 avril 2014 relatif à la prévention des risques psychosociaux au travail ou pour prévenir ou limiter les dommages qui en découlent;
4° ne prend pas, dans la mesure où il a un impact sur le danger, les mesures appropriées pour mettre fin aux actes de violence ou de harcèlement moral ou sexuel au travail lorsqu'ils sont portés à la connaissance de l'employeur;
5° ne prend pas les mesures conservatoires nécessaires lorsque la gravité des faits de violence ou de harcèlement moral ou sexuel au travail l'exige;
6° ne met pas en place des procédures directement accessibles au travailleur qui estime subir un dommage découlant de risques psychosociaux au travail et qui sont conformes aux dispositions fixées par le Roi;
7° établit des procédures directement accessibles au travailleur qui estime subir un dommage découlant des risques psychosociaux au travail :
a) sans obtenir l'accord du comité pour la prévention et la protection au travail;
b) sans avoir obtenu l'accord d'au moins deux tiers des membres représentants les travailleurs au sein du comité pour la prévention et la protection au travail, lorsque l'accord du comité n'a pas été obtenu suite à l'avis du fonctionnaire chargé de la surveillance sans préjudice de l'application des dispositions organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats;
c) sans se conformer aux conventions collectives de travail rendues obligatoires par arrêté royal;
8° ne met pas en place des procédures qui ont trait à la remise au travail des travailleurs qui estiment avoir subi des dommages découlant de risques psychosociaux au travail;
9° ne veille pas à ce que les travailleurs, qui, lors de l'exécution de leur travail, ont été l'objet d'un acte de violence commis par des personnes autres que des travailleurs et des personnes assimilées et qui se trouvent sur les lieux de travail, reçoivent un soutien psychologique approprié auprès de services ou d'institutions spécialisées dont les coûts sont pris en charge par l'employeur, sans préjudice de l'application d'autres dispositions légales;
10° ne détermine pas les obligations de la ligne hiérarchique en matière de prévention des risques psychosociaux au travail;
11° ne prend pas les mesures nécessaires pour que les travailleurs, les membres de la ligne hiérarchique et les membres du comité pour la prévention et la protection au travail disposent des informations utiles prescrites par le Roi;
12° ne veille pas à ce que les travailleurs, les membres de la ligne hiérarchique et les membres du comité pour la prévention et la protection au travail reçoivent la formation prescrite par le Roi.
Les infractions visées à l'alinéa 1er, 4° et 5° sont punies d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elles ont eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un travailleur.]1
Wijzigingen
Art. 122/1. [1 Toepassing van de procedures die toegankelijk zijn voor de werknemers
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° in het kader van een verzoek tot formele psychosociale interventie met een hoofdzakelijk collectief karakter :
a) geen overleg pleegt met het comité voor preventie en bescherming op het werk of met de vakbondsafvaardiging, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
b) niet zijn gemotiveerde beslissing meedeelt betreffende de gevolgen die hij aan het verzoek geeft, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
c) niet de nodige collectieve preventiemaatregelen treft, voor zover hij een impact heeft op het gevaar;
d) naar aanleiding van de voorstellen van de preventieadviseur psychosociale aspecten, geen preventiemaatregelen treft die tot doel hebben de risico's die een individueel karakter vertonen te ondervangen om te voorkomen dat de gezondheid van de werknemer die het verzoek heeft ingediend ernstig wordt aangetast, voor zover hij een impact heeft op het gevaar;
2° in het kader van een verzoek tot formele psychosociale interventie met een hoofdzakelijk individueel karakter of voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk :
a) niet de werknemer op de hoogte brengt van de individuele maatregelen die hij ten aanzien van hem overweegt te nemen, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
b) geen afschrift van het advies van de preventieadviseur psychosociale aspecten meedeelt aan de werknemer ten aanzien van wie hij overweegt individuele maatregelen te nemen die zijn arbeidsvoorwaarden wijzigen;
c) niet de werknemer bedoeld in b) hoort tijdens een onderhoud waarbij deze zich kan laten bijstaan door een persoon naar zijn keuze;
d) niet zijn gemotiveerde beslissing meedeelt betreffende de gevolgen die hij aan het verzoek geeft, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
e) voor zover hij een impact heeft op het gevaar, niet de passende preventiemaatregelen treft om een einde te maken aan de schade geleden door de werknemer die het verzoek heeft ingediend;
3° in het kader van een verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk :
a) niet zijn gemotiveerde beslissing meedeelt betreffende de gevolgen die hij geeft aan de voorstellen voor bewarende maatregelen van de preventieadviseur psychosociale aspecten onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
b) nalaat contact te leggen met de werkgever van de onderneming van buitenaf, wiens werknemers permanent werkzaamheden uitvoeren bij de werkgever, opdat de individuele preventiemaatregelen die moeten getroffen worden ten aanzien van een werknemer van deze onderneming die gebruik heeft gemaakt van de interne procedure bij de werkgever onder de voorwaarden bepaald door de Koning, daadwerkelijk zouden kunnen toegepast worden;
c) geen afschrift van het advies van de preventieadviseur psychosociale aspecten meedeelt op verzoek van de persoon die het verzoek heeft ingediend of van de in dit verzoek vermelde aangeklaagde, in de hypothese dat zij overwegen een rechtsvordering in te stellen;
4° elementen van het advies van de preventieadviseur psychosociale aspecten meedeelt aan een lid van de hiërarchische lijn van de verzoeker, zonder dat dit noodzakelijk is voor de toepassing van de preventiemaatregelen.
De inbreuk bedoeld in het eerste lid, 2°, e), wordt bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg heeft gehad voor een werknemer.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° in het kader van een verzoek tot formele psychosociale interventie met een hoofdzakelijk collectief karakter :
a) geen overleg pleegt met het comité voor preventie en bescherming op het werk of met de vakbondsafvaardiging, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
b) niet zijn gemotiveerde beslissing meedeelt betreffende de gevolgen die hij aan het verzoek geeft, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
c) niet de nodige collectieve preventiemaatregelen treft, voor zover hij een impact heeft op het gevaar;
d) naar aanleiding van de voorstellen van de preventieadviseur psychosociale aspecten, geen preventiemaatregelen treft die tot doel hebben de risico's die een individueel karakter vertonen te ondervangen om te voorkomen dat de gezondheid van de werknemer die het verzoek heeft ingediend ernstig wordt aangetast, voor zover hij een impact heeft op het gevaar;
2° in het kader van een verzoek tot formele psychosociale interventie met een hoofdzakelijk individueel karakter of voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk :
a) niet de werknemer op de hoogte brengt van de individuele maatregelen die hij ten aanzien van hem overweegt te nemen, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
b) geen afschrift van het advies van de preventieadviseur psychosociale aspecten meedeelt aan de werknemer ten aanzien van wie hij overweegt individuele maatregelen te nemen die zijn arbeidsvoorwaarden wijzigen;
c) niet de werknemer bedoeld in b) hoort tijdens een onderhoud waarbij deze zich kan laten bijstaan door een persoon naar zijn keuze;
d) niet zijn gemotiveerde beslissing meedeelt betreffende de gevolgen die hij aan het verzoek geeft, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
e) voor zover hij een impact heeft op het gevaar, niet de passende preventiemaatregelen treft om een einde te maken aan de schade geleden door de werknemer die het verzoek heeft ingediend;
3° in het kader van een verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk :
a) niet zijn gemotiveerde beslissing meedeelt betreffende de gevolgen die hij geeft aan de voorstellen voor bewarende maatregelen van de preventieadviseur psychosociale aspecten onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
b) nalaat contact te leggen met de werkgever van de onderneming van buitenaf, wiens werknemers permanent werkzaamheden uitvoeren bij de werkgever, opdat de individuele preventiemaatregelen die moeten getroffen worden ten aanzien van een werknemer van deze onderneming die gebruik heeft gemaakt van de interne procedure bij de werkgever onder de voorwaarden bepaald door de Koning, daadwerkelijk zouden kunnen toegepast worden;
c) geen afschrift van het advies van de preventieadviseur psychosociale aspecten meedeelt op verzoek van de persoon die het verzoek heeft ingediend of van de in dit verzoek vermelde aangeklaagde, in de hypothese dat zij overwegen een rechtsvordering in te stellen;
4° elementen van het advies van de preventieadviseur psychosociale aspecten meedeelt aan een lid van de hiërarchische lijn van de verzoeker, zonder dat dit noodzakelijk is voor de toepassing van de preventiemaatregelen.
De inbreuk bedoeld in het eerste lid, 2°, e), wordt bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg heeft gehad voor een werknemer.]1
Art. 122/1. [1 Application des procédures accessibles aux travailleurs
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° dans le cadre d'une demande d'intervention psychosociale formelle à caractère principalement collectif :
a) ne se concerte pas avec le comité pour la prévention et la protection au travail ou avec la délégation syndicale, dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi;
b) ne communique pas sa décision motivée quant aux suites qu'il donne à la demande dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi;
c) ne prend pas les mesures de prévention collectives nécessaires, dans la mesure où il a un impact sur le danger;
d) suite aux propositions du conseiller en prévention aspects psychosociaux, ne prend pas les mesures de prévention qui ont pour but de remédier aux risques qui présentent un caractère individuel afin d'éviter au travailleur qui a introduit la demande de subir une atteinte grave à sa santé, dans la mesure où il a un impact sur le danger;
2° dans le cadre d'une demande d'intervention psychosociale formelle à caractère principalement individuel ou pour faits de violence ou de harcèlement moral ou sexuel au travail :
a) n'avertit pas le travailleur des mesures individuelles qu'il envisage de prendre vis-à-vis de lui dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi;
b) ne remet pas une copie de l'avis du conseiller en prévention aspects psychosociaux au travailleur vis-à-vis duquel il envisage de prendre des mesures individuelles qui modifient ses conditions de travail;
c) n'entend pas le travailleur visé au b) lors d'un entretien au cours duquel celui-ci peut se faire assister par une personne de son choix;
d) ne communique pas sa décision motivée quant aux suites qu'il donne à la demande dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi;
e) ne prend pas les mesures de prévention appropriées pour mettre fin au dommage subi par le travailleur qui a introduit la demande, dans la mesure où il a un impact sur le danger;
3° dans le cadre d'une demande d'intervention psychosociale formelle pour faits de violence ou de harcèlement moral ou sexuel au travail :
a) ne communique pas sa décision motivée quant aux suites qu'il donne aux propositions de mesures conservatoires du conseiller en prévention aspects psychosociaux dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi;
b) omet de prendre contact avec l'employeur de l'entreprise extérieure, dont les travailleurs exécutent des activités de façon permanente auprès de l'employeur, pour que les mesures de prévention individuelles qui doivent être prises vis-à-vis d'un travailleur de cette entreprise qui a utilisé la procédure interne de l'employeur dans les conditions déterminées par le Roi, puissent effectivement être mises en oeuvre;
c) ne communique pas une copie de l'avis du conseiller en prévention aspects psychosociaux à la demande de la personne qui a introduit la demande ou de la personne mise en cause dans cette demande, dans l'hypothèse où elles envisagent d'agir en justice;
4° communique des éléments de l'avis du conseiller en prévention aspects psychosociaux au membre de la ligne hiérarchique du demandeur sans que cela soit nécessaire pour l'application des mesures de prévention.
L'infraction visée à l'alinéa 1er, 2°, e), est punie d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elle a eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un travailleur.]1
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° dans le cadre d'une demande d'intervention psychosociale formelle à caractère principalement collectif :
a) ne se concerte pas avec le comité pour la prévention et la protection au travail ou avec la délégation syndicale, dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi;
b) ne communique pas sa décision motivée quant aux suites qu'il donne à la demande dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi;
c) ne prend pas les mesures de prévention collectives nécessaires, dans la mesure où il a un impact sur le danger;
d) suite aux propositions du conseiller en prévention aspects psychosociaux, ne prend pas les mesures de prévention qui ont pour but de remédier aux risques qui présentent un caractère individuel afin d'éviter au travailleur qui a introduit la demande de subir une atteinte grave à sa santé, dans la mesure où il a un impact sur le danger;
2° dans le cadre d'une demande d'intervention psychosociale formelle à caractère principalement individuel ou pour faits de violence ou de harcèlement moral ou sexuel au travail :
a) n'avertit pas le travailleur des mesures individuelles qu'il envisage de prendre vis-à-vis de lui dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi;
b) ne remet pas une copie de l'avis du conseiller en prévention aspects psychosociaux au travailleur vis-à-vis duquel il envisage de prendre des mesures individuelles qui modifient ses conditions de travail;
c) n'entend pas le travailleur visé au b) lors d'un entretien au cours duquel celui-ci peut se faire assister par une personne de son choix;
d) ne communique pas sa décision motivée quant aux suites qu'il donne à la demande dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi;
e) ne prend pas les mesures de prévention appropriées pour mettre fin au dommage subi par le travailleur qui a introduit la demande, dans la mesure où il a un impact sur le danger;
3° dans le cadre d'une demande d'intervention psychosociale formelle pour faits de violence ou de harcèlement moral ou sexuel au travail :
a) ne communique pas sa décision motivée quant aux suites qu'il donne aux propositions de mesures conservatoires du conseiller en prévention aspects psychosociaux dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi;
b) omet de prendre contact avec l'employeur de l'entreprise extérieure, dont les travailleurs exécutent des activités de façon permanente auprès de l'employeur, pour que les mesures de prévention individuelles qui doivent être prises vis-à-vis d'un travailleur de cette entreprise qui a utilisé la procédure interne de l'employeur dans les conditions déterminées par le Roi, puissent effectivement être mises en oeuvre;
c) ne communique pas une copie de l'avis du conseiller en prévention aspects psychosociaux à la demande de la personne qui a introduit la demande ou de la personne mise en cause dans cette demande, dans l'hypothèse où elles envisagent d'agir en justice;
4° communique des éléments de l'avis du conseiller en prévention aspects psychosociaux au membre de la ligne hiérarchique du demandeur sans que cela soit nécessaire pour l'application des mesures de prévention.
L'infraction visée à l'alinéa 1er, 2°, e), est punie d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elle a eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un travailleur.]1
Art. 122/2. [1 De preventieadviseur psychosociale aspecten
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° binnen de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk geen preventieadviseur psychosociale aspecten aanwijst die voldoet aan de door de Koning bepaalde voorwaarden;
2° niet de opdrachten van de preventieadviseur psychosociale aspecten toevertrouwt aan een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, als hij binnen de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk geen preventieadviseur psychosociale aspecten heeft aangewezen of als hij minder dan 50 werknemers tewerkstelt;
§ 2. Met een sanctie [2 van niveau 3]2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° binnen de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk een preventieadviseur psychosociale aspecten aanwijst zonder het voorafgaand akkoord van alle leden-vertegenwoordigers van de personeelsleden binnen het comité voor preventie en bescherming op het werk te hebben bekomen;
2° een preventieadviseur psychosociale aspecten aanwijst die deel uitmaakt van het leidinggevend personeel;
3° een preventieadviseur psychosociale aspecten aanwijst die de functie van preventieadviseur bevoegd voor de arbeidsgeneeskunde uitoefent.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° binnen de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk geen preventieadviseur psychosociale aspecten aanwijst die voldoet aan de door de Koning bepaalde voorwaarden;
2° niet de opdrachten van de preventieadviseur psychosociale aspecten toevertrouwt aan een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, als hij binnen de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk geen preventieadviseur psychosociale aspecten heeft aangewezen of als hij minder dan 50 werknemers tewerkstelt;
§ 2. Met een sanctie [2 van niveau 3]2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° binnen de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk een preventieadviseur psychosociale aspecten aanwijst zonder het voorafgaand akkoord van alle leden-vertegenwoordigers van de personeelsleden binnen het comité voor preventie en bescherming op het werk te hebben bekomen;
2° een preventieadviseur psychosociale aspecten aanwijst die deel uitmaakt van het leidinggevend personeel;
3° een preventieadviseur psychosociale aspecten aanwijst die de functie van preventieadviseur bevoegd voor de arbeidsgeneeskunde uitoefent.]1
Art. 122/2. [1 Le conseiller en prévention aspects psychosociaux
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° ne désigne pas, dans le service interne de prévention et de protection au travail, un conseiller en prévention aspects psychosociaux répondant aux conditions fixées par le Roi;
2° n'attribue pas les missions du conseiller en prévention aspects psychosociaux à un service externe de prévention et de protection au travail s'il n'a pas désigné de conseiller en prévention aspects psychosociaux dans le service interne de prévention et de protection au travail ou s'il occupe moins de 50 travailleurs;
§ 2. Est puni d'une sanction [2 de niveau 3]2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° désigne un conseiller en prévention aspects psychosociaux dans le service interne de prévention et de protection au travail sans avoir reçu l'accord préalable de tous les membres représentant les travailleurs au sein du comité pour la prévention et la protection au travail;
2° désigne un conseiller en prévention aspects psychosociaux qui fait partie du personnel de direction;
3° désigne un conseiller en prévention aspect psychosociaux qui exerce la fonction de conseiller en prévention compétent pour la médecine du travail.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° ne désigne pas, dans le service interne de prévention et de protection au travail, un conseiller en prévention aspects psychosociaux répondant aux conditions fixées par le Roi;
2° n'attribue pas les missions du conseiller en prévention aspects psychosociaux à un service externe de prévention et de protection au travail s'il n'a pas désigné de conseiller en prévention aspects psychosociaux dans le service interne de prévention et de protection au travail ou s'il occupe moins de 50 travailleurs;
§ 2. Est puni d'une sanction [2 de niveau 3]2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° désigne un conseiller en prévention aspects psychosociaux dans le service interne de prévention et de protection au travail sans avoir reçu l'accord préalable de tous les membres représentant les travailleurs au sein du comité pour la prévention et la protection au travail;
2° désigne un conseiller en prévention aspects psychosociaux qui fait partie du personnel de direction;
3° désigne un conseiller en prévention aspect psychosociaux qui exerce la fonction de conseiller en prévention compétent pour la médecine du travail.]1
Art. 122/3. [1 De vertrouwenspersoon
Met een sanctie [3 van niveau 3]3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° een vertrouwenspersoon aanwijst, zonder voorafgaand akkoord van alle leden-vertegenwoordigers van de personeelsleden binnen het comité voor preventie en bescherming op het werk;
[2 1°/1 niet minstens één vertrouwenspersoon die behoort tot het personeel van de werkgever aanduidt overeenkomstig de voorwaarden en de procedure bedoeld in de voormelde wet van 4 augustus 1996, wanneer de werkgever vijftig of meer werknemers tewerkstelt;]2
2° geen vertrouwenspersoon aanwijst overeenkomstig de voorwaarden en de procedure bedoeld in de voormelde wet van 4 augustus 1996 wanneer [2 alle leden van de vakbondsafvaardiging, of bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging, alle werknemers, hierom verzoeken]2;
3° een vertrouwenspersoon uit zijn functie verwijdert, zonder voorafgaand akkoord van alle leden-vertegenwoordigers van de personeelsleden binnen het comité voor preventie en bescherming op het werk;
4° niet het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar vraagt, als er geen akkoord wordt bereikt tussen alle leden-vertegenwoordigers van de personeelsleden binnen het comité voor preventie en bescherming op het werk en de werkgever over de verwijdering van de vertrouwenspersoon uit zijn functie;
5° een vertrouwenspersoon aanwijst die de functie van preventieadviseur bevoegd voor de arbeidsgeneeskunde uitoefent;
6° een vertrouwenspersoon aanwijst die deel uitmaakt van het personeel van de onderneming waar hij zijn functie uitoefent en werkgevers- of werknemersvertegenwoordiger is in de ondernemingsraad of in het comité voor preventie en bescherming op het werk van die onderneming;
7° een vertrouwenspersoon aanwijst die deel uitmaakt van het personeel van de onderneming waar hij zijn functie uitoefent en deel uitmaakt van de vakbondsafvaardiging;
8° een vertrouwenspersoon aanwijst die deel uitmaakt van het leidinggevend personeel;
9° niet ervoor zorgt dat ten minste een van de vertrouwenspersonen behoort tot het personeel van de werkgever wanneer hij slechts een beroep doet op een preventieadviseur psychosociale aspecten van een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, en hij bovendien [2 twintig of meer werknemers]2 tewerkstelt;
10° niet ervoor zorgt dat de vertrouwenspersoon zijn opdrachten te allen tijde volledig en doeltreffend kan vervullen onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
11° niet ervoor zorgt dat de vertrouwenspersoon geen nadeel ondervindt van zijn activiteiten als vertrouwenspersoon;
12° niet ervoor zorgt dat de vertrouwenspersoon zijn functie volledig autonoom uitoefent, inzonderheid door niet de nodige maatregelen te treffen opdat geen enkele persoon op welke wijze ook rechtstreeks of onrechtstreeks druk uitoefent op de vertrouwenspersoon bij de uitoefening van zijn functie en inzonderheid wat betreft de druk met het oog op het bekomen van informatie die verband houdt of kan houden met de uitoefening van deze functie;
13° niet de nodige maatregelen treft opdat de vertrouwenspersoon :
a) binnen twee jaar die volgen op zijn aanstelling, beschikt over de door de Koning bepaalde vaardigheden en kennis, door het volgen van de opleiding waarvan de inhoud wordt bepaald door de Koning;
b) zijn vaardigheden en kennis kan verbeteren, inzonderheid door het volgen van een supervisie onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
14° de kosten verbonden aan de in 13° bedoelde opleidingen alsook de desbetreffende verplaatsingskosten niet draagt.]1
[4 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 3 mei 2024 houdende bepalingen betreffende sekswerk onder arbeidsovereenkomst:
1° geen vertrouwenspersoon aanduidt;
2° niet minstens één vertrouwenspersoon aanduidt die behoort tot het personeel van de werkgever indien de werkgever 20 of meer werknemers tewerkstelt.]4
Met een sanctie [3 van niveau 3]3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° een vertrouwenspersoon aanwijst, zonder voorafgaand akkoord van alle leden-vertegenwoordigers van de personeelsleden binnen het comité voor preventie en bescherming op het werk;
[2 1°/1 niet minstens één vertrouwenspersoon die behoort tot het personeel van de werkgever aanduidt overeenkomstig de voorwaarden en de procedure bedoeld in de voormelde wet van 4 augustus 1996, wanneer de werkgever vijftig of meer werknemers tewerkstelt;]2
2° geen vertrouwenspersoon aanwijst overeenkomstig de voorwaarden en de procedure bedoeld in de voormelde wet van 4 augustus 1996 wanneer [2 alle leden van de vakbondsafvaardiging, of bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging, alle werknemers, hierom verzoeken]2;
3° een vertrouwenspersoon uit zijn functie verwijdert, zonder voorafgaand akkoord van alle leden-vertegenwoordigers van de personeelsleden binnen het comité voor preventie en bescherming op het werk;
4° niet het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar vraagt, als er geen akkoord wordt bereikt tussen alle leden-vertegenwoordigers van de personeelsleden binnen het comité voor preventie en bescherming op het werk en de werkgever over de verwijdering van de vertrouwenspersoon uit zijn functie;
5° een vertrouwenspersoon aanwijst die de functie van preventieadviseur bevoegd voor de arbeidsgeneeskunde uitoefent;
6° een vertrouwenspersoon aanwijst die deel uitmaakt van het personeel van de onderneming waar hij zijn functie uitoefent en werkgevers- of werknemersvertegenwoordiger is in de ondernemingsraad of in het comité voor preventie en bescherming op het werk van die onderneming;
7° een vertrouwenspersoon aanwijst die deel uitmaakt van het personeel van de onderneming waar hij zijn functie uitoefent en deel uitmaakt van de vakbondsafvaardiging;
8° een vertrouwenspersoon aanwijst die deel uitmaakt van het leidinggevend personeel;
9° niet ervoor zorgt dat ten minste een van de vertrouwenspersonen behoort tot het personeel van de werkgever wanneer hij slechts een beroep doet op een preventieadviseur psychosociale aspecten van een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, en hij bovendien [2 twintig of meer werknemers]2 tewerkstelt;
10° niet ervoor zorgt dat de vertrouwenspersoon zijn opdrachten te allen tijde volledig en doeltreffend kan vervullen onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
11° niet ervoor zorgt dat de vertrouwenspersoon geen nadeel ondervindt van zijn activiteiten als vertrouwenspersoon;
12° niet ervoor zorgt dat de vertrouwenspersoon zijn functie volledig autonoom uitoefent, inzonderheid door niet de nodige maatregelen te treffen opdat geen enkele persoon op welke wijze ook rechtstreeks of onrechtstreeks druk uitoefent op de vertrouwenspersoon bij de uitoefening van zijn functie en inzonderheid wat betreft de druk met het oog op het bekomen van informatie die verband houdt of kan houden met de uitoefening van deze functie;
13° niet de nodige maatregelen treft opdat de vertrouwenspersoon :
a) binnen twee jaar die volgen op zijn aanstelling, beschikt over de door de Koning bepaalde vaardigheden en kennis, door het volgen van de opleiding waarvan de inhoud wordt bepaald door de Koning;
b) zijn vaardigheden en kennis kan verbeteren, inzonderheid door het volgen van een supervisie onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
14° de kosten verbonden aan de in 13° bedoelde opleidingen alsook de desbetreffende verplaatsingskosten niet draagt.]1
[4 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 3 mei 2024 houdende bepalingen betreffende sekswerk onder arbeidsovereenkomst:
1° geen vertrouwenspersoon aanduidt;
2° niet minstens één vertrouwenspersoon aanduidt die behoort tot het personeel van de werkgever indien de werkgever 20 of meer werknemers tewerkstelt.]4
Art. 122/3. [1 La personne de confiance
Est puni d'une sanction [3 de niveau 3]3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° désigne une personne de confiance, sans l'accord préalable de tous les membres représentant les travailleurs au sein du comité pour la prévention et la protection au travail;
[2 1°/1 ne désigne pas au moins une personne de confiance faisant partie du personnel de l'employeur, conformément aux conditions et à la procédure visées dans la loi précitée du 4 août 1996, lorsque l'employeur occupe cinquante travailleurs ou plus;]2
2° ne désigne pas une personne de confiance conformément aux conditions et à la procédure visées dans la loi précitée du 4 août 1996 lorsque [2 tous les membres de la délégation syndicale ou, à défaut de délégation syndicale, l'ensemble des travailleurs, en font la demande]2;
3° écarte une personne de confiance de sa fonction sans l'accord préalable de tous les membres représentant les travailleurs au sein du comité pour la prévention et la protection au travail;
4° ne demande pas l'avis du fonctionnaire chargé de la surveillance à défaut d'accord entre tous les membres représentant les travailleurs au sein du comité pour la prévention et la protection au travail et l'employeur sur l'écartement de sa fonction d'une personne de confiance;
5° désigne une personne de confiance qui exerce la fonction de conseiller en prévention compétent pour la médecine du travail;
6° désigne une personne de confiance qui fait partie du personnel de l'entreprise dans laquelle elle exerce sa fonction et est déléguée de l'employeur ou déléguée du personnel dans le conseil d'entreprise ou le comité pour la prévention et la protection au travail;
7° désigne une personne de confiance qui fait partie du personnel de l'entreprise dans laquelle elle exerce sa fonction et fait partie de la délégation syndicale;
8° désigne une personne de confiance qui fait partie du personnel de direction;
9° ne veille pas à ce qu'au moins une des personnes de confiance fasse partie du personnel de l'employeur quand il fait seulement appel à un conseiller en prévention aspects psychosociaux d'un service externe pour la prévention et la protection au travail et qu'il occupe en outre [2 vingt travailleurs ou plus]2;
10° ne veille pas à ce que la personne de confiance accomplisse en tout temps ses missions de manière complète et efficace dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi;
11° ne veille pas à ce que la personne de confiance ne subisse pas de préjudice en raison de ses activités en tant que personne de confiance;
12° ne veille pas à ce que la personne de confiance exerce sa fonction en toute autonomie, notamment en ne prenant pas les mesures nécessaires afin qu'aucune personne ne fasse pression d'une quelconque manière, aussi bien directement qu'indirectement, sur la personne de confiance dans l'exercice de sa fonction, notamment en vue d'obtenir de l'information qui est liée ou qui peut être liée à l'exercice de cette fonction;
13° ne prend pas les mesures nécessaires pour que la personne de confiance :
a) dispose des compétences et des connaissances déterminées par le Roi, dans les deux ans suivant sa désignation, par le suivi de la formation dont le contenu est déterminé par le Roi;
b) puisse perfectionner ses compétences et connaissances, notamment par le suivi d'une supervision dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi;
14° ne prend pas en charge les frais liés aux formations visées au 13°, de même que les frais de déplacement y afférents.]1
[4 Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 mai 2024 portant des dispositions en matière du travail du sexe sous contrat de travail:
1° ne désigne aucune personne de confiance;
2° ne désigne pas au moins une personne de confiance faisant partie du personnel de l'employeur si celui-ci occupe 20 travailleurs ou plus.]4
Est puni d'une sanction [3 de niveau 3]3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° désigne une personne de confiance, sans l'accord préalable de tous les membres représentant les travailleurs au sein du comité pour la prévention et la protection au travail;
[2 1°/1 ne désigne pas au moins une personne de confiance faisant partie du personnel de l'employeur, conformément aux conditions et à la procédure visées dans la loi précitée du 4 août 1996, lorsque l'employeur occupe cinquante travailleurs ou plus;]2
2° ne désigne pas une personne de confiance conformément aux conditions et à la procédure visées dans la loi précitée du 4 août 1996 lorsque [2 tous les membres de la délégation syndicale ou, à défaut de délégation syndicale, l'ensemble des travailleurs, en font la demande]2;
3° écarte une personne de confiance de sa fonction sans l'accord préalable de tous les membres représentant les travailleurs au sein du comité pour la prévention et la protection au travail;
4° ne demande pas l'avis du fonctionnaire chargé de la surveillance à défaut d'accord entre tous les membres représentant les travailleurs au sein du comité pour la prévention et la protection au travail et l'employeur sur l'écartement de sa fonction d'une personne de confiance;
5° désigne une personne de confiance qui exerce la fonction de conseiller en prévention compétent pour la médecine du travail;
6° désigne une personne de confiance qui fait partie du personnel de l'entreprise dans laquelle elle exerce sa fonction et est déléguée de l'employeur ou déléguée du personnel dans le conseil d'entreprise ou le comité pour la prévention et la protection au travail;
7° désigne une personne de confiance qui fait partie du personnel de l'entreprise dans laquelle elle exerce sa fonction et fait partie de la délégation syndicale;
8° désigne une personne de confiance qui fait partie du personnel de direction;
9° ne veille pas à ce qu'au moins une des personnes de confiance fasse partie du personnel de l'employeur quand il fait seulement appel à un conseiller en prévention aspects psychosociaux d'un service externe pour la prévention et la protection au travail et qu'il occupe en outre [2 vingt travailleurs ou plus]2;
10° ne veille pas à ce que la personne de confiance accomplisse en tout temps ses missions de manière complète et efficace dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi;
11° ne veille pas à ce que la personne de confiance ne subisse pas de préjudice en raison de ses activités en tant que personne de confiance;
12° ne veille pas à ce que la personne de confiance exerce sa fonction en toute autonomie, notamment en ne prenant pas les mesures nécessaires afin qu'aucune personne ne fasse pression d'une quelconque manière, aussi bien directement qu'indirectement, sur la personne de confiance dans l'exercice de sa fonction, notamment en vue d'obtenir de l'information qui est liée ou qui peut être liée à l'exercice de cette fonction;
13° ne prend pas les mesures nécessaires pour que la personne de confiance :
a) dispose des compétences et des connaissances déterminées par le Roi, dans les deux ans suivant sa désignation, par le suivi de la formation dont le contenu est déterminé par le Roi;
b) puisse perfectionner ses compétences et connaissances, notamment par le suivi d'une supervision dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi;
14° ne prend pas en charge les frais liés aux formations visées au 13°, de même que les frais de déplacement y afférents.]1
[4 Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 mai 2024 portant des dispositions en matière du travail du sexe sous contrat de travail:
1° ne désigne aucune personne de confiance;
2° ne désigne pas au moins une personne de confiance faisant partie du personnel de l'employeur si celui-ci occupe 20 travailleurs ou plus.]4
Art. 122/4. [1 De werkgevers en de instellingen die een opleiding voor vertrouwenspersonen verstrekken
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, of de instelling die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan een opleiding met het oog op het verwerven van de vaardigheden en de kennis van vertrouwenspersonen verstrekt, zonder te voldoen aan de door de Koning bepaalde voorwaarden.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, of de instelling die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan een opleiding met het oog op het verwerven van de vaardigheden en de kennis van vertrouwenspersonen verstrekt, zonder te voldoen aan de door de Koning bepaalde voorwaarden.]1
Art. 122/4. [1 Employeurs et institutions organisateurs de formation pour personnes de confiance
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, ou l'institution qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution organise une formation portant sur les compétences et les connaissances des personnes de confiance sans satisfaire aux conditions déterminées par le Roi.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, ou l'institution qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution organise une formation portant sur les compétences et les connaissances des personnes de confiance sans satisfaire aux conditions déterminées par le Roi.]1
Art. 122/5. [1 Andere verplichtingen inzake de preventie van psychosociale risico's op het werk
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° niet de preventiemaatregelen die vastgesteld worden op basis van de risicoanalyse betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk opnieuw onderzoekt bij elke wijziging die de blootstelling van werknemers aan psychosociale risico's op het werk kan beïnvloeden;
2° niet de preventiemaatregelen die vastgesteld worden op basis van de risicoanalyse betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk minstens eenmaal per jaar evalueert, inzonderheid rekening houdend met de door de Koning bepaalde elementen;
3° de preventiemaatregelen die vastgesteld worden op basis van de risicoanalyse betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk evalueert :
a) zonder de preventieadviseur psychosociale aspecten erbij te betrekken wanneer hij deel uitmaakt van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk;
b) zonder de preventieadviseur psychosociale aspecten die deel uitmaakt van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk erbij te betrekken wanneer de complexiteit van de evaluatie dit vereist;
4° niet onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning, een register van feiten van derden ter beschikking houdt van de werknemers die, tijdens de uitvoering van hun werk, in contact komen met andere personen dan de werknemers of de gelijkgestelde personen, opdat zij daarin hun verklaring kunnen laten opnemen met betrekking tot feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk vanwege deze personen en waarvan zij menen het voorwerp te zijn geweest.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° niet het advies vraagt van het comité voor preventie en bescherming op het werk over :
a) de collectieve preventiemaatregelen die vastgesteld worden op basis van de risicoanalyse betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk;
b) de collectieve preventiemaatregelen die vastgesteld worden op basis van de evaluatie van de preventiemaatregelen die voortvloeien uit de risicoanalyse betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk;
c) het geheel van de voorstellen van collectieve preventiemaatregelen voorgesteld in de adviezen van de preventieadviseur psychosociale aspecten om elke herhaling in andere arbeidssituaties te voorkomen;
2° indien er geen verzoening wordt bereikt, niet het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar meedeelt :
a) aan het comité voor preventie en bescherming op het werk, bij de vaststelling van de procedures die rechtstreeks toegankelijk zijn voor de werknemer die meent schade te ondervinden ten gevolge van psychosociale risico's op het werk;
b) aan de werknemersvertegenwoordigers in het comité voor preventie en bescherming op het werk, bij de aanwijzing van de preventieadviseur psychosociale aspecten of bij de aanduiding van de vertrouwenspersoon of de verwijdering uit zijn functie;
3° niet het advies vraagt van de preventieadviseur psychosociale aspecten :
a) alvorens de preventiemaatregelen die voortvloeien uit de risicoanalyse betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk te nemen, wanneer de preventieadviseur werd betrokken bij deze risicoanalyse;
b) alvorens de preventiemaatregelen die voortvloeien uit de risicoanalyse betreffende de psychosociale risico's op het werk op het niveau van een specifieke arbeidssituatie waarin een gevaar werd vastgesteld, bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 10 april 2014 betreffende de preventie van psychosociale risico's op het werk, te nemen, wanneer de preventieadviseur werd betrokken bij deze risicoanalyse;
4° niet de door de Koning bepaalde voorwaarden inzake het bijhouden van en de toegang tot het register van feiten van derden respecteert;
5° niet de resultaten van de risicoanalyse betreffende de psychosociale risico's op het niveau van een specifieke arbeidssituatie waarin een gevaar werd vastgesteld, bedoeld in artikel 6 van voormeld koninklijk besluit van 10 april 2014 en zijn beslissing met betrekking tot de maatregelen meedeelt, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
6° niet ervoor zorgt dat de werknemers de mogelijkheid hebben om de vertrouwenspersoon of de preventie-adviseur psychosociale aspecten te kunnen raadplegen tijdens de werkuren wanneer de gewone arbeidstijdregeling die van toepassing is bij de werkgever dit mogelijk maakt;
7° niet de verplaatsingskosten draagt die verbonden zijn aan de raadpleging bedoeld in 6°.
§ 3. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° de resultaten van de risicoanalyse betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk en de preventiemaatregelen die eruit voortvloeien niet opneemt in het globaal preventieplan en desgevallend in het jaarlijks actieplan;
2° niet de coördinaten van de nieuwe externe dienst voor preventie en bescherming op het werk meedeelt op verzoek van de preventieadviseur psychosociale aspecten bij wie het verzoek werd ingediend.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° niet de preventiemaatregelen die vastgesteld worden op basis van de risicoanalyse betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk opnieuw onderzoekt bij elke wijziging die de blootstelling van werknemers aan psychosociale risico's op het werk kan beïnvloeden;
2° niet de preventiemaatregelen die vastgesteld worden op basis van de risicoanalyse betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk minstens eenmaal per jaar evalueert, inzonderheid rekening houdend met de door de Koning bepaalde elementen;
3° de preventiemaatregelen die vastgesteld worden op basis van de risicoanalyse betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk evalueert :
a) zonder de preventieadviseur psychosociale aspecten erbij te betrekken wanneer hij deel uitmaakt van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk;
b) zonder de preventieadviseur psychosociale aspecten die deel uitmaakt van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk erbij te betrekken wanneer de complexiteit van de evaluatie dit vereist;
4° niet onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning, een register van feiten van derden ter beschikking houdt van de werknemers die, tijdens de uitvoering van hun werk, in contact komen met andere personen dan de werknemers of de gelijkgestelde personen, opdat zij daarin hun verklaring kunnen laten opnemen met betrekking tot feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk vanwege deze personen en waarvan zij menen het voorwerp te zijn geweest.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° niet het advies vraagt van het comité voor preventie en bescherming op het werk over :
a) de collectieve preventiemaatregelen die vastgesteld worden op basis van de risicoanalyse betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk;
b) de collectieve preventiemaatregelen die vastgesteld worden op basis van de evaluatie van de preventiemaatregelen die voortvloeien uit de risicoanalyse betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk;
c) het geheel van de voorstellen van collectieve preventiemaatregelen voorgesteld in de adviezen van de preventieadviseur psychosociale aspecten om elke herhaling in andere arbeidssituaties te voorkomen;
2° indien er geen verzoening wordt bereikt, niet het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar meedeelt :
a) aan het comité voor preventie en bescherming op het werk, bij de vaststelling van de procedures die rechtstreeks toegankelijk zijn voor de werknemer die meent schade te ondervinden ten gevolge van psychosociale risico's op het werk;
b) aan de werknemersvertegenwoordigers in het comité voor preventie en bescherming op het werk, bij de aanwijzing van de preventieadviseur psychosociale aspecten of bij de aanduiding van de vertrouwenspersoon of de verwijdering uit zijn functie;
3° niet het advies vraagt van de preventieadviseur psychosociale aspecten :
a) alvorens de preventiemaatregelen die voortvloeien uit de risicoanalyse betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk te nemen, wanneer de preventieadviseur werd betrokken bij deze risicoanalyse;
b) alvorens de preventiemaatregelen die voortvloeien uit de risicoanalyse betreffende de psychosociale risico's op het werk op het niveau van een specifieke arbeidssituatie waarin een gevaar werd vastgesteld, bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 10 april 2014 betreffende de preventie van psychosociale risico's op het werk, te nemen, wanneer de preventieadviseur werd betrokken bij deze risicoanalyse;
4° niet de door de Koning bepaalde voorwaarden inzake het bijhouden van en de toegang tot het register van feiten van derden respecteert;
5° niet de resultaten van de risicoanalyse betreffende de psychosociale risico's op het niveau van een specifieke arbeidssituatie waarin een gevaar werd vastgesteld, bedoeld in artikel 6 van voormeld koninklijk besluit van 10 april 2014 en zijn beslissing met betrekking tot de maatregelen meedeelt, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
6° niet ervoor zorgt dat de werknemers de mogelijkheid hebben om de vertrouwenspersoon of de preventie-adviseur psychosociale aspecten te kunnen raadplegen tijdens de werkuren wanneer de gewone arbeidstijdregeling die van toepassing is bij de werkgever dit mogelijk maakt;
7° niet de verplaatsingskosten draagt die verbonden zijn aan de raadpleging bedoeld in 6°.
§ 3. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° de resultaten van de risicoanalyse betreffende de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk en de preventiemaatregelen die eruit voortvloeien niet opneemt in het globaal preventieplan en desgevallend in het jaarlijks actieplan;
2° niet de coördinaten van de nieuwe externe dienst voor preventie en bescherming op het werk meedeelt op verzoek van de preventieadviseur psychosociale aspecten bij wie het verzoek werd ingediend.]1
Art. 122/5. [1 Les autres obligations en matière de prévention des risques psychosociaux au travail
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° ne réexamine pas les mesures de prévention déterminées sur la base de l'analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail lors de tout changement pouvant affecter l'exposition des travailleurs aux risques psychosociaux au travail;
2° n'évalue pas au moins une fois par an les mesures de prévention déterminées sur la base de l'analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail, notamment en tenant compte des éléments déterminés par le Roi;
3° dans l'évaluation des mesures de prévention déterminées sur la base de l'analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail :
a) n'associe pas le conseiller en prévention aspects psychosociaux lorsqu'il fait partie du service interne pour la prévention et la protection au travail;
b) n'associe pas le conseiller en prévention aspects psychosociaux du service externe pour la prévention et la protection au travail lorsque la complexité de l'évaluation le requiert;
4° ne tient pas un registre de faits de tiers, dans les conditions et selon les modalités fixées par le Roi, à destination des travailleurs qui, lors de l'exécution de leur travail, entrent en contact avec des personnes autres que des travailleurs ou des personnes assimilées afin qu'ils puissent y inscrire leur déclaration concernant des faits de violence ou de harcèlement moral ou sexuel au travail dont ils estiment avoir été l'objet de la part de ces personnes.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° ne demande pas l'avis du comité pour la prévention et la protection au travail sur :
a) les mesures de prévention collectives déterminées sur la base de l'analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail;
b) les mesures de prévention collectives déterminées sur la base de l'évaluation des mesures de prévention qui découlent de l'analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail;
c) l'ensemble des propositions de mesures de prévention collectives proposées dans les avis du conseiller en prévention aspects psychosociaux pour prévenir toute répétition dans d'autres situations de travail;
2° en l'absence de conciliation, n'informe pas de l'avis du fonctionnaire chargé de la surveillance :
a) le comité pour la prévention et la protection au travail, lors de l'établissement des procédures directement accessibles au travailleur qui estime subir un dommage découlant de risques psychosociaux au travail;
b) les membres représentant les travailleurs au comité pour la prévention et la protection au travail, lors de la désignation du conseiller en prévention aspects psychosociaux ou lors de la désignation ou de l'écartement de sa fonction de la personne de confiance;
3° ne demande pas l'avis du conseiller en prévention aspects psychosociaux :
a) avant de prendre les mesures de prévention qui découlent de l'analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail, lorsque le conseiller en prévention a été associé à cette analyse des risques;
b) avant de prendre les mesures de prévention qui découlent de l'analyse des risques portant sur les risques psychosociaux au travail au niveau d'une situation de travail spécifique dans laquelle un danger est détecté, visée à l'article 6 de l'arrêté royal du 10 avril 2014 relatif à la prévention des risques psychosociaux au travail, lorsque le conseiller en prévention a été associé à cette analyse des risques;
4° ne respecte pas les conditions de tenue et d'accès du registre de faits de tiers, telles que déterminées par le Roi;
5° ne communique pas les résultats de l'analyse des risques portant sur les risques psychosociaux au travail au niveau d'une situation de travail spécifique dans laquelle un danger est détecté, visée à l'article 6 de l'arrêté royal précité du 10 avril 2014, et sa décision quant aux mesures, dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi;
6° ne veille pas à ce que les travailleurs puissent consulter la personne de confiance ou le conseiller en prévention aspects psychosociaux pendant les heures de travail lorsque l'organisation habituelle du temps de travail qui est d'application chez l'employeur le permet;
7° ne prend pas en charge les frais de déplacement liés à la consultation visée au 6°.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° n'intègre pas au plan global de prévention et, le cas échéant, au plan d'action annuel les résultats de l'analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail et les mesures de prévention qui en découlent;
2° ne communique pas les coordonnées du nouveau service externe de prévention et de protection au travail à la demande du conseiller en prévention aspects psychosociaux auprès de qui la demande a été introduite.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° ne réexamine pas les mesures de prévention déterminées sur la base de l'analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail lors de tout changement pouvant affecter l'exposition des travailleurs aux risques psychosociaux au travail;
2° n'évalue pas au moins une fois par an les mesures de prévention déterminées sur la base de l'analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail, notamment en tenant compte des éléments déterminés par le Roi;
3° dans l'évaluation des mesures de prévention déterminées sur la base de l'analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail :
a) n'associe pas le conseiller en prévention aspects psychosociaux lorsqu'il fait partie du service interne pour la prévention et la protection au travail;
b) n'associe pas le conseiller en prévention aspects psychosociaux du service externe pour la prévention et la protection au travail lorsque la complexité de l'évaluation le requiert;
4° ne tient pas un registre de faits de tiers, dans les conditions et selon les modalités fixées par le Roi, à destination des travailleurs qui, lors de l'exécution de leur travail, entrent en contact avec des personnes autres que des travailleurs ou des personnes assimilées afin qu'ils puissent y inscrire leur déclaration concernant des faits de violence ou de harcèlement moral ou sexuel au travail dont ils estiment avoir été l'objet de la part de ces personnes.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° ne demande pas l'avis du comité pour la prévention et la protection au travail sur :
a) les mesures de prévention collectives déterminées sur la base de l'analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail;
b) les mesures de prévention collectives déterminées sur la base de l'évaluation des mesures de prévention qui découlent de l'analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail;
c) l'ensemble des propositions de mesures de prévention collectives proposées dans les avis du conseiller en prévention aspects psychosociaux pour prévenir toute répétition dans d'autres situations de travail;
2° en l'absence de conciliation, n'informe pas de l'avis du fonctionnaire chargé de la surveillance :
a) le comité pour la prévention et la protection au travail, lors de l'établissement des procédures directement accessibles au travailleur qui estime subir un dommage découlant de risques psychosociaux au travail;
b) les membres représentant les travailleurs au comité pour la prévention et la protection au travail, lors de la désignation du conseiller en prévention aspects psychosociaux ou lors de la désignation ou de l'écartement de sa fonction de la personne de confiance;
3° ne demande pas l'avis du conseiller en prévention aspects psychosociaux :
a) avant de prendre les mesures de prévention qui découlent de l'analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail, lorsque le conseiller en prévention a été associé à cette analyse des risques;
b) avant de prendre les mesures de prévention qui découlent de l'analyse des risques portant sur les risques psychosociaux au travail au niveau d'une situation de travail spécifique dans laquelle un danger est détecté, visée à l'article 6 de l'arrêté royal du 10 avril 2014 relatif à la prévention des risques psychosociaux au travail, lorsque le conseiller en prévention a été associé à cette analyse des risques;
4° ne respecte pas les conditions de tenue et d'accès du registre de faits de tiers, telles que déterminées par le Roi;
5° ne communique pas les résultats de l'analyse des risques portant sur les risques psychosociaux au travail au niveau d'une situation de travail spécifique dans laquelle un danger est détecté, visée à l'article 6 de l'arrêté royal précité du 10 avril 2014, et sa décision quant aux mesures, dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi;
6° ne veille pas à ce que les travailleurs puissent consulter la personne de confiance ou le conseiller en prévention aspects psychosociaux pendant les heures de travail lorsque l'organisation habituelle du temps de travail qui est d'application chez l'employeur le permet;
7° ne prend pas en charge les frais de déplacement liés à la consultation visée au 6°.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution :
1° n'intègre pas au plan global de prévention et, le cas échéant, au plan d'action annuel les résultats de l'analyse des risques relative aux situations qui peuvent engendrer des risques psychosociaux au travail et les mesures de prévention qui en découlent;
2° ne communique pas les coordonnées du nouveau service externe de prévention et de protection au travail à la demande du conseiller en prévention aspects psychosociaux auprès de qui la demande a été introduite.]1
Afdeling 3. - Gezondheid en veiligheid op het werk
Section 3. - La santé et la sécurité au travail
Art. 123. Gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen en het toezicht op de stoomtuigen en stoomketels
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die een inbreuk heeft gepleegd op de wet van 5 mei 1888 betreffende het toezicht op de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen en op de stoomtuigen en stoomketels.
De inbreuk wordt bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg heeft gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die een inbreuk heeft gepleegd op de wet van 5 mei 1888 betreffende het toezicht op de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen en op de stoomtuigen en stoomketels.
De inbreuk wordt bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg heeft gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
Art. 123. Les établissements dangereux, insalubres ou incommodes et la surveillance des machines et chaudières à vapeur
Est punie d'une sanction de niveau 3, toute personne commettant une infraction à la loi du 5 mai 1888 relative à l'inspection des établissements dangereux, insalubres ou incommodes, et à la surveillance des machines et chaudières à vapeur.
L'infraction est punie d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elle a eu comme conséquence pour un travailleur des ennuis de santé ou un accident du travail.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
Est punie d'une sanction de niveau 3, toute personne commettant une infraction à la loi du 5 mai 1888 relative à l'inspection des établissements dangereux, insalubres ou incommodes, et à la surveillance des machines et chaudières à vapeur.
L'infraction est punie d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elle a eu comme conséquence pour un travailleur des ennuis de santé ou un accident du travail.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
Art. 124. Mijnen, graverijen en groeven
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, iedere persoon die een inbreuk heeft gepleegd op de wetten op de mijnen, de graverijen en de groeven, gecoördineerd op 15 september 1919.
De inbreuk wordt bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg heeft gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, iedere persoon die een inbreuk heeft gepleegd op de wetten op de mijnen, de graverijen en de groeven, gecoördineerd op 15 september 1919.
De inbreuk wordt bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg heeft gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
Art. 124. Les mines, minières et carrières
Est punie d'une sanction de niveau 3, toute personne commettant une infraction aux lois sur les mines, minières et carrières coordonnées le 15 septembre 1919.
L'infraction est punie d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elle a eu comme conséquence pour un travailleur des ennuis de santé ou un accident du travail.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
Est punie d'une sanction de niveau 3, toute personne commettant une infraction aux lois sur les mines, minières et carrières coordonnées le 15 septembre 1919.
L'infraction est punie d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elle a eu comme conséquence pour un travailleur des ennuis de santé ou un accident du travail.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
Art. 125. Huisvesting van de arbeiders
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, iedere persoon die een inbreuk heeft gepleegd op de wet van 6 juli 1949 betreffende de huisvesting van de arbeiders in nijverheids-, landbouw- of handelsondernemingen en -exploitaties.
De inbreuk wordt bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg heeft gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, iedere persoon die een inbreuk heeft gepleegd op de wet van 6 juli 1949 betreffende de huisvesting van de arbeiders in nijverheids-, landbouw- of handelsondernemingen en -exploitaties.
De inbreuk wordt bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg heeft gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
Art. 125. Le logement des travailleurs
Est punie d'une sanction de niveau 3, toute personne commettant une infraction à la loi du 6 juillet 1949 concernant le logement des travailleurs dans les entreprises et exploitations industrielles, agricoles ou commerciales.
L'infraction est punie d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elle a eu comme conséquence pour un travailleur des ennuis de santé ou un accident du travail.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
Est punie d'une sanction de niveau 3, toute personne commettant une infraction à la loi du 6 juillet 1949 concernant le logement des travailleurs dans les entreprises et exploitations industrielles, agricoles ou commerciales.
L'infraction est punie d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elle a eu comme conséquence pour un travailleur des ennuis de santé ou un accident du travail.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
Art. 126. [1 De zwangere werkneemster of de werkneemster die borstvoeding geeft
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 :
1° niet, voor alle werkzaamheden waarbij zich een specifiek risico van blootstelling kan voordoen, de aard, de mate en de duur van de blootstelling aan agentia, procedés of arbeidsomstandigheden heeft geëvalueerd teneinde de risico's voor de veiligheid of de gezondheid, evenals de gevolgen voor de zwangerschap of borstvoeding van de werkneemster of de gezondheid van het kind te beoordelen en teneinde vast te stellen welke algemene maatregelen dienen te worden getroffen, en dit volgens de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning zijn bepaald;
2° geen maatregelen heeft getroffen die, rekening houdend met het resultaat van de evaluatie bedoeld bij 1°, aangepast zijn aan het geval van de zwangere werkneemster of de werkneemster die borstvoeding geeft, volgens de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning zijn bepaald, teneinde de blootstelling van de werkneemster aan het vastgestelde risico te vermijden of voor risico's waaraan elke blootstelling moet worden verboden;
3° geen maatregelen heeft getroffen die, rekening houdend met het resultaat van de evaluatie bedoeld in 1°, aangepast zijn aan het geval van de zwangere werkneemster of de werkneemster die borstvoeding geeft, volgens de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning zijn bepaald, wanneer de werkneemster een gevaar of aandoening aanvoert die met haar toestand verband houdt en aan het verrichten van arbeid kan te wijten zijn, op voorwaarde dat de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer tot wie zij zich richt, een risico vaststelt;
4° de werkneemster die bevallen is of die borstvoeding geeft en voor wie maatregelen zijn genomen voor de aanpassing van haar arbeidsvoorwaarden ingevolge risico's voor haar veiligheid of gezondheid of die van haar kind, niet heeft onderworpen aan een medisch onderzoek uiterlijk tien werkdagen na de werkhervatting;
5° de toestand van de werkneemster niet onmiddellijk en zodra hij er kennis van had, heeft meegedeeld aan de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer;
[2 6° de werkneemsters niet heeft ingelicht over de resultaten van de evaluatie en over de te treffen algemene maatregelen, bedoeld in de bepaling onder 1, 1°.]2
De inbreuken worden bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg hebben gehad voor een werkneemster.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft de werkgever die in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 :
1° de resultaten van de evaluatie en de te treffen algemene maatregelen, bedoeld in paragraaf 1, 1°, niet heeft opgenomen in een schriftelijk document dat wordt voorgelegd aan het advies van het comité voor preventie en bescherming op het werk, of, bij ontstentenis ervan, de vakbondsafvaardiging;
2° [2 ...]2]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 :
1° niet, voor alle werkzaamheden waarbij zich een specifiek risico van blootstelling kan voordoen, de aard, de mate en de duur van de blootstelling aan agentia, procedés of arbeidsomstandigheden heeft geëvalueerd teneinde de risico's voor de veiligheid of de gezondheid, evenals de gevolgen voor de zwangerschap of borstvoeding van de werkneemster of de gezondheid van het kind te beoordelen en teneinde vast te stellen welke algemene maatregelen dienen te worden getroffen, en dit volgens de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning zijn bepaald;
2° geen maatregelen heeft getroffen die, rekening houdend met het resultaat van de evaluatie bedoeld bij 1°, aangepast zijn aan het geval van de zwangere werkneemster of de werkneemster die borstvoeding geeft, volgens de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning zijn bepaald, teneinde de blootstelling van de werkneemster aan het vastgestelde risico te vermijden of voor risico's waaraan elke blootstelling moet worden verboden;
3° geen maatregelen heeft getroffen die, rekening houdend met het resultaat van de evaluatie bedoeld in 1°, aangepast zijn aan het geval van de zwangere werkneemster of de werkneemster die borstvoeding geeft, volgens de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning zijn bepaald, wanneer de werkneemster een gevaar of aandoening aanvoert die met haar toestand verband houdt en aan het verrichten van arbeid kan te wijten zijn, op voorwaarde dat de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer tot wie zij zich richt, een risico vaststelt;
4° de werkneemster die bevallen is of die borstvoeding geeft en voor wie maatregelen zijn genomen voor de aanpassing van haar arbeidsvoorwaarden ingevolge risico's voor haar veiligheid of gezondheid of die van haar kind, niet heeft onderworpen aan een medisch onderzoek uiterlijk tien werkdagen na de werkhervatting;
5° de toestand van de werkneemster niet onmiddellijk en zodra hij er kennis van had, heeft meegedeeld aan de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer;
[2 6° de werkneemsters niet heeft ingelicht over de resultaten van de evaluatie en over de te treffen algemene maatregelen, bedoeld in de bepaling onder 1, 1°.]2
De inbreuken worden bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg hebben gehad voor een werkneemster.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft de werkgever die in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 :
1° de resultaten van de evaluatie en de te treffen algemene maatregelen, bedoeld in paragraaf 1, 1°, niet heeft opgenomen in een schriftelijk document dat wordt voorgelegd aan het advies van het comité voor preventie en bescherming op het werk, of, bij ontstentenis ervan, de vakbondsafvaardiging;
2° [2 ...]2]1
Art. 126. [1 La travailleuse enceinte ou allaitante
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail :
1° n'a pas évalué, dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi, la nature, le degré et la durée de l'exposition aux agents, procédés ou conditions de travail pour toute activité susceptible de présenter un risque spécifique d'exposition afin d'apprécier les risques pour la sécurité ou pour la santé, ainsi que les répercussions sur la grossesse ou l'allaitement de la travailleuse ou la santé de l'enfant et afin de déterminer les mesures générales à prendre;
2° n'a pas pris des mesures adaptées au cas de la travailleuse enceinte ou allaitante compte tenu du résultat de l'évaluation visée au 1° dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi, afin que l'exposition de la travailleuse au risque constaté soit évitée ou pour les risques auxquels toute exposition doit être interdite;
3° n'a pas pris des mesures adaptées au cas de la travailleuse enceinte ou allaitante compte tenu du résultat de l'évaluation visée au 1°, dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi, lorsque la travailleuse invoque un danger ou une maladie en rapport avec son état et qui est susceptible d'être attribué à son travail, à condition que le conseiller en prévention-médecin du travail à qui elle s'adresse constate un risque;
4° n'a pas soumis la travailleuse qui a accouché ou allaitante, qui a fait l'objet de mesures d'adaptation de ses conditions de travail en raison de risques pour sa sécurité ou sa santé ou celle de son enfant, à un examen médical au plus tard dans les dix jours ouvrables de la reprise du travail;
5° n'a pas fait part, sans délai et dès qu'il en a eu connaissance, de l'état de la travailleuse au conseiller en prévention-médecin du travail;
[2 6° n'a pas informé les travailleuses des résultats de l'évaluation et des mesures générales à prendre visés à la disposition 1, 1°.]2
Les infractions sont punies d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elles ont eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour une travailleuse.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail :
1° n'a pas consigné les résultats de l'évaluation et les mesures générales à prendre visés au paragraphe 1er, 1°, dans un document écrit soumis à l'avis du comité pour la prévention et la protection au travail, ou, à défaut, de la délégation syndicale;
2° [2 ...]2]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail :
1° n'a pas évalué, dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi, la nature, le degré et la durée de l'exposition aux agents, procédés ou conditions de travail pour toute activité susceptible de présenter un risque spécifique d'exposition afin d'apprécier les risques pour la sécurité ou pour la santé, ainsi que les répercussions sur la grossesse ou l'allaitement de la travailleuse ou la santé de l'enfant et afin de déterminer les mesures générales à prendre;
2° n'a pas pris des mesures adaptées au cas de la travailleuse enceinte ou allaitante compte tenu du résultat de l'évaluation visée au 1° dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi, afin que l'exposition de la travailleuse au risque constaté soit évitée ou pour les risques auxquels toute exposition doit être interdite;
3° n'a pas pris des mesures adaptées au cas de la travailleuse enceinte ou allaitante compte tenu du résultat de l'évaluation visée au 1°, dans les conditions et selon les modalités déterminées par le Roi, lorsque la travailleuse invoque un danger ou une maladie en rapport avec son état et qui est susceptible d'être attribué à son travail, à condition que le conseiller en prévention-médecin du travail à qui elle s'adresse constate un risque;
4° n'a pas soumis la travailleuse qui a accouché ou allaitante, qui a fait l'objet de mesures d'adaptation de ses conditions de travail en raison de risques pour sa sécurité ou sa santé ou celle de son enfant, à un examen médical au plus tard dans les dix jours ouvrables de la reprise du travail;
5° n'a pas fait part, sans délai et dès qu'il en a eu connaissance, de l'état de la travailleuse au conseiller en prévention-médecin du travail;
[2 6° n'a pas informé les travailleuses des résultats de l'évaluation et des mesures générales à prendre visés à la disposition 1, 1°.]2
Les infractions sont punies d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elles ont eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour une travailleuse.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail :
1° n'a pas consigné les résultats de l'évaluation et les mesures générales à prendre visés au paragraphe 1er, 1°, dans un document écrit soumis à l'avis du comité pour la prévention et la protection au travail, ou, à défaut, de la délégation syndicale;
2° [2 ...]2]1
Art. 126/1. [1 De zeevissers
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber, de schipper die, in strijd met de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser, niet de nodige maatregelen heeft genomen om de preventieve aanbevelingen van de bevoegde instantie ter bevordering van een preventief beleid inzake veiligheid en gezondheid of gelijkwaardige preventiemaatregelen aan boord van vissersschepen ten uitvoer te leggen.
De inbreuk wordt bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg heeft gehad voor een zeevisser.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber, de schipper die, in strijd met de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser, niet de nodige maatregelen heeft genomen om de preventieve aanbevelingen van de bevoegde instantie ter bevordering van een preventief beleid inzake veiligheid en gezondheid of gelijkwaardige preventiemaatregelen aan boord van vissersschepen ten uitvoer te leggen.
De inbreuk wordt bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg heeft gehad voor een zeevisser.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
Art. 126/1. [1 Les marins pêcheurs
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'armateur, son préposé ou son mandataire, le patron, qui, en contravention à la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur, n'a pas pris les mesures nécessaires visant à mettre en oeuvre les recommandations de prévention élaborées par l'organisme compétent pour la promotion d'une politique préventive pour la sécurité et la santé ou des mesures de prévention équivalentes à bord des navires de pêche.
L'infraction est punie d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elle a eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un marin-pêcheur.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'armateur, son préposé ou son mandataire, le patron, qui, en contravention à la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur, n'a pas pris les mesures nécessaires visant à mettre en oeuvre les recommandations de prévention élaborées par l'organisme compétent pour la promotion d'une politique préventive pour la sécurité et la santé ou des mesures de prévention équivalentes à bord des navires de pêche.
L'infraction est punie d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elle a eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un marin-pêcheur.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
Afdeling 3/1. [1 - Andere inbreuken betreffende het welzijn van de werknemers]1
Section 3/1. [1 - Autres infractions relatives au bien-être des travailleurs]1
Art. 127. [1 Welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk
[2 Onverminderd de bepalingen van de artikelen 119 tot 126, 127/1 en 128 tot 133]2, wordt met een sanctie van niveau 3 bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die inbreuk heeft gepleegd op de bepalingen van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de persoon die niet behoort tot het personeel van de werkgever die de opdrachten die hem in toepassing van voormelde wet van 4 augustus 1996 worden toevertrouwd, uitoefent in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan of die deze opdrachten niet uitoefent volgens de voorwaarden en nadere regels bepaald door deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
De inbreuken worden bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg hebben gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
[2 Onverminderd de bepalingen van de artikelen 119 tot 126, 127/1 en 128 tot 133]2, wordt met een sanctie van niveau 3 bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die inbreuk heeft gepleegd op de bepalingen van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de persoon die niet behoort tot het personeel van de werkgever die de opdrachten die hem in toepassing van voormelde wet van 4 augustus 1996 worden toevertrouwd, uitoefent in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan of die deze opdrachten niet uitoefent volgens de voorwaarden en nadere regels bepaald door deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
De inbreuken worden bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg hebben gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
Art. 127. [1 Le bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail
[2 Sans préjudice des dispositions des articles 119 à 126, 127/1 et 128 à 133]2, est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a enfreint les dispositions de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et de ses arrêtés d'exécution;
2° la personne n'appartenant pas au personnel de l'employeur qui exécute les missions qui lui sont confiées en application de la loi précitée du 4 août 1996, contrairement aux dispositions de cette loi et de ses arrêtés d'exécution ou qui n'exécute pas ces missions conformément aux conditions et modalités prescrites par cette loi et ses arrêtés d'exécution.
Les infractions sont punies d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elles ont eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un travailleur.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
[2 Sans préjudice des dispositions des articles 119 à 126, 127/1 et 128 à 133]2, est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a enfreint les dispositions de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et de ses arrêtés d'exécution;
2° la personne n'appartenant pas au personnel de l'employeur qui exécute les missions qui lui sont confiées en application de la loi précitée du 4 août 1996, contrairement aux dispositions de cette loi et de ses arrêtés d'exécution ou qui n'exécute pas ces missions conformément aux conditions et modalités prescrites par cette loi et ses arrêtés d'exécution.
Les infractions sont punies d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elles ont eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un travailleur.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
Art.127/1. [1 Het re-integratietraject van de arbeidsongeschikte werknemer
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever die twintig of meer werknemers tewerkstelt, zoals bedoeld in artikel 33 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, zijn aangestelde of zijn lasthebber, en die, in strijd met dezelfde wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, niet aan de preventieadviseur-arbeidsarts heeft gevraagd om een re-integratietraject op te starten voor de arbeidsongeschikte werknemer die, volgens de inschatting door de preventieadviseur-arbeidsarts arbeidspotentieel heeft, uiterlijk zes maanden na het begin van de arbeidsongeschiktheid van deze werknemer.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever die twintig of meer werknemers tewerkstelt, zoals bedoeld in artikel 33 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, zijn aangestelde of zijn lasthebber, en die, in strijd met dezelfde wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, niet aan de preventieadviseur-arbeidsarts heeft gevraagd om een re-integratietraject op te starten voor de arbeidsongeschikte werknemer die, volgens de inschatting door de preventieadviseur-arbeidsarts arbeidspotentieel heeft, uiterlijk zes maanden na het begin van de arbeidsongeschiktheid van deze werknemer.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art.127/1. [1 Le trajet de réintégration du travailleur en incapacité de travail
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur qui occupe vingt travailleurs ou plus, tel que visé à l'article 33 de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, son préposé ou mandataire, et qui, en violation de la même loi et de ses arrêtés d'exécution, n'a pas demandé au conseiller en prévention-médecin du travail de démarrer un trajet de réintégration pour le travailleur en incapacité de travail qui, selon l'estimation du conseiller en prévention-médecin du travail, a un potentiel de travail, au plus tard six mois après le début de l'incapacité de travail de ce travailleur.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur qui occupe vingt travailleurs ou plus, tel que visé à l'article 33 de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, son préposé ou mandataire, et qui, en violation de la même loi et de ses arrêtés d'exécution, n'a pas demandé au conseiller en prévention-médecin du travail de démarrer un trajet de réintégration pour le travailleur en incapacité de travail qui, selon l'estimation du conseiller en prévention-médecin du travail, a un potentiel de travail, au plus tard six mois après le début de l'incapacité de travail de ce travailleur.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Art. 128. [1 Oprichting en werking van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :
1° in de onderneming geen interne dienst voor preventie en bescherming op het werk opricht, met toepassing van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de werking van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk verhindert, zoals bepaald in voormelde wet van 4 augustus 1996 en in de uitvoeringsbesluiten ervan;
3° de uitoefening van de opdrachten van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk belemmert, inzonderheid door de bij voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan voorgeschreven inlichtingen niet of niet volgens de gestelde regels te verstrekken of de voorgeschreven raadplegingen niet volgens de gestelde regels te houden.
De inbreuken worden bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg hebben gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :
1° in de onderneming geen interne dienst voor preventie en bescherming op het werk opricht, met toepassing van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de werking van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk verhindert, zoals bepaald in voormelde wet van 4 augustus 1996 en in de uitvoeringsbesluiten ervan;
3° de uitoefening van de opdrachten van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk belemmert, inzonderheid door de bij voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan voorgeschreven inlichtingen niet of niet volgens de gestelde regels te verstrekken of de voorgeschreven raadplegingen niet volgens de gestelde regels te houden.
De inbreuken worden bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg hebben gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
Art. 128. [1 La création et le fonctionnement du service interne pour la prévention et la protection au travail
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou mandataire qui :
1° n'institue pas un service interne pour la prévention et la protection au travail dans l'entreprise, en application de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et de ses arrêtés d'exécution;
2° empêche le fonctionnement du service interne pour la prévention et la protection au travail, tel qu'il est prévu par la loi précitée du 4 août 1996 et ses arrêtés d'exécution;
3° entrave l'exercice des missions du service interne pour la prévention et la protection au travail notamment en ne fournissant pas les renseignements prévus par la loi précitée du 4 août 1996 et ses arrêtés d'exécution ou en ne les fournissant pas selon les règles prévues ou en ne procédant pas aux consultations prescrites selon les règles prévues.
Les infractions sont punies d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elles ont eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un travailleur.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou mandataire qui :
1° n'institue pas un service interne pour la prévention et la protection au travail dans l'entreprise, en application de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et de ses arrêtés d'exécution;
2° empêche le fonctionnement du service interne pour la prévention et la protection au travail, tel qu'il est prévu par la loi précitée du 4 août 1996 et ses arrêtés d'exécution;
3° entrave l'exercice des missions du service interne pour la prévention et la protection au travail notamment en ne fournissant pas les renseignements prévus par la loi précitée du 4 août 1996 et ses arrêtés d'exécution ou en ne les fournissant pas selon les règles prévues ou en ne procédant pas aux consultations prescrites selon les règles prévues.
Les infractions sont punies d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elles ont eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un travailleur.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
Wijzigingen
Art. 129. [1 Tewerkstelling op eenzelfde arbeidsplaats of op aanpalende of naburige arbeidsplaatsen
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de ondernemer, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die inbreuk heeft gepleegd op artikel 7, §§ 1 en 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan.
De inbreuk wordt bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg heeft gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de ondernemer, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die inbreuk heeft gepleegd op artikel 7, §§ 1 en 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan.
De inbreuk wordt bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg heeft gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
Art. 129. [1 Le travail sur un même lieu de travail ou sur des lieux de travail adjacents ou voisins
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'entrepreneur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 7, §§ 1er et 2 de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution.
L'infraction est punie d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elle a eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un travailleur.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'entrepreneur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 7, §§ 1er et 2 de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution.
L'infraction est punie d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elle a eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un travailleur.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
Wijzigingen
Art. 130. [1 Werkzaamheden uitgevoerd door ondernemingen van buitenaf of door uitzendkrachten
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° de werkgever in wiens inrichting aannemers en, in voorkomend geval, onderaannemers werkzaamheden komen uitvoeren, zijn aangestelde of zijn lasthebber die inbreuk heeft gepleegd op artikel 9, § 1, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de aannemers en onderaannemers, hun aangestelde of hun lasthebber die inbreuk hebben gepleegd op artikel 10, § 1, van voormelde wet van 4 augustus 1996 en op de uitvoeringsbesluiten ervan;
3° de werkgever in wiens inrichting aannemers en, in voorkomend geval, onderaannemers werkzaamheden komen uitvoeren, zijn aangestelde of zijn lasthebber die inbreuk heeft gepleegd op artikel 9, § 2, van voormelde wet van 4 augustus 1996 en op de uitvoeringsbesluiten ervan;
4° de aannemers en onderaannemers, hun aangestelde of hun lasthebber die inbreuk hebben gepleegd op artikel 10, § 2, van voormelde wet van 4 augustus 1996 en op de uitvoeringsbesluiten ervan;
5° de gebruiker, zijn aangestelde of zijn lasthebber die inbreuk heeft gepleegd op artikel 12ter van voormelde wet van 4 augustus 1996 en het uitzendbureau, zijn aangestelde of zijn lasthebber die inbreuk heeft gepleegd op artikel 12quater van voormelde wet van 4 augustus 1996 en op de uitvoeringsbesluiten ervan.
De inbreuken worden bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg hebben gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° de werkgever in wiens inrichting aannemers en, in voorkomend geval, onderaannemers werkzaamheden komen uitvoeren, zijn aangestelde of zijn lasthebber die inbreuk heeft gepleegd op artikel 9, § 1, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de aannemers en onderaannemers, hun aangestelde of hun lasthebber die inbreuk hebben gepleegd op artikel 10, § 1, van voormelde wet van 4 augustus 1996 en op de uitvoeringsbesluiten ervan;
3° de werkgever in wiens inrichting aannemers en, in voorkomend geval, onderaannemers werkzaamheden komen uitvoeren, zijn aangestelde of zijn lasthebber die inbreuk heeft gepleegd op artikel 9, § 2, van voormelde wet van 4 augustus 1996 en op de uitvoeringsbesluiten ervan;
4° de aannemers en onderaannemers, hun aangestelde of hun lasthebber die inbreuk hebben gepleegd op artikel 10, § 2, van voormelde wet van 4 augustus 1996 en op de uitvoeringsbesluiten ervan;
5° de gebruiker, zijn aangestelde of zijn lasthebber die inbreuk heeft gepleegd op artikel 12ter van voormelde wet van 4 augustus 1996 en het uitzendbureau, zijn aangestelde of zijn lasthebber die inbreuk heeft gepleegd op artikel 12quater van voormelde wet van 4 augustus 1996 en op de uitvoeringsbesluiten ervan.
De inbreuken worden bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg hebben gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
Art. 130. [1 Les travaux effectués par des entreprises extérieures ou par des travailleurs intérimaires
Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° l'employeur dans l'établissement duquel des entrepreneurs et, le cas échéant, des sous-traitants viennent effectuer des travaux, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 9, § 1er, de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution;
2° les entrepreneurs et les sous-traitants, leur préposé ou leur mandataire qui ont commis une infraction à l'article 10, § 1er, de la loi précitée du 4 août 1996 et à ses arrêtés d'exécution;
3° l'employeur dans l'établissement duquel des entrepreneurs et, le cas échéant, des sous-traitants viennent effectuer des travaux, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 9, § 2, de la loi précitée du 4 août 1996 et à ses arrêtés d'exécution;
4° les entrepreneurs et les sous-traitants, leur préposé ou leur mandataire qui ont commis une infraction à l'article 10, § 2, de la loi précitée du 4 août 1996 et à ses arrêtés d'exécution;
5° l'utilisateur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 12ter de la loi précitée du 4 août 1996 et l'entreprise de travail intérimaire, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 12quater de la loi précitée du 4 août 1996 et à ses arrêtés d'exécution.
Les infractions sont punies d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elles ont eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un travailleur.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° l'employeur dans l'établissement duquel des entrepreneurs et, le cas échéant, des sous-traitants viennent effectuer des travaux, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 9, § 1er, de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution;
2° les entrepreneurs et les sous-traitants, leur préposé ou leur mandataire qui ont commis une infraction à l'article 10, § 1er, de la loi précitée du 4 août 1996 et à ses arrêtés d'exécution;
3° l'employeur dans l'établissement duquel des entrepreneurs et, le cas échéant, des sous-traitants viennent effectuer des travaux, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 9, § 2, de la loi précitée du 4 août 1996 et à ses arrêtés d'exécution;
4° les entrepreneurs et les sous-traitants, leur préposé ou leur mandataire qui ont commis une infraction à l'article 10, § 2, de la loi précitée du 4 août 1996 et à ses arrêtés d'exécution;
5° l'utilisateur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 12ter de la loi précitée du 4 août 1996 et l'entreprise de travail intérimaire, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 12quater de la loi précitée du 4 août 1996 et à ses arrêtés d'exécution.
Les infractions sont punies d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elles ont eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un travailleur.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
Wijzigingen
Art. 131. [1 Tijdelijke of mobiele bouwplaatsen - het ontwerp van het bouwwerk
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° de opdrachtgever of de bouwdirectie belast met het ontwerp, hun aangestelde of lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op de in de artikelen 15 tot 17 en 19 van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan voorgeschreven verplichtingen;
2° de opdrachtgever of de bouwdirectie belast met het ontwerp, hun aangestelde of hun lasthebber die geen of onvoldoende toezicht heeft gehouden op de door de coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid tijdens de uitwerkingsfase van het ontwerp van het bouwwerk na te leven verplichtingen;
3° de persoon die belast is met het uitvoeren van de opdrachten van coördinator inzake veiligheid en gezondheid tijdens de uitwerkingsfase van het ontwerp van het bouwwerk, voorzien door voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan, en die de opdrachten van coördinator niet overeenkomstig de voorwaarden en de nadere regels bepaald door voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan uitvoert of ze niet uitvoert, ongeacht of hij een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, een werkgever, een zelfstandige, een aangestelde of een lasthebber is.
De inbreuken worden bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg hebben gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° de opdrachtgever of de bouwdirectie belast met het ontwerp, hun aangestelde of lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op de in de artikelen 15 tot 17 en 19 van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan voorgeschreven verplichtingen;
2° de opdrachtgever of de bouwdirectie belast met het ontwerp, hun aangestelde of hun lasthebber die geen of onvoldoende toezicht heeft gehouden op de door de coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid tijdens de uitwerkingsfase van het ontwerp van het bouwwerk na te leven verplichtingen;
3° de persoon die belast is met het uitvoeren van de opdrachten van coördinator inzake veiligheid en gezondheid tijdens de uitwerkingsfase van het ontwerp van het bouwwerk, voorzien door voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan, en die de opdrachten van coördinator niet overeenkomstig de voorwaarden en de nadere regels bepaald door voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan uitvoert of ze niet uitvoert, ongeacht of hij een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, een werkgever, een zelfstandige, een aangestelde of een lasthebber is.
De inbreuken worden bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg hebben gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
Art. 131. [1 Les chantiers temporaires ou mobiles - le projet de l'ouvrage
Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° le maître d'ouvrage ou le maître d'oeuvre chargé de la conception, leur préposé ou leur mandataire qui a commis une infraction aux obligations prescrites par les articles 15 à 17 et 19 de la loi précitée du 4 août 1996 et de leurs arrêtés d'exécution;
2° le maître d'ouvrage ou le maître d'oeuvre chargé de la conception, leur préposé ou leur mandataire qui n'a pas exercé une surveillance ou une surveillance suffisante sur les obligations à respecter par les coordinateurs en matière de sécurité et de santé pendant l'élaboration du projet de l'ouvrage;
3° la personne qui est chargée d'exécuter les missions de coordinateur en matière de sécurité et de santé pendant l'élaboration du projet de l'ouvrage prévues par la loi précitée du 4 août 1996 et ses arrêtés d'exécution et qui n'exécute pas les missions de coordinateur conformément aux conditions et modalités fixées par la loi précitée du 4 août 1996 et ses arrêtés d'exécution ou s'abstient de les exécuter, qu'elle soit une personne physique ou une personne morale, un employeur, un indépendant, un préposé ou un mandataire.
Les infractions sont punies d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elles ont eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un travailleur.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° le maître d'ouvrage ou le maître d'oeuvre chargé de la conception, leur préposé ou leur mandataire qui a commis une infraction aux obligations prescrites par les articles 15 à 17 et 19 de la loi précitée du 4 août 1996 et de leurs arrêtés d'exécution;
2° le maître d'ouvrage ou le maître d'oeuvre chargé de la conception, leur préposé ou leur mandataire qui n'a pas exercé une surveillance ou une surveillance suffisante sur les obligations à respecter par les coordinateurs en matière de sécurité et de santé pendant l'élaboration du projet de l'ouvrage;
3° la personne qui est chargée d'exécuter les missions de coordinateur en matière de sécurité et de santé pendant l'élaboration du projet de l'ouvrage prévues par la loi précitée du 4 août 1996 et ses arrêtés d'exécution et qui n'exécute pas les missions de coordinateur conformément aux conditions et modalités fixées par la loi précitée du 4 août 1996 et ses arrêtés d'exécution ou s'abstient de les exécuter, qu'elle soit une personne physique ou une personne morale, un employeur, un indépendant, un préposé ou un mandataire.
Les infractions sont punies d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elles ont eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un travailleur.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
Wijzigingen
Art. 132. [1 Tijdelijke of mobiele bouwplaatsen - de verwezenlijking van het bouwwerk
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° de opdrachtgever, de bouwdirectie belast met de uitvoering of de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die een inbreuk heeft gepleegd op de artikelen 15, 20, 21 en 23 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de opdrachtgever, de bouwdirectie belast met de uitvoering of de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die geen of onvoldoende toezicht heeft uitgeoefend betreffende de verplichtingen die de coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid tijdens de verwezenlijking van een bouwwerk dienen te respecteren;
3° de aannemer, zijn aangestelde of zijn lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op de artikelen 15, 20, tweede lid, 23 en 24 van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
4° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op artikel 31 van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
5° de bouwdirectie belast met de uitvoering, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die een inbreuk heeft gepleegd op de artikelen 25, 28, eerste lid, en 29 van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
6° de aannemer, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die een inbreuk heeft gepleegd op de artikelen 26, 28, eerste lid, en 29 van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
7° de onderaannemer, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die een inbreuk heeft gepleegd op de artikelen 27, 28, eerste lid, en 29 van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
8° de zelfstandige die inbreuk heeft gepleegd op artikel 28, tweede lid, van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
9° de bouwdirectie belast met de uitvoering, zijn aangestelde of zijn lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op de artikelen 31ter, 31quater, § 1, eerste lid en § 2, en 31sexies, § 2, tweede en derde lid en § 3, van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
10° de aannemer en onderaannemer, zijn aangestelde of zijn lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op de artikelen 31ter, 31quater, § 1, tweede tot vierde lid en § 2, 31quinquies en 31sexies, § 2, tweede en derde lid en § 3, van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
11° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op artikel 31sexies, § 2, eerste en derde lid, en § 3, van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
12° de persoon die belast is met het uitvoeren van de opdrachten van coördinator inzake veiligheid en gezondheid tijdens de verwezenlijking van het bouwwerk, voorzien door de voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan, en die de opdrachten van coördinator niet overeenkomstig de voorwaarden en de nadere regels bepaald door de voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan uitvoert of ze niet uitvoert, ongeacht of hij een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, een werkgever, een zelfstandige, een aangestelde of een lasthebber is.
Voor de inbreuken bedoeld in het eerste lid, 9°, 10° en 11°, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken personen.
De inbreuken worden bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg hebben gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° de opdrachtgever, de bouwdirectie belast met de uitvoering of de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die een inbreuk heeft gepleegd op de artikelen 15, 20, 21 en 23 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de opdrachtgever, de bouwdirectie belast met de uitvoering of de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die geen of onvoldoende toezicht heeft uitgeoefend betreffende de verplichtingen die de coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid tijdens de verwezenlijking van een bouwwerk dienen te respecteren;
3° de aannemer, zijn aangestelde of zijn lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op de artikelen 15, 20, tweede lid, 23 en 24 van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
4° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op artikel 31 van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
5° de bouwdirectie belast met de uitvoering, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die een inbreuk heeft gepleegd op de artikelen 25, 28, eerste lid, en 29 van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
6° de aannemer, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die een inbreuk heeft gepleegd op de artikelen 26, 28, eerste lid, en 29 van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
7° de onderaannemer, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die een inbreuk heeft gepleegd op de artikelen 27, 28, eerste lid, en 29 van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
8° de zelfstandige die inbreuk heeft gepleegd op artikel 28, tweede lid, van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
9° de bouwdirectie belast met de uitvoering, zijn aangestelde of zijn lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op de artikelen 31ter, 31quater, § 1, eerste lid en § 2, en 31sexies, § 2, tweede en derde lid en § 3, van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
10° de aannemer en onderaannemer, zijn aangestelde of zijn lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op de artikelen 31ter, 31quater, § 1, tweede tot vierde lid en § 2, 31quinquies en 31sexies, § 2, tweede en derde lid en § 3, van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
11° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op artikel 31sexies, § 2, eerste en derde lid, en § 3, van voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
12° de persoon die belast is met het uitvoeren van de opdrachten van coördinator inzake veiligheid en gezondheid tijdens de verwezenlijking van het bouwwerk, voorzien door de voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan, en die de opdrachten van coördinator niet overeenkomstig de voorwaarden en de nadere regels bepaald door de voormelde wet van 4 augustus 1996 en de uitvoeringsbesluiten ervan uitvoert of ze niet uitvoert, ongeacht of hij een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, een werkgever, een zelfstandige, een aangestelde of een lasthebber is.
Voor de inbreuken bedoeld in het eerste lid, 9°, 10° en 11°, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken personen.
De inbreuken worden bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg hebben gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
Art. 132. [1 Les chantiers temporaires ou mobiles - la réalisation de l'ouvrage
Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° le maître d'ouvrage, le maître d'oeuvre chargé de l'exécution ou le maître d'oeuvre chargé du contrôle de l'exécution, leur préposé ou leur mandataire qui a commis une infraction aux articles 15, 20, 21 et 23 de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à leurs arrêtés d'exécution;
2° le maître d'ouvrage, le maître d'oeuvre chargé de l'exécution ou le maître d'oeuvre chargé du contrôle de l'exécution, leur préposé ou leur mandataire qui n'a pas exercé une surveillance ou une surveillance suffisante sur les obligations à respecter par les coordinateurs en matière de sécurité et de santé pendant la réalisation de l'ouvrage;
3° l'entrepreneur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction aux articles 15, 20, alinéa 2, 23 et 24 de la loi précitée du 4 août 1996 et de leurs arrêtés d'exécution;
4° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 31 de la loi précitée du 4 août 1996 et à ses arrêtés d'exécution;
5° le maître d'oeuvre chargé de l'exécution, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction aux articles 25, 28, alinéa 1er et 29 de la loi précitée du 4 août 1996 et de leurs arrêtés d'exécution;
6° l'entrepreneur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction aux articles 26, 28, alinéa 1er, et 29 de la loi précitée du 4 août 1996 et à leurs arrêtés d'exécution;
7° le sous-traitant, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction aux articles 27, 28, alinéa 1er, et 29 de la loi précitée du 4 août 1996 et à leurs arrêtés d'exécution;
8° l'indépendant qui a commis une infraction à l'article 28, alinéa 2, de la loi précitée du 4 août 1996 et à ses arrêtés d'exécution;
9° le maître d'oeuvre chargé de l'exécution, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction aux articles 31ter, 31quater, § 1er, alinéa 1er et § 2 et 31sexies, § 2, alinéas 2 et 3 et § 3, de la loi précitée du 4 août 1996 et à leurs arrêtés d'exécution;
10° l'entrepreneur et le sous-traitant, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction aux articles 31ter, 31quater, § 1er, alinéas 2 à 4 et § 2, 31quinquies et 31sexies, § 2, alinéas 2 et 3 et § 3, de la loi précitée du 4 août 1996 et à leurs arrêtés d'exécution;
11° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 31sexies, § 2, alinéas 1er et 3 et § 3, de la loi précitée du 4 août 1996 et à ses arrêtés d'exécution;
12° la personne qui est chargée d'exécuter les missions de coordinateur en matière de sécurité et de santé pendant la réalisation de l'ouvrage prévues par la loi précitée du 4 août 1996 et ses arrêtés d'exécution et qui n'exécute pas les missions de coordinateur conformément aux conditions et modalités fixées par la loi précitée du 4 août 1996 et ses arrêtés d'exécution ou s'abstient de les exécuter, qu'elle soit une personne physique ou une personne morale, un employeur, un indépendant, un préposé ou un mandataire.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, 9°, 10° et 11°, l'amende est multipliée par le nombre de personnes concernées par cette infraction.
Les infractions sont punies d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elles ont eu comme conséquence pour un travailleur des ennuis de santé ou un accident du travail.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° le maître d'ouvrage, le maître d'oeuvre chargé de l'exécution ou le maître d'oeuvre chargé du contrôle de l'exécution, leur préposé ou leur mandataire qui a commis une infraction aux articles 15, 20, 21 et 23 de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à leurs arrêtés d'exécution;
2° le maître d'ouvrage, le maître d'oeuvre chargé de l'exécution ou le maître d'oeuvre chargé du contrôle de l'exécution, leur préposé ou leur mandataire qui n'a pas exercé une surveillance ou une surveillance suffisante sur les obligations à respecter par les coordinateurs en matière de sécurité et de santé pendant la réalisation de l'ouvrage;
3° l'entrepreneur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction aux articles 15, 20, alinéa 2, 23 et 24 de la loi précitée du 4 août 1996 et de leurs arrêtés d'exécution;
4° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 31 de la loi précitée du 4 août 1996 et à ses arrêtés d'exécution;
5° le maître d'oeuvre chargé de l'exécution, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction aux articles 25, 28, alinéa 1er et 29 de la loi précitée du 4 août 1996 et de leurs arrêtés d'exécution;
6° l'entrepreneur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction aux articles 26, 28, alinéa 1er, et 29 de la loi précitée du 4 août 1996 et à leurs arrêtés d'exécution;
7° le sous-traitant, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction aux articles 27, 28, alinéa 1er, et 29 de la loi précitée du 4 août 1996 et à leurs arrêtés d'exécution;
8° l'indépendant qui a commis une infraction à l'article 28, alinéa 2, de la loi précitée du 4 août 1996 et à ses arrêtés d'exécution;
9° le maître d'oeuvre chargé de l'exécution, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction aux articles 31ter, 31quater, § 1er, alinéa 1er et § 2 et 31sexies, § 2, alinéas 2 et 3 et § 3, de la loi précitée du 4 août 1996 et à leurs arrêtés d'exécution;
10° l'entrepreneur et le sous-traitant, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction aux articles 31ter, 31quater, § 1er, alinéas 2 à 4 et § 2, 31quinquies et 31sexies, § 2, alinéas 2 et 3 et § 3, de la loi précitée du 4 août 1996 et à leurs arrêtés d'exécution;
11° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 31sexies, § 2, alinéas 1er et 3 et § 3, de la loi précitée du 4 août 1996 et à ses arrêtés d'exécution;
12° la personne qui est chargée d'exécuter les missions de coordinateur en matière de sécurité et de santé pendant la réalisation de l'ouvrage prévues par la loi précitée du 4 août 1996 et ses arrêtés d'exécution et qui n'exécute pas les missions de coordinateur conformément aux conditions et modalités fixées par la loi précitée du 4 août 1996 et ses arrêtés d'exécution ou s'abstient de les exécuter, qu'elle soit une personne physique ou une personne morale, un employeur, un indépendant, un préposé ou un mandataire.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, 9°, 10° et 11°, l'amende est multipliée par le nombre de personnes concernées par cette infraction.
Les infractions sont punies d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elles ont eu comme conséquence pour un travailleur des ennuis de santé ou un accident du travail.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
Wijzigingen
Art. 132/1. [1 Registratieplicht op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen
Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft elke persoon die zich, in strijd met artikel 31sexies, § 1, van voormelde wet van 4 augustus 1996, aanbiedt op een tijdelijke of mobiele bouwplaats en zijn aanwezigheid niet onmiddellijk en dagelijks registreert op de bouwplaats.]1
Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft elke persoon die zich, in strijd met artikel 31sexies, § 1, van voormelde wet van 4 augustus 1996, aanbiedt op een tijdelijke of mobiele bouwplaats en zijn aanwezigheid niet onmiddellijk en dagelijks registreert op de bouwplaats.]1
Art. 132/1. [1 Obligation d'enregistrement sur les chantiers temporaires ou mobiles
Est punie d'une sanction de niveau 1, toute personne qui, en contravention à l'article 31sexies, § 1er, de la loi précitée du 4 août 1996, se présente sur un chantier temporaire ou mobile et n'enregistre pas immédiatement et quotidiennement sa présence sur le chantier.]1
Est punie d'une sanction de niveau 1, toute personne qui, en contravention à l'article 31sexies, § 1er, de la loi précitée du 4 août 1996, se présente sur un chantier temporaire ou mobile et n'enregistre pas immédiatement et quotidiennement sa présence sur le chantier.]1
Art. 133. [1 Roken op de werkplaats
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de bepalingen van hoofdstuk 4 van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook en op de uitvoeringsbesluiten van deze bepalingen :
1° geen werkruimten en sociale voorzieningen, vrij van tabaksrook, ter beschikking stelt van zijn werknemers;
2° het roken niet verbiedt in de werkruimten, de sociale voorzieningen, evenals in de vervoermiddelen die hij voor gemeenschappelijk vervoer van en naar het werk ter beschikking stelt van het personeel;
3° niet de nodige maatregelen neemt teneinde erover te waken dat derden die zich in de onderneming bevinden, geïnformeerd worden over de maatregelen die hij toepast overeenkomstig voormelde wet van 22 december 2009;
4° niet de nodige maatregelen neemt om elk element dat tot roken kan aanzetten of dat laat geloven dat roken toegestaan is, te verbieden in de werkruimten, de sociale voorzieningen, evenals in de vervoermiddelen die hij voor gemeenschappelijk vervoer van en naar het werk ter beschikking stelt van het personeel;
5° voorziet in een rookkamer binnen de onderneming, zonder voorafgaand advies van het comité voor preventie en bescherming op het werk;
6° wanneer een rookkamer is toegelaten binnen de onderneming, een rookkamer voorziet die niet afdoende verlucht wordt of niet voorzien wordt van een rookafzuigsysteem dat de rook afdoende verwijdert, of niet de bijkomende door de Koning bepaalde voorwaarden naleeft waaraan de rookkamer dient te beantwoorden;
7° wanneer een rookkamer is toegelaten binnen de onderneming, een regeling van toegang tot deze rookkamer tijdens de werkuren voorziet, zonder voorafgaand advies van het comité voor preventie en bescherming op het werk;
8° wanneer een rookkamer is toegelaten binnen de onderneming, een regeling van toegang tot deze rookkamer tijdens de werkuren voorziet die een ongelijke behandeling van de werknemers veroorzaakt.
De inbreuken worden bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg hebben gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de bepalingen van hoofdstuk 4 van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook en op de uitvoeringsbesluiten van deze bepalingen :
1° geen werkruimten en sociale voorzieningen, vrij van tabaksrook, ter beschikking stelt van zijn werknemers;
2° het roken niet verbiedt in de werkruimten, de sociale voorzieningen, evenals in de vervoermiddelen die hij voor gemeenschappelijk vervoer van en naar het werk ter beschikking stelt van het personeel;
3° niet de nodige maatregelen neemt teneinde erover te waken dat derden die zich in de onderneming bevinden, geïnformeerd worden over de maatregelen die hij toepast overeenkomstig voormelde wet van 22 december 2009;
4° niet de nodige maatregelen neemt om elk element dat tot roken kan aanzetten of dat laat geloven dat roken toegestaan is, te verbieden in de werkruimten, de sociale voorzieningen, evenals in de vervoermiddelen die hij voor gemeenschappelijk vervoer van en naar het werk ter beschikking stelt van het personeel;
5° voorziet in een rookkamer binnen de onderneming, zonder voorafgaand advies van het comité voor preventie en bescherming op het werk;
6° wanneer een rookkamer is toegelaten binnen de onderneming, een rookkamer voorziet die niet afdoende verlucht wordt of niet voorzien wordt van een rookafzuigsysteem dat de rook afdoende verwijdert, of niet de bijkomende door de Koning bepaalde voorwaarden naleeft waaraan de rookkamer dient te beantwoorden;
7° wanneer een rookkamer is toegelaten binnen de onderneming, een regeling van toegang tot deze rookkamer tijdens de werkuren voorziet, zonder voorafgaand advies van het comité voor preventie en bescherming op het werk;
8° wanneer een rookkamer is toegelaten binnen de onderneming, een regeling van toegang tot deze rookkamer tijdens de werkuren voorziet die een ongelijke behandeling van de werknemers veroorzaakt.
De inbreuken worden bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg hebben gehad voor een werknemer.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
Art. 133. [1 Fumer sur le lieu de travail
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention aux dispositions du chapitre 4 de la loi du 22 décembre 2009 instaurant une réglementation générale relative à l'interdiction de fumer dans les lieux fermés accessibles au public et à la protection des travailleurs contre la fumée du tabac et aux arrêtés d'exécution de ces dispositions :
1° ne met pas à disposition de ses travailleurs des espaces de travail et des équipements sociaux exempts de fumée de tabac;
2° n'interdit pas de fumer dans les espaces de travail, dans les équipements sociaux, ainsi que dans les moyens de transport qu'il met à la disposition du personnel pour le transport collectif du et vers le lieu de travail;
3° ne prend pas les mesures nécessaires pour veiller à ce que les tiers qui se trouvent dans l'entreprise soient informés des mesures qu'il applique en vertu de la loi précitée du 22 décembre 2009;
4° ne prend pas les mesures nécessaires pour interdire tout élément susceptible d'inciter à fumer ou qui porte à croire que fumer est autorisé, dans les espaces de travail, dans les équipements sociaux, ainsi que dans les moyens de transport qu'il met à la disposition du personnel pour le transport collectif du et vers le lieu de travail;
5° prévoit un fumoir dans l'entreprise sans avis préalable du comité pour la prévention et la protection au travail;
6° lorsqu'un fumoir est permis dans l'entreprise, prévoit un fumoir qui n'est pas ventilé efficacement ou qui n'est pas équipé d'un système d'extraction de fumée qui élimine la fumée de manière efficace, ou qui ne respecte pas les conditions supplémentaires fixées par le Roi auxquelles le fumoir doit répondre;
7° lorsqu'un fumoir est permis dans l'entreprise, prévoit un règlement d'accès à ce fumoir pendant les heures de travail sans avis préalable du comité pour la prévention et la protection au travail;
8° lorsqu'un fumoir est permis dans l'entreprise, prévoit un règlement d'accès à ce fumoir pendant les heures de travail qui cause des inégalités de traitement entre les travailleurs.
Les infractions sont punies d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elles ont eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un travailleur.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention aux dispositions du chapitre 4 de la loi du 22 décembre 2009 instaurant une réglementation générale relative à l'interdiction de fumer dans les lieux fermés accessibles au public et à la protection des travailleurs contre la fumée du tabac et aux arrêtés d'exécution de ces dispositions :
1° ne met pas à disposition de ses travailleurs des espaces de travail et des équipements sociaux exempts de fumée de tabac;
2° n'interdit pas de fumer dans les espaces de travail, dans les équipements sociaux, ainsi que dans les moyens de transport qu'il met à la disposition du personnel pour le transport collectif du et vers le lieu de travail;
3° ne prend pas les mesures nécessaires pour veiller à ce que les tiers qui se trouvent dans l'entreprise soient informés des mesures qu'il applique en vertu de la loi précitée du 22 décembre 2009;
4° ne prend pas les mesures nécessaires pour interdire tout élément susceptible d'inciter à fumer ou qui porte à croire que fumer est autorisé, dans les espaces de travail, dans les équipements sociaux, ainsi que dans les moyens de transport qu'il met à la disposition du personnel pour le transport collectif du et vers le lieu de travail;
5° prévoit un fumoir dans l'entreprise sans avis préalable du comité pour la prévention et la protection au travail;
6° lorsqu'un fumoir est permis dans l'entreprise, prévoit un fumoir qui n'est pas ventilé efficacement ou qui n'est pas équipé d'un système d'extraction de fumée qui élimine la fumée de manière efficace, ou qui ne respecte pas les conditions supplémentaires fixées par le Roi auxquelles le fumoir doit répondre;
7° lorsqu'un fumoir est permis dans l'entreprise, prévoit un règlement d'accès à ce fumoir pendant les heures de travail sans avis préalable du comité pour la prévention et la protection au travail;
8° lorsqu'un fumoir est permis dans l'entreprise, prévoit un règlement d'accès à ce fumoir pendant les heures de travail qui cause des inégalités de traitement entre les travailleurs.
Les infractions sont punies d'une sanction de niveau 4 lorsqu'elles ont eu comme conséquence des ennuis de santé ou un accident du travail pour un travailleur.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
Wijzigingen
Afdeling 3/2. [1 De melders]1
Section 3/2. [1 Les auteurs de signalement]1
Art. 133/1. [2 De melders]2
[1 Onder voorbehoud van artikel 33, § 1, tweede lid, van de wet van 28 november 2022 betreffende de bescherming van melders van inbreuken op het Unie- of nationale recht vastgesteld binnen een juridische entiteit in de private sector, wordt met een sanctie van niveau 4 bestraft:
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die een inbreuk heeft gepleegd op hoofdstuk 3 van de voormelde wet;
2° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, de bevoegde autoriteit of de federale coördinator die een inbreuk heeft gepleegd op artikel 22 van de voormelde wet.]1
[1 Onder voorbehoud van artikel 33, § 1, tweede lid, van de wet van 28 november 2022 betreffende de bescherming van melders van inbreuken op het Unie- of nationale recht vastgesteld binnen een juridische entiteit in de private sector, wordt met een sanctie van niveau 4 bestraft:
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die een inbreuk heeft gepleegd op hoofdstuk 3 van de voormelde wet;
2° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, de bevoegde autoriteit of de federale coördinator die een inbreuk heeft gepleegd op artikel 22 van de voormelde wet.]1
Art. 133/1. [2 Les auteurs de signalement]2
[1 Sous réserve de l'article 33, § 1, alinéa 2, de la loi du 28 novembre 2022 sur la protection des personnes qui signalent des violations au droit de l'Union ou au droit national constatées au sein d'une entité juridique du secteur privé, est puni d'une sanction de niveau 4:
1° l'employeur, son préposé ou mandataire, qui a commis une infraction au chapitre 3 de la loi précitée;
2° l'employeur, son préposé ou mandataire, l'autorité compétente ou le coordinateur fédéral qui a commis une infraction à l'article 22 de la loi précitée.]1
[1 Sous réserve de l'article 33, § 1, alinéa 2, de la loi du 28 novembre 2022 sur la protection des personnes qui signalent des violations au droit de l'Union ou au droit national constatées au sein d'une entité juridique du secteur privé, est puni d'une sanction de niveau 4:
1° l'employeur, son préposé ou mandataire, qui a commis une infraction au chapitre 3 de la loi précitée;
2° l'employeur, son préposé ou mandataire, l'autorité compétente ou le coordinateur fédéral qui a commis une infraction à l'article 22 de la loi précitée.]1
Afdeling 4. - Voor de toegang tot de arbeid vereiste leeftijd
Section 4. - L'âge d'admission au travail
Art. 134. Kinderarbeid buiten de context van opvoeding of opleiding
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, iedere persoon, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 kinderen arbeid heeft doen of laten verrichten dan wel activiteiten buiten de context van hun opvoeding of opleiding heeft doen of laten uitvoeren waarvoor geen enkele afwijking is toegestaan.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken kinderen.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, iedere persoon, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 kinderen arbeid heeft doen of laten verrichten dan wel activiteiten buiten de context van hun opvoeding of opleiding heeft doen of laten uitvoeren waarvoor geen enkele afwijking is toegestaan.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken kinderen.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
Art. 134. Le travail de l'enfant sortant du cadre de son éducation ou de sa formation
Est puni d'une sanction de niveau 4, toute personne, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail, a fait ou laissé effectuer ou exercer par un enfant du travail ou des activités sortant du cadre de son éducation ou de sa formation pour lesquelles aucune dérogation n'est admise.
L'amende est multipliée par le nombre d'enfants concernés.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
Est puni d'une sanction de niveau 4, toute personne, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail, a fait ou laissé effectuer ou exercer par un enfant du travail ou des activités sortant du cadre de son éducation ou de sa formation pour lesquelles aucune dérogation n'est admise.
L'amende est multipliée par le nombre d'enfants concernés.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
Art. 135. Jonge sportbeoefenaars in loondienst
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971, een werknemer heeft tewerkgesteld krachtens een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars wanneer die persoon zijn verplichte voltijdse leerplicht niet volledig heeft vervuld of de leeftijdsgrens die de Koning, krachtens de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor de betaalde sportbeoefenaar, heeft vastgesteld, niet heeft bereikt.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971, een werknemer heeft tewerkgesteld krachtens een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars wanneer die persoon zijn verplichte voltijdse leerplicht niet volledig heeft vervuld of de leeftijdsgrens die de Koning, krachtens de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor de betaalde sportbeoefenaar, heeft vastgesteld, niet heeft bereikt.
Art. 135. L'enfant sportif rémunéré
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail, a occupé un travailleur en vertu d'un contrat de travail du sportif rémunéré alors que celui-ci n'a pas accompli entièrement sa scolarité obligatoire à temps plein ou qu'il n'a pas atteint la limite d'âge fixée par le Roi en vertu de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré.
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail, a occupé un travailleur en vertu d'un contrat de travail du sportif rémunéré alors que celui-ci n'a pas accompli entièrement sa scolarité obligatoire à temps plein ou qu'il n'a pas atteint la limite d'âge fixée par le Roi en vertu de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré.
Art. 136. [1 § 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de vader, de moeder of de voogd die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971:
a) een kind een werkzaamheid buiten de context van zijn opvoeding of opleiding heeft doen of laten uitvoeren of vooraleer daartoe een individuele afwijking van de bevoegde ambtenaar werd verkregen;
b) een kind een werkzaamheid heeft doen of laten uitvoeren zonder daarbij de wettelijke of door de Koning of de bevoegde ambtenaar vastgestelde regels na te leven waaraan de individuele afwijking moet beantwoorden;
c) over de geïndividualiseerde spaarrekening op naam van het kind heeft beschikt, zowel wat de hoofdsom als de intresten betreft, behalve in de door de Koning bepaalde gevallen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken kinderen.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft:
1° de aanvrager van de individuele afwijking, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971:
a) een in § 1, 1°, a) en b), bedoelde inbreuk heeft begaan;
b) de schriftelijke individuele afwijking op het ogenblik dat of op de plaats waar het kind de werkzaamheid uitvoert, niet heeft vertoond aan de officieren van gerechtelijke politie of aan de door de Koning aangewezen ambtenaren;
c) het loon in geld van het kind niet heeft gestort op een geïndividualiseerde spaarrekening geopend op naam van het kind bij een financiële instelling, uiterlijk op de vierde werkdag van de maand volgend op de maand waarin de werkzaamheid door het kind werd uitgevoerd;
d) naar aanleiding van de uitvoering van een werkzaamheid door het kind, ongebruikelijke geschenken heeft gegeven, die niet aan de leeftijd, de ontwikkeling en de vorming van het kind zijn aangepast.
2° eenieder die, als tussenpersoon of bemiddelaar, al dan niet tegen vergoeding, voorstellen doet, rechtshandelingen verricht of reclame maakt, teneinde werkzaamheden verricht door kinderen te bevorderen of mee tot stand te helpen te brengen waarvoor geen individuele afwijking werd gevraagd.
Voor de in het eerste lid, 1°, bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken kinderen.]1
a) een kind een werkzaamheid buiten de context van zijn opvoeding of opleiding heeft doen of laten uitvoeren of vooraleer daartoe een individuele afwijking van de bevoegde ambtenaar werd verkregen;
b) een kind een werkzaamheid heeft doen of laten uitvoeren zonder daarbij de wettelijke of door de Koning of de bevoegde ambtenaar vastgestelde regels na te leven waaraan de individuele afwijking moet beantwoorden;
c) over de geïndividualiseerde spaarrekening op naam van het kind heeft beschikt, zowel wat de hoofdsom als de intresten betreft, behalve in de door de Koning bepaalde gevallen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken kinderen.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft:
1° de aanvrager van de individuele afwijking, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971:
a) een in § 1, 1°, a) en b), bedoelde inbreuk heeft begaan;
b) de schriftelijke individuele afwijking op het ogenblik dat of op de plaats waar het kind de werkzaamheid uitvoert, niet heeft vertoond aan de officieren van gerechtelijke politie of aan de door de Koning aangewezen ambtenaren;
c) het loon in geld van het kind niet heeft gestort op een geïndividualiseerde spaarrekening geopend op naam van het kind bij een financiële instelling, uiterlijk op de vierde werkdag van de maand volgend op de maand waarin de werkzaamheid door het kind werd uitgevoerd;
d) naar aanleiding van de uitvoering van een werkzaamheid door het kind, ongebruikelijke geschenken heeft gegeven, die niet aan de leeftijd, de ontwikkeling en de vorming van het kind zijn aangepast.
2° eenieder die, als tussenpersoon of bemiddelaar, al dan niet tegen vergoeding, voorstellen doet, rechtshandelingen verricht of reclame maakt, teneinde werkzaamheden verricht door kinderen te bevorderen of mee tot stand te helpen te brengen waarvoor geen individuele afwijking werd gevraagd.
Voor de in het eerste lid, 1°, bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken kinderen.]1
Art. 136. [1 § 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2, le père, la mère ou le tuteur qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail:
a) a fait ou laissé exercer par un enfant une activité sortant du cadre de son éducation ou de sa formation ou sans avoir obtenu préalablement une dérogation individuelle du fonctionnaire compétent;
b) a fait ou laissé exercer par un enfant une activité en ne respectant pas les conditions imposées par la loi ou fixées par le Roi ou le fonctionnaire compétent auxquelles la dérogation individuelle est subordonnée;
c) a disposé du compte d'épargne individualisé au nom de l'enfant en principal ou en intérêts sauf dans les cas déterminés par le Roi.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre d'enfants concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3:
1° le demandeur de la dérogation individuelle, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail:
a) a commis une infraction visée au § 1er, 1°, a) et b);
b) n'a pas produit la dérogation individuelle écrite au moment ou au lieu où l'enfant exerce l'activité aux officiers de police judiciaire ou aux fonctionnaires désignés par le Roi;
c) n'a pas viré la rémunération de l'enfant en espèces, sur un compte d'épargne individualisé ouvert au nom de l'enfant auprès d'une institution financière au plus tard le quatrième jour ouvrable du mois qui suit le mois dans lequel l'activité a été exécutée par l'enfant;
d) a donné à l'occasion de l'exécution de l'activité par un enfant des cadeaux qui ne sont pas usuels, adaptés à son âge, à son développement et à sa formation.
2° toute personne intervenant comme intermédiaire ou médiateur, contre rémunération ou à titre gratuit, qui fait des propositions, accomplit des actes juridiques ou fait de la publicité afin de promouvoir des activités effectuées par des enfants ou d'aider à les réaliser alors qu'une dérogation individuelle n'a pas été demandée.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, 1°, l'amende est multipliée par le nombre d'enfants concernés.]1
a) a fait ou laissé exercer par un enfant une activité sortant du cadre de son éducation ou de sa formation ou sans avoir obtenu préalablement une dérogation individuelle du fonctionnaire compétent;
b) a fait ou laissé exercer par un enfant une activité en ne respectant pas les conditions imposées par la loi ou fixées par le Roi ou le fonctionnaire compétent auxquelles la dérogation individuelle est subordonnée;
c) a disposé du compte d'épargne individualisé au nom de l'enfant en principal ou en intérêts sauf dans les cas déterminés par le Roi.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre d'enfants concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3:
1° le demandeur de la dérogation individuelle, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail:
a) a commis une infraction visée au § 1er, 1°, a) et b);
b) n'a pas produit la dérogation individuelle écrite au moment ou au lieu où l'enfant exerce l'activité aux officiers de police judiciaire ou aux fonctionnaires désignés par le Roi;
c) n'a pas viré la rémunération de l'enfant en espèces, sur un compte d'épargne individualisé ouvert au nom de l'enfant auprès d'une institution financière au plus tard le quatrième jour ouvrable du mois qui suit le mois dans lequel l'activité a été exécutée par l'enfant;
d) a donné à l'occasion de l'exécution de l'activité par un enfant des cadeaux qui ne sont pas usuels, adaptés à son âge, à son développement et à sa formation.
2° toute personne intervenant comme intermédiaire ou médiateur, contre rémunération ou à titre gratuit, qui fait des propositions, accomplit des actes juridiques ou fait de la publicité afin de promouvoir des activités effectuées par des enfants ou d'aider à les réaliser alors qu'une dérogation individuelle n'a pas été demandée.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, 1°, l'amende est multipliée par le nombre d'enfants concernés.]1
Wijzigingen
Art. 136/1. [1 De minderjarige zeevisser
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber, de schipper die, in strijd met de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser:
1° een minderjarige van 15 jaar of ouder die niet meer onderworpen is aan de voltijdse leerplicht aan boord van een vissersschip heeft ingescheept zonder de toestemming van de daartoe aangewezen ambtenaar belast met de scheepvaartcontrole;
2° een minderjarige van 15 jaar of ouder die niet meer onderworpen is aan de voltijdse leerplicht aan boord van een vissersschip heeft ingescheept gedurende een periode waarin de aanwezigheid van voornoemde minderjarige op school verplicht is;
3° geen arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij heeft gesloten met de minderjarige die 15 jaar of ouder die niet meer onderworpen is aan de voltijdse leerplicht en die de toestemming tot het inschepen aan boord van een vissersschip van de daartoe aangewezen ambtenaar belast met de scheepvaartcontrole heeft gekregen;
4° een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij voor een langere periode dan de duur van één zeereis heeft gesloten met een minderjarige die 15 jaar of ouder is, die niet meer onderworpen is aan de voltijdse leerplicht en die de toestemming tot het inschepen aan boord van een vissersschip van de daartoe aangewezen ambtenaar belast met de scheepvaartcontrole heeft gekregen;
5° een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij of opeenvolgende arbeidsovereenkomsten heeft gesloten waarvan de totale duur de duur van de schoolvakantie overschrijdt heeft gesloten met een minderjarige die 15 jaar of ouder, die niet meer onderworpen is aan de voltijdse leerplicht en die de toestemming tot het inschepen aan boord van een vissersschip van de daartoe aangewezen ambtenaar belast met de scheepvaartcontrole heeft gekregen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken minderjarigen.]1
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber, de schipper die, in strijd met de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser:
1° een minderjarige van 15 jaar of ouder die niet meer onderworpen is aan de voltijdse leerplicht aan boord van een vissersschip heeft ingescheept zonder de toestemming van de daartoe aangewezen ambtenaar belast met de scheepvaartcontrole;
2° een minderjarige van 15 jaar of ouder die niet meer onderworpen is aan de voltijdse leerplicht aan boord van een vissersschip heeft ingescheept gedurende een periode waarin de aanwezigheid van voornoemde minderjarige op school verplicht is;
3° geen arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij heeft gesloten met de minderjarige die 15 jaar of ouder die niet meer onderworpen is aan de voltijdse leerplicht en die de toestemming tot het inschepen aan boord van een vissersschip van de daartoe aangewezen ambtenaar belast met de scheepvaartcontrole heeft gekregen;
4° een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij voor een langere periode dan de duur van één zeereis heeft gesloten met een minderjarige die 15 jaar of ouder is, die niet meer onderworpen is aan de voltijdse leerplicht en die de toestemming tot het inschepen aan boord van een vissersschip van de daartoe aangewezen ambtenaar belast met de scheepvaartcontrole heeft gekregen;
5° een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij of opeenvolgende arbeidsovereenkomsten heeft gesloten waarvan de totale duur de duur van de schoolvakantie overschrijdt heeft gesloten met een minderjarige die 15 jaar of ouder, die niet meer onderworpen is aan de voltijdse leerplicht en die de toestemming tot het inschepen aan boord van een vissersschip van de daartoe aangewezen ambtenaar belast met de scheepvaartcontrole heeft gekregen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken minderjarigen.]1
Art. 136/1. [1 Le mineur marin pêcheur
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'armateur, son préposé ou son mandataire, le patron qui, en contravention à la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur :
1° a embarqué à bord d'un navire de pêche un mineur âgé de quinze ans ou plus et qui n'est plus soumis à l'obligation scolaire à temps plein sans avoir obtenu l'autorisation du fonctionnaire chargé du contrôle de la navigation désigné à cet effet ;
2° a embarqué à bord d'un navire de pêche un mineur âgé de quinze ans ou plus et qui n'est plus soumis à l'obligation scolaire à temps plein durant une période au cours de laquelle la présence du mineur précité à l'école est obligatoire ;
3° n'a pas conclu de contrat d'engagement pour la pêche maritime avec le mineur âgé de quinze ans ou plus, qui n'est plus soumis à l'obligation scolaire à temps plein, et qui est autorisé à embarquer à bord d'un navire de pêche par le fonctionnaire chargé du contrôle de la navigation désigné à cet effet ;
4° a conclu avec le mineur âgé de quinze ans ou plus, qui n'est plus soumis à l'obligation scolaire à temps plein, et qui est autorisé à embarquer à bord d'un navire de pêche par le fonctionnaire chargé du contrôle de la navigation désigné à cet effet, un contrat d'engagement pour la pêche maritime pour une durée qui dépasse la durée d'un voyage en mer ;
5° a conclu avec le mineur âgé de quinze ans ou plus, qui n'est plus soumis à l'obligation scolaire à temps plein, et qui est autorisé à embarquer à bord d'un navire de pêche par le fonctionnaire chargé du contrôle de la navigation désigné à cet effet, un contrat d'engagement pour la pêche maritime ou des contrats d'engagement successifs dont la durée totale dépasse la durée des vacances scolaires.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de mineurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'armateur, son préposé ou son mandataire, le patron qui, en contravention à la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur :
1° a embarqué à bord d'un navire de pêche un mineur âgé de quinze ans ou plus et qui n'est plus soumis à l'obligation scolaire à temps plein sans avoir obtenu l'autorisation du fonctionnaire chargé du contrôle de la navigation désigné à cet effet ;
2° a embarqué à bord d'un navire de pêche un mineur âgé de quinze ans ou plus et qui n'est plus soumis à l'obligation scolaire à temps plein durant une période au cours de laquelle la présence du mineur précité à l'école est obligatoire ;
3° n'a pas conclu de contrat d'engagement pour la pêche maritime avec le mineur âgé de quinze ans ou plus, qui n'est plus soumis à l'obligation scolaire à temps plein, et qui est autorisé à embarquer à bord d'un navire de pêche par le fonctionnaire chargé du contrôle de la navigation désigné à cet effet ;
4° a conclu avec le mineur âgé de quinze ans ou plus, qui n'est plus soumis à l'obligation scolaire à temps plein, et qui est autorisé à embarquer à bord d'un navire de pêche par le fonctionnaire chargé du contrôle de la navigation désigné à cet effet, un contrat d'engagement pour la pêche maritime pour une durée qui dépasse la durée d'un voyage en mer ;
5° a conclu avec le mineur âgé de quinze ans ou plus, qui n'est plus soumis à l'obligation scolaire à temps plein, et qui est autorisé à embarquer à bord d'un navire de pêche par le fonctionnaire chargé du contrôle de la navigation désigné à cet effet, un contrat d'engagement pour la pêche maritime ou des contrats d'engagement successifs dont la durée totale dépasse la durée des vacances scolaires.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de mineurs concernés.]1
Art. 136/2. [1 Verboden tewerkstelling van minderjarigen als sekswerker
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 3 mei 2024 houdende bepalingen betreffende sekswerk onder arbeidsovereenkomst, een minderjarige heeft tewerkgesteld of laten tewerkstellen als sekswerker.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken minderjarigen.]1
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 3 mei 2024 houdende bepalingen betreffende sekswerk onder arbeidsovereenkomst, een minderjarige heeft tewerkgesteld of laten tewerkstellen als sekswerker.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken minderjarigen.]1
Art. 136/2. [1 L'occupation interdite de mineurs comme travailleur du sexe
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 mai 2024 portant des dispositions en matière du travail du sexe sous contrat de travail, a occupé ou fait occuper un mineur comme travailleur du sexe.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de mineurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 mai 2024 portant des dispositions en matière du travail du sexe sous contrat de travail, a occupé ou fait occuper un mineur comme travailleur du sexe.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de mineurs concernés.]1
Art.136/3. [1 Lichte arbeid door minderjarigen van 15 jaar die nog onderworpen zijn aan de voltijdse leerplicht
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, buiten de voorwaarden van de arbeidswet van 16 maart 1971 en zijn uitvoeringsbesluiten, lichte arbeid heeft doen of laten verrichten door een minderjarige van 15 jaar die nog onderworpen is aan de voltijdse leerplicht.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken minderjarigen.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, buiten de voorwaarden van de arbeidswet van 16 maart 1971 en zijn uitvoeringsbesluiten, lichte arbeid heeft doen of laten verrichten door een minderjarige van 15 jaar die nog onderworpen is aan de voltijdse leerplicht.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken minderjarigen.]1
Art. 136/3. [1 Les travaux légers par un mineur âgé de 15 ans qui est encore soumis à l'obligation scolaire à temps plein
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en dehors des conditions prévues par la loi du 16 mars 1971 sur le travail et de ses arrêtés d'exécution, a fait ou laissé effectuer ou exercer des travaux légers par un mineur âgé de 15 ans qui est encore soumis à l'obligation scolaire à temps plein.
L'amende est multipliée par le nombre de mineurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en dehors des conditions prévues par la loi du 16 mars 1971 sur le travail et de ses arrêtés d'exécution, a fait ou laissé effectuer ou exercer des travaux légers par un mineur âgé de 15 ans qui est encore soumis à l'obligation scolaire à temps plein.
L'amende est multipliée par le nombre de mineurs concernés.]1
Art. 137. Verboden arbeid
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 :
1° een jeugdige werknemer ondergrondse arbeid in mijnen, groeven en graverijen of andere door de Koning verboden arbeid heeft doen of laten verrichten;
2° een jeugdige werknemer arbeid heeft doen of laten verrichten die zijn krachten te boven gaat, zijn gezondheid bedreigt of zijn zedelijkheid in gevaar brengt.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken jeugdige werknemers.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 :
1° een jeugdige werknemer ondergrondse arbeid in mijnen, groeven en graverijen of andere door de Koning verboden arbeid heeft doen of laten verrichten;
2° een jeugdige werknemer arbeid heeft doen of laten verrichten die zijn krachten te boven gaat, zijn gezondheid bedreigt of zijn zedelijkheid in gevaar brengt.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken jeugdige werknemers.
Art. 137. Les travaux interdits
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail :
1° a fait ou laissé effectuer par un jeune travailleur des travaux souterrains dans les mines, minières et carrières, ou d'autres travaux souterrains interdits par le Roi;
2° a fait ou laissé effectuer par un jeune travailleur des travaux dépassant ses forces, menaçant sa santé ou compromettant sa moralité.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de jeunes travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail :
1° a fait ou laissé effectuer par un jeune travailleur des travaux souterrains dans les mines, minières et carrières, ou d'autres travaux souterrains interdits par le Roi;
2° a fait ou laissé effectuer par un jeune travailleur des travaux dépassant ses forces, menaçant sa santé ou compromettant sa moralité.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de jeunes travailleurs concernés.
Afdeling 5. [1 - Registratieplicht op de arbeidsplaatsen]1
Section 5. [1 - Obligation d'enregistrement sur les lieux de travail]1
Art. 137/1. [1 Registratie op de arbeidsplaatsen
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° de opdrachtgever of de gelijkgestelde, zijn aangestelde of lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op artikel 6, artikel 7, § 1, eerste lid, en § 2, en artikel 9, § 2, tweede lid, en § 3, van de programmawet van 10 augustus 2015 en de uitvoeringsbesluiten;
2° de aannemers en de onderaannemers, hun aangestelden of lasthebbers die een inbreuk hebben gepleegd op artikel 6, artikel 7, § 1, tweede tot vierde lid, en § 2, artikel 8 en artikel 9, § 2, tweede lid, en § 3, van de programmawet van 10 augustus 2015 en de uitvoeringsbesluiten;
3° de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op artikel 9, § 2, eerste lid, en § 3, van de programmawet van 10 augustus 2015 en de uitvoeringsbesluiten.
Voor de inbreuken bedoeld in het eerste lid wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken personen.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° de opdrachtgever of de gelijkgestelde, zijn aangestelde of lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op artikel 6, artikel 7, § 1, eerste lid, en § 2, en artikel 9, § 2, tweede lid, en § 3, van de programmawet van 10 augustus 2015 en de uitvoeringsbesluiten;
2° de aannemers en de onderaannemers, hun aangestelden of lasthebbers die een inbreuk hebben gepleegd op artikel 6, artikel 7, § 1, tweede tot vierde lid, en § 2, artikel 8 en artikel 9, § 2, tweede lid, en § 3, van de programmawet van 10 augustus 2015 en de uitvoeringsbesluiten;
3° de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op artikel 9, § 2, eerste lid, en § 3, van de programmawet van 10 augustus 2015 en de uitvoeringsbesluiten.
Voor de inbreuken bedoeld in het eerste lid wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken personen.]1
Art. 137/1. [1 Enregistrement sur les lieux de travail
Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° le donneur d'ordre ou la personne assimilée, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 6, à l'article 7, § 1er, alinéa 1er, et § 2, et à l'article 9, § 2, alinéa 2, et § 3, de la loi-programme du 10 août 2015 et aux arrêtés d'exécution;
2° les entrepreneurs et les sous-traitants, leurs préposés ou leurs mandataires qui ont commis une infraction à l'article 6, à l'article 7, § 1er, alinéas 2 à 4, et § 2, à l'article 8 et à l'article 9, § 2, alinéa 2, et § 3, de la loi-programme du 10 août 2015 et aux arrêtés d'exécution;
3° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 9, § 2, alinéa 1er, et § 3, de la loi-programme du 10 août 2015 et aux arrêtés d'exécution.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er l'amende est multipliée par le nombre de personnes concernées par cette infraction.]1
Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° le donneur d'ordre ou la personne assimilée, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 6, à l'article 7, § 1er, alinéa 1er, et § 2, et à l'article 9, § 2, alinéa 2, et § 3, de la loi-programme du 10 août 2015 et aux arrêtés d'exécution;
2° les entrepreneurs et les sous-traitants, leurs préposés ou leurs mandataires qui ont commis une infraction à l'article 6, à l'article 7, § 1er, alinéas 2 à 4, et § 2, à l'article 8 et à l'article 9, § 2, alinéa 2, et § 3, de la loi-programme du 10 août 2015 et aux arrêtés d'exécution;
3° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 9, § 2, alinéa 1er, et § 3, de la loi-programme du 10 août 2015 et aux arrêtés d'exécution.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er l'amende est multipliée par le nombre de personnes concernées par cette infraction.]1
Art. 137/2. [1 Registratieplicht van de tewerkgestelden op de arbeidsplaatsen
Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft de tewerkgestelde bedoeld in artikel 5, 1°, van de programmawet van 10 augustus 2015 die zich, in strijd met artikel 9, § 1, van de programmawet van 10 augustus 2015, aanbiedt op een arbeidsplaats en zijn aanwezigheid niet onmiddellijk en dagelijks registreert op de arbeidsplaats.]1
Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft de tewerkgestelde bedoeld in artikel 5, 1°, van de programmawet van 10 augustus 2015 die zich, in strijd met artikel 9, § 1, van de programmawet van 10 augustus 2015, aanbiedt op een arbeidsplaats en zijn aanwezigheid niet onmiddellijk en dagelijks registreert op de arbeidsplaats.]1
Art. 137/2. [1 Obligation d'enregistrement des travailleurs sur les lieux de travail
Est puni d'une sanction de niveau 1, le travailleur visé à l'article 5, 1°, de la loi-programme du 10 août 2015 qui, en contravention à l'article 9, § 1er, de la loi-programme du 10 août 2015, se présente sur un lieu de travail et n'enregistre pas immédiatement et quotidiennement sa présence sur le lieu de travail.]1
Est puni d'une sanction de niveau 1, le travailleur visé à l'article 5, 1°, de la loi-programme du 10 août 2015 qui, en contravention à l'article 9, § 1er, de la loi-programme du 10 août 2015, se présente sur un lieu de travail et n'enregistre pas immédiatement et quotidiennement sa présence sur le lieu de travail.]1
Art. 137/3. [1 Aanwezigheidsregistratie op de arbeidsplaatsen waar onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten worden uitgevoerd
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft:
1° de aannemers en de onderaannemers, hun aangestelden of lasthebbers die een inbreuk hebben gepleegd op artikel 24, op artikel 34, op artikel 35, op artikel 36 en op artikel 37, tweede, derde en vierde lid, van de programmawet van 26 december 2022 en de uitvoeringsbesluiten;
2° de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op artikel 37, eerste lid, van de programmawet van 26 december 2022 en de uitvoeringsbesluiten.
Voor de inbreuken, bedoeld in het eerste lid, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken personen.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft:
1° de aannemers en de onderaannemers, hun aangestelden of lasthebbers die een inbreuk hebben gepleegd op artikel 24, op artikel 34, op artikel 35, op artikel 36 en op artikel 37, tweede, derde en vierde lid, van de programmawet van 26 december 2022 en de uitvoeringsbesluiten;
2° de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die een inbreuk heeft gepleegd op artikel 37, eerste lid, van de programmawet van 26 december 2022 en de uitvoeringsbesluiten.
Voor de inbreuken, bedoeld in het eerste lid, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken personen.]1
Art. 137/3. [1 L'enregistrement de présence sur les lieux de travail où des activités d'entretien et/ou de nettoyage sont effectuées
Est puni d'une sanction de niveau 3:
1° les entrepreneurs et les sous-traitants, leurs préposés ou leurs mandataires qui ont commis une infraction à l'article 24, à l'article 34, à l'article 35, à l'article 36 et à l'article 37, alinéas 2, 3 et 4, de la loi-programme du 26 décembre 2022 et aux arrêtés d'exécution;
2° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 37, alinéa 1er, de la loi-programme du 26 décembre 2022 et aux arrêtés d'exécution.
En ce qui concerne les infractions, visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de personnes concernées par cette infraction.]1
Est puni d'une sanction de niveau 3:
1° les entrepreneurs et les sous-traitants, leurs préposés ou leurs mandataires qui ont commis une infraction à l'article 24, à l'article 34, à l'article 35, à l'article 36 et à l'article 37, alinéas 2, 3 et 4, de la loi-programme du 26 décembre 2022 et aux arrêtés d'exécution;
2° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a commis une infraction à l'article 37, alinéa 1er, de la loi-programme du 26 décembre 2022 et aux arrêtés d'exécution.
En ce qui concerne les infractions, visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de personnes concernées par cette infraction.]1
Art. 137/4. [1 Aanwezigheidsregistratieplicht van de werknemers en van andere natuurlijke personen op de arbeidsplaatsen waar onderhouds- en/of reinigingsactiviteiten worden uitgevoerd.
Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft:
1° de werknemer, bedoeld in artikel 23, 1° van de programmawet van 26 december 2022 die zich, in strijd met artikel 38, eerste lid, van dezelfde programmawet van 26 december 2022, aanbiedt op een arbeidsplaats en het begin en het einde van zijn activiteiten op de arbeidsplaats evenals zijn rustpauzes niet registreert op het ogenblik ze beginnen en eindigen;
2° de werkgever, de aannemer, de onderaannemer, bedoeld in artikel 23, 2° en 3° van de programmawet van 26 december 2022 die zich, in strijd met artikel 38, tweede lid, van dezelfde programmawet van 26 december 2022, aanbiedt op een arbeidsplaats en zijn aankomst op en vertrek van de arbeidsplaats niet registreert op het ogenblik dat ze aankomt en de arbeidsplaats.]1
Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft:
1° de werknemer, bedoeld in artikel 23, 1° van de programmawet van 26 december 2022 die zich, in strijd met artikel 38, eerste lid, van dezelfde programmawet van 26 december 2022, aanbiedt op een arbeidsplaats en het begin en het einde van zijn activiteiten op de arbeidsplaats evenals zijn rustpauzes niet registreert op het ogenblik ze beginnen en eindigen;
2° de werkgever, de aannemer, de onderaannemer, bedoeld in artikel 23, 2° en 3° van de programmawet van 26 december 2022 die zich, in strijd met artikel 38, tweede lid, van dezelfde programmawet van 26 december 2022, aanbiedt op een arbeidsplaats en zijn aankomst op en vertrek van de arbeidsplaats niet registreert op het ogenblik dat ze aankomt en de arbeidsplaats.]1
Art. 137/4. [1 L'obligation d'enregistrement des présences des travailleurs et d'autres personnes physiques sur les lieux de travail où des activités de nettoyage et/ou d'entretien sont effectuées.
Est puni d'une sanction de niveau 1:
1° le travailleur, visé à l'article 23, 1° de la loi-programme du 26 décembre 2022 qui, en contravention à l'article 38, alinéa 1er, de la même loi-programme du 26 décembre 2022, se présente sur un lieu de travail et n'effectue pas les enregistrements de débuts et de fins d'activités sur le lieu de travail, ainsi que les enregistrements des intervalles de repos au moment où celles-ci débutent et se terminent;
2° l'employeur, l'entrepreneur, le sous-traitant, visés à l'article 23, 2° et 3° de la loi-programme du 26 décembre 2022 qui, en contravention à l'article 38, alinéa 2, de la même loi-programme du 26 décembre 2022, se présente sur un lieu de travail et n'effectue pas les enregistrements de son arrivée et son départ au moment où il arrive et quitte le lieu de travail.]1
Est puni d'une sanction de niveau 1:
1° le travailleur, visé à l'article 23, 1° de la loi-programme du 26 décembre 2022 qui, en contravention à l'article 38, alinéa 1er, de la même loi-programme du 26 décembre 2022, se présente sur un lieu de travail et n'effectue pas les enregistrements de débuts et de fins d'activités sur le lieu de travail, ainsi que les enregistrements des intervalles de repos au moment où celles-ci débutent et se terminent;
2° l'employeur, l'entrepreneur, le sous-traitant, visés à l'article 23, 2° et 3° de la loi-programme du 26 décembre 2022 qui, en contravention à l'article 38, alinéa 2, de la même loi-programme du 26 décembre 2022, se présente sur un lieu de travail et n'effectue pas les enregistrements de son arrivée et son départ au moment où il arrive et quitte le lieu de travail.]1
Art. 137/5. [1 Het gebruik van het geregistreerde kassasysteem
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die het geregistreerde kassasysteem zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen, niet of niet correct heeft gebruikt, terwijl de fiscale bepalingen dit vereisen.
Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd, wordt ze met een sanctie [2 van niveau 4]2 bestraft.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die het geregistreerde kassasysteem zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen, niet of niet correct heeft gebruikt, terwijl de fiscale bepalingen dit vereisen.
Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd, wordt ze met een sanctie [2 van niveau 4]2 bestraft.]1
Art. 137/5. [1 L'utilisation du système de caisse enregistreuse
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas utilisé ou n'a pas utilisé correctement le système de caisse enregistreuse visé à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur Horeca alors que les dispositions fiscales l'exigent.
L'infraction est punie d'une sanction [2 de niveau 4]2 lorsqu'elle a été commise sciemment et volontairement.]1
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas utilisé ou n'a pas utilisé correctement le système de caisse enregistreuse visé à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur Horeca alors que les dispositions fiscales l'exigent.
L'infraction est punie d'une sanction [2 de niveau 4]2 lorsqu'elle a été commise sciemment et volontairement.]1
HOOFDSTUK 2. - De inbreuken met betrekking tot de arbeidstijd
CHAPITRE 2. - Les infractions en matière de temps de travail
Afdeling 1. - Arbeids- en de rusttijden
Section 1re. - Les temps de travail et les temps de repos
Art. 138. De dag- en weekgrens van de arbeidstijd
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 [1 ...]1 :
1° een werknemer of een jeugdige werknemer meer dan acht uur per dag of meer dan 40 uur per week werk heeft doen of laten verrichten of die de kortere maximumduur bepaald door de wet of door een bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst heeft doen of laten overschrijden;
2° wanneer hij zich bevindt in een hypothese waarin de wet de overschrijding van de dagelijkse duur van acht uren of de wekelijkse duur van veertig uren toestaat, werk heeft doen of laten verrichten boven de maximale dagelijkse of wekelijkse duur toegestaan door de afwijkende bepaling;
3° nalaat de werknemer of de jeugdige werknemer de inhaalrust toe te kennen waarin de wet voorziet bij overschrijding van de maximaal toegestane arbeidsduur.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 [1 ...]1 :
1° een werknemer of een jeugdige werknemer meer dan acht uur per dag of meer dan 40 uur per week werk heeft doen of laten verrichten of die de kortere maximumduur bepaald door de wet of door een bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst heeft doen of laten overschrijden;
2° wanneer hij zich bevindt in een hypothese waarin de wet de overschrijding van de dagelijkse duur van acht uren of de wekelijkse duur van veertig uren toestaat, werk heeft doen of laten verrichten boven de maximale dagelijkse of wekelijkse duur toegestaan door de afwijkende bepaling;
3° nalaat de werknemer of de jeugdige werknemer de inhaalrust toe te kennen waarin de wet voorziet bij overschrijding van de maximaal toegestane arbeidsduur.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 138. Les limites quotidienne et hebdomadaire de la durée du travail
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail [1 ...]1 :
1° a fait ou laissé travailler un travailleur ou un jeune travailleur plus de huit heures par jour ou plus de quarante heures par semaine, ou a fait ou laissé dépasser des durées maximales plus courtes fixées par la loi ou par une convention collective rendue obligatoire par arrêté royal;
2° alors qu'il se trouve dans une hypothèse où la loi autorise le dépassement de la durée quotidienne de huit heures ou de la durée hebdomadaire de quarante heures, a fait ou laissé travailler au-delà de la durée quotidienne ou hebdomadaire maximale autorisée par la disposition dérogatoire;
3° n'a pas octroyé au travailleur ou au jeune travailleur le repos compensatoire que la loi impose en cas de dépassement de la durée maximale de travail autorisée.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail [1 ...]1 :
1° a fait ou laissé travailler un travailleur ou un jeune travailleur plus de huit heures par jour ou plus de quarante heures par semaine, ou a fait ou laissé dépasser des durées maximales plus courtes fixées par la loi ou par une convention collective rendue obligatoire par arrêté royal;
2° alors qu'il se trouve dans une hypothèse où la loi autorise le dépassement de la durée quotidienne de huit heures ou de la durée hebdomadaire de quarante heures, a fait ou laissé travailler au-delà de la durée quotidienne ou hebdomadaire maximale autorisée par la disposition dérogatoire;
3° n'a pas octroyé au travailleur ou au jeune travailleur le repos compensatoire que la loi impose en cas de dépassement de la durée maximale de travail autorisée.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 140. Minimale arbeidsduur
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 [1 ...]1, een werknemer of een jeugdige werknemer arbeid heeft doen of laten verrichten zonder de minimale duur van drie uur voor elke arbeidsperiode te eerbiedigen.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 [1 ...]1, een werknemer of een jeugdige werknemer arbeid heeft doen of laten verrichten zonder de minimale duur van drie uur voor elke arbeidsperiode te eerbiedigen.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 140. La durée minimale de travail
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail [1 ...]1, a fait ou laissé travailler un travailleur ou un jeune travailleur en ne respectant pas la durée minimale de trois heures pour chaque période de travail.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail [1 ...]1, a fait ou laissé travailler un travailleur ou un jeune travailleur en ne respectant pas la durée minimale de trois heures pour chaque période de travail.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 141. Wekelijkse rust
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 :
1° een werknemer of een jeugdige werknemer op zondag werk heeft doen of laten verrichten, behalve in de bij wet toegestane gevallen;
2° de werknemer of de jeugdige werknemer die op zondag werd tewerkgesteld geen inhaalrust heeft toegekend volgens de bij wet voorgeschreven of door de Koning vastgestelde regeling;
3° een jeugdige werknemer werk heeft doen of laten verrichten op een bijkomende rustdag die een zondag onmiddellijk volgt of voorafgaat, behalve in de bij wet toegestane gevallen;
4° heeft nagelaten de jeugdige werknemer die werd tewerkgesteld op een bijkomende rustdag die een zondag onmiddellijk volgt of voorafgaat, inhaalrust toe te kennen volgens de bij wet voorgeschreven of door de Koning vastgestelde regeling;
5° heeft nagelaten de jeugdige werknemer die op zondag of op een bijkomende rustdag werd tewerkgesteld, wekelijkse rusttijd van ten minste zesendertig opeenvolgende uren heeft toe te kennen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers of jeugdige werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 :
1° een werknemer of een jeugdige werknemer op zondag werk heeft doen of laten verrichten, behalve in de bij wet toegestane gevallen;
2° de werknemer of de jeugdige werknemer die op zondag werd tewerkgesteld geen inhaalrust heeft toegekend volgens de bij wet voorgeschreven of door de Koning vastgestelde regeling;
3° een jeugdige werknemer werk heeft doen of laten verrichten op een bijkomende rustdag die een zondag onmiddellijk volgt of voorafgaat, behalve in de bij wet toegestane gevallen;
4° heeft nagelaten de jeugdige werknemer die werd tewerkgesteld op een bijkomende rustdag die een zondag onmiddellijk volgt of voorafgaat, inhaalrust toe te kennen volgens de bij wet voorgeschreven of door de Koning vastgestelde regeling;
5° heeft nagelaten de jeugdige werknemer die op zondag of op een bijkomende rustdag werd tewerkgesteld, wekelijkse rusttijd van ten minste zesendertig opeenvolgende uren heeft toe te kennen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers of jeugdige werknemers.
Art. 141. Le repos hebdomadaire
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail :
1° a fait ou laissé travailler un travailleur ou un jeune travailleur le dimanche sauf dans les cas où la loi l'autorise;
2° n'a pas octroyé, selon le régime prescrit par la loi ou fixé par le Roi, un repos compensatoire au travailleur ou au jeune travailleur qui a été occupé le dimanche;
3° a fait ou laissé travailler un jeune travailleur le jour de repos supplémentaire qui suit ou précède immédiatement le dimanche sauf dans les cas où la loi l'autorise;
4° n'a pas octroyé selon le régime prescrit par la loi ou fixé par le Roi un repos compensatoire au jeune travailleur qui a été occupé le jour de repos supplémentaire qui suit ou précède immédiatement le dimanche;
5° n'a pas octroyé un repos hebdomadaire d'au moins trente six heures consécutives au jeune travailleur qui a été occupé le dimanche ou le jour de repos supplémentaire.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs ou de jeunes travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail :
1° a fait ou laissé travailler un travailleur ou un jeune travailleur le dimanche sauf dans les cas où la loi l'autorise;
2° n'a pas octroyé, selon le régime prescrit par la loi ou fixé par le Roi, un repos compensatoire au travailleur ou au jeune travailleur qui a été occupé le dimanche;
3° a fait ou laissé travailler un jeune travailleur le jour de repos supplémentaire qui suit ou précède immédiatement le dimanche sauf dans les cas où la loi l'autorise;
4° n'a pas octroyé selon le régime prescrit par la loi ou fixé par le Roi un repos compensatoire au jeune travailleur qui a été occupé le jour de repos supplémentaire qui suit ou précède immédiatement le dimanche;
5° n'a pas octroyé un repos hebdomadaire d'au moins trente six heures consécutives au jeune travailleur qui a été occupé le dimanche ou le jour de repos supplémentaire.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs ou de jeunes travailleurs concernés.
Art. 142. Feestdagen
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen :
1° werknemers of jeugdige werknemers heeft tewerkgesteld of laten tewerkstellen op een feestdag, behalve in de bij wet toegestane gevallen;
2° niet-gepresteerde arbeidsuren heeft laten inhalen tijdens andere dagen, om ingevolge de toekenning van de feestdagen verloren arbeidsuren te compenseren, behalve in de door de Koning bepaalde gevallen;
3° een feestdag die met een zondag of een gewone inactiviteitsdag samenvalt, niet door een gewone activiteitsdag heeft vervangen;
4° de werknemer of jonge werknemer die op een feestdag werd tewerkgesteld geen inhaalrust heeft toegekend volgens de bij wet voorgeschreven of door de Koning vastgestelde regeling.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen :
1° werknemers of jeugdige werknemers heeft tewerkgesteld of laten tewerkstellen op een feestdag, behalve in de bij wet toegestane gevallen;
2° niet-gepresteerde arbeidsuren heeft laten inhalen tijdens andere dagen, om ingevolge de toekenning van de feestdagen verloren arbeidsuren te compenseren, behalve in de door de Koning bepaalde gevallen;
3° een feestdag die met een zondag of een gewone inactiviteitsdag samenvalt, niet door een gewone activiteitsdag heeft vervangen;
4° de werknemer of jonge werknemer die op een feestdag werd tewerkgesteld geen inhaalrust heeft toegekend volgens de bij wet voorgeschreven of door de Koning vastgestelde regeling.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 142. Les jours fériés
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fériés :
1° a occupé ou laissé occuper des travailleurs ou des jeunes travailleurs au cours d'un jour férié, sauf dans les cas où la loi l'autorise;
2° a compensé les heures de travail perdues du fait des jours fériés par récupération au cours d'autres journées, sauf dans les cas fixés par le Roi;
3° n'a pas remplacé un jour férié coïncidant avec un dimanche ou un jour habituel d'inactivité par un jour habituel d'activité;
4° n'a pas octroyé selon le régime prescrit par la loi ou fixé par le Roi un repos compensatoire au travailleur ou au jeune travailleur qui a été occupé pendant un jour férié.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fériés :
1° a occupé ou laissé occuper des travailleurs ou des jeunes travailleurs au cours d'un jour férié, sauf dans les cas où la loi l'autorise;
2° a compensé les heures de travail perdues du fait des jours fériés par récupération au cours d'autres journées, sauf dans les cas fixés par le Roi;
3° n'a pas remplacé un jour férié coïncidant avec un dimanche ou un jour habituel d'inactivité par un jour habituel d'activité;
4° n'a pas octroyé selon le régime prescrit par la loi ou fixé par le Roi un repos compensatoire au travailleur ou au jeune travailleur qui a été occupé pendant un jour férié.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Art. 143. Openbaarmakingsformaliteiten inzake de feestdagen
Met een sanctie [1 van niveau 1]1 wordt bestraft :
1° de werkgever die ertoe verplicht is een arbeidsreglement op te stellen [1 ...]1 die, in strijd met de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen :
a) niet vóór 15 december van elk jaar in de lokalen van zijn onderneming een ondertekend en gedagtekend bericht heeft aangeplakt met vermelding van de vervangingsdagen van de feestdagen bepaald bij beslissing van de paritaire organen die door de Koning algemeen verbindend werd verklaard, bij beslissing van de ondernemingsraad, bij akkoord van de onderneming of bij individueel akkoord, alsmede met vermelding van de toepassingsregels inzake inhaalrust;
b) geen afschrift van het in a) bedoelde bericht bij het arbeidsreglement heeft gevoegd;
2° de werkgever die er niet toe verplicht is om een arbeidsreglement op te stellen, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met voornoemde wet van 4 januari 1974, niet vóór 15 december van elk jaar in de lokalen van zijn onderneming een ondertekend en gedagtekend bericht heeft aangeplakt met vermelding van de bij koninklijk besluit bepaalde feestdagen, van de bij beslissing van de paritaire organen, door de Koning algemeen verbindend verklaard, bij beslissing van de ondernemingsraad, bij akkoord van de onderneming of bij individueel akkoord bepaalde vervangingsdagen van de feestdagen en van de toepassingsregels voor de inhaalrust.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie [1 van niveau 1]1 wordt bestraft :
1° de werkgever die ertoe verplicht is een arbeidsreglement op te stellen [1 ...]1 die, in strijd met de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen :
a) niet vóór 15 december van elk jaar in de lokalen van zijn onderneming een ondertekend en gedagtekend bericht heeft aangeplakt met vermelding van de vervangingsdagen van de feestdagen bepaald bij beslissing van de paritaire organen die door de Koning algemeen verbindend werd verklaard, bij beslissing van de ondernemingsraad, bij akkoord van de onderneming of bij individueel akkoord, alsmede met vermelding van de toepassingsregels inzake inhaalrust;
b) geen afschrift van het in a) bedoelde bericht bij het arbeidsreglement heeft gevoegd;
2° de werkgever die er niet toe verplicht is om een arbeidsreglement op te stellen, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met voornoemde wet van 4 januari 1974, niet vóór 15 december van elk jaar in de lokalen van zijn onderneming een ondertekend en gedagtekend bericht heeft aangeplakt met vermelding van de bij koninklijk besluit bepaalde feestdagen, van de bij beslissing van de paritaire organen, door de Koning algemeen verbindend verklaard, bij beslissing van de ondernemingsraad, bij akkoord van de onderneming of bij individueel akkoord bepaalde vervangingsdagen van de feestdagen en van de toepassingsregels voor de inhaalrust.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 143. Les formalités de publicité relatives aux jours fériés
Est puni d'une sanction [1 de niveau 1]1 :
1° l'employeur qui a l'obligation d'établir un règlement de travail [1 ...]1 qui, en contravention à la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fériés :
a) n'a pas affiché avant le 15 décembre de chaque année dans les locaux de son entreprise un avis daté et signé mentionnant les jours de remplacement des jours fériés fixés par décision d'organes paritaires rendue obligatoire par le Roi, par décision du conseil d'entreprise, par accord d'entreprise ou par accord individuel, et les modalités d'application du repos compensatoire;
b) n'a pas annexé au règlement de travail une copie de l'avis visé au a);
2° l'employeur qui n'a pas d'obligation d'établir un règlement de travail, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi précitée du 4 janvier 1974, n'a pas affiché avant le 15 décembre de chaque année dans les locaux de son entreprise un avis daté et signé mentionnant les dates des jours fériés fixés par arrêté royal, les jours de remplacement des jours fériés fixés par décision d'organes paritaires rendue obligatoire par le Roi, par décision du conseil d'entreprise, par accord d'entreprise ou par accord individuel et les modalités d'application du repos compensatoire.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction [1 de niveau 1]1 :
1° l'employeur qui a l'obligation d'établir un règlement de travail [1 ...]1 qui, en contravention à la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fériés :
a) n'a pas affiché avant le 15 décembre de chaque année dans les locaux de son entreprise un avis daté et signé mentionnant les jours de remplacement des jours fériés fixés par décision d'organes paritaires rendue obligatoire par le Roi, par décision du conseil d'entreprise, par accord d'entreprise ou par accord individuel, et les modalités d'application du repos compensatoire;
b) n'a pas annexé au règlement de travail une copie de l'avis visé au a);
2° l'employeur qui n'a pas d'obligation d'établir un règlement de travail, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi précitée du 4 janvier 1974, n'a pas affiché avant le 15 décembre de chaque année dans les locaux de son entreprise un avis daté et signé mentionnant les dates des jours fériés fixés par arrêté royal, les jours de remplacement des jours fériés fixés par décision d'organes paritaires rendue obligatoire par le Roi, par décision du conseil d'entreprise, par accord d'entreprise ou par accord individuel et les modalités d'application du repos compensatoire.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 144. Rusttijden en pauzes
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 :
1° een werknemer of een jeugdige werknemer werk heeft doen of laten verrichten zonder hem de rustperiodes toe te kennen waarin de wet tussen twee arbeidsperiodes voorziet;
2° een werknemer of een jeugdige werknemer werk heeft doen of laten verrichten zonder hem de pauzes toe te kennen waarin de wet voorziet.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 :
1° een werknemer of een jeugdige werknemer werk heeft doen of laten verrichten zonder hem de rustperiodes toe te kennen waarin de wet tussen twee arbeidsperiodes voorziet;
2° een werknemer of een jeugdige werknemer werk heeft doen of laten verrichten zonder hem de pauzes toe te kennen waarin de wet voorziet.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 144. Les intervalles de repos et les pauses
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail :
1° a fait ou laissé travailler un travailleur ou un jeune travailleur sans lui accorder les intervalles de repos prévus par la loi entre deux périodes de travail;
2° a fait ou laissé travailler un travailleur ou un jeune travailleur sans lui accorder les pauses prévues par la loi.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail :
1° a fait ou laissé travailler un travailleur ou un jeune travailleur sans lui accorder les intervalles de repos prévus par la loi entre deux périodes de travail;
2° a fait ou laissé travailler un travailleur ou un jeune travailleur sans lui accorder les pauses prévues par la loi.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Art. 145. Jaarlijkse vakantie
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die heeft nagelaten, of heeft nagelaten binnen de voorgeschreven termijn of volgens de reglementaire voorschriften, de vakantie toe te staan, waarop de werknemers krachtens de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, en de uitvoeringsbesluiten ervan recht hebben.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die heeft nagelaten, of heeft nagelaten binnen de voorgeschreven termijn of volgens de reglementaire voorschriften, de vakantie toe te staan, waarop de werknemers krachtens de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, en de uitvoeringsbesluiten ervan recht hebben.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 145. Les vacances annuelles
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas accordé ou n'a pas accordé dans les délais et selon les modalités réglementaires les vacances auxquelles les travailleurs ont droit en vertu des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971 et de leurs arrêtés d'exécution.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas accordé ou n'a pas accordé dans les délais et selon les modalités réglementaires les vacances auxquelles les travailleurs ont droit en vertu des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971 et de leurs arrêtés d'exécution.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Art. 146. Werkroosters
[1 Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971, een werknemer of een jeugdige werknemer werk heeft doen of laten verrichten buiten de arbeidstijd vastgesteld in het arbeidsreglement of in het bericht aangeplakt in de lokalen van de inrichting om het hoofd te bieden aan een buitengewone toename van het werk of in de overeenkomst bedoeld in artikel 20quater van de voormelde wet of buiten de stamtijd en glijtijd in geval van toepassing van artikel 20ter van de voormelde wet, behalve in de bij wet toegestane gevallen.]1
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
[1 Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971, een werknemer of een jeugdige werknemer werk heeft doen of laten verrichten buiten de arbeidstijd vastgesteld in het arbeidsreglement of in het bericht aangeplakt in de lokalen van de inrichting om het hoofd te bieden aan een buitengewone toename van het werk of in de overeenkomst bedoeld in artikel 20quater van de voormelde wet of buiten de stamtijd en glijtijd in geval van toepassing van artikel 20ter van de voormelde wet, behalve in de bij wet toegestane gevallen.]1
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 146. Les horaires de travail
[1 Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail, a fait ou laissé travailler un travailleur ou un jeune travailleur en dehors du temps de travail fixé dans le règlement de travail ou dans l'avis affiché dans les locaux de l'établissement en cas de surcroît extraordinaire de travail ou dans la convention visée à l'article 20quater de la loi précitée ou en dehors des plages fixes et mobiles en cas d'application de l'article 20ter de la loi précitée, sauf dans les cas où la loi l'autorise.]1
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
[1 Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail, a fait ou laissé travailler un travailleur ou un jeune travailleur en dehors du temps de travail fixé dans le règlement de travail ou dans l'avis affiché dans les locaux de l'établissement en cas de surcroît extraordinaire de travail ou dans la convention visée à l'article 20quater de la loi précitée ou en dehors des plages fixes et mobiles en cas d'application de l'article 20ter de la loi précitée, sauf dans les cas où la loi l'autorise.]1
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 146/1. [1 De glijdende uurroosters
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971, in geval van toepassing van een glijdend uurrooster:
1° niet heeft voorzien in een systeem van tijdsopvolging dat voor elke betrokken werknemer de door de wet opgelegde gegevens bevat;
2° niet heeft voorzien in een systeem van tijdsopvolging dat toelaat de door de wet opgelegde gegevens gedurende de lopende referteperiode bij te houden;
3° niet de nodige maatregelen heeft genomen opdat het systeem van tijdsopvolging kan worden geconsulteerd door elke werknemer die wordt tewerkgesteld op basis van een glijdend uurrooster, evenals door de ambtenaar aangewezen door de Koning;
4° de gegevens die opgetekend worden door het systeem van tijdsopvolging, niet heeft bewaard gedurende een periode van vijf jaar na afloop van de dag waarop de gegevens betrekking hebben;
5° niet ervoor heeft gezorgd dat de werknemer kennis kan nemen van het precieze aantal uren dat hij binnen de referteperiode, op basis van een glijdend uurrooster, meer of minder heeft gepresteerd dan de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van het glijdend uurrooster.
Wat de in het eerste lid bedoelde inbreuken betreft, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971, in geval van toepassing van een glijdend uurrooster:
1° niet heeft voorzien in een systeem van tijdsopvolging dat voor elke betrokken werknemer de door de wet opgelegde gegevens bevat;
2° niet heeft voorzien in een systeem van tijdsopvolging dat toelaat de door de wet opgelegde gegevens gedurende de lopende referteperiode bij te houden;
3° niet de nodige maatregelen heeft genomen opdat het systeem van tijdsopvolging kan worden geconsulteerd door elke werknemer die wordt tewerkgesteld op basis van een glijdend uurrooster, evenals door de ambtenaar aangewezen door de Koning;
4° de gegevens die opgetekend worden door het systeem van tijdsopvolging, niet heeft bewaard gedurende een periode van vijf jaar na afloop van de dag waarop de gegevens betrekking hebben;
5° niet ervoor heeft gezorgd dat de werknemer kennis kan nemen van het precieze aantal uren dat hij binnen de referteperiode, op basis van een glijdend uurrooster, meer of minder heeft gepresteerd dan de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van het glijdend uurrooster.
Wat de in het eerste lid bedoelde inbreuken betreft, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 146/1. [1 Les horaires de travail flottants
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail, en cas d'application d'un horaire flottant:
1° n'a pas prévu de système de suivi du temps de travail qui comprend pour chaque travailleur concerné les mentions imposées par la loi;
2° n'a pas prévu de système de suivi du temps de travail qui permet de conserver les données imposées par la loi pendant la période de référence en cours;
3° n'a pas pris les mesures nécessaires pour que le système de suivi du temps de travail puisse être consulté par chaque travailleur occupé sur la base d'un horaire flottant ou par le fonctionnaire désigné par le Roi;
4° n'a pas conservé les données consignées par le système de suivi du temps de travail durant une période de cinq ans après la fin du jour auquel se rapportent les données;
5° n'a pas veillé à ce que le travailleur, dans la période de référence, puisse prendre connaissance du nombre précis d'heures qu'il a prestées sur la base d'un horaire flottant, en plus ou en moins par rapport à la durée hebdomadaire moyenne de l'horaire flottant.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail, en cas d'application d'un horaire flottant:
1° n'a pas prévu de système de suivi du temps de travail qui comprend pour chaque travailleur concerné les mentions imposées par la loi;
2° n'a pas prévu de système de suivi du temps de travail qui permet de conserver les données imposées par la loi pendant la période de référence en cours;
3° n'a pas pris les mesures nécessaires pour que le système de suivi du temps de travail puisse être consulté par chaque travailleur occupé sur la base d'un horaire flottant ou par le fonctionnaire désigné par le Roi;
4° n'a pas conservé les données consignées par le système de suivi du temps de travail durant une période de cinq ans après la fin du jour auquel se rapportent les données;
5° n'a pas veillé à ce que le travailleur, dans la période de référence, puisse prendre connaissance du nombre précis d'heures qu'il a prestées sur la base d'un horaire flottant, en plus ou en moins par rapport à la durée hebdomadaire moyenne de l'horaire flottant.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Afdeling 2. [1 - Moederschapsrust en omgezet moederschapsverlof, geboorteverlof, afwezigheid van het werk met het oog op het verstrekken van pleegzorgen, zorgverlof, verhindering van het recht op tijdskrediet en loopbaanonderbreking, verstrekking van onjuiste gegevens inzake het tijdskrediet en de loopbaanonderbreking]1
Section 2. [1 - Le repos de maternité et le congé de maternité converti, le congé de naissance, l'absence du travail en vue de fournir des soins d'accueil, le congé d'aidant, l'entrave au droit au crédit-temps et à l'interruption de carrière, la fourniture de renseignements inexacts en matière de crédit-temps et d'interruption de carrière]1
Art. 147. [1 Moederschapsrust en omgezet moederschapsverlof]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 :
1° een werkneemster werk heeft doen of laten verrichten tijdens de verplichte moederschapsrust;
2° de werkneemster die daartoe een aanvraag heeft ingediend, het facultatief moederschapsverlof waarop zij recht heeft, niet heeft toegekend;
3° [1 de werknemer die daartoe een aanvraag heeft ingediend, het omgezet moederschapsverlof waarop hij recht heeft omdat de moeder in het ziekenhuis is opgenomen of overleden, niet heeft toegekend.]1
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 :
1° een werkneemster werk heeft doen of laten verrichten tijdens de verplichte moederschapsrust;
2° de werkneemster die daartoe een aanvraag heeft ingediend, het facultatief moederschapsverlof waarop zij recht heeft, niet heeft toegekend;
3° [1 de werknemer die daartoe een aanvraag heeft ingediend, het omgezet moederschapsverlof waarop hij recht heeft omdat de moeder in het ziekenhuis is opgenomen of overleden, niet heeft toegekend.]1
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 147. [1 Le repos de maternité et le congé de maternité converti]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail :
1° a fait ou laissé travailler une travailleuse durant le repos de maternité obligatoire;
2° n'a pas accordé à la travailleuse qui en fait la demande le congé de maternité facultatif auquel elle peut prétendre;
3° [1 n'a pas accordé au travailleur qui en fait la demande le congé de maternité converti auquel il a droit parce que la mère est hospitalisée ou décédée.]1
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail :
1° a fait ou laissé travailler une travailleuse durant le repos de maternité obligatoire;
2° n'a pas accordé à la travailleuse qui en fait la demande le congé de maternité facultatif auquel elle peut prétendre;
3° [1 n'a pas accordé au travailleur qui en fait la demande le congé de maternité converti auquel il a droit parce que la mère est hospitalisée ou décédée.]1
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 147/1. [1 Het geboorteverlof
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten:
1° het geboorteverlof niet toegekend heeft aan de werknemer die er recht op heeft;
2° de duur of de voorwaarden van het in voornoemde wet van 3 juli 1978 bedoelde geboorteverlof niet in acht heeft genomen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten:
1° het geboorteverlof niet toegekend heeft aan de werknemer die er recht op heeft;
2° de duur of de voorwaarden van het in voornoemde wet van 3 juli 1978 bedoelde geboorteverlof niet in acht heeft genomen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 147/1. [1 Le congé de naissance
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail:
1° n'a pas accordé le congé de naissance au travailleur qui y a droit;
2° n'a pas respecté la durée ou les conditions du congé de naissance prévues par la loi précitée du 3 juillet 1978.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail:
1° n'a pas accordé le congé de naissance au travailleur qui y a droit;
2° n'a pas respecté la durée ou les conditions du congé de naissance prévues par la loi précitée du 3 juillet 1978.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Art. 148. [1 Het adoptieverlof, de afwezigheid met het oog op het verstrekken van pleegzorgen en het pleegouderverlof
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten:
1° het adoptieverlof niet toegekend heeft aan de werknemer die er recht op heeft;
2° aan de werknemer die aangesteld is als pleegouder, het recht om van het werk afwezig te zijn met het oog op het verstrekken van pleegzorgen niet toegekend heeft;
3° het pleegouderverlof niet toegekend heeft aan de werknemer die er recht op heeft.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten:
1° het adoptieverlof niet toegekend heeft aan de werknemer die er recht op heeft;
2° aan de werknemer die aangesteld is als pleegouder, het recht om van het werk afwezig te zijn met het oog op het verstrekken van pleegzorgen niet toegekend heeft;
3° het pleegouderverlof niet toegekend heeft aan de werknemer die er recht op heeft.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 148. [1 Le congé d'adoption, l'absence en vue de fournir des soins d'accueil et le congé parental d'accueil
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail :
1° n'a pas accordé au travailleur qui y a droit le congé d'adoption;
2° n'a pas accordé au travailleur désigné comme parent d'accueil le droit de s'absenter du travail en vue de fournir des soins d'accueil;
3° n'a pas accordé au travailleur qui y a droit le congé parental d'accueil.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail :
1° n'a pas accordé au travailleur qui y a droit le congé d'adoption;
2° n'a pas accordé au travailleur désigné comme parent d'accueil le droit de s'absenter du travail en vue de fournir des soins d'accueil;
3° n'a pas accordé au travailleur qui y a droit le congé parental d'accueil.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Wijzigingen
Art. 148/1. [1 Het zorgverlof
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten:
1° het verlof met het oog op het verlenen van persoonlijke zorg of steun aan een gezinslid of een familielid dat om een ernstige medische reden behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun niet toegekend heeft aan de werknemer die er recht op heeft;
2° de duur of de voorwaarden van het in de voornoemde wet van 3 juli 1978 bedoelde zorgverlof niet in acht heeft genomen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten:
1° het verlof met het oog op het verlenen van persoonlijke zorg of steun aan een gezinslid of een familielid dat om een ernstige medische reden behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun niet toegekend heeft aan de werknemer die er recht op heeft;
2° de duur of de voorwaarden van het in de voornoemde wet van 3 juli 1978 bedoelde zorgverlof niet in acht heeft genomen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 148/1. [1 Le congé d'aidant
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail:
1° n'a pas accordé au travailleur qui y a droit le congé afin de fournir des soins personnels ou une aide personnelle à un membre du ménage ou à un membre de la famille qui nécessite de soins ou une aide considérables pour une raison médicale grave;
2° n'a pas respecté la durée ou les conditions du congé d'aidant prévues par la loi précitée du 3 juillet 1978.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail:
1° n'a pas accordé au travailleur qui y a droit le congé afin de fournir des soins personnels ou une aide personnelle à un membre du ménage ou à un membre de la famille qui nécessite de soins ou une aide considérables pour une raison médicale grave;
2° n'a pas respecté la durée ou les conditions du congé d'aidant prévues par la loi précitée du 3 juillet 1978.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Art. 149. Verhindering van het recht op tijdskrediet en loopbaanonderbreking
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, met de koninklijke besluiten die ter uitvoering van de voornoemde wet zijn genomen, alsmede met de terzake geldende collectieve arbeidsovereenkomsten, de werknemer het recht op loopbaanonderbreking of het recht op een vermindering van de arbeidsprestaties ontzegt [1 of die de duur of de voorwaarden ervan niet in acht heeft genomen]1.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, met de koninklijke besluiten die ter uitvoering van de voornoemde wet zijn genomen, alsmede met de terzake geldende collectieve arbeidsovereenkomsten, de werknemer het recht op loopbaanonderbreking of het recht op een vermindering van de arbeidsprestaties ontzegt [1 of die de duur of de voorwaarden ervan niet in acht heeft genomen]1.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 149. L'entrave au droit au crédit-temps et à l'interruption de carrière
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'accorde pas au travailleur le droit à la suspension ou à la réduction des prestations de travail [1 ou qui n'en respecte pas la durée ou les conditions]1 en contravention à la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, aux arrêtés royaux pris en exécution de la loi précitée, ainsi qu'aux conventions collectives de travail d'application en cette matière.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'accorde pas au travailleur le droit à la suspension ou à la réduction des prestations de travail [1 ou qui n'en respecte pas la durée ou les conditions]1 en contravention à la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, aux arrêtés royaux pris en exécution de la loi précitée, ainsi qu'aux conventions collectives de travail d'application en cette matière.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 150. Verstrekking van onjuiste gegevens inzake het tijdskrediet en loopbaanonderbreking
Met een sanctie van niveau 1, wordt bestraft de werkgever die, in strijd met de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, met de koninklijke besluiten die ter uitvoering van voornoemde wet zijn genomen, alsmede met de terzake geldende collectieve arbeidsovereenkomsten, de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening onjuiste gegevens verstrekt of nalaat de noodzakelijke gegevens te verstrekken over één van zijn werknemers die loopbaanonderbreking of vermindering van de arbeidsprestaties geniet.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 1, wordt bestraft de werkgever die, in strijd met de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, met de koninklijke besluiten die ter uitvoering van voornoemde wet zijn genomen, alsmede met de terzake geldende collectieve arbeidsovereenkomsten, de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening onjuiste gegevens verstrekt of nalaat de noodzakelijke gegevens te verstrekken over één van zijn werknemers die loopbaanonderbreking of vermindering van de arbeidsprestaties geniet.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 150. La fourniture de renseignements inexacts en matière de crédit-temps et d'interruption de carrière
Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui fournit, en contravention à la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, aux arrêtés royaux pris en exécution de la loi précitée, ainsi qu'aux conventions collectives de travail d'application en cette matière, à l'Office national de l'emploi des renseignements inexacts ou omet de lui fournir les renseignements nécessaires au sujet d'un de ses travailleurs bénéficiant d'une suspension ou à la réduction des prestations de travail.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui fournit, en contravention à la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, aux arrêtés royaux pris en exécution de la loi précitée, ainsi qu'aux conventions collectives de travail d'application en cette matière, à l'Office national de l'emploi des renseignements inexacts ou omet de lui fournir les renseignements nécessaires au sujet d'un de ses travailleurs bénéficiant d'une suspension ou à la réduction des prestations de travail.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Afdeling 3. - Deeltijdse arbeid
Section 3. - Le travail à temps partiel
Art. 151. Maatregelen inzake bekendmaking van de werkroosters van de deeltijdse werknemers
[1 § 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de programmawet van 22 december 1989:
1° de individuele werkroosters, in geval van een variabel deeltijds werkrooster, niet ter kennis heeft gebracht van de werknemers middels een schriftelijk en gedateerd bericht, op de door het arbeidsreglement bepaalde betrouwbare, geschikte en toegankelijke wijze en binnen de door het arbeidsreglement vermelde termijn;
2° de individuele werkroosters, in geval van een variabel deeltijds werkrooster, niet ter kennis heeft gebracht van de werknemers die tewerkgesteld zijn op grond van een variabel werkrooster bedoeld in artikel 11bis, derde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en die niet vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementenmiddels een schriftelijk en gedateerd bericht, ten minste zeven werkdagen vooraf op een betrouwbare, geschikte en toegankelijke wijze of binnen de termijn die is vastgesteld door een door de Koning besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst;
3° niet de nodige maatregelen heeft genomen opdat het onder 1° of 2° bedoelde bericht met de individuele werkroosters of een afschrift ervan, zich, hetzij in elektronische vorm, hetzij in papieren vorm, bevindt op de plaats waar het arbeidsreglement kan worden geraadpleegd, van zodra en zolang het werkrooster van kracht is.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de programmawet van 22 december 1989:
1° op de plaats waar het arbeidsreglement kan worden ingezien, geen afschrift van de arbeidsovereenkomst van de deeltijdse werknemer noch een uittreksel van die arbeidsovereenkomst met het werkrooster en met de identiteit van de deeltijdse werknemer in kwestie, diens handtekening en die van de werkgever hetzij in papieren vorm, hetzij in elektronische vorm, heeft bewaard;
2° niet de nodige maatregelen heeft genomen opdat de onder 1°, vermelde documenten zich op een gemakkelijk toegankelijke plaats bevinden, zodat de met het toezicht erop belaste ambtenaren en beambten er te allen tijde kennis zouden kunnen van nemen;
3° het onder § 1, 1° of 2°, bedoelde bericht of een afschrift ervan niet heeft bewaard gedurende een jaar, te rekenen vanaf de dag waarop het werkrooster ophoudt van kracht te zijn.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
[1 § 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de programmawet van 22 december 1989:
1° de individuele werkroosters, in geval van een variabel deeltijds werkrooster, niet ter kennis heeft gebracht van de werknemers middels een schriftelijk en gedateerd bericht, op de door het arbeidsreglement bepaalde betrouwbare, geschikte en toegankelijke wijze en binnen de door het arbeidsreglement vermelde termijn;
2° de individuele werkroosters, in geval van een variabel deeltijds werkrooster, niet ter kennis heeft gebracht van de werknemers die tewerkgesteld zijn op grond van een variabel werkrooster bedoeld in artikel 11bis, derde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en die niet vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementenmiddels een schriftelijk en gedateerd bericht, ten minste zeven werkdagen vooraf op een betrouwbare, geschikte en toegankelijke wijze of binnen de termijn die is vastgesteld door een door de Koning besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst;
3° niet de nodige maatregelen heeft genomen opdat het onder 1° of 2° bedoelde bericht met de individuele werkroosters of een afschrift ervan, zich, hetzij in elektronische vorm, hetzij in papieren vorm, bevindt op de plaats waar het arbeidsreglement kan worden geraadpleegd, van zodra en zolang het werkrooster van kracht is.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de programmawet van 22 december 1989:
1° op de plaats waar het arbeidsreglement kan worden ingezien, geen afschrift van de arbeidsovereenkomst van de deeltijdse werknemer noch een uittreksel van die arbeidsovereenkomst met het werkrooster en met de identiteit van de deeltijdse werknemer in kwestie, diens handtekening en die van de werkgever hetzij in papieren vorm, hetzij in elektronische vorm, heeft bewaard;
2° niet de nodige maatregelen heeft genomen opdat de onder 1°, vermelde documenten zich op een gemakkelijk toegankelijke plaats bevinden, zodat de met het toezicht erop belaste ambtenaren en beambten er te allen tijde kennis zouden kunnen van nemen;
3° het onder § 1, 1° of 2°, bedoelde bericht of een afschrift ervan niet heeft bewaard gedurende een jaar, te rekenen vanaf de dag waarop het werkrooster ophoudt van kracht te zijn.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 151. Les mesures de publicité des horaires de travail à temps partiel
[1 § 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi-programme du 22 décembre 1989:
1° n'a pas porté les horaires individuels de travail, en cas d'horaire de travail à temps partiel variable, à la connaissance des travailleurs, à l'avance, par un avis écrit et daté, de la manière fiable, appropriée et accessible fixée par le règlement de travail et dans le délai mentionné dans le règlement de travail;
2° n'a pas porté les horaires individuels de travail, en cas d'horaire de travail à temps partiel variable, à la connaissance des travailleurs employés sur la base d'un horaire de travail variable visé à l'article 11bis, alinéa 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et qui ne tombent pas sous le champ d'application de la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail, au moyen d'un avis écrit et daté, d'une manière fiable, appropriée et accessible au moins sept jours ouvrables à l'avance ou dans le délai fixé par une convention collective de travail rendue obligatoire par le Roi;
3° n'a pas pris les mesures nécessaires pour que l'avis visé au 1° ou 2° avec les horaires individuels de travail, ou une copie de celui-ci, se trouve, soit sous format électronique, soit sous format papier, à l'endroit où le règlement de travail peut être consulté à partir du moment et aussi longtemps que l'horaire est en vigueur.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi-programme du 22 décembre 1989:
1° n'a pas conservé, à l'endroit où le règlement de travail peut être consulté, une copie du contrat de travail du travailleur à temps partiel ou un extrait de ce contrat de travail contenant les horaires de travail et portant l'identité du travailleur à temps partiel auquel ils s'appliquent ainsi que sa signature et celle de l'employeur soit sous format papier, soit sous format électronique;
2° n'a pas pris les mesures nécessaires afin que les documents visés au 1°, se trouvent dans un endroit facilement accessible afin que les fonctionnaires et agents chargés de la surveillance puissent en prendre connaissance à tout moment;
3° n'a pas conservé l'avis visé au § 1er, 1° ou 2° ou une copie de celui-ci pendant une période d'un an à dater du jour où l'horaire qu'il contient cesse d'être en vigueur.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
[1 § 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi-programme du 22 décembre 1989:
1° n'a pas porté les horaires individuels de travail, en cas d'horaire de travail à temps partiel variable, à la connaissance des travailleurs, à l'avance, par un avis écrit et daté, de la manière fiable, appropriée et accessible fixée par le règlement de travail et dans le délai mentionné dans le règlement de travail;
2° n'a pas porté les horaires individuels de travail, en cas d'horaire de travail à temps partiel variable, à la connaissance des travailleurs employés sur la base d'un horaire de travail variable visé à l'article 11bis, alinéa 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et qui ne tombent pas sous le champ d'application de la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail, au moyen d'un avis écrit et daté, d'une manière fiable, appropriée et accessible au moins sept jours ouvrables à l'avance ou dans le délai fixé par une convention collective de travail rendue obligatoire par le Roi;
3° n'a pas pris les mesures nécessaires pour que l'avis visé au 1° ou 2° avec les horaires individuels de travail, ou une copie de celui-ci, se trouve, soit sous format électronique, soit sous format papier, à l'endroit où le règlement de travail peut être consulté à partir du moment et aussi longtemps que l'horaire est en vigueur.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi-programme du 22 décembre 1989:
1° n'a pas conservé, à l'endroit où le règlement de travail peut être consulté, une copie du contrat de travail du travailleur à temps partiel ou un extrait de ce contrat de travail contenant les horaires de travail et portant l'identité du travailleur à temps partiel auquel ils s'appliquent ainsi que sa signature et celle de l'employeur soit sous format papier, soit sous format électronique;
2° n'a pas pris les mesures nécessaires afin que les documents visés au 1°, se trouvent dans un endroit facilement accessible afin que les fonctionnaires et agents chargés de la surveillance puissent en prendre connaissance à tout moment;
3° n'a pas conservé l'avis visé au § 1er, 1° ou 2° ou une copie de celui-ci pendant une période d'un an à dater du jour où l'horaire qu'il contient cesse d'être en vigueur.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Wijzigingen
Art. 152. Maatregelen inzake de controledocumenten voor de afwijkingen op het normale werkrooster van de deeltijdse werknemers
[1 § 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de programmawet van 22 december 1989:
1° een deeltijdse werknemer tewerkstelt buiten het werkrooster dat het voorwerp is van de bekendmaking die is voorgeschreven door de voornoemde wet van 22 december 1989, zonder een document bij te houden met alle afwijkingen van het normale werkrooster van die werknemer, noch gebruik te maken van een evenwaardig controlemiddel dat is toegestaan bij voornoemde wet van 22 december 1989 of door de Koning;
2° een deeltijdse werknemer arbeidsprestaties heeft doen of laten verrichten buiten het werkrooster dat het voorwerp is van de bekendmaking die is voorgeschreven door de voornoemde wet van 22 december 1989, zonder vermelding ervan in het document of de controlemiddelen vermeld onder 1°.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de programmawet van 22 december 1989:
1° het onder § 1, 1°, vermelde document of de controlemiddelen niet bijhoudt op een plaats die gemakkelijk toegankelijk is opdat de ambtenaren en de beambten die belast met het toezicht zijn, er op ieder ogenblik kennis kunnen van nemen;
2° het onder § 1, 1°, bedoelde document of de controlemiddelen niet bijhoudt gedurende de hele periode die aanvangt op de datum van de aantekening van de laatste verplichte vermelding en die eindigt vijf jaar na afloop van de maand die volgt op het kwartaal waarin die inschrijving is verricht, hetzij op het adres waaronder hij in België ingeschreven is bij een instelling belast met de inning van de bijdragen voor sociale zekerheid, hetzij in zijn woonplaats of op de maatschappelijke zetel, indien die in België gevestigd zijn en, bij ontstentenis daarvan, in de in België gelegen woonplaats van een natuurlijke persoon die ze in zijn hoedanigheid van lasthebber of aangestelde van de werkgever bewaart.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuk, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
[1 § 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de programmawet van 22 december 1989:
1° een deeltijdse werknemer tewerkstelt buiten het werkrooster dat het voorwerp is van de bekendmaking die is voorgeschreven door de voornoemde wet van 22 december 1989, zonder een document bij te houden met alle afwijkingen van het normale werkrooster van die werknemer, noch gebruik te maken van een evenwaardig controlemiddel dat is toegestaan bij voornoemde wet van 22 december 1989 of door de Koning;
2° een deeltijdse werknemer arbeidsprestaties heeft doen of laten verrichten buiten het werkrooster dat het voorwerp is van de bekendmaking die is voorgeschreven door de voornoemde wet van 22 december 1989, zonder vermelding ervan in het document of de controlemiddelen vermeld onder 1°.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de programmawet van 22 december 1989:
1° het onder § 1, 1°, vermelde document of de controlemiddelen niet bijhoudt op een plaats die gemakkelijk toegankelijk is opdat de ambtenaren en de beambten die belast met het toezicht zijn, er op ieder ogenblik kennis kunnen van nemen;
2° het onder § 1, 1°, bedoelde document of de controlemiddelen niet bijhoudt gedurende de hele periode die aanvangt op de datum van de aantekening van de laatste verplichte vermelding en die eindigt vijf jaar na afloop van de maand die volgt op het kwartaal waarin die inschrijving is verricht, hetzij op het adres waaronder hij in België ingeschreven is bij een instelling belast met de inning van de bijdragen voor sociale zekerheid, hetzij in zijn woonplaats of op de maatschappelijke zetel, indien die in België gevestigd zijn en, bij ontstentenis daarvan, in de in België gelegen woonplaats van een natuurlijke persoon die ze in zijn hoedanigheid van lasthebber of aangestelde van de werkgever bewaart.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuk, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 152. Les mesures relatives aux documents de contrôle des dérogations à l'horaire normal des travailleurs à temps partiel
[1 § 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi-programme du 22 décembre 1989:
1° occupe un travailleur à temps partiel en dehors de l'horaire qui a fait l'objet de la publicité prescrite par la loi précitée du 22 décembre 1989, sans tenir un document dans lequel sont consignées toutes les dérogations à l'horaire normal de ce travailleur, ni utiliser un moyen de contrôle équivalant autorisé par la loi précitée du 22 décembre 1989 ou par le Roi;
2° fait ou laisse exécuter des prestations à un travailleur à temps partiel en dehors de l'horaire de travail qui a fait l'objet de la publicité prescrite par la loi précitée du 22 décembre 1989, sans que mention en soit faite dans le document ou par les moyens de contrôle visés au 1°.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi-programme du 22 décembre 1989:
1° ne tient pas le document ou les moyens de contrôle visés au § 1er, 1°, dans un endroit facilement accessible afin que les fonctionnaires et agents chargés de la surveillance puissent en prendre connaissance à tout moment;
2° ne conserve pas le document ou les moyens de contrôle visés au § 1er, 1°, pendant toute la période qui débute à la date de l'inscription de la dernière mention obligatoire et qui se termine cinq ans après la fin du mois qui suit le trimestre au cours duquel cette inscription a été faite, soit à l'adresse à laquelle il est inscrit en Belgique auprès d'un organisme chargé de la perception des cotisations de sécurité sociale, soit à son domicile ou son siège social lorsque ceux-ci sont situés en Belgique et à défaut au domicile belge d'une personne physique qui les conserve en tant que mandataire ou préposé de l'employeur.
En ce qui concerne l'infraction visée à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
[1 § 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi-programme du 22 décembre 1989:
1° occupe un travailleur à temps partiel en dehors de l'horaire qui a fait l'objet de la publicité prescrite par la loi précitée du 22 décembre 1989, sans tenir un document dans lequel sont consignées toutes les dérogations à l'horaire normal de ce travailleur, ni utiliser un moyen de contrôle équivalant autorisé par la loi précitée du 22 décembre 1989 ou par le Roi;
2° fait ou laisse exécuter des prestations à un travailleur à temps partiel en dehors de l'horaire de travail qui a fait l'objet de la publicité prescrite par la loi précitée du 22 décembre 1989, sans que mention en soit faite dans le document ou par les moyens de contrôle visés au 1°.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi-programme du 22 décembre 1989:
1° ne tient pas le document ou les moyens de contrôle visés au § 1er, 1°, dans un endroit facilement accessible afin que les fonctionnaires et agents chargés de la surveillance puissent en prendre connaissance à tout moment;
2° ne conserve pas le document ou les moyens de contrôle visés au § 1er, 1°, pendant toute la période qui débute à la date de l'inscription de la dernière mention obligatoire et qui se termine cinq ans après la fin du mois qui suit le trimestre au cours duquel cette inscription a été faite, soit à l'adresse à laquelle il est inscrit en Belgique auprès d'un organisme chargé de la perception des cotisations de sécurité sociale, soit à son domicile ou son siège social lorsque ceux-ci sont situés en Belgique et à défaut au domicile belge d'une personne physique qui les conserve en tant que mandataire ou préposé de l'employeur.
En ce qui concerne l'infraction visée à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Wijzigingen
Art. 152/1. [1 De minimale voorspelbaarheid van het werk
Wordt bestraft met een sanctie van niveau 2, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de programmawet van 22 december 1989, de werknemer, die tewerkgesteld is op grond van een variabel uurrooster bedoeld in artikel 11bis, derde lid, van de voornoemde wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en die heeft geweigerd een prestatie te verrichten terwijl hij het recht had om ze te weigeren, nadelig heeft behandeld.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Wordt bestraft met een sanctie van niveau 2, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de programmawet van 22 december 1989, de werknemer, die tewerkgesteld is op grond van een variabel uurrooster bedoeld in artikel 11bis, derde lid, van de voornoemde wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en die heeft geweigerd een prestatie te verrichten terwijl hij het recht had om ze te weigeren, nadelig heeft behandeld.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 152/1. [1 La prévisibilité minimale du travail
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à la loi-programme du 22 décembre 1989, a traité défavorablement un travailleur qui est employé sur la base d'un horaire variable visé à l'article 11bis, alinéa 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et qui a refusé d'effectuer une prestation alors qu'il avait le droit de refuser de l'effectuer.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à la loi-programme du 22 décembre 1989, a traité défavorablement un travailleur qui est employé sur la base d'un horaire variable visé à l'article 11bis, alinéa 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et qui a refusé d'effectuer une prestation alors qu'il avait le droit de refuser de l'effectuer.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Afdeling 3/1. [1 - Flexi-jobwerknemers]1
Section 3/1. [1 - Travailleurs exerçant un flexi-job]1
Art. 152/2. [4 Flexi-jobwerknemers]4
[1 [3 § 1.]3 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, die flexi-jobwerknemers tewerkstelt zonder het juiste tijdstip van begin en einde van de arbeidsprestatie via een systeem te registreren en bij te houden, zoals bepaald bij artikel 24 van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.]1
[4 Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuk wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]4
[3 § 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken of met de uitvoeringsbesluiten ervan, een werknemer als een flexi-jobwerknemer heeft tewerkgesteld terwijl de door deze werknemer uitgeoefende prestaties niet behoren tot het toepassingsgebied van de flexi-jobs.
Deze sanctie wordt enkel toegepast voor die sectoren waar de afbakening op basis van NACE-code gebeurt.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]3
[1 [3 § 1.]3 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, die flexi-jobwerknemers tewerkstelt zonder het juiste tijdstip van begin en einde van de arbeidsprestatie via een systeem te registreren en bij te houden, zoals bepaald bij artikel 24 van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.]1
[4 Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuk wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]4
[3 § 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken of met de uitvoeringsbesluiten ervan, een werknemer als een flexi-jobwerknemer heeft tewerkgesteld terwijl de door deze werknemer uitgeoefende prestaties niet behoren tot het toepassingsgebied van de flexi-jobs.
Deze sanctie wordt enkel toegepast voor die sectoren waar de afbakening op basis van NACE-code gebeurt.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]3
Art. 152/2. [4 Les travailleurs exerçant un flexi-job]4
[1 [3 § 1er.]3 Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui occupe des travailleurs exerçant un flexi-job sans enregistrer ni tenir à jour le moment exact du début et de la fin de la prestation de travail au moyen d'un système tel que défini à l'article 24 de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.]1
[4 En ce qui concerne l'infraction visée à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]4
[3 § 2. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ou ses arrêtés d'exécution, a occupé un travailleur en tant que travailleur exerçant un flexi-job alors que les prestations effectuées par ce travailleur ne rentrent pas dans le champ d'application des flexi-jobs.
Cette sanction est seulement d'application dans le cas où la délimitation est basée sur les codes NACE.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]3
[1 [3 § 1er.]3 Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui occupe des travailleurs exerçant un flexi-job sans enregistrer ni tenir à jour le moment exact du début et de la fin de la prestation de travail au moyen d'un système tel que défini à l'article 24 de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.]1
[4 En ce qui concerne l'infraction visée à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]4
[3 § 2. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ou ses arrêtés d'exécution, a occupé un travailleur en tant que travailleur exerçant un flexi-job alors que les prestations effectuées par ce travailleur ne rentrent pas dans le champ d'application des flexi-jobs.
Cette sanction est seulement d'application dans le cas où la délimitation est basée sur les codes NACE.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]3
Art. 152/3. [1 De raamovereenkomst "flexi-job"
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken:
1° niet, vóór de aanvang van de eerste tewerkstelling, een raamovereenkomst afgesloten heeft met de flexi-jobwerknemer, overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de voormelde wet;
2° de raamovereenkomst onvolledig of onjuist heeft opgemaakt;
3° niet de nodige maatregelen getroffen heeft opdat de raamovereenkomst te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren en beambten wordt gehouden;
4° de raamovereenkomst niet op de plaats van de tewerkstelling van de flexi-jobwerknemer bewaard heeft.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken:
1° niet, vóór de aanvang van de eerste tewerkstelling, een raamovereenkomst afgesloten heeft met de flexi-jobwerknemer, overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de voormelde wet;
2° de raamovereenkomst onvolledig of onjuist heeft opgemaakt;
3° niet de nodige maatregelen getroffen heeft opdat de raamovereenkomst te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren en beambten wordt gehouden;
4° de raamovereenkomst niet op de plaats van de tewerkstelling van de flexi-jobwerknemer bewaard heeft.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 152/3. [1 Le contrat-cadre "flexi-job"
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale:
1° n'a pas conclu préalablement au début de la première occupation, un contrat-cadre avec le travailleur exerçant un flexi-job, conformément aux articles 6 et 7 de la loi précitée;
2° a établi le contrat-cadre de manière incomplète ou inexacte;
3° n'a pas pris pas les mesures nécessaires afin que le contrat-cadre soit tenu en tout temps à la disposition des fonctionnaires et agents chargés de la surveillance;
4° n'a pas conservé le contrat-cadre sur le lieu de travail du travailleur exerçant un flexi-job.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale:
1° n'a pas conclu préalablement au début de la première occupation, un contrat-cadre avec le travailleur exerçant un flexi-job, conformément aux articles 6 et 7 de la loi précitée;
2° a établi le contrat-cadre de manière incomplète ou inexacte;
3° n'a pas pris pas les mesures nécessaires afin que le contrat-cadre soit tenu en tout temps à la disposition des fonctionnaires et agents chargés de la surveillance;
4° n'a pas conservé le contrat-cadre sur le lieu de travail du travailleur exerçant un flexi-job.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Afdeling 4. - Nachtarbeid
Section 4. - Le travail de nuit
Art. 153. Nachtarbeid
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 :
1° een werknemer of een jeugdige werknemer een werkzaamheid heeft doen of laten verrichten tussen 20 uur en 6 uur, behalve in de wettelijk toegestane gevallen;
2° een nachtarbeidsregeling heeft ingevoerd zonder de wettelijke procedure in acht te nemen;
3° een jeugdige werknemer tussen 23 uur en 7 uur arbeid heeft doen of laten verrichten, die wegens de aard niet mag worden onderbroken of die in opeenvolgende ploegen wordt verricht.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 :
1° een werknemer of een jeugdige werknemer een werkzaamheid heeft doen of laten verrichten tussen 20 uur en 6 uur, behalve in de wettelijk toegestane gevallen;
2° een nachtarbeidsregeling heeft ingevoerd zonder de wettelijke procedure in acht te nemen;
3° een jeugdige werknemer tussen 23 uur en 7 uur arbeid heeft doen of laten verrichten, die wegens de aard niet mag worden onderbroken of die in opeenvolgende ploegen wordt verricht.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 153. Le travail de nuit
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail :
1° a fait ou laissé exécuter par un travailleur ou un jeune travailleur un travail entre 20 heures et 6 heures, sauf dans les cas où la loi l'autorise;
2° a introduit un régime de travail comportant des prestations de nuit sans respecter la procédure prévue par la loi;
3° a fait ou laissé exécuter par un jeune travailleur, entre 23 heures et 7 heures, des travaux qui ne peuvent être interrompus en raison de leur nature ou qui sont organisés en équipes successives.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail :
1° a fait ou laissé exécuter par un travailleur ou un jeune travailleur un travail entre 20 heures et 6 heures, sauf dans les cas où la loi l'autorise;
2° a introduit un régime de travail comportant des prestations de nuit sans respecter la procédure prévue par la loi;
3° a fait ou laissé exécuter par un jeune travailleur, entre 23 heures et 7 heures, des travaux qui ne peuvent être interrompus en raison de leur nature ou qui sont organisés en équipes successives.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Art. 154. Raadpleging van de werknemers
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971, een nachtarbeidsregeling heeft ingevoerd zonder de werknemersvertegenwoordigers op voorhand geraadpleegd te hebben over de vereiste aanpassingen van de arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn op de werknemers die nachtarbeid verrichten in de aangelegenheden die door de Koning zijn bepaald.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever [1 ...]1 die, in strijd met voornoemde wet van 16 maart 1971, het verslag van de in § 1 bedoelde raadpleging, niet heeft overgemaakt aan het paritair comité volgens de door de Koning bepaalde nadere regels.
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971, een nachtarbeidsregeling heeft ingevoerd zonder de werknemersvertegenwoordigers op voorhand geraadpleegd te hebben over de vereiste aanpassingen van de arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn op de werknemers die nachtarbeid verrichten in de aangelegenheden die door de Koning zijn bepaald.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever [1 ...]1 die, in strijd met voornoemde wet van 16 maart 1971, het verslag van de in § 1 bedoelde raadpleging, niet heeft overgemaakt aan het paritair comité volgens de door de Koning bepaalde nadere regels.
Art. 154. La consultation des travailleurs
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail, a introduit un régime de travail comportant des prestations de nuit sans avoir préalablement consulté les représentants des travailleurs sur les adaptations nécessaires des conditions de travail des travailleurs occupés dans les régimes de travail comportant des prestations de nuit dans les matières fixées par le Roi.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur [1 ...]1 qui, en contravention à la loi précitée du 16 mars 1971, n'a pas transmis le rapport de la consultation visée au § 1er à la commission paritaire selon les modalités fixées par le Roi.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail, a introduit un régime de travail comportant des prestations de nuit sans avoir préalablement consulté les représentants des travailleurs sur les adaptations nécessaires des conditions de travail des travailleurs occupés dans les régimes de travail comportant des prestations de nuit dans les matières fixées par le Roi.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur [1 ...]1 qui, en contravention à la loi précitée du 16 mars 1971, n'a pas transmis le rapport de la consultation visée au § 1er à la commission paritaire selon les modalités fixées par le Roi.
Wijzigingen
Art. 155. Minimale arbeidsduur
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die een werknemer nachtarbeid heeft doen of laten verrichten volgens een dagelijks werkrooster dat minder werkuren telt dan een volledig werkrooster in de onderneming of dat minder dan zes uur telt.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die een werknemer nachtarbeid heeft doen of laten verrichten volgens een dagelijks werkrooster dat minder werkuren telt dan een volledig werkrooster in de onderneming of dat minder dan zes uur telt.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 155. La durée minimale de travail
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a fait ou laissé travailler un travailleur qui effectue un travail comportant des prestations de nuit selon un horaire journalier de travail comptant moins d'heures de travail qu'un horaire journalier complet dans l'entreprise ou moins de six heures.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a fait ou laissé travailler un travailleur qui effectue un travail comportant des prestations de nuit selon un horaire journalier de travail comptant moins d'heures de travail qu'un horaire journalier complet dans l'entreprise ou moins de six heures.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Afdeling 5. - Bouwsector
Section 5. - Le secteur de la construction
Art. 156. Werkverbod op rustdagen
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren :
1° een werknemer heeft laten werken op een rustdag, behalve in de wettelijke toegestane gevallen;
2° geen inhaalrustdag binnen de voorgeschreven termijn heeft toegekend aan de arbeider die op een rustdag was tewerkgesteld;
3° [1 ...]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren :
1° een werknemer heeft laten werken op een rustdag, behalve in de wettelijke toegestane gevallen;
2° geen inhaalrustdag binnen de voorgeschreven termijn heeft toegekend aan de arbeider die op een rustdag was tewerkgesteld;
3° [1 ...]1
Art. 156. L'interdiction de travailler durant les jours de repos
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal n° 213 du 26 septembre 1983 relatif à la durée du travail dans les entreprises ressortissant à la commission paritaire de la construction :
1° a fait travailler un travailleur pendant un jour de repos sauf dans les cas où la loi l'autorise;
2° n'a pas octroyé dans le délai prescrit un jour de repos compensatoire à l'ouvrier qui a été occupé pendant un jour de repos;
3° [1 ...]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal n° 213 du 26 septembre 1983 relatif à la durée du travail dans les entreprises ressortissant à la commission paritaire de la construction :
1° a fait travailler un travailleur pendant un jour de repos sauf dans les cas où la loi l'autorise;
2° n'a pas octroyé dans le délai prescrit un jour de repos compensatoire à l'ouvrier qui a été occupé pendant un jour de repos;
3° [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 157. Dagelijks en wekelijks werkverbod
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 6 april 1960 betreffende de uitvoering van bouwwerken :
1° bouwwerken heeft doen of laten uitvoeren vóór 7 uur en na 18 uur, of die de door de Koning vastgestelde tijdsgrenzen niet naleeft, behalve in de wettelijk toegestane gevallen;
2° bouwwerken heeft doen of laten uitvoeren op zaterdag of gedurende het gedeelte van de zaterdag tijdens hetwelk aan de werknemers van de bouwnijverheid of een tak ervan rust is toegestaan, behalve in de wettelijk toegestane gevallen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 6 april 1960 betreffende de uitvoering van bouwwerken :
1° bouwwerken heeft doen of laten uitvoeren vóór 7 uur en na 18 uur, of die de door de Koning vastgestelde tijdsgrenzen niet naleeft, behalve in de wettelijk toegestane gevallen;
2° bouwwerken heeft doen of laten uitvoeren op zaterdag of gedurende het gedeelte van de zaterdag tijdens hetwelk aan de werknemers van de bouwnijverheid of een tak ervan rust is toegestaan, behalve in de wettelijk toegestane gevallen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 157. L'interdiction quotidienne et hebdomadaire de travail
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 6 avril 1960 concernant l'exécution de travaux de construction :
1° a fait ou laissé exécuter des travaux de construction avant 7 heures et après 18 heures ou en ne respectant pas les limites de temps fixées par le Roi sauf dans les cas où la loi l'autorise;
2° a fait ou laissé exécuter des travaux de construction le samedi ou durant la partie de la journée du samedi pendant laquelle il est accordé repos aux travailleurs de l'industrie de la construction ou d'une branche de celle-ci sauf dans les cas où la loi l'autorise.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 6 avril 1960 concernant l'exécution de travaux de construction :
1° a fait ou laissé exécuter des travaux de construction avant 7 heures et après 18 heures ou en ne respectant pas les limites de temps fixées par le Roi sauf dans les cas où la loi l'autorise;
2° a fait ou laissé exécuter des travaux de construction le samedi ou durant la partie de la journée du samedi pendant laquelle il est accordé repos aux travailleurs de l'industrie de la construction ou d'une branche de celle-ci sauf dans les cas où la loi l'autorise.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Afdeling 6.
Section 6.
Afdeling 7. - Brugpensioen
Section 7. - La prépension
Art. 160. Brugpensioen
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, de verplichting tot vervanging van de werknemer niet heeft nageleefd onder de voorwaarden en volgens de door de Koning bepaalde nadere regels.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, de verplichting tot vervanging van de werknemer niet heeft nageleefd onder de voorwaarden en volgens de door de Koning bepaalde nadere regels.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 160. La prépension
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales, n'a pas respecté l'obligation de remplacement du travailleur dans les conditions et selon les modalités prévues par le Roi.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales, n'a pas respecté l'obligation de remplacement du travailleur dans les conditions et selon les modalités prévues par le Roi.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Afdeling 8. [1 - De arbeidstijd van de geneesheren, tandartsen, dierenartsen, kandidaat-geneesheren in opleiding, kandidaat-tandartsen in opleiding en studenten-stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van deze beroepen en de minimale voorwaarden in de opleidingsovereenkomsten]1
Section 8. [1 - Le temps de travail des médecins, des dentistes, des vétérinaires, des candidats médecins en formation, des candidats dentistes en formation et des étudiants stagiaires se préparant à ces professions et les conditions minimales dans les accords de formation]1
Art. 160/1. [2 De arbeidstijd van de geneesheren, tandartsen, dierenartsen, kandidaat-geneesheren in opleiding, kandidaat-tandartsen in opleiding en studenten-stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van deze beroepen]2
[1 [Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 12 december 2010 tot vaststelling van de arbeidsduur van de geneesheren, de tandartsen, de dierenartsen, kandidaat-geneesheren in opleiding, kandidaat-tandartsen in opleiding en studenten-stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van deze beroepen :] (ERRATUM, zie B.St. 12-01-2011, p. 836)
1° arbeid doet of laat verrichten door een geneesheer, tandarts, dierenarts, kandidaat-geneesheer in opleiding, kandidaat-tandarts in opleiding of student-stagiair gedurende meer dan 48 uren gemiddeld over een referteperiode van 13 weken;
2° arbeid doet of laat verrichten door een geneesheer, tandarts, dierenarts, kandidaat-geneesheer in opleiding, kandidaat-tandarts in opleiding of student-stagiair boven de absolute grens van de arbeidsduur die 60 uren tijdens elke arbeidsweek bedraagt;
3° arbeid doet of laat verrichten door een geneesheer, tandarts, dierenarts, kandidaat-geneesheer in opleiding, kandidaat-tandarts in opleiding of student-stagiair boven de maximumduur van de werkperiode van vierentwintig uren;
4° niet een periode van minimumrust van twaalf opeenvolgende uren toekent na een arbeidsprestatie waarvan de duur tussen twaalf uren en vierentwintig uren bedraagt;
5° arbeid doet of laat verrichten door een geneesheer, tandarts, dierenarts, kandidaat-geneesheer in opleiding, kandidaat-tandarts in opleiding of student-stagiair tijdens de bijkomende tijd van maximum 12 uren per week bepaald bij de wet om elk type van wachtdienst te verzekeren op de werkplek zonder zijn individueel schriftelijk akkoord te hebben verkregen voorafgaand aan de prestatie;
6° arbeid doet of laat verrichten door een geneesheer, tandarts, dierenarts, kandidaat-geneesheer in opleiding, kandidaat-tandarts in opleiding of student-stagiair boven de bijkomende tijd van maximum twaalf uren per week bepaald bij wet;
7° het individueel akkoord bedoeld in 5° niet bewaart gedurende de voorgeschreven duur;
8° het individueel akkoord bedoeld in 5° niet bijhoudt of niet bewaart op de aangewezen plaats;
9° niet de nodige maatregelen neemt opdat het individueel akkoord bedoeld in 5° bijgehouden wordt op een gemakkelijk toegankelijke plaats zodat de ambtenaren en beambten belast met het toezicht op elk moment er inzage kunnen van nemen;
10° op de werkplek niet het register bijhoudt dat volgens chronologische volgorde de dagelijkse prestaties van de geneesheren, tandartsen, dierenartsen, kandidaat-geneesheren in opleiding, kandidaat-tandartsen in opleiding of studenten-stagiairs herneemt.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken geneesheren, tandartsen, dierenartsen, kandidaat-geneesheren in opleiding, kandidaat-tandartsen in opleiding en studenten-stagiairs.]1
[1 [Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 12 december 2010 tot vaststelling van de arbeidsduur van de geneesheren, de tandartsen, de dierenartsen, kandidaat-geneesheren in opleiding, kandidaat-tandartsen in opleiding en studenten-stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van deze beroepen :] (ERRATUM, zie B.St. 12-01-2011, p. 836)
1° arbeid doet of laat verrichten door een geneesheer, tandarts, dierenarts, kandidaat-geneesheer in opleiding, kandidaat-tandarts in opleiding of student-stagiair gedurende meer dan 48 uren gemiddeld over een referteperiode van 13 weken;
2° arbeid doet of laat verrichten door een geneesheer, tandarts, dierenarts, kandidaat-geneesheer in opleiding, kandidaat-tandarts in opleiding of student-stagiair boven de absolute grens van de arbeidsduur die 60 uren tijdens elke arbeidsweek bedraagt;
3° arbeid doet of laat verrichten door een geneesheer, tandarts, dierenarts, kandidaat-geneesheer in opleiding, kandidaat-tandarts in opleiding of student-stagiair boven de maximumduur van de werkperiode van vierentwintig uren;
4° niet een periode van minimumrust van twaalf opeenvolgende uren toekent na een arbeidsprestatie waarvan de duur tussen twaalf uren en vierentwintig uren bedraagt;
5° arbeid doet of laat verrichten door een geneesheer, tandarts, dierenarts, kandidaat-geneesheer in opleiding, kandidaat-tandarts in opleiding of student-stagiair tijdens de bijkomende tijd van maximum 12 uren per week bepaald bij de wet om elk type van wachtdienst te verzekeren op de werkplek zonder zijn individueel schriftelijk akkoord te hebben verkregen voorafgaand aan de prestatie;
6° arbeid doet of laat verrichten door een geneesheer, tandarts, dierenarts, kandidaat-geneesheer in opleiding, kandidaat-tandarts in opleiding of student-stagiair boven de bijkomende tijd van maximum twaalf uren per week bepaald bij wet;
7° het individueel akkoord bedoeld in 5° niet bewaart gedurende de voorgeschreven duur;
8° het individueel akkoord bedoeld in 5° niet bijhoudt of niet bewaart op de aangewezen plaats;
9° niet de nodige maatregelen neemt opdat het individueel akkoord bedoeld in 5° bijgehouden wordt op een gemakkelijk toegankelijke plaats zodat de ambtenaren en beambten belast met het toezicht op elk moment er inzage kunnen van nemen;
10° op de werkplek niet het register bijhoudt dat volgens chronologische volgorde de dagelijkse prestaties van de geneesheren, tandartsen, dierenartsen, kandidaat-geneesheren in opleiding, kandidaat-tandartsen in opleiding of studenten-stagiairs herneemt.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken geneesheren, tandartsen, dierenartsen, kandidaat-geneesheren in opleiding, kandidaat-tandartsen in opleiding en studenten-stagiairs.]1
Art. 160/1. [2 Le temps de travail des médecins, dentistes, vétérinaires, des candidats médecins en formation, des candidats dentistes en formation et étudiants stagiaires se préparant à ces professions]2
[1 [Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 12 décembre 2010 fixant la durée du travail des médecins, dentistes, vétérinaires, des candidats-médecins en formation, des candidates-dentistes en formation et étudiants stagiaires se préparant à ces professions :] (ERRATUM, voir M.B. 12-01-2011, p. 836)
1° a fait ou laissé travailler un médecin, un dentiste, un vétérinaire, un candidat-médecin en formation, un candidat-dentiste en formation ou un étudiant stagiaire en moyenne plus de quarante-huit heures par semaine sur une période de référence de treize semaines;
2° a fait ou laissé travailler un médecin, un dentiste, un vétérinaire, un candidat-médecin en formation, un candidat-dentiste en formation ou un étudiant stagiaire au-delà de la limite absolue de la durée du travail qui est de 60 heures au cours de chaque semaine de travail;
3° a fait ou laissé travailler un médecin, un dentiste, un vétérinaire, un candidat-médecin en formation, un candidat-dentiste en formation ou un étudiant stagiaire au-delà de la durée maximale de prestation de travail de vingt-quatre heures;
4° n'a pas octroyé une période minimale de repos de douze heures continues après une prestation de travail dont la durée est comprise entre douze heures et vingt-quatre heures;
5° a fait ou laissé travailler un médecin, un dentiste, un vétérinaire, un candidat médecin en formation, un candidat dentiste en formation ou un étudiant stagiaire pendant le temps additionnel de maximum 12 heures par semaine prévu par la loi permettant d'assurer tout type de service de garde sur le lieu de travail sans avoir obtenu préalablement à la prestation son accord individuel écrit;
6° a fait ou laissé travailler un médecin, un dentiste, un vétérinaire, un candidat-médecin en formation, un candidat-dentiste en formation ou un étudiant stagiaire au-delà du temps additionnel prévu par la loi de 12 heures maximum par semaine;
7° ne conserve pas l'accord individuel visé au 5° pendant la durée prescrite;
8° ne garde pas ou ne conserve pas l'accord individuel visé au 5° au lieu indiqué;
9° ne prend pas les mesures nécessaires afin que l'accord individuel visé au 5° soit tenu dans un endroit facilement accessible afin que les fonctionnaires et agents chargés de la surveillance puissent en prendre connaissance à tout moment;
10° ne tient pas sur le lieu de travail le registre reprenant les prestations journalières effectuées par les médecins, dentistes, vétérinaires, candidats-médecins en formation, candidats-dentistes en formation ou étudiants stagiaires selon un ordre chronologique.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de médecins, dentistes, vétérinaires, candidats- médecins en formation, candidats-dentistes en formation ou étudiants stagiaires concernés.]1
[1 [Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 12 décembre 2010 fixant la durée du travail des médecins, dentistes, vétérinaires, des candidats-médecins en formation, des candidates-dentistes en formation et étudiants stagiaires se préparant à ces professions :] (ERRATUM, voir M.B. 12-01-2011, p. 836)
1° a fait ou laissé travailler un médecin, un dentiste, un vétérinaire, un candidat-médecin en formation, un candidat-dentiste en formation ou un étudiant stagiaire en moyenne plus de quarante-huit heures par semaine sur une période de référence de treize semaines;
2° a fait ou laissé travailler un médecin, un dentiste, un vétérinaire, un candidat-médecin en formation, un candidat-dentiste en formation ou un étudiant stagiaire au-delà de la limite absolue de la durée du travail qui est de 60 heures au cours de chaque semaine de travail;
3° a fait ou laissé travailler un médecin, un dentiste, un vétérinaire, un candidat-médecin en formation, un candidat-dentiste en formation ou un étudiant stagiaire au-delà de la durée maximale de prestation de travail de vingt-quatre heures;
4° n'a pas octroyé une période minimale de repos de douze heures continues après une prestation de travail dont la durée est comprise entre douze heures et vingt-quatre heures;
5° a fait ou laissé travailler un médecin, un dentiste, un vétérinaire, un candidat médecin en formation, un candidat dentiste en formation ou un étudiant stagiaire pendant le temps additionnel de maximum 12 heures par semaine prévu par la loi permettant d'assurer tout type de service de garde sur le lieu de travail sans avoir obtenu préalablement à la prestation son accord individuel écrit;
6° a fait ou laissé travailler un médecin, un dentiste, un vétérinaire, un candidat-médecin en formation, un candidat-dentiste en formation ou un étudiant stagiaire au-delà du temps additionnel prévu par la loi de 12 heures maximum par semaine;
7° ne conserve pas l'accord individuel visé au 5° pendant la durée prescrite;
8° ne garde pas ou ne conserve pas l'accord individuel visé au 5° au lieu indiqué;
9° ne prend pas les mesures nécessaires afin que l'accord individuel visé au 5° soit tenu dans un endroit facilement accessible afin que les fonctionnaires et agents chargés de la surveillance puissent en prendre connaissance à tout moment;
10° ne tient pas sur le lieu de travail le registre reprenant les prestations journalières effectuées par les médecins, dentistes, vétérinaires, candidats-médecins en formation, candidats-dentistes en formation ou étudiants stagiaires selon un ordre chronologique.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de médecins, dentistes, vétérinaires, candidats- médecins en formation, candidats-dentistes en formation ou étudiants stagiaires concernés.]1
Art. 160/1/1. [1 Minimale voorwaarden in de opleidingsovereenkomsten artsen-specialisten
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die een opleidingsovereenkomst met artsenspecialisten in opleiding heeft gesloten in strijd met de door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst over de minimale voorwaarden die moeten opgenomen worden in de opleidingsovereenkomsten die met artsen-specialisten in opleiding worden afgesloten.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken artsen-specialisten in opleiding.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die een opleidingsovereenkomst met artsenspecialisten in opleiding heeft gesloten in strijd met de door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst over de minimale voorwaarden die moeten opgenomen worden in de opleidingsovereenkomsten die met artsen-specialisten in opleiding worden afgesloten.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken artsen-specialisten in opleiding.]1
Art. 160/1/1. [1 Les conditions minimales dans les accords de formation des médecins-spécialistes
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a conclu une convention de formation avec des médecins spécialistes en formation en violation de la convention collective de travail rendue obligatoire par le Roi sur les conditions minimales qui doivent figurer dans les conventions de formation conclues avec les médecins spécialistes en formation.
Pour les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de médecins-spécialistes en formation concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a conclu une convention de formation avec des médecins spécialistes en formation en violation de la convention collective de travail rendue obligatoire par le Roi sur les conditions minimales qui doivent figurer dans les conventions de formation conclues avec les médecins spécialistes en formation.
Pour les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de médecins-spécialistes en formation concernés.]1
Afdeling 9. [1 - De arbeidstijd en rusttijden van de zeevissers]1
Section 9. [1 - Les temps de travail et de repos des marins pêcheurs]1
Art. 160/2. [1 De arbeidstijd en rusttijden van de zeevissers
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber, de schipper, die, in strijd met de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser:
1° de rusttijden bepaald in hoofdstuk IV/1 van voormelde wet van 3 mei 2003 niet heeft toegekend;
2° het document voor het toezicht op de arbeidstijd en de rusttijd niet op de voorgeschreven tijdstippen heeft ingevuld of voltooid.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken zeevissers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber, de schipper, die, in strijd met de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser:
1° de rusttijden bepaald in hoofdstuk IV/1 van voormelde wet van 3 mei 2003 niet heeft toegekend;
2° het document voor het toezicht op de arbeidstijd en de rusttijd niet op de voorgeschreven tijdstippen heeft ingevuld of voltooid.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken zeevissers.]1
Art.160/2...[1 Les temps de travail et de repos des marins pêcheurs
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'armateur, son préposé ou son mandataire, le patron qui, en contravention à [2 la loi du 3 mai 2003]2 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur :
1° n'a pas octroyé les périodes de repos fixées au chapitre IV/1 de la loi précitée du 3 mai 2003 ;
2° n'a pas établi ou complété aux moments prescrits le document de suivi des temps de travail et de repos.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de marins pêcheurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'armateur, son préposé ou son mandataire, le patron qui, en contravention à [2 la loi du 3 mai 2003]2 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur :
1° n'a pas octroyé les périodes de repos fixées au chapitre IV/1 de la loi précitée du 3 mai 2003 ;
2° n'a pas établi ou complété aux moments prescrits le document de suivi des temps de travail et de repos.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de marins pêcheurs concernés.]1
HOOFDSTUK 3. - Inbreuken in verband met andere arbeidsvoorwaarden
CHAPITRE 3. - Les infractions relatives aux autres conditions de travail
Afdeling 1. - Controlegeneeskunde
Section 1er. - La médecine de contrôle
Art. 161. Controlegeneeskunde
§ 1. Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, eenieder die, in strijd met de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde, de controlegeneeskunde verricht zonder arts te zijn die gerechtigd is de geneeskunde uit te oefenen en vijf jaar ervaring heeft als huisarts of een daarmee vergelijkbare praktijk.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de arts die, in strijd met de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde :
1° bij het uitvoeren van een controleopdracht geen verklaring van onafhankelijkheid ondertekent volgens het door de Koning bepaald model of er geen afschrift van bezorgt aan de werknemer en aan de werkgever;
2° voor dezelfde onderneming zowel de taken van preventieadviseur-arbeidsgeneesheer als die van controlerend geneesheer uitvoert.
§ 1. Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, eenieder die, in strijd met de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde, de controlegeneeskunde verricht zonder arts te zijn die gerechtigd is de geneeskunde uit te oefenen en vijf jaar ervaring heeft als huisarts of een daarmee vergelijkbare praktijk.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de arts die, in strijd met de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde :
1° bij het uitvoeren van een controleopdracht geen verklaring van onafhankelijkheid ondertekent volgens het door de Koning bepaald model of er geen afschrift van bezorgt aan de werknemer en aan de werkgever;
2° voor dezelfde onderneming zowel de taken van preventieadviseur-arbeidsgeneesheer als die van controlerend geneesheer uitvoert.
Art. 161. La médecine de contrôle
§ 1er. Est punie d'une sanction [2 de niveau 3]2, toute personne qui, en contravention de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle, exerce la médecine de contrôle sans être médecin autorisé à pratiquer l'art de guérir et disposant de cinq ans d'expérience comme médecin généraliste ou d'une pratique équivalente.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1, le médecin qui, en violation de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle :
1° alors qu'il exécute une mission de contrôle, omet, de signer une déclaration d'indépendance selon le modèle arrêté par le Roi, ou n'en remet pas de copie au travailleur et à l'employeur;
2° [1 ...]1 exerce à la fois les missions de conseiller en prévention-médecin du travail et celles de médecin-contrôleur pour la même entreprise.
§ 1er. Est punie d'une sanction [2 de niveau 3]2, toute personne qui, en contravention de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle, exerce la médecine de contrôle sans être médecin autorisé à pratiquer l'art de guérir et disposant de cinq ans d'expérience comme médecin généraliste ou d'une pratique équivalente.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1, le médecin qui, en violation de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle :
1° alors qu'il exécute une mission de contrôle, omet, de signer une déclaration d'indépendance selon le modèle arrêté par le Roi, ou n'en remet pas de copie au travailleur et à l'employeur;
2° [1 ...]1 exerce à la fois les missions de conseiller en prévention-médecin du travail et celles de médecin-contrôleur pour la même entreprise.
Afdeling 2. - Loon en andere vermogensrechtelijke voordelen
Section 2. - La rémunération et les autres avantages patrimoniaux
Art. 162. [1 Uitbetaling van het werknemersloon
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die :
1° [2 ...]2
2° zich door de leden van zijn personeel alle of een deel van de aanvullende bijdragen doet terugbetalen die de werkgever verschuldigd is, met toepassing van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939;
3° [2 ...]2
[2 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die:
1° het loon van de werknemer niet heeft uitbetaald of het niet geheel of gedeeltelijk heeft uitbetaald op de datum dat het loon invorderbaar is;
2° de vrijheid van de werknemer om naar goeddunken over zijn loon te beschikken, op enigerlei wijze heeft beperkt;
3° het verschuldigd vakantiegeld niet geheel of gedeeltelijk heeft uitbetaald of het niet heeft uitbetaald binnen de termijn en volgens de reglementaire voorschriften opgelegd bij de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971.]2
[2 De sanctie is van niveau 4 wanneer enerzijds het in de betrokken sector toepasselijk minimumloon niet wordt uitbetaald aan de werknemer - of in geval van deeltijdse arbeid het gedeelte van het minimumloon dat in verhouding is verschuldigd - of niet wordt uitbetaald op de datum dat het loon invorderbaar is, en er, anderzijds, samenloop is met twee of meerdere inbreuken bedoeld bij de artikelen 138, 140 tot 142, 156, 157, 163, tweede lid, 165 tot 167, 169, 181, 181/1, 182, 184/1, 184/1/1, 184/1/2, 188/2, 188/2/1, 188/2/3, 226 of 233, § 1, 1°.]2
Voor de in dit artikel bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die :
1° [2 ...]2
2° zich door de leden van zijn personeel alle of een deel van de aanvullende bijdragen doet terugbetalen die de werkgever verschuldigd is, met toepassing van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939;
3° [2 ...]2
[2 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die:
1° het loon van de werknemer niet heeft uitbetaald of het niet geheel of gedeeltelijk heeft uitbetaald op de datum dat het loon invorderbaar is;
2° de vrijheid van de werknemer om naar goeddunken over zijn loon te beschikken, op enigerlei wijze heeft beperkt;
3° het verschuldigd vakantiegeld niet geheel of gedeeltelijk heeft uitbetaald of het niet heeft uitbetaald binnen de termijn en volgens de reglementaire voorschriften opgelegd bij de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971.]2
[2 De sanctie is van niveau 4 wanneer enerzijds het in de betrokken sector toepasselijk minimumloon niet wordt uitbetaald aan de werknemer - of in geval van deeltijdse arbeid het gedeelte van het minimumloon dat in verhouding is verschuldigd - of niet wordt uitbetaald op de datum dat het loon invorderbaar is, en er, anderzijds, samenloop is met twee of meerdere inbreuken bedoeld bij de artikelen 138, 140 tot 142, 156, 157, 163, tweede lid, 165 tot 167, 169, 181, 181/1, 182, 184/1, 184/1/1, 184/1/2, 188/2, 188/2/1, 188/2/3, 226 of 233, § 1, 1°.]2
Voor de in dit artikel bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 162. [1 Le payement de la rémunération des travailleurs
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui :
1° [2 ...]2
2° se fait rembourser par les membres de son personnel tout ou partie des cotisations supplémentaires dont l'employeur est redevable en application des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939;
3° [2 ...]2
[2 Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui:
1° n'a pas payé en tout ou en partie la rémunération du travailleur ou ne l'a pas payée à la date à laquelle elle est exigible;
2° a restreint, de quelque manière que ce soit, la liberté du travailleur de disposer de sa rémunération à son gré;
3° n'a pas payé en tout ou en partie les pécules de vacances dus ou ne les a pas payés dans les délais et selon les modalités réglementaires prescrites par les lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971.]2
[2 La sanction est de niveau 4 lorsque d'une part, la rémunération minimale applicable dans le secteur concerné n'est pas payée au travailleur - ou en cas de travail à temps partiel la partie de la rémunération minimale qui est proportionnellement due - ou n'a pas été payée à la date à laquelle la rémunération est exigible, et que, d'autre part, il y a concours de deux ou plusieurs infractions visées aux articles 138, 140 à 142, 156, 157, 163, alinéa 2, 165 à 167, 169, 181, 181/1, 182, 184/1, 184/1/1, 184/1/2, 188/2, 188/2/1, 188/2/3, 226 ou 233, § 1er, 1°.]2
En ce qui concerne les infractions visées par le présent article, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui :
1° [2 ...]2
2° se fait rembourser par les membres de son personnel tout ou partie des cotisations supplémentaires dont l'employeur est redevable en application des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939;
3° [2 ...]2
[2 Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui:
1° n'a pas payé en tout ou en partie la rémunération du travailleur ou ne l'a pas payée à la date à laquelle elle est exigible;
2° a restreint, de quelque manière que ce soit, la liberté du travailleur de disposer de sa rémunération à son gré;
3° n'a pas payé en tout ou en partie les pécules de vacances dus ou ne les a pas payés dans les délais et selon les modalités réglementaires prescrites par les lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971.]2
[2 La sanction est de niveau 4 lorsque d'une part, la rémunération minimale applicable dans le secteur concerné n'est pas payée au travailleur - ou en cas de travail à temps partiel la partie de la rémunération minimale qui est proportionnellement due - ou n'a pas été payée à la date à laquelle la rémunération est exigible, et que, d'autre part, il y a concours de deux ou plusieurs infractions visées aux articles 138, 140 à 142, 156, 157, 163, alinéa 2, 165 à 167, 169, 181, 181/1, 182, 184/1, 184/1/1, 184/1/2, 188/2, 188/2/1, 188/2/3, 226 ou 233, § 1er, 1°.]2
En ce qui concerne les infractions visées par le présent article, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Art. 162 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Uitbetaling van het werknemersloon
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die :
1° [3 ...]3
2° [2 ...]2
3° [3 ...]3
[3 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die:
1° het loon van de werknemer niet heeft uitbetaald of het niet geheel of gedeeltelijk heeft uitbetaald op de datum dat het loon invorderbaar is;
2° de vrijheid van de werknemer om naar goeddunken over zijn loon te beschikken, op enigerlei wijze heeft beperkt;
3° het verschuldigd vakantiegeld niet geheel of gedeeltelijk heeft uitbetaald of het niet heeft uitbetaald binnen de termijn en volgens de reglementaire voorschriften opgelegd bij de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971.]3
[3 De sanctie is van niveau 4 wanneer enerzijds het in de betrokken sector toepasselijk minimumloon niet wordt uitbetaald aan de werknemer - of in geval van deeltijdse arbeid het gedeelte van het minimumloon dat in verhouding is verschuldigd - of niet wordt uitbetaald op de datum dat het loon invorderbaar is, en er, anderzijds, samenloop is met twee of meerdere inbreuken bedoeld bij de artikelen 138, 140 tot 142, 156, 157, 163, tweede lid, 165 tot 167, 169, 181, 181/1, 182, 184/1, 184/1/1, 184/1/2, 188/2, 188/2/1, 188/2/3, 226 of 233, § 1, 1°.]3
Voor de in dit artikel bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
[1 Uitbetaling van het werknemersloon
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die :
1° [3 ...]3
2° [2 ...]2
3° [3 ...]3
[3 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die:
1° het loon van de werknemer niet heeft uitbetaald of het niet geheel of gedeeltelijk heeft uitbetaald op de datum dat het loon invorderbaar is;
2° de vrijheid van de werknemer om naar goeddunken over zijn loon te beschikken, op enigerlei wijze heeft beperkt;
3° het verschuldigd vakantiegeld niet geheel of gedeeltelijk heeft uitbetaald of het niet heeft uitbetaald binnen de termijn en volgens de reglementaire voorschriften opgelegd bij de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971.]3
[3 De sanctie is van niveau 4 wanneer enerzijds het in de betrokken sector toepasselijk minimumloon niet wordt uitbetaald aan de werknemer - of in geval van deeltijdse arbeid het gedeelte van het minimumloon dat in verhouding is verschuldigd - of niet wordt uitbetaald op de datum dat het loon invorderbaar is, en er, anderzijds, samenloop is met twee of meerdere inbreuken bedoeld bij de artikelen 138, 140 tot 142, 156, 157, 163, tweede lid, 165 tot 167, 169, 181, 181/1, 182, 184/1, 184/1/1, 184/1/2, 188/2, 188/2/1, 188/2/3, 226 of 233, § 1, 1°.]3
Voor de in dit artikel bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 162 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le payement de la rémunération des travailleurs
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui :
1° [3 ...]3
2° [2 ...]2
3° [3 ...]3
[3 Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui:
1° n'a pas payé en tout ou en partie la rémunération du travailleur ou ne l'a pas payée à la date à laquelle elle est exigible;
2° a restreint, de quelque manière que ce soit, la liberté du travailleur de disposer de sa rémunération à son gré;
3° n'a pas payé en tout ou en partie les pécules de vacances dus ou ne les a pas payés dans les délais et selon les modalités réglementaires prescrites par les lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971.]3
[3 La sanction est de niveau 4 lorsque d'une part, la rémunération minimale applicable dans le secteur concerné n'est pas payée au travailleur - ou en cas de travail à temps partiel la partie de la rémunération minimale qui est proportionnellement due - ou n'a pas été payée à la date à laquelle la rémunération est exigible, et que, d'autre part, il y a concours de deux ou plusieurs infractions visées aux articles 138, 140 à 142, 156, 157, 163, alinéa 2, 165 à 167, 169, 181, 181/1, 182, 184/1, 184/1/1, 184/1/2, 188/2, 188/2/1, 188/2/3, 226 ou 233, § 1er, 1°.]3
En ce qui concerne les infractions visées par le présent article, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
[1 Le payement de la rémunération des travailleurs
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui :
1° [3 ...]3
2° [2 ...]2
3° [3 ...]3
[3 Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui:
1° n'a pas payé en tout ou en partie la rémunération du travailleur ou ne l'a pas payée à la date à laquelle elle est exigible;
2° a restreint, de quelque manière que ce soit, la liberté du travailleur de disposer de sa rémunération à son gré;
3° n'a pas payé en tout ou en partie les pécules de vacances dus ou ne les a pas payés dans les délais et selon les modalités réglementaires prescrites par les lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971.]3
[3 La sanction est de niveau 4 lorsque d'une part, la rémunération minimale applicable dans le secteur concerné n'est pas payée au travailleur - ou en cas de travail à temps partiel la partie de la rémunération minimale qui est proportionnellement due - ou n'a pas été payée à la date à laquelle la rémunération est exigible, et que, d'autre part, il y a concours de deux ou plusieurs infractions visées aux articles 138, 140 à 142, 156, 157, 163, alinéa 2, 165 à 167, 169, 181, 181/1, 182, 184/1, 184/1/1, 184/1/2, 188/2, 188/2/1, 188/2/3, 226 ou 233, § 1er, 1°.]3
En ce qui concerne les infractions visées par le présent article, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Art. 163. Inhoudingen op het werknemersloon
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd [1 ...]1 met de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939 [1 ...]1:
a) inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer, met uitzondering van de wettelijk toegestane inhoudingen;
b) wettelijk toegestane inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer zonder de beperkingen terzake te respecteren;
c) inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer ter uitvoering van een overdracht van loon vastgelegd bij een onderhandse akte in de zin van artikelen 28 en volgende van de voornoemde wet van 12 april 1965, wanneer de werknemer zich heeft verzet tegen de overdracht van loon en hij zijn werkgever in kennis heeft gesteld van zijn verzet tegen de procedure inzake overdracht van loon;
2° [1 ...]1
[1 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers:
a) inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer, met uitzondering van de wettelijk toegestane inhoudingen;
b) wettelijk toegestane inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer zonder de beperkingen terzake te respecteren;
c) inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer ter uitvoering van een overdracht van loon vastgelegd bij een onderhandse akte in de zin van artikelen 28 en volgende van de voornoemde wet van 12 april 1965, wanneer de werknemer zich heeft verzet tegen de overdracht van loon en hij zijn werkgever in kennis heeft gesteld van zijn verzet tegen de procedure inzake overdracht van loon;
d) de geheel of gedeeltelijk met fooien of bedieningsgeld betaalde werknemer, onder welke benaming ook en voor welk doel ook, stortingen heeft opgelegd op te zijnen behoeve overhandigde fooien of bedieningsgeld of andere dan in c) bedoelde inhoudingen heeft verricht.]1
[1 Voor de in dit artikel bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd [1 ...]1 met de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939 [1 ...]1:
a) inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer, met uitzondering van de wettelijk toegestane inhoudingen;
b) wettelijk toegestane inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer zonder de beperkingen terzake te respecteren;
c) inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer ter uitvoering van een overdracht van loon vastgelegd bij een onderhandse akte in de zin van artikelen 28 en volgende van de voornoemde wet van 12 april 1965, wanneer de werknemer zich heeft verzet tegen de overdracht van loon en hij zijn werkgever in kennis heeft gesteld van zijn verzet tegen de procedure inzake overdracht van loon;
2° [1 ...]1
[1 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers:
a) inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer, met uitzondering van de wettelijk toegestane inhoudingen;
b) wettelijk toegestane inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer zonder de beperkingen terzake te respecteren;
c) inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer ter uitvoering van een overdracht van loon vastgelegd bij een onderhandse akte in de zin van artikelen 28 en volgende van de voornoemde wet van 12 april 1965, wanneer de werknemer zich heeft verzet tegen de overdracht van loon en hij zijn werkgever in kennis heeft gesteld van zijn verzet tegen de procedure inzake overdracht van loon;
d) de geheel of gedeeltelijk met fooien of bedieningsgeld betaalde werknemer, onder welke benaming ook en voor welk doel ook, stortingen heeft opgelegd op te zijnen behoeve overhandigde fooien of bedieningsgeld of andere dan in c) bedoelde inhoudingen heeft verricht.]1
[1 Voor de in dit artikel bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 163. Les retenues sur la rémunération des travailleurs
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention [2 ...]2 aux lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939 [2 ...]2 :
a) a effectué des retenues sur la rémunération du travailleur à l'exception des retenues légalement autorisées;
b) a effectué les retenues légalement autorisées sur la rémunération du travailleur sans en avoir respecté les limitations;
c) a effectué des retenues sur la rémunération du travailleur en exécution d'une cession de rémunération constatée par un acte [1 sous signature privée]1 au sens des articles 28 et suivants de la loi précitée du 12 avril 1965 alors que le travailleur s'est opposé à la cession de rémunération et qu'il a notifié à l'employeur son opposition à la procédure de cession de rémunération;
2° [2 ...]2
[2 Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs:
a) a effectué des retenues sur la rémunération du travailleur à l'exception des retenues légalement autorisées;
b) a effectué les retenues légalement autorisées sur la rémunération du travailleur sans en avoir respecté les limitations;
c) a effectué des retenues sur la rémunération du travailleur en exécution d'une cession de rémunération constatée par un acte sous signature privée au sens des articles 28 et suivants de la loi précitée du 12 avril 1965 alors que le travailleur s'est opposé à la cession de rémunération et qu'il a notifié à l'employeur son opposition à la procédure de cession de rémunération;
d) a imposé au travailleur rémunéré entièrement ou partiellement au pourboire ou au service, des versements, sous quelque dénomination que ce soit et pour quelque objet que ce soit, sur le pourboire ou le service remis à son intention ou a effectué des retenues autres que celles visées au c).]2
[2 En ce qui concerne les infractions visées dans le présent article, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]2
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention [2 ...]2 aux lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939 [2 ...]2 :
a) a effectué des retenues sur la rémunération du travailleur à l'exception des retenues légalement autorisées;
b) a effectué les retenues légalement autorisées sur la rémunération du travailleur sans en avoir respecté les limitations;
c) a effectué des retenues sur la rémunération du travailleur en exécution d'une cession de rémunération constatée par un acte [1 sous signature privée]1 au sens des articles 28 et suivants de la loi précitée du 12 avril 1965 alors que le travailleur s'est opposé à la cession de rémunération et qu'il a notifié à l'employeur son opposition à la procédure de cession de rémunération;
2° [2 ...]2
[2 Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs:
a) a effectué des retenues sur la rémunération du travailleur à l'exception des retenues légalement autorisées;
b) a effectué les retenues légalement autorisées sur la rémunération du travailleur sans en avoir respecté les limitations;
c) a effectué des retenues sur la rémunération du travailleur en exécution d'une cession de rémunération constatée par un acte sous signature privée au sens des articles 28 et suivants de la loi précitée du 12 avril 1965 alors que le travailleur s'est opposé à la cession de rémunération et qu'il a notifié à l'employeur son opposition à la procédure de cession de rémunération;
d) a imposé au travailleur rémunéré entièrement ou partiellement au pourboire ou au service, des versements, sous quelque dénomination que ce soit et pour quelque objet que ce soit, sur le pourboire ou le service remis à son intention ou a effectué des retenues autres que celles visées au c).]2
[2 En ce qui concerne les infractions visées dans le présent article, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]2
Art. 163 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Inhoudingen op het werknemersloon
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd [2 ...]2 [1 ...]1 [2 ...]2 :
a) inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer, met uitzondering van de wettelijk toegestane inhoudingen;
b) wettelijk toegestane inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer zonder de beperkingen terzake te respecteren;
c) inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer ter uitvoering van een overdracht van loon vastgelegd bij een onderhandse akte in de zin van artikelen 28 en volgende van de voornoemde wet van 12 april 1965, wanneer de werknemer zich heeft verzet tegen de overdracht van loon en hij zijn werkgever in kennis heeft gesteld van zijn verzet tegen de procedure inzake overdracht van loon;
2° [2 ...]2
[2 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers:
a) inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer, met uitzondering van de wettelijk toegestane inhoudingen;
b) wettelijk toegestane inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer zonder de beperkingen terzake te respecteren;
c) inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer ter uitvoering van een overdracht van loon vastgelegd bij een onderhandse akte in de zin van artikelen 28 en volgende van de voornoemde wet van 12 april 1965, wanneer de werknemer zich heeft verzet tegen de overdracht van loon en hij zijn werkgever in kennis heeft gesteld van zijn verzet tegen de procedure inzake overdracht van loon;
d) de geheel of gedeeltelijk met fooien of bedieningsgeld betaalde werknemer, onder welke benaming ook en voor welk doel ook, stortingen heeft opgelegd op te zijnen behoeve overhandigde fooien of bedieningsgeld of andere dan in c) bedoelde inhoudingen heeft verricht.]2
[2 Voor de in dit artikel bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]2
Inhoudingen op het werknemersloon
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd [2 ...]2 [1 ...]1 [2 ...]2 :
a) inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer, met uitzondering van de wettelijk toegestane inhoudingen;
b) wettelijk toegestane inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer zonder de beperkingen terzake te respecteren;
c) inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer ter uitvoering van een overdracht van loon vastgelegd bij een onderhandse akte in de zin van artikelen 28 en volgende van de voornoemde wet van 12 april 1965, wanneer de werknemer zich heeft verzet tegen de overdracht van loon en hij zijn werkgever in kennis heeft gesteld van zijn verzet tegen de procedure inzake overdracht van loon;
2° [2 ...]2
[2 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers:
a) inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer, met uitzondering van de wettelijk toegestane inhoudingen;
b) wettelijk toegestane inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer zonder de beperkingen terzake te respecteren;
c) inhoudingen heeft verricht op het loon van de werknemer ter uitvoering van een overdracht van loon vastgelegd bij een onderhandse akte in de zin van artikelen 28 en volgende van de voornoemde wet van 12 april 1965, wanneer de werknemer zich heeft verzet tegen de overdracht van loon en hij zijn werkgever in kennis heeft gesteld van zijn verzet tegen de procedure inzake overdracht van loon;
d) de geheel of gedeeltelijk met fooien of bedieningsgeld betaalde werknemer, onder welke benaming ook en voor welk doel ook, stortingen heeft opgelegd op te zijnen behoeve overhandigde fooien of bedieningsgeld of andere dan in c) bedoelde inhoudingen heeft verricht.]2
[2 Voor de in dit artikel bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]2
Art. 163 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Les retenues sur la rémunération des travailleurs
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention [3 ...]3 aux lois relatives [1 ...]1 [3 ...]3 :
a) a effectué des retenues sur la rémunération du travailleur à l'exception des retenues légalement autorisées;
b) a effectué les retenues légalement autorisées sur la rémunération du travailleur sans en avoir respecté les limitations;
c) a effectué des retenues sur la rémunération du travailleur en exécution d'une cession de rémunération constatée par un acte [2 sous signature privée]2 au sens des articles 28 et suivants de la loi précitée du 12 avril 1965 alors que le travailleur s'est opposé à la cession de rémunération et qu'il a notifié à l'employeur son opposition à la procédure de cession de rémunération;
2° [3 ...]3
[3 Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs:
a) a effectué des retenues sur la rémunération du travailleur à l'exception des retenues légalement autorisées;
b) a effectué les retenues légalement autorisées sur la rémunération du travailleur sans en avoir respecté les limitations;
c) a effectué des retenues sur la rémunération du travailleur en exécution d'une cession de rémunération constatée par un acte sous signature privée au sens des articles 28 et suivants de la loi précitée du 12 avril 1965 alors que le travailleur s'est opposé à la cession de rémunération et qu'il a notifié à l'employeur son opposition à la procédure de cession de rémunération;
d) a imposé au travailleur rémunéré entièrement ou partiellement au pourboire ou au service, des versements, sous quelque dénomination que ce soit et pour quelque objet que ce soit, sur le pourboire ou le service remis à son intention ou a effectué des retenues autres que celles visées au c).]3
[3 En ce qui concerne les infractions visées dans le présent article, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]3
Les retenues sur la rémunération des travailleurs
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention [3 ...]3 aux lois relatives [1 ...]1 [3 ...]3 :
a) a effectué des retenues sur la rémunération du travailleur à l'exception des retenues légalement autorisées;
b) a effectué les retenues légalement autorisées sur la rémunération du travailleur sans en avoir respecté les limitations;
c) a effectué des retenues sur la rémunération du travailleur en exécution d'une cession de rémunération constatée par un acte [2 sous signature privée]2 au sens des articles 28 et suivants de la loi précitée du 12 avril 1965 alors que le travailleur s'est opposé à la cession de rémunération et qu'il a notifié à l'employeur son opposition à la procédure de cession de rémunération;
2° [3 ...]3
[3 Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs:
a) a effectué des retenues sur la rémunération du travailleur à l'exception des retenues légalement autorisées;
b) a effectué les retenues légalement autorisées sur la rémunération du travailleur sans en avoir respecté les limitations;
c) a effectué des retenues sur la rémunération du travailleur en exécution d'une cession de rémunération constatée par un acte sous signature privée au sens des articles 28 et suivants de la loi précitée du 12 avril 1965 alors que le travailleur s'est opposé à la cession de rémunération et qu'il a notifié à l'employeur son opposition à la procédure de cession de rémunération;
d) a imposé au travailleur rémunéré entièrement ou partiellement au pourboire ou au service, des versements, sous quelque dénomination que ce soit et pour quelque objet que ce soit, sur le pourboire ou le service remis à son intention ou a effectué des retenues autres que celles visées au c).]3
[3 En ce qui concerne les infractions visées dans le présent article, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]3
Art. 164. Verplichtingen ter controle van het loon door de werknemers
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers :
a) geen melding heeft gemaakt van de inlichtingen die de aan de werknemer uit de privésector overhandigde afrekening moet bevatten bij elke definitieve betaling van het loon;
b) de werknemer geen kennisgeving overhandigt met vermelding van de periodieke inhoudingen op zijn loon en van het totaalbedrag ervan ter uitvoering van de overdracht van loon vastgesteld bij een onderhandse akte in de zin van artikelen 28 en volgende van de wet, wanneer de dienstbetrekking van de werknemer eindigt voordat de inhoudingen het bedrag van de overdracht hebben bereikt of wanneer het bedrag van de overdracht is bereikt;
c) geen bewijs van de onderhandse betaling ter ondertekening heeft voorgelegd aan de werknemer;
[1 d) geen loonafrekening heeft overhandigd aan de werknemer bij elke definitieve betaling van het loon;]1
[1 e) de werknemer niet heeft ingelicht, hetzij in papieren vorm, hetzij in elektronische vorm, over de staat van zijn prestaties met betrekking tot de dagelijkse en de wekelijkse arbeidsduur die hij moet verrichten;]1
2° iedere persoon die, in strijd met de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, het recht van de werknemer heeft belemmerd om toezicht uit te oefenen op het meten, het wegen of elke andere verrichting dienend om de hoeveelheid of de aard van de verrichte arbeid vast te stellen en aldus het bedrag van het loon te bepalen.
Voor de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers :
a) geen melding heeft gemaakt van de inlichtingen die de aan de werknemer uit de privésector overhandigde afrekening moet bevatten bij elke definitieve betaling van het loon;
b) de werknemer geen kennisgeving overhandigt met vermelding van de periodieke inhoudingen op zijn loon en van het totaalbedrag ervan ter uitvoering van de overdracht van loon vastgesteld bij een onderhandse akte in de zin van artikelen 28 en volgende van de wet, wanneer de dienstbetrekking van de werknemer eindigt voordat de inhoudingen het bedrag van de overdracht hebben bereikt of wanneer het bedrag van de overdracht is bereikt;
c) geen bewijs van de onderhandse betaling ter ondertekening heeft voorgelegd aan de werknemer;
[1 d) geen loonafrekening heeft overhandigd aan de werknemer bij elke definitieve betaling van het loon;]1
[1 e) de werknemer niet heeft ingelicht, hetzij in papieren vorm, hetzij in elektronische vorm, over de staat van zijn prestaties met betrekking tot de dagelijkse en de wekelijkse arbeidsduur die hij moet verrichten;]1
2° iedere persoon die, in strijd met de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, het recht van de werknemer heeft belemmerd om toezicht uit te oefenen op het meten, het wegen of elke andere verrichting dienend om de hoeveelheid of de aard van de verrichte arbeid vast te stellen en aldus het bedrag van het loon te bepalen.
Voor de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 164. Les obligations permettant aux travailleurs de contrôler la rémunération
Est puni d'une sanction [2 de niveau 3]2 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs :
a) n'a pas mentionné les renseignements que doit contenir le décompte remis au travailleur occupé dans le secteur privé lors de chaque règlement définitif de la rémunération;
b) n'a pas transmis au travailleur un relevé des sommes prélevées périodiquement sur sa rémunération et de leur montant total en exécution de la cession de la rémunération constatée par un acte [1 sous signature privée]1 au sens des articles 28 et suivants de la loi lorsque l'engagement du travailleur prend fin avant que le prélèvement des sommes cédées n'atteigne le montant de la cession ou lorsque le montant de la cession est atteint;
c) n'a pas soumis à la signature du travailleur une quittance du paiement effectué de la main à la main;
[2 d) n'a pas remis un décompte de paie au travailleur lors de chaque règlement définitif de la rémunération;]2
[2 e) n'a pas informé le travailleur soit sous format papier, soit sous format électronique de l'état de ses prestations par rapport à la durée journalière et hebdomadaire de travail qu'il est tenu de prester;]2
2° Toute personne qui, en contravention à la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, a mis des entraves à l'exercice, par le travailleur, du droit de contrôler les mesurages, les pesées ou les autres opérations quelconques qui ont pour but de déterminer la quantité ou la qualité de l'ouvrage fourni et de fixer ainsi le montant de la rémunération.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction [2 de niveau 3]2 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs :
a) n'a pas mentionné les renseignements que doit contenir le décompte remis au travailleur occupé dans le secteur privé lors de chaque règlement définitif de la rémunération;
b) n'a pas transmis au travailleur un relevé des sommes prélevées périodiquement sur sa rémunération et de leur montant total en exécution de la cession de la rémunération constatée par un acte [1 sous signature privée]1 au sens des articles 28 et suivants de la loi lorsque l'engagement du travailleur prend fin avant que le prélèvement des sommes cédées n'atteigne le montant de la cession ou lorsque le montant de la cession est atteint;
c) n'a pas soumis à la signature du travailleur une quittance du paiement effectué de la main à la main;
[2 d) n'a pas remis un décompte de paie au travailleur lors de chaque règlement définitif de la rémunération;]2
[2 e) n'a pas informé le travailleur soit sous format papier, soit sous format électronique de l'état de ses prestations par rapport à la durée journalière et hebdomadaire de travail qu'il est tenu de prester;]2
2° Toute personne qui, en contravention à la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, a mis des entraves à l'exercice, par le travailleur, du droit de contrôler les mesurages, les pesées ou les autres opérations quelconques qui ont pour but de déterminer la quantité ou la qualité de l'ouvrage fourni et de fixer ainsi le montant de la rémunération.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Art. 165. Verplaatsingsonkosten
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten de werknemer te vergoeden voor de verplaatsingsonkosten die hij verschuldigd is of die heeft nagelaten ze te vergoeden op de datum waarop de vergoeding opeisbaar is.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten de werknemer te vergoeden voor de verplaatsingsonkosten die hij verschuldigd is of die heeft nagelaten ze te vergoeden op de datum waarop de vergoeding opeisbaar is.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 165. Les frais de déplacement
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas remboursé au travailleur les frais de déplacement dont il est redevable ou qui ne s'est pas exécuté à la date à laquelle le remboursement est exigible.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas remboursé au travailleur les frais de déplacement dont il est redevable ou qui ne s'est pas exécuté à la date à laquelle le remboursement est exigible.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 166. Maaltijdcheques
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten de werknemer te voorzien van de maaltijdcheques die hij verschuldigd is, of die heeft nagelaten ze te bezorgen op de datum van afgifte van de maaltijdcheques.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten de werknemer te voorzien van de maaltijdcheques die hij verschuldigd is, of die heeft nagelaten ze te bezorgen op de datum van afgifte van de maaltijdcheques.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 166. Les titres-repas
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas remis au travailleur les titres-repas dont il est redevable ou qui ne s'est pas exécuté à la date à laquelle les titres-repas doivent être délivrés.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas remis au travailleur les titres-repas dont il est redevable ou qui ne s'est pas exécuté à la date à laquelle les titres-repas doivent être délivrés.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 166/1. [1 Ecocheques
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten de werknemer de ecocheques toe te kennen die hij verschuldigd is, of die heeft nagelaten de ecocheques toe te kennen op de datum waarop dit moet gebeuren.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten de werknemer de ecocheques toe te kennen die hij verschuldigd is, of die heeft nagelaten de ecocheques toe te kennen op de datum waarop dit moet gebeuren.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 166/1. [1 Les éco-chèques
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas octroyé au travailleur les éco-chèques dont il est redevable ou ne les a pas octroyés à la date à laquelle ils doivent l'être.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas octroyé au travailleur les éco-chèques dont il est redevable ou ne les a pas octroyés à la date à laquelle ils doivent l'être.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Art. 166/2. [1 De werkkledij
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, aan de werknemer geen vergoeding voor de levering, het onderhoud of de reiniging van de werkkledij heeft betaald.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, aan de werknemer geen vergoeding voor de levering, het onderhoud of de reiniging van de werkkledij heeft betaald.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 166/2. [1 Les vêtements de travail
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à une convention collective de travail rendue obligatoire par le Roi, n'a pas payé à un travailleur l'indemnité pour la fourniture des vêtements de travail ou celle pour l'entretien et le nettoyage des vêtements de travail.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à une convention collective de travail rendue obligatoire par le Roi, n'a pas payé à un travailleur l'indemnité pour la fourniture des vêtements de travail ou celle pour l'entretien et le nettoyage des vêtements de travail.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Art. 166/3. [1 Het werkmateriaal
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, aan de werknemer het arbeidsgereedschap niet heeft bezorgen of geen materiaalvergoedingen heeft betaald.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, aan de werknemer het arbeidsgereedschap niet heeft bezorgen of geen materiaalvergoedingen heeft betaald.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 166/3. [1 Les outils de travail
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à une convention collective de travail rendue obligatoire par le Roi, n'a pas fourni au travailleur les outils de travail ou n'a pas payé les indemnités de matériel.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à une convention collective de travail rendue obligatoire par le Roi, n'a pas fourni au travailleur les outils de travail ou n'a pas payé les indemnités de matériel.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Art. 167. Voordelen ter aanvulling van het loon
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten de werknemer de financiële voordelen te betalen die hij verschuldigd is als aanvulling op het loon, of die ze niet heeft betaald op de datum waarop de betaling opeisbaar is.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten de werknemer de financiële voordelen te betalen die hij verschuldigd is als aanvulling op het loon, of die ze niet heeft betaald op de datum waarop de betaling opeisbaar is.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 167. Les avantages complémentaires à la rémunération
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a payé au travailleur les avantages financiers dont il est redevable à titre de complément à la rémunération ou qui ne s'est pas exécuté à la date à laquelle le paiement est exigible.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a payé au travailleur les avantages financiers dont il est redevable à titre de complément à la rémunération ou qui ne s'est pas exécuté à la date à laquelle le paiement est exigible.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 168. Voordelen ter aanvulling van de vergoedingen die verschuldigd zijn ingevolge een arbeidsongeval of een beroepsziekte
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten zijn werknemer de sociale voordelen te betalen die hij verschuldigd is als aanvulling op de vergoedingen die verschuldigd zijn ingevolge een arbeidsongeval of een beroepsziekte, of die ze niet heeft betaald op de datum waarop die aanvullende voordelen opeisbaar zijn.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten zijn werknemer de sociale voordelen te betalen die hij verschuldigd is als aanvulling op de vergoedingen die verschuldigd zijn ingevolge een arbeidsongeval of een beroepsziekte, of die ze niet heeft betaald op de datum waarop die aanvullende voordelen opeisbaar zijn.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 168. Les avantages complémentaires aux indemnités dues par suite d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas payé au travailleur les avantages d'ordre social dont il est redevable à titre de complément aux indemnités dues par suite d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle ou qui ne s'est pas exécuté à la date à laquelle ces avantages complémentaires sont exigibles.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas payé au travailleur les avantages d'ordre social dont il est redevable à titre de complément aux indemnités dues par suite d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle ou qui ne s'est pas exécuté à la date à laquelle ces avantages complémentaires sont exigibles.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 169. Aanvullende socialezekerheidsvoordelen
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten heeft de werknemer de sociale voordelen uit te betalen die hij verschuldigd is als aanvulling op de socialezekerheidsvoordelen op grond van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, of die heeft nagelaten ze te vergoeden op de datum dat die aanvullende voordelen opeisbaar zijn.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten heeft de werknemer de sociale voordelen uit te betalen die hij verschuldigd is als aanvulling op de socialezekerheidsvoordelen op grond van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, of die heeft nagelaten ze te vergoeden op de datum dat die aanvullende voordelen opeisbaar zijn.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 169. Les avantages complémentaires de sécurité sociale
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas payé au travailleur les avantages d'ordre social dont il est redevable à titre de complément aux avantages de sécurité sociale résultant de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou qui ne s'est pas exécuté à la date à laquelle ces avantages complémentaires sont exigibles.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas payé au travailleur les avantages d'ordre social dont il est redevable à titre de complément aux avantages de sécurité sociale résultant de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou qui ne s'est pas exécuté à la date à laquelle ces avantages complémentaires sont exigibles.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 170. Sluitingsvergoeding
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, de vereffenaar of de curator die, in strijd met de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, heeft nagelaten binnen de wettelijke termijn en volgens de vastgestelde voorwaarden de sluitingsvergoeding uit te betalen aan de werknemers die voldoen aan de toekenningsvoorwaarden betreffende de vergoeding.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, de vereffenaar of de curator die, in strijd met de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, heeft nagelaten binnen de wettelijke termijn en volgens de vastgestelde voorwaarden de sluitingsvergoeding uit te betalen aan de werknemers die voldoen aan de toekenningsvoorwaarden betreffende de vergoeding.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 170. L'indemnité de fermeture
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire, le liquidateur ou le curateur qui, en contravention à la loi du 26 juin 2002 relative aux fermetures d'entreprises, ne paye pas l'indemnité de fermeture dans les délais légaux et selon les conditions prescrites aux travailleurs qui remplissent les conditions d'octroi de l'indemnité.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire, le liquidateur ou le curateur qui, en contravention à la loi du 26 juin 2002 relative aux fermetures d'entreprises, ne paye pas l'indemnité de fermeture dans les délais légaux et selon les conditions prescrites aux travailleurs qui remplissent les conditions d'octroi de l'indemnité.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 171. [1 Koppeling van het loon aan het indexcijfer van de consumptieprijzen
Met een sanctie [2 van niveau 3]2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die zich niet heeft gehouden aan de indexatiewijze bepaald bij de artikelen 2 tot 2quater van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie [2 van niveau 3]2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die zich niet heeft gehouden aan de indexatiewijze bepaald bij de artikelen 2 tot 2quater van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 171. [1 La liaison de la rémunération à l'indice des prix à la consommation
Est puni d'une sanction [2 de niveau 3]2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas respecté le mode d'indexation prescrit par les articles 2 à 2quater de l'arrêté royal du 23 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction [2 de niveau 3]2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas respecté le mode d'indexation prescrit par les articles 2 à 2quater de l'arrêté royal du 23 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Art. 171/1. [3 Uitbetaling van het loon door de hoofdelijk aansprakelijke]3
[1 Met een sanctie [3 van niveau 3]3 wordt bestraft, de hoofdelijk aansprakelijke in de zin van hoofdstuk VI/1 [2 eerste [3 afdeling]3]2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers die overeenkomstig het bepaalde in artikel 35/3, § 1, van diezelfde wet werd aangemaand tot betaling van het loon, doch niet tot betaling overgaat binnen een termijn van vijf werkdagen na verzending van de aanmaning.]1
[1 Met een sanctie [3 van niveau 3]3 wordt bestraft, de hoofdelijk aansprakelijke in de zin van hoofdstuk VI/1 [2 eerste [3 afdeling]3]2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers die overeenkomstig het bepaalde in artikel 35/3, § 1, van diezelfde wet werd aangemaand tot betaling van het loon, doch niet tot betaling overgaat binnen een termijn van vijf werkdagen na verzending van de aanmaning.]1
Art. 171/1. [3 Le paiement de la rémunération par le responsable solidaire]3
[1 Est puni d'une sanction [3 de niveau 3]3, le responsable solidaire au sens du chapitre VI/1, [2 section 1ère]2 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, qui, conformément au prescrit de l'article 35/3, § 1er, de cette même loi, a été sommé de payer la rémunération, mais qui ne procède pas au paiement dans un délai de cinq jours ouvrables suivant l'envoi de la sommation.]1
[1 Est puni d'une sanction [3 de niveau 3]3, le responsable solidaire au sens du chapitre VI/1, [2 section 1ère]2 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, qui, conformément au prescrit de l'article 35/3, § 1er, de cette même loi, a été sommé de payer la rémunération, mais qui ne procède pas au paiement dans un délai de cinq jours ouvrables suivant l'envoi de la sommation.]1
Art. 171/2. [4 De verplichting tot aanplakking]4
[1 Met een sanctie [4 van niveau 3]4 wordt bestraft, diegene die de op hem rustende verplichting tot aanplakking zoals bedoeld in [5 artikel 35/4, 35/6/4, 35/6/12 en 35/12]5 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, niet nakomt.]1
[1 Met een sanctie [4 van niveau 3]4 wordt bestraft, diegene die de op hem rustende verplichting tot aanplakking zoals bedoeld in [5 artikel 35/4, 35/6/4, 35/6/12 en 35/12]5 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, niet nakomt.]1
Wijzigingen
Art. 171/2. [4 L'obligation d'affichage]4
[1 Est puni d'une sanction [4 de niveau 3]4, celui qui ne respecte pas l'obligation d'affichage telle que visée [5 aux articles 35/4, 35/6/4, 35/6/12 et 35/12]5 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, qui lui incombe.]1
[1 Est puni d'une sanction [4 de niveau 3]4, celui qui ne respecte pas l'obligation d'affichage telle que visée [5 aux articles 35/4, 35/6/4, 35/6/12 et 35/12]5 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, qui lui incombe.]1
Wijzigingen
Art. 171/2/1. [1 De niet-betaling van het loon door de hoofdelijk aansprakelijke rechtstreekse contractant in geval van activiteiten in de bouwsector.
Met een sanctie [2 van niveau 3]2 worden gestraft, de hoofdelijk aansprakelijke opdrachtgever, aannemer en intermediaire aannemer, bedoeld in afdeling 1/1 van hoofdstuk VI/1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, die het verschuldigd loon, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn overeenkomstig dezelfde afdeling, niet hebben betaald.]1
Met een sanctie [2 van niveau 3]2 worden gestraft, de hoofdelijk aansprakelijke opdrachtgever, aannemer en intermediaire aannemer, bedoeld in afdeling 1/1 van hoofdstuk VI/1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, die het verschuldigd loon, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn overeenkomstig dezelfde afdeling, niet hebben betaald.]1
Art. 171/2/1. [1 Le non-paiement de la rémunération par le contractant direct solidairement responsable en cas d'activités dans le domaine de la construction.
Sont punis d'une sanction [2 de niveau 3]2, le donneur d'ordres, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire, solidairement responsables visés par la section 1re/1 du chapitre VI/1 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs qui n'ont pas payé, la rémunération due pour le paiement de laquelle ils sont solidairement responsables conformément à la même section.]1
Sont punis d'une sanction [2 de niveau 3]2, le donneur d'ordres, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire, solidairement responsables visés par la section 1re/1 du chapitre VI/1 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs qui n'ont pas payé, la rémunération due pour le paiement de laquelle ils sont solidairement responsables conformément à la même section.]1
Art. 171/2/2. [1 De niet-betaling van het loon door de hoofdelijk aansprakelijke
Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft, de opdrachtgever, de aannemer en de intermediaire aannemer, hoofdelijk aansprakelijke personen bedoeld door afdeling 1/2 van hoofdstuk VI/1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, die het verschuldigd loon voor de betaling waarvan zij hoofdelijk aansprakelijk zijn overeenkomstig dezelfde afdeling, niet betaald hebben.]1
Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft, de opdrachtgever, de aannemer en de intermediaire aannemer, hoofdelijk aansprakelijke personen bedoeld door afdeling 1/2 van hoofdstuk VI/1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, die het verschuldigd loon voor de betaling waarvan zij hoofdelijk aansprakelijk zijn overeenkomstig dezelfde afdeling, niet betaald hebben.]1
Art. 171/2/2. [1 Le non-paiement de la rémunération par le responsable solidaire
Sont punis d'une sanction de niveau 3, le donneur d'ordres, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire, solidairement responsables visés par la section 1re/2 du chapitre VI/1 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, qui n'ont pas payé la rémunération due pour le paiement de laquelle ils sont solidairement responsables conformément à la même section.]1
Sont punis d'une sanction de niveau 3, le donneur d'ordres, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire, solidairement responsables visés par la section 1re/2 du chapitre VI/1 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, qui n'ont pas payé la rémunération due pour le paiement de laquelle ils sont solidairement responsables conformément à la même section.]1
Art. 171/2/3. [1 De niet-inhouding en doorstorting van de bedragen in geval van werkzaamheden in de verhuissector
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de opdrachtgever, de aannemer en de intermediaire aannemer die rechtstreeks, in voorkomend geval, met een aannemer of een onderaannemer, een overeenkomst heeft gesloten en die zich niet heeft gehouden aan de inhoudings- en doorstortingsplicht bedoeld door afdeling 1/2 van hoofdstuk VI/1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de opdrachtgever, de aannemer en de intermediaire aannemer die rechtstreeks, in voorkomend geval, met een aannemer of een onderaannemer, een overeenkomst heeft gesloten en die zich niet heeft gehouden aan de inhoudings- en doorstortingsplicht bedoeld door afdeling 1/2 van hoofdstuk VI/1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.]1
Art. 171/2/3. [1 La non-retenue et versement des montants en cas d'activités dans le secteur du déménagement
Est puni d'une sanction de niveau 3, le donneur d'ordre, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire qui a conclu directement avec, selon le cas, un entrepreneur ou un sous-traitant et qui n'a pas respecté l'obligation de retenue et de versement visée par la section 1re/2 du chapitre VI/1 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs]1
Est puni d'une sanction de niveau 3, le donneur d'ordre, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire qui a conclu directement avec, selon le cas, un entrepreneur ou un sous-traitant et qui n'a pas respecté l'obligation de retenue et de versement visée par la section 1re/2 du chapitre VI/1 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs]1
Art. 171/2/4. [1 De niet-mededeling door de aannemer bedoeld in artikel 35/6/9, § 1, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, aan de opdrachtgever bedoeld in genoemd artikel 35/6/9, § 1, van de door deze bepaling voorziene informatie
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de aannemer bedoeld in artikel 35/6/9, § 1, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die aan de opdrachtgever bedoeld in artikel 35/6/9, § 1, van dezelfde wet, niet de informatie bedoeld in ditzelfde artikel 35/6/9, § 1, meegedeeld heeft, overeenkomstig deze laatste bepaling.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de aannemer bedoeld in artikel 35/6/9, § 1, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die aan de opdrachtgever bedoeld in artikel 35/6/9, § 1, van dezelfde wet, niet de informatie bedoeld in ditzelfde artikel 35/6/9, § 1, meegedeeld heeft, overeenkomstig deze laatste bepaling.]1
Art. 171/2/4. [1 La non-communication par l'entrepreneur visé par l'article 35/6/9, § 1er, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs au donneur d'ordre visé par ledit article 35/6/9, § 1er, des informations prévues par cette disposition
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'entrepreneur visé par l'article 35/6/9, § 1er, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, son préposé ou son mandataire, qui n'a pas communiqué au donneur d'ordre visé dans l'article 35/6/9, § 1er, de la même loi, les informations visées par ce même article 35/6/9, § 1er, conformément à cette dernière disposition.]1
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'entrepreneur visé par l'article 35/6/9, § 1er, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, son préposé ou son mandataire, qui n'a pas communiqué au donneur d'ordre visé dans l'article 35/6/9, § 1er, de la même loi, les informations visées par ce même article 35/6/9, § 1er, conformément à cette dernière disposition.]1
Art. 171/2/5. [1 De niet-mededeling door de aannemer en de onderaannemer bedoeld in artikel 35/6/10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, aan de in genoemd artikel 35/6/10 bedoelde personen van door dezelfde bepalingen voorziene informatie
Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft, de aannemer en de onderaannemer bedoeld in artikel 35/6/10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, hun aangestelde of hun lasthebber, die niet de informatie bedoeld in genoemd artikel 35/6/10, aan de aangeduide sociaal inspecteurs overgemaakt hebben, overeenkomstig deze laatste bepaling.]1
Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft, de aannemer en de onderaannemer bedoeld in artikel 35/6/10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, hun aangestelde of hun lasthebber, die niet de informatie bedoeld in genoemd artikel 35/6/10, aan de aangeduide sociaal inspecteurs overgemaakt hebben, overeenkomstig deze laatste bepaling.]1
Art. 171/2/5. [1 La non-communication par l'entrepreneur et le sous-traitant visés par l'article 35/6/10 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs aux personnes visées audit article 35/6/10 des informations prévues par ces mêmes dispositions
Sont punis d'une sanction de niveau 3, l'entrepreneur et le sous-traitant visé par l'article 35/6/10 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, leur préposé ou leur mandataire, qui n'ont pas communiqué aux inspecteurs sociaux désignés les informations visées par audit article 35/6/10, conformément à cette dernière disposition.]1
Sont punis d'une sanction de niveau 3, l'entrepreneur et le sous-traitant visé par l'article 35/6/10 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, leur préposé ou leur mandataire, qui n'ont pas communiqué aux inspecteurs sociaux désignés les informations visées par audit article 35/6/10, conformément à cette dernière disposition.]1
Art. 171/2/6. [1 De niet-mededeling door de opdrachtgever, de aannemer, de intermediaire aannemer en de onderaannemer, bedoeld in artikel 35/6/11 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, van de in deze bepalingen bedoelde informatie aan hun contractant
Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft, de opdrachtgever, de aannemer, de intermediaire aannemer en de onderaannemer, bedoeld in artikel 35/6/11 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, hun aangestelde of hun lasthebber, die de in deze bepalingen bedoelde informatie niet aan hun aannemer hebben meegedeeld, overeenkomstig deze laatste bepalingen.]1
Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft, de opdrachtgever, de aannemer, de intermediaire aannemer en de onderaannemer, bedoeld in artikel 35/6/11 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, hun aangestelde of hun lasthebber, die de in deze bepalingen bedoelde informatie niet aan hun aannemer hebben meegedeeld, overeenkomstig deze laatste bepalingen.]1
Art. 171/2/6. [1 La non-communication par le donneur d'ordre, l'entrepreneur, l'entrepreneur intermédiaire et le sous-traitant, visés par l'article 35/6/11 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, à leur contractant des informations prévues par ces dispositions
Sont punis d'une sanction de niveau 3, le donneur d'ordre, l'entrepreneur, l'entrepreneur intermédiaire et le sous-traitant, visés par l'article 35/6/11 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, leur préposé ou leur mandataire, qui n'ont pas communiqué à leur contractant les informations prévues par ces dispositions, conformément à ces dernières dispositions.]1
Sont punis d'une sanction de niveau 3, le donneur d'ordre, l'entrepreneur, l'entrepreneur intermédiaire et le sous-traitant, visés par l'article 35/6/11 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, leur préposé ou leur mandataire, qui n'ont pas communiqué à leur contractant les informations prévues par ces dispositions, conformément à ces dernières dispositions.]1
Art. 171/2/7. [1 Het niet-mededelen door de onderneming in de zin van artikel 35/15 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, aan haar werknemer van de in artikel 35/15, paragraaf 6, van dezelfde wet bedoelde informatie
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de onderneming in de zin van artikel 35/15, paragraaf 2, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, haar aangestelde of haar lasthebber, die niet de in artikel 35/15, paragraaf 6, van voornoemde wet bedoelde informatie, overeenkomstig deze laatste bepaling, aan haar werknemer meegedeeld heeft.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de onderneming in de zin van artikel 35/15, paragraaf 2, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, haar aangestelde of haar lasthebber, die niet de in artikel 35/15, paragraaf 6, van voornoemde wet bedoelde informatie, overeenkomstig deze laatste bepaling, aan haar werknemer meegedeeld heeft.]1
Art. 171/2/7. [1 La non-communication par l'entreprise au sens de l'article 35/15 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, à son travailleur des informations visées à l'article 35/15, paragraphe 6, de cette même loi
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'entreprise au sens de l'article 35/15, paragraphe 2, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, son préposé ou son mandataire, qui n'a pas communiqué à son travailleur les informations visées à l'article 35/15, paragraphe 6, de ladite loi, conformément à cette dernière disposition.]1
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'entreprise au sens de l'article 35/15, paragraphe 2, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, son préposé ou son mandataire, qui n'a pas communiqué à son travailleur les informations visées à l'article 35/15, paragraphe 6, de ladite loi, conformément à cette dernière disposition.]1
Art. 171/2/8. [1 De niet-raadpleging van de databank bedoeld in artikel 35/15 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers en de niet-mededeling van de informatie voorzien door artikel 35/6/9, § 2, van dezelfde wet
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt, bij ontstentenis van een reeds bestaande keten van onderaannemers, bestraft, de aannemer die rechtstreeks een beroep gedaan heeft op een onderaannemer voor het uitvoeren van werkzaamheden in de verhuissector in de zin van artikel 35/6/6, § 1, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, en die rechtstreeks toegezegd had om deze werkzaamheden te verrichten voor de opdrachtgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die de databank bedoeld in artikel 35/15 van de voormelde wet van 12 april 1965 niet geraadpleegd heeft om na te gaan of de identificatiegegevens van deze onderaannemer al dan niet voorkwamen in voornoemde databank, alvorens de uitvoering van voornoemde werkzaamheden aan te vatten.
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de aannemer, die, bij de raadpleging bedoeld in artikel 35/6/9, § 2, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers vastgesteld heeft dat de identificatiegegevens van zijn rechtstreekse onderaannemer in de databank bedoeld in artikel 35/15 van de voormelde wet van 12 april 1965 voorkwamen, maar die de betrokken opdrachtgever niet onverwijld en vóór het begin van de uitvoering van de bovenbedoelde werkzaamheden schriftelijk of elektronisch in kennis gesteld heeft van deze vaststelling en van het feit dat zijn hoofdelijke aansprakelijkheid kon ontstaan overeenkomstig artikel 35/6/8, en die hem niet de identificatiegegevens van de bedoelde rechtstreekse onderaannemer meegedeeld heeft.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 worden, wanneer er een keten van een onderaannemers bestaat, bestraft, elke aannemer en elke intermediaire aannemer die deel uitmaakt van deze keten en die rechtstreeks een beroep gedaan hebben op een onderaannemer voor het uitvoeren van werkzaamheden in de verhuissector in de zin van artikel 35/6/6, § 1, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, die de databank bedoeld in artikel 35/15 van de voormelde wet van 12 april 1965 niet geraadpleegd hebben om na te gaan of de identificatiegegevens van hun rechtstreekse onderaannemer al dan niet voorkwamen in voornoemde databank alvorens de uitvoering van voornoemde werkzaamheden aan te vatten.
Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft, de aannemer of de intermediaire aannemer, die bij de raadpleging bedoeld in artikel 35/6/9, § 2, derde lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers vastgesteld hebben dat de identificatiegegevens van de rechtstreekse onderaannemer in de databank bedoeld in artikel 35/15 van de voormelde wet van 12 april 1965 voorkwamen, maar die niet, elk wat hem betreft, de opdrachtgever, de aannemer en naargelang het geval elke intermediaire aannemer die voor hen tussenkomt in de onderaannemingsketen, vóór het begin van de uitvoering van de bovenbedoelde werkzaamheden schriftelijk of elektronisch in kennis gesteld hebben van deze vaststelling en van het feit dat hun hoofdelijke aansprakelijkheid kon ontstaan overeenkomstig artikel 35/6/8 van de voormelde wet van 12 april 1965, en die hen niet de identificatiegegevens van de bedoelde rechtstreekse onderaannemer meegedeeld hebben.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt, bij ontstentenis van een reeds bestaande keten van onderaannemers, bestraft, de aannemer die rechtstreeks een beroep gedaan heeft op een onderaannemer voor het uitvoeren van werkzaamheden in de verhuissector in de zin van artikel 35/6/6, § 1, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, en die rechtstreeks toegezegd had om deze werkzaamheden te verrichten voor de opdrachtgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die de databank bedoeld in artikel 35/15 van de voormelde wet van 12 april 1965 niet geraadpleegd heeft om na te gaan of de identificatiegegevens van deze onderaannemer al dan niet voorkwamen in voornoemde databank, alvorens de uitvoering van voornoemde werkzaamheden aan te vatten.
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de aannemer, die, bij de raadpleging bedoeld in artikel 35/6/9, § 2, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers vastgesteld heeft dat de identificatiegegevens van zijn rechtstreekse onderaannemer in de databank bedoeld in artikel 35/15 van de voormelde wet van 12 april 1965 voorkwamen, maar die de betrokken opdrachtgever niet onverwijld en vóór het begin van de uitvoering van de bovenbedoelde werkzaamheden schriftelijk of elektronisch in kennis gesteld heeft van deze vaststelling en van het feit dat zijn hoofdelijke aansprakelijkheid kon ontstaan overeenkomstig artikel 35/6/8, en die hem niet de identificatiegegevens van de bedoelde rechtstreekse onderaannemer meegedeeld heeft.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 worden, wanneer er een keten van een onderaannemers bestaat, bestraft, elke aannemer en elke intermediaire aannemer die deel uitmaakt van deze keten en die rechtstreeks een beroep gedaan hebben op een onderaannemer voor het uitvoeren van werkzaamheden in de verhuissector in de zin van artikel 35/6/6, § 1, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, die de databank bedoeld in artikel 35/15 van de voormelde wet van 12 april 1965 niet geraadpleegd hebben om na te gaan of de identificatiegegevens van hun rechtstreekse onderaannemer al dan niet voorkwamen in voornoemde databank alvorens de uitvoering van voornoemde werkzaamheden aan te vatten.
Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft, de aannemer of de intermediaire aannemer, die bij de raadpleging bedoeld in artikel 35/6/9, § 2, derde lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers vastgesteld hebben dat de identificatiegegevens van de rechtstreekse onderaannemer in de databank bedoeld in artikel 35/15 van de voormelde wet van 12 april 1965 voorkwamen, maar die niet, elk wat hem betreft, de opdrachtgever, de aannemer en naargelang het geval elke intermediaire aannemer die voor hen tussenkomt in de onderaannemingsketen, vóór het begin van de uitvoering van de bovenbedoelde werkzaamheden schriftelijk of elektronisch in kennis gesteld hebben van deze vaststelling en van het feit dat hun hoofdelijke aansprakelijkheid kon ontstaan overeenkomstig artikel 35/6/8 van de voormelde wet van 12 april 1965, en die hen niet de identificatiegegevens van de bedoelde rechtstreekse onderaannemer meegedeeld hebben.]1
Art. 171/2/8. [1 L'absence de consultation de la banque de données visée à l'article 35/15 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs et l'absence de communication des informations prévues à l'article 35/6/9, § 2, de la même loi
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, en l'absence de chaîne préexistante de sous-traitants, l'entrepreneur, qui a fait directement appel à un sous-traitant en vue de faire exécuter des activités dans le secteur du déménagement au sens de l'article 35/6/6, paragraphe 1er, 1°, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs et qui s'était lui-même directement engagé à exécuter ces activités au bénéfice du donneur d'ordre, son préposé ou son mandataire, qui n'a pas consulté la banque de données visée à l'article 35/15 de la loi précitée du 12 avril 1965, aux fins de vérifier, avant le début de l'exécution des activités précitées, si les données d'identification d'un tel sous-traitant figuraient ou non dans pareille banque de données.
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'entrepreneur, qui, au moment de la consultation visée à l'article 35/6/9, § 2, alinéa 1er, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, a constaté que les données d'identification de son sous-traitant direct figuraient dans la banque de données visée à l'article 35/15 de la loi précitée du 12 avril 1965 mais qui n'a pas informé, par écrit ou par voie électronique, sans délai et avant le début de l'exécution des activités précitées, le donneur d'ordre concerné de pareille constatation et de ce que sa responsabilité solidaire était susceptible d'être engagée conformément à l'article 35/6/8 et qui ne lui a pas communiqué les données d'identification dudit sous-traitant direct.
§ 2. Sont punis d'une sanction de niveau 3, en cas d'existence d'une chaîne de sous-traitants, chaque entrepreneur et entrepreneur intermédiaire intervenant dans la chaîne précitée et qui ont fait directement appel à un sous-traitant en vue de faire exécuter des activités dans le secteur du déménagement au sens de l'article 35/6/6, paragraphe 1er, 1°, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, qui n'ont pas consulté la banque de données visée à l'article 35/15 de la loi précitée du 12 avril 1965, aux fins de vérifier, avant le début de l'exécution des activités précitées, si les données d'identification de leur sous-traitant direct figuraient ou non dans pareille banque de données.
Sont punis d'une sanction de niveau 3, l'entrepreneur ou l'entrepreneur intermédiaire, qui, au moment de la consultation visée à l'article 35/6/9, § 2, alinéa 3, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, ont constaté que les données d'identification du sous-traitant direct précité figuraient dans la banque de données visée à l'article 35/15 de la loi précitée du 12 avril 1965 mais qui n'ont pas informé, chacun pour ce qui les concerne, par écrit ou par voie électronique, avant le début de l'exécution des activités précitées, le donneur d'ordre, l'entrepreneur et, selon le cas, tout entrepreneur intermédiaire intervenant avant eux dans ladite chaîne de sous-traitance de pareille constatation et de ce que la responsabilité solidaire de ces derniers était susceptible d'être engagée conformément à l'article 35/6/8 de la loi précitée du 12 avril 1965 et qui ne leur ont pas communiqué les données d'identifications dudit sous-traitant direct.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, en l'absence de chaîne préexistante de sous-traitants, l'entrepreneur, qui a fait directement appel à un sous-traitant en vue de faire exécuter des activités dans le secteur du déménagement au sens de l'article 35/6/6, paragraphe 1er, 1°, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs et qui s'était lui-même directement engagé à exécuter ces activités au bénéfice du donneur d'ordre, son préposé ou son mandataire, qui n'a pas consulté la banque de données visée à l'article 35/15 de la loi précitée du 12 avril 1965, aux fins de vérifier, avant le début de l'exécution des activités précitées, si les données d'identification d'un tel sous-traitant figuraient ou non dans pareille banque de données.
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'entrepreneur, qui, au moment de la consultation visée à l'article 35/6/9, § 2, alinéa 1er, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, a constaté que les données d'identification de son sous-traitant direct figuraient dans la banque de données visée à l'article 35/15 de la loi précitée du 12 avril 1965 mais qui n'a pas informé, par écrit ou par voie électronique, sans délai et avant le début de l'exécution des activités précitées, le donneur d'ordre concerné de pareille constatation et de ce que sa responsabilité solidaire était susceptible d'être engagée conformément à l'article 35/6/8 et qui ne lui a pas communiqué les données d'identification dudit sous-traitant direct.
§ 2. Sont punis d'une sanction de niveau 3, en cas d'existence d'une chaîne de sous-traitants, chaque entrepreneur et entrepreneur intermédiaire intervenant dans la chaîne précitée et qui ont fait directement appel à un sous-traitant en vue de faire exécuter des activités dans le secteur du déménagement au sens de l'article 35/6/6, paragraphe 1er, 1°, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, qui n'ont pas consulté la banque de données visée à l'article 35/15 de la loi précitée du 12 avril 1965, aux fins de vérifier, avant le début de l'exécution des activités précitées, si les données d'identification de leur sous-traitant direct figuraient ou non dans pareille banque de données.
Sont punis d'une sanction de niveau 3, l'entrepreneur ou l'entrepreneur intermédiaire, qui, au moment de la consultation visée à l'article 35/6/9, § 2, alinéa 3, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, ont constaté que les données d'identification du sous-traitant direct précité figuraient dans la banque de données visée à l'article 35/15 de la loi précitée du 12 avril 1965 mais qui n'ont pas informé, chacun pour ce qui les concerne, par écrit ou par voie électronique, avant le début de l'exécution des activités précitées, le donneur d'ordre, l'entrepreneur et, selon le cas, tout entrepreneur intermédiaire intervenant avant eux dans ladite chaîne de sous-traitance de pareille constatation et de ce que la responsabilité solidaire de ces derniers était susceptible d'être engagée conformément à l'article 35/6/8 de la loi précitée du 12 avril 1965 et qui ne leur ont pas communiqué les données d'identifications dudit sous-traitant direct.]1
Art. 171/3. [1 De niet-betaling van het loon door de hoofdelijk aansprakelijke persoon in geval van tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen
Met een sanctie [2 van niveau 3]2 wordt bestraft, de hoofdelijk aansprakelijke, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk VI/1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, die het nog verschuldigd loon waarvoor hij hoofdelijk aansprakelijk is overeenkomstig dezelfde afdeling, niet heeft betaald.]1
Met een sanctie [2 van niveau 3]2 wordt bestraft, de hoofdelijk aansprakelijke, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk VI/1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, die het nog verschuldigd loon waarvoor hij hoofdelijk aansprakelijk is overeenkomstig dezelfde afdeling, niet heeft betaald.]1
Art. 171/3. [1 Le non-paiement de la rémunération par la personne solidairement responsable en cas d'occupation de ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal
Est puni d'une sanction [2 de niveau 3]2, le responsable solidaire visé par la section 2 du chapitre VI/1 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs qui n'a pas payé la rémunération encore due pour laquelle il est solidairement responsable conformément à la même section.]1
Est puni d'une sanction [2 de niveau 3]2, le responsable solidaire visé par la section 2 du chapitre VI/1 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs qui n'a pas payé la rémunération encore due pour laquelle il est solidairement responsable conformément à la même section.]1
Art. 171/4. [1 De werknemersparticipatie in de winst of in het kapitaal.
Met een sanctie [2 van niveau 3]2 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die niet heeft gehandeld overeenkomstig de verplichtingen voorgeschreven door de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers en zijn uitvoeringsbesluiten.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie [2 van niveau 3]2 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die niet heeft gehandeld overeenkomstig de verplichtingen voorgeschreven door de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers en zijn uitvoeringsbesluiten.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 171/4. [1 La participation des travailleurs dans les bénéfices ou le capital.
Est puni d'une sanction [2 de niveau 3]2 l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas agi conformément aux obligations prescrites par la loi du 22 mai 2001 relative à la participation des travailleurs au capital des sociétés et à l'établissement d'une prime bénéficiaire pour les travailleurs et à ses arrêtés d'exécution.
L'amende est multipliée par le nombre des travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction [2 de niveau 3]2 l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas agi conformément aux obligations prescrites par la loi du 22 mai 2001 relative à la participation des travailleurs au capital des sociétés et à l'établissement d'une prime bénéficiaire pour les travailleurs et à ses arrêtés d'exécution.
L'amende est multipliée par le nombre des travailleurs concernés.]1
Art. 171/5. [1 De kosten van repatriëring van de zeevisser
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser:
1° vooruitbetaling heeft geëist van de zeevisser bij aanvang van zijn tewerkstelling voor de kosten van repatriëring, [2 of]2 de kosten van repatriëring verhaald op [2 het loon]2 of andere aanspraken van de zeevisser, tenzij de repatriëring om tuchtredenen diende te gebeuren of in het geval bedoeld in artikel 47 van voormelde wet van 3 mei 2003;
2° in geval van ontscheping van de zeevisser in het buitenland, hem niet heeft gerepatrieerd naar de woonplaats van de zeevisser of hem heeft gerepatrieerd op kosten van de zeevisser, in de gevallen bedoeld in artikel 52, 1° tot 3°, 5°, 7°, enkel indien er door de zeevisser een einde wordt gesteld aan de arbeidsovereenkomst, en 8° en in artikel 54 van voormelde wet van 3 mei 2003.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken zeevissers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser:
1° vooruitbetaling heeft geëist van de zeevisser bij aanvang van zijn tewerkstelling voor de kosten van repatriëring, [2 of]2 de kosten van repatriëring verhaald op [2 het loon]2 of andere aanspraken van de zeevisser, tenzij de repatriëring om tuchtredenen diende te gebeuren of in het geval bedoeld in artikel 47 van voormelde wet van 3 mei 2003;
2° in geval van ontscheping van de zeevisser in het buitenland, hem niet heeft gerepatrieerd naar de woonplaats van de zeevisser of hem heeft gerepatrieerd op kosten van de zeevisser, in de gevallen bedoeld in artikel 52, 1° tot 3°, 5°, 7°, enkel indien er door de zeevisser een einde wordt gesteld aan de arbeidsovereenkomst, en 8° en in artikel 54 van voormelde wet van 3 mei 2003.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken zeevissers.]1
Art. 171 //5. [1 Les frais de rapatriement du marin pêcheur
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'armateur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur :
1° a exigé du marin pêcheur, au début de son emploi, une avance en vue de couvrir les frais de son rapatriement ou a recouvré auprès du marin pêcheur les frais de rapatriement sur son salaire ou ses autres droits, hors le cas du rapatriement pour des raisons disciplinaires ou dans le cas visé à l'article 47 de la loi précitée du 3 mai 2003 ;
2° en cas de débarquement du marin pêcheur à l'étranger, ne l'a pas rapatrié vers le domicile du marin pêcheur ou l'a rapatrié aux frais du marin pêcheur, dans les cas visés à l'article 52, 1° à 3°, 5°, 7°, uniquement lorsqu'il est mis fin au contrat d'engagement par le marin-pêcheur, et 8° et à l'article 54 de la loi précitée du 3 mai 2003.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de marins pêcheurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'armateur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur :
1° a exigé du marin pêcheur, au début de son emploi, une avance en vue de couvrir les frais de son rapatriement ou a recouvré auprès du marin pêcheur les frais de rapatriement sur son salaire ou ses autres droits, hors le cas du rapatriement pour des raisons disciplinaires ou dans le cas visé à l'article 47 de la loi précitée du 3 mai 2003 ;
2° en cas de débarquement du marin pêcheur à l'étranger, ne l'a pas rapatrié vers le domicile du marin pêcheur ou l'a rapatrié aux frais du marin pêcheur, dans les cas visés à l'article 52, 1° à 3°, 5°, 7°, uniquement lorsqu'il est mis fin au contrat d'engagement par le marin-pêcheur, et 8° et à l'article 54 de la loi précitée du 3 mai 2003.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de marins pêcheurs concernés.]1
Afdeling 2/1. [1 - De kosteloze verplichte opleidingen.]1
Section 2/1. [1 - Les formations gratuites obligatoires.]1
Art. 171/6. [1 De kosteloze verplichte opleidingen
§ 1. Wordt bestraft met een sanctie van niveau 3, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 7 oktober 2022 houdende gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en van de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie, aan zijn werknemer niet kosteloos de opleidingen aanbiedt wanneer die noodzakelijk zijn voor de werknemer om het werk waarvoor hij is aangeworven, uit te voeren en wanneer die moeten worden verstrekt door de werkgever in toepassing van een wettelijke regeling of een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Wordt bestraft met een sanctie van niveau 2, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 7 oktober 2022 houdende gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en van de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie:
1° buiten de werkuren de opleidingen verstrekt die noodzakelijk zijn voor de werknemer om het werk waarvoor hij is aangeworven, uit te voeren, en die moeten worden verstrekt door de werkgever in toepassing van een wettelijke regeling of een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, zonder dat hij aantoont dat het organiseren ervan tijdens de werkuren onmogelijk is;
2° de opleidingsuren die noodzakelijk zijn voor de werknemer om het werk waarvoor hij is aangeworven, uit te voeren, en die moeten worden verstrekt door de werkgever in toepassing van een wettelijke regeling of een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, niet in aanmerking neemt als arbeidsduur.
Voor de in de het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
§ 1. Wordt bestraft met een sanctie van niveau 3, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 7 oktober 2022 houdende gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en van de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie, aan zijn werknemer niet kosteloos de opleidingen aanbiedt wanneer die noodzakelijk zijn voor de werknemer om het werk waarvoor hij is aangeworven, uit te voeren en wanneer die moeten worden verstrekt door de werkgever in toepassing van een wettelijke regeling of een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Wordt bestraft met een sanctie van niveau 2, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 7 oktober 2022 houdende gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en van de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie:
1° buiten de werkuren de opleidingen verstrekt die noodzakelijk zijn voor de werknemer om het werk waarvoor hij is aangeworven, uit te voeren, en die moeten worden verstrekt door de werkgever in toepassing van een wettelijke regeling of een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, zonder dat hij aantoont dat het organiseren ervan tijdens de werkuren onmogelijk is;
2° de opleidingsuren die noodzakelijk zijn voor de werknemer om het werk waarvoor hij is aangeworven, uit te voeren, en die moeten worden verstrekt door de werkgever in toepassing van een wettelijke regeling of een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, niet in aanmerking neemt als arbeidsduur.
Voor de in de het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 171/6. [1 Les formations gratuites obligatoires
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 7 octobre 2022 transposant partiellement la directive (UE) 2019/1152 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relative à des conditions de travail transparentes et prévisibles dans l'Union européenne, ne fournit pas des formations gratuitement à son travailleur quand elles sont nécessaires au travailleur pour exécuter le travail pour lequel il est engagé et lorsqu'elles doivent être organisées par l'employeur en application de dispositions légales ou d'une convention collective de travail conclue conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 7 octobre 2022 transposant partiellement la directive (UE) 2019/1152 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relative à des conditions de travail transparentes et prévisibles dans l'Union européenne:
1° organise, en dehors des heures de travail sans qu'il démontre que leur organisation pendant ces heures de travail est impossible, des formations qui sont nécessaires au travailleur pour exécuter le travail pour lequel il est engagé et qui doivent être organisées par l'employeur en application de dispositions légales ou d'une convention collective de travail conclue conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires;
2° ne prend pas en compte, comme de la durée du travail, les heures de formation qui sont nécessaires au travailleur pour exécuter le travail pour lequel il est engagé et qui doivent être organisées par l'employeur en application de dispositions légales ou d'une convention collective de travail conclue conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 7 octobre 2022 transposant partiellement la directive (UE) 2019/1152 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relative à des conditions de travail transparentes et prévisibles dans l'Union européenne, ne fournit pas des formations gratuitement à son travailleur quand elles sont nécessaires au travailleur pour exécuter le travail pour lequel il est engagé et lorsqu'elles doivent être organisées par l'employeur en application de dispositions légales ou d'une convention collective de travail conclue conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 7 octobre 2022 transposant partiellement la directive (UE) 2019/1152 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relative à des conditions de travail transparentes et prévisibles dans l'Union européenne:
1° organise, en dehors des heures de travail sans qu'il démontre que leur organisation pendant ces heures de travail est impossible, des formations qui sont nécessaires au travailleur pour exécuter le travail pour lequel il est engagé et qui doivent être organisées par l'employeur en application de dispositions légales ou d'une convention collective de travail conclue conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires;
2° ne prend pas en compte, comme de la durée du travail, les heures de formation qui sont nécessaires au travailleur pour exécuter le travail pour lequel il est engagé et qui doivent être organisées par l'employeur en application de dispositions légales ou d'une convention collective de travail conclue conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Afdeling 3. - Overmaken door de werkgever van documenten die de werknemers toelaten hun recht te doen gelden op de vergoedingen in geval van sluiting van ondernemingen
Section 3. - La transmission par l'employeur de documents permettant aux travailleurs de faire valoir leur droit aux indemnités en cas de fermeture d'entreprises
Art. 172. Het overmaken door de werkgever van documenten die de werknemers toelaten hun recht te doen gelden op de vergoedingen in geval van sluiting van ondernemingen
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, de vereffenaar, de commissaris inzake opschorting, of de curator, de werkgever die een overname van actief heeft verricht, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, met inbreuk op de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen en op zijn uitvoeringsbesluiten, het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers niet de door de Koning bepaalde inlichtingen verstrekt en de juistheid ervan bevestigt, ze dagtekent en ze ondertekent.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, de vereffenaar, de commissaris inzake opschorting, of de curator, de werkgever die een overname van actief heeft verricht, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, met inbreuk op de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen en op zijn uitvoeringsbesluiten, het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers niet de door de Koning bepaalde inlichtingen verstrekt en de juistheid ervan bevestigt, ze dagtekent en ze ondertekent.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 172. La transmission par l'employeur de documents permettant aux travailleurs de faire valoir leur droit aux indemnités en cas de fermeture d'entreprises
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, le liquidateur, le commissaire au sursis ou le curateur, l'employeur qui a effectué une reprise d'actif, son préposé ou son mandataire, qui en contravention à la loi du 26 juin 2002 relative aux fermetures d'entreprises et à ses arrêtés d'exécution ne transmet pas au fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprises, les renseignements déterminés par le Roi, en les certifiant exacts, en les datant et en les signant.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, le liquidateur, le commissaire au sursis ou le curateur, l'employeur qui a effectué une reprise d'actif, son préposé ou son mandataire, qui en contravention à la loi du 26 juin 2002 relative aux fermetures d'entreprises et à ses arrêtés d'exécution ne transmet pas au fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprises, les renseignements déterminés par le Roi, en les certifiant exacts, en les datant et en les signant.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Afdeling 4. - Educatief verlof
Section 4. - Le congé-éducation
Art. 173. Educatief verlof
§ 1. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, eenieder die onjuiste inlichtingen verschaft met het oog op de toepassing van de regels betreffende het educatief verlof vermeld in de afdeling 6 van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en de uitvoeringsbesluiten ervan.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met afdeling 6 van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, een werknemer die naar behoren een aanvraag tot educatief verlof heeft ingediend, het recht weigert afwezig te zijn met het oog op het volgen van de cursus.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 1. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, eenieder die onjuiste inlichtingen verschaft met het oog op de toepassing van de regels betreffende het educatief verlof vermeld in de afdeling 6 van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en de uitvoeringsbesluiten ervan.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met afdeling 6 van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, een werknemer die naar behoren een aanvraag tot educatief verlof heeft ingediend, het recht weigert afwezig te zijn met het oog op het volgen van de cursus.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 173. Le congé-éducation
§ 1er. Est punie d'une sanction de niveau 1, toute personne qui fournit des renseignements inexacts en vue de l'application des règles relatives au congé-éducation énoncées dans la section 6 du chapitre IV de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales et dans ses arrêtés d'exécution.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en violation de la section 6 du chapitre IV de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, refuse au travailleur qui a régulièrement introduit une demande de congé-éducation le droit de s'absenter pour suivre les cours.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 1er. Est punie d'une sanction de niveau 1, toute personne qui fournit des renseignements inexacts en vue de l'application des règles relatives au congé-éducation énoncées dans la section 6 du chapitre IV de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales et dans ses arrêtés d'exécution.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en violation de la section 6 du chapitre IV de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, refuse au travailleur qui a régulièrement introduit une demande de congé-éducation le droit de s'absenter pour suivre les cours.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Art. 173_WAALS_GEWEST. Educatief verlof
§ 1. [1 ...]1
§ 2. [2 ...]2
§ 1. [1 ...]1
§ 2. [2 ...]2
Art. 173 _REGION_WALLONNE.
Le congé-éducation
§ 1er. [1 ...]1
§ 2. [2 ...]2
Le congé-éducation
§ 1er. [1 ...]1
§ 2. [2 ...]2
Afdeling 5. - Regels inzake tuchtstraffen
Section 5. - Les règles en matière de sanctions disciplinaires
Afdeling 6. [1 - Meerdere banen.]1
Section 6. [1 - Les emplois parallèles.]1
Art. 174/1. [1 Meerdere banen
Wordt bestraft met een sanctie van niveau 2, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 7 oktober 2022 houdende gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en van de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie, aan zijn werknemer verbiedt om, behoudens de wettelijk voorziene gevallen, buiten zijn werkrooster te werken voor één of meerdere andere werkgevers of hem om die reden onderwerpt aan een nadelige behandeling.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Wordt bestraft met een sanctie van niveau 2, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 7 oktober 2022 houdende gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en van de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie, aan zijn werknemer verbiedt om, behoudens de wettelijk voorziene gevallen, buiten zijn werkrooster te werken voor één of meerdere andere werkgevers of hem om die reden onderwerpt aan een nadelige behandeling.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 174/1. [1 Les emplois parallèles
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à la loi du 7 octobre 2022 transposant partiellement la directive (UE) 2019/1152 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relative à des conditions de travail transparentes et prévisibles dans l'Union européenne, interdit, en dehors des cas prévus par la loi, à son travailleur de travailler pour un ou plusieurs autres employeurs en dehors de son horaire de travail ou le soumet, pour cette raison, à un traitement défavorable.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à la loi du 7 octobre 2022 transposant partiellement la directive (UE) 2019/1152 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relative à des conditions de travail transparentes et prévisibles dans l'Union européenne, interdit, en dehors des cas prévus par la loi, à son travailleur de travailler pour un ou plusieurs autres employeurs en dehors de son horaire de travail ou le soumet, pour cette raison, à un traitement défavorable.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Afdeling 7. [1 - Een andere vorm van werk.]1
Section 7. [1 - Une autre forme d'emploi.]1
Art. 174/2. [1 Een andere vorm van werk
Wordt bestraft met een sanctie van niveau 2, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 7 oktober 2022 houdende gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie, de werknemer die aan de voorwaarden voldoet en die een meer zekere en meer voorspelbare vorm van werk vraagt op basis van artikel 23 van voormelde wet van 7 oktober 2022, niet op schriftelijke of elektronische wijze, met redenen omkleed en binnen de voorziene termijn te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek beantwoordt.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Wordt bestraft met een sanctie van niveau 2, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 7 oktober 2022 houdende gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie, de werknemer die aan de voorwaarden voldoet en die een meer zekere en meer voorspelbare vorm van werk vraagt op basis van artikel 23 van voormelde wet van 7 oktober 2022, niet op schriftelijke of elektronische wijze, met redenen omkleed en binnen de voorziene termijn te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek beantwoordt.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 174/2. [1 Une autre forme d'emploi
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 7 octobre 2022 transposant partiellement la directive (UE) 2019/1152 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relative à des conditions de travail transparentes et prévisibles dans l'Union européenne, ne répond pas par écrit ou par voie électronique, de manière motivée et dans le délai prévu à compter de la date de la réception de la demande, au travailleur qui remplit les conditions et qui demande une forme d'emploi plus sûre et plus prévisible sur base de l'article 23 de la loi précitée du 7 octobre 2022.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 7 octobre 2022 transposant partiellement la directive (UE) 2019/1152 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relative à des conditions de travail transparentes et prévisibles dans l'Union européenne, ne répond pas par écrit ou par voie électronique, de manière motivée et dans le délai prévu à compter de la date de la réception de la demande, au travailleur qui remplit les conditions et qui demande une forme d'emploi plus sûre et plus prévisible sur base de l'article 23 de la loi précitée du 7 octobre 2022.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
HOOFDSTUK 4. - Illegale arbeid
CHAPITRE 4. - Le travail illégal
Afdeling 1. - Buitenlandse arbeidskrachten
Section 1re. - La main-d'oeuvre étrangère
Art. 175. Buitenlandse arbeidskrachten
[3 NOTA : opgeheven, behalve wat de jonge au pairs, bedoeld in artikel 3, 4° van de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden betreft.]3
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, arbeid doen of laten verrichten door een buitenlandse onderdaan die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
[1 § 1/1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, op het ogenblik van de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land :
1° niet vooraf nagegaan heeft of deze over een geldige verblijfsvergunning of een andere machtiging tot verblijf beschikt;
2° niet ten minste voor de duur van de tewerkstelling, een afschrift of de gegevens van zijn verblijfsvergunning of van zijn andere machtiging tot verblijf beschikbaar gehouden heeft voor de bevoegde inspectiediensten;
3° geen aangifte heeft gedaan van de aanvang en de beëindiging van zijn tewerkstelling overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen.
In het geval dat de verblijfsvergunning of de andere machtiging tot verblijf die door de buitenlandse onderdaan wordt voorgelegd een vervalsing is, is de in het eerste lid bedoelde sanctie van toepassing wanneer het bewezen is dat de werkgever op de hoogte was dat dit document een vervalsing was.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers :
1° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder een arbeidsvergunning te hebben verkregen van de bevoegde overheid en/of die niet over een arbeidskaart beschikt;
2° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder de grenzen van deze arbeidsvergunning en/of arbeidskaart te respecteren;
3° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten voor een duur welke de duur van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart overschrijdt;
4° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten na de intrekking van de arbeidsvergunning of de arbeidskaart;
5° de arbeidsvergunning niet heeft teruggegeven aan de buitenlandse werknemer of hem die heeft bezorgd tegen betaling van een bedrag of vergoeding in welke vorm ook.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 3. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die, in strijd met de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers :
1° een buitenlandse onderdaan België heeft laten binnenkomen om er te worden tewerkgesteld of daartoe heeft bijgedragen, tenzij de buitenlandse onderdaan in het bezit is van een geldige arbeidskaart en met uitzondering van de buitenlandse onderdaan voor wie de werkgever na diens aankomst in België een arbeidsvergunning kan verkrijgen om er te worden tewerkgesteld;
2° een buitenlandse onderdaan heeft beloofd, tegen betaling van welke vergoeding ook, hetzij een betrekking voor hem te zoeken, hetzij hem een betrekking te bezorgen, hetzij formaliteiten te vervullen met het oog op diens tewerkstelling in België;
3° van een buitenlandse onderdaan een vergoeding in welke vorm ook heeft geëist of aangenomen, hetzij om voor hem een betrekking te zoeken, hetzij om hem een betrekking te bezorgen, hetzij om formaliteiten te vervullen met het oog op diens tewerkstelling in België;
4° als tussenpersoon is opgetreden tussen een buitenlandse onderdaan en een werkgever of de autoriteiten die zijn belast met de toepassing van de bepalingen van de voormelde wet van 30 april 1999 of van de uitvoeringsbesluiten ervan, of nog tussen een werkgever en diezelfde autoriteiten, waarbij daden zijn gesteld die hetzij die buitenlandse onderdaan, hetzij de werkgever, hetzij de genoemde autoriteiten op een dwaalspoor kunnen brengen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
[2 § 3/1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft de aannemer, buiten het kader van een keten van onderaannemers, of de intermediaire aannemer, in het kader van dergelijke keten, wanneer hun rechtstreekse onderaannemer een in § 1/1 bedoelde inbreuk pleegt.
In afwijking van het eerste lid worden de aannemer en de intermediaire aannemer niet bestraft met een sanctie van niveau 4, indien zij in het bezit zijn van een schriftelijke verklaring waarin hun rechtstreekse onderaannemer bevestigt dat hij geen illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt en zal tewerkstellen.
In afwijking van het tweede lid worden de aannemer en de intermediaire aannemer die in het bezit zijn van de schriftelijke verklaring bestraft met een sanctie van niveau 4, indien zij, voorafgaand aan de inbreuk bedoeld in het eerste lid, op de hoogte zijn van het feit dat hun rechtstreekse onderaannemer een of meerdere illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de in artikel 49/2 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde kennisgeving zijn".
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 3/2. Met een sanctie van niveau 4 worden bestraft de hoofdaannemer en intermediaire aannemer, in het kader van een keten van onderaannemers wanneer hun onrechtstreekse onderaannemer een in § 1/1 bedoelde inbreuk pleegt, indien zij voorafgaand aan de door hen gepleegde inbreuk, op de hoogte zijn van het feit dat hun onrechtstreekse onderaannemer een of meerdere illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de in artikel 49/2 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde kennisgeving zijn".
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 3/3. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft :
1° de opdrachtgever, buiten het kader van een onderaanneming, wanneer zijn aannemer één van de in § 1/1 bedoelde inbreuken pleegt, indien de opdrachtgever voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat zijn aannemer een of meerdere illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de in artikel 49/2 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde kennisgeving zijn".
2° de opdrachtgever, binnen het kader van een onderaanneming, wanneer de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een in § 1/1 bedoelde inbreuk pleegt, indien de opdrachtgever voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een of meerdere illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de in artikel 49/2 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde kennisgeving zijn".
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]2
§ 4. In afwijking van artikel 42, 1°, van het Strafwetboek kan de bijzondere verbeurdverklaring, die wordt opgelegd door de rechter, eveneens worden toegepast op de roerende goederen en op de onroerende goederen door incorporatie of door bestemming, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een inbreuk op dit artikel of die gediend hebben tot of bestemd waren voor het plegen van deze inbreuk, zelfs wanneer deze goederen niet behoren tot de eigendom van de overtreder.
[3 NOTA : opgeheven, behalve wat de jonge au pairs, bedoeld in artikel 3, 4° van de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden betreft.]3
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, arbeid doen of laten verrichten door een buitenlandse onderdaan die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
[1 § 1/1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, op het ogenblik van de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land :
1° niet vooraf nagegaan heeft of deze over een geldige verblijfsvergunning of een andere machtiging tot verblijf beschikt;
2° niet ten minste voor de duur van de tewerkstelling, een afschrift of de gegevens van zijn verblijfsvergunning of van zijn andere machtiging tot verblijf beschikbaar gehouden heeft voor de bevoegde inspectiediensten;
3° geen aangifte heeft gedaan van de aanvang en de beëindiging van zijn tewerkstelling overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen.
In het geval dat de verblijfsvergunning of de andere machtiging tot verblijf die door de buitenlandse onderdaan wordt voorgelegd een vervalsing is, is de in het eerste lid bedoelde sanctie van toepassing wanneer het bewezen is dat de werkgever op de hoogte was dat dit document een vervalsing was.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers :
1° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder een arbeidsvergunning te hebben verkregen van de bevoegde overheid en/of die niet over een arbeidskaart beschikt;
2° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder de grenzen van deze arbeidsvergunning en/of arbeidskaart te respecteren;
3° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten voor een duur welke de duur van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart overschrijdt;
4° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten na de intrekking van de arbeidsvergunning of de arbeidskaart;
5° de arbeidsvergunning niet heeft teruggegeven aan de buitenlandse werknemer of hem die heeft bezorgd tegen betaling van een bedrag of vergoeding in welke vorm ook.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 3. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die, in strijd met de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers :
1° een buitenlandse onderdaan België heeft laten binnenkomen om er te worden tewerkgesteld of daartoe heeft bijgedragen, tenzij de buitenlandse onderdaan in het bezit is van een geldige arbeidskaart en met uitzondering van de buitenlandse onderdaan voor wie de werkgever na diens aankomst in België een arbeidsvergunning kan verkrijgen om er te worden tewerkgesteld;
2° een buitenlandse onderdaan heeft beloofd, tegen betaling van welke vergoeding ook, hetzij een betrekking voor hem te zoeken, hetzij hem een betrekking te bezorgen, hetzij formaliteiten te vervullen met het oog op diens tewerkstelling in België;
3° van een buitenlandse onderdaan een vergoeding in welke vorm ook heeft geëist of aangenomen, hetzij om voor hem een betrekking te zoeken, hetzij om hem een betrekking te bezorgen, hetzij om formaliteiten te vervullen met het oog op diens tewerkstelling in België;
4° als tussenpersoon is opgetreden tussen een buitenlandse onderdaan en een werkgever of de autoriteiten die zijn belast met de toepassing van de bepalingen van de voormelde wet van 30 april 1999 of van de uitvoeringsbesluiten ervan, of nog tussen een werkgever en diezelfde autoriteiten, waarbij daden zijn gesteld die hetzij die buitenlandse onderdaan, hetzij de werkgever, hetzij de genoemde autoriteiten op een dwaalspoor kunnen brengen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
[2 § 3/1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft de aannemer, buiten het kader van een keten van onderaannemers, of de intermediaire aannemer, in het kader van dergelijke keten, wanneer hun rechtstreekse onderaannemer een in § 1/1 bedoelde inbreuk pleegt.
In afwijking van het eerste lid worden de aannemer en de intermediaire aannemer niet bestraft met een sanctie van niveau 4, indien zij in het bezit zijn van een schriftelijke verklaring waarin hun rechtstreekse onderaannemer bevestigt dat hij geen illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt en zal tewerkstellen.
In afwijking van het tweede lid worden de aannemer en de intermediaire aannemer die in het bezit zijn van de schriftelijke verklaring bestraft met een sanctie van niveau 4, indien zij, voorafgaand aan de inbreuk bedoeld in het eerste lid, op de hoogte zijn van het feit dat hun rechtstreekse onderaannemer een of meerdere illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de in artikel 49/2 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde kennisgeving zijn".
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 3/2. Met een sanctie van niveau 4 worden bestraft de hoofdaannemer en intermediaire aannemer, in het kader van een keten van onderaannemers wanneer hun onrechtstreekse onderaannemer een in § 1/1 bedoelde inbreuk pleegt, indien zij voorafgaand aan de door hen gepleegde inbreuk, op de hoogte zijn van het feit dat hun onrechtstreekse onderaannemer een of meerdere illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de in artikel 49/2 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde kennisgeving zijn".
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 3/3. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft :
1° de opdrachtgever, buiten het kader van een onderaanneming, wanneer zijn aannemer één van de in § 1/1 bedoelde inbreuken pleegt, indien de opdrachtgever voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat zijn aannemer een of meerdere illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de in artikel 49/2 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde kennisgeving zijn".
2° de opdrachtgever, binnen het kader van een onderaanneming, wanneer de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een in § 1/1 bedoelde inbreuk pleegt, indien de opdrachtgever voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een of meerdere illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de in artikel 49/2 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde kennisgeving zijn".
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]2
§ 4. In afwijking van artikel 42, 1°, van het Strafwetboek kan de bijzondere verbeurdverklaring, die wordt opgelegd door de rechter, eveneens worden toegepast op de roerende goederen en op de onroerende goederen door incorporatie of door bestemming, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een inbreuk op dit artikel of die gediend hebben tot of bestemd waren voor het plegen van deze inbreuk, zelfs wanneer deze goederen niet behoren tot de eigendom van de overtreder.
Art. 175. La main-d'oeuvre étrangère
[3 NOTE : abrogé, sauf en ce qui concerne les jeunes au pair visés à l'article 3, 4° de la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour.]3
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation de travailleurs étrangers, a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger qui n'est pas admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois en Belgique ou à s'y établir.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
[1 § 1er/1. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers, n'a pas, lors de l'occupation d'un ressortissant d'un pays tiers :
1° vérifié au préalable que celui-ci dispose d'un titre de séjour ou d'une autre autorisation de séjour valable;
2° tenu à la disposition des services d'inspections compétents une copie ou les données de son titre de séjour ou de son autre autorisation de séjour valable, au moins pendant la durée de la période d'emploi;
3° déclaré son entrée et sa sortie de service conformément aux dispositions légales et réglementaires.
Au cas où le titre de séjour ou l'autre autorisation de séjour présenté par le ressortissant étranger est un faux, la sanction visée à l'alinéa 1er est applicable s'il est prouvé que l'employeur savait que ce document était un faux.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation de travailleurs étrangers :
1° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger sans avoir obtenu une autorisation d'occupation de l'autorité compétente et/ou qui ne possède pas de permis de travail;
2° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger en ne respectant pas les limites fixées par l'autorisation d'occupation et/ou le permis de travail;
3° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger pour une durée plus longue que celle de l'autorisation d'occupation et du permis de travail;
4° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger après le retrait de l'autorisation d'occupation ou du permis de travail;
5° n'a pas remis le permis de travail au travailleur étranger ou le lui a remis moyennant paiement d'une somme ou d'une rétribution sous quelque forme que ce soit.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque, en contravention à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation de travailleurs étrangers :
1° a fait entrer en Belgique un ressortissant étranger ou a favorisé l'entrée en Belgique de celui-ci en vue d'y être occupé, sauf s'il s'agit d'un ressortissant étranger possédant un permis de travail valable et à l'exception du ressortissant étranger pour lequel l'employeur peut bénéficier d'une autorisation d'occupation postérieurement à son entrée en Belgique en vue d'y être occupé;
2° a promis à un ressortissant étranger, moyennant une rétribution sous forme quelconque, soit de lui chercher un emploi, soit de lui procurer un emploi, soit d'accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique;
3° a réclamé ou reçu d'un ressortissant étranger, une rétribution sous une forme quelconque, soit pour lui chercher un emploi, soit pour lui procurer un emploi, soit pour accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique;
4° a servi d'intermédiaire entre un ressortissant étranger et un employeur ou les autorités chargées de l'application des dispositions de la loi précitée du 30 avril 1999 ou de ses arrêtés d'exécution ou encore entre un employeur et ces mêmes autorités, en accomplissant des actes susceptibles d'induire en erreur, soit ce ressortissant étranger, soit l'employeur, soit lesdites autorités.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
[2 § 3/1. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'entrepreneur, en l'absence d'une chaîne de sous-traitants, ou l'entrepreneur intermédiaire, en cas d'existence d'une telle chaîne, quand leur sous-traitant direct commet une infraction visée au § 1er/1.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire ne sont pas punis d'une sanction de niveau 4, s'ils sont en possession d'une déclaration écrite dans laquelle leur sous-traitant direct certifie qu'il n'occupe pas et n'occupera pas de ressortissant d'un pays tiers en séjour illégal.
Par dérogation à l'alinéa 2, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire qui sont en possession de la déclaration écrite sont punis d'une sanction de niveau 4 s'ils ont, préalablement à l'infraction visée à l'alinéa 1er, connaissance du fait que leur sous-traitant direct occupe un ou plusieurs ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification visée à l'article 49/2 du Code pénal social".
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 3/2. Sont punis d'une sanction de niveau 4, l'entrepreneur principal et l'entrepreneur intermédiaire, en cas d'existence d'une chaîne de sous-traitants, quand leur sous-traitant indirect commet une infraction visée au § 1er/1, s'ils ont au préalable connaissance du fait que leur sous-traitant indirect occupe un ou plusieurs ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification visée à l'article 49/2 du Code pénal social".
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 3/3. Est puni d'une sanction de niveau 4 :
1° le donneur d'ordre, en l'absence d'une relation de sous-traitance, quand son entrepreneur commet une des infractions visées au § 1er/1, si le donneur d'ordre a, préalablement à l'infraction qu'il a commise, connaissance du fait que son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification visée à l'article 49/2 du Code pénal social".
2° le donneur d'ordre, en cas d'existence d'une relation de sous-traitance, quand le sous-traitant intervenant directement ou indirectement après son entrepreneur a commis une infraction visée au § 1er/1, si le donneur d'ordre a, préalablement à l'infraction qu'il a commise, connaissance du fait que leur sous-traitant intervenant directement ou indirectement après son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification visée à l'article 49/2 du Code pénal social".
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]2
§ 4. Par dérogation à l'article 42, 1°, du Code pénal, la confiscation spéciale, prononcée par le juge, peut également être appliquée aux biens meubles et aux biens immeubles par incorporation ou par destination, qui ont formé l'objet d'une infraction au présent article ou qui ont servi ou qui étaient destinés à commettre cette infraction, même lorsque ces biens n'appartiennent pas en propriété au contrevenant.
[3 NOTE : abrogé, sauf en ce qui concerne les jeunes au pair visés à l'article 3, 4° de la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour.]3
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation de travailleurs étrangers, a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger qui n'est pas admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois en Belgique ou à s'y établir.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
[1 § 1er/1. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers, n'a pas, lors de l'occupation d'un ressortissant d'un pays tiers :
1° vérifié au préalable que celui-ci dispose d'un titre de séjour ou d'une autre autorisation de séjour valable;
2° tenu à la disposition des services d'inspections compétents une copie ou les données de son titre de séjour ou de son autre autorisation de séjour valable, au moins pendant la durée de la période d'emploi;
3° déclaré son entrée et sa sortie de service conformément aux dispositions légales et réglementaires.
Au cas où le titre de séjour ou l'autre autorisation de séjour présenté par le ressortissant étranger est un faux, la sanction visée à l'alinéa 1er est applicable s'il est prouvé que l'employeur savait que ce document était un faux.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation de travailleurs étrangers :
1° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger sans avoir obtenu une autorisation d'occupation de l'autorité compétente et/ou qui ne possède pas de permis de travail;
2° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger en ne respectant pas les limites fixées par l'autorisation d'occupation et/ou le permis de travail;
3° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger pour une durée plus longue que celle de l'autorisation d'occupation et du permis de travail;
4° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger après le retrait de l'autorisation d'occupation ou du permis de travail;
5° n'a pas remis le permis de travail au travailleur étranger ou le lui a remis moyennant paiement d'une somme ou d'une rétribution sous quelque forme que ce soit.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque, en contravention à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation de travailleurs étrangers :
1° a fait entrer en Belgique un ressortissant étranger ou a favorisé l'entrée en Belgique de celui-ci en vue d'y être occupé, sauf s'il s'agit d'un ressortissant étranger possédant un permis de travail valable et à l'exception du ressortissant étranger pour lequel l'employeur peut bénéficier d'une autorisation d'occupation postérieurement à son entrée en Belgique en vue d'y être occupé;
2° a promis à un ressortissant étranger, moyennant une rétribution sous forme quelconque, soit de lui chercher un emploi, soit de lui procurer un emploi, soit d'accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique;
3° a réclamé ou reçu d'un ressortissant étranger, une rétribution sous une forme quelconque, soit pour lui chercher un emploi, soit pour lui procurer un emploi, soit pour accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique;
4° a servi d'intermédiaire entre un ressortissant étranger et un employeur ou les autorités chargées de l'application des dispositions de la loi précitée du 30 avril 1999 ou de ses arrêtés d'exécution ou encore entre un employeur et ces mêmes autorités, en accomplissant des actes susceptibles d'induire en erreur, soit ce ressortissant étranger, soit l'employeur, soit lesdites autorités.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
[2 § 3/1. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'entrepreneur, en l'absence d'une chaîne de sous-traitants, ou l'entrepreneur intermédiaire, en cas d'existence d'une telle chaîne, quand leur sous-traitant direct commet une infraction visée au § 1er/1.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire ne sont pas punis d'une sanction de niveau 4, s'ils sont en possession d'une déclaration écrite dans laquelle leur sous-traitant direct certifie qu'il n'occupe pas et n'occupera pas de ressortissant d'un pays tiers en séjour illégal.
Par dérogation à l'alinéa 2, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire qui sont en possession de la déclaration écrite sont punis d'une sanction de niveau 4 s'ils ont, préalablement à l'infraction visée à l'alinéa 1er, connaissance du fait que leur sous-traitant direct occupe un ou plusieurs ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification visée à l'article 49/2 du Code pénal social".
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 3/2. Sont punis d'une sanction de niveau 4, l'entrepreneur principal et l'entrepreneur intermédiaire, en cas d'existence d'une chaîne de sous-traitants, quand leur sous-traitant indirect commet une infraction visée au § 1er/1, s'ils ont au préalable connaissance du fait que leur sous-traitant indirect occupe un ou plusieurs ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification visée à l'article 49/2 du Code pénal social".
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 3/3. Est puni d'une sanction de niveau 4 :
1° le donneur d'ordre, en l'absence d'une relation de sous-traitance, quand son entrepreneur commet une des infractions visées au § 1er/1, si le donneur d'ordre a, préalablement à l'infraction qu'il a commise, connaissance du fait que son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification visée à l'article 49/2 du Code pénal social".
2° le donneur d'ordre, en cas d'existence d'une relation de sous-traitance, quand le sous-traitant intervenant directement ou indirectement après son entrepreneur a commis une infraction visée au § 1er/1, si le donneur d'ordre a, préalablement à l'infraction qu'il a commise, connaissance du fait que leur sous-traitant intervenant directement ou indirectement après son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification visée à l'article 49/2 du Code pénal social".
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]2
§ 4. Par dérogation à l'article 42, 1°, du Code pénal, la confiscation spéciale, prononcée par le juge, peut également être appliquée aux biens meubles et aux biens immeubles par incorporation ou par destination, qui ont formé l'objet d'une infraction au présent article ou qui ont servi ou qui étaient destinés à commettre cette infraction, même lorsque ces biens n'appartiennent pas en propriété au contrevenant.
Art. 175/1. [1 De buitenlandse werknemers gemachtigd te werken op basis van een specifieke verblijfssituatie
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden, arbeid doen of laten verrichten door een buitenlandse onderdaan die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden, op het ogenblik van de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land:
1° niet vooraf nagegaan heeft of deze over een geldige verblijfsvergunning of een andere geldige machtiging tot verblijf beschikt;
2° niet ten minste voor de duur van de tewerkstelling een afschrift of de gegevens van zijn verblijfsvergunning of van zijn andere machtiging tot verblijf beschikbaar gehouden heeft voor de bevoegde inspectiediensten;
3° geen aangifte heeft gedaan van de aanvang en de beëindiging van zijn tewerkstelling overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen.
In het geval dat de verblijfsvergunning of de andere machtiging tot verblijf die door de buitenlandse onderdaan wordt voorgelegd een vervalsing is, is de in het eerste lid bedoelde sanctie van toepassing wanneer het bewezen is dat de werkgever wist dat dit document een vervalsing was.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
§ 3. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden:
1° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten van wie de verblijfsvergunning of de machtiging tot verblijf expliciet vermeldt dat de houder van die vergunning of die machtiging niet de machtiging heeft om te werken;
2° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten van wie de verblijfsvergunning of de machtiging tot verblijf expliciet vermeldt dat de houder van die vergunning of die machtiging enkel de machtiging heeft om te werken onder bepaalde voorwaarden of binnen bepaalde grenzen, als deze voorwaarden of grenzen niet worden nageleefd;
3° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten van wie de verblijfsvergunning of de machtiging tot verblijf die hem machtigt om te werken werd ingetrokken.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
§ 4. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die, in strijd met de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden:
1° een buitenlandse onderdaan België heeft laten binnenkomen om er te worden tewerkgesteld of daartoe heeft bijgedragen, tenzij de buitenlandse onderdaan in het bezit is van een geldig document dat hem machtigt om te werken en met uitzondering van de buitenlandse onderdaan voor wie de werkgever een machtiging kan verkrijgen na diens aankomst in België om er te worden tewerkgesteld;
2° een buitenlandse onderdaan heeft beloofd, tegen betaling van een vergoeding in welke voor ook, hetzij een betrekking voor hem te zoeken, hetzij hem een betrekking te bezorgen, hetzij formaliteiten te vervullen met het oog op diens tewerkstelling in België;
3° van een buitenlandse onderdaan een vergoeding in welke vorm ook heeft geëist of aangenomen, hetzij om voor hem een betrekking te zoeken, hetzij om hem een betrekking te bezorgen, hetzij om formaliteiten te vervullen met het oog op diens tewerkstelling in België;
4° als tussenpersoon is opgetreden tussen een buitenlandse onderdaan en een werkgever of de autoriteiten die zijn belast met de toepassing van de bepalingen van de voormelde wet van 9 mei 2018 of van de uitvoeringsbesluiten ervan, of nog tussen een werkgever en diezelfde autoriteiten, waarbij daden zijn gesteld die hetzij die buitenlandse onderdaan, hetzij de werkgever, hetzij de genoemde autoriteiten kunnen misleiden.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
§ 5. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft de aannemer, buiten het kader van een keten van onderaannemers, of de intermediaire aannemer, in het kader van dergelijke keten, wanneer hun rechtstreekse onderaannemer een in paragraaf 2 bedoelde inbreuk pleegt.
In afwijking van het eerste lid worden de aannemer en de intermediaire aannemer niet bestraft met een sanctie van niveau 4, indien zij in het bezit zijn van een schriftelijke verklaring waarin hun rechtstreekse onderaannemer bevestigt dat hij geen illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt en zal tewerkstellen.
In afwijking van het tweede lid worden de aannemer en de intermediaire aannemer die in het bezit zijn van de schriftelijke verklaring bestraft met een sanctie van niveau 4, indien zij, voorafgaand aan de inbreuk bedoeld in het eerste lid, op de hoogte zijn van het feit dat hun rechtstreekse onderaannemer een of meerdere illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de in artikel 49/2 bedoelde kennisgeving zijn.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 6. Met een sanctie van niveau 4 worden bestraft de hoofdaannemer en intermediaire aannemer, in het kader van een keten van onderaannemers, wanneer hun onrechtstreekse onderaannemer een in paragraaf 2 bedoelde inbreuk pleegt, indien zij, voorafgaand aan de door hen gepleegde inbreuk, op de hoogte zijn van het feit dat hun onrechtstreekse onderaannemer een of meerdere illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de in artikel 49/2 bedoelde kennisgeving zijn.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 7. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft:
1° de opdrachtgever, buiten het kader van een onderaanneming, wanneer zijn aannemer één van de in paragraaf 2 bedoelde inbreuken pleegt, indien de opdrachtgever voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat zijn aannemer een of meerdere illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de in artikel 49/2 bedoelde kennisgeving zijn.
2° de opdrachtgever, binnen het kader van een onderaanneming, wanneer de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een in paragraaf 2 bedoelde inbreuk pleegt, indien de opdrachtgever voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een of meerdere illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de in artikel 49/2 bedoelde kennisgeving zijn.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 8. In afwijking van artikel 42, 1°, van het Strafwetboek kan de bijzondere verbeurdverklaring, die wordt opgelegd door de rechter, eveneens worden toegepast op de roerende goederen en op de onroerende goederen door incorporatie of door bestemming, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een inbreuk op dit artikel of die gediend hebben tot of bestemd waren voor het plegen van deze inbreuk, zelfs wanneer deze goederen niet behoren tot de eigendom van de overtreder.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden, arbeid doen of laten verrichten door een buitenlandse onderdaan die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden, op het ogenblik van de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land:
1° niet vooraf nagegaan heeft of deze over een geldige verblijfsvergunning of een andere geldige machtiging tot verblijf beschikt;
2° niet ten minste voor de duur van de tewerkstelling een afschrift of de gegevens van zijn verblijfsvergunning of van zijn andere machtiging tot verblijf beschikbaar gehouden heeft voor de bevoegde inspectiediensten;
3° geen aangifte heeft gedaan van de aanvang en de beëindiging van zijn tewerkstelling overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen.
In het geval dat de verblijfsvergunning of de andere machtiging tot verblijf die door de buitenlandse onderdaan wordt voorgelegd een vervalsing is, is de in het eerste lid bedoelde sanctie van toepassing wanneer het bewezen is dat de werkgever wist dat dit document een vervalsing was.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
§ 3. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden:
1° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten van wie de verblijfsvergunning of de machtiging tot verblijf expliciet vermeldt dat de houder van die vergunning of die machtiging niet de machtiging heeft om te werken;
2° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten van wie de verblijfsvergunning of de machtiging tot verblijf expliciet vermeldt dat de houder van die vergunning of die machtiging enkel de machtiging heeft om te werken onder bepaalde voorwaarden of binnen bepaalde grenzen, als deze voorwaarden of grenzen niet worden nageleefd;
3° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten van wie de verblijfsvergunning of de machtiging tot verblijf die hem machtigt om te werken werd ingetrokken.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
§ 4. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die, in strijd met de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden:
1° een buitenlandse onderdaan België heeft laten binnenkomen om er te worden tewerkgesteld of daartoe heeft bijgedragen, tenzij de buitenlandse onderdaan in het bezit is van een geldig document dat hem machtigt om te werken en met uitzondering van de buitenlandse onderdaan voor wie de werkgever een machtiging kan verkrijgen na diens aankomst in België om er te worden tewerkgesteld;
2° een buitenlandse onderdaan heeft beloofd, tegen betaling van een vergoeding in welke voor ook, hetzij een betrekking voor hem te zoeken, hetzij hem een betrekking te bezorgen, hetzij formaliteiten te vervullen met het oog op diens tewerkstelling in België;
3° van een buitenlandse onderdaan een vergoeding in welke vorm ook heeft geëist of aangenomen, hetzij om voor hem een betrekking te zoeken, hetzij om hem een betrekking te bezorgen, hetzij om formaliteiten te vervullen met het oog op diens tewerkstelling in België;
4° als tussenpersoon is opgetreden tussen een buitenlandse onderdaan en een werkgever of de autoriteiten die zijn belast met de toepassing van de bepalingen van de voormelde wet van 9 mei 2018 of van de uitvoeringsbesluiten ervan, of nog tussen een werkgever en diezelfde autoriteiten, waarbij daden zijn gesteld die hetzij die buitenlandse onderdaan, hetzij de werkgever, hetzij de genoemde autoriteiten kunnen misleiden.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
§ 5. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft de aannemer, buiten het kader van een keten van onderaannemers, of de intermediaire aannemer, in het kader van dergelijke keten, wanneer hun rechtstreekse onderaannemer een in paragraaf 2 bedoelde inbreuk pleegt.
In afwijking van het eerste lid worden de aannemer en de intermediaire aannemer niet bestraft met een sanctie van niveau 4, indien zij in het bezit zijn van een schriftelijke verklaring waarin hun rechtstreekse onderaannemer bevestigt dat hij geen illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt en zal tewerkstellen.
In afwijking van het tweede lid worden de aannemer en de intermediaire aannemer die in het bezit zijn van de schriftelijke verklaring bestraft met een sanctie van niveau 4, indien zij, voorafgaand aan de inbreuk bedoeld in het eerste lid, op de hoogte zijn van het feit dat hun rechtstreekse onderaannemer een of meerdere illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de in artikel 49/2 bedoelde kennisgeving zijn.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 6. Met een sanctie van niveau 4 worden bestraft de hoofdaannemer en intermediaire aannemer, in het kader van een keten van onderaannemers, wanneer hun onrechtstreekse onderaannemer een in paragraaf 2 bedoelde inbreuk pleegt, indien zij, voorafgaand aan de door hen gepleegde inbreuk, op de hoogte zijn van het feit dat hun onrechtstreekse onderaannemer een of meerdere illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de in artikel 49/2 bedoelde kennisgeving zijn.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 7. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft:
1° de opdrachtgever, buiten het kader van een onderaanneming, wanneer zijn aannemer één van de in paragraaf 2 bedoelde inbreuken pleegt, indien de opdrachtgever voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat zijn aannemer een of meerdere illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de in artikel 49/2 bedoelde kennisgeving zijn.
2° de opdrachtgever, binnen het kader van een onderaanneming, wanneer de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een in paragraaf 2 bedoelde inbreuk pleegt, indien de opdrachtgever voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een of meerdere illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de in artikel 49/2 bedoelde kennisgeving zijn.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 8. In afwijking van artikel 42, 1°, van het Strafwetboek kan de bijzondere verbeurdverklaring, die wordt opgelegd door de rechter, eveneens worden toegepast op de roerende goederen en op de onroerende goederen door incorporatie of door bestemming, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een inbreuk op dit artikel of die gediend hebben tot of bestemd waren voor het plegen van deze inbreuk, zelfs wanneer deze goederen niet behoren tot de eigendom van de overtreder.]1
Art. 175/1. [1 Les travailleurs étrangers autorisés à travailler sur la base d'une situation particulière de séjour
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour, a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger qui n'est pas admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois en Belgique ou à s'y établir.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour, lors de l'occupation d'un ressortissant d'un pays tiers :
1° n'a pas vérifié au préalable que celui-ci dispose d'un titre de séjour ou d'une autre autorisation de séjour valable;
2° n'a pas tenu à la disposition des services d'inspection compétents une copie ou les données de son titre de séjour ou de son autre autorisation de séjour, au moins pendant la durée de la période d'occupation;
3° n'a pas déclaré son entrée et sa sortie de service conformément aux dispositions légales et réglementaires.
Au cas où le titre de séjour ou l'autre autorisation de séjour présenté par le ressortissant étranger est un faux, la sanction visée à l'alinéa 1er est applicable s'il est prouvé que l'employeur savait que ce document était un faux.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour :
1° a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger dont le titre de séjour ou l'autorisation de séjour valable mentionne explicitement que le détenteur de ce titre ou de cette autorisation n'est pas autorisé à travailler;
2° a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger dont le titre de séjour ou l'autorisation de séjour valable mentionne explicitement que le détenteur de ce titre ou de cette autorisation n'est autorisé à travailler que sous certaines conditions ou dans certaines limites, si ces conditions ou limites ne sont pas respectées;
3° a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger dont le titre de séjour ou l'autorisation de séjour l'autorisant à travailler a été retiré.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
§ 4. Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque, en contravention à la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour :
1° a fait entrer en Belgique un ressortissant étranger ou a favorisé l'entrée en Belgique de celui-ci en vue d'y être occupé, sauf s'il s'agit d'un ressortissant étranger possédant un document valable l'autorisant à travailler et à l'exception du ressortissant étranger pour lequel l'employeur peut obtenir une autorisation postérieurement à son entrée en Belgique en vue d'y être occupé;
2° a promis à un ressortissant étranger, moyennant une rétribution sous une forme quelconque, soit de lui chercher un emploi, soit de lui procurer un emploi, soit d'accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique;
3° a réclamé ou reçu d'un ressortissant étranger, une rétribution sous une forme quelconque, soit pour lui chercher un emploi, soit pour lui procurer un emploi, soit pour accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique;
4° a servi d'intermédiaire entre un ressortissant étranger et un employeur ou les autorités chargées de l'application des dispositions de la loi précitée du 9 mai 2018 ou de ses arrêtés d'exécution ou encore entre un employeur et ces mêmes autorités, en accomplissant des actes susceptibles d'induire en erreur, soit ce ressortissant étranger, soit l'employeur, soit lesdites autorités.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut, en outre, prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
§ 5. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'entrepreneur, en l'absence d'une chaîne de sous-traitants, ou l'entrepreneur intermédiaire, en cas d'existence d'une telle chaîne, quand leur sous-traitant direct commet une infraction visée au paragraphe 2.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire ne sont pas punis d'une sanction de niveau 4, s'ils sont en possession d'une déclaration écrite dans laquelle leur sous-traitant direct certifie qu'il n'occupe pas et n'occupera pas de ressortissant d'un pays tiers en séjour illégal.
Par dérogation à l'alinéa 2, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire qui sont en possession de la déclaration écrite sont punis d'une sanction de niveau 4 s'ils ont, préalablement à l'infraction visée à l'alinéa 1er, connaissance du fait que leur sous-traitant direct occupe un ou plusieurs ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification visée à l'article 49/2.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 6. Sont punis d'une sanction de niveau 4, l'entrepreneur principal et l'entrepreneur intermédiaire, en cas d'existence d'une chaîne de sous-traitants, quand leur sous-traitant indirect commet une infraction visée au paragraphe 2, s'ils ont préalablement à l'infraction commise par eux, connaissance du fait que leur sous-traitant indirect occupe un ou plusieurs ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification visée à l'article 49/2.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 7. Est puni d'une sanction de niveau 4:
1° le donneur d'ordre, en l'absence d'une relation de sous-traitance, quand son entrepreneur commet une des infractions visées au paragraphe 2, si le donneur d'ordre a, préalablement à l'infraction qu'il a commise, connaissance du fait que son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification visée à l'article 49/2.
2° le donneur d'ordre, en cas d'existence d'une relation de sous-traitance, quand le sous-traitant intervenant directement ou indirectement après son entrepreneur commet une infraction visée au paragraphe 2, si le donneur d'ordre a, préalablement à l'infraction qu'il a commise, connaissance du fait que le sous-traitant intervenant directement ou indirectement après son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification visée à l'article 49/2.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 8. Par dérogation à l'article 42, 1°, du Code pénal, la confiscation spéciale, imposée par le juge, peut également être appliquée aux biens meubles et aux biens immeubles par incorporation ou par destination, qui ont formé l'objet d'une infraction au présent article ou qui ont servi ou qui étaient destinés à commettre cette infraction, même lorsque ces biens n'appartiennent pas en propriété au contrevenant.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour, a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger qui n'est pas admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois en Belgique ou à s'y établir.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour, lors de l'occupation d'un ressortissant d'un pays tiers :
1° n'a pas vérifié au préalable que celui-ci dispose d'un titre de séjour ou d'une autre autorisation de séjour valable;
2° n'a pas tenu à la disposition des services d'inspection compétents une copie ou les données de son titre de séjour ou de son autre autorisation de séjour, au moins pendant la durée de la période d'occupation;
3° n'a pas déclaré son entrée et sa sortie de service conformément aux dispositions légales et réglementaires.
Au cas où le titre de séjour ou l'autre autorisation de séjour présenté par le ressortissant étranger est un faux, la sanction visée à l'alinéa 1er est applicable s'il est prouvé que l'employeur savait que ce document était un faux.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour :
1° a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger dont le titre de séjour ou l'autorisation de séjour valable mentionne explicitement que le détenteur de ce titre ou de cette autorisation n'est pas autorisé à travailler;
2° a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger dont le titre de séjour ou l'autorisation de séjour valable mentionne explicitement que le détenteur de ce titre ou de cette autorisation n'est autorisé à travailler que sous certaines conditions ou dans certaines limites, si ces conditions ou limites ne sont pas respectées;
3° a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger dont le titre de séjour ou l'autorisation de séjour l'autorisant à travailler a été retiré.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
§ 4. Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque, en contravention à la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour :
1° a fait entrer en Belgique un ressortissant étranger ou a favorisé l'entrée en Belgique de celui-ci en vue d'y être occupé, sauf s'il s'agit d'un ressortissant étranger possédant un document valable l'autorisant à travailler et à l'exception du ressortissant étranger pour lequel l'employeur peut obtenir une autorisation postérieurement à son entrée en Belgique en vue d'y être occupé;
2° a promis à un ressortissant étranger, moyennant une rétribution sous une forme quelconque, soit de lui chercher un emploi, soit de lui procurer un emploi, soit d'accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique;
3° a réclamé ou reçu d'un ressortissant étranger, une rétribution sous une forme quelconque, soit pour lui chercher un emploi, soit pour lui procurer un emploi, soit pour accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique;
4° a servi d'intermédiaire entre un ressortissant étranger et un employeur ou les autorités chargées de l'application des dispositions de la loi précitée du 9 mai 2018 ou de ses arrêtés d'exécution ou encore entre un employeur et ces mêmes autorités, en accomplissant des actes susceptibles d'induire en erreur, soit ce ressortissant étranger, soit l'employeur, soit lesdites autorités.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut, en outre, prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
§ 5. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'entrepreneur, en l'absence d'une chaîne de sous-traitants, ou l'entrepreneur intermédiaire, en cas d'existence d'une telle chaîne, quand leur sous-traitant direct commet une infraction visée au paragraphe 2.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire ne sont pas punis d'une sanction de niveau 4, s'ils sont en possession d'une déclaration écrite dans laquelle leur sous-traitant direct certifie qu'il n'occupe pas et n'occupera pas de ressortissant d'un pays tiers en séjour illégal.
Par dérogation à l'alinéa 2, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire qui sont en possession de la déclaration écrite sont punis d'une sanction de niveau 4 s'ils ont, préalablement à l'infraction visée à l'alinéa 1er, connaissance du fait que leur sous-traitant direct occupe un ou plusieurs ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification visée à l'article 49/2.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 6. Sont punis d'une sanction de niveau 4, l'entrepreneur principal et l'entrepreneur intermédiaire, en cas d'existence d'une chaîne de sous-traitants, quand leur sous-traitant indirect commet une infraction visée au paragraphe 2, s'ils ont préalablement à l'infraction commise par eux, connaissance du fait que leur sous-traitant indirect occupe un ou plusieurs ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification visée à l'article 49/2.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 7. Est puni d'une sanction de niveau 4:
1° le donneur d'ordre, en l'absence d'une relation de sous-traitance, quand son entrepreneur commet une des infractions visées au paragraphe 2, si le donneur d'ordre a, préalablement à l'infraction qu'il a commise, connaissance du fait que son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification visée à l'article 49/2.
2° le donneur d'ordre, en cas d'existence d'une relation de sous-traitance, quand le sous-traitant intervenant directement ou indirectement après son entrepreneur commet une infraction visée au paragraphe 2, si le donneur d'ordre a, préalablement à l'infraction qu'il a commise, connaissance du fait que le sous-traitant intervenant directement ou indirectement après son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification visée à l'article 49/2.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 8. Par dérogation à l'article 42, 1°, du Code pénal, la confiscation spéciale, imposée par le juge, peut également être appliquée aux biens meubles et aux biens immeubles par incorporation ou par destination, qui ont formé l'objet d'une infraction au présent article ou qui ont servi ou qui étaient destinés à commettre cette infraction, même lorsque ces biens n'appartiennent pas en propriété au contrevenant.]1
Afdeling 2. - Uitzendarbeid
Section 2. - Le travail intérimaire
Art. 176. Uitzendarbeid
§ 1. [3 ...]3
[3 § 1/1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, het uitzendbureau, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers:
1° voor de periodes zonder uitzendopdracht aan de uitzendkracht, die op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt tewerkgesteld, niet het minimum gewaarborgd uurloon betaald heeft voor elk uur van een voltijdse werkdag of -week dat hij niet wordt ter beschikking gesteld van een gebruiker;
2° aan een uitzendkracht een loon betaald heeft dat lager is dan dat waarop hij recht zou gehad hebben als hij onder dezelfde voorwaarden als vaste werknemer aangeworven was door de gebruiker, buiten de gevallen die toegelaten zijn door een binnen het Paritair Comité voor de uitzendarbeid afgesloten en door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst.
Wat de in het eerste lid bedoelde inbreuken betreft, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]3
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, het uitzendbureau, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de voormelde wet van 24 juli 1987 :
1° een uitzendkracht ter beschikking stelt van een gebruiker buiten de wettelijk toegestane gevallen of zonder naleving van de procedure bepaald in de wet of in een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst van de Nationale Arbeidsraad;
2° een uitzendkracht ter beschikking stelt van een gebruiker in de beroepscategorieën of bedrijfstakken waarvoor uitzendarbeid door de Koning niet is toegestaan.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 3. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de gebruiker, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die in overtreding met voormelde wet van 24 juli 1987 :
1° een uitzendkracht heeft tewerkgesteld buiten de wettelijk toegelaten gevallen of zonder naleving van de procedure voorzien in de wet of in en door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst van de Nationale Arbeidsraad;
2° een uitzendkracht heeft tewerkgesteld in de beroepscategorieën of bedrijfstakken waarvoor uitzendarbeid niet door de Koning is toegestaan
[1 3° aan het uitzendbureau onjuiste inlichtingen verstrekt betreffende het paritair comité waaronder hij ressorteert of betreffende de lonen van de vaste werknemers.]1
[2 4° het uitzendkantoor niet, schriftelijk of op elektronische wijze, de informatie, bedoeld in artikel 18 van de voormelde wet van 24 juli 1987, meegedeeld heeft;
5° het uitzendkantoor niet, vóór de aanvang van de uitvoering van de arbeidsprestaties bedoeld in artikel 20quater van de voormelde wet van 24 juli 1987, schriftelijk of op elektronische wijze de informatie bedoeld in hetzelfde artikel 20quater meegedeeld heeft.]2
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 1. [3 ...]3
[3 § 1/1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, het uitzendbureau, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers:
1° voor de periodes zonder uitzendopdracht aan de uitzendkracht, die op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt tewerkgesteld, niet het minimum gewaarborgd uurloon betaald heeft voor elk uur van een voltijdse werkdag of -week dat hij niet wordt ter beschikking gesteld van een gebruiker;
2° aan een uitzendkracht een loon betaald heeft dat lager is dan dat waarop hij recht zou gehad hebben als hij onder dezelfde voorwaarden als vaste werknemer aangeworven was door de gebruiker, buiten de gevallen die toegelaten zijn door een binnen het Paritair Comité voor de uitzendarbeid afgesloten en door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst.
Wat de in het eerste lid bedoelde inbreuken betreft, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]3
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, het uitzendbureau, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de voormelde wet van 24 juli 1987 :
1° een uitzendkracht ter beschikking stelt van een gebruiker buiten de wettelijk toegestane gevallen of zonder naleving van de procedure bepaald in de wet of in een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst van de Nationale Arbeidsraad;
2° een uitzendkracht ter beschikking stelt van een gebruiker in de beroepscategorieën of bedrijfstakken waarvoor uitzendarbeid door de Koning niet is toegestaan.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 3. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de gebruiker, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die in overtreding met voormelde wet van 24 juli 1987 :
1° een uitzendkracht heeft tewerkgesteld buiten de wettelijk toegelaten gevallen of zonder naleving van de procedure voorzien in de wet of in en door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst van de Nationale Arbeidsraad;
2° een uitzendkracht heeft tewerkgesteld in de beroepscategorieën of bedrijfstakken waarvoor uitzendarbeid niet door de Koning is toegestaan
[1 3° aan het uitzendbureau onjuiste inlichtingen verstrekt betreffende het paritair comité waaronder hij ressorteert of betreffende de lonen van de vaste werknemers.]1
[2 4° het uitzendkantoor niet, schriftelijk of op elektronische wijze, de informatie, bedoeld in artikel 18 van de voormelde wet van 24 juli 1987, meegedeeld heeft;
5° het uitzendkantoor niet, vóór de aanvang van de uitvoering van de arbeidsprestaties bedoeld in artikel 20quater van de voormelde wet van 24 juli 1987, schriftelijk of op elektronische wijze de informatie bedoeld in hetzelfde artikel 20quater meegedeeld heeft.]2
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 176. Le travail intérimaire
§ 1er. [3 ...]3
[3 § 1er/1. Est punie d'une sanction de niveau 3, l'entreprise de travail intérimaire, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs:
1° pour les périodes d'intermission, n'a pas payé à l'intérimaire qui est occupé sur base d'un contrat de travail à durée indéterminée, le salaire horaire minimum garanti pour chaque heure d'une journée ou d'une semaine de travail à temps plein durant laquelle il n'est pas mis à disposition d'un utilisateur;
2° a payé à l'intérimaire une rémunération inférieure à celle à laquelle il aurait eu droit s'il était engagé dans les mêmes conditions comme travailleur permanent par l'utilisateur, en dehors des cas autorisés par une convention collective de travail conclue au sein de la Commission paritaire du travail intérimaire et rendue obligatoire par le Roi.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]3
§ 2. Est punie d'une sanction de niveau 2, l'entreprise de travail intérimaire, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi précitée du 24 juillet 1987 :
1° a mis un intérimaire à la disposition d'un utilisateur en dehors des cas où la loi l'autorise ou sans respecter la procédure prévue par la loi ou une convention collective de travail du Conseil national du travail rendue obligatoire par le Roi;
2° a mis un intérimaire à la disposition d'un utilisateur dans des catégories professionnelles ou des branches d'activité où le travail intérimaire n'est pas autorisé par le Roi.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'utilisateur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi précitée du 24 juillet 1987 :
1° a occupé un intérimaire en dehors des cas où la loi l'autorise ou sans respecter la procédure prévue par la loi ou une convention collective de travail du Conseil national du travail rendue obligatoire par le Roi;
2° a occupé un intérimaire dans des catégories professionnelles ou des branches d'activité où le travail intérimaire n'est pas autorisé par le Roi;
[1 3° fournit à l'entreprise de travail intérimaire des renseignements inexacts en ce qui concerne la commission paritaire dont il relève ou en ce qui concerne les salaires des travailleurs permanents;]1
[2 4° n'a pas communiqué, par écrit ou par voie électronique, à l'entreprise de travail intérimaire l'information, visée à l'article 18 de la loi précitée du 24 juillet 1987;
5° n'a pas communiqué à l'entreprise de travail intérimaire, avant le début de l'exécution des prestations de travail visées à l'article 20quater de la loi précitée du 24 juillet 1987, par écrit ou par voie électronique, l'information visée à ce même article 20quater.]2
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 1er. [3 ...]3
[3 § 1er/1. Est punie d'une sanction de niveau 3, l'entreprise de travail intérimaire, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs:
1° pour les périodes d'intermission, n'a pas payé à l'intérimaire qui est occupé sur base d'un contrat de travail à durée indéterminée, le salaire horaire minimum garanti pour chaque heure d'une journée ou d'une semaine de travail à temps plein durant laquelle il n'est pas mis à disposition d'un utilisateur;
2° a payé à l'intérimaire une rémunération inférieure à celle à laquelle il aurait eu droit s'il était engagé dans les mêmes conditions comme travailleur permanent par l'utilisateur, en dehors des cas autorisés par une convention collective de travail conclue au sein de la Commission paritaire du travail intérimaire et rendue obligatoire par le Roi.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]3
§ 2. Est punie d'une sanction de niveau 2, l'entreprise de travail intérimaire, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi précitée du 24 juillet 1987 :
1° a mis un intérimaire à la disposition d'un utilisateur en dehors des cas où la loi l'autorise ou sans respecter la procédure prévue par la loi ou une convention collective de travail du Conseil national du travail rendue obligatoire par le Roi;
2° a mis un intérimaire à la disposition d'un utilisateur dans des catégories professionnelles ou des branches d'activité où le travail intérimaire n'est pas autorisé par le Roi.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'utilisateur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi précitée du 24 juillet 1987 :
1° a occupé un intérimaire en dehors des cas où la loi l'autorise ou sans respecter la procédure prévue par la loi ou une convention collective de travail du Conseil national du travail rendue obligatoire par le Roi;
2° a occupé un intérimaire dans des catégories professionnelles ou des branches d'activité où le travail intérimaire n'est pas autorisé par le Roi;
[1 3° fournit à l'entreprise de travail intérimaire des renseignements inexacts en ce qui concerne la commission paritaire dont il relève ou en ce qui concerne les salaires des travailleurs permanents;]1
[2 4° n'a pas communiqué, par écrit ou par voie électronique, à l'entreprise de travail intérimaire l'information, visée à l'article 18 de la loi précitée du 24 juillet 1987;
5° n'a pas communiqué à l'entreprise de travail intérimaire, avant le début de l'exécution des prestations de travail visées à l'article 20quater de la loi précitée du 24 juillet 1987, par écrit ou par voie électronique, l'information visée à ce même article 20quater.]2
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Art. 176/1. [1 De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de gebruiker van uitzendkrachten
Tijdens de periode waarin de uitzendkracht bij de gebruiker werkt, wordt deze laatste beschouwd als werkgever voor de toepassing van de bepalingen van dit Wetboek, in geval van inbreuk op de bepalingen waarvan de toepassing deel uitmaakt van zijn verantwoordelijkheid krachtens de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, en die betrekking hebben op de arbeidsduur, de feestdagen, de zondagsrust, de vrouwenarbeid, de moederschapsbescherming, de bescherming van moeders die borstvoeding geven, de arbeid van jeugdige personen, de nachtarbeid, de arbeidsreglementen, de bepalingen inzake het toezicht op de prestaties van de deeltijdse werknemers, [2 de bepalingen inzake het toezicht op de prestaties van de flexi-jobwerknemers zoals bepaald in artikel 24 van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, de bepalingen inzake het bijhouden van een register voor werktijdregeling in de ondernemingen die onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf ressorteren, de bepalingen inzake het bijhouden van de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten die men tewerkstelt op de plaats waar de student is tewerkgesteld en inzake het treffen van de nodige maatregelen opdat de overeenkomst voor tewerkstelling van deze studenten te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren en beambten wordt gehouden,]2 de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen.]1
Tijdens de periode waarin de uitzendkracht bij de gebruiker werkt, wordt deze laatste beschouwd als werkgever voor de toepassing van de bepalingen van dit Wetboek, in geval van inbreuk op de bepalingen waarvan de toepassing deel uitmaakt van zijn verantwoordelijkheid krachtens de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, en die betrekking hebben op de arbeidsduur, de feestdagen, de zondagsrust, de vrouwenarbeid, de moederschapsbescherming, de bescherming van moeders die borstvoeding geven, de arbeid van jeugdige personen, de nachtarbeid, de arbeidsreglementen, de bepalingen inzake het toezicht op de prestaties van de deeltijdse werknemers, [2 de bepalingen inzake het toezicht op de prestaties van de flexi-jobwerknemers zoals bepaald in artikel 24 van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, de bepalingen inzake het bijhouden van een register voor werktijdregeling in de ondernemingen die onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf ressorteren, de bepalingen inzake het bijhouden van de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten die men tewerkstelt op de plaats waar de student is tewerkgesteld en inzake het treffen van de nodige maatregelen opdat de overeenkomst voor tewerkstelling van deze studenten te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren en beambten wordt gehouden,]2 de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen.]1
Art. 176/1. [1 La responsabilité pénale de l'utilisateur d'intérimaires
Pendant la période où l'intérimaire travaille chez l'utilisateur, celui-ci est considéré comme l'employeur pour l'application des dispositions du présent Code, en cas d'infraction aux dispositions dont l'application relève de sa responsabilité en vertu de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs et qui concernent la durée du travail, les jours fériés, le repos du dimanche, le travail des femmes, la protection de la maternité, la protection des mères allaitantes, le travail des jeunes, le travail de nuit, les règlements de travail, les dispositions ayant trait au contrôle des prestations des travailleurs à temps partiel, [2 les dispositions relatives à la surveillance des prestations de travail des travailleurs flexi-job prévues à l'article 24 de la loi du 16 novembre 2015 portant diverses dispositions en matière sociale, les dispositions relatives à la tenue d'un registre de mesure du temps de travail dans les entreprises ressortissant à la Commission paritaire de l'industrie hôtelière, les dispositions relatives à la tenue du contrat d'occupation des étudiants qui sont tenus au lieu d'occupation de l'étudiant et relatives à la prise des mesures nécessaires pour que le contrat d'occupation de ces étudiants soit à tout moment à la disposition des fonctionnaires et agents chargés de la surveillance,]2 la santé et la sécurité des travailleurs, ainsi que la salubrité du travail et des lieux de travail.]1
Pendant la période où l'intérimaire travaille chez l'utilisateur, celui-ci est considéré comme l'employeur pour l'application des dispositions du présent Code, en cas d'infraction aux dispositions dont l'application relève de sa responsabilité en vertu de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs et qui concernent la durée du travail, les jours fériés, le repos du dimanche, le travail des femmes, la protection de la maternité, la protection des mères allaitantes, le travail des jeunes, le travail de nuit, les règlements de travail, les dispositions ayant trait au contrôle des prestations des travailleurs à temps partiel, [2 les dispositions relatives à la surveillance des prestations de travail des travailleurs flexi-job prévues à l'article 24 de la loi du 16 novembre 2015 portant diverses dispositions en matière sociale, les dispositions relatives à la tenue d'un registre de mesure du temps de travail dans les entreprises ressortissant à la Commission paritaire de l'industrie hôtelière, les dispositions relatives à la tenue du contrat d'occupation des étudiants qui sont tenus au lieu d'occupation de l'étudiant et relatives à la prise des mesures nécessaires pour que le contrat d'occupation de ces étudiants soit à tout moment à la disposition des fonctionnaires et agents chargés de la surveillance,]2 la santé et la sécurité des travailleurs, ainsi que la salubrité du travail et des lieux de travail.]1
Afdeling 3. - Terbeschikkingstelling
Section 3. - La mise à disposition
Art. 177. Terbeschikkingstelling
[2 § 1.]2 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° iedere persoon die, in overtreding met de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, een werknemer die hij heeft aangenomen ter beschikking stelt van een derde die hem gebruikt en op hem [1 enig gedeelte]1 van het gezag uitoefent, dat de werkgever toebehoort, buiten de bepalingen met betrekking tot de uitzendarbeid;
2° iedere gebruiker die een werknemer tewerkstelt die hem door een onderneming ter beschikking werd gesteld en die op hem [1 enig gedeelte]1 van het gezag uitoefent, dat de werkgever toebehoort, buiten de bepalingen met betrekking tot de uitzendarbeid voorgeschreven door de voormelde wet van 24 juli 1987.
[3 De sanctie is van niveau 4 wanneer enerzijds het in de betrokken sector toepasselijk minimumloon niet wordt uitbetaald aan de werknemer - of in geval van deeltijdse arbeid het gedeelte van het minimumloon dat in verhouding is verschuldigd - of niet wordt uitbetaald op de datum dat het loon invorderbaar is, en er, anderzijds, samenloop is met twee of meerdere inbreuken bedoeld bij de artikelen 138, 140 tot 142, 156, 157, 163, tweede lid, 165 tot 167, 169, 181, 181/1, 182, 184/1, 184/1/1, 184/1/2, 188/2, 188/2/1, 188/2/3, 226 of 233, § 1, 1°.]3
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
[3 Voor de in het eerste lid en het tweede lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]3
[2 § 2. Wordt gestraft met een sanctie van niveau 2, de gebruiker, zijn aangestelde of lasthebber die:
1° in strijd met de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, de werkgever van de hem ter beschikking gestelde werknemer, niet vóór de aanvang van de uitvoering van de arbeidsprestaties bedoeld, al naar gelang het geval, in de artikelen 32, § 5, en 32bis, § 8, van de voormelde wet van 24 juli 1987, schriftelijk of op elektronische wijze, de informatie bedoeld in dezelfde artikelen 32, § 5, en 32bis, § 8, meegedeeld heeft;
2° in strijd met de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, de werkgeversgroepering die hem de werknemer ter beschikking gesteld heeft, niet vóór de aanvang van de arbeidsprestaties bedoeld in artikel 192/1, eerste lid, van de voormelde wet van 12 augustus 2000, schriftelijk of op elektronische wijze, de informatie bedoeld in hetzelfde artikel 192/1, eerste lid, van de voormelde wet van 12 augustus 2000, meegedeeld heeft.
Wat betreft de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]2
[4 § 3. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft:
1° iedere persoon die, in strijd met de wet van 3 mei 2024 houdende bepalingen betreffende sekswerk onder arbeidsovereenkomst, een sekswerker die hij heeft aangenomen ter beschikking stelt van een derde die gebruik maakt van de diensten van deze sekswerker en op hem enig gedeelte van het gezag uitoefent, dat de werkgever toebehoort;
2° iedere gebruiker die, in strijd met de wet van 3 mei 2024 houdende bepalingen betreffende sekswerk onder arbeidsovereenkomst, een sekswerker tewerkstelt die hem door een werkgever ter beschikking werd gesteld en die op hem enig gedeelte van het gezag uitoefent, dat de werkgever toebehoort.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken sekswerkers.]4
[2 § 1.]2 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° iedere persoon die, in overtreding met de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, een werknemer die hij heeft aangenomen ter beschikking stelt van een derde die hem gebruikt en op hem [1 enig gedeelte]1 van het gezag uitoefent, dat de werkgever toebehoort, buiten de bepalingen met betrekking tot de uitzendarbeid;
2° iedere gebruiker die een werknemer tewerkstelt die hem door een onderneming ter beschikking werd gesteld en die op hem [1 enig gedeelte]1 van het gezag uitoefent, dat de werkgever toebehoort, buiten de bepalingen met betrekking tot de uitzendarbeid voorgeschreven door de voormelde wet van 24 juli 1987.
[3 De sanctie is van niveau 4 wanneer enerzijds het in de betrokken sector toepasselijk minimumloon niet wordt uitbetaald aan de werknemer - of in geval van deeltijdse arbeid het gedeelte van het minimumloon dat in verhouding is verschuldigd - of niet wordt uitbetaald op de datum dat het loon invorderbaar is, en er, anderzijds, samenloop is met twee of meerdere inbreuken bedoeld bij de artikelen 138, 140 tot 142, 156, 157, 163, tweede lid, 165 tot 167, 169, 181, 181/1, 182, 184/1, 184/1/1, 184/1/2, 188/2, 188/2/1, 188/2/3, 226 of 233, § 1, 1°.]3
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
[3 Voor de in het eerste lid en het tweede lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]3
[2 § 2. Wordt gestraft met een sanctie van niveau 2, de gebruiker, zijn aangestelde of lasthebber die:
1° in strijd met de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, de werkgever van de hem ter beschikking gestelde werknemer, niet vóór de aanvang van de uitvoering van de arbeidsprestaties bedoeld, al naar gelang het geval, in de artikelen 32, § 5, en 32bis, § 8, van de voormelde wet van 24 juli 1987, schriftelijk of op elektronische wijze, de informatie bedoeld in dezelfde artikelen 32, § 5, en 32bis, § 8, meegedeeld heeft;
2° in strijd met de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, de werkgeversgroepering die hem de werknemer ter beschikking gesteld heeft, niet vóór de aanvang van de arbeidsprestaties bedoeld in artikel 192/1, eerste lid, van de voormelde wet van 12 augustus 2000, schriftelijk of op elektronische wijze, de informatie bedoeld in hetzelfde artikel 192/1, eerste lid, van de voormelde wet van 12 augustus 2000, meegedeeld heeft.
Wat betreft de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]2
[4 § 3. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft:
1° iedere persoon die, in strijd met de wet van 3 mei 2024 houdende bepalingen betreffende sekswerk onder arbeidsovereenkomst, een sekswerker die hij heeft aangenomen ter beschikking stelt van een derde die gebruik maakt van de diensten van deze sekswerker en op hem enig gedeelte van het gezag uitoefent, dat de werkgever toebehoort;
2° iedere gebruiker die, in strijd met de wet van 3 mei 2024 houdende bepalingen betreffende sekswerk onder arbeidsovereenkomst, een sekswerker tewerkstelt die hem door een werkgever ter beschikking werd gesteld en die op hem enig gedeelte van het gezag uitoefent, dat de werkgever toebehoort.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken sekswerkers.]4
Art. 177. La mise à disposition
[1 § 1er.]1 Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° toute personne qui, en contravention à la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, met un travailleur qu'elle a engagé à la disposition d'un tiers qui l'utilise et exerce sur lui une part quelconque de l'autorité appartenant à l'employeur, en dehors des règles relatives au travail intérimaire;
2° tout utilisateur occupant un travailleur mis à sa disposition par une entreprise et qui exerce sur lui une part quelconque de l'autorité appartenant à l'employeur, en dehors des règles relatives au travail intérimaire prescrites par la loi précitée du 24 juillet 1987.
[2 La sanction est de niveau 4 lorsque d'une part, la rémunération minimale applicable dans le secteur concerné n'est pas payée au travailleur - ou en cas de travail à temps partiel la partie de la rémunération minimale qui est proportionnellement due - ou n'a pas été payée à la date à laquelle la rémunération est exigible, et que, d'autre part, il y a concours de deux ou plusieurs infractions visées aux articles 138, 140 à 142, 156, 157, 163, alinéa 2, 165 à 167, 169, 181, 181/1, 182, 184/1, 184/1/1, 184/1/2, 188/2, 188/2/1 ou 188/2/3, 226 ou 233, § 1er, 1°.]2
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
[2 En ce qui concerne les infractions visées aux alinéas 1er et 2, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]2
[1 § 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'utilisateur, son préposé ou sans mandataire qui:
1° en contravention à la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, n'a pas communiqué, par écrit ou par voie électronique, avant le début de l'exécution des prestations de travail visées, selon le cas, par les articles 32, paragraphe 5, et 32bis, paragraphe 8, de la loi précitée du 24 juillet 1987, à l'employeur du travailleur mis à sa disposition, l'information visée à ces mêmes articles 32, paragraphe 5, et 32bis, paragraphe 8;
2° en contravention à la loi du 12 août 2000 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, n'a pas communiqué, par écrit ou par voie électronique, avant le début de l'exécution des prestations de travail visées par l'article 192/1, alinéa 1er, de la loi précitée du 12 août 2000, au groupement d'employeurs qui a mis le travailleur à sa disposition, l'information visée à ce même article 192/1, alinéa 1er, de la loi précitée du 12 août 2000.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
[3 § 3. Est puni d'une sanction de niveau 4:
1° toute personne qui, en contravention à la loi du 3 mai 2024 portant des dispositions en matière du travail du sexe sous contrat de travail, met un travailleur du sexe qu'elle a engagé à la disposition d'un tiers qui fait usage des services de ce travailleur du sexe et exerce sur lui une part quelconque de l'autorité appartenant à l'employeur;
2° tout utilisateur qui, en contravention à la loi du 3 mai 2024 portant des dispositions en matière du travail du sexe sous contrat de travail, occupe un travailleur du sexe mis à sa disposition par un employeur et qui exerce sur lui une part quelconque de l'autorité appartenant à l'employeur.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs du sexe concernés.]3
[1 § 1er.]1 Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° toute personne qui, en contravention à la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, met un travailleur qu'elle a engagé à la disposition d'un tiers qui l'utilise et exerce sur lui une part quelconque de l'autorité appartenant à l'employeur, en dehors des règles relatives au travail intérimaire;
2° tout utilisateur occupant un travailleur mis à sa disposition par une entreprise et qui exerce sur lui une part quelconque de l'autorité appartenant à l'employeur, en dehors des règles relatives au travail intérimaire prescrites par la loi précitée du 24 juillet 1987.
[2 La sanction est de niveau 4 lorsque d'une part, la rémunération minimale applicable dans le secteur concerné n'est pas payée au travailleur - ou en cas de travail à temps partiel la partie de la rémunération minimale qui est proportionnellement due - ou n'a pas été payée à la date à laquelle la rémunération est exigible, et que, d'autre part, il y a concours de deux ou plusieurs infractions visées aux articles 138, 140 à 142, 156, 157, 163, alinéa 2, 165 à 167, 169, 181, 181/1, 182, 184/1, 184/1/1, 184/1/2, 188/2, 188/2/1 ou 188/2/3, 226 ou 233, § 1er, 1°.]2
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
[2 En ce qui concerne les infractions visées aux alinéas 1er et 2, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]2
[1 § 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'utilisateur, son préposé ou sans mandataire qui:
1° en contravention à la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, n'a pas communiqué, par écrit ou par voie électronique, avant le début de l'exécution des prestations de travail visées, selon le cas, par les articles 32, paragraphe 5, et 32bis, paragraphe 8, de la loi précitée du 24 juillet 1987, à l'employeur du travailleur mis à sa disposition, l'information visée à ces mêmes articles 32, paragraphe 5, et 32bis, paragraphe 8;
2° en contravention à la loi du 12 août 2000 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, n'a pas communiqué, par écrit ou par voie électronique, avant le début de l'exécution des prestations de travail visées par l'article 192/1, alinéa 1er, de la loi précitée du 12 août 2000, au groupement d'employeurs qui a mis le travailleur à sa disposition, l'information visée à ce même article 192/1, alinéa 1er, de la loi précitée du 12 août 2000.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
[3 § 3. Est puni d'une sanction de niveau 4:
1° toute personne qui, en contravention à la loi du 3 mai 2024 portant des dispositions en matière du travail du sexe sous contrat de travail, met un travailleur du sexe qu'elle a engagé à la disposition d'un tiers qui fait usage des services de ce travailleur du sexe et exerce sur lui une part quelconque de l'autorité appartenant à l'employeur;
2° tout utilisateur qui, en contravention à la loi du 3 mai 2024 portant des dispositions en matière du travail du sexe sous contrat de travail, occupe un travailleur du sexe mis à sa disposition par un employeur et qui exerce sur lui une part quelconque de l'autorité appartenant à l'employeur.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs du sexe concernés.]3
Afdeling 3/1. [1 - De dienstencheques]1
Section 3/1. [1 - Les titres-services]1
Art. 177/1. [1 De dienstencheques
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen :
1° in het kader van de buurtwerken of -diensten activiteiten uitvoert die niet toegelaten zijn in de beslissing tot erkenning;
2° dienstencheques aanneemt ter betaling van activiteiten die geen buurtwerken of -diensten zijn;
3° meer dienstencheques voor betaling aanvaardt en overzendt aan het uitgiftebedrijf voor verrichte prestaties van buurtwerken of -diensten in een bepaald kwartaal, dan het aantal bij de RSZ aangegeven arbeidsuren voor verrichte prestaties van buurtwerken of -diensten dat voor datzelfde kwartaal is gepresteerd door werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen :
1° dienstencheques van de gebruiker aanvaardt als de buurtwerken of -diensten nog niet zijn uitgevoerd;
2° buurtwerken of -diensten laat uitvoeren door een werknemer die niet werd aangeworven voor de uitvoering van deze buurtwerken of -diensten;
3° de registratie van de dienstenchequeactiviteiten niet op dergelijke wijze organiseert dat het mogelijk is exact na te gaan wat het verband is tussen de maandelijkse prestaties van elke individuele dienstenchequewerknemer, de gebruiker en de overeenkomstige dienstencheques;
4° buurtwerken of -diensten levert zonder hiertoe erkend te zijn;
5° indien zij een andere activiteit uitvoert dan de activiteiten waarvoor erkenning kan worden verleend op grond van de voormelde wet van 20 juli 2001 en in haar schoot geen " sui generis afdeling " heeft die zich specifiek inlaat met de tewerkstelling in het kader van het stelsel van dienstencheques, zoals bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, a), van dezelfde wet;
6° werken of diensten die worden gefinancierd met dienstencheques in onderaanneming laat uitvoeren door een andere onderneming of instelling;
7° een ander dan het vanaf haar erkenning bijkomend arbeidsvolume van activiteiten van thuishulp van huishoudelijke aard laat betalen met dienstencheques.
§ 3. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen :
1° geen geschreven arbeidsovereenkomst dienstencheques opmaakt uiterlijk binnen twee werkdagen te rekenen vanaf het tijdstip waarop de werknemer in dienst treedt;
2° de arbeidsovereenkomst dienstencheques onvolledig of onjuist opmaakt;
3° een werknemer die tijdens zijn deeltijdse tewerkstelling geniet van een werkloosheidsuitkering, een leefloon of van financiële sociale hulp geen voorrang geeft tot het bekomen van een voltijdse betrekking of van een andere, al dan niet bijkomende, deeltijdse dienstbetrekking waardoor hij een nieuwe deeltijdse arbeidsregeling verkrijgt waarvan de wekelijkse arbeidsduur hoger is dan die van de deeltijdse arbeidsregeling waarin hij reeds werkt;
4° de gebruiker vertegenwoordigt voor de toepassing van artikel 3, § 2, eerste lid, en van artikel 6 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, of de werknemer vertegenwoordigt om de dienstencheques te ondertekenen;
5° de dienstencheques niet gegroepeerd per maand waarin de prestaties effectief verricht zijn, ter betaling overzendt aan het uitgiftebedrijf.
Voor de in het eerste lid, 1°, 2° en 3°, bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 4. Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft, de gebruiker en de werknemer die, in strijd met de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, wetens en willens hebben deelgenomen aan een in de §§ 1 of 2 bedoelde inbreuk gepleegd door een werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber.
§ 5. Met een sanctie van niveau 2 worden bestraft, de gebruiker en de werknemer die, in strijd met de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, wetens en willens hebben deelgenomen aan een in de § 3 bedoelde inbreuk gepleegd door een werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen :
1° in het kader van de buurtwerken of -diensten activiteiten uitvoert die niet toegelaten zijn in de beslissing tot erkenning;
2° dienstencheques aanneemt ter betaling van activiteiten die geen buurtwerken of -diensten zijn;
3° meer dienstencheques voor betaling aanvaardt en overzendt aan het uitgiftebedrijf voor verrichte prestaties van buurtwerken of -diensten in een bepaald kwartaal, dan het aantal bij de RSZ aangegeven arbeidsuren voor verrichte prestaties van buurtwerken of -diensten dat voor datzelfde kwartaal is gepresteerd door werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen :
1° dienstencheques van de gebruiker aanvaardt als de buurtwerken of -diensten nog niet zijn uitgevoerd;
2° buurtwerken of -diensten laat uitvoeren door een werknemer die niet werd aangeworven voor de uitvoering van deze buurtwerken of -diensten;
3° de registratie van de dienstenchequeactiviteiten niet op dergelijke wijze organiseert dat het mogelijk is exact na te gaan wat het verband is tussen de maandelijkse prestaties van elke individuele dienstenchequewerknemer, de gebruiker en de overeenkomstige dienstencheques;
4° buurtwerken of -diensten levert zonder hiertoe erkend te zijn;
5° indien zij een andere activiteit uitvoert dan de activiteiten waarvoor erkenning kan worden verleend op grond van de voormelde wet van 20 juli 2001 en in haar schoot geen " sui generis afdeling " heeft die zich specifiek inlaat met de tewerkstelling in het kader van het stelsel van dienstencheques, zoals bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, a), van dezelfde wet;
6° werken of diensten die worden gefinancierd met dienstencheques in onderaanneming laat uitvoeren door een andere onderneming of instelling;
7° een ander dan het vanaf haar erkenning bijkomend arbeidsvolume van activiteiten van thuishulp van huishoudelijke aard laat betalen met dienstencheques.
§ 3. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen :
1° geen geschreven arbeidsovereenkomst dienstencheques opmaakt uiterlijk binnen twee werkdagen te rekenen vanaf het tijdstip waarop de werknemer in dienst treedt;
2° de arbeidsovereenkomst dienstencheques onvolledig of onjuist opmaakt;
3° een werknemer die tijdens zijn deeltijdse tewerkstelling geniet van een werkloosheidsuitkering, een leefloon of van financiële sociale hulp geen voorrang geeft tot het bekomen van een voltijdse betrekking of van een andere, al dan niet bijkomende, deeltijdse dienstbetrekking waardoor hij een nieuwe deeltijdse arbeidsregeling verkrijgt waarvan de wekelijkse arbeidsduur hoger is dan die van de deeltijdse arbeidsregeling waarin hij reeds werkt;
4° de gebruiker vertegenwoordigt voor de toepassing van artikel 3, § 2, eerste lid, en van artikel 6 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, of de werknemer vertegenwoordigt om de dienstencheques te ondertekenen;
5° de dienstencheques niet gegroepeerd per maand waarin de prestaties effectief verricht zijn, ter betaling overzendt aan het uitgiftebedrijf.
Voor de in het eerste lid, 1°, 2° en 3°, bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 4. Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft, de gebruiker en de werknemer die, in strijd met de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, wetens en willens hebben deelgenomen aan een in de §§ 1 of 2 bedoelde inbreuk gepleegd door een werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber.
§ 5. Met een sanctie van niveau 2 worden bestraft, de gebruiker en de werknemer die, in strijd met de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, wetens en willens hebben deelgenomen aan een in de § 3 bedoelde inbreuk gepleegd door een werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber.]1
Art. 177/1. [1 Les titres services
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité :
1° effectue, dans le cadre de travaux ou de services de proximité, des activités qui ne sont pas autorisées par la décision d'agrément;
2° accepte des titres-services en paiement d'activités qui ne sont pas des travaux ou des services de proximité;
3° accepte et transmet à la société émettrice, en vue du remboursement, plus de titres-services pour des prestations de travaux ou de services de proximité effectuées durant un trimestre déterminé, que le nombre d'heures de travail déclarées à l'ONSS pour des prestations de travaux ou de services de proximité effectuées pendant le même trimestre par des travailleurs sous contrat de travail titres-services.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité :
1° accepte des titres-services de l'utilisateur alors que les travaux ou les services de proximité ne sont pas encore effectués;
2° fait effectuer des travaux ou des services de proximité par un travailleur qui n'a pas été recruté pour accomplir des travaux ou des services de proximité;
3° n'organise pas l'enregistrement des activités titres-services de manière telle que l'on puisse vérifier exactement la relation entre les prestations mensuelles de chaque travailleur titres-services individuel, l'utilisateur et les titres-services correspondants;
4° fournit des travaux ou des services de proximité sans être agréée à cette fin;
5° si elle exerce une autre activité que les activités pour lesquelles un agrément peut être accordé sur la base de la loi précitée du 20 juillet 2001 et ne crée pas dans son sein une " section sui generis " qui s'occupe spécifiquement de l'occupation dans le cadre du régime des titres-services tel que visée dans l'article 2, § 2, alinéa 1er, a), de la même loi;
6° fait effectuer des travaux ou des services financés par les titres-services en sous-traitance par une autre entreprise ou un autre organisme;
7° fait payer par des titres-services un autre volume de travail que celui correspondant aux activités d'aide à domicile de nature ménagère venant en supplément à partir de son agrément.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité :
1° n'établit pas le contrat de travail titres-services par écrit au plus tard dans les deux jours ouvrables à compter du moment de l'entrée en service du travailleur;
2° établit le contrat de travail titres-services de manière incomplète ou inexacte;
3° n'attribue pas par priorité à un travailleur qui, pendant son occupation à temps partiel, bénéficie d'une allocation de chômage, d'un revenu d'intégration ou d'une aide sociale financière, un emploi à temps plein ou un autre emploi à temps partiel qui, presté seul ou à titre complémentaire, lui procure un régime à temps partiel nouveau, dont la durée de travail hebdomadaire est supérieure à celle du régime de travail à temps partiel dans lequel il travaille déjà;
4° représente l'utilisateur pour l'application de l'article 3, § 2, alinéa 1er, et de l'article 6 de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services ou qui représente le travailleur pour signer le titre-service;
5° ne transmet pas les titres-services groupés par mois au cours duquel les prestations sont effectivement effectuées à la société émettrice en vue du remboursement.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 4. Sont punis d'une sanction de niveau 3, l'utilisateur et le travailleur qui, en contravention à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité, ont participé sciemment et volontairement à une infraction visée aux §§ 1er ou 2 commise par un employeur, son préposé ou son mandataire.
§ 5. Sont punis d'une sanction de niveau 2, l'utilisateur et le travailleur qui, en contravention à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité, ont participé sciemment et volontairement à une infraction visée au § 3 commise par un employeur, son préposé ou son mandataire.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité :
1° effectue, dans le cadre de travaux ou de services de proximité, des activités qui ne sont pas autorisées par la décision d'agrément;
2° accepte des titres-services en paiement d'activités qui ne sont pas des travaux ou des services de proximité;
3° accepte et transmet à la société émettrice, en vue du remboursement, plus de titres-services pour des prestations de travaux ou de services de proximité effectuées durant un trimestre déterminé, que le nombre d'heures de travail déclarées à l'ONSS pour des prestations de travaux ou de services de proximité effectuées pendant le même trimestre par des travailleurs sous contrat de travail titres-services.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité :
1° accepte des titres-services de l'utilisateur alors que les travaux ou les services de proximité ne sont pas encore effectués;
2° fait effectuer des travaux ou des services de proximité par un travailleur qui n'a pas été recruté pour accomplir des travaux ou des services de proximité;
3° n'organise pas l'enregistrement des activités titres-services de manière telle que l'on puisse vérifier exactement la relation entre les prestations mensuelles de chaque travailleur titres-services individuel, l'utilisateur et les titres-services correspondants;
4° fournit des travaux ou des services de proximité sans être agréée à cette fin;
5° si elle exerce une autre activité que les activités pour lesquelles un agrément peut être accordé sur la base de la loi précitée du 20 juillet 2001 et ne crée pas dans son sein une " section sui generis " qui s'occupe spécifiquement de l'occupation dans le cadre du régime des titres-services tel que visée dans l'article 2, § 2, alinéa 1er, a), de la même loi;
6° fait effectuer des travaux ou des services financés par les titres-services en sous-traitance par une autre entreprise ou un autre organisme;
7° fait payer par des titres-services un autre volume de travail que celui correspondant aux activités d'aide à domicile de nature ménagère venant en supplément à partir de son agrément.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité :
1° n'établit pas le contrat de travail titres-services par écrit au plus tard dans les deux jours ouvrables à compter du moment de l'entrée en service du travailleur;
2° établit le contrat de travail titres-services de manière incomplète ou inexacte;
3° n'attribue pas par priorité à un travailleur qui, pendant son occupation à temps partiel, bénéficie d'une allocation de chômage, d'un revenu d'intégration ou d'une aide sociale financière, un emploi à temps plein ou un autre emploi à temps partiel qui, presté seul ou à titre complémentaire, lui procure un régime à temps partiel nouveau, dont la durée de travail hebdomadaire est supérieure à celle du régime de travail à temps partiel dans lequel il travaille déjà;
4° représente l'utilisateur pour l'application de l'article 3, § 2, alinéa 1er, et de l'article 6 de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services ou qui représente le travailleur pour signer le titre-service;
5° ne transmet pas les titres-services groupés par mois au cours duquel les prestations sont effectivement effectuées à la société émettrice en vue du remboursement.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 4. Sont punis d'une sanction de niveau 3, l'utilisateur et le travailleur qui, en contravention à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité, ont participé sciemment et volontairement à une infraction visée aux §§ 1er ou 2 commise par un employeur, son préposé ou son mandataire.
§ 5. Sont punis d'une sanction de niveau 2, l'utilisateur et le travailleur qui, en contravention à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité, ont participé sciemment et volontairement à une infraction visée au § 3 commise par un employeur, son préposé ou son mandataire.]1
Art. 177/1_WAALS_GEWEST. [1 De dienstencheques
§ 1. [2 ...]2
§ 2. [2 ...]2
§ 3. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen :
1° geen geschreven arbeidsovereenkomst dienstencheques opmaakt uiterlijk binnen twee werkdagen te rekenen vanaf het tijdstip waarop de werknemer in dienst treedt;
2° de arbeidsovereenkomst dienstencheques onvolledig of onjuist opmaakt;
3° [3 ...]3
4° [2 ...]2
5° [2 ...]2 .
Voor de in het eerste lid, 1°, 2° en 3°, bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 4. [2 ...]2
§ 5. [2 ...]2 ]1
§ 1. [2 ...]2
§ 2. [2 ...]2
§ 3. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen :
1° geen geschreven arbeidsovereenkomst dienstencheques opmaakt uiterlijk binnen twee werkdagen te rekenen vanaf het tijdstip waarop de werknemer in dienst treedt;
2° de arbeidsovereenkomst dienstencheques onvolledig of onjuist opmaakt;
3° [3 ...]3
4° [2 ...]2
5° [2 ...]2 .
Voor de in het eerste lid, 1°, 2° en 3°, bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 4. [2 ...]2
§ 5. [2 ...]2 ]1
Art. 177/1 _REGION_WALLONNE.
[1 Les titres services
§ 1er. [2 ...]2
§ 2. [2 ...]2
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité :
1° n'établit pas le contrat de travail titres-services par écrit au plus tard dans les deux jours ouvrables à compter du moment de l'entrée en service du travailleur;
2° établit le contrat de travail titres-services de manière incomplète ou inexacte;
3° [3 ...]3
4° [2 ...]2
5° [2 ...]2 .
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 4. [2 ...]2
§ 5. [2 ...]2 ]1
[1 Les titres services
§ 1er. [2 ...]2
§ 2. [2 ...]2
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité :
1° n'établit pas le contrat de travail titres-services par écrit au plus tard dans les deux jours ouvrables à compter du moment de l'entrée en service du travailleur;
2° établit le contrat de travail titres-services de manière incomplète ou inexacte;
3° [3 ...]3
4° [2 ...]2
5° [2 ...]2 .
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 4. [2 ...]2
§ 5. [2 ...]2 ]1
Art. 177/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De dienstencheques
§ 1. [2 ...]2.
§ 2.[2 ...]2.
§ 3. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen :
1° geen geschreven arbeidsovereenkomst dienstencheques opmaakt uiterlijk binnen twee werkdagen te rekenen vanaf het tijdstip waarop de werknemer in dienst treedt;
2° de arbeidsovereenkomst dienstencheques onvolledig of onjuist opmaakt;
3° [2 ...]2;
4° [2 ...]2;
5° [2 ...]2.
Voor de in het eerste lid, 1°, 2° en 3°, bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 4. [2 ...]2.
§ 5. [2 ...]2.]1
§ 1. [2 ...]2.
§ 2.[2 ...]2.
§ 3. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen :
1° geen geschreven arbeidsovereenkomst dienstencheques opmaakt uiterlijk binnen twee werkdagen te rekenen vanaf het tijdstip waarop de werknemer in dienst treedt;
2° de arbeidsovereenkomst dienstencheques onvolledig of onjuist opmaakt;
3° [2 ...]2;
4° [2 ...]2;
5° [2 ...]2.
Voor de in het eerste lid, 1°, 2° en 3°, bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 4. [2 ...]2.
§ 5. [2 ...]2.]1
Art. 177/1 _REGION_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Les titres services
§ 1er. [2 ...]2.
§ 2. [2 ...]2.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité :
1° n'établit pas le contrat de travail titres-services par écrit au plus tard dans les deux jours ouvrables à compter du moment de l'entrée en service du travailleur;
2° établit le contrat de travail titres-services de manière incomplète ou inexacte;
3° [2 ...]2;
4° [2 ...]2;
5° [2 ...]2.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 4. [2 ...]2.
§ 5. [2 ...]2.]1
[1 Les titres services
§ 1er. [2 ...]2.
§ 2. [2 ...]2.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité :
1° n'établit pas le contrat de travail titres-services par écrit au plus tard dans les deux jours ouvrables à compter du moment de l'entrée en service du travailleur;
2° établit le contrat de travail titres-services de manière incomplète ou inexacte;
3° [2 ...]2;
4° [2 ...]2;
5° [2 ...]2.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 4. [2 ...]2.
§ 5. [2 ...]2.]1
Afdeling 4. - Bijzondere activiteitensectoren
Section 4. - Les secteurs particuliers d'activité
Art. 178. Havenarbeid
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° havenarbeid heeft doen of laten verrichten in de havengebieden door werknemers die niet als havenarbeider zijn erkend of die niet als gelegenheidshavenarbeider werden aangeworven, dan wel van wie de erkenning is geschorst, ingetrokken of verstreken;
2° de door de Koning opgelegde verplichting om zich aan te sluiten bij een bij koninklijk besluit erkende organisatie van werkgevers die in de hoedanigheid van lasthebber alle sociale verplichtingen vervult die voortvloeien uit de tewerkstelling van havenarbeiders, niet heeft nagekomen.
Voor de in het eerste lid, 1°, bedoelde inbreuk wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° havenarbeid heeft doen of laten verrichten in de havengebieden door werknemers die niet als havenarbeider zijn erkend of die niet als gelegenheidshavenarbeider werden aangeworven, dan wel van wie de erkenning is geschorst, ingetrokken of verstreken;
2° de door de Koning opgelegde verplichting om zich aan te sluiten bij een bij koninklijk besluit erkende organisatie van werkgevers die in de hoedanigheid van lasthebber alle sociale verplichtingen vervult die voortvloeien uit de tewerkstelling van havenarbeiders, niet heeft nagekomen.
Voor de in het eerste lid, 1°, bedoelde inbreuk wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 178. Le travail portuaire
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 8 juin 1972 organisant le travail portuaire et à ses arrêtés d'exécution :
1° a fait effectuer ou laissé effectuer un travail portuaire dans des zones portuaires par des travailleurs qui n'ont pas été reconnus en qualité d'ouvrier portuaire ou qui n'ont pas été engagés en qualité d'ouvrier portuaire occasionnel ou dont la reconnaissance a été suspendue, a été retirée ou a pris fin;
2° n'a pas respecté l'obligation faite par le Roi de s'affilier à une organisation d'employeurs agréée par arrêté royal et remplissant, en qualité de mandataire, toutes les obligations sociales qui découlent de l'occupation d'ouvriers portuaires.
En ce qui concerne l'infraction visée à l'alinéa 1er, 1°, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 8 juin 1972 organisant le travail portuaire et à ses arrêtés d'exécution :
1° a fait effectuer ou laissé effectuer un travail portuaire dans des zones portuaires par des travailleurs qui n'ont pas été reconnus en qualité d'ouvrier portuaire ou qui n'ont pas été engagés en qualité d'ouvrier portuaire occasionnel ou dont la reconnaissance a été suspendue, a été retirée ou a pris fin;
2° n'a pas respecté l'obligation faite par le Roi de s'affilier à une organisation d'employeurs agréée par arrêté royal et remplissant, en qualité de mandataire, toutes les obligations sociales qui découlent de l'occupation d'ouvriers portuaires.
En ce qui concerne l'infraction visée à l'alinéa 1er, 1°, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Art. 179. Zeevisserij
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser, in het kader van een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij zeevissers als bemanningslid tewerkstelt die niet zijn erkend onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning of van wie de erkenning is geschorst, ingetrokken of van rechtswege is vervallen, met uitzondering van de gevallen van tijdelijke en uitzonderlijke tewerkstelling zonder erkenning.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser, in het kader van een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij zeevissers als bemanningslid tewerkstelt die niet zijn erkend onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning of van wie de erkenning is geschorst, ingetrokken of van rechtswege is vervallen, met uitzondering van de gevallen van tijdelijke en uitzonderlijke tewerkstelling zonder erkenning.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 179. La pêche maritime
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'armateur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur emploie, en qualité de membre d'équipage dans le cadre d'un contrat d'engagement pour la pêche maritime, des marins pêcheurs qui n'ont pas été agréés dans les conditions et selon les modalités prescrites par le Roi ou dont l'agrément a été suspendu, a été retiré ou a été perdu d'office à l'exception des cas d'occupation temporaire et exceptionnelle sans agrément.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'armateur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur emploie, en qualité de membre d'équipage dans le cadre d'un contrat d'engagement pour la pêche maritime, des marins pêcheurs qui n'ont pas été agréés dans les conditions et selon les modalités prescrites par le Roi ou dont l'agrément a été suspendu, a été retiré ou a été perdu d'office à l'exception des cas d'occupation temporaire et exceptionnelle sans agrément.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Art. 180. Diamantindustrie
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 30 december 1950 tot regeling der diamantnijverheid :
a) één of meerdere werknemers heeft tewerkgesteld die geen houder zijn van een bijzondere arbeidskaart;
b) diamant heeft laten bewerken zonder houder van een bijzondere machtiging te zijn;
c) diamant heeft laten bewerken in een werkplaats die niet aangenomen werd door de minister die bevoegd is voor arbeid of door zijn afgevaardigde;
2° eenieder die, in strijd met de voormelde wet van 30 december 1950 :
a) diamant heeft bewerkt ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst zonder houder te zijn van een bijzondere arbeidskaart;
b) voor eigen rekening diamant heeft bewerkt zonder houder te zijn van een bijzondere machtiging;
c) diamant heeft bewerkt in een werkplaats die niet aangenomen werd door de minister bevoegd voor arbeid of door zijn afgevaardigde.
Voor de in het eerste lid, 1°, a) en b), bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bij inbreuk bedoeld in het eerste lid, 1°, a) of c), de bijzondere machtiging van de werkgever intrekken voor een termijn van één tot zes maanden.
Hij kan bovendien, bij inbreuk op het eerste lid, 2°, c), de arbeidskaart van de werknemer intrekken voor een termijn van één tot zes maanden.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 30 december 1950 tot regeling der diamantnijverheid :
a) één of meerdere werknemers heeft tewerkgesteld die geen houder zijn van een bijzondere arbeidskaart;
b) diamant heeft laten bewerken zonder houder van een bijzondere machtiging te zijn;
c) diamant heeft laten bewerken in een werkplaats die niet aangenomen werd door de minister die bevoegd is voor arbeid of door zijn afgevaardigde;
2° eenieder die, in strijd met de voormelde wet van 30 december 1950 :
a) diamant heeft bewerkt ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst zonder houder te zijn van een bijzondere arbeidskaart;
b) voor eigen rekening diamant heeft bewerkt zonder houder te zijn van een bijzondere machtiging;
c) diamant heeft bewerkt in een werkplaats die niet aangenomen werd door de minister bevoegd voor arbeid of door zijn afgevaardigde.
Voor de in het eerste lid, 1°, a) en b), bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bij inbreuk bedoeld in het eerste lid, 1°, a) of c), de bijzondere machtiging van de werkgever intrekken voor een termijn van één tot zes maanden.
Hij kan bovendien, bij inbreuk op het eerste lid, 2°, c), de arbeidskaart van de werknemer intrekken voor een termijn van één tot zes maanden.
Art. 180. L'industrie diamantaire
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 30 décembre 1950 organisant l'industrie diamantaire :
a) a employé un ou plusieurs travailleurs qui ne sont pas titulaires d'une carte de travail spéciale;
b) a fait travailler le diamant sans être porteur d'une autorisation spéciale;
c) a fait travailler le diamant dans un atelier qui n'est pas agréé par le ministre qui a le travail dans ses attributions ou par son délégué;
2° quiconque, en contravention à la loi précitée du 30 décembre 1950 :
a) a travaillé le diamant en exécution d'un contrat de travail sans être porteur d'une carte de travail spéciale;
b) a travaillé le diamant à son propre compte sans être porteur d'une autorisation spéciale;
c) a travaillé le diamant dans un atelier qui n'est pas agréé par le ministre qui a le travail dans ses attributions ou par son délégué.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, 1°, a) et b), l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut retirer à l'employeur son autorisation spéciale pour un délai d'un à six mois en cas d'infraction visée à l'alinéa 1er, 1°, a) ou c).
Il peut en outre retirer au travailleur sa carte de travail pour un délai d'un à six mois, en cas d'infraction à l'alinéa 1er, 2°, c).
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 30 décembre 1950 organisant l'industrie diamantaire :
a) a employé un ou plusieurs travailleurs qui ne sont pas titulaires d'une carte de travail spéciale;
b) a fait travailler le diamant sans être porteur d'une autorisation spéciale;
c) a fait travailler le diamant dans un atelier qui n'est pas agréé par le ministre qui a le travail dans ses attributions ou par son délégué;
2° quiconque, en contravention à la loi précitée du 30 décembre 1950 :
a) a travaillé le diamant en exécution d'un contrat de travail sans être porteur d'une carte de travail spéciale;
b) a travaillé le diamant à son propre compte sans être porteur d'une autorisation spéciale;
c) a travaillé le diamant dans un atelier qui n'est pas agréé par le ministre qui a le travail dans ses attributions ou par son délégué.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, 1°, a) et b), l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut retirer à l'employeur son autorisation spéciale pour un délai d'un à six mois en cas d'infraction visée à l'alinéa 1er, 1°, a) ou c).
Il peut en outre retirer au travailleur sa carte de travail pour un délai d'un à six mois, en cas d'infraction à l'alinéa 1er, 2°, c).
HOOFDSTUK 4/1. [1 - Distributie van pakketten door een aanbieder van postdiensten]1
CHAPITRE 4/1. [1 - Distribution de colis par un prestataire de services postaux]1
Art. 180/1. [1 Niet-naleving van verplichtingen inzake pakketdistributietijd
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft de aanbieder van postdiensten, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten, de verplichtingen inzake de pakketdistributietijdregistratie, bedoeld in de artikelen 5/3 en 5/4, van deze wet niet naleeft.
Wat de in het eerste lid bedoelde inbreuken betreft, wordt de boete vermenigvuldigd met het aantal pakketbezorgers voor wie er geen pakketdistributietijdregistratie bestaat.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft de aanbieder van postdiensten, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten, de verplichtingen inzake de pakketdistributietijdregistratie, bedoeld in de artikelen 5/3 en 5/4, van deze wet niet naleeft.
Wat de in het eerste lid bedoelde inbreuken betreft, wordt de boete vermenigvuldigd met het aantal pakketbezorgers voor wie er geen pakketdistributietijdregistratie bestaat.]1
Art. 180/1. [1 Non-respect des obligations en matière de temps de distribution de colis
Est puni d'une sanction de niveau 2, le prestataire de services postaux, son préposé ou son mandataire qui, en contravention de la loi du 26 janvier 2018 sur les services postaux, n'a pas respecté les obligations relatives à l'enregistrement du temps de distribution de colis visées dans les articles 5/3 et 5/4 de la présente loi.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de livreurs de colis pour lesquels il n'y a pas d'enregistrement du temps de distribution de colis.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, le prestataire de services postaux, son préposé ou son mandataire qui, en contravention de la loi du 26 janvier 2018 sur les services postaux, n'a pas respecté les obligations relatives à l'enregistrement du temps de distribution de colis visées dans les articles 5/3 et 5/4 de la présente loi.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de livreurs de colis pour lesquels il n'y a pas d'enregistrement du temps de distribution de colis.]1
HOOFDSTUK 5. - Niet-aangegeven arbeid
CHAPITRE 5. - Le travail non déclaré
Afdeling 1. - Niet-aangifte van een werknemer aan de overheid
Section 1re. - Non-déclaration d'un travailleur à l'autorité
Art. 181. [1 De onmiddellijke aangifte van tewerkstelling
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels :
1° de gegevens die opgelegd zijn door voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002 niet elektronisch heeft meegedeeld aan de instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze, uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer zijn prestaties aanvat, en uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de beëindiging van de aangegeven tewerkstelling;
2° de wijziging van de gegevens inzake arbeidstijd bedoeld [2 in het artikel 5bis, § 2,2°, en § 3, eerste lid, 1°, het artikel 6, 6°, 2°, en het artikel 7/1, tweede lid, van voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002,]2, namelijk van het tijdstip van het einde van de prestatie, niet heeft meegedeeld aan de instelling die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen, uiterlijk op het einde van de kalenderdag waarop ze betrekking hebben, wanneer de werknemer zijn prestaties vroeger beëindigt dan voorzien;
3° een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling geannuleerd heeft na het einde van de kalenderdag waarop deze betrekking heeft of, als de aangifte sloeg op een periode die twee kalenderdagen of meer bestrijkt, deze geannuleerd heeft na de eerste kalenderdag van de prestatie die was voorzien.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd, kan de rechter bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wanneer een [2 werknemer]2 wordt tewerkgesteld voor een langere dagelijkse periode dan deze aangekondigd in de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling die in het begin van de dag wordt gedaan, de wijziging van de gegevens inzake arbeidstijd bedoeld [2 in het artikel 5bis, § 2, 2°, en § 3, eerste lid, 1°, het artikel 6, 6°, 2°, en het artikel 7/1, tweede lid, van voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002]2, namelijk van het tijdstip van het einde van de prestatie, niet heeft meegedeeld aan de instelling die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen, uiterlijk binnen de periode van acht uur die volgt op het in de initiële aangifte voorziene einduur, of wanneer het initieel aangekondigde einduur tussen twintig en vierentwintig uur valt, uiterlijk om acht uur 's morgens van de volgende kalenderdag.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd, kan de rechter bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels :
1° de gegevens die opgelegd zijn door voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002 niet elektronisch heeft meegedeeld aan de instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze, uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer zijn prestaties aanvat, en uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de beëindiging van de aangegeven tewerkstelling;
2° de wijziging van de gegevens inzake arbeidstijd bedoeld [2 in het artikel 5bis, § 2,2°, en § 3, eerste lid, 1°, het artikel 6, 6°, 2°, en het artikel 7/1, tweede lid, van voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002,]2, namelijk van het tijdstip van het einde van de prestatie, niet heeft meegedeeld aan de instelling die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen, uiterlijk op het einde van de kalenderdag waarop ze betrekking hebben, wanneer de werknemer zijn prestaties vroeger beëindigt dan voorzien;
3° een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling geannuleerd heeft na het einde van de kalenderdag waarop deze betrekking heeft of, als de aangifte sloeg op een periode die twee kalenderdagen of meer bestrijkt, deze geannuleerd heeft na de eerste kalenderdag van de prestatie die was voorzien.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd, kan de rechter bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wanneer een [2 werknemer]2 wordt tewerkgesteld voor een langere dagelijkse periode dan deze aangekondigd in de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling die in het begin van de dag wordt gedaan, de wijziging van de gegevens inzake arbeidstijd bedoeld [2 in het artikel 5bis, § 2, 2°, en § 3, eerste lid, 1°, het artikel 6, 6°, 2°, en het artikel 7/1, tweede lid, van voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002]2, namelijk van het tijdstip van het einde van de prestatie, niet heeft meegedeeld aan de instelling die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen, uiterlijk binnen de periode van acht uur die volgt op het in de initiële aangifte voorziene einduur, of wanneer het initieel aangekondigde einduur tussen twintig en vierentwintig uur valt, uiterlijk om acht uur 's morgens van de volgende kalenderdag.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd, kan de rechter bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
Art. 181. [1 La déclaration immédiate de l'emploi
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions :
1° n'a pas communiqué les données imposées par l'arrêté royal précité du 5 novembre 2002 par voie électronique à l'institution chargée de la perception des cotisations de sécurité sociale dans les formes et suivant les modalités prescrites, au plus tard au moment où le travailleur entame ses prestations et au plus tard le premier jour ouvrable qui suit la fin de l'emploi déclaré;
2° n'a pas communiqué la modification des données relatives au temps de travail visées [2 à l'article 5bis, § 2, 2°, et § 3, alinéa 1er, 1°, à l'article 6, 6°, 2°, et à l'article 7/1, alinéa 2, de l'arrêté royal précité du 5 novembre 2002]2, à savoir de l'heure de fin de la prestation, à l'institution chargée de la perception des cotisations de sécurité sociale, au plus tard à la fin du jour civil auquel elles se rapportent lorsque le travailleur finit ses prestations plus tôt que prévu;
3° a annulé une déclaration immédiate de l'emploi après la fin du jour civil auquel elle se rapporte ou, si la déclaration portait sur une période couvrant deux jours calendrier ou plus, l'a annulée après la fin du premier jour civil de la prestation qui était prévue.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Lorsque l'infraction a été commise sciemment et volontairement, le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, lorsqu'un [2 travailleur]2 a été occupé pour une période journalière plus longue que celle annoncée dans la déclaration immédiate de l'emploi faite en début de journée, n'a pas communiqué la modification des données relatives au temps de travail visées [2 à l'article 5bis, § 2, 2°, et § 3, alinéa 1er, 1°, à l'article 6, 6°, 2°, et à l'article 7/1, alinéa 2, de l'arrêté royal précité du 5 novembre 2002]2, à savoir de l'heure de fin de la prestation, à l'institution chargée de la perception des cotisations de sécurité sociale, au plus tard dans les huit heures qui suivent l'heure de fin prévue dans la déclaration initiale ou, lorsque l'heure de fin initialement annoncée se situe entre vingt et vingt-quatre heures, au plus tard le lendemain huit heures du matin.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Lorsque l'infraction a été commise sciemment et volontairement, le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions :
1° n'a pas communiqué les données imposées par l'arrêté royal précité du 5 novembre 2002 par voie électronique à l'institution chargée de la perception des cotisations de sécurité sociale dans les formes et suivant les modalités prescrites, au plus tard au moment où le travailleur entame ses prestations et au plus tard le premier jour ouvrable qui suit la fin de l'emploi déclaré;
2° n'a pas communiqué la modification des données relatives au temps de travail visées [2 à l'article 5bis, § 2, 2°, et § 3, alinéa 1er, 1°, à l'article 6, 6°, 2°, et à l'article 7/1, alinéa 2, de l'arrêté royal précité du 5 novembre 2002]2, à savoir de l'heure de fin de la prestation, à l'institution chargée de la perception des cotisations de sécurité sociale, au plus tard à la fin du jour civil auquel elles se rapportent lorsque le travailleur finit ses prestations plus tôt que prévu;
3° a annulé une déclaration immédiate de l'emploi après la fin du jour civil auquel elle se rapporte ou, si la déclaration portait sur une période couvrant deux jours calendrier ou plus, l'a annulée après la fin du premier jour civil de la prestation qui était prévue.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Lorsque l'infraction a été commise sciemment et volontairement, le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, lorsqu'un [2 travailleur]2 a été occupé pour une période journalière plus longue que celle annoncée dans la déclaration immédiate de l'emploi faite en début de journée, n'a pas communiqué la modification des données relatives au temps de travail visées [2 à l'article 5bis, § 2, 2°, et § 3, alinéa 1er, 1°, à l'article 6, 6°, 2°, et à l'article 7/1, alinéa 2, de l'arrêté royal précité du 5 novembre 2002]2, à savoir de l'heure de fin de la prestation, à l'institution chargée de la perception des cotisations de sécurité sociale, au plus tard dans les huit heures qui suivent l'heure de fin prévue dans la déclaration initiale ou, lorsque l'heure de fin initialement annoncée se situe entre vingt et vingt-quatre heures, au plus tard le lendemain huit heures du matin.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Lorsque l'infraction a été commise sciemment et volontairement, le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
Art. 181/1. [1 De onmiddellijke aangifte van tewerkstelling in bijzondere activiteitssectoren
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft :
1° de werkgever die ressorteert onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf, onder het paritair comité voor de landbouw, of onder het paritair comité voor de uitzendarbeid, zijn aangestelde of lasthebber, die, in strijd met het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, voor de gelegenheidswerknemer die hij tewerkstelt, niet per dag en tegelijkertijd met de gegevens opgesomd in artikel 4 van voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002 het tijdstip van het begin van de prestatie en het tijdstip van het einde van de prestatie meedeelt;
2° de werkgever die ressorteert onder het paritair comité voor het hotelbedrijf of onder het paritair comité voor de uitzendarbeid indien de gebruiker ressorteert onder het paritair comité voor het hotelbedrijf, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die, in strijd met voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002, voor de gelegenheidswerknemer als bedoeld in artikel 31ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die hij tewerkstelt, niet per dag en tegelijkertijd met de gegevens opgesomd in artikel 4 van voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002, ofwel het tijdstip van het begin van de prestatie en het tijdstip van het einde van de prestatie, ofwel het tijdstip van het begin van de prestatie in het geval van een dagblok meegedeeld heeft.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd, kan de rechter bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever die ressorteert onder het paritair comité voor de uitzendarbeid en die een gelegenheidswerknemer tewerkstelt bij een gebruiker die ressorteert onder het paritair comité voor het hotelbedrijf, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die, in strijd met het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het ondernemingsnummer en het paritair comité van de gebruiker niet vermeld heeft.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd, kan de rechter bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft :
1° de werkgever die ressorteert onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf, onder het paritair comité voor de landbouw, of onder het paritair comité voor de uitzendarbeid, zijn aangestelde of lasthebber, die, in strijd met het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, voor de gelegenheidswerknemer die hij tewerkstelt, niet per dag en tegelijkertijd met de gegevens opgesomd in artikel 4 van voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002 het tijdstip van het begin van de prestatie en het tijdstip van het einde van de prestatie meedeelt;
2° de werkgever die ressorteert onder het paritair comité voor het hotelbedrijf of onder het paritair comité voor de uitzendarbeid indien de gebruiker ressorteert onder het paritair comité voor het hotelbedrijf, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die, in strijd met voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002, voor de gelegenheidswerknemer als bedoeld in artikel 31ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die hij tewerkstelt, niet per dag en tegelijkertijd met de gegevens opgesomd in artikel 4 van voormeld koninklijk besluit van 5 november 2002, ofwel het tijdstip van het begin van de prestatie en het tijdstip van het einde van de prestatie, ofwel het tijdstip van het begin van de prestatie in het geval van een dagblok meegedeeld heeft.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd, kan de rechter bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever die ressorteert onder het paritair comité voor de uitzendarbeid en die een gelegenheidswerknemer tewerkstelt bij een gebruiker die ressorteert onder het paritair comité voor het hotelbedrijf, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die, in strijd met het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het ondernemingsnummer en het paritair comité van de gebruiker niet vermeld heeft.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd, kan de rechter bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.]1
Art. 181/1. [1 La déclaration immédiate de l'emploi dans des secteurs particuliers d'activités
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4 :
1° l'employeur ressortissant à la commission paritaire pour les entreprises horticoles, à la commission paritaire de l'agriculture, ou à la commission paritaire pour le travail intérimaire, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, ne communique pas de manière journalière, pour le travailleur occasionnel qu'il occupe, en même temps que les données énumérées à l'article 4 de l'arrêté royal précité du 5 novembre 2002 l'heure du début de la prestation et l'heure de fin de la prestation;
2° l'employeur ressortissant à la commission paritaire de l'industrie hôtelière ou à la commission paritaire pour le travail intérimaire si l'utilisateur relève de la commission paritaire de l'industrie hôtelière, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal précité du 5 novembre 2002, n'a pas communiqué de manière journalière, pour le travailleur occasionnel qu'il occupe visé à l'article 31ter de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, en même temps que les données énumérées à l'article 4 de l'arrêté royal précité du 5 novembre 2002, soit l'heure du début de la prestation et l'heure de fin de prestation, soit l'heure de début de prestation dans le cas d'un bloc journalier.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Lorsque l'infraction a été commise sciemment et volontairement, le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur relevant de la commission paritaire pour le travail intérimaire et employant un travailleur occasionnel chez un utilisateur qui relève de la commission paritaire de l'industrie hôtelière, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, n'a pas mentionné le numéro d'entreprise et la commission paritaire de l'utilisateur.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Lorsque l'infraction a été commise sciemment et volontairement, le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4 :
1° l'employeur ressortissant à la commission paritaire pour les entreprises horticoles, à la commission paritaire de l'agriculture, ou à la commission paritaire pour le travail intérimaire, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, ne communique pas de manière journalière, pour le travailleur occasionnel qu'il occupe, en même temps que les données énumérées à l'article 4 de l'arrêté royal précité du 5 novembre 2002 l'heure du début de la prestation et l'heure de fin de la prestation;
2° l'employeur ressortissant à la commission paritaire de l'industrie hôtelière ou à la commission paritaire pour le travail intérimaire si l'utilisateur relève de la commission paritaire de l'industrie hôtelière, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal précité du 5 novembre 2002, n'a pas communiqué de manière journalière, pour le travailleur occasionnel qu'il occupe visé à l'article 31ter de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, en même temps que les données énumérées à l'article 4 de l'arrêté royal précité du 5 novembre 2002, soit l'heure du début de la prestation et l'heure de fin de prestation, soit l'heure de début de prestation dans le cas d'un bloc journalier.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Lorsque l'infraction a été commise sciemment et volontairement, le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur relevant de la commission paritaire pour le travail intérimaire et employant un travailleur occasionnel chez un utilisateur qui relève de la commission paritaire de l'industrie hôtelière, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, n'a pas mentionné le numéro d'entreprise et la commission paritaire de l'utilisateur.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Lorsque l'infraction a été commise sciemment et volontairement, le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.]1
Art. 182. Voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met hoofdstuk VIII van titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006 en de uitvoeringsbesluiten ervan, geen melding bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid heeft gedaan voorafgaand aan de tewerkstelling van een werknemer gedetacheerd op het Belgisch grondgebied volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
2° [2 de werkgever, gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, die, in strijd met artikel 7/1/2, § 1, van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, voorafgaand aan de tewerkstelling van een bestuurder op het Belgisch grondgebied in het kader van activiteiten in de sector van het wegvervoer, geen detacheringsverklaring heeft ingediend bij de door de Koning aangewezen ambtenaren, door middel van het meertalig standaardformulier van de openbare interface die is verbonden met het bij Verordening (EU) nr. 1024/2012 ingestelde informatiesysteem voor de interne markt]2;
3° [2 de werkgever, die gevestigd is in een land dat geen lid is van de Europese Unie, noch het Verenigd Koninkrijk is, en die, in strijd met artikel 7/1/2, § 2, van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, voorafgaand aan de tewerkstelling van een bestuurder op het Belgisch grondgebied in het kader van activiteiten in de sector van het wegvervoer, geen detacheringsverklaring heeft ingediend bij de door de Koning aangewezen ambtenaren]2;
[3 4° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, vóór het einde van de aangegeven duur, geen nieuwe melding bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid gedaan heeft wanneer de detachering langer duurt dan de oorspronkelijk aangegeven duur.]3
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers [2 of bestuurders]2 [1 ...]1 .
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de gedetacheerde zelfstandige die, in strijd met hoofdstuk VIII van titel IV van de voormelde wet van 27 december 2006 en de uitvoeringsbesluiten ervan, geen melding bij het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen heeft gedaan voorafgaand aan de uitoefening van een beroepsactiviteit als gedetacheerd zelfstandige op het Belgisch grondgebied volgens de door de Koning bepaalde nadere regels.
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met hoofdstuk VIII van titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006 en de uitvoeringsbesluiten ervan, geen melding bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid heeft gedaan voorafgaand aan de tewerkstelling van een werknemer gedetacheerd op het Belgisch grondgebied volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
2° [2 de werkgever, gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, die, in strijd met artikel 7/1/2, § 1, van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, voorafgaand aan de tewerkstelling van een bestuurder op het Belgisch grondgebied in het kader van activiteiten in de sector van het wegvervoer, geen detacheringsverklaring heeft ingediend bij de door de Koning aangewezen ambtenaren, door middel van het meertalig standaardformulier van de openbare interface die is verbonden met het bij Verordening (EU) nr. 1024/2012 ingestelde informatiesysteem voor de interne markt]2;
3° [2 de werkgever, die gevestigd is in een land dat geen lid is van de Europese Unie, noch het Verenigd Koninkrijk is, en die, in strijd met artikel 7/1/2, § 2, van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, voorafgaand aan de tewerkstelling van een bestuurder op het Belgisch grondgebied in het kader van activiteiten in de sector van het wegvervoer, geen detacheringsverklaring heeft ingediend bij de door de Koning aangewezen ambtenaren]2;
[3 4° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, vóór het einde van de aangegeven duur, geen nieuwe melding bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid gedaan heeft wanneer de detachering langer duurt dan de oorspronkelijk aangegeven duur.]3
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers [2 of bestuurders]2 [1 ...]1 .
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de gedetacheerde zelfstandige die, in strijd met hoofdstuk VIII van titel IV van de voormelde wet van 27 december 2006 en de uitvoeringsbesluiten ervan, geen melding bij het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen heeft gedaan voorafgaand aan de uitoefening van een beroepsactiviteit als gedetacheerd zelfstandige op het Belgisch grondgebied volgens de door de Koning bepaalde nadere regels.
Art. 182. La déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention au chapitre VIII du titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 et de ses arrêtés d'exécution, n'a pas effectué de déclaration auprès de l'Office national de sécurité sociale préalablement à l'occupation d'un travailleur salarié détaché sur le territoire belge selon les modalités déterminées par la Roi;
2° [2 l'employeur établi dans un Etat membre de l'Union européenne ou établi au Royaume-Uni et qui, en violation de l'article 7/1/2, § 1er, de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci, n'a pas soumis préalablement à l'occupation d'un conducteur sur le territoire belge dans le cadre d'activités dans le domaine du transport routier, de déclaration de détachement aux fonctionnaires désignés par le Roi au moyen du formulaire standard multilingue de l'interface publique connectée au système d'information du marché intérieur institué par le règlement (UE) n° 1024/2012;]2
3° [2 l'employeur établi dans un Etat qui n'est pas membre de l'Union européenne et qui n'est pas le Royaume-Uni, et qui, en violation de l'article 7/1/2, § 2, de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci, n'a pas soumis préalablement à l'occupation d'un conducteur sur le territoire belge dans le cadre d'activités dans le domaine du transport routier une déclaration de détachement aux fonctionnaires désignés par le Roi;]2
[3 4° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas procédé à une nouvelle déclaration auprès de l'Office national de sécurité sociale préalablement à la fin de la durée déclarée lorsque le détachement se prolonge au-delà de la durée initialement déclarée.]3
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs [2 ou de conducteurs]2 [1 ...]1 concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3, le travailleur indépendant détaché qui, en contravention au chapitre VIII du titre IV de la loi précitée du 27 décembre 2006 et de ses arrêtés d'exécution, n'a pas effectué de déclaration auprès de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants préalablement à l'exercice de l'activité professionnelle en qualité de travailleur indépendant détaché sur le territoire belge selon les modalités déterminées par le Roi.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention au chapitre VIII du titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 et de ses arrêtés d'exécution, n'a pas effectué de déclaration auprès de l'Office national de sécurité sociale préalablement à l'occupation d'un travailleur salarié détaché sur le territoire belge selon les modalités déterminées par la Roi;
2° [2 l'employeur établi dans un Etat membre de l'Union européenne ou établi au Royaume-Uni et qui, en violation de l'article 7/1/2, § 1er, de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci, n'a pas soumis préalablement à l'occupation d'un conducteur sur le territoire belge dans le cadre d'activités dans le domaine du transport routier, de déclaration de détachement aux fonctionnaires désignés par le Roi au moyen du formulaire standard multilingue de l'interface publique connectée au système d'information du marché intérieur institué par le règlement (UE) n° 1024/2012;]2
3° [2 l'employeur établi dans un Etat qui n'est pas membre de l'Union européenne et qui n'est pas le Royaume-Uni, et qui, en violation de l'article 7/1/2, § 2, de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci, n'a pas soumis préalablement à l'occupation d'un conducteur sur le territoire belge dans le cadre d'activités dans le domaine du transport routier une déclaration de détachement aux fonctionnaires désignés par le Roi;]2
[3 4° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas procédé à une nouvelle déclaration auprès de l'Office national de sécurité sociale préalablement à la fin de la durée déclarée lorsque le détachement se prolonge au-delà de la durée initialement déclarée.]3
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs [2 ou de conducteurs]2 [1 ...]1 concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3, le travailleur indépendant détaché qui, en contravention au chapitre VIII du titre IV de la loi précitée du 27 décembre 2006 et de ses arrêtés d'exécution, n'a pas effectué de déclaration auprès de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants préalablement à l'exercice de l'activité professionnelle en qualité de travailleur indépendant détaché sur le territoire belge selon les modalités déterminées par le Roi.
Art. 183. Verplichtingen van de eindgebruikers of opdrachtgevers
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° iedere persoon, bij wie of voor wie door gedetacheerde werknemers [1 ...]1, rechtstreeks of via onderaanneming, werkzaamheden verricht worden, in strijd met hoofdstuk VIII van titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006 en de uitvoeringsbesluiten ervan, die voorafgaand aan het begin van de tewerkstelling van deze personen, via elektronische weg en volgens de nadere regels bepaald door de Koning, geen melding heeft gedaan van de identiteitsgegevens van de personen die niet in de mogelijkheid zijn een ontvangstbewijs voor te leggen, aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
2° iedere persoon, bij wie of voor wie door gedetacheerde zelfstandigen [1 ...]1 , rechtstreeks of via onderaanneming, werkzaamheden verricht worden, in strijd met hoofdstuk VIII van titel IV van de voormelde wet van 27 december 2006 en de uitvoeringsbesluiten ervan, die voorafgaand aan het begin van de tewerkstelling van deze personen, via elektronische weg en volgens de nadere regels bepaald door de Koning, geen melding heeft gedaan van de identiteitsgegevens van de personen die niet in de mogelijkheid zijn een ontvangstbewijs voor te leggen, aan het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers [1 of zelfstandigen]1 .
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° iedere persoon, bij wie of voor wie door gedetacheerde werknemers [1 ...]1, rechtstreeks of via onderaanneming, werkzaamheden verricht worden, in strijd met hoofdstuk VIII van titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006 en de uitvoeringsbesluiten ervan, die voorafgaand aan het begin van de tewerkstelling van deze personen, via elektronische weg en volgens de nadere regels bepaald door de Koning, geen melding heeft gedaan van de identiteitsgegevens van de personen die niet in de mogelijkheid zijn een ontvangstbewijs voor te leggen, aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
2° iedere persoon, bij wie of voor wie door gedetacheerde zelfstandigen [1 ...]1 , rechtstreeks of via onderaanneming, werkzaamheden verricht worden, in strijd met hoofdstuk VIII van titel IV van de voormelde wet van 27 december 2006 en de uitvoeringsbesluiten ervan, die voorafgaand aan het begin van de tewerkstelling van deze personen, via elektronische weg en volgens de nadere regels bepaald door de Koning, geen melding heeft gedaan van de identiteitsgegevens van de personen die niet in de mogelijkheid zijn een ontvangstbewijs voor te leggen, aan het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers [1 of zelfstandigen]1 .
Art. 183. Les obligations des utilisateurs finaux ou des commanditaires
Est punie d'une sanction de niveau 3 :
1° toute personne auprès de laquelle ou pour laquelle sont occupés des travailleurs salariés détachés [1 ...]1 , directement ou en sous-traitance qui, en contravention au chapitre VIII du titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 et de ses arrêtés d'exécution, n'a pas communiqué, par voie électronique et selon les modalités déterminées par le Roi à l'Office national de sécurité sociale préalablement au début de l'occupation de ces personnes, les données d'identification des personnes qui ne sont pas en mesure de présenter un accusé de réception;
2° toute personne auprès de laquelle ou pour laquelle sont occupés des travailleurs indépendants détachés [1 ...]1 , directement ou en sous-traitance qui, en contravention au chapitre VIII du titre IV de la loi précitée du 27 décembre 2006 et de ses arrêtés d'exécution, n'a pas communiqué, par voie électronique et selon les modalités déterminées par le Roi à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants préalablement au début de l'occupation de ces personnes, les données d'identification des personnes qui ne sont pas en mesure de présenter un accusé de réception.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs [1 ou d'indépendants]1 concernés.
Est punie d'une sanction de niveau 3 :
1° toute personne auprès de laquelle ou pour laquelle sont occupés des travailleurs salariés détachés [1 ...]1 , directement ou en sous-traitance qui, en contravention au chapitre VIII du titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 et de ses arrêtés d'exécution, n'a pas communiqué, par voie électronique et selon les modalités déterminées par le Roi à l'Office national de sécurité sociale préalablement au début de l'occupation de ces personnes, les données d'identification des personnes qui ne sont pas en mesure de présenter un accusé de réception;
2° toute personne auprès de laquelle ou pour laquelle sont occupés des travailleurs indépendants détachés [1 ...]1 , directement ou en sous-traitance qui, en contravention au chapitre VIII du titre IV de la loi précitée du 27 décembre 2006 et de ses arrêtés d'exécution, n'a pas communiqué, par voie électronique et selon les modalités déterminées par le Roi à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants préalablement au début de l'occupation de ces personnes, les données d'identification des personnes qui ne sont pas en mesure de présenter un accusé de réception.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs [1 ou d'indépendants]1 concernés.
Wijzigingen
Afdeling 1/1.[1 - Niet-aangegeven arbeid in hoofde van de werknemer]1
Section 1/1. [1 - Le travail non déclaré dans le chef du travailleur]1
Art. 183/1. [1 Niet-aangegeven arbeid
Met een sanctie [2 van niveau 3]2 wordt bestraft eenieder, die arbeid verricht in ondergeschikt verband ten overstaan van een werkgever die niet voldoet aan de bepalingen van de artikelen 4 tot 6 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en voor zover :
- deze werknemer wetens en willens deze arbeid uitoefent wetende dat deze niet aangegeven is;
- er tegen de werkgever eveneens een proces-verbaal werd opgesteld voor deze niet aangegeven tewerkstelling.
Het eerste lid is niet van toepassing op de werknemers die tegelijk een vervangingsuitkering ontvangen en die ten gevolge van de in het eerste lid bedoelde tewerkstelling tijdelijk het recht op deze vervangingsuitkering kunnen verliezen en om die reden een andere administratieve of strafrechtelijke sanctie kunnen oplopen.]1
Met een sanctie [2 van niveau 3]2 wordt bestraft eenieder, die arbeid verricht in ondergeschikt verband ten overstaan van een werkgever die niet voldoet aan de bepalingen van de artikelen 4 tot 6 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en voor zover :
- deze werknemer wetens en willens deze arbeid uitoefent wetende dat deze niet aangegeven is;
- er tegen de werkgever eveneens een proces-verbaal werd opgesteld voor deze niet aangegeven tewerkstelling.
Het eerste lid is niet van toepassing op de werknemers die tegelijk een vervangingsuitkering ontvangen en die ten gevolge van de in het eerste lid bedoelde tewerkstelling tijdelijk het recht op deze vervangingsuitkering kunnen verliezen en om die reden een andere administratieve of strafrechtelijke sanctie kunnen oplopen.]1
Art. 183/1. [1 Le travail non déclaré
Est punie d'une sanction [2 de niveau 3]2 toute personne qui accomplit un travail dans un lien de subordination vis-à-vis d'un employeur qui ne satisfait pas aux dispositions des articles 4 à 6 de l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, et pour autant :
- que ce travailleur effectue ce travail sciemment et volontairement en sachant qu'il n'est pas déclaré;
- qu'un procès-verbal ait également été dressé contre l'employeur pour cette occupation non déclarée.
L'alinéa 1er n'est pas applicable aux travailleurs qui perçoivent en même temps une indemnité de remplacement et qui, à la suite de l'occupation visée à l'alinéa 1er, peuvent perdre temporairement le droit à cette indemnité et qui peuvent encourir pour ce motif une autre sanction administrative ou pénale.]1
Est punie d'une sanction [2 de niveau 3]2 toute personne qui accomplit un travail dans un lien de subordination vis-à-vis d'un employeur qui ne satisfait pas aux dispositions des articles 4 à 6 de l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, et pour autant :
- que ce travailleur effectue ce travail sciemment et volontairement en sachant qu'il n'est pas déclaré;
- qu'un procès-verbal ait également été dressé contre l'employeur pour cette occupation non déclarée.
L'alinéa 1er n'est pas applicable aux travailleurs qui perçoivent en même temps une indemnité de remplacement et qui, à la suite de l'occupation visée à l'alinéa 1er, peuvent perdre temporairement le droit à cette indemnité et qui peuvent encourir pour ce motif une autre sanction administrative ou pénale.]1
Afdeling 2. - Het niet aangaan van een arbeidsongevallenverzekering
Section 2. - L'absence de souscription d'une police d'assurance-loi
Art. 184. Het niet aangaan van een arbeidsongevallenverzekering
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die geen arbeidsongevallenverzekering heeft aangegaan bij een verzekeringsonderneming met toepassing van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
[1 Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd is de sanctie van niveau 4.]1
Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd, kan de rechter bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die geen arbeidsongevallenverzekering heeft aangegaan bij een verzekeringsonderneming met toepassing van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
[1 Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd is de sanctie van niveau 4.]1
Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd, kan de rechter bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
Art. 184. L'absence de souscription d'une police d'assurance-loi
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas souscrit une assurance contre les accidents du travail auprès d'une entreprise d'assurances en application de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
[1 Lorsque l'infraction a été commise sciemment et volontairement, la sanction est de niveau 4.]1
Lorsque l'infraction a été commise sciemment et volontairement, le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas souscrit une assurance contre les accidents du travail auprès d'une entreprise d'assurances en application de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
[1 Lorsque l'infraction a été commise sciemment et volontairement, la sanction est de niveau 4.]1
Lorsque l'infraction a été commise sciemment et volontairement, le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 5/1. [1 - De mededeling van de aanwijzing van een verbindingspersoon in geval van detachering van werknemers in België]1
CHAPITRE 5/1. [1 - La communication de la désignation d'une personne de liaison en cas de détachement de travailleurs en Belgique]1
Art. 184/1. [1 [2 Het gebrek aan mededeling van de aanwijzing van de aan te wijzen persoon of van de contactgegevens van de aangewezen persoon in geval van detachering van werknemers in België]2.
Met een sanctie van [2 niveau 4]2 wordt gestraft de werkgever in de zin van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, die niet overgaat tot de mededeling van de aanwijzing van de verbindingspersoon in de zin van dezelfde wet, voorzien overeenkomstig zijn [2 artikel 7/2, § 1, eerste lid]2, aan de door de Koning aangewezen ambtenaren.]1
[2 Met een sanctie van niveau 4 wordt gestraft de werkgever, die voorafgaand aan de tewerkstelling van een bestuurder in België in het kader van activiteiten in de sector van het wegvervoer, niet overgaat tot de mededeling van de contactgegevens van de vervoersmanager of een andere contactpersoon in het land van vestiging van de werkgever, die voor rekening van de werkgever optreedt als tussenpersoon met de door de Koning aangewezen ambtenaren, overeenkomstig artikel 7/2, § 2, tweede lid, van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan.]2
Met een sanctie van [2 niveau 4]2 wordt gestraft de werkgever in de zin van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, die niet overgaat tot de mededeling van de aanwijzing van de verbindingspersoon in de zin van dezelfde wet, voorzien overeenkomstig zijn [2 artikel 7/2, § 1, eerste lid]2, aan de door de Koning aangewezen ambtenaren.]1
[2 Met een sanctie van niveau 4 wordt gestraft de werkgever, die voorafgaand aan de tewerkstelling van een bestuurder in België in het kader van activiteiten in de sector van het wegvervoer, niet overgaat tot de mededeling van de contactgegevens van de vervoersmanager of een andere contactpersoon in het land van vestiging van de werkgever, die voor rekening van de werkgever optreedt als tussenpersoon met de door de Koning aangewezen ambtenaren, overeenkomstig artikel 7/2, § 2, tweede lid, van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan.]2
Art. 184/1. [1 [2 Le défaut de communication de la désignation de la personne à désigner ou des coordonnées de la personne désignée en cas de détachement de travailleurs en Belgique]2.
Est puni d'une sanction de [2 niveau 4]2, l'employeur au sens de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci qui ne procède pas conformément à [2 l'article 7/2, § 1er, alinéa 1er]2 de cette loi, à la communication de la désignation de la personne de liaison aux fonctionnaires désignés par le Roi.]1
[2 Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur qui, préalablement à l'occupation de conducteurs en Belgique, dans le cadre d'activités dans le domaine du transport routier, ne procède pas à la communication des coordonnées du gestionnaire de transport ou de toute autre personne de contact dans l'Etat d'établissement de l'employeur, chargé, pour le compte de l'employeur, d'assurer la liaison avec les fonctionnaires désignés par le Roi, conformément à l'article 7/2, § 2, alinéa 2, de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci.]2
Est puni d'une sanction de [2 niveau 4]2, l'employeur au sens de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci qui ne procède pas conformément à [2 l'article 7/2, § 1er, alinéa 1er]2 de cette loi, à la communication de la désignation de la personne de liaison aux fonctionnaires désignés par le Roi.]1
[2 Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur qui, préalablement à l'occupation de conducteurs en Belgique, dans le cadre d'activités dans le domaine du transport routier, ne procède pas à la communication des coordonnées du gestionnaire de transport ou de toute autre personne de contact dans l'Etat d'établissement de l'employeur, chargé, pour le compte de l'employeur, d'assurer la liaison avec les fonctionnaires désignés par le Roi, conformément à l'article 7/2, § 2, alinéa 2, de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci.]2
HOOFDSTUK 5/2. [1 - Bijzondere verplichtingen in de sector van het wegvervoer]1
CHAPITRE 5/2. [1 - Des obligations spécifiques dans le domaine du transport routier]1
Art. 184/1/1. [1 De voorafgaande informatie in verband met zijn detachering aan de bestuurder in de sector van het wegvervoer.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, die in strijd met de wet van 19 juni 2022 houdende diverse bepalingen inzake de detachering van bestuurders in de sector van het wegvervoer, zijn bestuurder alvorens hem te detacheren niet de informatie, zoals vermeld in artikel 4 van de voornoemde wet van 19 juni 2022 en volgens de nadere regels bepaald bij hetzelfde artikel, heeft meegedeeld.
Voor de inbreuken bedoeld in het eerste lid wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken bestuurders.]1
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, die in strijd met de wet van 19 juni 2022 houdende diverse bepalingen inzake de detachering van bestuurders in de sector van het wegvervoer, zijn bestuurder alvorens hem te detacheren niet de informatie, zoals vermeld in artikel 4 van de voornoemde wet van 19 juni 2022 en volgens de nadere regels bepaald bij hetzelfde artikel, heeft meegedeeld.
Voor de inbreuken bedoeld in het eerste lid wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken bestuurders.]1
Art. 184/1/1. [1 L'information préalable au conducteur de son détachement dans le domaine du transport routier.
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, qui, en contravention à la loi du 19 juin 2022 portant diverses dispositions concernant le détachement de conducteurs dans le domaine du transport routier, n'a pas communiqué à son conducteur, avant de le détacher, les informations mentionnées dans l'article 4 de la loi précitée du 19 juin 2022 et selon les modalités prévues par ce même article.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de conducteurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, qui, en contravention à la loi du 19 juin 2022 portant diverses dispositions concernant le détachement de conducteurs dans le domaine du transport routier, n'a pas communiqué à son conducteur, avant de le détacher, les informations mentionnées dans l'article 4 de la loi précitée du 19 juin 2022 et selon les modalités prévues par ce même article.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de conducteurs concernés.]1
Art. 184/1/2. [1 De medeaansprakelijkheid in geval van het uitvoeren van diensten van wegvervoer.
§ 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
1° "de opdrachtgever" : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die, in het kader van een aannemingsovereenkomst, tegen een prijs de uitvoering van diensten van wegvervoer bestelt of laat bestellen.
De bestemmeling van de vervoerovereenkomst wordt in dit kader gelijkgesteld met de opdrachtgever;
2° "vervoerscommissionair" : elke natuurlijke of rechtspersoon die, tegen vergoeding, de verbintenis aangaat een transport van goederen te verrichten en dit transport in eigen naam door derden laat uitvoeren;
3° "commissionair-expediteur" : elke natuurlijke of rechtspersoon die, tegen vergoeding, de verbintenis aangaat goederen te laten vervoeren in eigen naam maar voor rekening van zijn committent, en één of meer met dat vervoer samenhangende verrichtingen, zoals het in ontvangst nemen, het bezorgen aan derden-vervoerders, het opslaan, de verzekering en het in- of uitklaren, uit te voeren of te doen uitvoeren.
Dit artikel is niet van toepassing op de opdrachtgever die een natuurlijke persoon is en die uitsluitend voor privédoeleinden activiteiten in de sector van het wegvervoer laat uitvoeren.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de opdrachtgever, de vervoerscommissionair of de commissionair-expediteur, die bij een werkgever de uitvoering van diensten van wegvervoer bestelt of laat bestellen, wanneer deze opdrachtgever, vervoerscommissionair of commissionair-expediteur, alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, weet of had moeten weten dat, in het kader van een dergelijke uitvoering, de werkgever die het vervoer bewerkstelligt de verplichtingen bepaald bij artikel 7/1/1 van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, niet naleeft.
§ 3. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de opdrachtgever, de vervoerscommissionair of de commissionair-expediteur, die bij een werkgever de uitvoering van diensten van wegvervoer bestelt of laat bestellen, wanneer deze opdrachtgever, vervoerscommissionair of commissionair-expediteur, alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, weet of had moeten weten dat, in het kader van een dergelijke uitvoering, de werkgever die het vervoer bewerkstelligt de verplichtingen bepaald bij artikel 15ter van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, niet naleeft.
§ 4. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de opdrachtgever, de vervoerscommissionair of de commissionair-expediteur, die bij een werkgever de uitvoering van diensten van wegvervoer bestelt of laat bestellen, wanneer deze opdrachtgever, vervoerscommissionair of commissionair-expediteur alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, weet of had moeten weten dat, in het kader van een dergelijke uitvoering, de werkgever, die het vervoer bewerkstelligt de detacheringsverklaring voorzien in artikel 7/1/2 van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, niet ingediend heeft.]1
§ 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
1° "de opdrachtgever" : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die, in het kader van een aannemingsovereenkomst, tegen een prijs de uitvoering van diensten van wegvervoer bestelt of laat bestellen.
De bestemmeling van de vervoerovereenkomst wordt in dit kader gelijkgesteld met de opdrachtgever;
2° "vervoerscommissionair" : elke natuurlijke of rechtspersoon die, tegen vergoeding, de verbintenis aangaat een transport van goederen te verrichten en dit transport in eigen naam door derden laat uitvoeren;
3° "commissionair-expediteur" : elke natuurlijke of rechtspersoon die, tegen vergoeding, de verbintenis aangaat goederen te laten vervoeren in eigen naam maar voor rekening van zijn committent, en één of meer met dat vervoer samenhangende verrichtingen, zoals het in ontvangst nemen, het bezorgen aan derden-vervoerders, het opslaan, de verzekering en het in- of uitklaren, uit te voeren of te doen uitvoeren.
Dit artikel is niet van toepassing op de opdrachtgever die een natuurlijke persoon is en die uitsluitend voor privédoeleinden activiteiten in de sector van het wegvervoer laat uitvoeren.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de opdrachtgever, de vervoerscommissionair of de commissionair-expediteur, die bij een werkgever de uitvoering van diensten van wegvervoer bestelt of laat bestellen, wanneer deze opdrachtgever, vervoerscommissionair of commissionair-expediteur, alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, weet of had moeten weten dat, in het kader van een dergelijke uitvoering, de werkgever die het vervoer bewerkstelligt de verplichtingen bepaald bij artikel 7/1/1 van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, niet naleeft.
§ 3. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de opdrachtgever, de vervoerscommissionair of de commissionair-expediteur, die bij een werkgever de uitvoering van diensten van wegvervoer bestelt of laat bestellen, wanneer deze opdrachtgever, vervoerscommissionair of commissionair-expediteur, alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, weet of had moeten weten dat, in het kader van een dergelijke uitvoering, de werkgever die het vervoer bewerkstelligt de verplichtingen bepaald bij artikel 15ter van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, niet naleeft.
§ 4. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de opdrachtgever, de vervoerscommissionair of de commissionair-expediteur, die bij een werkgever de uitvoering van diensten van wegvervoer bestelt of laat bestellen, wanneer deze opdrachtgever, vervoerscommissionair of commissionair-expediteur alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, weet of had moeten weten dat, in het kader van een dergelijke uitvoering, de werkgever, die het vervoer bewerkstelligt de detacheringsverklaring voorzien in artikel 7/1/2 van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, niet ingediend heeft.]1
Art. 184/1/2. [1 La coresponsabilité en cas d'exécution de services de transport routier.
§ 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° " le donneur d'ordres " : toute personne physique ou morale qui, dans le cadre d'un contrat d'entreprise, commande ou fait commander, pour un prix, l'exécution de services de transport routier.
Le destinataire du contrat de transport est dans ce cadre assimilé au donneur d'ordres;
2° " le commissionnaire de transport " : toute personne physique ou morale qui, moyennant rémunération, s'engage à effectuer un transport de marchandises et fait exécuter ce transport en son propre nom par des tiers;
3° " le commissionnaire-expéditeur " : toute personne physique ou morale qui, moyennant rémunération, s'engage à faire transporter des marchandises, en son propre nom mais pour le compte de son commettant, et à exécuter ou à faire exécuter une ou plusieurs opérations connexes à ces transports telles que la réception, la remise à des tiers transporteurs, l'entreposage, l'assurance et le dédouanement.
Le présent article n'est pas applicable au donneur d'ordres qui est une personne physique et qui commande l'exécution de services de transport routier à des fins exclusivement privées.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4, le donneur d'ordres, le commissionnaire de transport ou le commissionnaire-expéditeur, qui commande ou fait commander à un employeur l'exécution de services de transport routier alors que ledit donneur d'ordres, le commissionnaire de transport ou le commissionnaire-expéditeur sait ou aurait dû savoir, compte tenu de toutes les circonstances pertinentes, que dans le cadre d'une telle exécution, l'employeur qui exécute le transport viole les obligations prévues à l'article 7/1/1 de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 4, le donneur d'ordres, le commissionnaire de transport ou le commissionnaire-expéditeur, qui commande ou fait commander à un employeur l'exécution de services de transport routier alors que ledit donneur d'ordres, le commissionnaire de transport ou le commissionnaire-expéditeur sait ou aurait dû savoir, compte tenu de toutes les circonstances pertinentes, que dans le cadre d'une telle exécution, l'employeur qui exécute le transport viole les obligations prévues à l'article 15ter de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.
§ 4. Est puni d'une sanction de niveau 4, le donneur d'ordres, le commissionnaire de transport ou le commissionnaire-expéditeur, qui commande ou fait commander à un employeur l'exécution de services de transport routier alors que ledit donneur d'ordres, le commissionnaire de transport ou le commissionnaire-expéditeur sait ou aurait dû savoir, compte tenu de toutes les circonstances pertinentes, que dans le cadre d'une telle exécution, l'employeur qui exécute le transport n'a pas effectué la déclaration de détachement prévue à l'article 7/1/2 de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci.]1
§ 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° " le donneur d'ordres " : toute personne physique ou morale qui, dans le cadre d'un contrat d'entreprise, commande ou fait commander, pour un prix, l'exécution de services de transport routier.
Le destinataire du contrat de transport est dans ce cadre assimilé au donneur d'ordres;
2° " le commissionnaire de transport " : toute personne physique ou morale qui, moyennant rémunération, s'engage à effectuer un transport de marchandises et fait exécuter ce transport en son propre nom par des tiers;
3° " le commissionnaire-expéditeur " : toute personne physique ou morale qui, moyennant rémunération, s'engage à faire transporter des marchandises, en son propre nom mais pour le compte de son commettant, et à exécuter ou à faire exécuter une ou plusieurs opérations connexes à ces transports telles que la réception, la remise à des tiers transporteurs, l'entreposage, l'assurance et le dédouanement.
Le présent article n'est pas applicable au donneur d'ordres qui est une personne physique et qui commande l'exécution de services de transport routier à des fins exclusivement privées.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4, le donneur d'ordres, le commissionnaire de transport ou le commissionnaire-expéditeur, qui commande ou fait commander à un employeur l'exécution de services de transport routier alors que ledit donneur d'ordres, le commissionnaire de transport ou le commissionnaire-expéditeur sait ou aurait dû savoir, compte tenu de toutes les circonstances pertinentes, que dans le cadre d'une telle exécution, l'employeur qui exécute le transport viole les obligations prévues à l'article 7/1/1 de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 4, le donneur d'ordres, le commissionnaire de transport ou le commissionnaire-expéditeur, qui commande ou fait commander à un employeur l'exécution de services de transport routier alors que ledit donneur d'ordres, le commissionnaire de transport ou le commissionnaire-expéditeur sait ou aurait dû savoir, compte tenu de toutes les circonstances pertinentes, que dans le cadre d'une telle exécution, l'employeur qui exécute le transport viole les obligations prévues à l'article 15ter de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.
§ 4. Est puni d'une sanction de niveau 4, le donneur d'ordres, le commissionnaire de transport ou le commissionnaire-expéditeur, qui commande ou fait commander à un employeur l'exécution de services de transport routier alors que ledit donneur d'ordres, le commissionnaire de transport ou le commissionnaire-expéditeur sait ou aurait dû savoir, compte tenu de toutes les circonstances pertinentes, que dans le cadre d'une telle exécution, l'employeur qui exécute le transport n'a pas effectué la déclaration de détachement prévue à l'article 7/1/2 de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci.]1
HOOFDSTUK 5/3. [1 - De organisatie van de onderaanneming]1
CHAPITRE 5/3. [1 L'organisation de la sous-traitance]1
Art. 184/1/3. [1 De organisatie van de onderaanneming in het kader van overheidsopdrachten
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de onderaannemer, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die, in strijd met het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten, het geheel van de uitvoering van de overeenkomst die hij gesloten heeft met zijn eigen medecontractant, in onderaanneming heeft gegeven aan een andere onderaannemer, of alleen de coördinatie van de uitvoering van deze overeenkomst heeft behouden.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft de onderaannemer van het derde niveau, elke onderaannemer in de onderaannemingsketen na de onderaannemer van het derde niveau, hun aangestelde of hun lasthebber, die, in strijd met het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten, in strijd met het verbod op onderaanneming op een bijkomend niveau, de in artikel 12/3, § 2, 1°, van het voormelde koninklijk besluit, bedoelde werken, toegewezen door de aanbestedende overheid aan de aanbesteder, in onderaanneming hebben gegeven, buiten de door de Koning toegestane situaties.
§ 3. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft de onderaannemer van het tweede niveau, elke onderaannemer in de onderaannemingsketen na de onderaannemer van het tweede niveau, hun aangestelde of hun lasthebber, die, in strijd met het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten, in strijd met het verbod op onderaanneming op een bijkomend niveau, de in artikel 12/3, § 2, 2° of 3°, van het voormelde koninklijk besluit, bedoelde werken of diensten, toegewezen door de aanbestedende overheid aan de aanbesteder, in onderaanneming hebben gegeven, buiten de door de Koning toegestane situaties.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de onderaannemer, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die, in strijd met het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten, het geheel van de uitvoering van de overeenkomst die hij gesloten heeft met zijn eigen medecontractant, in onderaanneming heeft gegeven aan een andere onderaannemer, of alleen de coördinatie van de uitvoering van deze overeenkomst heeft behouden.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft de onderaannemer van het derde niveau, elke onderaannemer in de onderaannemingsketen na de onderaannemer van het derde niveau, hun aangestelde of hun lasthebber, die, in strijd met het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten, in strijd met het verbod op onderaanneming op een bijkomend niveau, de in artikel 12/3, § 2, 1°, van het voormelde koninklijk besluit, bedoelde werken, toegewezen door de aanbestedende overheid aan de aanbesteder, in onderaanneming hebben gegeven, buiten de door de Koning toegestane situaties.
§ 3. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft de onderaannemer van het tweede niveau, elke onderaannemer in de onderaannemingsketen na de onderaannemer van het tweede niveau, hun aangestelde of hun lasthebber, die, in strijd met het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten, in strijd met het verbod op onderaanneming op een bijkomend niveau, de in artikel 12/3, § 2, 2° of 3°, van het voormelde koninklijk besluit, bedoelde werken of diensten, toegewezen door de aanbestedende overheid aan de aanbesteder, in onderaanneming hebben gegeven, buiten de door de Koning toegestane situaties.]1
Art. 184/1/3. [1 L'organisation de la sous-traitance dans le cadre de marchés publics
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, le sous-traitant, son préposé ou son mandataire, qui, en violation de l'arrêté royal du 14 janvier 2013 établissant les règles générales d'exécution des marchés publics, a sous-traité à un autre sous-traitant la totalité de l'exécution du contrat qu'il a conclu avec son propre cocontractant ou en conservant uniquement la coordination de l'exécution de ce contrat.
§ 2. Sont punis d'une sanction de niveau 4, le sous-traitant du troisième niveau, chaque sous-traitant intervenant dans la chaîne de sous-traitance après le sous-traitant du troisième niveau, leur préposé ou leur mandataire qui, en violation de l'arrêté royal du 14 janvier 2013 établissant les règles générales d'exécution des marchés publics, ont sous-traité les travaux visés à l'article 12/3, § 2, 1°, de l'arrêté royal précité, confiés par le pouvoir adjudicateur à l'adjudicataire, en violation de l'interdiction de sous-traiter à un niveau supplémentaire, en dehors des situations autorisées par le Roi.
§ 3. Sont punis d'une sanction de niveau 4, le sous-traitant du deuxième niveau, chaque sous-traitant intervenant dans la chaîne de sous-traitance après le sous-traitant du deuxième niveau, leur préposé ou leur mandataire qui, en violation de l'arrêté royal du 14 janvier 2013 établissant les règles générales d'exécution des marchés publics, ont sous-traité les travaux ou les services visés à l'article 12/3, § 2, 2° ou 3°, de l'arrêté royal précité, confiés par le pouvoir adjudicateur à l'adjudicataire, en violation de l'interdiction de sous-traiter à un niveau supplémentaire, en dehors des situations autorisées par le Roi.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, le sous-traitant, son préposé ou son mandataire, qui, en violation de l'arrêté royal du 14 janvier 2013 établissant les règles générales d'exécution des marchés publics, a sous-traité à un autre sous-traitant la totalité de l'exécution du contrat qu'il a conclu avec son propre cocontractant ou en conservant uniquement la coordination de l'exécution de ce contrat.
§ 2. Sont punis d'une sanction de niveau 4, le sous-traitant du troisième niveau, chaque sous-traitant intervenant dans la chaîne de sous-traitance après le sous-traitant du troisième niveau, leur préposé ou leur mandataire qui, en violation de l'arrêté royal du 14 janvier 2013 établissant les règles générales d'exécution des marchés publics, ont sous-traité les travaux visés à l'article 12/3, § 2, 1°, de l'arrêté royal précité, confiés par le pouvoir adjudicateur à l'adjudicataire, en violation de l'interdiction de sous-traiter à un niveau supplémentaire, en dehors des situations autorisées par le Roi.
§ 3. Sont punis d'une sanction de niveau 4, le sous-traitant du deuxième niveau, chaque sous-traitant intervenant dans la chaîne de sous-traitance après le sous-traitant du deuxième niveau, leur préposé ou leur mandataire qui, en violation de l'arrêté royal du 14 janvier 2013 établissant les règles générales d'exécution des marchés publics, ont sous-traité les travaux ou les services visés à l'article 12/3, § 2, 2° ou 3°, de l'arrêté royal précité, confiés par le pouvoir adjudicateur à l'adjudicataire, en violation de l'interdiction de sous-traiter à un niveau supplémentaire, en dehors des situations autorisées par le Roi.]1
Art. 184/1/4. [1 De organisatie van de onderaanneming in het kader van concessieovereenkomsten
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de onderaannemer, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die, in strijd met het koninklijk besluit van 25 juni 2017 betreffende de plaatsing en de algemene uitvoeringsregels van de concessieovereenkomsten, het geheel van de uitvoering van de concessie die hij gesloten heeft met zijn eigen medecontractant, in onderaanneming heeft gegeven aan een andere onderaannemer, of alleen de coördinatie van de uitvoering van deze concessie heeft behouden.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft de onderaannemer van het derde niveau, elke onderaannemer in de onderaannemingsketen na de onderaannemer van het derde niveau, hun aangestelde of hun lasthebber, die, in strijd met het koninklijk besluit van 25 juni 2017 betreffende de plaatsing en de algemene uitvoeringsregels van de concessieovereenkomsten, in strijd met het verbod op onderaanneming op een bijkomend niveau, een in artikel 53, § 2, 1°, van het voormelde koninklijk besluit, bedoelde concessie voor werken, toegewezen door de aanbestedende overheid aan de aanbesteder, in onderaanneming hebben gegeven, buiten de door de Koning toegestane situaties.
§ 3. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft de onderaannemer van het tweede niveau, elke onderaannemer in de onderaannemingsketen na de onderaannemer van het tweede niveau, hun aangestelde of hun lasthebber, die, in strijd met het koninklijk besluit van 25 juni 2017 betreffende de plaatsing en de algemene uitvoeringsregels van de concessieovereenkomsten, in strijd met het verbod op onderaanneming op een bijkomend niveau, een in artikel 53, § 2, 2°, van het voormelde koninklijk besluit, bedoelde concessie voor werken of een in artikel 53, § 2, 3°, van het voormelde koninklijk besluit, bedoelde concessie voor diensten, toegewezen door de aanbestedende overheid aan de aanbesteder, in onderaanneming hebben gegeven, buiten de door de Koning toegestane situaties.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de onderaannemer, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die, in strijd met het koninklijk besluit van 25 juni 2017 betreffende de plaatsing en de algemene uitvoeringsregels van de concessieovereenkomsten, het geheel van de uitvoering van de concessie die hij gesloten heeft met zijn eigen medecontractant, in onderaanneming heeft gegeven aan een andere onderaannemer, of alleen de coördinatie van de uitvoering van deze concessie heeft behouden.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft de onderaannemer van het derde niveau, elke onderaannemer in de onderaannemingsketen na de onderaannemer van het derde niveau, hun aangestelde of hun lasthebber, die, in strijd met het koninklijk besluit van 25 juni 2017 betreffende de plaatsing en de algemene uitvoeringsregels van de concessieovereenkomsten, in strijd met het verbod op onderaanneming op een bijkomend niveau, een in artikel 53, § 2, 1°, van het voormelde koninklijk besluit, bedoelde concessie voor werken, toegewezen door de aanbestedende overheid aan de aanbesteder, in onderaanneming hebben gegeven, buiten de door de Koning toegestane situaties.
§ 3. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft de onderaannemer van het tweede niveau, elke onderaannemer in de onderaannemingsketen na de onderaannemer van het tweede niveau, hun aangestelde of hun lasthebber, die, in strijd met het koninklijk besluit van 25 juni 2017 betreffende de plaatsing en de algemene uitvoeringsregels van de concessieovereenkomsten, in strijd met het verbod op onderaanneming op een bijkomend niveau, een in artikel 53, § 2, 2°, van het voormelde koninklijk besluit, bedoelde concessie voor werken of een in artikel 53, § 2, 3°, van het voormelde koninklijk besluit, bedoelde concessie voor diensten, toegewezen door de aanbestedende overheid aan de aanbesteder, in onderaanneming hebben gegeven, buiten de door de Koning toegestane situaties.]1
Art. 184/1/4. [1 L'organisation de la sous-traitance dans le cadre des contrats de concessions
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, le sous-traitant, son préposé ou son mandataire, qui, en violation de l'arrêté royal du 25 juin 2017 relatif à la passation et aux règles générales d'exécution des contrats de concession, a sous-traité à un autre sous-traitant la totalité de l'exécution de la concession qu'il a conclu avec son propre cocontractant ou en conservant uniquement la coordination de l'exécution de la concession.
§ 2. Sont punis d'une sanction de niveau 4, le sous-traitant du troisième niveau, chaque sous-traitant intervenant dans la chaîne de sous-traitance après le sous-traitant du troisième niveau, leur préposé ou leur mandataire qui, en violation de l'arrêté royal du 25 juin 2017 relatif à la passation et aux règles générales d'exécution des contrats de concession, ont sous-traité une concession de travaux visée à l'article 53, § 2, 1°, de l'arrêté royal précité, confiés par le pouvoir adjudicateur à l'adjudicataire, en violation de l'interdiction de sous-traiter à un niveau supplémentaire, en dehors des situations autorisées par le Roi.
§ 3. Sont punis d'une sanction de niveau 4, le sous-traitant du deuxième niveau, chaque sous-traitant intervenant dans la chaîne de sous-traitance après le sous-traitant du deuxième niveau, leur préposé ou leur mandataire qui, en violation de l'arrêté royal du 25 juin 2017 relatif à la passation et aux règles générales d'exécution des contrats de concession, ont sous-traité une concession de travaux visée à l'article 53, § 2, 2°, de l'arrêté royal précité ou une concession de services visée à l'article 53, § 2, 3°, de l'arrêté royal précité, confiées par le pouvoir adjudicateur à l'adjudicataire, en violation de l'interdiction de sous-traiter à un niveau supplémentaire, en dehors des situations autorisées par le Roi.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, le sous-traitant, son préposé ou son mandataire, qui, en violation de l'arrêté royal du 25 juin 2017 relatif à la passation et aux règles générales d'exécution des contrats de concession, a sous-traité à un autre sous-traitant la totalité de l'exécution de la concession qu'il a conclu avec son propre cocontractant ou en conservant uniquement la coordination de l'exécution de la concession.
§ 2. Sont punis d'une sanction de niveau 4, le sous-traitant du troisième niveau, chaque sous-traitant intervenant dans la chaîne de sous-traitance après le sous-traitant du troisième niveau, leur préposé ou leur mandataire qui, en violation de l'arrêté royal du 25 juin 2017 relatif à la passation et aux règles générales d'exécution des contrats de concession, ont sous-traité une concession de travaux visée à l'article 53, § 2, 1°, de l'arrêté royal précité, confiés par le pouvoir adjudicateur à l'adjudicataire, en violation de l'interdiction de sous-traiter à un niveau supplémentaire, en dehors des situations autorisées par le Roi.
§ 3. Sont punis d'une sanction de niveau 4, le sous-traitant du deuxième niveau, chaque sous-traitant intervenant dans la chaîne de sous-traitance après le sous-traitant du deuxième niveau, leur préposé ou leur mandataire qui, en violation de l'arrêté royal du 25 juin 2017 relatif à la passation et aux règles générales d'exécution des contrats de concession, ont sous-traité une concession de travaux visée à l'article 53, § 2, 2°, de l'arrêté royal précité ou une concession de services visée à l'article 53, § 2, 3°, de l'arrêté royal précité, confiées par le pouvoir adjudicateur à l'adjudicataire, en violation de l'interdiction de sous-traiter à un niveau supplémentaire, en dehors des situations autorisées par le Roi.]1
Art. 184/1/5. [1 De organisatie van de onderaanneming buiten het kader van overheidsopdrachten
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de onderaannemer, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die, in strijd met de wet van 15 mei 2024 houdende wijziging van het sociaal strafrecht en diverse arbeidsrechtelijke bepalingen, het geheel van de uitvoering van de overeenkomst die hij gesloten heeft met zijn eigen medecontractant, in onderaanneming heeft gegeven aan een andere onderaannemer, of alleen de coördinatie van de uitvoering van deze overeenkomst heeft behouden.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft de onderaannemer van het derde niveau, elke onderaannemer in de onderaannemingsketen na de onderaannemer van het derde niveau, hun aangestelde of hun lasthebber, die, in strijd met de wet van 15 mei 2024 houdende wijziging van het sociaal strafrecht en diverse arbeidsrechtelijke bepalingen, in strijd met het verbod op onderaanneming op een bijkomend niveau, de werkzaamheden in de verhuissector, uitgevoerd in opdracht van de opdrachtgever, in onderaanneming hebben gegeven, buiten de door de Koning toegestane situaties.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de onderaannemer, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die, in strijd met de wet van 15 mei 2024 houdende wijziging van het sociaal strafrecht en diverse arbeidsrechtelijke bepalingen, het geheel van de uitvoering van de overeenkomst die hij gesloten heeft met zijn eigen medecontractant, in onderaanneming heeft gegeven aan een andere onderaannemer, of alleen de coördinatie van de uitvoering van deze overeenkomst heeft behouden.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft de onderaannemer van het derde niveau, elke onderaannemer in de onderaannemingsketen na de onderaannemer van het derde niveau, hun aangestelde of hun lasthebber, die, in strijd met de wet van 15 mei 2024 houdende wijziging van het sociaal strafrecht en diverse arbeidsrechtelijke bepalingen, in strijd met het verbod op onderaanneming op een bijkomend niveau, de werkzaamheden in de verhuissector, uitgevoerd in opdracht van de opdrachtgever, in onderaanneming hebben gegeven, buiten de door de Koning toegestane situaties.]1
Art. 184/1/5. [1 L'organisation de la sous-traitance hors marchés publics
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, le sous-traitant, son préposé ou son mandataire, qui, en violation de la loi du 15 mai 2024 modifiant le droit pénal social et diverses dispositions en droit du travail a sous-traité à un autre sous-traitant la totalité de l'exécution du contrat qu'il a conclu avec son propre cocontractant ou en conservant uniquement la coordination de l'exécution de ce contrat.
§ 2. Sont punis d'une sanction de niveau 4, le sous-traitant du troisième niveau, chaque sous-traitant intervenant dans la chaîne de sous-traitance après le sous-traitant du troisième niveau, leur préposé ou leur mandataire qui, en violation de la loi du 15 mai 2024 modifiant le droit pénal social et diverses dispositions en droit du travail, ont sous-traité, pour les activités de déménagement, exécutées sur ordre du donneur d'ordre, en violation de l'interdiction de sous-traiter à un niveau supplémentaire, en dehors des situations autorisées par le Roi.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, le sous-traitant, son préposé ou son mandataire, qui, en violation de la loi du 15 mai 2024 modifiant le droit pénal social et diverses dispositions en droit du travail a sous-traité à un autre sous-traitant la totalité de l'exécution du contrat qu'il a conclu avec son propre cocontractant ou en conservant uniquement la coordination de l'exécution de ce contrat.
§ 2. Sont punis d'une sanction de niveau 4, le sous-traitant du troisième niveau, chaque sous-traitant intervenant dans la chaîne de sous-traitance après le sous-traitant du troisième niveau, leur préposé ou leur mandataire qui, en violation de la loi du 15 mai 2024 modifiant le droit pénal social et diverses dispositions en droit du travail, ont sous-traité, pour les activités de déménagement, exécutées sur ordre du donneur d'ordre, en violation de l'interdiction de sous-traiter à un niveau supplémentaire, en dehors des situations autorisées par le Roi.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 6. [1 - Inbreuken betreffende sociale documenten of documenten van sociale aard]1
CHAPITRE 6. [1 - Les infractions concernant les documents sociaux ou de type social]1
Afdeling 1. - Register van de uitzendkrachten
Section 1re. - Le registre des intérimaires
Art. 185. Register van de uitzendkrachten
Met een sanctie [1 van niveau 1]1 wordt bestraft, eenieder die, in strijd met de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, het door de Koning voorgeschreven document niet heeft bijgehouden dat toelaat het gemiddelde van de uitzendkrachten die door een gebruiker worden tewerkgesteld te berekenen met het oog op de vastlegging van de oprichtingspercentages van een ondernemingsraad en van een comité voor preventie en bescherming op het werk.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie [1 van niveau 1]1 wordt bestraft, eenieder die, in strijd met de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, het door de Koning voorgeschreven document niet heeft bijgehouden dat toelaat het gemiddelde van de uitzendkrachten die door een gebruiker worden tewerkgesteld te berekenen met het oog op de vastlegging van de oprichtingspercentages van een ondernemingsraad en van een comité voor preventie en bescherming op het werk.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 185. Le registre des intérimaires
Est punie d'une sanction [1 de niveau 1]1, toute personne qui, en contravention à la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, n'a pas tenu le document prescrit par le Roi et permettant de calculer la moyenne des travailleurs intérimaires occupés par un utilisateur en vue de la détermination des seuils d'institution d'un conseil d'entreprise et d'un comité pour la prévention et la protection au travail.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est punie d'une sanction [1 de niveau 1]1, toute personne qui, en contravention à la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, n'a pas tenu le document prescrit par le Roi et permettant de calculer la moyenne des travailleurs intérimaires occupés par un utilisateur en vue de la détermination des seuils d'institution d'un conseil d'entreprise et d'un comité pour la prévention et la protection au travail.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Afdeling 2. [1 - De overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, de overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders, de beroepsinlevingsovereenkomst, de overeenkomst voor het mobiliteitsbudget met toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget [2 , de arbeidsovereenkomst voor uitvoering van tijdelijke arbeid en de arbeidsovereenkomst voor sekswerker]2, het verzoek en de overeenkomst die vereist zijn voor de toepassing van de arbeidsregeling bedoeld in artikel 20bis/1 van de arbeidswet van 16 maart 1971 en het verzoek en de overeenkomst(en) die vereist zijn voor de toepassing van de arbeidsregeling bedoeld in artikel 20quater van de voormelde wet van 16 maart 1971.]1
Section 2. [1 - Le contrat relatif à une occupation d'étudiants, le contrat d'occupation de travailleurs à domicile, la convention d'immersion professionnelle, l'accord portant sur le budget mobilité en application de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité, [2 le contrat de travail pour l'exécution de travail temporaire et le contrat de travail de travailleur du sexe]2, la demande et la convention exigées pour l'application du régime de travail visé à l'article 20bis/1 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail et la demande et la (ou les) convention(s) exigés pour l'application du régime de travail visé 20quater de la loi du 16 mars 1971 précitée.]1
Art. 186. [1 [2 De overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, de overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders, de beroepsinlevingsovereenkomst, de overeenkomst voor de mobiliteitsvergoeding met toepassing van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, de overeenkomst voor het mobiliteitsbudget met toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget en de arbeidsovereenkomst voor uitvoering van tijdelijke arbeid]2]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten :
1° geen schriftelijke overeenkomst voor tewerkstelling van studenten [1 en geen schriftelijke overeenkomst voor de mobiliteitsvergoeding met toepassing van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding]1 [2 , en geen schriftelijke overeenkomst voor het mobiliteitsbudget met toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget]2 opmaakt;
2° een werknemer die met de werkgever verbonden is door de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten niet vermeldt in het algemeen personeelsregister, in het speciaal personeelsregister en in het aanwezigheidsregister;
3° de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, de overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders, de beroepsinlevingsovereenkomst [1 , de overeenkomst voor de mobiliteitsvergoeding met toepassing van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding]1 [3 , de overeenkomst voor het mobiliteitsbudget met toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget]3 en de arbeidsovereenkomst voor uitvoering van tijdelijke arbeid niet gedurende het voorgeschreven tijdperk bewaart;
4° verzuimt de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, de overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders, de beroepsinlevingsovereenkomst [1 , de overeenkomst voor de mobiliteitsvergoeding met toepassing van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding]1 [2 , de overeenkomst voor het mobiliteitsbudget met toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget]2 en de arbeidsovereenkomst voor uitvoering van tijdelijke arbeid binnen de gestelde termijnen aan de werknemers af te geven;
5° de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, de overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders, de beroepsinlevingsovereenkomst [2 de overeenkomst voor de mobiliteitsvergoeding met toepassing van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, de overeenkomst voor het mobiliteitsbudget met toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget]2 en de arbeidsovereenkomst voor uitvoering van tijdelijke arbeid onvolledig of onjuist opmaakt;
6° niet de nodige maatregelen treft opdat de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, de overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders, de beroepsinlevingsovereenkomst [2 de overeenkomst voor de mobiliteitsvergoeding met toepassing van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, de overeenkomst voor het mobiliteitsbudget met toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget]2 en de arbeidsovereenkomst voor uitvoering van tijdelijke arbeid te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren en beambten wordt gehouden;
7° de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten niet op de aangegeven plaats opbergt of bewaart.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten :
1° geen schriftelijke overeenkomst voor tewerkstelling van studenten [1 en geen schriftelijke overeenkomst voor de mobiliteitsvergoeding met toepassing van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding]1 [2 , en geen schriftelijke overeenkomst voor het mobiliteitsbudget met toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget]2 opmaakt;
2° een werknemer die met de werkgever verbonden is door de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten niet vermeldt in het algemeen personeelsregister, in het speciaal personeelsregister en in het aanwezigheidsregister;
3° de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, de overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders, de beroepsinlevingsovereenkomst [1 , de overeenkomst voor de mobiliteitsvergoeding met toepassing van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding]1 [3 , de overeenkomst voor het mobiliteitsbudget met toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget]3 en de arbeidsovereenkomst voor uitvoering van tijdelijke arbeid niet gedurende het voorgeschreven tijdperk bewaart;
4° verzuimt de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, de overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders, de beroepsinlevingsovereenkomst [1 , de overeenkomst voor de mobiliteitsvergoeding met toepassing van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding]1 [2 , de overeenkomst voor het mobiliteitsbudget met toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget]2 en de arbeidsovereenkomst voor uitvoering van tijdelijke arbeid binnen de gestelde termijnen aan de werknemers af te geven;
5° de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, de overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders, de beroepsinlevingsovereenkomst [2 de overeenkomst voor de mobiliteitsvergoeding met toepassing van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, de overeenkomst voor het mobiliteitsbudget met toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget]2 en de arbeidsovereenkomst voor uitvoering van tijdelijke arbeid onvolledig of onjuist opmaakt;
6° niet de nodige maatregelen treft opdat de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, de overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders, de beroepsinlevingsovereenkomst [2 de overeenkomst voor de mobiliteitsvergoeding met toepassing van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, de overeenkomst voor het mobiliteitsbudget met toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget]2 en de arbeidsovereenkomst voor uitvoering van tijdelijke arbeid te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren en beambten wordt gehouden;
7° de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten niet op de aangegeven plaats opbergt of bewaart.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 186. [1 [2 Le contrat relatif à une occupation d'étudiants, le contrat d'occupation de travailleurs à domicile, la convention d'immersion professionnelle, l'accord portant sur l'allocation de mobilité en application de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité, l'accord portant sur le budget mobilité en application de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité et le contrat de travail pour l'exécution de travail temporaire]2 ]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux :
1° n'établit pas le contrat relatif à une occupation d'étudiants [1 et l'accord portant sur l'allocation de mobilité en application de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité]1 [2 et l'accord portant sur le budget mobilité en application de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité]2 par écrit;
2° ne mentionne pas un travailleur qui est lié à l'employeur par le contrat relatif à une occupation d'étudiants dans le registre général du personnel, dans le registre spécial du personnel et dans le registre de présence;
3° ne conserve pas le contrat relatif à une occupation d'étudiants, le contrat d'occupation de travailleurs à domicile, la convention d'immersion professionnelle [1 , l'accord portant sur l'allocation de mobilité en application de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité]1 [3 , l'accord portant sur le budget mobilité en application de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité]3 et le contrat de travail pour l'exécution de travail temporaire pendant la durée prescrite;
4° omet de délivrer le contrat relatif à une occupation d'étudiants, le contrat d'occupation de travailleurs à domicile, la convention d'immersion professionnelle [1 , l'accord portant sur l'allocation de mobilité en application de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité]1 [2 , l'accord portant sur le budget mobilité en application de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité]2 et le contrat de travail pour l'exécution de travail temporaire aux travailleurs dans les délais imposés;
5° établit le contrat relatif à une occupation d'étudiants, le contrat d'occupation de travailleurs à domicile, la convention d'immersion professionnelle [2 l'accord portant sur l'allocation de mobilité en application de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité, l'accord portant sur le budget mobilité en application de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité]2 et le contrat de travail pour l'exécution de travail temporaire de manière incomplète ou inexacte;
6° ne prend pas les mesures nécessaires afin que le contrat relatif à une occupation d'étudiants, le contrat d'occupation de travailleurs à domicile, la convention d'immersion professionnelle [2 l'accord portant sur l'allocation de mobilité en application de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité, l'accord portant sur le budget mobilité en application de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité]2 et le contrat de travail pour l'exécution de travail temporaire soient tenus en tout temps à la disposition des fonctionnaires et agents chargés de la surveillance;
7° ne garde pas ou ne conserve pas le contrat relatif à une occupation d'étudiants au lieu indiqué.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux :
1° n'établit pas le contrat relatif à une occupation d'étudiants [1 et l'accord portant sur l'allocation de mobilité en application de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité]1 [2 et l'accord portant sur le budget mobilité en application de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité]2 par écrit;
2° ne mentionne pas un travailleur qui est lié à l'employeur par le contrat relatif à une occupation d'étudiants dans le registre général du personnel, dans le registre spécial du personnel et dans le registre de présence;
3° ne conserve pas le contrat relatif à une occupation d'étudiants, le contrat d'occupation de travailleurs à domicile, la convention d'immersion professionnelle [1 , l'accord portant sur l'allocation de mobilité en application de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité]1 [3 , l'accord portant sur le budget mobilité en application de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité]3 et le contrat de travail pour l'exécution de travail temporaire pendant la durée prescrite;
4° omet de délivrer le contrat relatif à une occupation d'étudiants, le contrat d'occupation de travailleurs à domicile, la convention d'immersion professionnelle [1 , l'accord portant sur l'allocation de mobilité en application de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité]1 [2 , l'accord portant sur le budget mobilité en application de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité]2 et le contrat de travail pour l'exécution de travail temporaire aux travailleurs dans les délais imposés;
5° établit le contrat relatif à une occupation d'étudiants, le contrat d'occupation de travailleurs à domicile, la convention d'immersion professionnelle [2 l'accord portant sur l'allocation de mobilité en application de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité, l'accord portant sur le budget mobilité en application de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité]2 et le contrat de travail pour l'exécution de travail temporaire de manière incomplète ou inexacte;
6° ne prend pas les mesures nécessaires afin que le contrat relatif à une occupation d'étudiants, le contrat d'occupation de travailleurs à domicile, la convention d'immersion professionnelle [2 l'accord portant sur l'allocation de mobilité en application de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité, l'accord portant sur le budget mobilité en application de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité]2 et le contrat de travail pour l'exécution de travail temporaire soient tenus en tout temps à la disposition des fonctionnaires et agents chargés de la surveillance;
7° ne garde pas ou ne conserve pas le contrat relatif à une occupation d'étudiants au lieu indiqué.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Art. 186/1. [1 De verzoeken en de overeenkomsten die vereist zijn voor de toepassing van een bepaalde arbeidsregeling
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971:
1° het voorafgaandelijk en schriftelijke verzoek van de werknemer en de overeenkomst bedoeld in artikel 20bis/1 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 of een afschrift van deze documenten, gedurende de periode waarop zij betrekking hebben, niet bijhoudt op de door de wet voorziene plaats;
2° het voorafgaandelijk en schriftelijke verzoek van de werknemer en de overeenkomst bedoeld in artikel 20bis/1 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 of een afschrift van deze documenten niet gedurende de voorgeschreven duur bewaart;
3° niet de nodige maatregelen treft opdat het voorafgaandelijke en schriftelijke verzoek van de werknemer en de overeenkomst bedoeld in artikel 20bis/1 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of een afschrift van deze documenten, te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren wordt gehouden.
Wat betreft de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971:
1° het voorafgaandelijk en schriftelijke verzoek van de werknemer en de overeenkomst(en) bedoeld in artikel 20quater van de Ar-beidswet van 16 maart 1971 of een afschrift van deze documenten, gedurende de periode waarop zij betrekking hebben, niet bijhoudt op de door de wet voorziene plaats;
2° het voorafgaandelijk en schriftelijke verzoek van de werknemer en de overeenkomst(en) bedoeld in artikel 20quater van de Arbeidswet van 16 maart 1971 of een afschrift van deze documenten niet gedurende de voorgeschreven duur bewaart;
3° niet de nodige maatregelen treft opdat het voorafgaandelijk en schriftelijke verzoek van de werknemer en de overeenkomst(en) bedoeld in artikel 20quater van de arbeidswet van 16 maart 1971 of een afschrift van deze documenten, te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren wordt gehouden.
Wat betreft de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971:
1° het voorafgaandelijk en schriftelijke verzoek van de werknemer en de overeenkomst bedoeld in artikel 20bis/1 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 of een afschrift van deze documenten, gedurende de periode waarop zij betrekking hebben, niet bijhoudt op de door de wet voorziene plaats;
2° het voorafgaandelijk en schriftelijke verzoek van de werknemer en de overeenkomst bedoeld in artikel 20bis/1 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 of een afschrift van deze documenten niet gedurende de voorgeschreven duur bewaart;
3° niet de nodige maatregelen treft opdat het voorafgaandelijke en schriftelijke verzoek van de werknemer en de overeenkomst bedoeld in artikel 20bis/1 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of een afschrift van deze documenten, te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren wordt gehouden.
Wat betreft de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971:
1° het voorafgaandelijk en schriftelijke verzoek van de werknemer en de overeenkomst(en) bedoeld in artikel 20quater van de Ar-beidswet van 16 maart 1971 of een afschrift van deze documenten, gedurende de periode waarop zij betrekking hebben, niet bijhoudt op de door de wet voorziene plaats;
2° het voorafgaandelijk en schriftelijke verzoek van de werknemer en de overeenkomst(en) bedoeld in artikel 20quater van de Arbeidswet van 16 maart 1971 of een afschrift van deze documenten niet gedurende de voorgeschreven duur bewaart;
3° niet de nodige maatregelen treft opdat het voorafgaandelijk en schriftelijke verzoek van de werknemer en de overeenkomst(en) bedoeld in artikel 20quater van de arbeidswet van 16 maart 1971 of een afschrift van deze documenten, te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren wordt gehouden.
Wat betreft de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 186/1. [1 Les demandes et les conventions exigées pour l'application d'un régime de travail particulier
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail:
1° ne tient pas la demande préalable et écrite du travailleur et la convention visées à l'article 20bis/1 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou une copie de ces documents, pendant la période à laquelle elles se rapportent, au lieu prévu par la loi;
2° ne conserve pas la demande écrite et préalable du travailleur et la convention visées à l'article 20bis/1 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou une copie de ces documents pendant la durée prescrite;
3° ne prend pas les mesures nécessaires afin que la demande écrite et préalable du travailleur et la convention visées à l'article 20bis/1 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou une copie de ces documents, soient tenus en tout temps à la disposition des fonctionnaires chargés de la surveillance.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail:
1° ne tient pas la demande préalable et écrite du travailleur et la (ou les) convention(s) visées à l'article 20quater de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou une copie de ces documents, pendant la période à laquelle elles se rapportent, au lieu prévu par la loi;
2° ne conserve pas la demande écrite et préalable du travailleur et la (ou les) convention(s) visées à l'article 20quater de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou une copie de ces documents durant le délai prescrit;
3° ne prend pas les mesures nécessaires afin que la demande écrite et préalable du travailleur et la (ou les) convention(s) visées à l'article 20quater de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou une copie de ces documents, soient tenus en tout temps à la disposition des fonctionnaires chargés de la surveillance.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail:
1° ne tient pas la demande préalable et écrite du travailleur et la convention visées à l'article 20bis/1 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou une copie de ces documents, pendant la période à laquelle elles se rapportent, au lieu prévu par la loi;
2° ne conserve pas la demande écrite et préalable du travailleur et la convention visées à l'article 20bis/1 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou une copie de ces documents pendant la durée prescrite;
3° ne prend pas les mesures nécessaires afin que la demande écrite et préalable du travailleur et la convention visées à l'article 20bis/1 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou une copie de ces documents, soient tenus en tout temps à la disposition des fonctionnaires chargés de la surveillance.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 mars 1971 sur le travail:
1° ne tient pas la demande préalable et écrite du travailleur et la (ou les) convention(s) visées à l'article 20quater de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou une copie de ces documents, pendant la période à laquelle elles se rapportent, au lieu prévu par la loi;
2° ne conserve pas la demande écrite et préalable du travailleur et la (ou les) convention(s) visées à l'article 20quater de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou une copie de ces documents durant le délai prescrit;
3° ne prend pas les mesures nécessaires afin que la demande écrite et préalable du travailleur et la (ou les) convention(s) visées à l'article 20quater de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou une copie de ces documents, soient tenus en tout temps à la disposition des fonctionnaires chargés de la surveillance.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Art. 186/2. [1 De arbeidsovereenkomst voor sekswerker
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 3 mei 2024 houdende bepalingen betreffende sekswerk onder arbeidsovereenkomst:
1° geen arbeidsovereenkomst voor sekswerker schriftelijk heeft vastgesteld voor elke individuele sekswerker, uiterlijk op het ogenblik van de uitvoering van de overeenkomst;
2° de arbeidsovereenkomst voor sekswerker onvolledig of onjuist heeft opgemaakt;
3° niet de nodige maatregelen heeft getroffen opdat de arbeidsovereenkomst voor sekswerker te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren en beambten wordt gehouden;
4° op de plaats waar het arbeidsreglement kan worden ingezien in toepassing van artikel 15 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, geen afschrift van de arbeidsovereenkomst voor sekswerker hetzij op papier, hetzij in elektronische vorm heeft bewaard.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 3 mei 2024 houdende bepalingen betreffende sekswerk onder arbeidsovereenkomst:
1° geen arbeidsovereenkomst voor sekswerker schriftelijk heeft vastgesteld voor elke individuele sekswerker, uiterlijk op het ogenblik van de uitvoering van de overeenkomst;
2° de arbeidsovereenkomst voor sekswerker onvolledig of onjuist heeft opgemaakt;
3° niet de nodige maatregelen heeft getroffen opdat de arbeidsovereenkomst voor sekswerker te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren en beambten wordt gehouden;
4° op de plaats waar het arbeidsreglement kan worden ingezien in toepassing van artikel 15 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, geen afschrift van de arbeidsovereenkomst voor sekswerker hetzij op papier, hetzij in elektronische vorm heeft bewaard.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 186/2. [1 Le contrat de travail de travailleur du sexe
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 mai 2024 portant des dispositions en matière du travail du sexe sous contrat de travail:
1° n'a pas établi le contrat de travail de travailleur du sexe par écrit pour chaque travailleur du sexe individuellement, au plus tard au moment où commence l'exécution de son contrat;
2° a établi le contrat de travail de travailleur du sexe de manière incomplète ou inexacte;
3° n'a pas pris les mesures nécessaires afin que le contrat de travail de travailleur du sexe soit tenu en tout temps à la disposition des fonctionnaires et agents chargés de la surveillance;
4° n'a pas conservé le contrat de travail de travailleur du sexe, soit sous format papier, soit sous format électronique, à l'endroit où le règlement de travail peut être consulté en application de l'article 15 de la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleur du sexe concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 mai 2024 portant des dispositions en matière du travail du sexe sous contrat de travail:
1° n'a pas établi le contrat de travail de travailleur du sexe par écrit pour chaque travailleur du sexe individuellement, au plus tard au moment où commence l'exécution de son contrat;
2° a établi le contrat de travail de travailleur du sexe de manière incomplète ou inexacte;
3° n'a pas pris les mesures nécessaires afin que le contrat de travail de travailleur du sexe soit tenu en tout temps à la disposition des fonctionnaires et agents chargés de la surveillance;
4° n'a pas conservé le contrat de travail de travailleur du sexe, soit sous format papier, soit sous format électronique, à l'endroit où le règlement de travail peut être consulté en application de l'article 15 de la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleur du sexe concernés.]1
Afdeling 3. - Individuele rekening
Section 3. - Le compte individuel
Art. 187. Individuele rekening
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, geen individuele rekening opstelt [1 of de individuele rekening onvolledig of onjuist opstelt]1.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het voormeld koninklijk besluit van 23 oktober 1978 :
1° nalaat de individuele rekening binnen de opgelegde termijnen aan de werknemer af te geven;
2° [1 ...]1
3° [1 ...]1
4° de individuele rekening niet op de aangegeven plaats bijhoudt of bewaart.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
[1 § 3. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever die, in strijd met het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, niet de nodige voorzieningen treft opdat de individuele rekening te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren en beambten wordt gehouden.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuk, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, geen individuele rekening opstelt [1 of de individuele rekening onvolledig of onjuist opstelt]1.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het voormeld koninklijk besluit van 23 oktober 1978 :
1° nalaat de individuele rekening binnen de opgelegde termijnen aan de werknemer af te geven;
2° [1 ...]1
3° [1 ...]1
4° de individuele rekening niet op de aangegeven plaats bijhoudt of bewaart.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
[1 § 3. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever die, in strijd met het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, niet de nodige voorzieningen treft opdat de individuele rekening te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren en beambten wordt gehouden.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuk, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 187. Le compte individuel
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux, n'établit pas le compte individuel [1 établit le compte individuel de manière incomplète ou inexacte]1.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à l'arrêté royal précité du 23 octobre 1978 :
1° omet de délivrer le compte individuel au travailleur dans les délais imposés;
2° [1 ...]1
3° [1 ...]1
4° ne tient pas ou ne conserve pas le compte individuel au lieu indiqué.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
[1 § 3. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux, ne prend pas les dispositions nécessaires afin que le compte individuel soit tenu en tout temps à la disposition des fonctionnaires et agents chargés de la surveillance.
En ce qui concerne l'infraction visée à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux, n'établit pas le compte individuel [1 établit le compte individuel de manière incomplète ou inexacte]1.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à l'arrêté royal précité du 23 octobre 1978 :
1° omet de délivrer le compte individuel au travailleur dans les délais imposés;
2° [1 ...]1
3° [1 ...]1
4° ne tient pas ou ne conserve pas le compte individuel au lieu indiqué.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
[1 § 3. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux, ne prend pas les dispositions nécessaires afin que le compte individuel soit tenu en tout temps à la disposition des fonctionnaires et agents chargés de la surveillance.
En ce qui concerne l'infraction visée à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Wijzigingen
Afdeling 4. - Algemeen personeelsregister, speciaal personeelsregister, aanwezigheidsregister en register voor werktijdregeling
Section 4. - Le registre général du personnel, le registre spécial du personnel, le registre de présence et le registre de mesure du temps de travail
Art. 188. Algemeen personeelsregister, speciaal personeelsregister, aanwezigheidsregister en register voor werktijdregeling
[1 § 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten:
1° geen algemeen personeelsregister, geen aanwezigheidsregister of geen register voor werktijdregeling opstelt;
2° het algemeen personeelsregister, het aanwezigheidsregister of het register voor werktijdregeling onvolledig of onjuist opmaakt;
3° in het aanwezigheidsregister of in het register voor werktijdregeling niet de tijdstippen van begin en einde van de arbeidsdag van de werknemer bij het begin en het einde van de dag vermeldt.
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het voormelde koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978:
1° het algemeen personeelsregister, het aanwezigheidsregister of het register voor werktijdregeling niet te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belast ambtenaren en beambten houdt;
2° het aanwezigheidsregister of het register voor werktijdregeling niet bijhoudt op de plaats waar de werknemers zijn tewerkgesteld;
3° het eerste dubbel van het aanwezigheidsformulier in deel B van het aanwezigheidsregister van de ondernemingen die onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf ressorteren, niet per post of per fax terugstuurt aan het Waarborg en Sociaal Fonds Horeca en Aanverwante Bedrijven uiterlijk op de laatste werkdag van de kalendermaand volgend op die waarop het formulier betrekking heeft.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het voormelde koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978, het algemeen personeelsregister, het aanwezigheidsregister of het register voor werktijdregeling niet gedurende het voorgeschreven tijdperk bewaart.
Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever die, in strijd met het voormelde koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978, het algemeen personeelsregister en het aanwezigheidsregister niet op de aangegeven plaats opbergt of bewaart.
Voor de in het eerste, tweede, derde en vierde lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten:
1° geen speciaal personeelsregister opstelt;
2° het speciaal personeelsregister onvolledig of onjuist opmaakt;
3° het speciaal personeelsregister niet bijhoudt op de plaats waar de werknemers zijn tewerkgesteld.
Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft de werkgever die, in strijd met het voormelde koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978:
1° het speciaal personeelsregister niet gedurende het voorgeschreven tijdperk bewaart;
2° het speciaal personeelsregister niet te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belast ambtenaren en beambten houdt;
3° het speciaal personeelsregister niet op de aangegeven plaats opbergt of bewaart.
Voor de in het eerste en tweede lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
[1 § 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten:
1° geen algemeen personeelsregister, geen aanwezigheidsregister of geen register voor werktijdregeling opstelt;
2° het algemeen personeelsregister, het aanwezigheidsregister of het register voor werktijdregeling onvolledig of onjuist opmaakt;
3° in het aanwezigheidsregister of in het register voor werktijdregeling niet de tijdstippen van begin en einde van de arbeidsdag van de werknemer bij het begin en het einde van de dag vermeldt.
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het voormelde koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978:
1° het algemeen personeelsregister, het aanwezigheidsregister of het register voor werktijdregeling niet te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belast ambtenaren en beambten houdt;
2° het aanwezigheidsregister of het register voor werktijdregeling niet bijhoudt op de plaats waar de werknemers zijn tewerkgesteld;
3° het eerste dubbel van het aanwezigheidsformulier in deel B van het aanwezigheidsregister van de ondernemingen die onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf ressorteren, niet per post of per fax terugstuurt aan het Waarborg en Sociaal Fonds Horeca en Aanverwante Bedrijven uiterlijk op de laatste werkdag van de kalendermaand volgend op die waarop het formulier betrekking heeft.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het voormelde koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978, het algemeen personeelsregister, het aanwezigheidsregister of het register voor werktijdregeling niet gedurende het voorgeschreven tijdperk bewaart.
Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever die, in strijd met het voormelde koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978, het algemeen personeelsregister en het aanwezigheidsregister niet op de aangegeven plaats opbergt of bewaart.
Voor de in het eerste, tweede, derde en vierde lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten:
1° geen speciaal personeelsregister opstelt;
2° het speciaal personeelsregister onvolledig of onjuist opmaakt;
3° het speciaal personeelsregister niet bijhoudt op de plaats waar de werknemers zijn tewerkgesteld.
Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft de werkgever die, in strijd met het voormelde koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978:
1° het speciaal personeelsregister niet gedurende het voorgeschreven tijdperk bewaart;
2° het speciaal personeelsregister niet te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belast ambtenaren en beambten houdt;
3° het speciaal personeelsregister niet op de aangegeven plaats opbergt of bewaart.
Voor de in het eerste en tweede lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 188. Le registre général du personnel, le registre spécial du personnel, le registre de présence et le registre de mesure du temps de travail
[1 § 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux:
1° n'établit pas le registre général du personnel, le registre de présence ou le registre de mesure du temps de travail;
2° établit le registre général du personnel, le registre de présence ou le registre de mesure du temps de travail d'une manière incomplète ou inexacte;
3° ne mentionne pas dans le registre de présence ou dans le registre de mesure du temps de travail les heures de début et de la fin de la journée de travail du travailleur au moment du début et de la fin de la journée.
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 précité:
1° ne tient pas en tout temps le registre général du personnel, le registre de présence ou le registre de mesure du temps de travail à la disposition des fonctionnaires et agents chargés de la surveillance;
2° ne tient pas le registre de présence ou le registre de mesure du temps de travail au lieu où les travailleurs sont occupés;
3° ne renvoie pas, par la poste ou par télécopie, le premier double du formulaire de présence de la partie B du registre de présence des entreprises qui relèvent de la Commission paritaire de l'industrie hôtelière au plus tard le dernier jour ouvrable du mois civil suivant celui auquel se rapporte le formulaire au fonds social et de garanties Horeca et entreprises assimilées.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 précité, ne conserve pas le registre général du personnel, le registre de présence ou le registre de mesure du temps de travail pendant la durée prescrite.
Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 précité, ne garde pas ou ne conserve pas le registre général du personnel et le registre de présence au lieu indiqué.
En ce qui concerne les infractions visées aux alinéas 1er, 2, 3 et 4, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux:
1° n'établit pas le registre spécial du personnel;
2° établit le registre spécial du personnel d'une manière incomplète ou inexacte;
3° ne tient pas le registre spécial du personnel où les travailleurs sont occupés.
Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 précité:
1° ne conserve pas le registre spécial du personnel pendant la durée prescrite;
2° ne tient pas le registre spécial du personnel en tout temps à la disposition des fonctionnaires et agents chargés de la surveillance;
3° ne garde pas ou ne conserve pas le registre spécial du personnel au lieu indiqué.
En ce qui concerne les infractions visées aux alinéas 1er et 2, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
[1 § 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux:
1° n'établit pas le registre général du personnel, le registre de présence ou le registre de mesure du temps de travail;
2° établit le registre général du personnel, le registre de présence ou le registre de mesure du temps de travail d'une manière incomplète ou inexacte;
3° ne mentionne pas dans le registre de présence ou dans le registre de mesure du temps de travail les heures de début et de la fin de la journée de travail du travailleur au moment du début et de la fin de la journée.
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 précité:
1° ne tient pas en tout temps le registre général du personnel, le registre de présence ou le registre de mesure du temps de travail à la disposition des fonctionnaires et agents chargés de la surveillance;
2° ne tient pas le registre de présence ou le registre de mesure du temps de travail au lieu où les travailleurs sont occupés;
3° ne renvoie pas, par la poste ou par télécopie, le premier double du formulaire de présence de la partie B du registre de présence des entreprises qui relèvent de la Commission paritaire de l'industrie hôtelière au plus tard le dernier jour ouvrable du mois civil suivant celui auquel se rapporte le formulaire au fonds social et de garanties Horeca et entreprises assimilées.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 précité, ne conserve pas le registre général du personnel, le registre de présence ou le registre de mesure du temps de travail pendant la durée prescrite.
Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 précité, ne garde pas ou ne conserve pas le registre général du personnel et le registre de présence au lieu indiqué.
En ce qui concerne les infractions visées aux alinéas 1er, 2, 3 et 4, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux:
1° n'établit pas le registre spécial du personnel;
2° établit le registre spécial du personnel d'une manière incomplète ou inexacte;
3° ne tient pas le registre spécial du personnel où les travailleurs sont occupés.
Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 précité:
1° ne conserve pas le registre spécial du personnel pendant la durée prescrite;
2° ne tient pas le registre spécial du personnel en tout temps à la disposition des fonctionnaires et agents chargés de la surveillance;
3° ne garde pas ou ne conserve pas le registre spécial du personnel au lieu indiqué.
En ce qui concerne les infractions visées aux alinéas 1er et 2, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Wijzigingen
Afdeling 5. [1 - Het gelegenheidsformulier]1
Section 5. [1 - Le formulaire occasionnel]1
Art. 188/1. [1 Het gelegenheidsformulier
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die een gelegenheidsarbeider in de zin van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders tewerkstelt, en die :
1° het "gelegenheidsformulier" bedoeld in artikel 8bis van voormeld koninklijk besluit van 28 november 1969 niet aflevert aan de gelegenheidsarbeider in de zin van hetzelfde koninklijk besluit;
2° het in 1° bedoelde formulier geheel of gedeeltelijk niet bijhoudt overeenkomstig het ministerieel besluit van 14 oktober 2005 tot vaststelling van het model, de toekenningsvoorwaarden en de wijze van bijhouden van een gelegenheidsformulier in de tuinbouwsector, de landbouwsector en de sector van het hotelbedrijf;
3° het in 1° bedoelde formulier niet wekelijks parafeert.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die een gelegenheidsarbeider in de zin van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders tewerkstelt, en die :
1° het "gelegenheidsformulier" bedoeld in artikel 8bis van voormeld koninklijk besluit van 28 november 1969 niet aflevert aan de gelegenheidsarbeider in de zin van hetzelfde koninklijk besluit;
2° het in 1° bedoelde formulier geheel of gedeeltelijk niet bijhoudt overeenkomstig het ministerieel besluit van 14 oktober 2005 tot vaststelling van het model, de toekenningsvoorwaarden en de wijze van bijhouden van een gelegenheidsformulier in de tuinbouwsector, de landbouwsector en de sector van het hotelbedrijf;
3° het in 1° bedoelde formulier niet wekelijks parafeert.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 188/1. [1 Le formulaire occasionnel
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui occupe un travailleur occasionnel au sens de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, et qui :
1° ne délivre pas le "formulaire occasionnel" visé à l'article 8bis de l'arrêté royal précité du 28 novembre 1969 au travailleur occasionnel au sens du même arrêté royal;
2° ne tient pas en tout ou en partie le formulaire visé au 1° conformément à l'arrêté ministériel du 14 octobre 2005 fixant le modèle, les conditions de délivrance et de tenue d'un formulaire occasionnel dans le secteur horticole, le secteur agricole et le secteur de l'industrie hôtelière;
3° ne paraphe pas hebdomadairement le formulaire visé au 1°.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui occupe un travailleur occasionnel au sens de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, et qui :
1° ne délivre pas le "formulaire occasionnel" visé à l'article 8bis de l'arrêté royal précité du 28 novembre 1969 au travailleur occasionnel au sens du même arrêté royal;
2° ne tient pas en tout ou en partie le formulaire visé au 1° conformément à l'arrêté ministériel du 14 octobre 2005 fixant le modèle, les conditions de délivrance et de tenue d'un formulaire occasionnel dans le secteur horticole, le secteur agricole et le secteur de l'industrie hôtelière;
3° ne paraphe pas hebdomadairement le formulaire visé au 1°.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Afdeling 6. [1 - Andere documenten van sociale aard opgevraagd in geval van detachering van werknemers]1
Section 6. [1 - Autres documents de type social demandés en cas de détachement de travailleurs]1
Art. 188/2. [1 Het gebrek aan verzending van documenten van sociale aard opgevraagd in geval van detachering van werknemers.
Met een sanctie [2 van niveau 4]2 wordt gestraft, de werkgever in de zin van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, die aan de door de Koning aangewezen ambtenaren niet de documenten zendt die door hen werden opgevraagd door of krachtens artikel 7/1 van deze wet.
Wat de inbreuk bedoeld in het eerste lid betreft, wordt de boete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie [2 van niveau 4]2 wordt gestraft, de werkgever in de zin van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, die aan de door de Koning aangewezen ambtenaren niet de documenten zendt die door hen werden opgevraagd door of krachtens artikel 7/1 van deze wet.
Wat de inbreuk bedoeld in het eerste lid betreft, wordt de boete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 188/2. [1 Le défaut d'envoi de documents de type social demandés en cas de détachement de travailleurs.
Est puni d'une sanction [2 de niveau 4]2, l'employeur au sens de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci qui n'envoie pas aux fonctionnaires désignés par le Roi les documents demandés par ceux-ci par ou en vertu de l'article 7/1 de ladite loi.
En ce qui concerne l'infraction visée à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction [2 de niveau 4]2, l'employeur au sens de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci qui n'envoie pas aux fonctionnaires désignés par le Roi les documents demandés par ceux-ci par ou en vertu de l'article 7/1 de ladite loi.
En ce qui concerne l'infraction visée à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Art. 188/2/1. [1 Het ter beschikking stellen van documenten door de werkgever aan de bestuurder in de sector van het wegvervoer.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever die de documenten bedoeld in artikel 7/1/1, § 1, van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, niet ter beschikking stelt van zijn bestuurder, hetzij op papier, hetzij in elektronische vorm.
Voor de inbreuken bedoeld in het eerste lid wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken bestuurders.]1
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever die de documenten bedoeld in artikel 7/1/1, § 1, van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, niet ter beschikking stelt van zijn bestuurder, hetzij op papier, hetzij in elektronische vorm.
Voor de inbreuken bedoeld in het eerste lid wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken bestuurders.]1
Art. 188/2/1. [1 La mise à disposition de documents par l'employeur au conducteur dans le domaine du transport routier.
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur qui ne met pas à disposition de son conducteur, soit sous format papier, soit sous format électronique, les documents visés à l'article 7/1/1, § 1er, de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de conducteurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur qui ne met pas à disposition de son conducteur, soit sous format papier, soit sous format électronique, les documents visés à l'article 7/1/1, § 1er, de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de conducteurs concernés.]1
Art. 188/2/2. [1 De mededeling van documenten door de bestuurder in de sector van het wegvervoer.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de bestuurder bedoeld in artikel 7/1/1, § 1, van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, die bij een wegcontrole de documenten die hem ter beschikking werden gesteld door zijn werkgever, zoals bedoeld in artikel 7/1/1, § 1, van de voornoemde wet van 5 maart 2002 niet ter beschikking stelt van de door de Koning aangewezen ambtenaren, hetzij op papier, hetzij in elektronische vorm.]1
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de bestuurder bedoeld in artikel 7/1/1, § 1, van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan, die bij een wegcontrole de documenten die hem ter beschikking werden gesteld door zijn werkgever, zoals bedoeld in artikel 7/1/1, § 1, van de voornoemde wet van 5 maart 2002 niet ter beschikking stelt van de door de Koning aangewezen ambtenaren, hetzij op papier, hetzij in elektronische vorm.]1
Art. 188/2/2. [1 La communication de documents par le conducteur dans le domaine du transport routier.
Est puni d'une sanction de niveau 4, le conducteur visé à l'article 7/1/1, § 1er, de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci qui, lors d'un contrôle sur route, ne fournit pas, aux fonctionnaires désignés par le Roi, soit sous format papier, soit sous format électronique les documents visés à l'article 7/1/1, § 1er, de la loi précitée du 5 mars 2002 et qui ont été mis à sa disposition par son employeur.]1
Est puni d'une sanction de niveau 4, le conducteur visé à l'article 7/1/1, § 1er, de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci qui, lors d'un contrôle sur route, ne fournit pas, aux fonctionnaires désignés par le Roi, soit sous format papier, soit sous format électronique les documents visés à l'article 7/1/1, § 1er, de la loi précitée du 5 mars 2002 et qui ont été mis à sa disposition par son employeur.]1
Art. 188/2/3. [1 Het verstrekken van documenten door de werkgever in de sector van het wegvervoer.
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever in de zin van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan die de documenten bedoeld in artikel 7/1/1, § 2, van de voornoemde wet van 5 maart 2002 en gevraagd door de door de Koning aangewezen ambtenaren, niet, na de detacheringsperiode en binnen de voorziene termijn, verstrekt aan deze ambtenaren.
Voor de inbreuken bedoeld in het eerste lid wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken bestuurders.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever in de zin van artikel 15ter van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers die de documenten bedoeld in voornoemd artikel 15ter en gevraagd door de door de Koning aangewezen ambtenaren, niet, na de detacheringsperiode en binnen de voorziene termijn, verstrekt aan deze ambtenaren.
Voor de inbreuken bedoeld in het eerste lid wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken bestuurders.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever in de zin van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan die de documenten bedoeld in artikel 7/1/1, § 2, van de voornoemde wet van 5 maart 2002 en gevraagd door de door de Koning aangewezen ambtenaren, niet, na de detacheringsperiode en binnen de voorziene termijn, verstrekt aan deze ambtenaren.
Voor de inbreuken bedoeld in het eerste lid wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken bestuurders.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever in de zin van artikel 15ter van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers die de documenten bedoeld in voornoemd artikel 15ter en gevraagd door de door de Koning aangewezen ambtenaren, niet, na de detacheringsperiode en binnen de voorziene termijn, verstrekt aan deze ambtenaren.
Voor de inbreuken bedoeld in het eerste lid wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken bestuurders.]1
Art. 188/2/3. [1 La fourniture de documents par l'employeur dans le domaine du transport routier.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur au sens de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci, qui ne fournit pas aux fonctionnaires désignés par le Roi, après la période de détachement et dans le délai prévu, les documents visés à l'article 7/1/1, § 2, de la loi précitée du 5 mars 2002 et demandés par ces fonctionnaires.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de conducteurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur au sens de l'article 15ter de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs qui ne fournit pas aux fonctionnaires désignés par le Roi, après la période de détachement et dans le délai prévu, les documents visés à l'article 15ter précité et demandés par ces fonctionnaires.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de conducteurs concernés.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur au sens de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci, qui ne fournit pas aux fonctionnaires désignés par le Roi, après la période de détachement et dans le délai prévu, les documents visés à l'article 7/1/1, § 2, de la loi précitée du 5 mars 2002 et demandés par ces fonctionnaires.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de conducteurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur au sens de l'article 15ter de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs qui ne fournit pas aux fonctionnaires désignés par le Roi, après la période de détachement et dans le délai prévu, les documents visés à l'article 15ter précité et demandés par ces fonctionnaires.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de conducteurs concernés.]1
Afdeling 6/1. [1 - De arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en het algemeen stamboek der zeevissers]1
Section 6/1. [1 - Le contrat d'engagement pour la pêche maritime et le registre matricule des marins pêcheurs]1
Art. 188/3. [1 De arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en het algemeen stamboek der zeevissers
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser:
1° één of meerdere zeevissers als bemanningslid tewerkstelt zonder voorafgaand aan de tewerkstelling een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij te hebben gesloten;
2° de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij niet door de zeevisser zelf heeft doen ondertekenen;
3° met één of meerdere zeevissers een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij heeft gesloten die niet alle minimale vereisten bepaald in artikel 9, § 2 van voormelde wet van 3 mei 2003 bevat;
4° geen exemplaar van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij aan de zeevisser heeft overhandigd;
5° geen exemplaar van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij aan boord van het vissersschip heeft bewaard, waar de zeevisser het op elk ogenblik kan inkijken.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken zeevissers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met voormelde wet van 3 mei 2003 de zeevisser die voor de eerste maal in het kader van een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij wordt aangeworven, niet heeft ingeschreven in het algemeen stamboek der zeevisser.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuk, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken zeevissers.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser:
1° één of meerdere zeevissers als bemanningslid tewerkstelt zonder voorafgaand aan de tewerkstelling een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij te hebben gesloten;
2° de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij niet door de zeevisser zelf heeft doen ondertekenen;
3° met één of meerdere zeevissers een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij heeft gesloten die niet alle minimale vereisten bepaald in artikel 9, § 2 van voormelde wet van 3 mei 2003 bevat;
4° geen exemplaar van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij aan de zeevisser heeft overhandigd;
5° geen exemplaar van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij aan boord van het vissersschip heeft bewaard, waar de zeevisser het op elk ogenblik kan inkijken.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken zeevissers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met voormelde wet van 3 mei 2003 de zeevisser die voor de eerste maal in het kader van een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij wordt aangeworven, niet heeft ingeschreven in het algemeen stamboek der zeevisser.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuk, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken zeevissers.]1
Art. 188/3. [1 Le contrat d'engagement pour la pêche maritime et le registre matricule des marins pêcheurs
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'armateur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur :
1° emploie, en qualité de membre d'équipage dans le cadre d'un contrat d'engagement pour la pêche maritime, des marins pêcheurs sans avoir conclu préalablement à l'occupation un contrat d'engagement pour la pêche maritime ;
2° n'a pas fait signé le contrat d'engagement pour la pêche maritime par le marin pêcheur personnellement ;
3° a conclu avec un ou plusieurs marins pêcheurs un contrat d'engagement pour la pêche maritime qui ne contient pas toutes les mentions minimales visées à l'article 9, § 2, de la loi précitée du 3 mai 2003 ;
4° n'a pas remis au marin pêcheur un exemplaire du contrat d'engagement pour la pêche maritime ;
5° n'a pas conservé un exemplaire du contrat d'engagement à bord du navire de pêche à un endroit où il peut être consulté à tout moment par le marin pêcheur.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de marins pêcheurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'armateur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi précitée du 3 mai 2003, n'a pas inscrit le marin pêcheur, engagé pour la première fois dans le cadre d'un contrat d'engagement pour la pêche maritime, dans le registre matricule des marins pêcheurs.
En ce qui concerne l'infraction visée à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de marins pêcheurs concernés.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'armateur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur :
1° emploie, en qualité de membre d'équipage dans le cadre d'un contrat d'engagement pour la pêche maritime, des marins pêcheurs sans avoir conclu préalablement à l'occupation un contrat d'engagement pour la pêche maritime ;
2° n'a pas fait signé le contrat d'engagement pour la pêche maritime par le marin pêcheur personnellement ;
3° a conclu avec un ou plusieurs marins pêcheurs un contrat d'engagement pour la pêche maritime qui ne contient pas toutes les mentions minimales visées à l'article 9, § 2, de la loi précitée du 3 mai 2003 ;
4° n'a pas remis au marin pêcheur un exemplaire du contrat d'engagement pour la pêche maritime ;
5° n'a pas conservé un exemplaire du contrat d'engagement à bord du navire de pêche à un endroit où il peut être consulté à tout moment par le marin pêcheur.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de marins pêcheurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'armateur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi précitée du 3 mai 2003, n'a pas inscrit le marin pêcheur, engagé pour la première fois dans le cadre d'un contrat d'engagement pour la pêche maritime, dans le registre matricule des marins pêcheurs.
En ce qui concerne l'infraction visée à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de marins pêcheurs concernés.]1
Afdeling 6/2. [1 - De informatie over de arbeidsrelatie.]1
Section 6/2. [1 - Les informations sur la relation de travail.]1
Art. 188/4. [1 De informatie over de arbeidsrelatie
§ 1. Wordt bestraft met een sanctie van niveau 3, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 7 oktober 2022 houdende gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie, aan zijn werknemer niet de elementen van informatie over de belangrijkste aspecten van hun arbeidsrelatie geeft overeenkomstig de artikelen 4 tot 6 van voormelde wet van 7 oktober 2022.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Wordt bestraft met een sanctie van niveau 2, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 7 oktober 2022 houdende gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie:
1° aan zijn werknemer, in strijd met de artikelen 4 tot 6 van voormelde wet van 7 oktober 2022, de elementen van informatie over de belangrijkste aspecten van hun arbeidsrelatie onvolledig of onjuist verstrekt;
2° aan zijn werknemer, in strijd met de artikelen 4 tot 6 van voormelde wet van 7 oktober 2022, de informatie over de belangrijkste aspecten van hun arbeidsrelatie niet binnen de in de voormelde artikelen bepaalde wijze en termijnen heeft medegedeeld;
3° zijn werknemer niet, zo snel mogelijk en uiterlijk op de dag waarop de wijziging van kracht wordt, informeert over elke wijziging van de in de artikelen 4 tot 6 van voormelde wet van 7 oktober 2022 bedoelde aspecten van de arbeidsrelatie.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
§ 1. Wordt bestraft met een sanctie van niveau 3, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 7 oktober 2022 houdende gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie, aan zijn werknemer niet de elementen van informatie over de belangrijkste aspecten van hun arbeidsrelatie geeft overeenkomstig de artikelen 4 tot 6 van voormelde wet van 7 oktober 2022.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Wordt bestraft met een sanctie van niveau 2, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 7 oktober 2022 houdende gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie:
1° aan zijn werknemer, in strijd met de artikelen 4 tot 6 van voormelde wet van 7 oktober 2022, de elementen van informatie over de belangrijkste aspecten van hun arbeidsrelatie onvolledig of onjuist verstrekt;
2° aan zijn werknemer, in strijd met de artikelen 4 tot 6 van voormelde wet van 7 oktober 2022, de informatie over de belangrijkste aspecten van hun arbeidsrelatie niet binnen de in de voormelde artikelen bepaalde wijze en termijnen heeft medegedeeld;
3° zijn werknemer niet, zo snel mogelijk en uiterlijk op de dag waarop de wijziging van kracht wordt, informeert over elke wijziging van de in de artikelen 4 tot 6 van voormelde wet van 7 oktober 2022 bedoelde aspecten van de arbeidsrelatie.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 188/4. [1 Les informations en ce qui concerne la relation de travail
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à la loi du 7 octobre 2022 transposant partiellement la directive (UE) 2019/1152 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relative à des conditions de travail transparentes et prévisibles dans l'Union européenne, ne fournit pas à son travailleur les éléments d'information concernant les principaux aspects de leur relation de travail conformément aux articles 4 à 6 de la loi précitée du 7 octobre 2022.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à la loi du 7 octobre 2022 transposant partiellement la directive (UE) 2019/1152 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relative à des conditions de travail transparentes et prévisibles dans l'Union européenne:
1° fournit à son travailleur, de manière incomplète ou inexacte, les éléments d'informations concernant les principaux aspects de leur relation de travail, en violation des articles 4 à 6 de la loi précitée du 7 octobre 2022;
2° ne fournit pas à son travailleur les éléments d'informations concernant les principaux aspects de leur relation de travail, en violation des articles 4 à 6 de la loi précitée du 7 octobre 2022 dans les formes et délais prévus par les articles précités;
3° n'informe pas son travailleur de toute modification des aspects de la relation de travail visés aux articles 4 à 6 de la loi précitée du 7 octobre 2022 dans les meilleurs délais et au plus tard, le jour de l'entrée en vigueur de la modification.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à la loi du 7 octobre 2022 transposant partiellement la directive (UE) 2019/1152 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relative à des conditions de travail transparentes et prévisibles dans l'Union européenne, ne fournit pas à son travailleur les éléments d'information concernant les principaux aspects de leur relation de travail conformément aux articles 4 à 6 de la loi précitée du 7 octobre 2022.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à la loi du 7 octobre 2022 transposant partiellement la directive (UE) 2019/1152 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relative à des conditions de travail transparentes et prévisibles dans l'Union européenne:
1° fournit à son travailleur, de manière incomplète ou inexacte, les éléments d'informations concernant les principaux aspects de leur relation de travail, en violation des articles 4 à 6 de la loi précitée du 7 octobre 2022;
2° ne fournit pas à son travailleur les éléments d'informations concernant les principaux aspects de leur relation de travail, en violation des articles 4 à 6 de la loi précitée du 7 octobre 2022 dans les formes et délais prévus par les articles précités;
3° n'informe pas son travailleur de toute modification des aspects de la relation de travail visés aux articles 4 à 6 de la loi précitée du 7 octobre 2022 dans les meilleurs délais et au plus tard, le jour de l'entrée en vigueur de la modification.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Afdeling 7. [1 Het vakantieattest]1
Section 7. [1 L'attestation de vacances]1
Art. 188/5. [1 Het vakantieattest
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971 en de uitvoeringsbesluiten ervan:
1° nalaat het vakantieattest aan de werknemer af te geven;
2° het vakantieattest onvolledig of onnauwkeurig opstelt.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971 en de uitvoeringsbesluiten ervan:
1° nalaat het vakantieattest aan de werknemer af te geven;
2° het vakantieattest onvolledig of onnauwkeurig opstelt.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 188/5. [1 L'attestation de vacances
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention aux lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971 et à leurs arrêtés d'exécution:
1° omet de délivrer l'attestation de vacances au travailleur dans le délai imposé;
2° établit l'attestation de vacances de manière incomplète ou inexacte.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention aux lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971 et à leurs arrêtés d'exécution:
1° omet de délivrer l'attestation de vacances au travailleur dans le délai imposé;
2° établit l'attestation de vacances de manière incomplète ou inexacte.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
HOOFDSTUK 7. - De inbreuken betreffende de collectieve arbeidsbetrekkingen
CHAPITRE 7. - Les infractions concernant les relations collectives de travail
Afdeling 1. - Collectieve arbeidsovereenkomsten
Section 1re. - Conventions collectives de travail
Art. 189. Inbreuken op algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten
Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever die, in strijd met de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, een inbreuk pleegt op een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst die niet reeds door een ander artikel van dit Wetboek wordt gesanctioneerd.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuk wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever die, in strijd met de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, een inbreuk pleegt op een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst die niet reeds door een ander artikel van dit Wetboek wordt gesanctioneerd.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuk wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 189. Les infractions aux conventions collectives de travail rendues obligatoires
Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, a commis une infraction à une convention collective de travail rendue obligatoire qui n'est pas déjà sanctionnée par un autre article du présent Code.
En ce qui concerne l'infraction visée à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, a commis une infraction à une convention collective de travail rendue obligatoire qui n'est pas déjà sanctionnée par un autre article du présent Code.
En ce qui concerne l'infraction visée à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Afdeling 2. - Niet-oprichting van ondernemingsorganen
Section 2. - La non-institution des organes d'entreprises
Art. 190. [1 Niet-oprichting van ondernemingsorganen
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, de uitvoeringsbesluiten ervan en de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen, in zijn onderneming geen ondernemingsraad opricht;
2° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan in zijn onderneming geen comité voor preventie en bescherming op het werk opricht;
3° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die geen vakbondsafvaardiging opricht wanneer hij daartoe wordt verplicht krachtens een overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst;
4° het hoofdbestuur van de onderneming of het concern met een communautaire dimensie, de aangestelde of de lasthebber ervan die de procedure tot instelling van een Europese ondernemingsraad of de procedure tot informatie en raadpleging van de werknemers die deze vervangt, niet aanvat in een onderneming met een communautaire dimensie in de zin van de wet van 23 april 1998 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen met een communautaire dimensie of in concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers, wanneer het daartoe verplicht wordt krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 62 van 6 februari 1996, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers en de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 101 van 21 december 2010, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de informatie en raadpleging van de werknemers in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie;
5° de leidinggevende of bestuursorganen van de vennootschappen die deelnemen aan een voorstel tot oprichting van een Europese vennootschap, die hun zetel in België hebben, hun aangestelden of hun lasthebbers, die niet de nodige maatregelen treffen, waaronder het verstrekken van inlichtingen, om onderhandelingen te beginnen met de werknemersvertegenwoordigers van de deelnemende vennootschappen en de betrokken dochterondernemingen of vestigingen over de regelingen inzake de rol van de werknemers, wanneer zij daartoe verplicht worden door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 84 van 6 oktober 2004, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de rol van de werknemers in de Europese vennootschap;
6° de leidinggevende of bestuursorganen van de juridische lichamen die deelnemen aan een voorstel tot oprichting van een Europese coöperatieve vennootschap, die hun zetel in België hebben, hun aangestelden of hun lasthebbers, die niet de nodige maatregelen treffen, waaronder het verstrekken van inlichtingen, om onderhandelingen te beginnen met de werknemersvertegenwoordigers van de deelnemende juridische lichamen en de betrokken dochterondernemingen of vestigingen over de regelingen inzake de rol van de werknemers, wanneer zij daartoe verplicht worden door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 88 van 30 januari 2007, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de rol van de werknemers in de Europese coöperatieve vennootschap;
7° de leidinggevende of bestuursorganen van de kapitaalvennootschappen die deelnemen aan een gemeenschappelijk voorstel van grensoverschrijdende fusie, die hun zetel in België hebben, hun aangestelden of hun lasthebbers, die niet de nodige maatregelen nemen, inbegrepen het meedelen van inlichtingen, om onderhandelingen te beginnen met de werknemersvertegenwoordigers van de deelnemende kapitaalvennootschappen en van de betrokken dochterondernemingen en vestigingen over de regelingen inzake werknemersmedezeggenschap in de uit de grensoverschrijdende fusie ontstane vennootschap, wanneer zij daartoe verplicht worden door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 94 van 29 april 2008, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende werknemersmedezeggenschap in de uit grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen ontstane vennootschappen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, de uitvoeringsbesluiten ervan en de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen, in zijn onderneming geen ondernemingsraad opricht;
2° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan in zijn onderneming geen comité voor preventie en bescherming op het werk opricht;
3° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die geen vakbondsafvaardiging opricht wanneer hij daartoe wordt verplicht krachtens een overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst;
4° het hoofdbestuur van de onderneming of het concern met een communautaire dimensie, de aangestelde of de lasthebber ervan die de procedure tot instelling van een Europese ondernemingsraad of de procedure tot informatie en raadpleging van de werknemers die deze vervangt, niet aanvat in een onderneming met een communautaire dimensie in de zin van de wet van 23 april 1998 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen met een communautaire dimensie of in concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers, wanneer het daartoe verplicht wordt krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 62 van 6 februari 1996, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers en de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 101 van 21 december 2010, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de informatie en raadpleging van de werknemers in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie;
5° de leidinggevende of bestuursorganen van de vennootschappen die deelnemen aan een voorstel tot oprichting van een Europese vennootschap, die hun zetel in België hebben, hun aangestelden of hun lasthebbers, die niet de nodige maatregelen treffen, waaronder het verstrekken van inlichtingen, om onderhandelingen te beginnen met de werknemersvertegenwoordigers van de deelnemende vennootschappen en de betrokken dochterondernemingen of vestigingen over de regelingen inzake de rol van de werknemers, wanneer zij daartoe verplicht worden door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 84 van 6 oktober 2004, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de rol van de werknemers in de Europese vennootschap;
6° de leidinggevende of bestuursorganen van de juridische lichamen die deelnemen aan een voorstel tot oprichting van een Europese coöperatieve vennootschap, die hun zetel in België hebben, hun aangestelden of hun lasthebbers, die niet de nodige maatregelen treffen, waaronder het verstrekken van inlichtingen, om onderhandelingen te beginnen met de werknemersvertegenwoordigers van de deelnemende juridische lichamen en de betrokken dochterondernemingen of vestigingen over de regelingen inzake de rol van de werknemers, wanneer zij daartoe verplicht worden door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 88 van 30 januari 2007, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de rol van de werknemers in de Europese coöperatieve vennootschap;
7° de leidinggevende of bestuursorganen van de kapitaalvennootschappen die deelnemen aan een gemeenschappelijk voorstel van grensoverschrijdende fusie, die hun zetel in België hebben, hun aangestelden of hun lasthebbers, die niet de nodige maatregelen nemen, inbegrepen het meedelen van inlichtingen, om onderhandelingen te beginnen met de werknemersvertegenwoordigers van de deelnemende kapitaalvennootschappen en van de betrokken dochterondernemingen en vestigingen over de regelingen inzake werknemersmedezeggenschap in de uit de grensoverschrijdende fusie ontstane vennootschap, wanneer zij daartoe verplicht worden door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 94 van 29 april 2008, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende werknemersmedezeggenschap in de uit grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen ontstane vennootschappen.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 190. [1 La non-institution des organes d'entreprises
Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, à ses arrêtés d'exécution et à la loi du 4 décembre 2007 relative aux élections sociales, n'institue pas de conseil d'entreprise dans son entreprise;
2° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution, n'institue pas de comité pour la prévention et la protection au travail dans son entreprise;
3° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'institue pas de délégation syndicale lorsque l'obligation lui en est faite par une convention collective de travail rendue obligatoire par le Roi, conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires;
4° la direction centrale de l'entreprise ou du groupe d'entreprises de dimension communautaire, son préposé ou son mandataire qui n'entame pas la procédure d'institution d'un comité d'entreprise européen ou d'une procédure d'information et de consultation des travailleurs qui en tient lieu dans une entreprise de dimension communautaire au sens de la loi du 23 avril 1998 portant des mesures d'accompagnement en ce qui concerne l'institution d'un comité d'entreprise européen ou d'une procédure dans les entreprises de dimension communautaire et les groupes d'entreprises de dimension communautaire en vue d'informer et de consulter les travailleurs, lorsque l'obligation lui en est faite par la convention collective de travail n° 62 du 6 février 1996, conclue au sein du Conseil national du Travail, concernant l'institution d'un comité d'entreprise européen ou d'une procédure dans les entreprises de dimension communautaire et les groupes d'entreprises de dimension communautaire en vue d'informer et de consulter les travailleurs et la convention collective de travail n° 101 du 21 décembre 2010, conclue au sein du Conseil national du Travail, concernant l'information et la consultation des travailleurs dans les entreprises de dimension communautaire et les groupes d'entreprises de dimension communautaire;
5° les organes de direction ou d'administration des sociétés participantes à un projet de constitution d'une société européenne ayant leurs sièges en Belgique, leurs préposés ou leurs mandataires qui ne prennent pas les mesures nécessaires, y compris la communication d'informations, pour engager des négociations avec les représentants des travailleurs des sociétés participantes et des filiales ou établissements concernés sur les modalités relatives à l'implication des travailleurs, lorsque l'obligation leur en est faite par la convention collective de travail n° 84 du 6 octobre 2004, conclue au sein du Conseil national du Travail, concernant l'implication des travailleurs dans la société européenne;
6° les organes de direction ou d'administration des entités juridiques participantes à un projet de constitution d'une société coopérative européenne ayant leur siège en Belgique, leurs préposés ou leurs mandataires qui ne prennent pas les mesures nécessaires, y compris la communication d'informations, pour engager des négociations avec les représentants des travailleurs des entités juridiques participantes et des filiales ou établissements concernés sur les modalités relatives à l'implication des travailleurs, lorsque l'obligation leur en est faite par la convention collective de travail n° 88 du 30 janvier 2007, conclue au sein du Conseil national du Travail, concernant l'implication des travailleurs dans la société coopérative européenne;
7° les organes de direction ou d'administration des sociétés de capitaux participantes à un projet commun de fusion transfrontalière ayant leurs sièges en Belgique, leurs préposés ou leurs mandataires qui ne prennent pas les mesures nécessaires, y compris la communication d'informations, pour engager des négociations avec les représentants des travailleurs des sociétés de capitaux participantes et des filiales ou établissements concernés sur les modalités relatives à la participation des travailleurs dans la société issue de la fusion transfrontalière, lorsque l'obligation leur en est faite par la convention collective de travail n° 94 du 29 avril 2008, conclue au sein du Conseil national du Travail, concernant la participation des travailleurs dans les sociétés issues de la fusion transfrontalière de sociétés de capitaux.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, à ses arrêtés d'exécution et à la loi du 4 décembre 2007 relative aux élections sociales, n'institue pas de conseil d'entreprise dans son entreprise;
2° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et à ses arrêtés d'exécution, n'institue pas de comité pour la prévention et la protection au travail dans son entreprise;
3° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'institue pas de délégation syndicale lorsque l'obligation lui en est faite par une convention collective de travail rendue obligatoire par le Roi, conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires;
4° la direction centrale de l'entreprise ou du groupe d'entreprises de dimension communautaire, son préposé ou son mandataire qui n'entame pas la procédure d'institution d'un comité d'entreprise européen ou d'une procédure d'information et de consultation des travailleurs qui en tient lieu dans une entreprise de dimension communautaire au sens de la loi du 23 avril 1998 portant des mesures d'accompagnement en ce qui concerne l'institution d'un comité d'entreprise européen ou d'une procédure dans les entreprises de dimension communautaire et les groupes d'entreprises de dimension communautaire en vue d'informer et de consulter les travailleurs, lorsque l'obligation lui en est faite par la convention collective de travail n° 62 du 6 février 1996, conclue au sein du Conseil national du Travail, concernant l'institution d'un comité d'entreprise européen ou d'une procédure dans les entreprises de dimension communautaire et les groupes d'entreprises de dimension communautaire en vue d'informer et de consulter les travailleurs et la convention collective de travail n° 101 du 21 décembre 2010, conclue au sein du Conseil national du Travail, concernant l'information et la consultation des travailleurs dans les entreprises de dimension communautaire et les groupes d'entreprises de dimension communautaire;
5° les organes de direction ou d'administration des sociétés participantes à un projet de constitution d'une société européenne ayant leurs sièges en Belgique, leurs préposés ou leurs mandataires qui ne prennent pas les mesures nécessaires, y compris la communication d'informations, pour engager des négociations avec les représentants des travailleurs des sociétés participantes et des filiales ou établissements concernés sur les modalités relatives à l'implication des travailleurs, lorsque l'obligation leur en est faite par la convention collective de travail n° 84 du 6 octobre 2004, conclue au sein du Conseil national du Travail, concernant l'implication des travailleurs dans la société européenne;
6° les organes de direction ou d'administration des entités juridiques participantes à un projet de constitution d'une société coopérative européenne ayant leur siège en Belgique, leurs préposés ou leurs mandataires qui ne prennent pas les mesures nécessaires, y compris la communication d'informations, pour engager des négociations avec les représentants des travailleurs des entités juridiques participantes et des filiales ou établissements concernés sur les modalités relatives à l'implication des travailleurs, lorsque l'obligation leur en est faite par la convention collective de travail n° 88 du 30 janvier 2007, conclue au sein du Conseil national du Travail, concernant l'implication des travailleurs dans la société coopérative européenne;
7° les organes de direction ou d'administration des sociétés de capitaux participantes à un projet commun de fusion transfrontalière ayant leurs sièges en Belgique, leurs préposés ou leurs mandataires qui ne prennent pas les mesures nécessaires, y compris la communication d'informations, pour engager des négociations avec les représentants des travailleurs des sociétés de capitaux participantes et des filiales ou établissements concernés sur les modalités relatives à la participation des travailleurs dans la société issue de la fusion transfrontalière, lorsque l'obligation leur en est faite par la convention collective de travail n° 94 du 29 avril 2008, conclue au sein du Conseil national du Travail, concernant la participation des travailleurs dans les sociétés issues de la fusion transfrontalière de sociétés de capitaux.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Wijzigingen
Afdeling 3. - Belemmering van de werking van de ondernemingsorganen
Section 3. - Les entraves au fonctionnement des organes d'entreprises
Art. 191. Belemmering van de werking van de ondernemingsorganen
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, met de uitvoeringsbesluiten ervan of met de collectieve arbeidsovereenkomsten die zijn aangenomen door de Nationale Arbeidsraad en die door de Koning algemeen verbindend zijn verklaard :
a) de werking van de ondernemingsraad verhindert;
b) de uitoefening van het mandaat van de vertegenwoordigers van de werknemers in de ondernemingsraad belemmert;
c) de ondernemingsraad of, bij ontstentenis van een ondernemingsraad, de vakbondsafvaardiging niet de inlichtingen verstrekt die hij daaraan moet verstrekken;
d) niet tot de verplichte raadplegingen van de ondernemingsraad overgaat;
2° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 27 december 2006 (I) houdende diverse bepalingen en de uitvoeringsbesluiten ervan, de inlichtingen over de voordelen betreffende de maatregelen ten gunste van de tewerkstelling niet schriftelijk heeft overgezonden aan de ondernemingsraad of bij ontstentenis van een ondernemingsraad, aan de vakbondsafvaardiging, of deze niet heeft overgezonden binnen de voorgeschreven termijn.
§ 2. [1 Met dezelfde sanctie wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, met de uitvoeringsbesluiten ervan en met de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de Koning algemeen verbindend zijn verklaard :
1° de werking van het comité voor preventie en bescherming op het werk verhindert;
2° de uitoefening van de opdrachten van voormeld comité belemmert;
3° voormeld comité niet de inlichtingen verstrekt die hij daaraan moet verstrekken, of deze inlichtingen niet volgens de gestelde regels verstrekt;
4° niet overgaat tot de verplichte raadplegingen van voormeld comité volgens de gestelde regels;
5° de uitoefening van het mandaat van de personeelsafgevaardigden in voormeld comité belemmert;
6° de uitoefening van het mandaat van de vakbondsafvaardiging belast met de opdrachten van voormeld comité belemmert.]1
§ 3. Met dezelfde sanctie wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst van de Nationale Arbeidsraad of van het paritair comité waaronder hij ressorteert, en op grond waarvan een vakbondsafvaardiging wordt ingesteld :
1° de werking van de vakbondsafvaardiging verhindert;
2° de uitoefening van het mandaat van de vakbondsafgevaardigden belemmert;
3° de vakbondsafvaardiging niet de inlichtingen verstrekt die hij daaraan moet verstrekken;
4° niet tot de verplichte raadplegingen van de vakbondsafvaardiging overgaat.
§ 4. [1 Met dezelfde sanctie wordt bestraft, het hoofdbestuur van de onderneming of het concern met een communautaire dimensie, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 62 van 6 februari 1996, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers en de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 101 van 21 december 2010, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de informatie en raadpleging van de werknemers in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie :
1° de werking verhindert van de bijzondere onderhandelingsgroep, van de Europese ondernemingsraad of van de procedure tot informatie en raadpleging die deze vervangt;
2° de uitoefening belemmert van het mandaat van de werknemersvertegenwoordigers in deze bijzondere onderhandelingsgroep, deze Europese ondernemingsraad of in deze procedure tot informatie en raadpleging;
3° niet de inlichtingen verstrekt die hij moet verstrekken aan de werknemersvertegenwoordigers in deze bijzondere onderhandelingsgroep, deze Europese ondernemingsraad of in deze procedure tot informatie en raadpleging;
4° niet overgaat tot de verplichte raadplegingen van de werknemersvertegenwoordigers in deze Europese ondernemingsraad of in deze procedure tot informatie en raadpleging.]1
§ 5. [1 Met dezelfde sanctie worden bestraft, de bevoegde leidinggevende of bestuursorganen, hun aangestelden of hun lasthebbers die, in strijd met de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 84 van 6 oktober 2004, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de rol van de werknemers in de Europese vennootschap :
1° de werking van de bijzondere onderhandelingsgroep of van het vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers verhinderen;
2° de uitoefening van het mandaat van de werknemersvertegenwoordigers in deze bijzondere onderhandelingsgroep of in dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers belemmeren;
3° niet de inlichtingen verstrekken die zij moeten verstrekken aan de werknemersvertegenwoordigers in deze bijzondere onderhandelingsgroep of in dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers;
4° niet overgaan tot de verplichte raadplegingen van dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers.]1
[1 § 6. Met dezelfde sanctie worden bestraft, de bevoegde leidinggevende of bestuursorganen, hun aangestelden of hun lasthebbers, die, in strijd met de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 88 van 30 januari 2007, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de rol van de werknemers in de Europese coöperatieve vennootschap :
1° de werking verhinderen van de bijzondere onderhandelingsgroep of van het vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers;
2° de uitoefening belemmeren van het mandaat van de werknemersvertegenwoordigers in deze bijzondere onderhandelinsgroep of in dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers;
3° niet de inlichtingen verstrekken die zij gehouden zijn te verstrekken aan de werknemersvertegenwoordigers in deze bijzondere onderhandelingsgroep of in dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers;
4° niet overgaan tot de raadpleging van dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers.
§ 7. Met dezelfde sanctie worden bestraft, de bevoegde leidinggevende of bestuursorganen, hun aangestelden of hun lasthebbers die, in strijd [2 met de collectieve arbeidsovereenkomsten, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende het medezeggenschap van de werknemers in de vennootschappen ontstaan uit een grensoverschrijdende fusie, of splitsing of omzetting]2 :
1° de werking verhinderen van de bijzondere onderhandelingsgroep of van het vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers;
2° de uitoefening belemmeren van het mandaat van de werknemersvertegenwoordigers in deze bijzondere onderhandelingsgroep of in dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers;
3° niet de inlichtingen verstrekken die zij gehouden zijn te verstrekken aan de werknemersvertegenwoordigers in deze bijzondere onderhandelingsgroep of in dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers;
4° niet overgaan tot de raadpleging van dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, met de uitvoeringsbesluiten ervan of met de collectieve arbeidsovereenkomsten die zijn aangenomen door de Nationale Arbeidsraad en die door de Koning algemeen verbindend zijn verklaard :
a) de werking van de ondernemingsraad verhindert;
b) de uitoefening van het mandaat van de vertegenwoordigers van de werknemers in de ondernemingsraad belemmert;
c) de ondernemingsraad of, bij ontstentenis van een ondernemingsraad, de vakbondsafvaardiging niet de inlichtingen verstrekt die hij daaraan moet verstrekken;
d) niet tot de verplichte raadplegingen van de ondernemingsraad overgaat;
2° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 27 december 2006 (I) houdende diverse bepalingen en de uitvoeringsbesluiten ervan, de inlichtingen over de voordelen betreffende de maatregelen ten gunste van de tewerkstelling niet schriftelijk heeft overgezonden aan de ondernemingsraad of bij ontstentenis van een ondernemingsraad, aan de vakbondsafvaardiging, of deze niet heeft overgezonden binnen de voorgeschreven termijn.
§ 2. [1 Met dezelfde sanctie wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, met de uitvoeringsbesluiten ervan en met de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de Koning algemeen verbindend zijn verklaard :
1° de werking van het comité voor preventie en bescherming op het werk verhindert;
2° de uitoefening van de opdrachten van voormeld comité belemmert;
3° voormeld comité niet de inlichtingen verstrekt die hij daaraan moet verstrekken, of deze inlichtingen niet volgens de gestelde regels verstrekt;
4° niet overgaat tot de verplichte raadplegingen van voormeld comité volgens de gestelde regels;
5° de uitoefening van het mandaat van de personeelsafgevaardigden in voormeld comité belemmert;
6° de uitoefening van het mandaat van de vakbondsafvaardiging belast met de opdrachten van voormeld comité belemmert.]1
§ 3. Met dezelfde sanctie wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst van de Nationale Arbeidsraad of van het paritair comité waaronder hij ressorteert, en op grond waarvan een vakbondsafvaardiging wordt ingesteld :
1° de werking van de vakbondsafvaardiging verhindert;
2° de uitoefening van het mandaat van de vakbondsafgevaardigden belemmert;
3° de vakbondsafvaardiging niet de inlichtingen verstrekt die hij daaraan moet verstrekken;
4° niet tot de verplichte raadplegingen van de vakbondsafvaardiging overgaat.
§ 4. [1 Met dezelfde sanctie wordt bestraft, het hoofdbestuur van de onderneming of het concern met een communautaire dimensie, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 62 van 6 februari 1996, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers en de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 101 van 21 december 2010, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de informatie en raadpleging van de werknemers in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie :
1° de werking verhindert van de bijzondere onderhandelingsgroep, van de Europese ondernemingsraad of van de procedure tot informatie en raadpleging die deze vervangt;
2° de uitoefening belemmert van het mandaat van de werknemersvertegenwoordigers in deze bijzondere onderhandelingsgroep, deze Europese ondernemingsraad of in deze procedure tot informatie en raadpleging;
3° niet de inlichtingen verstrekt die hij moet verstrekken aan de werknemersvertegenwoordigers in deze bijzondere onderhandelingsgroep, deze Europese ondernemingsraad of in deze procedure tot informatie en raadpleging;
4° niet overgaat tot de verplichte raadplegingen van de werknemersvertegenwoordigers in deze Europese ondernemingsraad of in deze procedure tot informatie en raadpleging.]1
§ 5. [1 Met dezelfde sanctie worden bestraft, de bevoegde leidinggevende of bestuursorganen, hun aangestelden of hun lasthebbers die, in strijd met de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 84 van 6 oktober 2004, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de rol van de werknemers in de Europese vennootschap :
1° de werking van de bijzondere onderhandelingsgroep of van het vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers verhinderen;
2° de uitoefening van het mandaat van de werknemersvertegenwoordigers in deze bijzondere onderhandelingsgroep of in dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers belemmeren;
3° niet de inlichtingen verstrekken die zij moeten verstrekken aan de werknemersvertegenwoordigers in deze bijzondere onderhandelingsgroep of in dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers;
4° niet overgaan tot de verplichte raadplegingen van dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers.]1
[1 § 6. Met dezelfde sanctie worden bestraft, de bevoegde leidinggevende of bestuursorganen, hun aangestelden of hun lasthebbers, die, in strijd met de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 88 van 30 januari 2007, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de rol van de werknemers in de Europese coöperatieve vennootschap :
1° de werking verhinderen van de bijzondere onderhandelingsgroep of van het vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers;
2° de uitoefening belemmeren van het mandaat van de werknemersvertegenwoordigers in deze bijzondere onderhandelinsgroep of in dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers;
3° niet de inlichtingen verstrekken die zij gehouden zijn te verstrekken aan de werknemersvertegenwoordigers in deze bijzondere onderhandelingsgroep of in dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers;
4° niet overgaan tot de raadpleging van dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers.
§ 7. Met dezelfde sanctie worden bestraft, de bevoegde leidinggevende of bestuursorganen, hun aangestelden of hun lasthebbers die, in strijd [2 met de collectieve arbeidsovereenkomsten, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende het medezeggenschap van de werknemers in de vennootschappen ontstaan uit een grensoverschrijdende fusie, of splitsing of omzetting]2 :
1° de werking verhinderen van de bijzondere onderhandelingsgroep of van het vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers;
2° de uitoefening belemmeren van het mandaat van de werknemersvertegenwoordigers in deze bijzondere onderhandelingsgroep of in dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers;
3° niet de inlichtingen verstrekken die zij gehouden zijn te verstrekken aan de werknemersvertegenwoordigers in deze bijzondere onderhandelingsgroep of in dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers;
4° niet overgaan tot de raadpleging van dit vertegenwoordigingsorgaan van de werknemers.]1
Art. 191. Les entraves au fonctionnement des organes d'entreprises
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, à ses arrêtés d'exécution ou aux conventions collectives de travail adoptées par le Conseil national du travail et qui ont été rendues obligatoires par le Roi :
a) empêche le fonctionnement du conseil d'entreprise;
b) entrave l'exercice du mandat des représentants des travailleurs au conseil d'entreprise;
c) ne transmet pas au conseil d'entreprise ou, à défaut de conseil d'entreprise, à la délégation syndicale, les informations qu'il est tenu de leur donner;
d) ne procède pas aux consultations obligatoires du conseil d'entreprise;
2° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 27 décembre 2006 (I) portant des dispositions diverses et à ses arrêtés d'exécution, ne transmet pas par écrit au conseil d'entreprise ou, à défaut de conseil d'entreprise, à la délégation syndicale, les informations portant sur les avantages relatifs aux mesures en faveur de l'emploi ou ne les transmet pas dans les délais prescrits.
§ 2. [1 Est puni de la même sanction, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, à ses arrêtés d'exécution et aux conventions collectives de travail rendues obligatoires par le Roi :
1° empêche le fonctionnement du comité pour la prévention et la protection au travail;
2° entrave l'exercice des missions du comité précité;
3° ne transmet pas au comité précité les informations qu'il est tenu de lui donner, ou ne transmet pas ces informations selon les règles prévues;
4° ne procède pas aux consultations obligatoires du comité précité selon les règles prévues;
5° entrave l'exercice du mandat des délégués du personnel au comité précité;
6° entrave l'exercice du mandat de la délégation syndicale chargée des missions du comité précité.]1
§ 3. Est puni de la même sanction, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la convention collective de travail du Conseil national du travail ou de la commission paritaire à laquelle il ressortit, rendue obligatoire par le Roi conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, et sur base de laquelle une délégation syndicale est instituée :
1° empêche le fonctionnement de la délégation syndicale;
2° entrave l'exercice du mandat des délégués syndicaux;
3° ne transmet pas à la délégation syndicale les informations qu'il est tenu de lui donner;
4° ne procède pas aux consultations obligatoires de la délégation syndicale.
§ 4. [1 Est punie de la même sanction, la direction centrale de l'entreprise ou du groupe d'entreprises de dimension communautaire, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la convention collective de travail n° 62 du 6 février 1996, conclue au sein du Conseil national du Travail, concernant l'institution d'un comité d'entreprise européen ou d'une procédure dans les entreprises de dimension communautaire et les groupes d'entreprises de dimension communautaire en vue d'informer et de consulter les travailleurs et à la convention collective de travail n° 101 du 21 décembre 2010, conclue au sein du Conseil national du Travail, concernant l'information et la consultation des travailleurs dans les entreprises de dimension communautaire et les groupes d'entreprises de dimension communautaire :
1° empêche le fonctionnement du groupe spécial de négociation, du comité d'entreprise européen ou de la procédure d'information et de consultation qui en tient lieu;
2° entrave l'exercice du mandat des représentants des travailleurs à ce groupe spécial de négociation, à ce comité d'entreprise européen ou à cette procédure d'information et de consultation;
3° ne transmet pas les informations qu'il est tenu de donner aux représentants des travailleurs à ce groupe spécial de négociation, à ce comité d'entreprise européen ou à cette procédure d'information et de consultation;
4° ne procède pas aux consultations obligatoires des représentants des travailleurs à ce comité d'entreprise européen ou à cette procédure d'information et de consultation.]1
§ 5. [1 Sont punis de la même sanction, les organes de direction ou d'administration compétents, leurs préposés ou leurs mandataires qui, en contravention à la convention collective de travail n° 84 du 6 octobre 2004, conclue au sein du Conseil national du travail, concernant l'implication des travailleurs dans la société européenne :
1° empêchent le fonctionnement du groupe spécial de négociation ou de l'organe de représentation des travailleurs;
2° entravent l'exercice du mandat des représentants des travailleurs à ce groupe spécial de négociation ou à cet organe de représentation des travailleurs;
3° ne transmettent pas les informations qu'ils sont tenus de donner aux représentants des travailleurs à ce groupe spécial de négociation ou à cet organe de représentation des travailleurs;
4° ne procèdent pas aux consultations obligatoires de cet organe de représentation des travailleurs.]1
[1 § 6. Sont punis de la même sanction, les organes de direction ou d'administration compétents, leurs préposés ou leurs mandataires qui, en contravention à la convention collective de travail n° 88 du 30 janvier 2007, conclue au sein du Conseil national du Travail, concernant l'implication des travailleurs dans la société coopérative européenne :
1° empêchent le fonctionnement du groupe spécial de négociation ou de l'organe de représentation des travailleurs;
2° entravent l'exercice du mandat des représentants des travailleurs à ce groupe spécial de négociation ou à cet organe de représentation des travailleurs;
3° ne transmettent pas les informations qu'ils sont tenus de donner aux représentants des travailleurs à ce groupe spécial de négociation ou à cet organe de représentation des travailleurs;
4° ne procèdent pas aux consultations de cet organe de représentation des travailleurs.
§ 7. Sont punis de la même sanction, les organes de direction ou d'administration compétents, leurs préposés ou leurs mandataires qui, en contravention [2 aux conventions collectives de travail, conclues au sein du Conseil national du Travail, concernant la participation des travailleurs dans les sociétés issues d'une fusion ou d'une scission ou d'une transformation transfrontalières]2 :
1° empêchent le fonctionnement du groupe spécial de négociation ou de l'organe de représentation des travailleurs;
2° entravent l'exercice du mandat des représentants des travailleurs à ce groupe spécial de négociation ou à cet organe de représentation des travailleurs;
3° ne transmettent pas les informations qu'ils sont tenus de donner aux représentants des travailleurs à ce groupe spécial de négociation ou à cet organe de représentation des travailleurs;
4° ne procèdent pas aux consultations de cet organe de représentation des travailleurs.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, à ses arrêtés d'exécution ou aux conventions collectives de travail adoptées par le Conseil national du travail et qui ont été rendues obligatoires par le Roi :
a) empêche le fonctionnement du conseil d'entreprise;
b) entrave l'exercice du mandat des représentants des travailleurs au conseil d'entreprise;
c) ne transmet pas au conseil d'entreprise ou, à défaut de conseil d'entreprise, à la délégation syndicale, les informations qu'il est tenu de leur donner;
d) ne procède pas aux consultations obligatoires du conseil d'entreprise;
2° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 27 décembre 2006 (I) portant des dispositions diverses et à ses arrêtés d'exécution, ne transmet pas par écrit au conseil d'entreprise ou, à défaut de conseil d'entreprise, à la délégation syndicale, les informations portant sur les avantages relatifs aux mesures en faveur de l'emploi ou ne les transmet pas dans les délais prescrits.
§ 2. [1 Est puni de la même sanction, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, à ses arrêtés d'exécution et aux conventions collectives de travail rendues obligatoires par le Roi :
1° empêche le fonctionnement du comité pour la prévention et la protection au travail;
2° entrave l'exercice des missions du comité précité;
3° ne transmet pas au comité précité les informations qu'il est tenu de lui donner, ou ne transmet pas ces informations selon les règles prévues;
4° ne procède pas aux consultations obligatoires du comité précité selon les règles prévues;
5° entrave l'exercice du mandat des délégués du personnel au comité précité;
6° entrave l'exercice du mandat de la délégation syndicale chargée des missions du comité précité.]1
§ 3. Est puni de la même sanction, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la convention collective de travail du Conseil national du travail ou de la commission paritaire à laquelle il ressortit, rendue obligatoire par le Roi conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, et sur base de laquelle une délégation syndicale est instituée :
1° empêche le fonctionnement de la délégation syndicale;
2° entrave l'exercice du mandat des délégués syndicaux;
3° ne transmet pas à la délégation syndicale les informations qu'il est tenu de lui donner;
4° ne procède pas aux consultations obligatoires de la délégation syndicale.
§ 4. [1 Est punie de la même sanction, la direction centrale de l'entreprise ou du groupe d'entreprises de dimension communautaire, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la convention collective de travail n° 62 du 6 février 1996, conclue au sein du Conseil national du Travail, concernant l'institution d'un comité d'entreprise européen ou d'une procédure dans les entreprises de dimension communautaire et les groupes d'entreprises de dimension communautaire en vue d'informer et de consulter les travailleurs et à la convention collective de travail n° 101 du 21 décembre 2010, conclue au sein du Conseil national du Travail, concernant l'information et la consultation des travailleurs dans les entreprises de dimension communautaire et les groupes d'entreprises de dimension communautaire :
1° empêche le fonctionnement du groupe spécial de négociation, du comité d'entreprise européen ou de la procédure d'information et de consultation qui en tient lieu;
2° entrave l'exercice du mandat des représentants des travailleurs à ce groupe spécial de négociation, à ce comité d'entreprise européen ou à cette procédure d'information et de consultation;
3° ne transmet pas les informations qu'il est tenu de donner aux représentants des travailleurs à ce groupe spécial de négociation, à ce comité d'entreprise européen ou à cette procédure d'information et de consultation;
4° ne procède pas aux consultations obligatoires des représentants des travailleurs à ce comité d'entreprise européen ou à cette procédure d'information et de consultation.]1
§ 5. [1 Sont punis de la même sanction, les organes de direction ou d'administration compétents, leurs préposés ou leurs mandataires qui, en contravention à la convention collective de travail n° 84 du 6 octobre 2004, conclue au sein du Conseil national du travail, concernant l'implication des travailleurs dans la société européenne :
1° empêchent le fonctionnement du groupe spécial de négociation ou de l'organe de représentation des travailleurs;
2° entravent l'exercice du mandat des représentants des travailleurs à ce groupe spécial de négociation ou à cet organe de représentation des travailleurs;
3° ne transmettent pas les informations qu'ils sont tenus de donner aux représentants des travailleurs à ce groupe spécial de négociation ou à cet organe de représentation des travailleurs;
4° ne procèdent pas aux consultations obligatoires de cet organe de représentation des travailleurs.]1
[1 § 6. Sont punis de la même sanction, les organes de direction ou d'administration compétents, leurs préposés ou leurs mandataires qui, en contravention à la convention collective de travail n° 88 du 30 janvier 2007, conclue au sein du Conseil national du Travail, concernant l'implication des travailleurs dans la société coopérative européenne :
1° empêchent le fonctionnement du groupe spécial de négociation ou de l'organe de représentation des travailleurs;
2° entravent l'exercice du mandat des représentants des travailleurs à ce groupe spécial de négociation ou à cet organe de représentation des travailleurs;
3° ne transmettent pas les informations qu'ils sont tenus de donner aux représentants des travailleurs à ce groupe spécial de négociation ou à cet organe de représentation des travailleurs;
4° ne procèdent pas aux consultations de cet organe de représentation des travailleurs.
§ 7. Sont punis de la même sanction, les organes de direction ou d'administration compétents, leurs préposés ou leurs mandataires qui, en contravention [2 aux conventions collectives de travail, conclues au sein du Conseil national du Travail, concernant la participation des travailleurs dans les sociétés issues d'une fusion ou d'une scission ou d'une transformation transfrontalières]2 :
1° empêchent le fonctionnement du groupe spécial de négociation ou de l'organe de représentation des travailleurs;
2° entravent l'exercice du mandat des représentants des travailleurs à ce groupe spécial de négociation ou à cet organe de représentation des travailleurs;
3° ne transmettent pas les informations qu'ils sont tenus de donner aux représentants des travailleurs à ce groupe spécial de négociation ou à cet organe de représentation des travailleurs;
4° ne procèdent pas aux consultations de cet organe de représentation des travailleurs.]1
Art. 191/1. [1 De afwezigheid van een analyserapport met betrekking tot de bezoldigingsstructuur van de werknemers.
Wordt gestraft met een sanctie van niveau 2, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met artikel 15, m), van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, niet om de twee jaar aan de ondernemingsraad, of bij ontstentenis hiervan aan de vakbondsafvaardiging, een analyseverslag over de structuur van de bezoldiging van de werknemers meedeelt, in toepassing van artikel 13/1 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen vrouwen en mannen.]1
Wordt gestraft met een sanctie van niveau 2, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met artikel 15, m), van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, niet om de twee jaar aan de ondernemingsraad, of bij ontstentenis hiervan aan de vakbondsafvaardiging, een analyseverslag over de structuur van de bezoldiging van de werknemers meedeelt, in toepassing van artikel 13/1 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen vrouwen en mannen.]1
Art. 191/1. [1 L'absence de rapport d'analyse sur la structure de rémunération des travailleurs.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'article 15, m), de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, ne communique pas, tous les deux ans au conseil d'entreprise, ou à défaut à la délégation syndicale, un rapport d'analyse sur la structure de rémunération des travailleurs, en application de l'article 13/1 de la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre la discrimination entre les femmes et les hommes.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à l'article 15, m), de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, ne communique pas, tous les deux ans au conseil d'entreprise, ou à défaut à la délégation syndicale, un rapport d'analyse sur la structure de rémunération des travailleurs, en application de l'article 13/1 de la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre la discrimination entre les femmes et les hommes.]1
Art. 192. Wederrechtelijke mededeling en verspreiding van inlichtingen
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, ieder lid van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, van een ondernemingsraad, van een comité voor preventie en bescherming op het werk of van een vakbondsafvaardiging dat, in strijd met de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven of met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, inlichtingen van individuele aard waarvan hij kennis had wegens de op grond van de bepalingen van voormelde wetten door hem uitgeoefende functies of mandaten, wederrechtelijk meedeelt of ruchtbaar maakt of die wederrechtelijk globale inlichtingen meedeelt of ruchtbaar maakt die van die aard zijn dat zij nadeel kunnen berokkenen aan 's lands bedrijfsleven, aan de belangen van een bedrijfstak of van een onderneming.
[1 Dezelfde sanctie is van toepassing in geval van inbreuk op artikel 8 van de wet van 23 april 1998 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen met een communautaire dimensie of in concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan, gepleegd door een lid van de bijzondere onderhandelingsgroep, door een werknemersvertegenwoordiger die zijn opdrachten uitoefent in het kader van de Europese ondernemingsraad of van een procedure tot informatie en raadpleging die deze vervangt, evenals door een deskundige die hen bijstaat.
Dezelfde sanctie is van toepassing in geval van inbreuk op artikel 8 van de wet van 10 augustus 2005 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese Vennootschap en de uitvoeringsbesluiten ervan, gepleegd door een lid van de bijzondere onderhandelingsgroep, door een lid van het vertegenwoordigingsorgaan, door een werknemersvertegenwoordiger die zijn opdrachten uitoefent in het kader van een procedure tot informatie en raadpleging van de werknemers, evenals door een deskundige die hen bijstaat.]1
[1 Dezelfde sanctie is van toepassing in geval van inbreuk op artikel 8 van de wet van 9 mei 2008 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese coöperatieve vennootschap en de uitvoeringsbesluiten ervan, gepleegd door een lid van de bijzondere onderhandelingsgroep, door een lid van het vertegenwoordigingsorgaan, door een werknemersvertegenwoordiger die zijn opdrachten uitoefent in het kader van een procedure tot informatie en raadpleging van de werknemers, door een werknemersvertegenwoordiger die zetelt in het toezichts- of bestuursorgaan van een Europese coöperatieve vennootschap, evenals door een deskundige die hen bijstaat.
[2 Dezelfde sanctie is van toepassing in geval van inbreuk op artikel 8 van de wet van 18 december 2023 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende het medezeggenschap van de werknemers in vennootschappen ontstaan uit een grensoverschrijdende fusie, splitsing of omzetting, en de uitvoeringsbesluiten ervan, gepleegd door een lid van de bijzondere onderhandelingsgroep, door een lid van het vertegenwoordigingsorgaan, door een werknemersvertegenwoordiger die zijn opdrachten uitoefent in het kader van een procedure tot informatie en raadpleging van de werknemers, door een werknemersvertegenwoordiger die zetelt in het toezichts- of bestuursorgaan van een vennootschap ontstaan uit een grensoverschrijdende fusie of splitsing of omzetting, of die deelneemt aan de algemene vergadering van deze vennootschap, evenals door een deskundige die hen bijstaat.]2]1
[1 Dezelfde sanctie is van toepassing wanneer de inbreuk gepleegd wordt door een secretaris of een personeelslid van het secretariaat van de personen bedoeld in het eerste tot het vijfde lid.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, ieder lid van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, van een ondernemingsraad, van een comité voor preventie en bescherming op het werk of van een vakbondsafvaardiging dat, in strijd met de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven of met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, inlichtingen van individuele aard waarvan hij kennis had wegens de op grond van de bepalingen van voormelde wetten door hem uitgeoefende functies of mandaten, wederrechtelijk meedeelt of ruchtbaar maakt of die wederrechtelijk globale inlichtingen meedeelt of ruchtbaar maakt die van die aard zijn dat zij nadeel kunnen berokkenen aan 's lands bedrijfsleven, aan de belangen van een bedrijfstak of van een onderneming.
[1 Dezelfde sanctie is van toepassing in geval van inbreuk op artikel 8 van de wet van 23 april 1998 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen met een communautaire dimensie of in concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan, gepleegd door een lid van de bijzondere onderhandelingsgroep, door een werknemersvertegenwoordiger die zijn opdrachten uitoefent in het kader van de Europese ondernemingsraad of van een procedure tot informatie en raadpleging die deze vervangt, evenals door een deskundige die hen bijstaat.
Dezelfde sanctie is van toepassing in geval van inbreuk op artikel 8 van de wet van 10 augustus 2005 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese Vennootschap en de uitvoeringsbesluiten ervan, gepleegd door een lid van de bijzondere onderhandelingsgroep, door een lid van het vertegenwoordigingsorgaan, door een werknemersvertegenwoordiger die zijn opdrachten uitoefent in het kader van een procedure tot informatie en raadpleging van de werknemers, evenals door een deskundige die hen bijstaat.]1
[1 Dezelfde sanctie is van toepassing in geval van inbreuk op artikel 8 van de wet van 9 mei 2008 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese coöperatieve vennootschap en de uitvoeringsbesluiten ervan, gepleegd door een lid van de bijzondere onderhandelingsgroep, door een lid van het vertegenwoordigingsorgaan, door een werknemersvertegenwoordiger die zijn opdrachten uitoefent in het kader van een procedure tot informatie en raadpleging van de werknemers, door een werknemersvertegenwoordiger die zetelt in het toezichts- of bestuursorgaan van een Europese coöperatieve vennootschap, evenals door een deskundige die hen bijstaat.
[2 Dezelfde sanctie is van toepassing in geval van inbreuk op artikel 8 van de wet van 18 december 2023 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende het medezeggenschap van de werknemers in vennootschappen ontstaan uit een grensoverschrijdende fusie, splitsing of omzetting, en de uitvoeringsbesluiten ervan, gepleegd door een lid van de bijzondere onderhandelingsgroep, door een lid van het vertegenwoordigingsorgaan, door een werknemersvertegenwoordiger die zijn opdrachten uitoefent in het kader van een procedure tot informatie en raadpleging van de werknemers, door een werknemersvertegenwoordiger die zetelt in het toezichts- of bestuursorgaan van een vennootschap ontstaan uit een grensoverschrijdende fusie of splitsing of omzetting, of die deelneemt aan de algemene vergadering van deze vennootschap, evenals door een deskundige die hen bijstaat.]2]1
[1 Dezelfde sanctie is van toepassing wanneer de inbreuk gepleegd wordt door een secretaris of een personeelslid van het secretariaat van de personen bedoeld in het eerste tot het vijfde lid.]1
Art. 192. La communication et la divulgation abusives de renseignements
Est puni d'une sanction de niveau 2, tout membre du Conseil central de l'économie, d'un conseil d'entreprise, d'un comité pour la prévention et la protection au travail ou d'une délégation syndicale qui, en contravention à la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie ou à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, communique ou divulgue abusivement des renseignements d'ordre individuel dont il a eu connaissance en raison de fonctions ou mandats exercés en vertu des dispositions des lois précitées ou qui communique ou divulgue abusivement des renseignements globaux de nature à porter préjudice à l'économie nationale, aux intérêts d'une branche économique ou d'une entreprise.
[1 La même sanction s'applique en cas d'infraction à l'article 8 de la loi du 23 avril 1998 portant des mesures d'accompagnement en ce qui concerne l'institution d'un comité d'entreprise européen ou d'une procédure dans les entreprises de dimension communautaire et les groupes d'entreprises de dimension communautaire en vue d'informer et de consulter les travailleurs et à ses arrêtés d'exécution, par un membre du groupe spécial de négociation, par un représentant des travailleurs exerçant ses missions dans le cadre du comité d'entreprise européen ou d'une procédure d'information et de consultation qui en tient lieu, ainsi que par un expert qui les assiste.
La même sanction s'applique en cas d'infraction à l'article 8 de la loi du 10 août 2005 portant des mesures d'accompagnement en ce qui concerne l'institution d'un groupe spécial de négociation, d'un organe de représentation et de procédures relatives à l'implication des travailleurs au sein de la Société européenne et à ses arrêtés d'exécution, par un membre du groupe spécial de négociation, par un membre de l'organe de représentation, par un représentant des travailleurs exerçant ses fonctions dans le cadre d'une procédure d'information et de consultation, ainsi que par un expert qui les assiste.]1
[1 La même sanction s'applique en cas d'infraction à l'article 8 de la loi du 9 mai 2008 portant des mesures d'accompagnement en ce qui concerne l'institution d'un groupe spécial de négociation, d'un organe de représentation et de procédures relatives à l'implication des travailleurs au sein de la Société coopérative européenne et à ses arrêtés d'exécution, par un membre du groupe spécial de négociation, par un membre de l'organe de représentation, par un représentant des travailleurs exerçant ses fonctions dans le cadre d'une procédure d'information et de consultation des travailleurs, par un représentant des travailleurs siégeant dans l'organe de surveillance ou d'administration d'une société coopérative européenne, ainsi que par un expert qui les assiste.
[2 La même sanction s'applique en cas d'infraction à l'article 8 de la loi du 18 décembre 2023 portant des mesures d'accompagnement en ce qui concerne l'institution d'un groupe spécial de négociation, d'un organe de représentation et de procédures relatives à la participation des travailleurs dans les sociétés issues d'une fusion, d'une scission ou d'une transformation transfrontalières, et à ses arrêtés d'exécution, commise par un membre du groupe spécial de négociation, par un membre de l'organe de représentation, par un représentant des travailleurs exerçant ses fonctions dans le cadre d'une procédure d'information et de consultation des travailleurs, par un représentant des travailleurs siégeant dans l'organe de surveillance ou d'administration d'une société issue d'une fusion ou d'une scission ou d'une transformation transfrontalière, ou participant à l'assemblée générale de cette société, ainsi que par un expert qui les assiste.]2]1
[1 La même sanction est applicable lorsque l'infraction est commise par un secrétaire ou un membre du personnel du secrétariat des personnes visées aux alinéas 1er à 5.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, tout membre du Conseil central de l'économie, d'un conseil d'entreprise, d'un comité pour la prévention et la protection au travail ou d'une délégation syndicale qui, en contravention à la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie ou à la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, communique ou divulgue abusivement des renseignements d'ordre individuel dont il a eu connaissance en raison de fonctions ou mandats exercés en vertu des dispositions des lois précitées ou qui communique ou divulgue abusivement des renseignements globaux de nature à porter préjudice à l'économie nationale, aux intérêts d'une branche économique ou d'une entreprise.
[1 La même sanction s'applique en cas d'infraction à l'article 8 de la loi du 23 avril 1998 portant des mesures d'accompagnement en ce qui concerne l'institution d'un comité d'entreprise européen ou d'une procédure dans les entreprises de dimension communautaire et les groupes d'entreprises de dimension communautaire en vue d'informer et de consulter les travailleurs et à ses arrêtés d'exécution, par un membre du groupe spécial de négociation, par un représentant des travailleurs exerçant ses missions dans le cadre du comité d'entreprise européen ou d'une procédure d'information et de consultation qui en tient lieu, ainsi que par un expert qui les assiste.
La même sanction s'applique en cas d'infraction à l'article 8 de la loi du 10 août 2005 portant des mesures d'accompagnement en ce qui concerne l'institution d'un groupe spécial de négociation, d'un organe de représentation et de procédures relatives à l'implication des travailleurs au sein de la Société européenne et à ses arrêtés d'exécution, par un membre du groupe spécial de négociation, par un membre de l'organe de représentation, par un représentant des travailleurs exerçant ses fonctions dans le cadre d'une procédure d'information et de consultation, ainsi que par un expert qui les assiste.]1
[1 La même sanction s'applique en cas d'infraction à l'article 8 de la loi du 9 mai 2008 portant des mesures d'accompagnement en ce qui concerne l'institution d'un groupe spécial de négociation, d'un organe de représentation et de procédures relatives à l'implication des travailleurs au sein de la Société coopérative européenne et à ses arrêtés d'exécution, par un membre du groupe spécial de négociation, par un membre de l'organe de représentation, par un représentant des travailleurs exerçant ses fonctions dans le cadre d'une procédure d'information et de consultation des travailleurs, par un représentant des travailleurs siégeant dans l'organe de surveillance ou d'administration d'une société coopérative européenne, ainsi que par un expert qui les assiste.
[2 La même sanction s'applique en cas d'infraction à l'article 8 de la loi du 18 décembre 2023 portant des mesures d'accompagnement en ce qui concerne l'institution d'un groupe spécial de négociation, d'un organe de représentation et de procédures relatives à la participation des travailleurs dans les sociétés issues d'une fusion, d'une scission ou d'une transformation transfrontalières, et à ses arrêtés d'exécution, commise par un membre du groupe spécial de négociation, par un membre de l'organe de représentation, par un représentant des travailleurs exerçant ses fonctions dans le cadre d'une procédure d'information et de consultation des travailleurs, par un représentant des travailleurs siégeant dans l'organe de surveillance ou d'administration d'une société issue d'une fusion ou d'une scission ou d'une transformation transfrontalière, ou participant à l'assemblée générale de cette société, ainsi que par un expert qui les assiste.]2]1
[1 La même sanction est applicable lorsque l'infraction est commise par un secrétaire ou un membre du personnel du secrétariat des personnes visées aux alinéas 1er à 5.]1
Afdeling 4. - Overtredingen van de verplichting inzake voorlichting en raadpleging van de werknemers
Section 4. - Les manquements à l'obligation d'information et de consultation des travailleurs
Art. 193. Informatieverstrekking bij collectief ontslag
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die van plan is tot collectief ontslag over te gaan en die, in overtreding met de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 24 van 2 oktober 1975 betreffende de procedure van inlichting en raadpleging van de werknemers- vertegenwoordiging met betrekking tot het collectief ontslag, de voorziene procedures van inlichting en raadpleging van de werknemers niet heeft nageleefd.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die van plan is tot collectief ontslag over te gaan en die, in overtreding met de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 24 van 2 oktober 1975 betreffende de procedure van inlichting en raadpleging van de werknemers- vertegenwoordiging met betrekking tot het collectief ontslag, de voorziene procedures van inlichting en raadpleging van de werknemers niet heeft nageleefd.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 193. L'information en cas de licenciement collectif
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui entend procéder à un licenciement collectif et qui, en violation de la convention collective de travail n° 24 du 2 octobre 1975 concernant la procédure d'information et de consultation des représentants des travailleurs en matière de licenciements collectifs, n'a pas observé les procédures d'information et de consultation des travailleurs.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui entend procéder à un licenciement collectif et qui, en violation de la convention collective de travail n° 24 du 2 octobre 1975 concernant la procédure d'information et de consultation des représentants des travailleurs en matière de licenciements collectifs, n'a pas observé les procédures d'information et de consultation des travailleurs.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 194. Informatieverstrekking bij sluiting van onderneming
[1 Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen en de uitvoeringsbesluiten ervan, de werknemers en de ondernemingsraad en, bij gebreke daaraan, de vakbondsafvaardiging niet, voorafgaandelijk aan de sluiting van de onderneming, heeft ingelicht over zijn beslissing om over te gaan tot de sluiting van een onderneming of van een afdeling van een onderneming overeenkomstig de procedures tot voorafgaande informatie en de modaliteiten die voorzien zijn door collectieve arbeidsovereenkomsten die door de Koning algemeen verbindend verklaard werden of door de koninklijke besluiten tot uitvoering zelf.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
[1 Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen en de uitvoeringsbesluiten ervan, de werknemers en de ondernemingsraad en, bij gebreke daaraan, de vakbondsafvaardiging niet, voorafgaandelijk aan de sluiting van de onderneming, heeft ingelicht over zijn beslissing om over te gaan tot de sluiting van een onderneming of van een afdeling van een onderneming overeenkomstig de procedures tot voorafgaande informatie en de modaliteiten die voorzien zijn door collectieve arbeidsovereenkomsten die door de Koning algemeen verbindend verklaard werden of door de koninklijke besluiten tot uitvoering zelf.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 194. L'information en cas de fermeture d'entreprise
[1 Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 26 juin 2002 relative aux fermetures d'entreprises et à ses arrêtés d'exécution, n'a pas informé préalablement à la fermeture d'entreprise, les travailleurs et le conseil d'entreprise ou, à défaut de celui-ci, la délégation syndicale, de sa décision de procéder à la fermeture d'une entreprise ou d'une division d'une entreprise, conformément aux procédures d'information préalable et aux modalités prévues par conventions collectives de travail rendues obligatoires par le Roi ou par ces mêmes arrêtés royaux d'exécution.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
[1 Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 26 juin 2002 relative aux fermetures d'entreprises et à ses arrêtés d'exécution, n'a pas informé préalablement à la fermeture d'entreprise, les travailleurs et le conseil d'entreprise ou, à défaut de celui-ci, la délégation syndicale, de sa décision de procéder à la fermeture d'une entreprise ou d'une division d'une entreprise, conformément aux procédures d'information préalable et aux modalités prévues par conventions collectives de travail rendues obligatoires par le Roi ou par ces mêmes arrêtés royaux d'exécution.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Wijzigingen
Art. 195. Informatieverstrekking bij herstructurering van de onderneming
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, de vereffenaar of de curator die, in strijd met de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 9 van 9 maart 1972 houdende ordening van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten nationale akkoorden en collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de ondernemingsraden, de ondernemingsraad, [1 vooraf en]1 voor enige bekendmaking, niet inlicht over de beslissing om over te gaan tot een belangrijke wijziging in de structuur van de onderneming, meer bepaald door fusie, concentratie, overdracht of sluiting.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, de vereffenaar of de curator die, in strijd met de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 9 van 9 maart 1972 houdende ordening van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten nationale akkoorden en collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de ondernemingsraden, de ondernemingsraad, [1 vooraf en]1 voor enige bekendmaking, niet inlicht over de beslissing om over te gaan tot een belangrijke wijziging in de structuur van de onderneming, meer bepaald door fusie, concentratie, overdracht of sluiting.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 195. L'information en cas de modification de la structure de l'entreprise
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, le liquidateur ou le curateur qui, en contravention à la convention collective de travail n° 9 du 9 mars 1972 coordonnant les accords nationaux et les conventions collectives de travail relatifs aux conseils d'entreprise conclus au sein du Conseil national du travail, n'a pas informé le conseil d'entreprise, [1 préalablement et]1 avant toute diffusion, de la décision de procéder à une modification importante de la structure de l'entreprise, notamment par fusion, concentration, transfert ou fermeture de l'entreprise.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, le liquidateur ou le curateur qui, en contravention à la convention collective de travail n° 9 du 9 mars 1972 coordonnant les accords nationaux et les conventions collectives de travail relatifs aux conseils d'entreprise conclus au sein du Conseil national du travail, n'a pas informé le conseil d'entreprise, [1 préalablement et]1 avant toute diffusion, de la décision de procéder à une modification importante de la structure de l'entreprise, notamment par fusion, concentration, transfert ou fermeture de l'entreprise.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 196. Informatieverstrekking bij conventionele overgang van ondernemingen of overname van activa na faillissement
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, de vereffenaar of de curator die de procedures inzake de informatie en consultatie van de werknemers niet heeft nageleefd in strijd met de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, de vereffenaar of de curator die de procedures inzake de informatie en consultatie van de werknemers niet heeft nageleefd in strijd met de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 196. L'information en cas de transfert conventionnel d'entreprise ou de reprise d'actifs après faillite
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, le liquidateur ou le curateur qui n'a pas observé les procédures d'information et de consultation des travailleurs en contravention à la convention collective de travail n° 32bis du 7 juin 1985 concernant le maintien des droits des travailleurs en cas de changement d'employeur du fait d'un transfert conventionnel d'entreprise et réglant les droits des travailleurs repris en cas de reprise de l'actif après faillite.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire, le liquidateur ou le curateur qui n'a pas observé les procédures d'information et de consultation des travailleurs en contravention à la convention collective de travail n° 32bis du 7 juin 1985 concernant le maintien des droits des travailleurs en cas de changement d'employeur du fait d'un transfert conventionnel d'entreprise et réglant les droits des travailleurs repris en cas de reprise de l'actif après faillite.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Afdeling 5. - Kennisgevingen in geval van collectief ontslag of sluiting van onderneming
Section 5. - Les notifications à faire en cas de licenciement collectif ou de fermeture d'entreprise
Art. 197. Kennisgevingen ingeval van collectief ontslag
Met een sanctie [2 van niveau 3]2, wordt bestraft de werkgever [2 , zijn aangestelde of zijn lasthebber,]2 die, in strijd met het koninklijk besluit van 24 mei 1976 betreffende het collectief ontslag, niet op de wijzen en binnen de termijnen bepaald in de wet de vereiste kennisgevingen [1 aan de door voormeld koninklijk besluit bepaalde overheidsinstanties]1 heeft gedaan.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie [2 van niveau 3]2, wordt bestraft de werkgever [2 , zijn aangestelde of zijn lasthebber,]2 die, in strijd met het koninklijk besluit van 24 mei 1976 betreffende het collectief ontslag, niet op de wijzen en binnen de termijnen bepaald in de wet de vereiste kennisgevingen [1 aan de door voormeld koninklijk besluit bepaalde overheidsinstanties]1 heeft gedaan.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 197. Les notifications en cas de licenciement collectif
Est puni d'une sanction [2 de niveau 3]2, l'employeur [2 , son préposé ou son mandataire]2 qui, en contravention à l'arrêté royal du 24 mai 1976 sur les licenciements collectifs, n'a pas effectué, selon les formes et dans les délais prévus par la loi, les notifications requises [1 aux autorités publiques déterminées par l'arrêté royal précité]1.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction [2 de niveau 3]2, l'employeur [2 , son préposé ou son mandataire]2 qui, en contravention à l'arrêté royal du 24 mai 1976 sur les licenciements collectifs, n'a pas effectué, selon les formes et dans les délais prévus par la loi, les notifications requises [1 aux autorités publiques déterminées par l'arrêté royal précité]1.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Art. 198. Kennisgevingen ingeval van sluiting van onderneming
Met een sanctie van niveau 1, wordt bestraft de werkgever [1 ...]1, de vereffenaar of de curator die, in strijd met de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen en op de uitvoeringsbesluiten ervan, de voorzitter van het directiecomité van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, niet op de wijzen en binnen de termijnen bepaald krachtens de wet heeft ingelicht over de sluiting van de onderneming.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 1, wordt bestraft de werkgever [1 ...]1, de vereffenaar of de curator die, in strijd met de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen en op de uitvoeringsbesluiten ervan, de voorzitter van het directiecomité van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, niet op de wijzen en binnen de termijnen bepaald krachtens de wet heeft ingelicht over de sluiting van de onderneming.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 198. Les notifications en cas de fermeture d'entreprise
Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur [1 ...]1, le liquidateur ou le curateur qui, en contravention à la loi du 26 juin 2002 relative aux fermetures d'entreprises et à ses arrêtés d'exécution, n'a pas informé le Président du comité de direction du SPF Emploi, Travail et Concertation sociale de la fermeture de son entreprise selon les formes et dans les délais prévus en vertu de la loi.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur [1 ...]1, le liquidateur ou le curateur qui, en contravention à la loi du 26 juin 2002 relative aux fermetures d'entreprises et à ses arrêtés d'exécution, n'a pas informé le Président du comité de direction du SPF Emploi, Travail et Concertation sociale de la fermeture de son entreprise selon les formes et dans les délais prévus en vertu de la loi.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 199. Kennisgevingen ingeval van overname van activa
Met een sanctie van niveau 1, wordt bestraft de werkgever [1 ...]1, de vereffenaar of de curator, de werkgever die een overname van activa heeft verricht, zijn aangestelde of zijn lasthebber, de commissaris inzake opschorting, die met overtreding van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen en zijn uitvoeringsbesluiten, het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting der ondernemingen ontslagen werknemers niet inlicht van de overdracht van het geheel of een deel van de activa van de failliete onderneming of van de overgang van onderneming krachtens overeenkomst in het kader van een gerechtelijk akkoord.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 1, wordt bestraft de werkgever [1 ...]1, de vereffenaar of de curator, de werkgever die een overname van activa heeft verricht, zijn aangestelde of zijn lasthebber, de commissaris inzake opschorting, die met overtreding van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen en zijn uitvoeringsbesluiten, het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting der ondernemingen ontslagen werknemers niet inlicht van de overdracht van het geheel of een deel van de activa van de failliete onderneming of van de overgang van onderneming krachtens overeenkomst in het kader van een gerechtelijk akkoord.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 199. Les notifications en cas de reprise d'actif
Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur [1 ...]1, le liquidateur ou le curateur, l'employeur qui a effectué une reprise d'actif [1 ...]1, le commissaire au sursis, qui en contravention à la loi du 26 juin 2002 relative aux fermetures d'entreprises et à ses arrêtés d'exécution, n'informe pas le Fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprises de la cession de tout ou d'une partie de l'actif de l'entreprise en faillite ou du transfert conventionnel d'entreprise réalisé dans le cadre d'un concordat judiciaire.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur [1 ...]1, le liquidateur ou le curateur, l'employeur qui a effectué une reprise d'actif [1 ...]1, le commissaire au sursis, qui en contravention à la loi du 26 juin 2002 relative aux fermetures d'entreprises et à ses arrêtés d'exécution, n'informe pas le Fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprises de la cession de tout ou d'une partie de l'actif de l'entreprise en faillite ou du transfert conventionnel d'entreprise réalisé dans le cadre d'un concordat judiciaire.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Afdeling 6. - Arbeidsreglement
Section 6. - Le règlement de travail
Art. 200. Opmaak van het arbeidsreglement
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding met de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, geen rechtsgeldig arbeidsreglement heeft opgemaakt.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding met de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, geen rechtsgeldig arbeidsreglement heeft opgemaakt.
Art. 200. L'établissement du règlement de travail
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail, n'a pas valablement établi de règlement de travail.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail, n'a pas valablement établi de règlement de travail.
Art. 201. Vermeldingen in het arbeidsreglement
§ 1. Met een sanctie [3 van niveau 1]3 wordt bestraft, de werkgever [3 ...]3 die in overtreding met de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen volgende bepalingen in het arbeidsreglement niet heeft opgenomen :
1° de vermeldingen die worden opgelegd door de voormelde wet van 8 april 1965 betreffende de aanvang en het einde van de gewone arbeidsdag, het tijdstip en de duur van de rusttijden, de dagen van regelmatige onderbreking van de arbeid;
[2 1°/1 de vermeldingen die worden opgelegd door de voormelde wet van 8 april 1965 voor de deeltijdse werknemers tewerkgesteld in het kader van een variabel werkrooster in de zin van artikel 11bis, derde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;]2
2° de plaats waar de persoon te bereiken is die aangewezen is om de eerste hulp te verlenen, overeenkomstig het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming;
3° de plaats waar de bij hetzelfde reglement vereiste verbandkist zich bevindt;
4° de coördinaten van de preventieadviseur [1 die gespecialiseerd is in de psychosociale aspecten van het werk]1 [3 of de dienst voor preventie en bescherming op het werk waarvoor deze adviseur zijn opdrachten uitoefent]3 en, in voorkomend geval, deze van de vertrouwenspersoon;
5° de toepasselijke procedures bij melding van feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever die, in overtreding met de wet van 8 april1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, heeft nagelaten onderstaande elementen in het arbeidsreglement op te nemen :
1° de wijzen van meting van en controle op de arbeid met het oog op het bepalen van het loon;
[3 1°/1 De door de voormelde wet van 8 april 1965 opgelegde vermeldingen in verband met de wijze, het tijdstip en de plaats van betaling van het loon;]3
2° [2 de procedure, met inbegrip van de formele vereisten en de opzegtermijnen, die de werkgever en de werknemer in acht moeten nemen indien de arbeidsrelatie wordt beëindigd alsook de termijn waarbinnen tegen ontslag in beroep kan worden gegaan of de verwijzing naar de wettelijke of reglementaire bepalingen die deze punten regelen;]2
3° de duur van de jaarlijkse vakantie evenals de nadere regels voor toekenning van deze vakantie of de verwijzing naar de wettelijke bepalingen terzake;
4° de data van de feestdagen;
5° de data van de jaarlijkse collectieve vakantie;
6° de namen van de leden van de ondernemingsraad;
7° de namen van de leden van het comité voor preventie en bescherming op het werk;
8° de namen van de leden van de vakbondsafvaardiging;
9° de namen van de geneesheren, aangewezen buiten degenen die behoren tot een medische, farmaceutische of verplegingsdienst, en tot wie het slachtoffer van een arbeidsongeval zich kan wenden wanneer die zijn verblijfplaats heeft buiten de streek waar de medische, farmaceutische en verplegingsdienst of de als vast erkende geneesheer gevestigd is;
10° het adres van de inspectiediensten waar de ambtenaren en beambten, belast met het toezicht op de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen in verband met de bescherming van de werknemers, kunnen worden bereikt;
11° [2 de vermelding van de collectieve arbeidsovereenkomsten en/of collectieve akkoorden gesloten in de onderneming en die van toepassing zijn op de werkomstandigheden en, wat betreft de collectieve arbeidsovereenkomsten die buiten de onderneming zijn gesloten, de vermelding van het bevoegde paritair orgaan waarin deze zijn gesloten;]2
12° de identiteit van de dienstverlener van de verantwoordelijke elektronische archiveringsdienst, met toepassing van titel III van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen, voor de opslag van door middel van een elektronische handtekening aangegane arbeidsovereenkomsten en de elektronisch verstuurde en opgeslagen documenten in het kader van de individuele arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer evenals de wijze waarop de toegang van de werknemer tot deze elektronisch bij de dienstverlener opgeslagen documenten wordt gewaarborgd, ook na de beëindiging van de arbeidsrelatie;
[2 13° het door de werkgever geboden recht op opleiding of de verwijzing naar de wettelijke of reglementaire bepalingen of collectieve arbeidsovereenkomsten die dit recht regelen;
14° de sociale zekerheidsinstelling die de sociale bijdragen in het kader van de arbeidsrelatie ontvangt.]2
[3 § 3. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft de werkgever die, in geval van een glijdend uurrooster voorzien in artikel 20ter van de arbeidswet van 16 maart 1971, de vermeldingen die opgelegd worden door de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, niet heeft opgenomen in het arbeidsreglement.]3
§ 1. Met een sanctie [3 van niveau 1]3 wordt bestraft, de werkgever [3 ...]3 die in overtreding met de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen volgende bepalingen in het arbeidsreglement niet heeft opgenomen :
1° de vermeldingen die worden opgelegd door de voormelde wet van 8 april 1965 betreffende de aanvang en het einde van de gewone arbeidsdag, het tijdstip en de duur van de rusttijden, de dagen van regelmatige onderbreking van de arbeid;
[2 1°/1 de vermeldingen die worden opgelegd door de voormelde wet van 8 april 1965 voor de deeltijdse werknemers tewerkgesteld in het kader van een variabel werkrooster in de zin van artikel 11bis, derde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;]2
2° de plaats waar de persoon te bereiken is die aangewezen is om de eerste hulp te verlenen, overeenkomstig het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming;
3° de plaats waar de bij hetzelfde reglement vereiste verbandkist zich bevindt;
4° de coördinaten van de preventieadviseur [1 die gespecialiseerd is in de psychosociale aspecten van het werk]1 [3 of de dienst voor preventie en bescherming op het werk waarvoor deze adviseur zijn opdrachten uitoefent]3 en, in voorkomend geval, deze van de vertrouwenspersoon;
5° de toepasselijke procedures bij melding van feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever die, in overtreding met de wet van 8 april1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, heeft nagelaten onderstaande elementen in het arbeidsreglement op te nemen :
1° de wijzen van meting van en controle op de arbeid met het oog op het bepalen van het loon;
[3 1°/1 De door de voormelde wet van 8 april 1965 opgelegde vermeldingen in verband met de wijze, het tijdstip en de plaats van betaling van het loon;]3
2° [2 de procedure, met inbegrip van de formele vereisten en de opzegtermijnen, die de werkgever en de werknemer in acht moeten nemen indien de arbeidsrelatie wordt beëindigd alsook de termijn waarbinnen tegen ontslag in beroep kan worden gegaan of de verwijzing naar de wettelijke of reglementaire bepalingen die deze punten regelen;]2
3° de duur van de jaarlijkse vakantie evenals de nadere regels voor toekenning van deze vakantie of de verwijzing naar de wettelijke bepalingen terzake;
4° de data van de feestdagen;
5° de data van de jaarlijkse collectieve vakantie;
6° de namen van de leden van de ondernemingsraad;
7° de namen van de leden van het comité voor preventie en bescherming op het werk;
8° de namen van de leden van de vakbondsafvaardiging;
9° de namen van de geneesheren, aangewezen buiten degenen die behoren tot een medische, farmaceutische of verplegingsdienst, en tot wie het slachtoffer van een arbeidsongeval zich kan wenden wanneer die zijn verblijfplaats heeft buiten de streek waar de medische, farmaceutische en verplegingsdienst of de als vast erkende geneesheer gevestigd is;
10° het adres van de inspectiediensten waar de ambtenaren en beambten, belast met het toezicht op de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen in verband met de bescherming van de werknemers, kunnen worden bereikt;
11° [2 de vermelding van de collectieve arbeidsovereenkomsten en/of collectieve akkoorden gesloten in de onderneming en die van toepassing zijn op de werkomstandigheden en, wat betreft de collectieve arbeidsovereenkomsten die buiten de onderneming zijn gesloten, de vermelding van het bevoegde paritair orgaan waarin deze zijn gesloten;]2
12° de identiteit van de dienstverlener van de verantwoordelijke elektronische archiveringsdienst, met toepassing van titel III van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen, voor de opslag van door middel van een elektronische handtekening aangegane arbeidsovereenkomsten en de elektronisch verstuurde en opgeslagen documenten in het kader van de individuele arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer evenals de wijze waarop de toegang van de werknemer tot deze elektronisch bij de dienstverlener opgeslagen documenten wordt gewaarborgd, ook na de beëindiging van de arbeidsrelatie;
[2 13° het door de werkgever geboden recht op opleiding of de verwijzing naar de wettelijke of reglementaire bepalingen of collectieve arbeidsovereenkomsten die dit recht regelen;
14° de sociale zekerheidsinstelling die de sociale bijdragen in het kader van de arbeidsrelatie ontvangt.]2
[3 § 3. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft de werkgever die, in geval van een glijdend uurrooster voorzien in artikel 20ter van de arbeidswet van 16 maart 1971, de vermeldingen die opgelegd worden door de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, niet heeft opgenomen in het arbeidsreglement.]3
Art. 201. Les mentions du règlement de travail
§ 1er. Est puni d'une sanction [3 de niveau 1]3, l'employeur [3 ...]3 qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail, n'a pas fait figurer les mentions suivantes dans le règlement de travail :
1° les mentions imposées par la loi précitée du 8 avril 1965 relatives au commencement et à la fin de la journée de travail régulière, au moment et à la durée des intervalles de repos, aux jours d'arrêt régulier du travail;
[2 1°/1 les mentions imposées par la loi précitée du 8 avril 1965 pour les travailleurs à temps partiel occupés dans le cadre d'un horaire variable, au sens de l'article 11bis, alinéa 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;]2
2° l'endroit où l'on peut atteindre la personne désignée pour donner les premiers soins en application du règlement général pour la protection du travail;
3° l'endroit où se trouve la boîte de secours exigée par le même règlement;
4° les coordonnées du conseiller en prévention [1 spécialisé dans les aspects psycho-sociaux du travail]1 [3 ou du service de prévention et de protection au travail pour lequel ce conseiller exerce ses missions]3 et, le cas échéant, de la personne de confiance;
5° les procédures d'application quand des faits de violence et de harcèlement moral ou sexuel au travail sont signalés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail, n'a pas fait figurer les mentions suivantes dans le règlement de travail :
1° les modes de mesurage et de contrôle du travail en vue de déterminer la rémunération;
[3 1°/1 Les mentions imposées par la loi précitée du 8 avril 1965 relatives au mode, à l'époque et au lieu de paiement de la rémunération;]3
2° [2 la procédure, y compris les conditions de forme et les délais de préavis, que l'employeur et le travailleur doivent respecter dans le cas où la relation de travail prend fin, ainsi que les délais de recours contre le licenciement, ou la référence aux dispositions légales ou réglementaires régissant ces points;]2
3° la durée des vacances annuelles ainsi que les modalités d'attribution de ces vacances ou la référence aux dispositions légales en la matière;
4° les dates des jours fériés;
5° la date des vacances annuelles collectives;
6° les noms des membres du conseil d'entreprise;
7° les noms des membres du comité pour la prévention et la protection au travail;
8° les noms des membres de la délégation syndicale;
9° les noms de tous médecins désignés en dehors de ceux faisant partie d'un service médical, pharmaceutique et hospitalier à qui la victime d'un accident du travail peut s'adresser si elle réside hors de la région ou le service médical, pharmaceutique et hospitalier où le médecin agréé à titre permanent est installé;
10° l'adresse des bureaux d'inspection où peuvent être atteints les fonctionnaires et agents chargés de la surveillance de l'application des dispositions légales et réglementaires relatives à la protection des travailleurs;
11° [2 la référence aux conventions collectives de travail et/ou aux accords collectifs conclus au sein de l'entreprise et qui s'appliquent aux conditions de travail et, en ce qui concerne les conventions collectives de travail conclues en dehors de l'entreprise, la référence à l'organe paritaire compétent au sein duquel elles ont été conclues;]2
12° l'identité du prestataire de service d'archivage électronique responsable, en application du titre III de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail, pour l'archivage des contrats de travail conclus au moyen d'une signature électronique et des documents dans le cadre de la relation individuelle entre employeur et travailleur envoyés et archivés électroniquement ainsi que la façon dont l'accès du travailleur aux documents archivés électroniquement auprès du prestataire est garanti, également après la fin de la relation de travail;
[2 13° le droit à la formation offert par l'employeur ou la référence aux dispositions légales ou réglementaires ou aux conventions collectives de travail qui régissent ce droit;
14° l'organisme de sécurité sociale qui perçoit les cotisations sociales liées à la relation de travail.]2
[3 § 3. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en cas d'application de l'horaire flottant prévu à l'article 20ter de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, n'a pas indiqué les mentions imposées par la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail dans le règlement de travail.]3
§ 1er. Est puni d'une sanction [3 de niveau 1]3, l'employeur [3 ...]3 qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail, n'a pas fait figurer les mentions suivantes dans le règlement de travail :
1° les mentions imposées par la loi précitée du 8 avril 1965 relatives au commencement et à la fin de la journée de travail régulière, au moment et à la durée des intervalles de repos, aux jours d'arrêt régulier du travail;
[2 1°/1 les mentions imposées par la loi précitée du 8 avril 1965 pour les travailleurs à temps partiel occupés dans le cadre d'un horaire variable, au sens de l'article 11bis, alinéa 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;]2
2° l'endroit où l'on peut atteindre la personne désignée pour donner les premiers soins en application du règlement général pour la protection du travail;
3° l'endroit où se trouve la boîte de secours exigée par le même règlement;
4° les coordonnées du conseiller en prévention [1 spécialisé dans les aspects psycho-sociaux du travail]1 [3 ou du service de prévention et de protection au travail pour lequel ce conseiller exerce ses missions]3 et, le cas échéant, de la personne de confiance;
5° les procédures d'application quand des faits de violence et de harcèlement moral ou sexuel au travail sont signalés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail, n'a pas fait figurer les mentions suivantes dans le règlement de travail :
1° les modes de mesurage et de contrôle du travail en vue de déterminer la rémunération;
[3 1°/1 Les mentions imposées par la loi précitée du 8 avril 1965 relatives au mode, à l'époque et au lieu de paiement de la rémunération;]3
2° [2 la procédure, y compris les conditions de forme et les délais de préavis, que l'employeur et le travailleur doivent respecter dans le cas où la relation de travail prend fin, ainsi que les délais de recours contre le licenciement, ou la référence aux dispositions légales ou réglementaires régissant ces points;]2
3° la durée des vacances annuelles ainsi que les modalités d'attribution de ces vacances ou la référence aux dispositions légales en la matière;
4° les dates des jours fériés;
5° la date des vacances annuelles collectives;
6° les noms des membres du conseil d'entreprise;
7° les noms des membres du comité pour la prévention et la protection au travail;
8° les noms des membres de la délégation syndicale;
9° les noms de tous médecins désignés en dehors de ceux faisant partie d'un service médical, pharmaceutique et hospitalier à qui la victime d'un accident du travail peut s'adresser si elle réside hors de la région ou le service médical, pharmaceutique et hospitalier où le médecin agréé à titre permanent est installé;
10° l'adresse des bureaux d'inspection où peuvent être atteints les fonctionnaires et agents chargés de la surveillance de l'application des dispositions légales et réglementaires relatives à la protection des travailleurs;
11° [2 la référence aux conventions collectives de travail et/ou aux accords collectifs conclus au sein de l'entreprise et qui s'appliquent aux conditions de travail et, en ce qui concerne les conventions collectives de travail conclues en dehors de l'entreprise, la référence à l'organe paritaire compétent au sein duquel elles ont été conclues;]2
12° l'identité du prestataire de service d'archivage électronique responsable, en application du titre III de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail, pour l'archivage des contrats de travail conclus au moyen d'une signature électronique et des documents dans le cadre de la relation individuelle entre employeur et travailleur envoyés et archivés électroniquement ainsi que la façon dont l'accès du travailleur aux documents archivés électroniquement auprès du prestataire est garanti, également après la fin de la relation de travail;
[2 13° le droit à la formation offert par l'employeur ou la référence aux dispositions légales ou réglementaires ou aux conventions collectives de travail qui régissent ce droit;
14° l'organisme de sécurité sociale qui perçoit les cotisations sociales liées à la relation de travail.]2
[3 § 3. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en cas d'application de l'horaire flottant prévu à l'article 20ter de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, n'a pas indiqué les mentions imposées par la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail dans le règlement de travail.]3
Art. 201 TOEKOMSTIG RECHT. Vermeldingen in het arbeidsreglement
§ 1. Met een sanctie [4 van niveau 1]4 wordt bestraft, de werkgever [4 ...]4 die in overtreding met de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen volgende bepalingen in het arbeidsreglement niet heeft opgenomen :
1° de vermeldingen die worden opgelegd door de voormelde wet van 8 april 1965 betreffende de aanvang en het einde van de gewone arbeidsdag, het tijdstip en de duur van de rusttijden, de dagen van regelmatige onderbreking van de arbeid;
[3 1°/1 de vermeldingen die worden opgelegd door de voormelde wet van 8 april 1965 voor de deeltijdse werknemers tewerkgesteld in het kader van een variabel werkrooster in de zin van artikel 11bis, derde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;]3
2° de plaats waar de persoon te bereiken is die aangewezen is om de eerste hulp te verlenen, overeenkomstig het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming;
3° de plaats waar de bij hetzelfde reglement vereiste verbandkist zich bevindt;
4° de coördinaten van de preventieadviseur [1 die gespecialiseerd is in de psychosociale aspecten van het werk]1 [4 of de dienst voor preventie en bescherming op het werk waarvoor deze adviseur zijn opdrachten uitoefent]4 en, in voorkomend geval, deze van de vertrouwenspersoon;
5° de toepasselijke procedures bij melding van feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever die, in overtreding met de wet van 8 april1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, heeft nagelaten onderstaande elementen in het arbeidsreglement op te nemen :
1° de wijzen van meting van en controle op de arbeid met het oog op het bepalen van het loon;
[4 1°/1 De door de voormelde wet van 8 april 1965 opgelegde vermeldingen in verband met de wijze, het tijdstip en de plaats van betaling van het loon;]4
2° [3 de procedure, met inbegrip van de formele vereisten en de opzegtermijnen, die de werkgever en de werknemer in acht moeten nemen indien de arbeidsrelatie wordt beëindigd alsook de termijn waarbinnen tegen ontslag in beroep kan worden gegaan of de verwijzing naar de wettelijke of reglementaire bepalingen die deze punten regelen;]3
3° de duur van de jaarlijkse vakantie evenals de nadere regels voor toekenning van deze vakantie of de verwijzing naar de wettelijke bepalingen terzake;
4° de data van de feestdagen;
5° de data van de jaarlijkse collectieve vakantie;
6° de namen van de leden van de ondernemingsraad;
7° de namen van de leden van het comité voor preventie en bescherming op het werk;
8° de namen van de leden van de vakbondsafvaardiging;
9° de namen van de geneesheren, aangewezen buiten degenen die behoren tot een medische, farmaceutische of verplegingsdienst, en tot wie het slachtoffer van een arbeidsongeval zich kan wenden wanneer die zijn verblijfplaats heeft buiten de streek waar de medische, farmaceutische en verplegingsdienst of de als vast erkende geneesheer gevestigd is;
10° het adres van de inspectiediensten waar de ambtenaren en beambten, belast met het toezicht op de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen in verband met de bescherming van de werknemers, kunnen worden bereikt;
11° [3 de vermelding van de collectieve arbeidsovereenkomsten en/of collectieve akkoorden gesloten in de onderneming en die van toepassing zijn op de werkomstandigheden en, wat betreft de collectieve arbeidsovereenkomsten die buiten de onderneming zijn gesloten, de vermelding van het bevoegde paritair orgaan waarin deze zijn gesloten;]3
12° [2 de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is, met toepassing van de wettelijke bepalingen betreffende het gebruik van de elektronische handtekening voor het sluiten van arbeidsovereenkomsten en het elektronisch versturen en opslaan van bepaalde documenten in het kader van de individuele arbeidsrelatie, voor de opslag van door middel van een elektronische handtekening aangegane arbeidsovereenkomsten en voor de opslag van de elektronisch verstuurde documenten in het kader van de individuele arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer, evenals voor het waarborgen van de toegang van de werknemer tot deze elektronisch opgeslagen documenten, ook na de beëindiging van de arbeidsrelatie;]2
[3 13° het door de werkgever geboden recht op opleiding of de verwijzing naar de wettelijke of reglementaire bepalingen of collectieve arbeidsovereenkomsten die dit recht regelen;
14° de sociale zekerheidsinstelling die de sociale bijdragen in het kader van de arbeidsrelatie ontvangt.]3
[4 § 3. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft de werkgever die, in geval van een glijdend uurrooster voorzien in artikel 20ter van de arbeidswet van 16 maart 1971, de vermeldingen die opgelegd worden door de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, niet heeft opgenomen in het arbeidsreglement.]4
§ 1. Met een sanctie [4 van niveau 1]4 wordt bestraft, de werkgever [4 ...]4 die in overtreding met de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen volgende bepalingen in het arbeidsreglement niet heeft opgenomen :
1° de vermeldingen die worden opgelegd door de voormelde wet van 8 april 1965 betreffende de aanvang en het einde van de gewone arbeidsdag, het tijdstip en de duur van de rusttijden, de dagen van regelmatige onderbreking van de arbeid;
[3 1°/1 de vermeldingen die worden opgelegd door de voormelde wet van 8 april 1965 voor de deeltijdse werknemers tewerkgesteld in het kader van een variabel werkrooster in de zin van artikel 11bis, derde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;]3
2° de plaats waar de persoon te bereiken is die aangewezen is om de eerste hulp te verlenen, overeenkomstig het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming;
3° de plaats waar de bij hetzelfde reglement vereiste verbandkist zich bevindt;
4° de coördinaten van de preventieadviseur [1 die gespecialiseerd is in de psychosociale aspecten van het werk]1 [4 of de dienst voor preventie en bescherming op het werk waarvoor deze adviseur zijn opdrachten uitoefent]4 en, in voorkomend geval, deze van de vertrouwenspersoon;
5° de toepasselijke procedures bij melding van feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever die, in overtreding met de wet van 8 april1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, heeft nagelaten onderstaande elementen in het arbeidsreglement op te nemen :
1° de wijzen van meting van en controle op de arbeid met het oog op het bepalen van het loon;
[4 1°/1 De door de voormelde wet van 8 april 1965 opgelegde vermeldingen in verband met de wijze, het tijdstip en de plaats van betaling van het loon;]4
2° [3 de procedure, met inbegrip van de formele vereisten en de opzegtermijnen, die de werkgever en de werknemer in acht moeten nemen indien de arbeidsrelatie wordt beëindigd alsook de termijn waarbinnen tegen ontslag in beroep kan worden gegaan of de verwijzing naar de wettelijke of reglementaire bepalingen die deze punten regelen;]3
3° de duur van de jaarlijkse vakantie evenals de nadere regels voor toekenning van deze vakantie of de verwijzing naar de wettelijke bepalingen terzake;
4° de data van de feestdagen;
5° de data van de jaarlijkse collectieve vakantie;
6° de namen van de leden van de ondernemingsraad;
7° de namen van de leden van het comité voor preventie en bescherming op het werk;
8° de namen van de leden van de vakbondsafvaardiging;
9° de namen van de geneesheren, aangewezen buiten degenen die behoren tot een medische, farmaceutische of verplegingsdienst, en tot wie het slachtoffer van een arbeidsongeval zich kan wenden wanneer die zijn verblijfplaats heeft buiten de streek waar de medische, farmaceutische en verplegingsdienst of de als vast erkende geneesheer gevestigd is;
10° het adres van de inspectiediensten waar de ambtenaren en beambten, belast met het toezicht op de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen in verband met de bescherming van de werknemers, kunnen worden bereikt;
11° [3 de vermelding van de collectieve arbeidsovereenkomsten en/of collectieve akkoorden gesloten in de onderneming en die van toepassing zijn op de werkomstandigheden en, wat betreft de collectieve arbeidsovereenkomsten die buiten de onderneming zijn gesloten, de vermelding van het bevoegde paritair orgaan waarin deze zijn gesloten;]3
12° [2 de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is, met toepassing van de wettelijke bepalingen betreffende het gebruik van de elektronische handtekening voor het sluiten van arbeidsovereenkomsten en het elektronisch versturen en opslaan van bepaalde documenten in het kader van de individuele arbeidsrelatie, voor de opslag van door middel van een elektronische handtekening aangegane arbeidsovereenkomsten en voor de opslag van de elektronisch verstuurde documenten in het kader van de individuele arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer, evenals voor het waarborgen van de toegang van de werknemer tot deze elektronisch opgeslagen documenten, ook na de beëindiging van de arbeidsrelatie;]2
[3 13° het door de werkgever geboden recht op opleiding of de verwijzing naar de wettelijke of reglementaire bepalingen of collectieve arbeidsovereenkomsten die dit recht regelen;
14° de sociale zekerheidsinstelling die de sociale bijdragen in het kader van de arbeidsrelatie ontvangt.]3
[4 § 3. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft de werkgever die, in geval van een glijdend uurrooster voorzien in artikel 20ter van de arbeidswet van 16 maart 1971, de vermeldingen die opgelegd worden door de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, niet heeft opgenomen in het arbeidsreglement.]4
Art. 201 DROIT FUTUR. Les mentions du règlement de travail
§ 1er. Est puni d'une sanction [4 de niveau 1]4, l'employeur [4 ...]4 qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail, n'a pas fait figurer les mentions suivantes dans le règlement de travail :
1° les mentions imposées par la loi précitée du 8 avril 1965 relatives au commencement et à la fin de la journée de travail régulière, au moment et à la durée des intervalles de repos, aux jours d'arrêt régulier du travail;
[3 1°/1 les mentions imposées par la loi précitée du 8 avril 1965 pour les travailleurs à temps partiel occupés dans le cadre d'un horaire variable, au sens de l'article 11bis, alinéa 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;]3
2° l'endroit où l'on peut atteindre la personne désignée pour donner les premiers soins en application du règlement général pour la protection du travail;
3° l'endroit où se trouve la boîte de secours exigée par le même règlement;
4° les coordonnées du conseiller en prévention [1 spécialisé dans les aspects psycho-sociaux du travail]1 [4 ou du service de prévention et de protection au travail pour lequel ce conseiller exerce ses missions]4 et, le cas échéant, de la personne de confiance;
5° les procédures d'application quand des faits de violence et de harcèlement moral ou sexuel au travail sont signalés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail, n'a pas fait figurer les mentions suivantes dans le règlement de travail :
1° les modes de mesurage et de contrôle du travail en vue de déterminer la rémunération;
[4 1°/1 Les mentions imposées par la loi précitée du 8 avril 1965 relatives au mode, à l'époque et au lieu de paiement de la rémunération;]4
2° [3 la procédure, y compris les conditions de forme et les délais de préavis, que l'employeur et le travailleur doivent respecter dans le cas où la relation de travail prend fin, ainsi que les délais de recours contre le licenciement, ou la référence aux dispositions légales ou réglementaires régissant ces points;]3
3° la durée des vacances annuelles ainsi que les modalités d'attribution de ces vacances ou la référence aux dispositions légales en la matière;
4° les dates des jours fériés;
5° la date des vacances annuelles collectives;
6° les noms des membres du conseil d'entreprise;
7° les noms des membres du comité pour la prévention et la protection au travail;
8° les noms des membres de la délégation syndicale;
9° les noms de tous médecins désignés en dehors de ceux faisant partie d'un service médical, pharmaceutique et hospitalier à qui la victime d'un accident du travail peut s'adresser si elle réside hors de la région ou le service médical, pharmaceutique et hospitalier où le médecin agréé à titre permanent est installé;
10° l'adresse des bureaux d'inspection où peuvent être atteints les fonctionnaires et agents chargés de la surveillance de l'application des dispositions légales et réglementaires relatives à la protection des travailleurs;
11° [3 la référence aux conventions collectives de travail et/ou aux accords collectifs conclus au sein de l'entreprise et qui s'appliquent aux conditions de travail et, en ce qui concerne les conventions collectives de travail conclues en dehors de l'entreprise, la référence à l'organe paritaire compétent au sein duquel elles ont été conclues;]3
12° [2 l'identité de la personne qui est responsable, en application des dispositions légales relatives à l'utilisation de la signature électronique pour la conclusion des contrats de travail et l'envoi et l'archivage électronique de certains documents dans le cadre de la relation individuelle de travail, pour l'archivage des contrats de travail conclus au moyen d'une signature électronique et pour l'archivage des documents envoyés électroniquement dans le cadre de la relation individuelle de travail entre l'employeur et le travailleur, ainsi que pour garantir l'accès du travailleur à ces documents archivés électroniquement, également après la fin de la relation de travail;]2
[3 13° le droit à la formation offert par l'employeur ou la référence aux dispositions légales ou réglementaires ou aux conventions collectives de travail qui régissent ce droit;
14° l'organisme de sécurité sociale qui perçoit les cotisations sociales liées à la relation de travail.]3
[4 § 3. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en cas d'application de l'horaire flottant prévu à l'article 20ter de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, n'a pas indiqué les mentions imposées par la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail dans le règlement de travail.]4
§ 1er. Est puni d'une sanction [4 de niveau 1]4, l'employeur [4 ...]4 qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail, n'a pas fait figurer les mentions suivantes dans le règlement de travail :
1° les mentions imposées par la loi précitée du 8 avril 1965 relatives au commencement et à la fin de la journée de travail régulière, au moment et à la durée des intervalles de repos, aux jours d'arrêt régulier du travail;
[3 1°/1 les mentions imposées par la loi précitée du 8 avril 1965 pour les travailleurs à temps partiel occupés dans le cadre d'un horaire variable, au sens de l'article 11bis, alinéa 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;]3
2° l'endroit où l'on peut atteindre la personne désignée pour donner les premiers soins en application du règlement général pour la protection du travail;
3° l'endroit où se trouve la boîte de secours exigée par le même règlement;
4° les coordonnées du conseiller en prévention [1 spécialisé dans les aspects psycho-sociaux du travail]1 [4 ou du service de prévention et de protection au travail pour lequel ce conseiller exerce ses missions]4 et, le cas échéant, de la personne de confiance;
5° les procédures d'application quand des faits de violence et de harcèlement moral ou sexuel au travail sont signalés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail, n'a pas fait figurer les mentions suivantes dans le règlement de travail :
1° les modes de mesurage et de contrôle du travail en vue de déterminer la rémunération;
[4 1°/1 Les mentions imposées par la loi précitée du 8 avril 1965 relatives au mode, à l'époque et au lieu de paiement de la rémunération;]4
2° [3 la procédure, y compris les conditions de forme et les délais de préavis, que l'employeur et le travailleur doivent respecter dans le cas où la relation de travail prend fin, ainsi que les délais de recours contre le licenciement, ou la référence aux dispositions légales ou réglementaires régissant ces points;]3
3° la durée des vacances annuelles ainsi que les modalités d'attribution de ces vacances ou la référence aux dispositions légales en la matière;
4° les dates des jours fériés;
5° la date des vacances annuelles collectives;
6° les noms des membres du conseil d'entreprise;
7° les noms des membres du comité pour la prévention et la protection au travail;
8° les noms des membres de la délégation syndicale;
9° les noms de tous médecins désignés en dehors de ceux faisant partie d'un service médical, pharmaceutique et hospitalier à qui la victime d'un accident du travail peut s'adresser si elle réside hors de la région ou le service médical, pharmaceutique et hospitalier où le médecin agréé à titre permanent est installé;
10° l'adresse des bureaux d'inspection où peuvent être atteints les fonctionnaires et agents chargés de la surveillance de l'application des dispositions légales et réglementaires relatives à la protection des travailleurs;
11° [3 la référence aux conventions collectives de travail et/ou aux accords collectifs conclus au sein de l'entreprise et qui s'appliquent aux conditions de travail et, en ce qui concerne les conventions collectives de travail conclues en dehors de l'entreprise, la référence à l'organe paritaire compétent au sein duquel elles ont été conclues;]3
12° [2 l'identité de la personne qui est responsable, en application des dispositions légales relatives à l'utilisation de la signature électronique pour la conclusion des contrats de travail et l'envoi et l'archivage électronique de certains documents dans le cadre de la relation individuelle de travail, pour l'archivage des contrats de travail conclus au moyen d'une signature électronique et pour l'archivage des documents envoyés électroniquement dans le cadre de la relation individuelle de travail entre l'employeur et le travailleur, ainsi que pour garantir l'accès du travailleur à ces documents archivés électroniquement, également après la fin de la relation de travail;]2
[3 13° le droit à la formation offert par l'employeur ou la référence aux dispositions légales ou réglementaires ou aux conventions collectives de travail qui régissent ce droit;
14° l'organisme de sécurité sociale qui perçoit les cotisations sociales liées à la relation de travail.]3
[4 § 3. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en cas d'application de l'horaire flottant prévu à l'article 20ter de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, n'a pas indiqué les mentions imposées par la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail dans le règlement de travail.]4
Art. 202. Bijzondere procedures
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding met de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, de betrokken werknemers niet in kennis heeft gesteld van de tijdelijke wijziging aan de bepalingen van het reglement betreffende de aanvang en het einde van de gewone arbeidsdag en betreffende de rusttijden, door middel van een gedagtekend en ondertekend bericht dat de datum van inwerkingtreding vermeldt van de wijziging van het regime waarop het betrekking heeft, via aanplakking in de lokalen van de onderneming ten minste vierentwintig uur op voorhand en op een zichtbare en toegankelijke plaats.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever die toepassing maakt van artikel 20bis van de arbeidswet van 16 maart 1971, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding met de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen :
1° de vervanging van de normale uurregeling door één van de andere uurregelingen opgenomen in het arbeidsreglement, niet ter kennis heeft gebracht van de betrokken werknemers door een gedagtekend en ondertekend bericht dat de datum van inwerkingtreding van de aangeduide uurregeling vermeldt, alsmede de periode tijdens welke ze van toepassing is, via aanplakking in de lokalen van de onderneming ten minste zeven dagen op voorhand op een zichtbare en toegankelijke plaats;
2° het in 1° bedoelde bericht niet heeft aangeplakt zolang de alternatieve uurregeling van toepassing blijft;
3° het in 1° bedoelde bericht niet heeft bewaard tot zes maanden na het einde van de periode gedurende welke de wekelijkse arbeidsduur gemiddeld moet worden nageleefd.
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding met de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, de betrokken werknemers niet in kennis heeft gesteld van de tijdelijke wijziging aan de bepalingen van het reglement betreffende de aanvang en het einde van de gewone arbeidsdag en betreffende de rusttijden, door middel van een gedagtekend en ondertekend bericht dat de datum van inwerkingtreding vermeldt van de wijziging van het regime waarop het betrekking heeft, via aanplakking in de lokalen van de onderneming ten minste vierentwintig uur op voorhand en op een zichtbare en toegankelijke plaats.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever die toepassing maakt van artikel 20bis van de arbeidswet van 16 maart 1971, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding met de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen :
1° de vervanging van de normale uurregeling door één van de andere uurregelingen opgenomen in het arbeidsreglement, niet ter kennis heeft gebracht van de betrokken werknemers door een gedagtekend en ondertekend bericht dat de datum van inwerkingtreding van de aangeduide uurregeling vermeldt, alsmede de periode tijdens welke ze van toepassing is, via aanplakking in de lokalen van de onderneming ten minste zeven dagen op voorhand op een zichtbare en toegankelijke plaats;
2° het in 1° bedoelde bericht niet heeft aangeplakt zolang de alternatieve uurregeling van toepassing blijft;
3° het in 1° bedoelde bericht niet heeft bewaard tot zes maanden na het einde van de periode gedurende welke de wekelijkse arbeidsduur gemiddeld moet worden nageleefd.
Art. 202. Les procédures particulières
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail, n'a pas porté la modification temporaire apportée aux dispositions du règlement concernant le commencement et la fin de la journée de travail régulière, et les intervalles de repos, à la connaissance des travailleurs intéressés, par un avis daté, signé et indiquant la date d'entrée en vigueur de la modification de régime auquel il se rapporte, affiché dans les locaux de l'établissement, dans un endroit apparent et accessible, vingt-quatre heures à l'avance au moins.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur qui fait application de l'article 20bis de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail :
1° n'a pas porté le remplacement de l'horaire normal de travail par un des horaires alternatifs prévus au règlement de travail, à la connaissance des travailleurs intéressés, par un avis daté, signé et fixant la date de l'entrée en vigueur de l'horaire indiqué et de la période pendant laquelle il s'applique, affiché dans les locaux de l'établissement, dans un endroit apparent et accessible, sept jours à l'avance au moins;
2° n'a pas affiché l'avis visé au 1° aussi longtemps que l'horaire alternatif reste applicable;
3° n'a pas conservé l'avis visé au 1° jusqu'à l'issue d'un délai de six mois après la fin de la période pendant laquelle la durée hebdomadaire de travail doit être respectée en moyenne.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail, n'a pas porté la modification temporaire apportée aux dispositions du règlement concernant le commencement et la fin de la journée de travail régulière, et les intervalles de repos, à la connaissance des travailleurs intéressés, par un avis daté, signé et indiquant la date d'entrée en vigueur de la modification de régime auquel il se rapporte, affiché dans les locaux de l'établissement, dans un endroit apparent et accessible, vingt-quatre heures à l'avance au moins.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur qui fait application de l'article 20bis de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail :
1° n'a pas porté le remplacement de l'horaire normal de travail par un des horaires alternatifs prévus au règlement de travail, à la connaissance des travailleurs intéressés, par un avis daté, signé et fixant la date de l'entrée en vigueur de l'horaire indiqué et de la période pendant laquelle il s'applique, affiché dans les locaux de l'établissement, dans un endroit apparent et accessible, sept jours à l'avance au moins;
2° n'a pas affiché l'avis visé au 1° aussi longtemps que l'horaire alternatif reste applicable;
3° n'a pas conservé l'avis visé au 1° jusqu'à l'issue d'un délai de six mois après la fin de la période pendant laquelle la durée hebdomadaire de travail doit être respectée en moyenne.
Art. 203. Bekendmaking van het arbeidsreglement
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in overtreding met de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen :
1° het bericht met opgave van de plaats waar het arbeidsreglement kan worden geraadpleegd, niet heeft aangeplakt op een zichtbare en toegankelijke plaats;
2° het bericht met opgave van de plaats waar de teksten waarnaar het arbeidsreglement verwijst, kunnen worden geraadpleegd, niet heeft aangeplakt op een zichtbare en toegankelijke plaats;
[1 2°/1 geen afschrift van het arbeidsreglement aan iedere werknemer geeft;]1
3° het definitieve arbeidsreglement en de wijzigingen eraan niet heeft bijgehouden op een makkelijk toegankelijke plaats, zodat iedere werknemer er op elk ogenblik en zonder tussenpersoon inzage van kan nemen;
4° de teksten waarnaar het arbeidsreglement verwijst, niet heeft bijgehouden op een gemakkelijk toegankelijke plaats zodat iedere werknemer er inzage van kan nemen;
5° niet op iedere plaats waar hij werknemers tewerkstelt, een afschrift van het arbeidsreglement heeft bijgehouden volgens de door de Koning bepaalde nadere regels;
6° niet binnen acht dagen na de inwerkingtreding van het reglement en de wijzigingen ervan een afschrift daarvan heeft overgezonden aan de door de Koning aangewezen ambtenaar.
[1 Voor de in het eerste lid, 2°/1, bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in overtreding met de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen :
1° het bericht met opgave van de plaats waar het arbeidsreglement kan worden geraadpleegd, niet heeft aangeplakt op een zichtbare en toegankelijke plaats;
2° het bericht met opgave van de plaats waar de teksten waarnaar het arbeidsreglement verwijst, kunnen worden geraadpleegd, niet heeft aangeplakt op een zichtbare en toegankelijke plaats;
[1 2°/1 geen afschrift van het arbeidsreglement aan iedere werknemer geeft;]1
3° het definitieve arbeidsreglement en de wijzigingen eraan niet heeft bijgehouden op een makkelijk toegankelijke plaats, zodat iedere werknemer er op elk ogenblik en zonder tussenpersoon inzage van kan nemen;
4° de teksten waarnaar het arbeidsreglement verwijst, niet heeft bijgehouden op een gemakkelijk toegankelijke plaats zodat iedere werknemer er inzage van kan nemen;
5° niet op iedere plaats waar hij werknemers tewerkstelt, een afschrift van het arbeidsreglement heeft bijgehouden volgens de door de Koning bepaalde nadere regels;
6° niet binnen acht dagen na de inwerkingtreding van het reglement en de wijzigingen ervan een afschrift daarvan heeft overgezonden aan de door de Koning aangewezen ambtenaar.
[1 Voor de in het eerste lid, 2°/1, bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 203. La publicité du règlement de travail
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail :
1° n'a pas affiché dans un endroit apparent et accessible un avis indiquant l'endroit où le règlement de travail peut être consulté;
2° n'a pas affiché dans un endroit apparent et accessible un avis indiquant l'endroit où les textes [1 auxquels]1 le règlement de travail se réfère peuvent être consultés;
[2 2°/1 ne remet pas une copie du règlement du travail à chaque travailleur;]2
3° n'a pas tenu le règlement de travail définitif et ses modifications dans un endroit facilement accessible afin que chaque travailleur puisse en prendre connaissance en permanence et sans intermédiaire;
4° n'a pas tenu les textes auxquels le règlement de travail se réfère, dans un endroit facilement accessible afin que chaque travailleur puisse en prendre connaissance;
5° n'a pas tenu une copie du règlement de travail en chacun des lieux où il occupe des travailleurs selon les modalités déterminées par le Roi;
6° n'a pas transmis une copie du règlement [1 de travail]1 et de ses modifications au fonctionnaire désigné par le Roi dans les huit jours de leur entrée en vigueur.
[2 En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, 2°/1, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]2
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail :
1° n'a pas affiché dans un endroit apparent et accessible un avis indiquant l'endroit où le règlement de travail peut être consulté;
2° n'a pas affiché dans un endroit apparent et accessible un avis indiquant l'endroit où les textes [1 auxquels]1 le règlement de travail se réfère peuvent être consultés;
[2 2°/1 ne remet pas une copie du règlement du travail à chaque travailleur;]2
3° n'a pas tenu le règlement de travail définitif et ses modifications dans un endroit facilement accessible afin que chaque travailleur puisse en prendre connaissance en permanence et sans intermédiaire;
4° n'a pas tenu les textes auxquels le règlement de travail se réfère, dans un endroit facilement accessible afin que chaque travailleur puisse en prendre connaissance;
5° n'a pas tenu une copie du règlement de travail en chacun des lieux où il occupe des travailleurs selon les modalités déterminées par le Roi;
6° n'a pas transmis une copie du règlement [1 de travail]1 et de ses modifications au fonctionnaire désigné par le Roi dans les huit jours de leur entrée en vigueur.
[2 En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, 2°/1, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]2
Art. 203/1. [1 De wijzigingen van het arbeidsreglement
Wordt bestraft met een sanctie van niveau 2, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, in geval van wijziging van het arbeidsreglement de door de wet voorziene procedure voor het opstellen of het wijzigen van het reglement niet nageleefd heeft of geen afschrift van dit gewijzigde reglement aan de werknemer gegeven heeft.]1
Wordt bestraft met een sanctie van niveau 2, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, in geval van wijziging van het arbeidsreglement de door de wet voorziene procedure voor het opstellen of het wijzigen van het reglement niet nageleefd heeft of geen afschrift van dit gewijzigde reglement aan de werknemer gegeven heeft.]1
Art. 203/1. [1 Les modifications du règlement de travail
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail, n'a pas respecté, en cas de modification du règlement de travail, la procédure prévue par la loi pour l'établissement ou la modification du règlement ou n'a pas remis copie de ce règlement modifié au travailleur.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail, n'a pas respecté, en cas de modification du règlement de travail, la procédure prévue par la loi pour l'établissement ou la modification du règlement ou n'a pas remis copie de ce règlement modifié au travailleur.]1
Afdeling 7. - Sociale balans
Section 7. - Le bilan social
Art. 204. Opmaak en inhoud van de sociale balans
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in overtreding met de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid en met de uitvoeringsbesluiten ervan geen jaarlijkse sociale balans heeft opgemaakt.
Wanneer de inbreuk wetens en willens werd begaan, geldt een sanctie van [1 niveau 4]1.
§ 2. Met een sanctie van [1 niveau 1]1 wordt bestraft, de werkgever [1 ...]1 die, in overtreding met de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid en met de uitvoeringsbesluiten ervan, heeft nagelaten in het volledige en het verkorte schema van de sociale balans de volgende elementen op te nemen :
1° enerzijds, een overzicht van de tewerkgestelde personen, waarbij men in het volledige schema van de sociale balans de in het personeelsregister ingeschreven werknemers of de werknemers voor wie de werkgever een onmiddellijke aangifte van indiensttreding heeft ingediend, onderscheidt van het uitzendpersoneel en van de ter beschikking van de onderneming gestelde personen en, anderzijds, in het verkorte schema van de sociale balans een overzicht van de in het personeelsregister ingeschreven personen of de werknemers voor wie de werkgever een onmiddellijke aangifte van indiensttreding heeft ingediend;
2° een tabel van het personeelsverloop in de loop van het betrokken boekjaar;
3° een overzicht waarin de maatregelen ten gunste van de werkgelegenheid worden vermeld, met onderscheid tussen maatregelen die een financieel voordeel opleveren en de andere maatregelen;
4° een overzicht dat inlichtingen verschaft over de opleidingen voor de werknemers;
5° een overzicht dat inlichtingen verschaft over de activiteiten van vorming, begeleiding of mentorschap die worden verleend krachtens de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers.
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in overtreding met de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid en met de uitvoeringsbesluiten ervan geen jaarlijkse sociale balans heeft opgemaakt.
Wanneer de inbreuk wetens en willens werd begaan, geldt een sanctie van [1 niveau 4]1.
§ 2. Met een sanctie van [1 niveau 1]1 wordt bestraft, de werkgever [1 ...]1 die, in overtreding met de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid en met de uitvoeringsbesluiten ervan, heeft nagelaten in het volledige en het verkorte schema van de sociale balans de volgende elementen op te nemen :
1° enerzijds, een overzicht van de tewerkgestelde personen, waarbij men in het volledige schema van de sociale balans de in het personeelsregister ingeschreven werknemers of de werknemers voor wie de werkgever een onmiddellijke aangifte van indiensttreding heeft ingediend, onderscheidt van het uitzendpersoneel en van de ter beschikking van de onderneming gestelde personen en, anderzijds, in het verkorte schema van de sociale balans een overzicht van de in het personeelsregister ingeschreven personen of de werknemers voor wie de werkgever een onmiddellijke aangifte van indiensttreding heeft ingediend;
2° een tabel van het personeelsverloop in de loop van het betrokken boekjaar;
3° een overzicht waarin de maatregelen ten gunste van de werkgelegenheid worden vermeld, met onderscheid tussen maatregelen die een financieel voordeel opleveren en de andere maatregelen;
4° een overzicht dat inlichtingen verschaft over de opleidingen voor de werknemers;
5° een overzicht dat inlichtingen verschaft over de activiteiten van vorming, begeleiding of mentorschap die worden verleend krachtens de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers.
Art. 204. L'établissement du bilan social et son contenu
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi et à ses arrêtés d'exécution n'a pas établi de bilan social annuel.
Lorsque l'infraction a été commise sciemment et volontairement, la sanction est [1 de niveau 4]1.
§ 2. Est puni d'une sanction [1 de niveau 1]1, l'employeur [1 ...]1 qui, en contravention à la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi et à ses arrêtés d'exécution, n'a pas fait figurer les éléments suivants dans le schéma complet et le schéma abrégé du bilan social :
1° un état des personnes occupées distinguant, dans le schéma complet du bilan social, les travailleurs inscrits au registre du personnel ou les travailleurs pour lesquels l'employeur a effectué une déclaration immédiate de l'emploi d'entrée en service et le personnel intérimaire ainsi que les personnes mises à la disposition de la société et, dans le schéma abrégé du bilan social, un état des travailleurs inscrits au registre du personnel ou les travailleurs pour lesquels l'employeur a effectué une déclaration immédiate de l'emploi d'entrée en service;
2° un tableau des mouvements du personnel au cours de l'exercice considéré;
3° un état mentionnant les mesures en faveur de l'emploi distinguant les mesures comportant un avantage financier et les autres mesures;
4° un état donnant des renseignements sur les formations pour les travailleurs;
5° un état donnant des renseignements sur les activités de formation, d'accompagnement ou de tutorat dispensés en vertu de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi et à ses arrêtés d'exécution n'a pas établi de bilan social annuel.
Lorsque l'infraction a été commise sciemment et volontairement, la sanction est [1 de niveau 4]1.
§ 2. Est puni d'une sanction [1 de niveau 1]1, l'employeur [1 ...]1 qui, en contravention à la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi et à ses arrêtés d'exécution, n'a pas fait figurer les éléments suivants dans le schéma complet et le schéma abrégé du bilan social :
1° un état des personnes occupées distinguant, dans le schéma complet du bilan social, les travailleurs inscrits au registre du personnel ou les travailleurs pour lesquels l'employeur a effectué une déclaration immédiate de l'emploi d'entrée en service et le personnel intérimaire ainsi que les personnes mises à la disposition de la société et, dans le schéma abrégé du bilan social, un état des travailleurs inscrits au registre du personnel ou les travailleurs pour lesquels l'employeur a effectué une déclaration immédiate de l'emploi d'entrée en service;
2° un tableau des mouvements du personnel au cours de l'exercice considéré;
3° un état mentionnant les mesures en faveur de l'emploi distinguant les mesures comportant un avantage financier et les autres mesures;
4° un état donnant des renseignements sur les formations pour les travailleurs;
5° un état donnant des renseignements sur les activités de formation, d'accompagnement ou de tutorat dispensés en vertu de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs.
Wijzigingen
Art. 205. Mededeling en bekendmaking van de sociale balans
[1 § 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die in overtreding met de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid en de uitvoeringsbesluiten ervan:
1° de sociale balans niet heeft bezorgd aan de ondernemingsraad, of bij ontstentenis van een ondernemingsraad, aan de vakbondsafvaardiging;
2° bij ontstentenis van een ondernemingsraad en van een vakbondsafvaardiging, de sociale balans niet op een makkelijk toegankelijke plaats heeft bewaard zodat iedere werknemer op elk ogenblik en zonder tussenpersoon, er inzage van kan hebben.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever die, in overtreding met de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid en de uitvoeringsbesluiten ervan, de sociale balans niet aan de Nationale Bank van België heeft overgezonden, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels.]1
[1 § 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die in overtreding met de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid en de uitvoeringsbesluiten ervan:
1° de sociale balans niet heeft bezorgd aan de ondernemingsraad, of bij ontstentenis van een ondernemingsraad, aan de vakbondsafvaardiging;
2° bij ontstentenis van een ondernemingsraad en van een vakbondsafvaardiging, de sociale balans niet op een makkelijk toegankelijke plaats heeft bewaard zodat iedere werknemer op elk ogenblik en zonder tussenpersoon, er inzage van kan hebben.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever die, in overtreding met de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid en de uitvoeringsbesluiten ervan, de sociale balans niet aan de Nationale Bank van België heeft overgezonden, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels.]1
Art. 205. La communication et la publicité du bilan social
[1 § 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi et à ses arrêtés d'exécution:
1° n'a pas transmis le bilan social au conseil d'entreprise ou, à défaut de conseil d'entreprise, à la délégation syndicale;
2° n'a pas, à défaut de conseil d'entreprise et de délégation syndicale, tenu le bilan social dans un endroit facilement accessible afin que chaque travailleur puisse en prendre connaissance en permanence et sans intermédiaire.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi et à ses arrêtés d'exécution, n'a pas transmis le bilan social à la Banque nationale de Belgique selon les modalités prescrites par le Roi.]1
[1 § 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi et à ses arrêtés d'exécution:
1° n'a pas transmis le bilan social au conseil d'entreprise ou, à défaut de conseil d'entreprise, à la délégation syndicale;
2° n'a pas, à défaut de conseil d'entreprise et de délégation syndicale, tenu le bilan social dans un endroit facilement accessible afin que chaque travailleur puisse en prendre connaissance en permanence et sans intermédiaire.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui, en contravention à la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi et à ses arrêtés d'exécution, n'a pas transmis le bilan social à la Banque nationale de Belgique selon les modalités prescrites par le Roi.]1
Wijzigingen
Art. 206. Attest en goedkeuring door de revisoren, onafhankelijke accountants en commissarissen
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 worden bestraft, zij die als revisor, zelfstandig accountant of commissaris de jaarlijkse sociale balans hebben geattesteerd of goedgekeurd, terwijl niet is voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid en de uitvoeringsbesluiten ervan, en zij daarvan kennis hadden of niet hebben gedaan wat zij hadden moeten doen om zich ervan te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan.
Wanneer de inbreuk met bedrieglijk opzet is gepleegd, geldt een sanctie [1 van niveau 4]1. De rechter kan daarenboven de straffen bepaald in het artikel 107 uitspreken.
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 worden bestraft, zij die als revisor, zelfstandig accountant of commissaris de jaarlijkse sociale balans hebben geattesteerd of goedgekeurd, terwijl niet is voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid en de uitvoeringsbesluiten ervan, en zij daarvan kennis hadden of niet hebben gedaan wat zij hadden moeten doen om zich ervan te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan.
Wanneer de inbreuk met bedrieglijk opzet is gepleegd, geldt een sanctie [1 van niveau 4]1. De rechter kan daarenboven de straffen bepaald in het artikel 107 uitspreken.
Art. 206. L'attestation et l'approbation par les réviseurs, les experts-comptables indépendants et les commissaires
Sont punis d'une sanction [1 de niveau 3]1, ceux qui, en qualité de réviseur, d'expert-comptable indépendant ou de commissaire, ont attesté ou approuvé le bilan social annuel, lorsque les obligations découlant de la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi et de ses arrêtés d'exécution n'ont pas été respectées, soit en sachant qu'elles ne l'avaient pas été, soit en n'ayant pas accompli les diligences normales pour s'assurer qu'elles avaient été respectées.
Lorsque l'infraction a été commise avec une intention frauduleuse, la sanction est [1 de niveau 4]1. Le juge peut en outre prononcer les peines prévues à l'article 107.
Sont punis d'une sanction [1 de niveau 3]1, ceux qui, en qualité de réviseur, d'expert-comptable indépendant ou de commissaire, ont attesté ou approuvé le bilan social annuel, lorsque les obligations découlant de la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi et de ses arrêtés d'exécution n'ont pas été respectées, soit en sachant qu'elles ne l'avaient pas été, soit en n'ayant pas accompli les diligences normales pour s'assurer qu'elles avaient été respectées.
Lorsque l'infraction a été commise avec une intention frauduleuse, la sanction est [1 de niveau 4]1. Le juge peut en outre prononcer les peines prévues à l'article 107.
Wijzigingen
Afdeling 8. - Prestaties van algemeen belang
Section 8. - Les prestations d'intérêt public
Art. 207. Weigering tot uitvoeren of laten uitvoeren van de maatregelen, prestaties of diensten
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 worden bestraft, zij die, in strijd met de wet van 19 augustus 1948 betreffende de prestaties van algemeen belang in vredestijd, weigeren de maatregelen, prestaties of diensten uit te voeren of te laten uitvoeren die moeten worden verzekerd in geval van staking of in geval van lock-out, teneinde het hoofd te bieden aan bepaalde vitale behoeften, alsook zij die weigeren sommige dringende werken aan de machines of aan het materiaal uit te voeren, dan wel sommige taken te volbrengen die geboden zijn door een geval van overmacht of een onvoorziene noodzaak.
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 worden bestraft, zij die, in strijd met de wet van 19 augustus 1948 betreffende de prestaties van algemeen belang in vredestijd, weigeren de maatregelen, prestaties of diensten uit te voeren of te laten uitvoeren die moeten worden verzekerd in geval van staking of in geval van lock-out, teneinde het hoofd te bieden aan bepaalde vitale behoeften, alsook zij die weigeren sommige dringende werken aan de machines of aan het materiaal uit te voeren, dan wel sommige taken te volbrengen die geboden zijn door een geval van overmacht of een onvoorziene noodzaak.
Art. 207. Le refus d'exécuter ou de faire exécuter les mesures, prestations ou services
Est punie d'une sanction [1 de niveau 3]1, toute personne qui, en contravention à la loi du 19 août 1948 relative aux prestations d'intérêt public en temps de paix, refuse d'exécuter ou de faire exécuter les mesures, prestations ou services à assurer, en cas de grève ou en cas de lock-out, en vue de faire face à certains besoins vitaux, d'effectuer certains travaux urgents aux machines ou au matériel, d'exécuter certaines tâches commandées par une force majeure ou une nécessité imprévue.
Est punie d'une sanction [1 de niveau 3]1, toute personne qui, en contravention à la loi du 19 août 1948 relative aux prestations d'intérêt public en temps de paix, refuse d'exécuter ou de faire exécuter les mesures, prestations ou services à assurer, en cas de grève ou en cas de lock-out, en vue de faire face à certains besoins vitaux, d'effectuer certains travaux urgents aux machines ou au matériel, d'exécuter certaines tâches commandées par une force majeure ou une nécessité imprévue.
Wijzigingen
Art. 208. Weigering tot verstrekking van inlichtingen, verstrekking van onjuiste inlichtingen, onjuiste verklaring
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 19 augustus 1948 betreffende de prestaties van algemeen belang in vredestijd, wetens en willens weigert de paritaire comités en hun afgevaardigden alle nodige inlichtingen te verstrekken voor het voorbereiden en het uitvoeren van en de controle op de maatregelen bedoeld in artikel 207 van dit Wetboek of hen wetens en willens onjuiste inlichtingen verschaft, of hen onjuiste verklaringen aflegt.
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 19 augustus 1948 betreffende de prestaties van algemeen belang in vredestijd, wetens en willens weigert de paritaire comités en hun afgevaardigden alle nodige inlichtingen te verstrekken voor het voorbereiden en het uitvoeren van en de controle op de maatregelen bedoeld in artikel 207 van dit Wetboek of hen wetens en willens onjuiste inlichtingen verschaft, of hen onjuiste verklaringen aflegt.
Art. 208. Le refus de fournir des informations, la fourniture d'information ou la déclaration inexacte
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 19 août 1948 relative aux prestations d'intérêt public en temps de paix, refuse, sciemment et volontairement, de fournir aux commissions paritaires et à leurs délégués les renseignements nécessaires à la préparation, à l'exécution et au contrôle des mesures visées à l'article 207 du présent Code ou leur fournit, sciemment et volontairement, des renseignements ou leur fait des déclarations inexactes.
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 19 août 1948 relative aux prestations d'intérêt public en temps de paix, refuse, sciemment et volontairement, de fournir aux commissions paritaires et à leurs délégués les renseignements nécessaires à la préparation, à l'exécution et au contrôle des mesures visées à l'article 207 du présent Code ou leur fournit, sciemment et volontairement, des renseignements ou leur fait des déclarations inexactes.
HOOFDSTUK 8. - Inbreuken met betrekking tot het toezicht
CHAPITRE 8. - Les infractions en matière de contrôle
Art. 209. Belemmering van het toezicht
Met een sanctie van niveau 4 worden bestraft, zij die het toezicht belemmeren dat krachtens dit Wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan is ingesteld.
De sanctie bedoeld in eerste lid is niet van toepassing op de inbreuken op artikel 29 van dit Wetboek.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
De geldboete [1 kan vermenigvuldigd worden]1 met het aantal betrokken werknemers.
[1 Fysiek of psychologisch geweld of bedreiging van een sociaal inspecteur is een verzwarende factor die in overweging moet genomen worden door de rechter bij de keuze van de sanctie in de sanctie van niveau 4 bij de keuze van de bijzondere strafsancties of door de bevoegde administratie bij de keuze van het bedrag van de administratieve geldboete in de sanctie van niveau 4.]1 [2 Als een strafrechtelijke of een administratieve geldboete opgelegd wordt, mag het bedrag ervan niet lager zijn dan de helft van het maximumbedrag van de strafrechtelijke of administratieve geldboete voorzien in de sanctie van niveau 4 in artikel 101 van dit Wetboek.]2
Met een sanctie van niveau 4 worden bestraft, zij die het toezicht belemmeren dat krachtens dit Wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan is ingesteld.
De sanctie bedoeld in eerste lid is niet van toepassing op de inbreuken op artikel 29 van dit Wetboek.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
De geldboete [1 kan vermenigvuldigd worden]1 met het aantal betrokken werknemers.
[1 Fysiek of psychologisch geweld of bedreiging van een sociaal inspecteur is een verzwarende factor die in overweging moet genomen worden door de rechter bij de keuze van de sanctie in de sanctie van niveau 4 bij de keuze van de bijzondere strafsancties of door de bevoegde administratie bij de keuze van het bedrag van de administratieve geldboete in de sanctie van niveau 4.]1 [2 Als een strafrechtelijke of een administratieve geldboete opgelegd wordt, mag het bedrag ervan niet lager zijn dan de helft van het maximumbedrag van de strafrechtelijke of administratieve geldboete voorzien in de sanctie van niveau 4 in artikel 101 van dit Wetboek.]2
Art. 209. L'obstacle à la surveillance
Est punie d'une sanction de niveau 4, toute personne qui met obstacle à la surveillance organisée en vertu du présent Code et de ses arrêtés d'exécution.
La sanction visée à l'alinéa 1er n'est pas d'application aux infractions à l'article 29 du présent Code.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
L'amende [1 peut être multipliée]1 par le nombre de travailleurs concernés.
[1 La violence physique ou psychique ou la menace à l'égard d'un inspecteur social constitue un facteur aggravant qui doit être pris en considération par le juge lors du choix de la sanction parmi les sanctions de niveau 4 et lors du choix des sanctions pénales particulières ou par l'administration compétente lors du choix du montant de l'amende administrative de la sanction de niveau 4.]1 [2 Si une amende pénale ou administrative est infligée, le montant de celle-ci ne peut pas être inférieur à la moitié du montant maximum de l'amende pénale ou administrative prévue dans la sanction de niveau 4 à l'article 101 du présent Code.]2
Est punie d'une sanction de niveau 4, toute personne qui met obstacle à la surveillance organisée en vertu du présent Code et de ses arrêtés d'exécution.
La sanction visée à l'alinéa 1er n'est pas d'application aux infractions à l'article 29 du présent Code.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
L'amende [1 peut être multipliée]1 par le nombre de travailleurs concernés.
[1 La violence physique ou psychique ou la menace à l'égard d'un inspecteur social constitue un facteur aggravant qui doit être pris en considération par le juge lors du choix de la sanction parmi les sanctions de niveau 4 et lors du choix des sanctions pénales particulières ou par l'administration compétente lors du choix du montant de l'amende administrative de la sanction de niveau 4.]1 [2 Si une amende pénale ou administrative est infligée, le montant de celle-ci ne peut pas être inférieur à la moitié du montant maximum de l'amende pénale ou administrative prévue dans la sanction de niveau 4 à l'article 101 du présent Code.]2
Art. 210. Niet-naleving van de dwangmaatregelen die getroffen zijn door de sociaal inspecteurs
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber [1 , of de zelfstandige]1 die de met toepassing van de artikelen 43 tot 49 voorgeschreven maatregelen niet naleeft.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die de met toepassing van [2 de artikelen 38 en 40, 1°]2 voorgeschreven maatregelen niet naleeft.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber [1 , of de zelfstandige]1 die de met toepassing van de artikelen 43 tot 49 voorgeschreven maatregelen niet naleeft.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die de met toepassing van [2 de artikelen 38 en 40, 1°]2 voorgeschreven maatregelen niet naleeft.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 210. Le non-respect des mesures de contrainte prises par les inspecteurs sociaux
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire [1 , ou l'indépendant]1 qui n'observe pas les mesures prescrites en exécution des articles 43 à 49.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'observe pas les mesures prescrites en exécution [2 des articles 38 et 40, 1°]2.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire [1 , ou l'indépendant]1 qui n'observe pas les mesures prescrites en exécution des articles 43 à 49.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'observe pas les mesures prescrites en exécution [2 des articles 38 et 40, 1°]2.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Art. 211. Niet-naleving van de gerechtelijke beslissing bedoeld in artikel 2 van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht
Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft, zij die zich niet houden aan de beslissing van de voorzitter van de arbeidsrechtbank met toepassing van artikel 2 van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht.
Wanneer de beslissing betrekking heeft op de maatregelen voorgeschreven met toepassing van de artikelen 43 tot 49, is de sanctie van niveau 4.
Wat de in het eerste lid bedoelde inbreuken betreft, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft, zij die zich niet houden aan de beslissing van de voorzitter van de arbeidsrechtbank met toepassing van artikel 2 van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht.
Wanneer de beslissing betrekking heeft op de maatregelen voorgeschreven met toepassing van de artikelen 43 tot 49, is de sanctie van niveau 4.
Wat de in het eerste lid bedoelde inbreuken betreft, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 211. Le non-respect de la décision judiciaire visée à l'article 2 de la loi du 2 juin 2010 comportant des dispositions de droit pénal social
Est punie d'une sanction de niveau 3, toute personne qui ne respecte pas la décision du président du tribunal du travail en application de l'article 2 de la loi du 2 [1 juin]1 2010 comportant des dispositions de droit pénal social.
Lorsque la décision est afférente à des mesures prescrites en application des articles 43 à 49, la sanction est de niveau 4.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est punie d'une sanction de niveau 3, toute personne qui ne respecte pas la décision du président du tribunal du travail en application de l'article 2 de la loi du 2 [1 juin]1 2010 comportant des dispositions de droit pénal social.
Lorsque la décision est afférente à des mesures prescrites en application des articles 43 à 49, la sanction est de niveau 4.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 9. - Inbreuken betreffende de sociale zekerheid
CHAPITRE 9. - Les infractions concernant la sécurité sociale
Afdeling 1. - Aantasting van de vertrouwelijkheid van de gegevens
Section 1re. - Les atteintes à la confidentialité des données
Art. 212. Aantasting van de vertrouwelijkheid van de gegevens in geval van arbeidsongeval
Met een sanctie van niveau 2 worden bestraft, [1 de leden van het beheerscomité voor de arbeidsongevallen, van de technische comités voor de arbeidsongevallen, en van het technisch comité voor de preventie bij Fedris]1, de personen die krachtens een wettelijke of reglementaire bepaling gemachtigd zijn deel te nemen aan [1 de vergaderingen van het beheerscomité voor de arbeidsongevallen, van de technische comités voor de arbeidsongevallen, en van het technisch comité voor de preventie bij Fedris]1, de bevoegde sociaal inspecteurs, de personen die voorheen de bedoelde functies hebben uitgeoefend die vertrouwelijke informatie aangaande de verzekeringsondernemingen waarvan zij kennis hebben gekregen op grond van hun opdracht hebben verspreid, met uitzondering van de afwijkingen waarin voorzien is bij de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
Met een sanctie van niveau 2 worden bestraft, [1 de leden van het beheerscomité voor de arbeidsongevallen, van de technische comités voor de arbeidsongevallen, en van het technisch comité voor de preventie bij Fedris]1, de personen die krachtens een wettelijke of reglementaire bepaling gemachtigd zijn deel te nemen aan [1 de vergaderingen van het beheerscomité voor de arbeidsongevallen, van de technische comités voor de arbeidsongevallen, en van het technisch comité voor de preventie bij Fedris]1, de bevoegde sociaal inspecteurs, de personen die voorheen de bedoelde functies hebben uitgeoefend die vertrouwelijke informatie aangaande de verzekeringsondernemingen waarvan zij kennis hebben gekregen op grond van hun opdracht hebben verspreid, met uitzondering van de afwijkingen waarin voorzien is bij de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
Art. 212. Les atteintes à la confidentialité des données en cas d'accident du travail
Sont punis d'une sanction de niveau 2, [1 les membres du comité de gestion pour les accidents du travail, des comités techniques pour les accidents du travail et du comité technique pour la prévention auprès de Fedris]1, les personnes habilitées en vertu d'une disposition légale ou réglementaire à participer aux [1 réunions du comité de gestion pour les accidents du travail, des comités techniques pour les accidents du travail et du comité technique pour la prévention auprès de Fedris]1, les inspecteurs sociaux compétents, les personnes ayant exercé auparavant lesdites fonctions qui ont divulgué des informations confidentielles concernant les entreprises d'assurances dont ils ont eu connaissance de par leur mission, à l'exception des dérogations prévues par la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
Sont punis d'une sanction de niveau 2, [1 les membres du comité de gestion pour les accidents du travail, des comités techniques pour les accidents du travail et du comité technique pour la prévention auprès de Fedris]1, les personnes habilitées en vertu d'une disposition légale ou réglementaire à participer aux [1 réunions du comité de gestion pour les accidents du travail, des comités techniques pour les accidents du travail et du comité technique pour la prévention auprès de Fedris]1, les inspecteurs sociaux compétents, les personnes ayant exercé auparavant lesdites fonctions qui ont divulgué des informations confidentielles concernant les entreprises d'assurances dont ils ont eu connaissance de par leur mission, à l'exception des dérogations prévues par la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
Wijzigingen
Art. 213. Aantasting van de vertrouwelijkheid van de gegevens van persoonlijke aard en maatregelen ter bescherming van de vertrouwelijkheid van die gegevens
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de Kruispuntbank en de instellingen van sociale zekerheid, hun aangestelden of lasthebbers die :
a) in strijd met de bepalingen van artikel 15 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, sociale gegevens van persoonlijke aard meedelen zonder daartoe te zijn gemachtigd of zonder al dan niet voorafgaandelijk [1 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité]1 daarvan op de hoogte te hebben gebracht;
b) in strijd met [2 de voorwaarden opgelegd door artikel 5 van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van de Richtlijn 95/46/EG]2, niet de vereiste maatregelen hebben genomen om de perfecte bewaring van de sociale gegevens van persoonlijke aard te garanderen;
c) in strijd met de bepalingen van artikel 26, § 2, van de voormelde wet van 15 januari 1990, de voorgeschreven vermeldingen niet hebben aangebracht in het register dat moet worden bijgehouden;
2° de personen, hun aangestelden of hun lasthebbers die :
a) bij het verrichten van onderzoeken die nuttig kunnen zijn voor de kennis, de conceptie en het beheer van de sociale zekerheid sociale gegevens verwerken in strijd met de bepalingen van artikel 5 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid [1 ...]1;
b) in strijd met de bepalingen van [1 artikel 46, § 1, 6°, van de voormelde wet]1 van 15 januari 1990, persoonsgegevens die de gezondheid betreffen [1 ...]1, meedelen zonder daartoe gemachtigd te zijn door [1 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité]1;
c) in strijd met [2 de voorwaarden opgelegd door artikel 5 van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van de Richtlijn 95/46/EG]2, mededeling hebben gevraagd en bekomen van sociale gegevens van persoonlijke aard die ze niet nodig hadden voor de toepassing van de sociale zekerheid;
d) buiten de bij de voormelde wet van 15 januari 1990 of haar uitvoeringsmaatregelen bepaalde voorwaarden om, zich opzettelijk toegang verschaft hebben of zich opzettelijk gehandhaafd hebben in het geheel of in een deel van een geautomatiseerde verwerking van de sociale gegevens in het netwerk;
e) buiten de bij de voormelde wet van 15 januari 1990 of haar uitvoeringsmaatregelen bepaalde voorwaarden om, opzettelijk gegevens hebben ingevoerd in het netwerk of de erin opgeslagen gegevens hebben uitgewist of gewijzigd of de verwerkings- of overbrengingswijzen hebben veranderd.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de Kruispuntbank en de instellingen van sociale zekerheid, hun aangestelden of lasthebbers die :
a) in strijd met de bepalingen van artikel 15 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, sociale gegevens van persoonlijke aard meedelen zonder daartoe te zijn gemachtigd of zonder al dan niet voorafgaandelijk [1 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité]1 daarvan op de hoogte te hebben gebracht;
b) in strijd met [2 de voorwaarden opgelegd door artikel 5 van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van de Richtlijn 95/46/EG]2, niet de vereiste maatregelen hebben genomen om de perfecte bewaring van de sociale gegevens van persoonlijke aard te garanderen;
c) in strijd met de bepalingen van artikel 26, § 2, van de voormelde wet van 15 januari 1990, de voorgeschreven vermeldingen niet hebben aangebracht in het register dat moet worden bijgehouden;
2° de personen, hun aangestelden of hun lasthebbers die :
a) bij het verrichten van onderzoeken die nuttig kunnen zijn voor de kennis, de conceptie en het beheer van de sociale zekerheid sociale gegevens verwerken in strijd met de bepalingen van artikel 5 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid [1 ...]1;
b) in strijd met de bepalingen van [1 artikel 46, § 1, 6°, van de voormelde wet]1 van 15 januari 1990, persoonsgegevens die de gezondheid betreffen [1 ...]1, meedelen zonder daartoe gemachtigd te zijn door [1 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité]1;
c) in strijd met [2 de voorwaarden opgelegd door artikel 5 van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van de Richtlijn 95/46/EG]2, mededeling hebben gevraagd en bekomen van sociale gegevens van persoonlijke aard die ze niet nodig hadden voor de toepassing van de sociale zekerheid;
d) buiten de bij de voormelde wet van 15 januari 1990 of haar uitvoeringsmaatregelen bepaalde voorwaarden om, zich opzettelijk toegang verschaft hebben of zich opzettelijk gehandhaafd hebben in het geheel of in een deel van een geautomatiseerde verwerking van de sociale gegevens in het netwerk;
e) buiten de bij de voormelde wet van 15 januari 1990 of haar uitvoeringsmaatregelen bepaalde voorwaarden om, opzettelijk gegevens hebben ingevoerd in het netwerk of de erin opgeslagen gegevens hebben uitgewist of gewijzigd of de verwerkings- of overbrengingswijzen hebben veranderd.
Art. 213. Les atteintes à la confidentialité des données à caractère personnel et les mesures de préservation de la confidentialité de ces données
Sont punis d'une sanction de niveau 2 :
1° la Banque-carrefour et les institutions de sécurité sociale, leurs préposés ou mandataires qui :
a) contrairement aux dispositions de l'article 15 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, communiqueront des données sociales à caractère personnel, sans en avoir reçu l'autorisation ou sans en avoir, préalablement ou non, informé [1 la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information]1;
b) contrairement aux [2 conditions imposées par l'article 5 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE]2, n'auront pas pris les mesures qui devaient permettre de garantir la parfaite conservation des données sociales à caractère personnel;
c) contrairement aux dispositions de l'article 26, § 2, de la loi précitée du 15 janvier 1990, n'auront pas fait les mentions prévues dans le registre qui doit être tenu à jour;
2° les personnes, leurs préposés ou mandataires qui :
a) à l'occasion de la réalisation de recherches pouvant être utiles à la connaissance, à la conception et à la gestion de la sécurité sociale, traitent des données sociales contrairement aux dispositions de l'article 5 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale [1 ...]1;
b) contrairement aux dispositions de [1 l'article 46, § 1er, 6°, de la loi précitée]1 du 15 janvier 1990, communiquent des données à caractère personnel relatives à la santé [1 ...]1 sans y être autorisés par [1 la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information]1;
c) contrairement aux [2 conditions imposées par l'article 5 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE]2, ont demandé et obtenu communication de données sociales à caractère personnel dont ils n'avaient pas besoin pour l'application de la sécurité sociale;
d) en dehors des conditions prévues par la loi précitée du 15 janvier 1990 ou ses mesures d'exécution, ont volontairement accédé ou se sont volontairement maintenus dans tout ou partie d'un traitement automatisé de données sociales du réseau;
e) en dehors des conditions prévues par la loi précitée du 15 janvier 1990 ou ses mesures d'exécution, ont volontairement introduit des données dans le réseau ou supprimé ou modifié les données qu'il contient ou leurs modes de traitement ou de transmission.
Sont punis d'une sanction de niveau 2 :
1° la Banque-carrefour et les institutions de sécurité sociale, leurs préposés ou mandataires qui :
a) contrairement aux dispositions de l'article 15 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, communiqueront des données sociales à caractère personnel, sans en avoir reçu l'autorisation ou sans en avoir, préalablement ou non, informé [1 la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information]1;
b) contrairement aux [2 conditions imposées par l'article 5 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE]2, n'auront pas pris les mesures qui devaient permettre de garantir la parfaite conservation des données sociales à caractère personnel;
c) contrairement aux dispositions de l'article 26, § 2, de la loi précitée du 15 janvier 1990, n'auront pas fait les mentions prévues dans le registre qui doit être tenu à jour;
2° les personnes, leurs préposés ou mandataires qui :
a) à l'occasion de la réalisation de recherches pouvant être utiles à la connaissance, à la conception et à la gestion de la sécurité sociale, traitent des données sociales contrairement aux dispositions de l'article 5 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale [1 ...]1;
b) contrairement aux dispositions de [1 l'article 46, § 1er, 6°, de la loi précitée]1 du 15 janvier 1990, communiquent des données à caractère personnel relatives à la santé [1 ...]1 sans y être autorisés par [1 la chambre sécurité sociale et santé du comité de sécurité de l'information]1;
c) contrairement aux [2 conditions imposées par l'article 5 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE]2, ont demandé et obtenu communication de données sociales à caractère personnel dont ils n'avaient pas besoin pour l'application de la sécurité sociale;
d) en dehors des conditions prévues par la loi précitée du 15 janvier 1990 ou ses mesures d'exécution, ont volontairement accédé ou se sont volontairement maintenus dans tout ou partie d'un traitement automatisé de données sociales du réseau;
e) en dehors des conditions prévues par la loi précitée du 15 janvier 1990 ou ses mesures d'exécution, ont volontairement introduit des données dans le réseau ou supprimé ou modifié les données qu'il contient ou leurs modes de traitement ou de transmission.
Art. 214. Ernstige aantasting van de vertrouwelijkheid van de gegevens van persoonlijke aard
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de Kruispuntbank en de instellingen van sociale zekerheid, hun aangestelden of hun lasthebbers die :
a) in strijd met de bepalingen van artikel 24 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, al dan niet onder hun personeel, geen veiligheidsconsulent hebben aangewezen;
b) in strijd met de bepalingen van artikel 26, § 1, eerste lid, van de voormelde wet van 15 januari 1990, de sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen, niet hebben laten bewaren door een geneesheer;
c) belast met de bewaring van de sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen, in strijd met de bepalingen van artikel 26, § 2, van de voormelde wet van 15 januari 1990, niet de voorziene nominatieve aanwijzingen hebben verricht of niet de inhoud en de draagwijdte hebben bepaald van de machtigingen tot toegang tot de sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen;
2° de instellingen van sociale zekerheid, hun aangestelden of hun lasthebbers die :
a) in strijd met de bepalingen van artikel 20, § 2, van de voormelde wet van 15 januari 1990, de verbeteringen en verwijderingen van de door hen verwerkte sociale gegevens van persoonlijke aard niet aan de Kruispuntbank hebben meegedeeld;
b) in strijd met de bepalingen van artikel 26, § 3, eerste lid, van de voormelde wet van 15 januari 1990, er niet op hebben toegezien dat de toegang tot de in de geautomatiseerde gegevensbanken opgeslagen sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen, uitsluitend geschiedt door middel van individuele toegangs- en bevoegdheidscodes;
c) in strijd met de bepalingen van artikel 26, § 3, tweede lid, van voornoemde wet van 15 januari 1990, er niet op hebben toegezien dat de bewaring in het geautomatiseerd archief van de sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen, gebeurt op niet- rechtstreeks toegankelijke informatiedragers;
3° de personen, hun aangestelden of lasthebbers die :
a) al dan niet op geregelde basis mededeling hebben verkregen van sociale gegevens van persoonlijke aard en ze wetens en willens hebben aangewend voor andere doeleinden dan die bepaald door of krachtens de voormelde wet van 15 januari 1990;
b) in strijd met [1 de voorwaarden opgelegd door artikel 5 van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van de Richtlijn 95/46/EG]1, niet de nodige maatregelen hebben getroffen om de vertrouwelijkheid van de sociale gegevens van persoonlijke aard te garanderen en ervoor te zorgen dat de betrokken gegevens uitsluitend worden aangewend voor doeleinden vastgelegd door of krachtens de voormelde wet van 15 januari 1990 of voor het vervullen van hun wettelijke verplichtingen [1 ...]1;
c) in strijd met de bepalingen van de voormelde wet van 15 januari 1990, de werking van een geautomatiseerde verwerking van sociale gegevens van het netwerk opzettelijk hebben belemmerd of aangetast, of het geheel of een deel van dergelijke verwerking, inzonderheid de daarin voorkomende gegevens of programma's, opzettelijk hebben beschadigd of vernietigd;
4° de titularissen van individuele toegangs- en bevoegdheidscodes die, in strijd met de bepalingen van artikel 26, § 3, eerste lid, van de voormelde wet van 15 januari 1990, die codes bekendmaken.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de Kruispuntbank en de instellingen van sociale zekerheid, hun aangestelden of hun lasthebbers die :
a) in strijd met de bepalingen van artikel 24 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, al dan niet onder hun personeel, geen veiligheidsconsulent hebben aangewezen;
b) in strijd met de bepalingen van artikel 26, § 1, eerste lid, van de voormelde wet van 15 januari 1990, de sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen, niet hebben laten bewaren door een geneesheer;
c) belast met de bewaring van de sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen, in strijd met de bepalingen van artikel 26, § 2, van de voormelde wet van 15 januari 1990, niet de voorziene nominatieve aanwijzingen hebben verricht of niet de inhoud en de draagwijdte hebben bepaald van de machtigingen tot toegang tot de sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen;
2° de instellingen van sociale zekerheid, hun aangestelden of hun lasthebbers die :
a) in strijd met de bepalingen van artikel 20, § 2, van de voormelde wet van 15 januari 1990, de verbeteringen en verwijderingen van de door hen verwerkte sociale gegevens van persoonlijke aard niet aan de Kruispuntbank hebben meegedeeld;
b) in strijd met de bepalingen van artikel 26, § 3, eerste lid, van de voormelde wet van 15 januari 1990, er niet op hebben toegezien dat de toegang tot de in de geautomatiseerde gegevensbanken opgeslagen sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen, uitsluitend geschiedt door middel van individuele toegangs- en bevoegdheidscodes;
c) in strijd met de bepalingen van artikel 26, § 3, tweede lid, van voornoemde wet van 15 januari 1990, er niet op hebben toegezien dat de bewaring in het geautomatiseerd archief van de sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen, gebeurt op niet- rechtstreeks toegankelijke informatiedragers;
3° de personen, hun aangestelden of lasthebbers die :
a) al dan niet op geregelde basis mededeling hebben verkregen van sociale gegevens van persoonlijke aard en ze wetens en willens hebben aangewend voor andere doeleinden dan die bepaald door of krachtens de voormelde wet van 15 januari 1990;
b) in strijd met [1 de voorwaarden opgelegd door artikel 5 van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van de Richtlijn 95/46/EG]1, niet de nodige maatregelen hebben getroffen om de vertrouwelijkheid van de sociale gegevens van persoonlijke aard te garanderen en ervoor te zorgen dat de betrokken gegevens uitsluitend worden aangewend voor doeleinden vastgelegd door of krachtens de voormelde wet van 15 januari 1990 of voor het vervullen van hun wettelijke verplichtingen [1 ...]1;
c) in strijd met de bepalingen van de voormelde wet van 15 januari 1990, de werking van een geautomatiseerde verwerking van sociale gegevens van het netwerk opzettelijk hebben belemmerd of aangetast, of het geheel of een deel van dergelijke verwerking, inzonderheid de daarin voorkomende gegevens of programma's, opzettelijk hebben beschadigd of vernietigd;
4° de titularissen van individuele toegangs- en bevoegdheidscodes die, in strijd met de bepalingen van artikel 26, § 3, eerste lid, van de voormelde wet van 15 januari 1990, die codes bekendmaken.
Art. 214. Les atteintes graves relatives à la confidentialité des données à caractère personnel
Sont punis d'une sanction de niveau 2 :
1° la Banque-carrefour et les institutions de sécurité sociale, leurs préposés ou mandataires qui :
a) contrairement aux dispositions de l'article 24 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, n'auront pas désigné, au sein de leur personnel ou non, un conseiller de sécurité;
b) contrairement aux dispositions de l'article 26, § 1er, alinéa 1er, de la loi précitée du 15 janvier 1990, n'auront pas fait conserver les données sociales à caractère personnel relatives à la santé par un médecin;
c) chargés de la conservation des données sociales à caractère personnel relatives à la santé, n'auront pas, contrairement aux dispositions de l'article 26, § 2, de la loi précitée du 15 janvier 1990, fait les désignations nominatives prévues ou défini le contenu et l'étendue des autorisations d'accès aux données sociales à caractère personnel relatives à la santé;
2° les institutions de sécurité sociale, leurs préposés ou mandataires qui :
a) contrairement aux dispositions de l'article 20, § 2, de la loi précitée du 15 janvier 1990, n'ont pas communiqué à la Banque-Carrefour les corrections et les effacements des données sociales à caractère personnel qu'ils traitent;
b) contrairement aux dispositions de l'article 26, § 3, alinéa 1er, de la loi précitée du 15 janvier 1990, n'auront pas veillé à ce que l'accès aux données sociales à caractère personnel relatives à la santé contenues dans les banques automatisées se fasse exclusivement au moyen de codes individuels d'accès et de compétence;
c) contrairement aux dispositions de l'article 26, § 3, alinéa 2, de la loi précitée du 15 janvier 1990, n'auront pas veillé à ce que les données sociales à caractère personnel relatives à la santé conservées aux archives automatisées, le soient sur des supports qui ne sont pas directement accessibles;
3° les personnes, leurs préposés ou mandataires qui :
a) auront reçu, régulièrement ou non, communication de données sociales à caractère personnel et en auront sciemment et volontairement usé à d'autres fins que celles prévues par ou en vertu de la loi précitée du 15 janvier 1990;
b) contrairement aux [1 conditions imposées par l'article 5 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE]1, n'auront pas pris les mesures qui devaient permettre de garantir le caractère confidentiel des données sociales à caractère personnel ainsi que leur usage aux seules fins prévues par ou en vertu de la loi précitée du 15 janvier 1990 ou pour l'application de leurs obligations légales [1 ...]1;
c) contrairement aux dispositions de la loi précitée du 15 janvier 1990, auront volontairement entravé ou altéré le fonctionnement d'un traitement automatisé de données sociales du réseau ou volontairement endommagé ou détruit tout ou partie d'un tel traitement, notamment les données ou les programmes qui y figurent;
4° les titulaires de codes individuels d'accès et de compétence qui les auront divulgués, contrairement aux dispositions de l'article 26, § 3, alinéa 1er, de la loi précitée du 15 janvier 1990.
Sont punis d'une sanction de niveau 2 :
1° la Banque-carrefour et les institutions de sécurité sociale, leurs préposés ou mandataires qui :
a) contrairement aux dispositions de l'article 24 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, n'auront pas désigné, au sein de leur personnel ou non, un conseiller de sécurité;
b) contrairement aux dispositions de l'article 26, § 1er, alinéa 1er, de la loi précitée du 15 janvier 1990, n'auront pas fait conserver les données sociales à caractère personnel relatives à la santé par un médecin;
c) chargés de la conservation des données sociales à caractère personnel relatives à la santé, n'auront pas, contrairement aux dispositions de l'article 26, § 2, de la loi précitée du 15 janvier 1990, fait les désignations nominatives prévues ou défini le contenu et l'étendue des autorisations d'accès aux données sociales à caractère personnel relatives à la santé;
2° les institutions de sécurité sociale, leurs préposés ou mandataires qui :
a) contrairement aux dispositions de l'article 20, § 2, de la loi précitée du 15 janvier 1990, n'ont pas communiqué à la Banque-Carrefour les corrections et les effacements des données sociales à caractère personnel qu'ils traitent;
b) contrairement aux dispositions de l'article 26, § 3, alinéa 1er, de la loi précitée du 15 janvier 1990, n'auront pas veillé à ce que l'accès aux données sociales à caractère personnel relatives à la santé contenues dans les banques automatisées se fasse exclusivement au moyen de codes individuels d'accès et de compétence;
c) contrairement aux dispositions de l'article 26, § 3, alinéa 2, de la loi précitée du 15 janvier 1990, n'auront pas veillé à ce que les données sociales à caractère personnel relatives à la santé conservées aux archives automatisées, le soient sur des supports qui ne sont pas directement accessibles;
3° les personnes, leurs préposés ou mandataires qui :
a) auront reçu, régulièrement ou non, communication de données sociales à caractère personnel et en auront sciemment et volontairement usé à d'autres fins que celles prévues par ou en vertu de la loi précitée du 15 janvier 1990;
b) contrairement aux [1 conditions imposées par l'article 5 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE]1, n'auront pas pris les mesures qui devaient permettre de garantir le caractère confidentiel des données sociales à caractère personnel ainsi que leur usage aux seules fins prévues par ou en vertu de la loi précitée du 15 janvier 1990 ou pour l'application de leurs obligations légales [1 ...]1;
c) contrairement aux dispositions de la loi précitée du 15 janvier 1990, auront volontairement entravé ou altéré le fonctionnement d'un traitement automatisé de données sociales du réseau ou volontairement endommagé ou détruit tout ou partie d'un tel traitement, notamment les données ou les programmes qui y figurent;
4° les titulaires de codes individuels d'accès et de compétence qui les auront divulgués, contrairement aux dispositions de l'article 26, § 3, alinéa 1er, de la loi précitée du 15 janvier 1990.
Wijzigingen
Art. 215. Vrijwillige aantasting van de vertrouwelijkheid van de gegevens
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft, de personen, hun aangestelden of hun lasthebbers die :
1° door de Koning aangewezen op grond van artikel 29 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid om de gegevensbanken van de Kruispuntbank, de socialegegevensbanken of de sociale gegevens van persoonlijke aard die erin worden bewaard, te vernietigen of te doen vernietigen, met opzet hun opdracht hetzij niet hebben uitgevoerd, hetzij hebben uitgevoerd zonder de vastgestelde voorwaarden en nadere regels in acht te nemen;
2° zonder door de Koning te zijn aangewezen, met opzet de gegevensbanken van de Kruispuntbank, de sociale gegevensbanken of de sociale gegevens van persoonlijke aard die erin worden bewaard, hebben vernietigd of doen vernietigen, al dan niet met inachtneming van de krachtens artikel 29 van de voormelde wet van 15 januari 1990 vastgestelde voorwaarden en modaliteiten;
3° met een bedrieglijk opzet of teneinde nadeel te berokkenen, zich toegang hebben verschaft of zich hebben gehandhaafd in het geheel of in een deel van een geautomatiseerde verwerking van sociale gegevens van het netwerk, gegevens in het netwerk hebben ingevoerd of de daarin vervatte gegevens alsook de verwerkings- of overbrengingswijzen hebben uitgewist of gewijzigd, de werking van een geautomatiseerde verwerking van sociale gegevens van het netwerk hebben belemmerd of aangetast of het geheel of een deel van dergelijke verwerking, inzonderheid de daarin voorkomende gegevens of programma's, hebben beschadigd of vernietigd, in strijd met de bepalingen van de voormelde wet van 15 januari 1990.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft :
1° [1 ...]1
2° de natuurlijke personen die betrokken zijn bij de inzameling, de verwerking, de mededeling van sociale gegevens van persoonlijke aard of die kennis hebben van dergelijke gegevens en die, in strijd met de bepalingen van artikel 28 van de voormelde wet van 15 januari 1990, hun plicht om het vertrouwelijk karakter ervan te eerbiedigen, buiten de gevallen bepaald door de wet, opzettelijk niet zijn nagekomen.
§ 3. Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft :
1° [1 ...]1
2° de instellingen van sociale zekerheid, hun aangestelden of lasthebbers die de opdrachten van de sociaal inspecteurs, gegeven met toepassing van artikel 40, 2°, van het Sociaal Strafwetboek, opzettelijk niet hebben uitgevoerd;
3° [2 ...]2
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft, de personen, hun aangestelden of hun lasthebbers die :
1° door de Koning aangewezen op grond van artikel 29 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid om de gegevensbanken van de Kruispuntbank, de socialegegevensbanken of de sociale gegevens van persoonlijke aard die erin worden bewaard, te vernietigen of te doen vernietigen, met opzet hun opdracht hetzij niet hebben uitgevoerd, hetzij hebben uitgevoerd zonder de vastgestelde voorwaarden en nadere regels in acht te nemen;
2° zonder door de Koning te zijn aangewezen, met opzet de gegevensbanken van de Kruispuntbank, de sociale gegevensbanken of de sociale gegevens van persoonlijke aard die erin worden bewaard, hebben vernietigd of doen vernietigen, al dan niet met inachtneming van de krachtens artikel 29 van de voormelde wet van 15 januari 1990 vastgestelde voorwaarden en modaliteiten;
3° met een bedrieglijk opzet of teneinde nadeel te berokkenen, zich toegang hebben verschaft of zich hebben gehandhaafd in het geheel of in een deel van een geautomatiseerde verwerking van sociale gegevens van het netwerk, gegevens in het netwerk hebben ingevoerd of de daarin vervatte gegevens alsook de verwerkings- of overbrengingswijzen hebben uitgewist of gewijzigd, de werking van een geautomatiseerde verwerking van sociale gegevens van het netwerk hebben belemmerd of aangetast of het geheel of een deel van dergelijke verwerking, inzonderheid de daarin voorkomende gegevens of programma's, hebben beschadigd of vernietigd, in strijd met de bepalingen van de voormelde wet van 15 januari 1990.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft :
1° [1 ...]1
2° de natuurlijke personen die betrokken zijn bij de inzameling, de verwerking, de mededeling van sociale gegevens van persoonlijke aard of die kennis hebben van dergelijke gegevens en die, in strijd met de bepalingen van artikel 28 van de voormelde wet van 15 januari 1990, hun plicht om het vertrouwelijk karakter ervan te eerbiedigen, buiten de gevallen bepaald door de wet, opzettelijk niet zijn nagekomen.
§ 3. Met een sanctie van niveau 3 worden bestraft :
1° [1 ...]1
2° de instellingen van sociale zekerheid, hun aangestelden of lasthebbers die de opdrachten van de sociaal inspecteurs, gegeven met toepassing van artikel 40, 2°, van het Sociaal Strafwetboek, opzettelijk niet hebben uitgevoerd;
3° [2 ...]2
Art. 215. Les atteintes volontaires à la confidentialité des données
§ 1er. Sont punis d'une sanction de niveau 3, les personnes, leurs préposés ou mandataires qui :
1° désignés par le Roi, sur la base des dispositions de l'article 29 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale pour détruire ou faire détruire les banques de données de la Banque-carrefour, les banques de données sociales ou les données sociales à caractère personnel y conservées, intentionnellement, n'auront pas exécuté leur mission ou l'auront exécutée sans respecter les conditions et les modalités prévues;
2° sans être désignés par le Roi, auront intentionnellement détruit ou fait détruire les banques de données de la Banque-carrefour, les banques de données sociales ou les données sociales à caractère personnel y conservées, en respectant ou non les conditions et les modalités prévues en vertu de l'article 29 de la loi précitée du 15 janvier 1990;
3° avec une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, auront accédé ou se seront maintenus dans tout ou partie d'un traitement automatisé de données sociales du réseau, auront introduit des données dans le réseau ou supprimé ou modifié les données qu'il contient ou leurs modes de traitement ou de transmission, entravé ou altéré le fonctionnement d'un traitement automatisé de données sociales du réseau ou endommagé ou détruit tout ou partie d'un tel traitement, notamment les données ou les programmes qui y figurent, contrairement aux dispositions de la loi précitée du 15 janvier 1990.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
§ 2. Sont punis d'une sanction de niveau 3 :
1° [1 ...]1
2° les personnes physiques qui participent à la collecte, au traitement, à la communication de données sociales à caractère personnel ou ont connaissance de telles données et qui, contrairement aux dispositions de l'article 28 de la loi précitée du 15 janvier 1990, auront volontairement manqué à leurs obligations de tenir pour confidentielles ces données, hormis les cas prévus par la loi.
§ 3. Sont punis d'une sanction de niveau 3 :
1° [1 ...]1
2° les institutions de sécurité sociale, leurs préposés ou mandataires, qui, volontairement, n'auront pas donné suite aux injonctions des inspecteurs sociaux, conformément à l'article 40, 2°, du Code pénal social;
3° [2 ...]2
§ 1er. Sont punis d'une sanction de niveau 3, les personnes, leurs préposés ou mandataires qui :
1° désignés par le Roi, sur la base des dispositions de l'article 29 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale pour détruire ou faire détruire les banques de données de la Banque-carrefour, les banques de données sociales ou les données sociales à caractère personnel y conservées, intentionnellement, n'auront pas exécuté leur mission ou l'auront exécutée sans respecter les conditions et les modalités prévues;
2° sans être désignés par le Roi, auront intentionnellement détruit ou fait détruire les banques de données de la Banque-carrefour, les banques de données sociales ou les données sociales à caractère personnel y conservées, en respectant ou non les conditions et les modalités prévues en vertu de l'article 29 de la loi précitée du 15 janvier 1990;
3° avec une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, auront accédé ou se seront maintenus dans tout ou partie d'un traitement automatisé de données sociales du réseau, auront introduit des données dans le réseau ou supprimé ou modifié les données qu'il contient ou leurs modes de traitement ou de transmission, entravé ou altéré le fonctionnement d'un traitement automatisé de données sociales du réseau ou endommagé ou détruit tout ou partie d'un tel traitement, notamment les données ou les programmes qui y figurent, contrairement aux dispositions de la loi précitée du 15 janvier 1990.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
§ 2. Sont punis d'une sanction de niveau 3 :
1° [1 ...]1
2° les personnes physiques qui participent à la collecte, au traitement, à la communication de données sociales à caractère personnel ou ont connaissance de telles données et qui, contrairement aux dispositions de l'article 28 de la loi précitée du 15 janvier 1990, auront volontairement manqué à leurs obligations de tenir pour confidentielles ces données, hormis les cas prévus par la loi.
§ 3. Sont punis d'une sanction de niveau 3 :
1° [1 ...]1
2° les institutions de sécurité sociale, leurs préposés ou mandataires, qui, volontairement, n'auront pas donné suite aux injonctions des inspecteurs sociaux, conformément à l'article 40, 2°, du Code pénal social;
3° [2 ...]2
Afdeling 2. - Arbeidsongevallenverzekering
Section 2. - L'assurance contre les accidents du travail
Art. 216. Arbeidsongevallenverzekering
Met een sanctie van niveau 2 worden bestraft, de verzekeringstussenpersonen, de verzekeringsondernemingen, commissarissen, lasthebbers of aangestelden ervan die meegewerkt hebben aan het sluiten of het uitvoeren van een contract dat strijdig is met de bepalingen van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Met een sanctie van niveau 2 worden bestraft, de verzekeringstussenpersonen, de verzekeringsondernemingen, commissarissen, lasthebbers of aangestelden ervan die meegewerkt hebben aan het sluiten of het uitvoeren van een contract dat strijdig is met de bepalingen van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Art. 216. L'assurance contre les accidents du travail
Sont punis d'une sanction de niveau 2, les intermédiaires d'assurances, les entreprises d'assurances, les commissaires, leurs préposés ou mandataires qui ont participé à la conclusion ou à l'exécution d'un contrat contraire aux dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail et de ses arrêtés d'exécution.
Sont punis d'une sanction de niveau 2, les intermédiaires d'assurances, les entreprises d'assurances, les commissaires, leurs préposés ou mandataires qui ont participé à la conclusion ou à l'exécution d'un contrat contraire aux dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail et de ses arrêtés d'exécution.
Afdeling 3. - Benaming van het Fonds voor bestaanszekerheid en van het erkend sociaal secretariaat
Section 3. - L'appellation du Fonds de sécurité d'existence et du secrétariat social agréé
Art. 217. Misbruik van de benamingen " Fonds voor bestaanszekerheid " en " Sociaal secretariaat "
Met een sanctie [1 van niveau 4]1 wordt bestraft, eenieder die :
1° openbaar gebruik heeft gemaakt van de benaming " Fonds voor bestaanszekerheid " voor een andere instelling dan die welke worden opgericht met toepassing van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor Bestaanszekerheid;
2° openbaar gebruik heeft gemaakt van de benaming " sociaal secretariaat " om een andere mandataris aan te duiden dan zij die, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde bepalingen, als sociaal secretariaat erkend zijn in toepassing van artikel 27, § 2, vierde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Met een sanctie [1 van niveau 4]1 wordt bestraft, eenieder die :
1° openbaar gebruik heeft gemaakt van de benaming " Fonds voor bestaanszekerheid " voor een andere instelling dan die welke worden opgericht met toepassing van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor Bestaanszekerheid;
2° openbaar gebruik heeft gemaakt van de benaming " sociaal secretariaat " om een andere mandataris aan te duiden dan zij die, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde bepalingen, als sociaal secretariaat erkend zijn in toepassing van artikel 27, § 2, vierde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Art. 217. L'usage abusif de la dénomination " Fonds de sécurité d'existence " et de la dénomination " Secrétariat social "
Est puni d'une sanction [1 de niveau 4]1, quiconque :
1° a publiquement fait usage de la dénomination " Fonds de sécurité d'existence " pour qualifier un organisme autre que ceux qui sont institués en application de la loi du 7 janvier 1958 concernant les Fonds de sécurité d'existence;
2° a publiquement fait usage de la dénomination " secrétariat social " pour qualifier un mandataire autre que ceux qui, conformément aux dispositions fixées par le Roi, sont agréés comme secrétariat social en application de l'article 27, § 2, alinéa 4, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Est puni d'une sanction [1 de niveau 4]1, quiconque :
1° a publiquement fait usage de la dénomination " Fonds de sécurité d'existence " pour qualifier un organisme autre que ceux qui sont institués en application de la loi du 7 janvier 1958 concernant les Fonds de sécurité d'existence;
2° a publiquement fait usage de la dénomination " secrétariat social " pour qualifier un mandataire autre que ceux qui, conformément aux dispositions fixées par le Roi, sont agréés comme secrétariat social en application de l'article 27, § 2, alinéa 4, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Wijzigingen
Afdeling 4. - Financiering van de sociale zekerheid
Section 4. - Le financement de la sécurité sociale
Art. 218. Niet betaling van de diverse bijdragen aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :
1° nagelaten heeft de voorschotten van sociale zekerheidsbijdragen en de sociale zekerheidsbijdragen te storten aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid binnen de door de Koning vastgestelde termijn, met toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° de bijzondere werkgeversbijdrage op de aanvullende vergoeding in het kader van het conventioneel brugpensioen niet binnen de in 1° bedoelde termijnen heeft gestort aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, met toepassing van de wet van 27 december 2006 (I) houdende diverse bepalingen;
3° de bijzondere werkgeversbijdrage op de aanvullende vergoeding bij sommige sociale zekerheidsuitkeringen niet binnen de in 1° bedoelde termijnen heeft gestort aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, met toepassing van de wet van 27 december 2006 (I) houdende diverse bepalingen;
4° de bijzondere compenserende maandelijkse werkgeversbijdrage niet binnen de in 1° bedoelde termijnen heeft gestort aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, met toepassing van de wet van 27 december 2006 (I) houdende diverse bepalingen;
5° in strijd met de wet van 27 december 2006 (I) houdende diverse bepalingen, de inhouding op de aanvullende vergoeding in het raam van een conventioneel brugpensioen of op de aanvullende vergoeding bij sommige sociale zekerheidsuitkeringen niet elk kwartaal heeft gestort aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
6° de verschillende bijdragen, gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage verschuldigd krachtens de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers niet heeft gestort;
[1 7° in strijd met het koninklijk besluit van 23 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een solidariteitsbijdrage op de tewerkstelling van studenten die niet onderworpen zijn aan het stelsel van sociale zekerheid van de werknemers, met toepassing van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, de solidariteitsbijdrage op het loon van studenten, bedoeld in artikel 17bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, niet heeft gestort binnen de door de Koning vastgestelde termijnen in uitvoering van de voormelde wet van 26 juli 1996;
8° de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid die verschuldigd is krachtens de artikelen 106 tot 112 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, niet gestort heeft;
9° heeft nagelaten de bijzondere bijdrage te betalen die verschuldigd is krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 november 1996 tot instelling van een bijzondere werkgeversbijdrage ter financiering van het stelsel van de tijdelijke werkloosheid en de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, in toepassing van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie;
10° heeft nagelaten de bijdragen bedoeld in artikel 38 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers te storten.]1
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :
1° nagelaten heeft de voorschotten van sociale zekerheidsbijdragen en de sociale zekerheidsbijdragen te storten aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid binnen de door de Koning vastgestelde termijn, met toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° de bijzondere werkgeversbijdrage op de aanvullende vergoeding in het kader van het conventioneel brugpensioen niet binnen de in 1° bedoelde termijnen heeft gestort aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, met toepassing van de wet van 27 december 2006 (I) houdende diverse bepalingen;
3° de bijzondere werkgeversbijdrage op de aanvullende vergoeding bij sommige sociale zekerheidsuitkeringen niet binnen de in 1° bedoelde termijnen heeft gestort aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, met toepassing van de wet van 27 december 2006 (I) houdende diverse bepalingen;
4° de bijzondere compenserende maandelijkse werkgeversbijdrage niet binnen de in 1° bedoelde termijnen heeft gestort aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, met toepassing van de wet van 27 december 2006 (I) houdende diverse bepalingen;
5° in strijd met de wet van 27 december 2006 (I) houdende diverse bepalingen, de inhouding op de aanvullende vergoeding in het raam van een conventioneel brugpensioen of op de aanvullende vergoeding bij sommige sociale zekerheidsuitkeringen niet elk kwartaal heeft gestort aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
6° de verschillende bijdragen, gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage verschuldigd krachtens de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers niet heeft gestort;
[1 7° in strijd met het koninklijk besluit van 23 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een solidariteitsbijdrage op de tewerkstelling van studenten die niet onderworpen zijn aan het stelsel van sociale zekerheid van de werknemers, met toepassing van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, de solidariteitsbijdrage op het loon van studenten, bedoeld in artikel 17bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, niet heeft gestort binnen de door de Koning vastgestelde termijnen in uitvoering van de voormelde wet van 26 juli 1996;
8° de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid die verschuldigd is krachtens de artikelen 106 tot 112 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, niet gestort heeft;
9° heeft nagelaten de bijzondere bijdrage te betalen die verschuldigd is krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 november 1996 tot instelling van een bijzondere werkgeversbijdrage ter financiering van het stelsel van de tijdelijke werkloosheid en de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, in toepassing van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie;
10° heeft nagelaten de bijdragen bedoeld in artikel 38 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers te storten.]1
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 218. Le non-paiement de diverses cotisations à l'Office national de sécurité sociale
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui :
1° n'a pas versé à l'Office national de sécurité sociale les provisions de cotisations de sécurité sociale et les cotisations de sécurité sociale dans les délais fixés par le Roi en application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
2° n'a pas versé la cotisation patronale spéciale sur l'indemnité complémentaire dans le cadre de la prépension conventionnelle à l'Office national de sécurité sociale, dans les délais visés au 1° en application de la loi du 27 décembre 2006 (I) portant des dispositions diverses;
3° n'a pas versé la cotisation patronale spéciale sur l'indemnité complémentaire à certaines allocations de sécurité sociale à l'Office national de sécurité sociale, dans les délais visés au 1°, en application de la loi du 27 décembre 2006 (I) portant des dispositions diverses;
4° n'a pas versé la cotisation patronale spéciale compensatoire mensuelle à l'Office national de sécurité sociale, dans les délais visés au 1°, en application de la loi du 27 décembre 2006 (I) portant des dispositions diverses;
5° en contravention à la loi du 27 décembre 2006 (I) portant des dispositions diverses, n'a pas versé trimestriellement la retenue sur l'indemnité complémentaire dans le cadre d'une prépension conventionnelle ou sur l'indemnité complémentaire à certaines allocations de sécurité sociale à l'Office national de sécurité sociale;
6° n'a pas versé les différentes cotisations, assimilées à une cotisation de sécurité sociale, dues en application de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés;
[1 7° en contravention à l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant des mesures en vue de l'instauration d'une cotisation de solidarité pour l'occupation d'étudiants non assujettis au régime de la sécurité sociale des travailleurs salariés, en application de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne, n'a pas versé, dans les délais fixés par le Roi en exécution de la loi précitée du 26 juillet 1996, la cotisation de solidarité sur la rémunération des étudiants visés à l'article 17bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
8° n'a pas versé la cotisation spéciale pour la sécurité sociale, due en application des articles 106 à 112 de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales;
9° n'a pas versé la cotisation particulière, due en application de l'article 2 de l'arrêté royal du 27 novembre 1996 instaurant une cotisation patronale particulière en vue de financer le régime du chômage temporaire et du complément d'ancienneté pour les chômeurs âgés, en application de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne;
10° n'a pas versé les cotisations visées à l'article 38 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.]1
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui :
1° n'a pas versé à l'Office national de sécurité sociale les provisions de cotisations de sécurité sociale et les cotisations de sécurité sociale dans les délais fixés par le Roi en application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
2° n'a pas versé la cotisation patronale spéciale sur l'indemnité complémentaire dans le cadre de la prépension conventionnelle à l'Office national de sécurité sociale, dans les délais visés au 1° en application de la loi du 27 décembre 2006 (I) portant des dispositions diverses;
3° n'a pas versé la cotisation patronale spéciale sur l'indemnité complémentaire à certaines allocations de sécurité sociale à l'Office national de sécurité sociale, dans les délais visés au 1°, en application de la loi du 27 décembre 2006 (I) portant des dispositions diverses;
4° n'a pas versé la cotisation patronale spéciale compensatoire mensuelle à l'Office national de sécurité sociale, dans les délais visés au 1°, en application de la loi du 27 décembre 2006 (I) portant des dispositions diverses;
5° en contravention à la loi du 27 décembre 2006 (I) portant des dispositions diverses, n'a pas versé trimestriellement la retenue sur l'indemnité complémentaire dans le cadre d'une prépension conventionnelle ou sur l'indemnité complémentaire à certaines allocations de sécurité sociale à l'Office national de sécurité sociale;
6° n'a pas versé les différentes cotisations, assimilées à une cotisation de sécurité sociale, dues en application de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés;
[1 7° en contravention à l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant des mesures en vue de l'instauration d'une cotisation de solidarité pour l'occupation d'étudiants non assujettis au régime de la sécurité sociale des travailleurs salariés, en application de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne, n'a pas versé, dans les délais fixés par le Roi en exécution de la loi précitée du 26 juillet 1996, la cotisation de solidarité sur la rémunération des étudiants visés à l'article 17bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
8° n'a pas versé la cotisation spéciale pour la sécurité sociale, due en application des articles 106 à 112 de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales;
9° n'a pas versé la cotisation particulière, due en application de l'article 2 de l'arrêté royal du 27 novembre 1996 instaurant une cotisation patronale particulière en vue de financer le régime du chômage temporaire et du complément d'ancienneté pour les chômeurs âgés, en application de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne;
10° n'a pas versé les cotisations visées à l'article 38 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.]1
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 219. Niet-betaling van de bijdragen aan andere organen die werkzaam zijn onder de verschillende socialezekerheidsregelingen of een bedrijfstak
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :
a) het bedrag van de aanvullende bijdrage niet heeft gestort binnen de maand volgend op het kwartaal waarin de bijdrage werd gevraagd door het kinderbijslagfonds waarbij hij is aangesloten, met toepassing van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939;
b) [4 ...]4
c) [4 ...]4
2° [4 ...]4
3° [4 ...]4
[4 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft:
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die:
a) de bijdragen en premies verschuldigd met toepassing van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 niet heeft gestort aan Fedris binnen de door de Koning vastgestelde termijn;
b) de solidariteitsbijdrage niet heeft gestort aan Fedris, die hij verschuldigd is in toepassing van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970;
2° de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die:
a) hetzij de volledige verplichte bijdrage niet heeft betaald hetzij niet binnen de termijnen heeft betaald aan het Fonds voor scheepsjongens, met toepassing van de wet van 23 september 1931 op de aanwerving van het personeel der zeevisserij;
b) de socialezekerheidsbijdragen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid niet heeft gestort binnen de door de Koning vastgestelde termijn, met toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en de uitvoeringsbesluiten ervan;
3° de natuurlijke of rechtspersonen die als hoofdzakelijke of bijkomstige bedrijvigheid de diamanthandel of de diamantnijverheid hebben en de personen die ruwe diamant invoeren, die respectievelijk de bijdrage en de compensatiebijdrage niet hebben betaald aan het Intern compensatiefonds voor de diamantsector volgens de nadere regels en de termijnen bepaald door de Koning, met toepassing van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een Intern compensatiefonds voor de diamantsector.]4
[4 Wat de in dit artikel bedoelde inbreuken betreft wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]4
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :
a) het bedrag van de aanvullende bijdrage niet heeft gestort binnen de maand volgend op het kwartaal waarin de bijdrage werd gevraagd door het kinderbijslagfonds waarbij hij is aangesloten, met toepassing van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939;
b) [4 ...]4
c) [4 ...]4
2° [4 ...]4
3° [4 ...]4
[4 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft:
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die:
a) de bijdragen en premies verschuldigd met toepassing van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 niet heeft gestort aan Fedris binnen de door de Koning vastgestelde termijn;
b) de solidariteitsbijdrage niet heeft gestort aan Fedris, die hij verschuldigd is in toepassing van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970;
2° de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die:
a) hetzij de volledige verplichte bijdrage niet heeft betaald hetzij niet binnen de termijnen heeft betaald aan het Fonds voor scheepsjongens, met toepassing van de wet van 23 september 1931 op de aanwerving van het personeel der zeevisserij;
b) de socialezekerheidsbijdragen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid niet heeft gestort binnen de door de Koning vastgestelde termijn, met toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en de uitvoeringsbesluiten ervan;
3° de natuurlijke of rechtspersonen die als hoofdzakelijke of bijkomstige bedrijvigheid de diamanthandel of de diamantnijverheid hebben en de personen die ruwe diamant invoeren, die respectievelijk de bijdrage en de compensatiebijdrage niet hebben betaald aan het Intern compensatiefonds voor de diamantsector volgens de nadere regels en de termijnen bepaald door de Koning, met toepassing van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een Intern compensatiefonds voor de diamantsector.]4
[4 Wat de in dit artikel bedoelde inbreuken betreft wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]4
Art. 219. Le non-paiement des cotisations aux autres organismes relevant des différents régimes de sécurité sociale ou d'un secteur d'activité
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui :
a) n'a pas versé le montant de la cotisation supplémentaire dans le mois qui suit le trimestre au cours duquel la cotisation a été réclamée par la caisse d'allocations familiales à laquelle il est affilié en application des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939;
b) [4 ...]4
c) [4 ...]4
2° [4 ...]4
3° [4 ...]4
[4 Est puni d'une sanction de niveau 3:
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui:
a) n'a pas versé à Fedris, dans les délais prescrits par le Roi, les cotisations et les primes dont il est redevable en application de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail;
b) n'a pas versé à Fedris la cotisation de solidarité dont il est redevable en application des lois relatives à la prévention des maladies professionnelles et à la réparation des dommages résultant de celles-ci, coordonnées le 3 juin 1970;
2° l'armateur, son préposé ou son mandataire qui:
a) n'a pas payé ou n'a pas payé dans les délais la totalité de la cotisation obligatoire au Fonds des mousses en application de la loi du 23 septembre 1931 sur le recrutement du personnel de la pêche maritime;
b) n'a pas versé à l'Office national de sécurité sociale les cotisations de sécurité sociale dans les délais fixés par le Roi, en application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et de ses arrêtés d'exécution;
3° les personnes physiques ou morales ayant l'industrie ou le commerce du diamant comme activité principale ou accessoire et les personnes important du diamant brut qui n'ont pas payé respectivement la cotisation et la cotisation de compensation au Fonds de compensation interne pour le secteur du diamant selon les modalités et dans les délais définis par le Roi en application de la loi du 12 avril 1960 portant création d'un Fonds de compensation interne pour le secteur du diamant.]4
[4 En ce qui concerne les infractions visées dans le présent article, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]4
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui :
a) n'a pas versé le montant de la cotisation supplémentaire dans le mois qui suit le trimestre au cours duquel la cotisation a été réclamée par la caisse d'allocations familiales à laquelle il est affilié en application des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939;
b) [4 ...]4
c) [4 ...]4
2° [4 ...]4
3° [4 ...]4
[4 Est puni d'une sanction de niveau 3:
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui:
a) n'a pas versé à Fedris, dans les délais prescrits par le Roi, les cotisations et les primes dont il est redevable en application de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail;
b) n'a pas versé à Fedris la cotisation de solidarité dont il est redevable en application des lois relatives à la prévention des maladies professionnelles et à la réparation des dommages résultant de celles-ci, coordonnées le 3 juin 1970;
2° l'armateur, son préposé ou son mandataire qui:
a) n'a pas payé ou n'a pas payé dans les délais la totalité de la cotisation obligatoire au Fonds des mousses en application de la loi du 23 septembre 1931 sur le recrutement du personnel de la pêche maritime;
b) n'a pas versé à l'Office national de sécurité sociale les cotisations de sécurité sociale dans les délais fixés par le Roi, en application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et de ses arrêtés d'exécution;
3° les personnes physiques ou morales ayant l'industrie ou le commerce du diamant comme activité principale ou accessoire et les personnes important du diamant brut qui n'ont pas payé respectivement la cotisation et la cotisation de compensation au Fonds de compensation interne pour le secteur du diamant selon les modalités et dans les délais définis par le Roi en application de la loi du 12 avril 1960 portant création d'un Fonds de compensation interne pour le secteur du diamant.]4
[4 En ce qui concerne les infractions visées dans le présent article, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]4
Art. 219 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Niet-betaling van de bijdragen aan andere organen die werkzaam zijn onder de verschillende socialezekerheidsregelingen of een bedrijfstak
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :
a) [4 ...]4
b)[5 ...]5
c) [5 ...]5
2° [5 ...]5
3° [5 ...]5
[5 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft:
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die:
a) de bijdragen en premies verschuldigd met toepassing van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 niet heeft gestort aan Fedris binnen de door de Koning vastgestelde termijn;
b) de solidariteitsbijdrage niet heeft gestort aan Fedris, die hij verschuldigd is in toepassing van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970;
2° de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die:
a) hetzij de volledige verplichte bijdrage niet heeft betaald hetzij niet binnen de termijnen heeft betaald aan het Fonds voor scheepsjongens, met toepassing van de wet van 23 september 1931 op de aanwerving van het personeel der zeevisserij;
b) de socialezekerheidsbijdragen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid niet heeft gestort binnen de door de Koning vastgestelde termijn, met toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en de uitvoeringsbesluiten ervan;
3° de natuurlijke of rechtspersonen die als hoofdzakelijke of bijkomstige bedrijvigheid de diamanthandel of de diamantnijverheid hebben en de personen die ruwe diamant invoeren, die respectievelijk de bijdrage en de compensatiebijdrage niet hebben betaald aan het Intern compensatiefonds voor de diamantsector volgens de nadere regels en de termijnen bepaald door de Koning, met toepassing van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een Intern compensatiefonds voor de diamantsector.]5
[5 Wat de in dit artikel bedoelde inbreuken betreft wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]5
Niet-betaling van de bijdragen aan andere organen die werkzaam zijn onder de verschillende socialezekerheidsregelingen of een bedrijfstak
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :
a) [4 ...]4
b)[5 ...]5
c) [5 ...]5
2° [5 ...]5
3° [5 ...]5
[5 Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft:
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die:
a) de bijdragen en premies verschuldigd met toepassing van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 niet heeft gestort aan Fedris binnen de door de Koning vastgestelde termijn;
b) de solidariteitsbijdrage niet heeft gestort aan Fedris, die hij verschuldigd is in toepassing van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970;
2° de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die:
a) hetzij de volledige verplichte bijdrage niet heeft betaald hetzij niet binnen de termijnen heeft betaald aan het Fonds voor scheepsjongens, met toepassing van de wet van 23 september 1931 op de aanwerving van het personeel der zeevisserij;
b) de socialezekerheidsbijdragen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid niet heeft gestort binnen de door de Koning vastgestelde termijn, met toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en de uitvoeringsbesluiten ervan;
3° de natuurlijke of rechtspersonen die als hoofdzakelijke of bijkomstige bedrijvigheid de diamanthandel of de diamantnijverheid hebben en de personen die ruwe diamant invoeren, die respectievelijk de bijdrage en de compensatiebijdrage niet hebben betaald aan het Intern compensatiefonds voor de diamantsector volgens de nadere regels en de termijnen bepaald door de Koning, met toepassing van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een Intern compensatiefonds voor de diamantsector.]5
[5 Wat de in dit artikel bedoelde inbreuken betreft wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]5
Wijzigingen
Art. 219 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le non-paiement des cotisations aux autres organismes relevant des différents régimes de sécurité sociale ou d'un secteur d'activité
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui :
a) [4 ...]4
b) [5 ...]5
c) [5 ...]5
2° [5 ...]5
3° [5 ...]5
[5 Est puni d'une sanction de niveau 3:
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui:
a) n'a pas versé à Fedris, dans les délais prescrits par le Roi, les cotisations et les primes dont il est redevable en application de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail;
b) n'a pas versé à Fedris la cotisation de solidarité dont il est redevable en application des lois relatives à la prévention des maladies professionnelles et à la réparation des dommages résultant de celles-ci, coordonnées le 3 juin 1970;
2° l'armateur, son préposé ou son mandataire qui:
a) n'a pas payé ou n'a pas payé dans les délais la totalité de la cotisation obligatoire au Fonds des mousses en application de la loi du 23 septembre 1931 sur le recrutement du personnel de la pêche maritime;
b) n'a pas versé à l'Office national de sécurité sociale les cotisations de sécurité sociale dans les délais fixés par le Roi, en application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et de ses arrêtés d'exécution;
3° les personnes physiques ou morales ayant l'industrie ou le commerce du diamant comme activité principale ou accessoire et les personnes important du diamant brut qui n'ont pas payé respectivement la cotisation et la cotisation de compensation au Fonds de compensation interne pour le secteur du diamant selon les modalités et dans les délais définis par le Roi en application de la loi du 12 avril 1960 portant création d'un Fonds de compensation interne pour le secteur du diamant.]5
[5 En ce qui concerne les infractions visées dans le présent article, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]5
Le non-paiement des cotisations aux autres organismes relevant des différents régimes de sécurité sociale ou d'un secteur d'activité
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui :
a) [4 ...]4
b) [5 ...]5
c) [5 ...]5
2° [5 ...]5
3° [5 ...]5
[5 Est puni d'une sanction de niveau 3:
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui:
a) n'a pas versé à Fedris, dans les délais prescrits par le Roi, les cotisations et les primes dont il est redevable en application de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail;
b) n'a pas versé à Fedris la cotisation de solidarité dont il est redevable en application des lois relatives à la prévention des maladies professionnelles et à la réparation des dommages résultant de celles-ci, coordonnées le 3 juin 1970;
2° l'armateur, son préposé ou son mandataire qui:
a) n'a pas payé ou n'a pas payé dans les délais la totalité de la cotisation obligatoire au Fonds des mousses en application de la loi du 23 septembre 1931 sur le recrutement du personnel de la pêche maritime;
b) n'a pas versé à l'Office national de sécurité sociale les cotisations de sécurité sociale dans les délais fixés par le Roi, en application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et de ses arrêtés d'exécution;
3° les personnes physiques ou morales ayant l'industrie ou le commerce du diamant comme activité principale ou accessoire et les personnes important du diamant brut qui n'ont pas payé respectivement la cotisation et la cotisation de compensation au Fonds de compensation interne pour le secteur du diamant selon les modalités et dans les délais définis par le Roi en application de la loi du 12 avril 1960 portant création d'un Fonds de compensation interne pour le secteur du diamant.]5
[5 En ce qui concerne les infractions visées dans le présent article, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]5
Wijzigingen
Art. 220. Niet-betaling van bijdragen aan het Fonds voor bestaanszekerheid
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding met de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid en met de bepalingen van de bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, geen bijdrage heeft gestort aan het Fonds voor bestaanszekerheid binnen de termijnen en volgens de nadere regels die voorgeschreven zijn door zijn statuten.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie [1 van niveau 3]1 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding met de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid en met de bepalingen van de bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, geen bijdrage heeft gestort aan het Fonds voor bestaanszekerheid binnen de termijnen en volgens de nadere regels die voorgeschreven zijn door zijn statuten.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 220. Le non-paiement de cotisations au Fonds de sécurité d'existence
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 7 janvier 1958 concernant les Fonds de sécurité d'existence et aux dispositions d'une convention collective de travail rendue obligatoire par arrêté royal, n'a pas versé la cotisation au Fonds de sécurité d'existence dans les délais et selon les modalités prescrites par ses statuts.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction [1 de niveau 3]1, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 7 janvier 1958 concernant les Fonds de sécurité d'existence et aux dispositions d'une convention collective de travail rendue obligatoire par arrêté royal, n'a pas versé la cotisation au Fonds de sécurité d'existence dans les délais et selon les modalités prescrites par ses statuts.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 220/1. [1 Kosteloosheid van de voordelen toegekend door de Fondsen voor bestaanszekerheid
Met een sanctie van niveau 2 worden bestraft, de Fondsen voor bestaanszekerheid, hun aangestelden of lasthebbers die, in strijd met het artikel 5bis van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid, niet de kosteloosheid waarborgen van de voordelen toegekend door de Fondsen voor bestaanszekerheid aan de rechthebbende door hen, op enigerwijze, kosten ten laste te leggen.]1
Met een sanctie van niveau 2 worden bestraft, de Fondsen voor bestaanszekerheid, hun aangestelden of lasthebbers die, in strijd met het artikel 5bis van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid, niet de kosteloosheid waarborgen van de voordelen toegekend door de Fondsen voor bestaanszekerheid aan de rechthebbende door hen, op enigerwijze, kosten ten laste te leggen.]1
Art. 220/1. [1 La gratuité des avantages octroyés par les Fonds de sécurité d'existence
Sont punis d'une sanction de niveau 2, les Fonds de sécurité d'existence, leurs préposés ou leurs mandataires qui, en contravention à l'article 5bis de la loi du 7 janvier 1958 concernant les Fonds de sécurité d'existence, ne garantissent pas la gratuité des avantages octroyés par les Fonds de sécurité d'existence aux bénéficiaires en mettant à leur charge des frais d'une manière ou d'une autre.]1
Sont punis d'une sanction de niveau 2, les Fonds de sécurité d'existence, leurs préposés ou leurs mandataires qui, en contravention à l'article 5bis de la loi du 7 janvier 1958 concernant les Fonds de sécurité d'existence, ne garantissent pas la gratuité des avantages octroyés par les Fonds de sécurité d'existence aux bénéficiaires en mettant à leur charge des frais d'une manière ou d'une autre.]1
Art. 220/1/1. [1 De inning van socialezekerheidsbijdragen
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft eenieder die, al wie zonder erkend te zijn als sociaal secretariaat, socialezekerheidsbijdragen int bij werkgevers.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, het sociaal secretariaat, de aangestelde of de lasthebber ervan dat werkgeversbijdragen anders dan in giraal geld int.]1
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft eenieder die, al wie zonder erkend te zijn als sociaal secretariaat, socialezekerheidsbijdragen int bij werkgevers.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, het sociaal secretariaat, de aangestelde of de lasthebber ervan dat werkgeversbijdragen anders dan in giraal geld int.]1
Art. 220/1/1. [1 La perception des cotisations sociales
Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque qui, sans être agréé comme secrétariat social, perçoit des cotisations sociales chez des employeurs.
Est puni d'une sanction de niveau 4, le secrétariat social, son préposé ou son mandataire, qui perçoit des cotisations sociales autrement que de manière scripturale.]1
Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque qui, sans être agréé comme secrétariat social, perçoit des cotisations sociales chez des employeurs.
Est puni d'une sanction de niveau 4, le secrétariat social, son préposé ou son mandataire, qui perçoit des cotisations sociales autrement que de manière scripturale.]1
Afdeling 4/1. [1 Het "Terug Naar Werk-fonds"]1
Section 4/1. [1 Le "Fonds Retour Au Travail"]1
Art. 220/2. [1 Het "Terug-Naar-Werk-fonds"
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding met hoofdstuk 3 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan:
1° de in artikel 10, § 1, van voornoemde wet van 2001 bedoelde gegevens niet of niet binnen de bij de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan bepaalde termijnen en nadere regels aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering heeft meegedeeld;
2° het bedrag van 1.800 euro niet heeft betaald aan het "Terug Naar Werk-fonds" bedoeld in artikel 110/2 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 of het bedrag niet heeft betaald volgens de nadere regels vastgesteld door de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Wat de in het eerste lid bedoelde inbreuken betreft, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding met hoofdstuk 3 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan:
1° de in artikel 10, § 1, van voornoemde wet van 2001 bedoelde gegevens niet of niet binnen de bij de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan bepaalde termijnen en nadere regels aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering heeft meegedeeld;
2° het bedrag van 1.800 euro niet heeft betaald aan het "Terug Naar Werk-fonds" bedoeld in artikel 110/2 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 of het bedrag niet heeft betaald volgens de nadere regels vastgesteld door de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Wat de in het eerste lid bedoelde inbreuken betreft, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Art. 220/2. [1 Le "Fonds Retour Au Travail"
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention au chapitre 3 de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs et ses arrêtés d'exécution:
1° n'a pas communiqué les informations visées à l'article 10, § 1er, de la loi précitée de 2001 à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité ou ne les a pas communiquées dans les délais et selon les modalités fixées par la loi et ses arrêtés d'exécution;
2° n'a pas versé le montant de 1.800 euros au "Fonds Retour Au Travail" visé à l'article 110/2 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ou ne l'a pas versé selon les modalités fixées par la loi et ses arrêtés d'exécution.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention au chapitre 3 de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs et ses arrêtés d'exécution:
1° n'a pas communiqué les informations visées à l'article 10, § 1er, de la loi précitée de 2001 à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité ou ne les a pas communiquées dans les délais et selon les modalités fixées par la loi et ses arrêtés d'exécution;
2° n'a pas versé le montant de 1.800 euros au "Fonds Retour Au Travail" visé à l'article 110/2 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ou ne l'a pas versé selon les modalités fixées par la loi et ses arrêtés d'exécution.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Afdeling 5. - Bedrieglijke onderwerping
Section 5. - L'assujettissement frauduleux
Art. 221. Bedrieglijke onderwerping
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :
1° een of meer personen bedrieglijk heeft onderworpen aan de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° een of meer personen bedrieglijk heeft onderworpen aan de toepassing van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de zeelieden ter koopvaardij.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :
1° een of meer personen bedrieglijk heeft onderworpen aan de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° een of meer personen bedrieglijk heeft onderworpen aan de toepassing van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de zeelieden ter koopvaardij.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.
Art. 221. L'assujettissement frauduleux
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui :
1° a assujetti frauduleusement une ou plusieurs personnes à l'application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
2° a assujetti frauduleusement une ou plusieurs personnes à l'application de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui :
1° a assujetti frauduleusement une ou plusieurs personnes à l'application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
2° a assujetti frauduleusement une ou plusieurs personnes à l'application de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Le juge peut en outre prononcer les peines prévues aux articles 106 et 107.
Afdeling 6. - Betrekkingen tussen de verschillende instellingen voor sociale zekerheid
Section 6. - Les relations entre les différentes institutions de sécurité sociale
Art. 222. [1 Betrekkingen tussen de verschillende instellingen voor sociale zekerheid
Met een sanctie van niveau 1 worden bestraft :
1° de verzekeringsondernemingen, de commissarissen, die :
a) hebben nagelaten, op de wijze en binnen de termijnen zoals bepaald door de Koning, de elementen die zijn vermeld in de aangifte van het ongeval en de elementen die betrekking hebben op de regeling van het ongeval te bezorgen [2 aan Fedris]2, met toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
b) hebben nagelaten [3 Fedris]3 binnen dertig dagen die volgen op de ontvangst van de aangifte van het ongeval op de hoogte te brengen van hun weigering het ongeval ten laste te nemen of van hun twijfel in verband met de toepassing van voormelde wet van 10 april 1971 op het ongeval;
2° diegene die schadeloosstelling verschuldigd is en die, in strijd met de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, nalaat de verzekeringsinstelling in te lichten dat hij de rechthebbende zal schadeloos stellen.]1
Met een sanctie van niveau 1 worden bestraft :
1° de verzekeringsondernemingen, de commissarissen, die :
a) hebben nagelaten, op de wijze en binnen de termijnen zoals bepaald door de Koning, de elementen die zijn vermeld in de aangifte van het ongeval en de elementen die betrekking hebben op de regeling van het ongeval te bezorgen [2 aan Fedris]2, met toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
b) hebben nagelaten [3 Fedris]3 binnen dertig dagen die volgen op de ontvangst van de aangifte van het ongeval op de hoogte te brengen van hun weigering het ongeval ten laste te nemen of van hun twijfel in verband met de toepassing van voormelde wet van 10 april 1971 op het ongeval;
2° diegene die schadeloosstelling verschuldigd is en die, in strijd met de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, nalaat de verzekeringsinstelling in te lichten dat hij de rechthebbende zal schadeloos stellen.]1
Art. 222. [1 Les relations entre les différentes institutions de sécurité sociale
Sont punis d'une sanction de niveau 1 :
1° les entreprises d'assurances, les commissaires qui :
a) n'ont pas transmis, de la manière et dans les délais fixés par le Roi, les éléments repris dans la déclaration d'accident et les éléments qui se rapportent au règlement de l'accident [2 à Fedris]2 en application de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail;
b) n'ont pas prévenu [3 Fedris]3 dans les trente jours qui suivent la réception de la déclaration d'accident de leur refus de prendre l'accident en charge ou du doute qu'ils ont quant à l'application à l'accident de la loi précitée du 10 avril 1971;
2° le débiteur de la réparation qui, en contravention à la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, omet d'informer l'organisme assureur qu'il va indemniser le bénéficiaire.]1
Sont punis d'une sanction de niveau 1 :
1° les entreprises d'assurances, les commissaires qui :
a) n'ont pas transmis, de la manière et dans les délais fixés par le Roi, les éléments repris dans la déclaration d'accident et les éléments qui se rapportent au règlement de l'accident [2 à Fedris]2 en application de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail;
b) n'ont pas prévenu [3 Fedris]3 dans les trente jours qui suivent la réception de la déclaration d'accident de leur refus de prendre l'accident en charge ou du doute qu'ils ont quant à l'application à l'accident de la loi précitée du 10 avril 1971;
2° le débiteur de la réparation qui, en contravention à la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, omet d'informer l'organisme assureur qu'il va indemniser le bénéficiaire.]1
Afdeling 7. - Verzending van documenten door de werkgevers aan de instellingen
Section 7. - La transmission de documents aux institutions par les employeurs
Art. 223. Verzending van documenten door de werkgevers aan de instellingen
§ 1. Met een sanctie [4 van niveau 3]4 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten een aangifte met verantwoording van het bedrag van de verschuldigde socialezekerheidsbijdragen te bezorgen aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, met toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
[4 1°/1 de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die geen verklaring tot verantwoording van het bedrag van de socialezekerheidsbijdragen die verschuldigd zijn in toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, opgesteld heeft;]4
2° de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten aan de [3 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]3 een uitvoerige staat te bezorgen van de inhoudingen en de stortingen die hij is verschuldigd, met toepassing van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij;
3° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten een aangifte te doen bij de bevoegde verzekeraar op de wijze en binnen de termijnen bepaald door de Koning [1 ...]1 van ieder ongeval dat aanleiding kan geven tot de toepassing van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
Wanneer die feiten wetens en willens werden gepleegd is de sanctie [4 van niveau 4]4.
Voor de in het eerste lid [2 bedoelde inbreuken]2, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever die heeft nagelaten de inlichtingenstaat die nodig is voor het berekenen van de verschuldigde aanvullende bijdragen regelmatig en binnen een termijn die door het desbetreffende reglement is bepaald, te bezorgen aan het kinderbijslagfonds waarbij hij is aangesloten, met toepassing van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuk, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 1. Met een sanctie [4 van niveau 3]4 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten een aangifte met verantwoording van het bedrag van de verschuldigde socialezekerheidsbijdragen te bezorgen aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, met toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
[4 1°/1 de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die geen verklaring tot verantwoording van het bedrag van de socialezekerheidsbijdragen die verschuldigd zijn in toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, opgesteld heeft;]4
2° de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten aan de [3 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]3 een uitvoerige staat te bezorgen van de inhoudingen en de stortingen die hij is verschuldigd, met toepassing van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij;
3° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten een aangifte te doen bij de bevoegde verzekeraar op de wijze en binnen de termijnen bepaald door de Koning [1 ...]1 van ieder ongeval dat aanleiding kan geven tot de toepassing van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
Wanneer die feiten wetens en willens werden gepleegd is de sanctie [4 van niveau 4]4.
Voor de in het eerste lid [2 bedoelde inbreuken]2, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de werkgever die heeft nagelaten de inlichtingenstaat die nodig is voor het berekenen van de verschuldigde aanvullende bijdragen regelmatig en binnen een termijn die door het desbetreffende reglement is bepaald, te bezorgen aan het kinderbijslagfonds waarbij hij is aangesloten, met toepassing van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuk, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 223. La transmission de documents aux institutions par les employeurs
§ 1er. Est puni d'une sanction [4 de niveau 3]4 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas fait parvenir à l'Office national de sécurité sociale une déclaration justificative du montant des cotisations de sécurité sociale dues en application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
[4 1°/1 l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas établi de déclaration justificative du montant des cotisations de sécurité sociale dues en application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;]4
2° l'armateur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas fait parvenir à [3 L'Office national de sécurité sociale]3 un état détaillé des retenues opérées et des versements dont il est redevable en application de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande;
3° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas déclaré, de la manière et dans les délais fixés par le Roi, à l'assureur compétent [1 ...]1 tout accident qui peut donner lieu à l'application de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
Lorsque les faits sont commis sciemment et volontairement, la sanction est [4 de niveau 4]4.
En ce qui concerne [2 les infractions visées]2 à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui n'a pas fait régulièrement parvenir, dans le délai fixé par le règlement sur la matière, l'état de renseignements nécessaires pour calculer les cotisations supplémentaires dont il est redevable à la caisse d'allocations familiales à laquelle il est affilié en application des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939.
En ce qui concerne l'infraction visée à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 1er. Est puni d'une sanction [4 de niveau 3]4 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas fait parvenir à l'Office national de sécurité sociale une déclaration justificative du montant des cotisations de sécurité sociale dues en application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
[4 1°/1 l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas établi de déclaration justificative du montant des cotisations de sécurité sociale dues en application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;]4
2° l'armateur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas fait parvenir à [3 L'Office national de sécurité sociale]3 un état détaillé des retenues opérées et des versements dont il est redevable en application de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande;
3° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas déclaré, de la manière et dans les délais fixés par le Roi, à l'assureur compétent [1 ...]1 tout accident qui peut donner lieu à l'application de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
Lorsque les faits sont commis sciemment et volontairement, la sanction est [4 de niveau 4]4.
En ce qui concerne [2 les infractions visées]2 à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1, l'employeur qui n'a pas fait régulièrement parvenir, dans le délai fixé par le règlement sur la matière, l'état de renseignements nécessaires pour calculer les cotisations supplémentaires dont il est redevable à la caisse d'allocations familiales à laquelle il est affilié en application des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939.
En ce qui concerne l'infraction visée à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Art. 223 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Verzending van documenten door de werkgevers aan de instellingen
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten een aangifte met verantwoording van het bedrag van de verschuldigde socialezekerheidsbijdragen te bezorgen aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, met toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten aan de [3 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]3 een uitvoerige staat te bezorgen van de inhoudingen en de stortingen die hij is verschuldigd, met toepassing van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij;
3° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten een aangifte te doen bij de bevoegde verzekeraar op de wijze en binnen de termijnen bepaald door de Koning [1 ...]1 van ieder ongeval dat aanleiding kan geven tot de toepassing van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
Wanneer die feiten wetens en willens werden gepleegd is de sanctie van niveau 3.
Voor de in het eerste lid [2 bedoelde inbreuken]2, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. [4 ...]4
Verzending van documenten door de werkgevers aan de instellingen
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten een aangifte met verantwoording van het bedrag van de verschuldigde socialezekerheidsbijdragen te bezorgen aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, met toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten aan de [3 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]3 een uitvoerige staat te bezorgen van de inhoudingen en de stortingen die hij is verschuldigd, met toepassing van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij;
3° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten een aangifte te doen bij de bevoegde verzekeraar op de wijze en binnen de termijnen bepaald door de Koning [1 ...]1 van ieder ongeval dat aanleiding kan geven tot de toepassing van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
Wanneer die feiten wetens en willens werden gepleegd is de sanctie van niveau 3.
Voor de in het eerste lid [2 bedoelde inbreuken]2, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. [4 ...]4
Art. 223 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
La transmission de documents aux institutions par les employeurs
§ 1er. Est puni d'une sanction [5 de niveau 3]5:
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas fait parvenir à l'Office national de sécurité sociale une déclaration justificative du montant des cotisations de sécurité sociale dues en application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
[5 1°/1 l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas établi de déclaration justificative du montant des cotisations de sécurité sociale dues en application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;]5
2° l'armateur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas fait parvenir à [3 L'Office national de sécurité sociale]3 un état détaillé des retenues opérées et des versements dont il est redevable en application de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande;
3° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas déclaré, de la manière et dans les délais fixés par le Roi, à l'assureur compétent [1 ...]1 tout accident qui peut donner lieu à l'application de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
Lorsque les faits sont commis sciemment et volontairement, la sanction est [5 de niveau 4]5.
En ce qui concerne [2 les infractions visées]2 à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. [4 ...]4
La transmission de documents aux institutions par les employeurs
§ 1er. Est puni d'une sanction [5 de niveau 3]5:
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas fait parvenir à l'Office national de sécurité sociale une déclaration justificative du montant des cotisations de sécurité sociale dues en application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
[5 1°/1 l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas établi de déclaration justificative du montant des cotisations de sécurité sociale dues en application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;]5
2° l'armateur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas fait parvenir à [3 L'Office national de sécurité sociale]3 un état détaillé des retenues opérées et des versements dont il est redevable en application de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande;
3° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas déclaré, de la manière et dans les délais fixés par le Roi, à l'assureur compétent [1 ...]1 tout accident qui peut donner lieu à l'application de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
Lorsque les faits sont commis sciemment et volontairement, la sanction est [5 de niveau 4]5.
En ce qui concerne [2 les infractions visées]2 à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. [4 ...]4
Wijzigingen
Afdeling 8. - Afgifte aan de werknemer van de documenten inzake geneeskundige verzorging en uitkeringen
Section 8. - La délivrance au travailleur des documents en matière de soins de santé et indemnités
Art. 224. Afgifte aan de werknemer van de documenten inzake geneeskundige verzorging en uitkeringen
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten de rechthebbenden op geneeskundige prestaties of uitkeringen de bescheiden te verschaffen die zij nodig hebben om bij de uitvoeringsinstellingen als bedoeld in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, van hun rechten op de prestaties van de verzekering te doen blijken.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die heeft nagelaten de rechthebbenden op geneeskundige prestaties of uitkeringen de bescheiden te verschaffen die zij nodig hebben om bij de uitvoeringsinstellingen als bedoeld in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, van hun rechten op de prestaties van de verzekering te doen blijken.
Art. 224. La délivrance au travailleur des documents en matière de soins de santé et indemnités
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas fourni, aux titulaires de prestations de santé ou d'indemnités, les documents nécessaires pour prouver leurs droits aux prestations de l'assurance aux organismes d'exécution visés par la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas fourni, aux titulaires de prestations de santé ou d'indemnités, les documents nécessaires pour prouver leurs droits aux prestations de l'assurance aux organismes d'exécution visés par la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
Afdeling 9. - Verplichtingen van de beoefenaars van de geneeskunst
Section 9. - Les obligations des praticiens de l'art de guérir
Art. 225. Verplichtingen van de beoefenaars van de geneeskunst
Met een sanctie van niveau 2 worden bestraft :
1° de beoefenaars van de geneeskunst, de kinesitherapeuten, de verpleegkundigen, de paramedische medewerkers, de beheerders van rustoorden voor bejaarden en de beheerders van de verzorgingsinrichtingen die weigeren aan de rechthebbenden de bescheiden uit te reiken die zijn voorgeschreven door de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en de uitvoeringsbesluiten en -verordeningen ervan;
2° de geneesheren, de tandheelkundigen, de vroedvrouwen, de kinesitherapeuten, de verpleegkundigen, de paramedische medewerkers en de beheerders van verzorgingsinrichtingen die de honoraria en prijzen niet in acht nemen die zijn vastgesteld met toepassing van artikel 52 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel;
3° [1 ...]1
Met een sanctie van niveau 2 worden bestraft :
1° de beoefenaars van de geneeskunst, de kinesitherapeuten, de verpleegkundigen, de paramedische medewerkers, de beheerders van rustoorden voor bejaarden en de beheerders van de verzorgingsinrichtingen die weigeren aan de rechthebbenden de bescheiden uit te reiken die zijn voorgeschreven door de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en de uitvoeringsbesluiten en -verordeningen ervan;
2° de geneesheren, de tandheelkundigen, de vroedvrouwen, de kinesitherapeuten, de verpleegkundigen, de paramedische medewerkers en de beheerders van verzorgingsinrichtingen die de honoraria en prijzen niet in acht nemen die zijn vastgesteld met toepassing van artikel 52 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel;
3° [1 ...]1
Art. 225. Les obligations des praticiens de l'art de guérir
Sont punis d'une sanction de niveau 2 :
1° les praticiens de l'art de guérir, les kinésithérapeutes, les praticiens de l'art infirmier, les auxiliaires paramédicaux, les gestionnaires de maisons de repos pour personnes âgées et les gestionnaires des établissements de soins qui refusent de remettre aux bénéficiaires les documents prescrits par la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 et ses arrêtés et règlements d'exécution;
2° les médecins, les praticiens de l'art dentaire, les accoucheuses, les kinésithérapeutes, les praticiens de l'art infirmier, les auxiliaires paramédicaux et les gestionnaires des établissements de soins qui ne respectent pas les honoraires et les prix fixés en application de l'article 52 de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier;
3° [1 ...]1
Sont punis d'une sanction de niveau 2 :
1° les praticiens de l'art de guérir, les kinésithérapeutes, les praticiens de l'art infirmier, les auxiliaires paramédicaux, les gestionnaires de maisons de repos pour personnes âgées et les gestionnaires des établissements de soins qui refusent de remettre aux bénéficiaires les documents prescrits par la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 et ses arrêtés et règlements d'exécution;
2° les médecins, les praticiens de l'art dentaire, les accoucheuses, les kinésithérapeutes, les praticiens de l'art infirmier, les auxiliaires paramédicaux et les gestionnaires des établissements de soins qui ne respectent pas les honoraires et les prix fixés en application de l'article 52 de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier;
3° [1 ...]1
Wijzigingen
Afdeling 9/1.
Section 9/1
Afdeling 10. - Werkloosheidscontrole
Section 10. - Le contrôle du chômage
Art. 226. Werkloosheidscontrole
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :
a) heeft geweigerd of nagelaten de documenten voorgeschreven door of krachtens het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, op te maken, af te leveren of aan te vullen, volgens de voorwaarden en binnen de termijnen die zijn voorgeschreven door of krachtens datzelfde koninklijk besluit;
b) heeft nagelaten de controleprocedure betreffende het gebruik van het " bewijs van tijdelijke werkloosheid " in acht te nemen, zoals voorgeschreven door of krachtens het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991;
c) onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd aangaande het ontslag, de tijdelijke werkloosheid of de deeltijdse tewerkstelling van een werknemer, met toepassing van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991;
d) heeft nagelaten de inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de werkloosheidscontrole te overhandigen binnen de door de sociaal inspecteur opgelegde termijnen, met toepassing van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991;
e) inlichtingen die nodig zijn voor de werkloosheidscontrole heeft verstrekt welke onjuist of onvolledig zijn, met toepassing van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991;
2° de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :
a) geweigerd heeft de door de Koning getroffen toezichtmaatregelen toe te passen met betrekking tot de werkelijkheid en bestendigheid van de toestand van onvrijwillige werkloosheid, of geweigerd heeft de voor de uitvoering van dit toezicht vereiste inlichtingen te verstrekken, met toepassing van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij;
b) een persoon heeft aangeworven die niet is ingeschreven bij de Pool van de zeelieden ter koopvaardij, terwijl het niet gaat om een geval van overmacht met overtreding van de voormelde besluitwet van 7 februari 1945;
3° de natuurlijke of rechtspersonen, die als hoofdzakelijke of bijkomstige bedrijvigheid de diamanthandel of de diamantnijverheid hebben en de personen die ruwe diamant invoeren en die de door de Koning voorgeschreven boeken, registers en documenten niet hebben bewaard, met toepassing van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een intern compensatiefonds voor de diamantsector;
4° de werkgever die behoort tot het paritair comité van de bouw, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :
a) heeft nagelaten het nummer van de niet-nominatieve controlekaart inzake tijdelijke werkloosheid te vermelden bij de onmiddellijke aangifte van de tewerkstelling aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, volgens de voorwaarden en binnen de termijnen die zijn voorgeschreven door of krachtens het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
b) heeft nagelaten bij de afgifte van een duplicaat van een niet-nominatieve controlekaart inzake tijdelijke werkloosheid het nummer van de kaart en de daarbij horende gegevens mede te delen aan het werkloosheidsbureau dat bevoegd is voor de plaats waar de onderneming gevestigd is, vooraleer hij de kaart afgeeft aan de werkman;
c) [1 ...]1
[2 Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die wetens en willens onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd in verband met de tijdelijke werkloosheid van een werknemer.
Voor de in het eerste en tweede lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]2
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :
a) heeft geweigerd of nagelaten de documenten voorgeschreven door of krachtens het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, op te maken, af te leveren of aan te vullen, volgens de voorwaarden en binnen de termijnen die zijn voorgeschreven door of krachtens datzelfde koninklijk besluit;
b) heeft nagelaten de controleprocedure betreffende het gebruik van het " bewijs van tijdelijke werkloosheid " in acht te nemen, zoals voorgeschreven door of krachtens het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991;
c) onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd aangaande het ontslag, de tijdelijke werkloosheid of de deeltijdse tewerkstelling van een werknemer, met toepassing van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991;
d) heeft nagelaten de inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de werkloosheidscontrole te overhandigen binnen de door de sociaal inspecteur opgelegde termijnen, met toepassing van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991;
e) inlichtingen die nodig zijn voor de werkloosheidscontrole heeft verstrekt welke onjuist of onvolledig zijn, met toepassing van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991;
2° de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :
a) geweigerd heeft de door de Koning getroffen toezichtmaatregelen toe te passen met betrekking tot de werkelijkheid en bestendigheid van de toestand van onvrijwillige werkloosheid, of geweigerd heeft de voor de uitvoering van dit toezicht vereiste inlichtingen te verstrekken, met toepassing van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij;
b) een persoon heeft aangeworven die niet is ingeschreven bij de Pool van de zeelieden ter koopvaardij, terwijl het niet gaat om een geval van overmacht met overtreding van de voormelde besluitwet van 7 februari 1945;
3° de natuurlijke of rechtspersonen, die als hoofdzakelijke of bijkomstige bedrijvigheid de diamanthandel of de diamantnijverheid hebben en de personen die ruwe diamant invoeren en die de door de Koning voorgeschreven boeken, registers en documenten niet hebben bewaard, met toepassing van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een intern compensatiefonds voor de diamantsector;
4° de werkgever die behoort tot het paritair comité van de bouw, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :
a) heeft nagelaten het nummer van de niet-nominatieve controlekaart inzake tijdelijke werkloosheid te vermelden bij de onmiddellijke aangifte van de tewerkstelling aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, volgens de voorwaarden en binnen de termijnen die zijn voorgeschreven door of krachtens het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
b) heeft nagelaten bij de afgifte van een duplicaat van een niet-nominatieve controlekaart inzake tijdelijke werkloosheid het nummer van de kaart en de daarbij horende gegevens mede te delen aan het werkloosheidsbureau dat bevoegd is voor de plaats waar de onderneming gevestigd is, vooraleer hij de kaart afgeeft aan de werkman;
c) [1 ...]1
[2 Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die wetens en willens onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd in verband met de tijdelijke werkloosheid van een werknemer.
Voor de in het eerste en tweede lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]2
Art. 226. Le contrôle du chômage
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui :
a) a refusé ou omis d'établir, de délivrer ou de compléter les documents prescrits par ou en vertu de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, dans les conditions et dans les délais fixés par ou en vertu de ce même arrêté royal;
b) a omis de respecter la procédure de contrôle concernant l'utilisation du " certificat de chômage temporaire ", prescrite par ou en vertu de l'arrêté royal précité du 25 novembre 1991;
c) a fait des déclarations inexactes ou incomplètes en ce qui concerne le licenciement, le chômage temporaire ou l'occupation à temps partiel d'un travailleur en application de l'arrêté royal précité du 25 novembre 1991;
d) n'a pas fourni dans les délais qui sont impartis par l'inspecteur social, les renseignements nécessaires au contrôle du chômage, en application de l'arrêté royal précité du 25 novembre 1991;
e) a fourni des renseignements nécessaires au contrôle du chômage qui sont inexacts ou incomplets, en application de l'arrêté royal précité du 25 novembre 1991;
2° l'armateur, son préposé ou son mandataire qui :
a) a refusé d'exécuter les mesures prises par le Roi en vue de contrôler la réalité et la permanence de l'état de chômage involontaire ou qui a refusé de fournir les renseignements nécessaires à l'exécution de ce contrôle en application de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande;
b) a recruté une personne non inscrite au Pool des marins de la marine marchande en dehors d'un cas de force majeure en contravention à l'arrêté-loi précité du 7 février 1945;
3° les personnes physiques ou morales qui ont, comme activité principale ou accessoire, l'industrie ou le commerce du diamant et les importateurs de diamants bruts qui n'ont pas tenu les livres, registres et documents prescrits par le Roi en application de la loi du 12 avril 1960 portant création d'un Fonds de compensation interne pour le secteur du diamant;
4° l'employeur qui ressortit à la commission paritaire de la construction, son préposé ou son mandataire qui :
a) a omis de mentionner le numéro de la carte de contrôle non-nominative pour le chômage temporaire, lors de la déclaration immédiate de l'emploi, à l'Office National de Sécurité Sociale, dans les conditions et dans les délais fixés par ou en vertu de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
b) a omis, en cas de remise d'un duplicata d'une carte de contrôle non-nominative pour chômage temporaire, de communiquer le numéro de la carte ainsi que les données y afférentes, au bureau du chômage compétent pour l'endroit où l'entreprise a son siège, avant de remettre la carte à l'ouvrier;
c) [1 ...]1
[2 Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a sciemment et volontairement fait des déclarations inexactes ou incomplètes en ce qui concerne le chômage temporaire d'un travailleur.
En ce qui concerne les infractions visées aux alinéas 1er et 2, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]2
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° l'employeur, son préposé ou son mandataire qui :
a) a refusé ou omis d'établir, de délivrer ou de compléter les documents prescrits par ou en vertu de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, dans les conditions et dans les délais fixés par ou en vertu de ce même arrêté royal;
b) a omis de respecter la procédure de contrôle concernant l'utilisation du " certificat de chômage temporaire ", prescrite par ou en vertu de l'arrêté royal précité du 25 novembre 1991;
c) a fait des déclarations inexactes ou incomplètes en ce qui concerne le licenciement, le chômage temporaire ou l'occupation à temps partiel d'un travailleur en application de l'arrêté royal précité du 25 novembre 1991;
d) n'a pas fourni dans les délais qui sont impartis par l'inspecteur social, les renseignements nécessaires au contrôle du chômage, en application de l'arrêté royal précité du 25 novembre 1991;
e) a fourni des renseignements nécessaires au contrôle du chômage qui sont inexacts ou incomplets, en application de l'arrêté royal précité du 25 novembre 1991;
2° l'armateur, son préposé ou son mandataire qui :
a) a refusé d'exécuter les mesures prises par le Roi en vue de contrôler la réalité et la permanence de l'état de chômage involontaire ou qui a refusé de fournir les renseignements nécessaires à l'exécution de ce contrôle en application de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande;
b) a recruté une personne non inscrite au Pool des marins de la marine marchande en dehors d'un cas de force majeure en contravention à l'arrêté-loi précité du 7 février 1945;
3° les personnes physiques ou morales qui ont, comme activité principale ou accessoire, l'industrie ou le commerce du diamant et les importateurs de diamants bruts qui n'ont pas tenu les livres, registres et documents prescrits par le Roi en application de la loi du 12 avril 1960 portant création d'un Fonds de compensation interne pour le secteur du diamant;
4° l'employeur qui ressortit à la commission paritaire de la construction, son préposé ou son mandataire qui :
a) a omis de mentionner le numéro de la carte de contrôle non-nominative pour le chômage temporaire, lors de la déclaration immédiate de l'emploi, à l'Office National de Sécurité Sociale, dans les conditions et dans les délais fixés par ou en vertu de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
b) a omis, en cas de remise d'un duplicata d'une carte de contrôle non-nominative pour chômage temporaire, de communiquer le numéro de la carte ainsi que les données y afférentes, au bureau du chômage compétent pour l'endroit où l'entreprise a son siège, avant de remettre la carte à l'ouvrier;
c) [1 ...]1
[2 Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui a sciemment et volontairement fait des déclarations inexactes ou incomplètes en ce qui concerne le chômage temporaire d'un travailleur.
En ce qui concerne les infractions visées aux alinéas 1er et 2, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]2
Afdeling 11. [1 - De ISI+-kaarten]1
Section 11. [1 - Les cartes ISI+]1
Art. 227. [1 Het misbruik en de vervalsing van de ISI+-kaarten
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die de ISI+-kaart zonder toelating heeft gebruikt of die ervan gebruik heeft gemaakt met een ander doel dan hetgeen waartoe hij gemachtigd is krachtens de wet van 29 januari 2014 houdende bepalingen inzake de sociale identiteitskaart en de ISI+-kaart.]1
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die de ISI+-kaart zonder toelating heeft gebruikt of die ervan gebruik heeft gemaakt met een ander doel dan hetgeen waartoe hij gemachtigd is krachtens de wet van 29 januari 2014 houdende bepalingen inzake de sociale identiteitskaart en de ISI+-kaart.]1
Art. 227. [1 L'usage abusif et la falsification des cartes ISI+
Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque a fait usage de la carte ISI+ sans autorisation ou l'a utilisée dans un autre but que celui pour lequel il a été habilité en application de la loi du 29 janvier 2014 portant des dispositions relatives à la carte d'identité sociale et la carte ISI+.]1
Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque a fait usage de la carte ISI+ sans autorisation ou l'a utilisée dans un autre but que celui pour lequel il a été habilité en application de la loi du 29 janvier 2014 portant des dispositions relatives à la carte d'identité sociale et la carte ISI+.]1
Wijzigingen
Art. 228. [1 De fabricage, het bezit en het in omloop brengen van de ISI+-kaarten
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die ISI+-kaarten heeft gefabriceerd, in bezit gehad of in omloop gebracht in overtreding met voormelde wet van 29 januari 2014.]1
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die ISI+-kaarten heeft gefabriceerd, in bezit gehad of in omloop gebracht in overtreding met voormelde wet van 29 januari 2014.]1
Art. 228. [1 La fabrication, la possession et la mise en circulation des carte ISI+
Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque a fabriqué, mis en possession ou mis en circulation les cartes ISI+ en contravention à la loi précitée du 29 janvier 2014.]1
Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque a fabriqué, mis en possession ou mis en circulation les cartes ISI+ en contravention à la loi précitée du 29 janvier 2014.]1
Wijzigingen
Afdeling 12. - Tewerkstelling van een werkloze of van een persoon die een uitkeringsverzekering geniet
Section 12. - La mise au travail d'un chômeur ou d'une personne bénéficiaire de l'assurance indemnité
Art. 229. Tewerkstelling van een werkloze of van een persoon die een uitkeringsverzekering geniet
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die een persoon doet werken of laat werken van wie hij weet dat deze uitkeringen wegens primaire ongeschiktheid of invaliditeit geniet krachtens de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, of dat die werkloosheidsuitkeringen geniet waarop hij geen recht heeft uit hoofde van die tewerkstelling.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die een persoon doet werken of laat werken van wie hij weet dat deze uitkeringen wegens primaire ongeschiktheid of invaliditeit geniet krachtens de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, of dat die werkloosheidsuitkeringen geniet waarop hij geen recht heeft uit hoofde van die tewerkstelling.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 229. La mise au travail d'un chômeur ou d'une personne bénéficiaire de l'assurance indemnité
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui fait ou laisse travailler une personne alors qu'il sait qu'elle bénéficie d'indemnités d'incapacité primaire ou d'invalidité en vertu de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, ou qu'elle bénéficie d'allocations de chômage auxquelles elle n'a pas droit en raison de cette occupation.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui fait ou laisse travailler une personne alors qu'il sait qu'elle bénéficie d'indemnités d'incapacité primaire ou d'invalidité en vertu de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, ou qu'elle bénéficie d'allocations de chômage auxquelles elle n'a pas droit en raison de cette occupation.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
HOOFDSTUK 10. - De inbreuken van valsheid, van het gebruik van valse stukken, van onjuiste of onvolledige verklaringen en van oplichting in het sociaal strafrecht
CHAPITRE 10. - Les infractions de faux, d'usage de faux, de déclarations inexactes ou incomplètes et d'escroquerie en droit pénal social
Art. 230. Definities
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° " sociaal voordeel " : een subsidie, een vergoeding, een uitkering of iedere andere financiële tegemoetkoming die verleend of toegekend wordt op grond van de wetten en besluiten betreffende één van de aangelegenheden die vallen onder de bevoegdheid van de arbeidsgerechten;
2° " bijdrage " : een bijdrage die verschuldigd of betaald is op grond van de wetten en besluiten betreffende één van de aangelegenheden die vallen onder de bevoegdheid van de arbeidsgerechten.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° " sociaal voordeel " : een subsidie, een vergoeding, een uitkering of iedere andere financiële tegemoetkoming die verleend of toegekend wordt op grond van de wetten en besluiten betreffende één van de aangelegenheden die vallen onder de bevoegdheid van de arbeidsgerechten;
2° " bijdrage " : een bijdrage die verschuldigd of betaald is op grond van de wetten en besluiten betreffende één van de aangelegenheden die vallen onder de bevoegdheid van de arbeidsgerechten.
Art. 230. Les définitions
Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
1° " avantage social " : une subvention, une indemnité, une allocation ou toute autre intervention financière accordée ou octroyée sur la base des lois et règlements concernant une des matières qui relèvent de la compétence des juridictions du travail;
2° " cotisation " : une cotisation qui est due ou payée sur la base des lois et règlements concernant une des matières qui relèvent de la compétence des juridictions du travail.
Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
1° " avantage social " : une subvention, une indemnité, une allocation ou toute autre intervention financière accordée ou octroyée sur la base des lois et règlements concernant une des matières qui relèvent de la compétence des juridictions du travail;
2° " cotisation " : une cotisation qui est due ou payée sur la base des lois et règlements concernant une des matières qui relèvent de la compétence des juridictions du travail.
Art. 231. Uitsluitingen
De in de artikelen 232 tot 235 bedoelde sancties worden toegepast met uitsluiting van de toepassing van de artikelen 196, 197, 210bis en 496 van het Strafwetboek en van de bepalingen van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen.
De in de artikelen 232 tot 235 bedoelde sancties worden toegepast met uitsluiting van de toepassing van de artikelen 196, 197, 210bis en 496 van het Strafwetboek en van de bepalingen van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen.
Art. 231. Les exclusions
Les sanctions visées aux articles 232 à 235 sont appliquées à l'exclusion de l'application des articles 196, 197, 210bis et 496 du Code pénal et des dispositions de l'arrêté royal du 31 mai 1933 concernant les déclarations à faire en matière de subventions, d'indemnités et d'allocations.
Les sanctions visées aux articles 232 à 235 sont appliquées à l'exclusion de l'application des articles 196, 197, 210bis et 496 du Code pénal et des dispositions de l'arrêté royal du 31 mai 1933 concernant les déclarations à faire en matière de subventions, d'indemnités et d'allocations.
Art. 232. Valsheid en gebruik van valse stukken in sociaal strafrecht
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft eenieder die, met het oogmerk ofwel ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden, ofwel geen of minder bijdragen te betalen of te doen betalen dan die welk hij of een ander verschuldigd is :
1° a) valsheid in geschrifte heeft gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of in een akte in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die deze akte ten doel had op te nemen of vast te stellen;
b) zich bediend heeft van een valse akte of een vals stuk;
2° a) valsheid heeft gepleegd, door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, in te brengen in een informaticasysteem, te wijzigen of te wissen, of met enig ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van dergelijke gegevens verandert;
b) gebruik heeft gemaakt van die gegevens, terwijl hij weet dat de aldus verkregen gegevens vals zijn.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft eenieder die, met het oogmerk ofwel ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden, ofwel geen of minder bijdragen te betalen of te doen betalen dan die welk hij of een ander verschuldigd is :
1° a) valsheid in geschrifte heeft gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of in een akte in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die deze akte ten doel had op te nemen of vast te stellen;
b) zich bediend heeft van een valse akte of een vals stuk;
2° a) valsheid heeft gepleegd, door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, in te brengen in een informaticasysteem, te wijzigen of te wissen, of met enig ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van dergelijke gegevens verandert;
b) gebruik heeft gemaakt van die gegevens, terwijl hij weet dat de aldus verkregen gegevens vals zijn.
Art. 232. Le faux et l'usage de faux en droit pénal social
Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque, dans le but, soit d'obtenir ou de faire obtenir, de conserver ou de faire conserver un avantage social indu, soit de ne pas payer ou de ne pas faire payer de cotisations, d'en payer moins ou d'en faire payer moins que celles dont il ou autrui est redevable :
1° a) a commis un faux en écriture, soit par fausses signatures, soit par contrefaçon ou altération d'écritures ou de signatures, soit par fabrication de conventions, dispositions, obligations ou décharges ou par leur insertion dans un acte, soit par addition ou altération de clauses, de déclarations ou de faits que cet acte avait pour objet de recevoir ou de constater;
b) a fait usage d'un acte faux ou d'une pièce fausse;
2° a) a commis un faux, en introduisant dans un système informatique, en modifiant ou effaçant des données, qui sont stockées, traitées ou transmises par un système informatique, ou en modifiant par tout moyen technologique l'utilisation possible de données dans un système informatique, et par là modifie la portée juridique de telles données;
b) a fait usage des données ainsi obtenues, tout en sachant que celles-ci sont fausses.
Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque, dans le but, soit d'obtenir ou de faire obtenir, de conserver ou de faire conserver un avantage social indu, soit de ne pas payer ou de ne pas faire payer de cotisations, d'en payer moins ou d'en faire payer moins que celles dont il ou autrui est redevable :
1° a) a commis un faux en écriture, soit par fausses signatures, soit par contrefaçon ou altération d'écritures ou de signatures, soit par fabrication de conventions, dispositions, obligations ou décharges ou par leur insertion dans un acte, soit par addition ou altération de clauses, de déclarations ou de faits que cet acte avait pour objet de recevoir ou de constater;
b) a fait usage d'un acte faux ou d'une pièce fausse;
2° a) a commis un faux, en introduisant dans un système informatique, en modifiant ou effaçant des données, qui sont stockées, traitées ou transmises par un système informatique, ou en modifiant par tout moyen technologique l'utilisation possible de données dans un système informatique, et par là modifie la portée juridique de telles données;
b) a fait usage des données ainsi obtenues, tout en sachant que celles-ci sont fausses.
Art. 233. Onjuiste of onvolledige verklaringen betreffende de sociale voordelen
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die wetens en willens :
1° een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd om ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden;
2° heeft nagelaten of geweigerd om een verplichte verklaring af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken om ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden;
3° een sociaal voordeel heeft bekomen waarop hij geen of slechts gedeeltelijk recht heeft ingevolge een verklaring bedoeld bij het eerste lid, 1°, het nalaten of het weigeren van het afleggen van een verklaring of van het verstrekken van inlichtingen bedoeld bij het eerste lid, 2°, of met een akte bedoeld bij de artikelen 232 en 235.
Wanneer de inbreuken bedoeld in het eerste lid begaan zijn door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber om een sociaal voordeel waarop de werknemer geen recht heeft te doen bekomen of te doen behouden, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft eenieder die wetens en willens nagelaten heeft te verklaren dat hij niet langer recht heeft op een sociaal voordeel, zelfs indien dit slechts gedeeltelijk is, om ten onrechte een sociaal voordeel te behouden.
[1 § 3. De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing wanneer de in deze paragrafen bedoelde inbreuken werden gepleegd door een sociaal verzekerde die, om die redenen, door de instelling die hem een voordeel toekende, reeds werd uitgesloten van dit sociaal voordeel waarop hij geen recht heeft, en die bovendien werd uitgesloten van het recht op dat voordeel gedurende een bepaalde periode.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die wetens en willens :
1° een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd om ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden;
2° heeft nagelaten of geweigerd om een verplichte verklaring af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken om ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden;
3° een sociaal voordeel heeft bekomen waarop hij geen of slechts gedeeltelijk recht heeft ingevolge een verklaring bedoeld bij het eerste lid, 1°, het nalaten of het weigeren van het afleggen van een verklaring of van het verstrekken van inlichtingen bedoeld bij het eerste lid, 2°, of met een akte bedoeld bij de artikelen 232 en 235.
Wanneer de inbreuken bedoeld in het eerste lid begaan zijn door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber om een sociaal voordeel waarop de werknemer geen recht heeft te doen bekomen of te doen behouden, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft eenieder die wetens en willens nagelaten heeft te verklaren dat hij niet langer recht heeft op een sociaal voordeel, zelfs indien dit slechts gedeeltelijk is, om ten onrechte een sociaal voordeel te behouden.
[1 § 3. De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing wanneer de in deze paragrafen bedoelde inbreuken werden gepleegd door een sociaal verzekerde die, om die redenen, door de instelling die hem een voordeel toekende, reeds werd uitgesloten van dit sociaal voordeel waarop hij geen recht heeft, en die bovendien werd uitgesloten van het recht op dat voordeel gedurende een bepaalde periode.]1
Art. 233. Les déclarations inexactes ou incomplètes concernant les avantages sociaux
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque a sciemment et volontairement :
1° fait une déclaration inexacte ou incomplète pour obtenir ou faire obtenir, pour conserver ou faire conserver un avantage social indu;
2° omis ou refusé de faire une déclaration à laquelle il est tenu ou de fournir les informations qu'il est tenu de donner pour obtenir ou faire obtenir, pour conserver ou faire conserver un avantage social indu;
3° reçu un avantage social auquel il n'a pas droit ou n'a que partiellement droit à la suite d'une déclaration visée à l'alinéa 1er, 1°, d'une omission ou d'un refus de faire une déclaration ou de fournir des informations visées à l'alinéa 1er, 2°, ou d'un acte visé aux articles 232 et 235.
Lorsque les infractions visées à l'alinéa 1er sont commises par l'employeur, son préposé ou son mandataire pour faire obtenir ou faire conserver un avantage social auquel le travailleur n'a pas droit, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3, quiconque a, sciemment et volontairement, omis de déclarer ne plus avoir droit à un avantage social, même si ce n'est que partiellement, pour conserver un avantage social indu.
[1 § 3. Les paragraphes 1er et 2 ne s'appliquent pas si les infractions visées à ces paragraphes ont été commises par un assuré social qui, pour ces raisons, a déjà été exclu de cette prestation sociale à laquelle il n'a pas droit par l'institution qui lui a accordé une prestation, et qui, en outre, a été exclu du droit à cette prestation pendant une période déterminée.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque a sciemment et volontairement :
1° fait une déclaration inexacte ou incomplète pour obtenir ou faire obtenir, pour conserver ou faire conserver un avantage social indu;
2° omis ou refusé de faire une déclaration à laquelle il est tenu ou de fournir les informations qu'il est tenu de donner pour obtenir ou faire obtenir, pour conserver ou faire conserver un avantage social indu;
3° reçu un avantage social auquel il n'a pas droit ou n'a que partiellement droit à la suite d'une déclaration visée à l'alinéa 1er, 1°, d'une omission ou d'un refus de faire une déclaration ou de fournir des informations visées à l'alinéa 1er, 2°, ou d'un acte visé aux articles 232 et 235.
Lorsque les infractions visées à l'alinéa 1er sont commises par l'employeur, son préposé ou son mandataire pour faire obtenir ou faire conserver un avantage social auquel le travailleur n'a pas droit, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3, quiconque a, sciemment et volontairement, omis de déclarer ne plus avoir droit à un avantage social, même si ce n'est que partiellement, pour conserver un avantage social indu.
[1 § 3. Les paragraphes 1er et 2 ne s'appliquent pas si les infractions visées à ces paragraphes ont été commises par un assuré social qui, pour ces raisons, a déjà été exclu de cette prestation sociale à laquelle il n'a pas droit par l'institution qui lui a accordé une prestation, et qui, en outre, a été exclu du droit à cette prestation pendant une période déterminée.]1
Wijzigingen
Art. 234. Onjuiste of onvolledige verklaringen betreffende de bijdragen
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft eenieder die wetens en willens :
1° een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd om geen of minder bijdragen te betalen of te doen betalen dan die welke hij of een ander verschuldigd is;
2° heeft nagelaten of geweigerd om een verplichte verklaring af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken om geen of minder bijdragen te betalen of te doen betalen dan die welk hij of een ander verschuldigd is;
3° geen of minder bijdragen heeft betaald dan die welke hij verschuldigd is ingevolge een verklaring bedoeld in het 1°, het nalaten of het weigeren om een verklaring af te leggen of inlichtingen te verstrekken bedoeld in het 2°, of een akte bedoeld in de artikelen 232 en 235.
Wanneer de inbreuken bedoeld in het eerste lid begaan zijn door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft eenieder die wetens en willens heeft nagelaten te verklaren dat hij niet langer recht heeft op een bijdragevrijstelling of -vermindering, zelfs indien dit slechts gedeeltelijk is, om geen of minder bijdragen te betalen dan die welke hij verschuldigd is.
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft eenieder die wetens en willens :
1° een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd om geen of minder bijdragen te betalen of te doen betalen dan die welke hij of een ander verschuldigd is;
2° heeft nagelaten of geweigerd om een verplichte verklaring af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken om geen of minder bijdragen te betalen of te doen betalen dan die welk hij of een ander verschuldigd is;
3° geen of minder bijdragen heeft betaald dan die welke hij verschuldigd is ingevolge een verklaring bedoeld in het 1°, het nalaten of het weigeren om een verklaring af te leggen of inlichtingen te verstrekken bedoeld in het 2°, of een akte bedoeld in de artikelen 232 en 235.
Wanneer de inbreuken bedoeld in het eerste lid begaan zijn door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft eenieder die wetens en willens heeft nagelaten te verklaren dat hij niet langer recht heeft op een bijdragevrijstelling of -vermindering, zelfs indien dit slechts gedeeltelijk is, om geen of minder bijdragen te betalen dan die welke hij verschuldigd is.
Art. 234. Les déclarations inexactes ou incomplètes concernant les cotisations
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque a sciemment et volontairement :
1° fait une déclaration inexacte ou incomplète pour ne pas payer ou ne pas faire payer de cotisations, pour en payer moins ou en faire payer moins que celles dont il ou autrui est redevable;
2° omis ou refusé de faire une déclaration à laquelle il est tenu ou de fournir les informations qu'il est tenu de donner pour ne pas payer ou ne pas faire payer de cotisations, pour en payer moins ou en faire payer moins que celles dont il ou autrui est redevable;
3° payé moins de cotisations que celles dont il est redevable ou n'en a pas payé à la suite d'une déclaration visée au 1°, d'une omission ou d'un refus de faire une déclaration ou de fournir des informations visées au 2°, ou d'un acte visé aux articles 232 et 235.
Lorsque les infractions visées à l'alinéa 1er sont commises par l'employeur, son préposé ou son mandataire, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3, quiconque a, sciemment et volontairement, omis de déclarer ne plus avoir droit à une dispense ou à une réduction de cotisations, même si ce n'est que partiellement, pour ne pas payer de cotisations ou en payer moins que celles dont il est redevable.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque a sciemment et volontairement :
1° fait une déclaration inexacte ou incomplète pour ne pas payer ou ne pas faire payer de cotisations, pour en payer moins ou en faire payer moins que celles dont il ou autrui est redevable;
2° omis ou refusé de faire une déclaration à laquelle il est tenu ou de fournir les informations qu'il est tenu de donner pour ne pas payer ou ne pas faire payer de cotisations, pour en payer moins ou en faire payer moins que celles dont il ou autrui est redevable;
3° payé moins de cotisations que celles dont il est redevable ou n'en a pas payé à la suite d'une déclaration visée au 1°, d'une omission ou d'un refus de faire une déclaration ou de fournir des informations visées au 2°, ou d'un acte visé aux articles 232 et 235.
Lorsque les infractions visées à l'alinéa 1er sont commises par l'employeur, son préposé ou son mandataire, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3, quiconque a, sciemment et volontairement, omis de déclarer ne plus avoir droit à une dispense ou à une réduction de cotisations, même si ce n'est que partiellement, pour ne pas payer de cotisations ou en payer moins que celles dont il est redevable.
Art. 235. Oplichting in sociaal strafrecht
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft eenieder die, met het oogmerk ofwel ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden, ofwel geen of minder bijdragen te betalen of te doen betalen dan die welk hij of een ander verschuldigd is, gebruik heeft gemaakt van valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen, [1 constructies van ondernemingen]1 of enige andere frauduleuze handeling aangewend heeft om te doen geloven aan het bestaan van een valse persoon, een valse onderneming, een fictief ongeval of enige andere fictieve gebeurtenis of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen.
Wanneer de in het eerste lid bedoelde inbreuk begaan is door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber om een sociaal voordeel waarop de werknemer geen recht heeft te doen bekomen of te doen behouden, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft eenieder die, met het oogmerk ofwel ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden, ofwel geen of minder bijdragen te betalen of te doen betalen dan die welk hij of een ander verschuldigd is, gebruik heeft gemaakt van valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen, [1 constructies van ondernemingen]1 of enige andere frauduleuze handeling aangewend heeft om te doen geloven aan het bestaan van een valse persoon, een valse onderneming, een fictief ongeval of enige andere fictieve gebeurtenis of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen.
Wanneer de in het eerste lid bedoelde inbreuk begaan is door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber om een sociaal voordeel waarop de werknemer geen recht heeft te doen bekomen of te doen behouden, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 235. L'escroquerie en droit pénal social
Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque, dans le but, soit d'obtenir ou de faire obtenir, de conserver ou de faire conserver un avantage social indu, soit de ne pas payer ou de ne pas faire payer de cotisations, d'en payer moins ou d'en faire payer moins que celles dont il ou autrui est redevable, a fait usage de faux noms, de faux titres ou de fausses adresses, [1 de constructions d'entreprises]1 ou a utilisé tout autre acte frauduleux pour faire croire à l'existence d'une fausse personne, d'une fausse entreprise, d'un accident fictif ou de tout autre événement fictif ou pour abuser d'une autre manière de la confiance.
Lorsque l'infraction visée à l'alinéa 1er est commise par l'employeur, son préposé ou son mandataire pour faire obtenir ou pour faire conserver un avantage social auquel le travailleur n'a pas droit, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Est puni d'une sanction de niveau 4, quiconque, dans le but, soit d'obtenir ou de faire obtenir, de conserver ou de faire conserver un avantage social indu, soit de ne pas payer ou de ne pas faire payer de cotisations, d'en payer moins ou d'en faire payer moins que celles dont il ou autrui est redevable, a fait usage de faux noms, de faux titres ou de fausses adresses, [1 de constructions d'entreprises]1 ou a utilisé tout autre acte frauduleux pour faire croire à l'existence d'une fausse personne, d'une fausse entreprise, d'un accident fictif ou de tout autre événement fictif ou pour abuser d'une autre manière de la confiance.
Lorsque l'infraction visée à l'alinéa 1er est commise par l'employeur, son préposé ou son mandataire pour faire obtenir ou pour faire conserver un avantage social auquel le travailleur n'a pas droit, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Wijzigingen
Art. 236. [1 [3 Ambtshalve veroordeling tot de betaling van het loon, van bijdragen of tot de terugbetaling van sociale voordelen]3
Wanneer de benadeelde derden zich geen burgerlijke partij hebben gesteld, veroordeelt de rechter die [3 de straf uitspreekt voorzien in de artikelen 162, tweede lid en derde lid, 171/1, 171/2/1, 171/3,171/4, 181, 181/1, 218, 219, 220, 223, § 1, eerste lid, 1°, en 234, § 1 en § 2]3 of die de schuld vaststelt voor een inbreuk op deze bepalingen, [3 de schuldenaar van het onbetaalde loon of de schuldenaar van onbetaalde of gedeeltelijk onbetaalde bijdragen ambtshalve tot het betalen van het loon vermeerderd met de verwijlinteresten en]3 het betalen van de achterstallige bijdragen, de bijdrageopslagen en de verwijlinteresten.
Wanneer de benadeelde derden zich geen burgerlijke partij hebben gesteld, veroordeelt de rechter die de straf uitspreekt voorzien in artikel 233, § 1, 3°, of die de schuld vaststelt voor een inbreuk op die bepaling, de verdachte ambtshalve tot het terugbetalen van de onrechtmatig ontvangen bedragen, vermeerderd met de ver-wijlinteresten.
Wanneer er geen afrekening is met betrekking tot de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen of wanneer de afrekening betwist wordt en er in dit verband nadere informatie nodig is, houdt de rechter de beslissing over de ambtshalve veroordeling aan.]1
Wanneer de benadeelde derden zich geen burgerlijke partij hebben gesteld, veroordeelt de rechter die [3 de straf uitspreekt voorzien in de artikelen 162, tweede lid en derde lid, 171/1, 171/2/1, 171/3,171/4, 181, 181/1, 218, 219, 220, 223, § 1, eerste lid, 1°, en 234, § 1 en § 2]3 of die de schuld vaststelt voor een inbreuk op deze bepalingen, [3 de schuldenaar van het onbetaalde loon of de schuldenaar van onbetaalde of gedeeltelijk onbetaalde bijdragen ambtshalve tot het betalen van het loon vermeerderd met de verwijlinteresten en]3 het betalen van de achterstallige bijdragen, de bijdrageopslagen en de verwijlinteresten.
Wanneer de benadeelde derden zich geen burgerlijke partij hebben gesteld, veroordeelt de rechter die de straf uitspreekt voorzien in artikel 233, § 1, 3°, of die de schuld vaststelt voor een inbreuk op die bepaling, de verdachte ambtshalve tot het terugbetalen van de onrechtmatig ontvangen bedragen, vermeerderd met de ver-wijlinteresten.
Wanneer er geen afrekening is met betrekking tot de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen of wanneer de afrekening betwist wordt en er in dit verband nadere informatie nodig is, houdt de rechter de beslissing over de ambtshalve veroordeling aan.]1
Art. 236. [1 [3 La condamnation d'office au paiement de la rémunération, de cotisations ou au remboursement d'avantages sociaux]3
Lorsque les tiers lésés ne se sont pas constitués partie civile, le juge qui prononce [3 la peine prévue aux articles 162, alinéas 2 et 3, 171/1, 171/2/1, 171/3, 171/4, 181, 181/1, 218, 219, 220, 223, § 1er, alinéa 1er, 1° et 234, § 1er et § 2]3 ou qui constate la culpabilité pour une infraction à ces dispositions, condamne d'office [3 le débiteur de la rémunération impayée ou le débiteur des cotisations impayées ou partiellement payées à payer la rémunération due augmentée des intérêts de retard et]3 les arriérés de cotisations, les majorations de cotisations et les intérêts de retard.
Lorsque les tiers lésés ne se sont pas constitués partie civile, le juge qui prononce la peine prévue à l'article 233, § 1er, 3°, ou qui constate la culpabilité pour une infraction à cette disposition, condamne d'office le prévenu à restituer les sommes perçues indûment, augmentées des intérêts de retard.
En l'absence de décompte relatif aux montants visés à l'alinéa 1er et à l'alinéa 2 ou lorsque le décompte est contesté et doit faire l'objet d'un complément d'information, le juge réserve à statuer sur la condamnation d'office.]1
Lorsque les tiers lésés ne se sont pas constitués partie civile, le juge qui prononce [3 la peine prévue aux articles 162, alinéas 2 et 3, 171/1, 171/2/1, 171/3, 171/4, 181, 181/1, 218, 219, 220, 223, § 1er, alinéa 1er, 1° et 234, § 1er et § 2]3 ou qui constate la culpabilité pour une infraction à ces dispositions, condamne d'office [3 le débiteur de la rémunération impayée ou le débiteur des cotisations impayées ou partiellement payées à payer la rémunération due augmentée des intérêts de retard et]3 les arriérés de cotisations, les majorations de cotisations et les intérêts de retard.
Lorsque les tiers lésés ne se sont pas constitués partie civile, le juge qui prononce la peine prévue à l'article 233, § 1er, 3°, ou qui constate la culpabilité pour une infraction à cette disposition, condamne d'office le prévenu à restituer les sommes perçues indûment, augmentées des intérêts de retard.
En l'absence de décompte relatif aux montants visés à l'alinéa 1er et à l'alinéa 2 ou lorsque le décompte est contesté et doit faire l'objet d'un complément d'information, le juge réserve à statuer sur la condamnation d'office.]1
HOOFDSTUK 11. [1 - Gemeenschappelijke bepalingen van de voorgaande hoofdstukken]1
CHAPITRE 11. [1 - Règles communes aux chapitres précédents]1
Art. 236/1. [1 De niet terugbetaling van de betaalde bijdragen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in geval van bedrieglijke onderwerping
In geval van veroordeling tot de straf voorzien in artikel 221, zullen de bijdragen die in het kader van deze bedrieglijke onderwerping aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid betaald werden, niet terugbetaald worden aan de veroordeelde en zullen ze tot de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid blijven toebehoren.]1
In geval van veroordeling tot de straf voorzien in artikel 221, zullen de bijdragen die in het kader van deze bedrieglijke onderwerping aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid betaald werden, niet terugbetaald worden aan de veroordeelde en zullen ze tot de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid blijven toebehoren.]1
Art. 236/1. [1 L'absence de restitution des cotisations payées à l'Office national de Sécurité sociale en cas d'assujettissement frauduleux
En cas de condamnation à la peine prévue à l'article 221, les cotisations payées à l'Office national de sécurité sociale dans le cadre de cet assujettissement frauduleux ne seront pas restituées au condamné et elles resteront acquises à l'Office national de sécurité sociale.]1
En cas de condamnation à la peine prévue à l'article 221, les cotisations payées à l'Office national de sécurité sociale dans le cadre de cet assujettissement frauduleux ne seront pas restituées au condamné et elles resteront acquises à l'Office national de sécurité sociale.]1
Art. 237. [1 Kennisgeving door de werkgever van het vonnis tot vaststelling van een inbreuk in toepassing van artikel 138bis, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 3 december 2006 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het sociaal strafrecht, wetens en willens nalaat het vonnis tot vaststelling van een inbreuk op de wetten en verordeningen die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten in toepassing van artikel 138bis, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek op zijn kosten ter kennis te brengen van de betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 3 december 2006 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het sociaal strafrecht, wetens en willens nalaat het vonnis tot vaststelling van een inbreuk op de wetten en verordeningen die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten in toepassing van artikel 138bis, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek op zijn kosten ter kennis te brengen van de betrokken werknemers.]1
Art. 237. [1 La notification par l'employeur du jugement constatant une infraction en application de l'article 138bis, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 décembre 2006 contenant diverses dispositions en matière de droit pénal social, omet sciemment et volontairement de notifier, à ses frais, le jugement constatant une infraction aux lois et règlements qui relèvent de la compétence des juridictions du travail en application de l'article 138bis, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire aux travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 4, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 3 décembre 2006 contenant diverses dispositions en matière de droit pénal social, omet sciemment et volontairement de notifier, à ses frais, le jugement constatant une infraction aux lois et règlements qui relèvent de la compétence des juridictions du travail en application de l'article 138bis, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire aux travailleurs concernés.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 12. [1 De verplichtingen opgelegd in het raam van de [2 maatregelen tijdens een epidemische noodsituatie]2]1
CHAPITRE 12. [1 Les obligations prévues dans le cadre des [2 mesures lors d'une situation d'urgence épidémique]2]1
Art. 238. [1 De verplichtingen opgelegd in het raam van de [3 maatregelen tijdens een epidemische noodsituatie]3 [4 of artikel 2/1 van de wet van 23 december 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie]4.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, of eenieder die in de ondernemingen [3 de maatregelen teneinde de gevolgen van de epidemische noodsituatie voor de volksgezondheid te voorkomen of beperken, genomen met toepassing van de artikelen 4 en 5 van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie]3 niet naleeft [2 of artikel 29 van de wet van 4 juli 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie]2. [3 De verplichtingen opgelegd in het raam van de maatregelen genomen met toepassing van artikel 4 van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie dienen in de ondernemingen te worden gerespecteerd als preventiemaatregelen om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te verzekeren.]3
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder "ondernemingen" : "alle arbeidsplaatsen" zoals gedefinieerd in artikel 16, 10°, van dit Wetboek.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken begaan door de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, of eenieder die in de ondernemingen [3 de maatregelen teneinde de gevolgen van de epidemische noodsituatie voor de volksgezondheid te voorkomen of beperken, genomen met toepassing van de artikelen 4 en 5 van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie]3 niet naleeft [2 of artikel 29 van de wet van 4 juli 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie]2. [3 De verplichtingen opgelegd in het raam van de maatregelen genomen met toepassing van artikel 4 van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie dienen in de ondernemingen te worden gerespecteerd als preventiemaatregelen om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te verzekeren.]3
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder "ondernemingen" : "alle arbeidsplaatsen" zoals gedefinieerd in artikel 16, 10°, van dit Wetboek.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken begaan door de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1
Wijzigingen
Art. 238. [1 Les obligations prévues dans le cadre des [3 mesures lors d'une situation d'urgence épidémique]3 [4 ou à l'article 2/1 de la loi du 23 décembre 2021 portant des mesures de soutien temporaires en raison de la pandémie du COVID-19]4.
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou mandataire, ou quiconque qui, dans les entreprises, n'a pas respecté [3 les mesures nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences de la situation d'urgence épidémique pour la santé publique, prises en application des articles 4 et 5 de la loi du 14 août 2021 relative aux mesures de police administrative lors d'une situation d'urgence épidémique]3 [2 ou à l'article 29 de la loi du 4 juillet 2021 portant des mesures de soutien temporaires en raison de la pandémie de COVID-19]2. [3 Les obligations imposées dans le cadre des mesures prises en application de l'article 4 de la loi du 14 août 2021 relative aux mesures de police administrative lors d'une situation d'urgence épidémique doivent être respectées dans les entreprises comme mesures de prévention pour assurer la protection de la santé et de la sécurité des travailleurs.]3
Pour l'application du présent article, on entend par " entreprises " les " lieux de travail " tels que définis à l'article 16, 10°, du présent Code.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, commises par l'employeur, son préposé ou mandataire, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou mandataire, ou quiconque qui, dans les entreprises, n'a pas respecté [3 les mesures nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences de la situation d'urgence épidémique pour la santé publique, prises en application des articles 4 et 5 de la loi du 14 août 2021 relative aux mesures de police administrative lors d'une situation d'urgence épidémique]3 [2 ou à l'article 29 de la loi du 4 juillet 2021 portant des mesures de soutien temporaires en raison de la pandémie de COVID-19]2. [3 Les obligations imposées dans le cadre des mesures prises en application de l'article 4 de la loi du 14 août 2021 relative aux mesures de police administrative lors d'une situation d'urgence épidémique doivent être respectées dans les entreprises comme mesures de prévention pour assurer la protection de la santé et de la sécurité des travailleurs.]3
Pour l'application du présent article, on entend par " entreprises " les " lieux de travail " tels que définis à l'article 16, 10°, du présent Code.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, commises par l'employeur, son préposé ou mandataire, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.]1
HOOFDSTUK 12. [1 - Verbetering van de binnenluchtkwaliteit in gesloten arbeidsplaatsen die publiek toegankelijk zijn]1
CHAPITRE 13. [1 - L'amélioration de la qualité de l'air intérieur des lieux de travail fermés accessibles au public]1
Art. 239. [1 Verbetering van de binnenluchtkwaliteit in gesloten arbeidsplaatsen die publiek toegankelijk zijn.
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft:
1° de eigenaar van de plaats, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die op de gesloten arbeidsplaatsen die publiek toegankelijk zijn inbreuk heeft gepleegd op artikel 5, tweede lid, van de wet van 6 november 2022 betreffende de verbetering van de binnenluchtkwaliteit in gesloten plaatsen die publiek toegankelijk zijn en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de uitbater, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die op de gesloten arbeidsplaatsen die publiek toegankelijk zijn inbreuk heeft gepleegd op artikel 5, derde lid, van voormelde wet van 6 november 2022 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
3° De certificeerder die op de gesloten arbeidsplaatsen die publiek toegankelijk zijn inbreuk heeft gepleegd op artikel 6 van voormelde wet van 6 november 2022 en de uitvoeringsbesluiten ervan.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder "arbeidsplaatsen": de "arbeidsplaatsen" zoals gedefinieerd in artikel 16, 10°.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft:
1° de eigenaar van de plaats, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die op de gesloten arbeidsplaatsen die publiek toegankelijk zijn inbreuk heeft gepleegd op artikel 5, tweede lid, van de wet van 6 november 2022 betreffende de verbetering van de binnenluchtkwaliteit in gesloten plaatsen die publiek toegankelijk zijn en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de uitbater, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die op de gesloten arbeidsplaatsen die publiek toegankelijk zijn inbreuk heeft gepleegd op artikel 5, derde lid, van voormelde wet van 6 november 2022 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
3° De certificeerder die op de gesloten arbeidsplaatsen die publiek toegankelijk zijn inbreuk heeft gepleegd op artikel 6 van voormelde wet van 6 november 2022 en de uitvoeringsbesluiten ervan.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder "arbeidsplaatsen": de "arbeidsplaatsen" zoals gedefinieerd in artikel 16, 10°.]1
Art. 239. [1 L'amélioration de la qualité de l'air intérieur des lieux de travail fermés accessibles au public.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3:
1° le propriétaire du lieu, son préposé ou son mandataire qui, dans les lieux de travail fermés accessibles au public, a commis une infraction à l'article 5, alinéa 2, de la loi du 6 novembre 2022 relative à l'amélioration de la qualité de l'air intérieur dans les lieux fermés accessibles au public et à ses arrêtes d'exécution;
2° l'exploitant, son préposé ou son mandataire qui, dans les lieux de travail fermés accessibles au public, a commis une infraction à l'article 5, alinéa 3, de la loi du 6 novembre 2022 et à ses arrêtés d'exécution;
3° Le certificateur qui, sur les lieux de travail fermés accessibles au public, a enfreint l'article 6 de la loi du 6 novembre 2022 précitée et de ses arrêtés d'exécution.
§ 2. Pour l'application du présent article, on entend par "lieux de travail" : les "lieux de travail" tels que définis à l'article 16, 10°.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3:
1° le propriétaire du lieu, son préposé ou son mandataire qui, dans les lieux de travail fermés accessibles au public, a commis une infraction à l'article 5, alinéa 2, de la loi du 6 novembre 2022 relative à l'amélioration de la qualité de l'air intérieur dans les lieux fermés accessibles au public et à ses arrêtes d'exécution;
2° l'exploitant, son préposé ou son mandataire qui, dans les lieux de travail fermés accessibles au public, a commis une infraction à l'article 5, alinéa 3, de la loi du 6 novembre 2022 et à ses arrêtés d'exécution;
3° Le certificateur qui, sur les lieux de travail fermés accessibles au public, a enfreint l'article 6 de la loi du 6 novembre 2022 précitée et de ses arrêtés d'exécution.
§ 2. Pour l'application du présent article, on entend par "lieux de travail" : les "lieux de travail" tels que définis à l'article 16, 10°.]1