Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
7 MEI 2008. - Koninklijk besluit betreffende de bestrijding en uitroeiing van blauwtong. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 09-05-2008 en tekstbijwerking tot 09-01-2026)
Titre
7 MAI 2008. - Arrêté royal relatif à la lutte et à l'éradication de la fièvre catarrhale du mouton. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 09-05-2008 et mise à jour au 09-01-2026)
Documentinformatie
Numac: 2008024203
Datum: 2008-05-07
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2008024203
Date: 2008-05-07
Moniteur: Voir
Tekst (48)
Texte (48)
HOOFDSTUK I. - Onderwerp, werkingssfeer en definities.
CHAPITRE Ier. - Objet, champ d'application et définitions.
Artikel 1. Dit besluit bepaalt de controlemaatregelen om het uitbreken van blauwtong te voorkomen en de bestrijdingsmaatregelen die toegepast dienen te worden bij verdenking of bevestiging van deze ziekte.
Article 1. Cet arrêté définit les mesures de contrôle afin de prévenir l'apparition de la fièvre catarrhale du mouton et les mesures de lutte à appliquer en cas de suspicion ou confirmation de cette maladie.
Art. 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 1 van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan onder :
  1° ziekte : blauwtong (bluetongue), overeenkomstig artikel 1, 3° van het koninklijk besluit van 25 april 1988 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987;
  2° virus : het blauwtongvirus;
  3° vatbare soorten : alle soorten herkauwers en tylopoden (familie camelidae);
  4° bedrijf of geografische entiteit : elk gebouw of complex van gebouwen dat een eenheid vormt, de erbij horende terreinen daarin begrepen, waar permanent of tijdelijk dieren van de vatbare soorten worden gefokt of gehouden;
  5° beslag : het geheel van huisdieren van vatbare diersoorten gehouden in een geografische entiteit en die een duidelijk omschreven eenheid vormen op basis van de epidemiologische banden, vastgesteld door het Voedselagentschap;
  6° [2 exploitant: de exploitant zoals bedoeld in artikel 4, 24) van de verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid ("diergezondheidswetgeving")]2;
  7° verdacht dier : elk dier van een vatbare soort dat klinische symptomen vertoont die aanleiding kunnen geven tot een gegronde verdenking van de ziekte;
  8° geval van blauwtong of geval van de ziekte : een dier dat minstens aan één van de volgende eisen voldoet :
  a) het is een dier dat klinische tekenen vertoont die wijzen op de aanwezigheid van blauwtong;
  b) het is een dier van een verklikkerbedrijf dat bij een vorige test negatieve serologische resultaten heeft laten zien, en dat sinds die test seropositief geworden is voor antilichamen tegen ten minste één serotype van het virus;
  c) het is een dier waarbij het virus is geïsoleerd;
  d) het is een dier dat positief is bij serologische opsporingstests op blauwtong of waarbij virusantigeen of viraal ribonucleïnezuur (RNA) is geïdentificeerd dat specifiek is voor één of meer serotypes van het virus.
  Bovendien moet uit een geheel van epidemiologische gegevens blijken dat de klinische tekenen of de resultaten van laboratoriumtests die wijzen op een besmetting met blauwtong, het gevolg zijn van viruscirculatie op het bedrijf waar het dier wordt gehouden en niet het resultaat zijn van het binnenbrengen van gevaccineerde of seropositieve dieren uit beperkingsgebieden;
  9° bevestiging van een geval van blauwtong : de verklaring door het Voedselagentschap van de circulatie van het virus binnen een bepaald gebied op basis van de resultaten van laboratoriumonderzoek; in het geval van een epidemie kan het Voedselagentschap de aanwezigheid van de ziekte eveneens bevestigen op basis van de resultaten van klinisch en/of epidemiologisch onderzoek;
  10° besmet bedrijf : elk bedrijf waar één of verschillende gevallen van de ziekte worden ontdekt;
  11° verklikkerbedrijf : bedrijf aangewezen door het Voedselagentschap waar een groep dieren gehouden wordt die niet aan het virus zijn blootgesteld en die regelmatig onderworpen wordt aan bemonsteringen om elke nieuwe infectie met het virus te detecteren;
  12° beschermingsgebied : gebied met een straal van 100 km rond één of meerdere gevallen van de ziekte. Het Voedselagentschap kan de oppervlakte ervan uitbreiden of reduceren naargelang van onder meer geografische, administratieve, ecologische en epizoötiologische criteria;
  [1 12/1° vaccinaal beschermingsgebied : beschermingsgebied dat ten minste de vaccinatiezone voor een/de levend(e) verzwakt(e) vaccin(s) omvat;]1
  13° toezichtsgebied : gebied met een straal van 150 km rond één of meerdere gevallen. De oppervlakte van dit gebied kan variëren naargelang van onder meer geografische, administratieve, ecologische en epizoötiologische criteria;
  [1 13/1° vaccinaal toezichtsgebied : gebied van een strook van ten minste 50 km rond het vaccinaal beschermingsgebied en waar in de afgelopen 12 maanden geen vaccinatie tegen bluetongue met levende verzwakte vaccins is uitgevoerd;]1
  14° [1 beperkingsgebied : de zone omvattende alle beschermingsgebieden, vaccinaal beschermingsgebieden, toezichtsgebieden en vaccinaal toezichtsgebieden, afgebakend voor een zelfde serotype.]1
  15° vector : insect van het genus "Culicoides ";
  16° Voedselagentschap : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen opgericht bij de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
  17° Geneesmiddelenagentschap : het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten opgericht bij de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten;
  18° officiële dierenarts : dierenarts van het Voedselagentschap;
  19° bedrijfsdierenarts : de erkende dierenarts, aangewezen door de [3 exploitant]3 in toepassing van :
  -artikel 2, 8° van het koninklijk besluit van 17 maart 1997 houdende organisatie van het epidemiologisch toezicht op overdraagbare spongiforme encephalopathies bij herkauwers, of van
  - artikel 2 van koninklijk besluit van 28 februari 1999 houdende maatregelen van epidemiologisch toezicht op en preventie van aangifteplichtige runderziekten, om in de geografische entiteit de reglementaire controles en profylactische ingrepen op de runderen van het beslag uit te voeren;
  20° het Fonds : het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten;
  21° burgemeester : de burgemeester van de gemeente waarin het besmet bedrijf gelegen is;
  22° doorvoer : verplaatsing van dieren :
  a) doorheen een beperkingsgebied;
  b) uit een beperkingsgebied doorheen een niet-beperkingsgebied terug naar hetzelfde beperkingsgebied; of
  c) uit een beperkingsgebied doorheen een niet-beperkingsgebied naar een ander beperkingsgebied;
  23° insecticide : product geregistreerd als geneesmiddel of erkend als insecticide voor de behandeling van dieren, lokalen en voertuigen door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.
  24° bedrijfsregister : het register zoals bedoeld in :
  - artikel 20 van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 betreffende de identificatie en de registratie van schapen, geiten en hertachtigen, of in
  - hoofdstuk VII van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 betreffende de identificatie, de registratie en de toepassingsmodaliteiten voor de epidemiologische bewaking van de runderen;
  [1 25° levende verzwakte vaccins : vaccins die worden geproduceerd door de aanpassing van veldisolaten van het bluetonguevirus via seriële passages in een weefselcultuur of ingeëmbryoneerde kippeneieren.]1
  
Art. 2. Sans préjudice des dispositions de l'article 1er de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux, pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
  1° maladie : la fièvre catarrhale du mouton (bluetongue), conformément à l'article 1, 3° de l'arrêté royal du 25 avril 1988 désignant les maladies des animaux soumises à l'application du chapitre III de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux;
  2° virus : le virus de la fièvre catarrhale du mouton;
  3° espèces sensibles : toutes les espèces de ruminants et de tylopodes (famille des camélidés);
  4° exploitation ou entité géographique : toute construction ou complexe de constructions formant une unité, y compris les terrains annexes, dans laquelle sont en permanence ou temporairement élevés ou détenus des animaux des espèces sensibles;
  5° troupeau : l'ensemble des animaux domestiques des espèces sensibles détenu dans une entité géographique et formant une unité distincte sur base des liens épidémiologiques constatés par l'Agence alimentaire;
  6° [2 opérateur: l'opérateur tel que défini à l'article 4, 24) du règlement (UE) 2016/429 du Parlement Européen et du Conseil du 9 mars 2016 relatif aux maladies animales transmissibles et modifiant et abrogeant certains actes dans le domaine de la santé animale (" législation sur la santé animale ");]2
  7° animal suspect : tout animal d'une espèce sensible présentant des symptômes cliniques permettant de suspecter valablement la maladie;
  8° cas de fièvre catarrhale du mouton ou cas de la maladie : un animal qui remplit au moins une des conditions suivantes :
  a) il s'agit d'un animal présentant des signes cliniques évoquant la présence de la fièvre catarrhale du mouton;
  b) il s'agit d'un animal d'une exploitation sentinelle dont les résultats sérologiques étaient négatifs lors d'une épreuve antérieure et qui est devenu séropositif pour les anticorps d'au moins un sérotype du virus depuis ladite épreuve;
  c) il s'agit d'un animal sur lequel le virus a été isolé;
  d) il s'agit d'un animal positif lors d'épreuves sérologiques de dépistage de la fièvre catarrhale du mouton ou sur lequel a été identifié l'antigène ou l'acide ribonucléique (ARN) viral propre à un ou plusieurs sérotypes du virus.
  De plus, un ensemble de données épidémiologiques doit indiquer que les signes cliniques ou les résultats des tests en laboratoire évoquant une infection par la fièvre catarrhale du mouton sont la conséquence de la circulation du virus dans l'exploitation où est détenu l'animal et ne résultent pas de l'introduction d'animaux vaccinés ou séropositifs provenant de zones réglementées;
  9° confirmation d'un cas de la fièvre catarrhale du mouton : la déclaration par l'Agence alimentaire de la circulation du virus dans une zone déterminée, fondée sur les résultats de laboratoire; en cas d'épidémie, l'Agence alimentaire peut également confirmer la présence de la maladie sur la base de résultats d'enquêtes cliniques et/ou épidémiologiques;
  10° exploitation infectée : toute exploitation où un ou plusieurs cas de la maladie ont été détectés;
  11° exploitation sentinelle : exploitation désignée par l'Agence alimentaire où est détenu un groupe d'animaux non exposé au virus et qui est régulièrement soumis à des prélèvements pour détecter toute nouvelle infection par ce virus;
  12° zone de protection : zone d'un rayon de 100 km délimitée autour d'un ou plusieurs cas de la maladie. L'Agence alimentaire peut augmenter ou réduire cette superficie en fonction de critères d'ordre géographique, administratif, écologique et épizootiologique;
  [1 12/1° zone de protection vaccinale : zone de protection qui comprend au moins la zone de vaccination par un/des vaccin(s) vivant(s) atténué(s);]1
  13° zone de surveillance : zone d'un rayon de 150 km délimitée autour d'un ou plusieurs cas. La superficie de la zone peut varier entre autres en fonction de critères d'ordre géographique, administratif, écologique et épizootiologique;
  [1 13/1° zone de surveillance vaccinale : zone d'une profondeur d'au moins 50 kilomètres qui s'étend au-delà des limites de la zone de protection vaccinale et dans laquelle aucune vaccination contre la fièvre catarrhale du mouton à l'aide de vaccins vivants atténués n'a été pratiquée au cours des 12 derniers mois;]1
  14° [1 zone réglementée : zone englobant toutes les zones de protection, de protection vaccinale, de surveillance et de surveillance vaccinale délimitées pour un même sérotype;]1
  15° vecteur : insecte du genre "Culicoides";
  16° Agence alimentaire : l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire créée par la loi du 4 février 2000 relative à la création de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire;
  17° Agence des médicaments : l'Agence fédérale des Médicaments et des produits de santé créée par la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé;
  18° vétérinaire officiel : vétérinaire de l'Agence alimentaire;
  19° vétérinaire d'exploitation : vétérinaire agréé, désigné par l'[3 exploitant]3 en application de :
  - l'article 2, 8° de l'arrêté royal du 17 mars 1997 organisant la surveillance épidémiologique des encéphalopathies spongiformes transmissibles chez les ruminants, ou de
  - l'article 2 de l'arrêté royal du 28 février 1999 portant des mesures spéciales en vue de la surveillance épidémiologique et de la prévention des maladies de bovins à déclaration obligatoire, pour exécuter les contrôles réglementaires dans l'entité géographique et les interventions prophylactiques sur les bovins du troupeau;
  20° le Fonds : Fonds budgétaire pour la santé et la qualité des animaux et des produits animaux;
  21° bourgmestre : le bourgmestre de la commune dans laquelle est située l'exploitation infectée;
  22° transit : les mouvements d'animaux :
  a) à travers une zone réglementée;
  b) à partir d'une zone réglementée vers cette même zone réglementée en traversant une zone non réglementée; ou
  c) à partir d'une zone réglementée vers une autre zone réglementée en traversant une zone non réglementée;
  23° insecticide : produit enregistré comme médicament ou agréé comme insecticide pour le traitement d'animaux, de locaux et de moyens de transport par le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement.
  24° registre d'exploitation : le registre tel que visé :
  - à l'article 20 de l'arrêté royal du 3 juin 2007 relatif à l'identification et à l'enregistrement des ovins, des caprins et des cervidés, ou
  - au chapitre VII de l'arrêté royal du 8 août 1997 relatif à l'identification, l'enregistrement et aux modalités d'application de l'épidémiosurveillance des bovins;
  [1 25° vaccins vivants atténués : vaccins produits en atténuant les isolats du virus de la fièvre catarrhale du mouton par culture soit sur systèmes cellulaires soit sur oeufs de poule embryonnés.]1
  
HOOFDSTUK II. - Verdenking van de ziekte.
CHAPITRE II. - Suspicion de la maladie.
Art. 3. De [1 exploitant]1 of andere personen belast met de verzorging van deze dieren die de aanwezigheid van symptomen van de ziekte bij een dier van een vatbare soort vermoedt of vaststelt, moet het Voedselagentschap hiervan onmiddellijk op de hoogte brengen.
  De [1 exploitant]1 moet de bedrijfsdierenarts ontbieden, die het dier moet onderzoeken.
  
Art. 3. [1 L' opérateur]1 ou toute personne s'occupant ou surveillant ces animaux qui suspecte ou constate l'existence de symptômes de la maladie chez un animal d'une espèce sensible est tenu d'en informer immédiatement l'Agence alimentaire.
   [1 L' opérateur]1 doit faire appel au vétérinaire d'exploitation qui est tenu d'examiner l'animal.
  
Art. 4. § 1. Op een bedrijf waar zich verdachte dieren bevinden, zijn volgende maatregelen van kracht :
  1° de bedrijfsdierenarts onderwerpt alle verdachte dieren aan een klinisch onderzoek;
  2° de bedrijfsdierenarts neemt passende monsters voor laboratoriumonderzoek;
  3° indien het bedrijf gelegen is buiten het beperkingsgebied, is al het verkeer van dieren van de vatbare soorten van of naar het bedrijf verboden;
  4° de [1 exploitant]1 van een beslag van runderen, schapen, geiten of hertachtigen houdt op basis van het bedrijfsregister een telling bij van alle aanwezige dieren van deze soorten. Deze telling wordt door de [1 exploitant]1 bijgewerkt. De tellingsgegevens moeten op eenvoudig verzoek aan het Voedselagentschap worden voorgelegd;
  5° de [1 exploitant]1 van dieren van andere vatbare soorten dan deze vermeld in punt 4°, houdt een telling bij van alle aanwezige dieren van deze soorten. Deze telling wordt door de [1 exploitant]1 bijgewerkt. De tellingsgegevens moeten op eenvoudig verzoek aan het Voedselagentschap worden voorgelegd.
  § 2. Ter aanvulling van de maatregelen voorzien in § 1, kan het Voedselagentschap volgende bijkomende maatregelen opleggen :
  1° elke verplaatsing van dieren van de vatbare soorten van of naar het bedrijf is verboden tot wanneer uit de laboratoriumonderzoeken blijkt dat de verdenking weerlegd is, of tot een beperkingsgebied werd afgebakend rond het bedrijf;
  2° de officiële dierenarts voert een epidemiologisch onderzoek uit overeenkomstig de voorschriften van hoofdstuk V.
  § 3. Het Voedselagentschap kan de in §§ 1 en 2 genoemde maatregelen ook toepassen in andere bedrijven, wanneer in verband met hun ligging, hun geografische situatie of contacten met het verdachte bedrijf kan worden verondersteld dat zij mogelijk zijn besmet.
  § 4. Voor een bedrijf gelegen buiten een beperkingsgebied heft de officiële dierenarts de in §§ 1, 2 en 3 bedoelde maatregelen pas op wanneer uit de onderzoeken blijkt dat de verdenking weerlegd is.
  Voor een bedrijf gelegen binnen een beperkingsgebied heft de officiële dierenarts de maatregelen voorzien in §§ 2 en 3 pas op wanneer uit de onderzoeken blijkt dat de verdenking weerlegd is.
  
Art. 4. § 1er. Dans une exploitation où se trouvent des animaux suspects, les mesures suivantes sont d'application :
  1° le vétérinaire d'exploitation procède à l'examen clinique de tous les animaux suspects;
  2° le vétérinaire d'exploitation prend les échantillons adéquats destinés aux examens de laboratoire;
  3° si l'exploitation est située en dehors de la zone réglementée tout mouvement d'animaux des espèces sensibles en provenance ou à destination de l'exploitation est interdit;
  4° [1 L' opérateur]1 d'un troupeau de bovins, ovins, caprins ou cervidés établit, sur base du registre d'exploitation, un recensement de tous les animaux présents de ces espèces. Ce recensement est mis à jour par [1 l' opérateur]1 . Les données du recensement doivent être produites à l'Agence alimentaire sur simple demande;
  5° [1 L' opérateur]1 d'animaux d'autres espèces sensibles que celles visées au point 4°, établit un recensement de tous les animaux présents de ces espèces. Ce recensement est mis à jour par [1 l' opérateur]1. Les données de ce recensement doivent être produites à l'Agence alimentaire sur simple demande.
  § 2. En complément des mesures prévues au § 1er, l'Agence alimentaire peut exécuter les mesures suivantes :
  1° tout mouvement d'animaux des espèces sensibles en provenance ou à destination de l'exploitation est interdit jusqu'à ce que la suspicion ait été infirmée par les résultats de laboratoire ou jusqu'à ce qu'une zone réglementée ait été délimitée autour de l'exploitation;
  2° le vétérinaire officiel réalise une enquête épidémiologique conformément aux prescriptions formulées au chapitre V.
  § 3. L'Agence alimentaire peut appliquer les mesures visées aux §§ 1er et 2 à d'autres exploitations dans le cas où leur implantation, leur situation géographique ou les contacts avec l'exploitation où la maladie est suspectée, permettent de soupçonner une possibilité d'infection.
  § 4. Pour une exploitation située en dehors d'une zone réglementée, le vétérinaire officiel ne lève les mesures prévues aux §§ 1er, 2 et 3 qu'au moment où il résulte des examens que la suspicion est infirmée.
  Pour une exploitation située dans une zone réglementée, le vétérinaire officiel ne lève les mesures prévues aux §§ 2 et 3 qu'au moment où il résulte des examens que la suspicion est infirmée.
  
HOOFDSTUK III. - Maatregelen in een beperkingsgebied.
CHAPITRE III. - Mesures dans une zone réglementée.
Art. 5. § 1. Van zodra de aanwezigheid van de ziekte op een bedrijf bevestigd is, verklaart het Voedselagentschap het tot besmet bedrijf en brengt dit ter kennis van de [1 exploitant]1.
  § 2. In aanvulling van de in artikel 4 bedoelde maatregelen kunnen aangetaste of verdachte dieren worden afgemaakt op bevel van het Voedselagentschap en bestemd voor vernietiging onder officieel toezicht.
  Het afmakingsbevel wordt aan de [1 exploitant]1 betekend en een afschrift ervan wordt aan de burgemeester toegezonden.
  
Art. 5. § 1er. Dès que la maladie est confirmée dans une exploitation, l'Agence alimentaire la déclare comme exploitation infectée et elle le notifie [1 à l'opérateur]1.
  § 2. En complément des mesures prévues par l'article 4, les animaux atteints ou suspects peuvent être mis à mort par ordre de l'Agence alimentaire et être destinés à la destruction sous contrôle officiel.
  L'ordre de mise à mort est signifié [1 à l'opérateur]1 et une copie est adressée au bourgmestre.
  
Art. 6. Het Voedselagentschap bakent de beschermings- en de toezichtsgebieden af.
  Een beschrijving van deze gebieden is te raadplegen op de website van het Voedselagentschap (www.favv.be) en wordt op eenvoudige aanvraag door het Voedselagentschap ter beschikking gesteld.
Art. 6. L'Agence alimentaire délimite les zones de protection et les zones de surveillance.
  Une description de ces zones est consultable sur le site de l'Agence alimentaire (www.afsca.be) et est disponible à l'Agence alimentaire sur simple demande.
Art. 7. In een beperkingsgebied zijn de volgende maatregelen van toepassing :
  1° op elk bedrijf dient de [1 exploitant]1 een telling van alle dieren van de vatbare soorten op te maken. De tellingsgegevens moet op eenvoudig verzoek aan het Voedselagentschap worden voorgelegd;
  2° dieren van de vatbare soorten mogen het gebied waarin ze zich bevinden niet verlaten;
  3° de verplaatsingen van dieren en van hun sperma, eicellen en embryo's binnen en uit de beperkingsgebieden voor intracommunautair handelsverkeer zijn verboden, behoudens uitzonderingen toegestaan door het Voedselagentschap. De uitzonderingen worden toegestaan op basis van de voorwaarden van artikelen 7 en 8 en bijlage III van verordening (EG) nr. 1266/2007;
  4° het Voedselagentschap kan de in artikel 4 bedoelde maatregelen uitbreiden tot andere bedrijven gelegen in het beperkingsgebied.
  
Art. 7. Les mesures suivantes sont d'application dans une zone réglementée :
  1° dans toutes les exploitations, [1 l' opérateur]1 doit établir un recensement de tous les animaux des espèces sensibles. Les données du recensement doivent être produites à l'Agence alimentaire sur simple demande;
  2° les animaux des espèces sensibles ne peuvent pas quitter la zone dans laquelle ils se trouvent;
  3° les mouvements des animaux, de leurs semences, ovules et embryons, à l'intérieur et à partir des zones réglementées aux fins des échanges intracommunautaires, sont interdits, sauf dérogation donnée par l'Agence alimentaire. Des dérogations peuvent être accordées sur base des conditions des articles 7 et 8 et de l'annexe III du règlement (CE) n° 1266/2007;
  4° l'Agence alimentaire peut étendre les mesures prévues à l'article 4 aux autres exploitations situées dans la zone réglementée.
  
HOOFDSTUK IV. - Uitzonderingen.
CHAPITRE IV. - Dérogations.
Art. 8. Het Voedselagentschap kan op de maatregelen voorzien in de artikelen 4 en 5 uitzonderingen toekennen op basis van :
  1° de epidemiologische situatie in België en in de buurlanden,
  2° de geografische herkomst van de dieren,
  3° de geografische bestemming van de dieren,
  4° het gebruik van de dieren,
  5° de immunogene status van de dieren,
  6° de leeftijd van de dieren,
  7° de uitgevoerde risicoanalyse,
  8° de van toepassing zijnde protocollen voor het handelsverkeer.
Art. 8. L'Agence alimentaire peut accorder des dérogations aux mesures prévues aux articles 4 et 5 sur base de :
  1° la situation épidémiologique belge et dans les pays voisins,
  2° la provenance géographique des animaux,
  3° la destination géographique des animaux,
  4° l'utilisation des animaux,
  5° le statut immunitaire des animaux,
  6° l'âge des animaux,
  7° des analyses de risques effectuées,
  8° des protocoles d'échanges en vigueur.
HOOFDSTUK V. - Epidemiologisch Onderzoek.
CHAPITRE V. - Enquête épidémiologique.
Art. 9. Het epidemiologisch onderzoek betreft :
  1° de duur van de periode waarin de ziekte op het bedrijf aanwezig kan zijn geweest;
  2° de mogelijke oorsprong van de ziekte in het bedrijf en het identificeren van andere bedrijven waar zich dieren van de vatbare soorten bevinden die door dezelfde bron kunnen besmet zijn;
  3° de aanwezigheid en de verspreiding van de vectoren van de ziekte;
  4° de bewegingen van de dieren van de vatbare soorten van of naar de betrokken bedrijven of het eventueel afvoeren van krengen van deze dieren van deze bedrijven.
Art. 9. L'enquête épidémiologique porte sur :
  1° la durée de la période pendant laquelle la maladie peut avoir existé dans l'exploitation;
  2° l'origine possible de la maladie dans l'exploitation et l'identification des autres exploitations dans lesquelles se trouvent des animaux des espèces sensibles ayant pu être infectés à partir de cette même source;
  3° la présence et la distribution des vecteurs de la maladie;
  4° les mouvements des animaux des espèces sensibles en provenance ou à destination des exploitations en cause ou la sortie éventuelle des cadavres de ces animaux desdites exploitations.
HOOFDSTUK VI. - Voorwaarden van toepassing voor doorvoer.
CHAPITRE VI. - Conditions applicables au transit.
Art. 10. De doorvoer van dieren van vatbare soorten wordt toegestaan door het Voedselagentschap op basis van de voorwaarden van artikel 9 van verordening (EG) nr. 1266/2007.
Art. 10. Le transit d'animaux des espèces sensibles est autorisé par l'Agence alimentaire sur base des conditions de l'article 9 du règlement (CE) n° 1266/2007.
HOOFDSTUK VII. - Opheffing van de maatregelen.
CHAPITRE VII. - Levée des mesures.
Art. 11. Het Voedselagentschap heft de in de hoofdstuk III voorziene maatregelen op ten vroegste twee jaar na het einde van de circulatie van het virus in de besmette gebieden.
Art. 11. L'Agence alimentaire lève les mesures prévues au chapitre III au plus tôt deux ans après la fin de la circulation du virus dans les zones infectées.
HOOFDSTUK VIII. - Laboratoriumdiagnose.
CHAPITRE VIII. - Diagnostic de laboratoire.
Art. 12. Conform de bepalingen van artikelen 2, 3 en 10 van het koninklijk besluit van 15 april 2005 betreffende de aanduiding van de officiële laboratoria tot bepaling van de procedure en de erkenningsvoorwaarden van laboratoria die analyses uitvoeren in het kader van de controleopdracht van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot uitvoering van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, antihormonale, beta-adrenergische of productiestimulerende werking, worden de diagnostische tests uitgevoerd, hetzij door het nationaal referentielaboratorium, hetzij door laboratoria erkend door het Voedselagentschap.
Art. 12. Conformément aux conditions des articles 2, 3 et 10 de l'arrêté royal du 15 avril 2005 relatif à la désignation des laboratoires officiels, fixant la procédure et les conditions d'agrément des laboratoires qui effectuent des analyses dans le cadre des missions de contrôle de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire et portant exécution de la loi du 15 juillet 1985 relative à l'utilisation de substances à effet hormonal, à effet anti-hormonal, à effet bêta-adrénergique ou à effet stimulateur de production chez les animaux, les tests diagnostiques sont effectués soit par le laboratoire national de référence, soit par des laboratoires agréés par l'Agence alimentaire.
HOOFDSTUK IX. - Vaccinatie.
CHAPITRE IX. - Vaccination.
HOOFDSTUK X. - Vergoedingen.
CHAPITRE X. - Indemnités.
Art. 19. Binnen de grenzen van het daartoe bestemde begrotingsartikel kan het Fonds aan de eigenaar van een dier, dat op bevel werd afgemaakt, een vergoeding toekennen gelijk aan de waarde van het dier, voor zover deze vergoeding 2.500 EUR per dier niet overschrijdt en de [1 exploitant]1 zich naar de bepalingen van dit besluit heeft geschikt.
  Er wordt geen enkele vergoeding toegekend indien de [1 exploitant]1 geen gevolg heeft gegeven aan het afmakingsbevel of indien de gezondheidsmaatregelen ambtshalve worden toegepast overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk XI.
  
Art. 19. Dans les limites de l'article budgétaire prévu à cette fin, le Fonds peut accorder au propriétaire d'un animal mis à mort par ordre une indemnité égale à la valeur de l'animal pour autant que cette indemnité ne dépasse pas 2.500 EUR par animal et pour autant que [1 l' opérateur]1 se soit conformé aux dispositions du présent arrêté.
  [Aucune indemnité n'est accordée si [1 l' opérateur]1 refuse d'obtempérer à la mise à mort ou si les mesures de police sanitaire sont appliquées d'office conformément aux dispositions du chapitre XI.]
  
Art. 20. § 1. De waarde van een op bevel af te maken dier wordt bepaald door een deskundige overeenkomstig artikel 77 van het koninklijk besluit van 10 oktober 2005 betreffende de bestrijding van mond- en klauwzeer.
  § 2. [1 De vacaties van de deskundigen worden bepaald volgens de artikelen 1, 2 en 3 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 betreffende de vacaties van de deskundigen die schatting van dieren uitvoeren voor het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten.]1
  
Art. 20. § 1er. La valeur d'un animal à mettre à mort est fixée par un expert conformément à l'article 77 de l'arrêté royal du 10 octobre 2005 relatif à la lutte contre la fièvre aphteuse.
  § 2. [1 Les vacations des experts sont déterminées conformément aux articles 1, 2 et 3 de l'arrêté royal du 19 avril 2014 relatif aux vacations des experts chargés de l'estimation des animaux pour le Fonds budgétaire pour la santé et la qualité des animaux et des produits animaux.]1
  
Art. 21. [1 Aan de erkende dierenarts wordt, ten laste van het Sanitair Fonds, een vergoeding toegekend per :
   1° bedrijfsbezoek;
   2° bloedname,
   voor zover deze worden uitgevoerd volgens de voorschriften van het FAVV.
   De bedoelde handelingen zijn respectievelijk hernomen in nummer 1 en 4 van de bijlage van het koninklijk besluit van 28 januari 2024 betreffende de vergoeding van de dierenartsen ten laste van het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten.]1

  
Art. 21. [1 Il est alloué aux vétérinaires agréés, à charge du Fonds sanitaire, une vacation par :
   1° visite d'établissement;
   2° prélèvement de sang,
   pour autant qu'ils soient effectués selon les instructions de l'AFSCA.
   Les actes visés sont repris respectivement aux numéros 1 et 4 de l'annexe de l'arrêté royal du 28 janvier 2024 relatif aux vacations des vétérinaires à charge du Fonds budgétaire pour la santé et la qualité des animaux et des produits animaux.]1

  
Art. 22. Voor bedrijfsbezoeken en staalnemingen uitgevoerd door de bedrijfsdierenarts in het kader van een verdenking van de ziekte wordt geen vergoeding toegekend.
Art. 22. L'indemnité n'est pas octroyée pour les visites d'exploitation et les prélèvements effectués par le vétérinaire d'exploitation dans le cadre d'une suspicion de la maladie.
Art. 23. § 1. Om de bestrijding van de ziekte op te voeren in het algemeen belang, binnen de grenzen van het daartoe bestemde begrotingsartikel, wordt aan de [1 exploitant]1 van een verklikkerbedrijf, een maandelijkse vergoeding van 25 EUR toegekend ten laste van het Fonds, voor zover er in de loop van deze maand een monsterneming werd uitgevoerd. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd.
  Deze vergoeding wordt niet meer toegekend vanaf het ogenblik dat het bedrijf niet meer als verklikkerbedrijf wordt aangewezen.
  § 2. De uitbetaling van de vergoeding aan de [1 exploitanten]1 van verklikkerbedrijven treedt in werking vanaf 1 januari 2007.
Art. 23. § 1er. En vue d'intensifier la lutte contre la maladie dans l'intérêt général, dans les limites de l'article budgétaire prévu à cette fin, il est accordé [1 à l'opérateur]1 d'une exploitation sentinelle, à charge du Fonds, une indemnité mensuelle de 25 EUR, pour autant qu'un échantillonnage ait été réalisé au cours de ce mois. Ce montant est indexé annuellement.
  [Cette indemnité cesse d'être octroyée lorsque l'exploitation n'est plus désignée comme exploitation sentinelle.]
  § 2. Le paiement de l'indemnité aux [1 opérateurs]1 des exploitations sentinelles entre en vigueur le 1er janvier 2007.
(NOTE :
  - à partir du 01-10-2011, l'indemnité mensuelle s'élève à 26,40 € ; voir DIVERS 2011-11-08/02, art. M, 004; En vigueur : 01-10-2011>
  - à partir du 01-10-2012, l'indemnité mensuelle s'élève à 26,99 € ; voir DIVERS 2012-10-01/14, art. M, 007; En vigueur : 01-10-2012>)
  
Art.23/2.[1 Ten laste van en binnen de grenzen van de beschikbare kredieten van de begrotingspost 255.402.344.101:
   1° wordt voor elk beslag van runderen aan de in Sanitel geregistreerde [4 exploitant]4 een eenmalige forfaitaire subsidie van 23,50 euro [2 inclusief btw]2 per rund toegekend, met uitzondering van mestkalveren, op voorwaarde dat het rund voor [3 1 september 2025]3 werd gevaccineerd in overeenstemming met de door de Koning uitgevaardigde bepalingen [5 , zoals bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 23 december 2025 betreffende de betalingsmodaliteiten van de eenmalige forfaitaire subsidies voor de vaccinatie tegen de epizoötische hemorragische ziekte en tegen blauwtong en tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 2008 betreffende de bestrijding en uitroeiing van blauwtong]5; dit forfaitaire bedrag wordt als prefinanciering van de in dit 1° bedoelde ondersteuning ten gunste van de [4 exploitant]4 aan de dierenarts betaald; de dierenarts trekt dit bedrag af van de honoraria die aan de [4 exploitant]4 worden gefactureerd voor de uitvoering van de in dit 1° bedoelde vaccinaties; de dierenarts is verplicht een document aan de [4 exploitant]4 af te leveren waarin de aftrek van de subsidie op de gefactureerde honoraria wordt vermeld;
   2° wordt voor elk beslag van schapen aan de in Sanitel geregistreerde [4 exploitant]4 een eenmalige forfaitaire subsidie van 7 euro [2 inclusief btw]2 per schaap toegekend, op voorwaarde dat het schaap voor [3 1 september 2025]3 werd gevaccineerd in overeenstemming met de door de Koning uitgevaardigde bepalingen [5 , zoals bedoeld in artikel 11 van het koninklijk besluit van 23 december 2025 betreffende de betalingsmodaliteiten van de eenmalige forfaitaire subsidies voor de vaccinatie tegen de epizoötische hemorragische ziekte en tegen blauwtong en tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 2008 betreffende de bestrijding en uitroeiing van blauwtong]5; de dierenarts trekt het verschuldigde forfaitaire bedrag, berekend op basis van het aantal gevaccineerde dieren, af van de honoraria die aan de [4 exploitant]4 worden gefactureerd voor de uitvoering van de in 1° bedoelde vaccinaties; dit bedrag geldt als een voorschot dat kan worden teruggevorderd bij de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu; de terugbetaling gebeurt op basis van het aantal gevaccineerde dieren zoals opgenomen in het vaccinatieverslag van de dierenarts; de dierenarts is verplicht een document aan de [4 exploitant]4 te verstrekken waarin de aftrek van de subsidie op de gefactureerde honoraria wordt vermeld;
   3° wordt aan de erkende dierenartsen een eenmalige forfaitaire subsidie van 75 euro per runderbeslag toegekend als subsidie voor de begeleiding van de vaccinaties gefinancierd door begrotingspost 255.402.344.101 als bedoeld in het bepaalde onder 1° ;
   4° wordt aan de erkende dierenartsen een eenmalige forfaitaire subsidie van 50 euro per schapenbeslag toegekend als subsidie voor de begeleiding van de vaccinaties gefinancierd door begrotingspost 255.402.344.101 als bedoeld in het bepaalde onder 2° ;
   De Koning kan bijkomende nadere regels uitvaardigen inzake de aanvraag en de uitbetaling van de steun vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, alsook van de eenmalige forfaitaire bedragen vermeld in het eerste lid, 3° en 4°.]1

  
Art.23/2.[1 A charge et dans les limites des crédits disponibles de l'article budgétaire 255.402.344.101:
   1° pour chaque troupeau bovin, il est octroyé à [4 l'opérateur]4 enregistré dans Sanitel une subvention forfaitaire unique de 23,50 euros [2 T.V.A. comprise]2 par bovin, à l'exclusion des veaux d'engraissement, pour autant que le bovin ait été vacciné avant le [3 1er septembre 2025]3 conformément aux dispositions prévues par le Roi [5 visées à l'article 3 de l'arrêté royal du 23 décembre 2025 relatif aux modalités de paiement des subventions forfaitaires uniques pour la vaccination contre la maladie hémorragique épizootique et contre la fièvre catarrhale du mouton et modifiant l'arrêté royal du 7 mai 2008 relatif à la lutte et à l'éradication de la fièvre catarrhale du mouton]5; ce montant forfaitaire est versé au vétérinaire au titre de préfinancement de l'intervention visée au présent 1° au bénéfice du responsable du troupeau; le vétérinaire déduit ce montant des honoraires facturés à [4 l'opérateur]4 pour l'exécution des vaccinations visées au présent 1° ; le vétérinaire est tenu de délivrer à [4 l'opérateur]4 un document faisant mention de la déduction de la subvention sur les honoraires facturés;
   2° pour chaque troupeau ovin, il est octroyé à [4 l'opérateur]4 enregistré dans Sanitel une subvention forfaitaire unique de 7 euros [2 T.V.A. comprise]2 par ovin pour autant qu'il ait été vacciné avant le [3 1er septembre 2025]3 conformément aux dispositions prévues par le Roi [5 visées à l'article 11 de l'arrêté royal du 23 décembre 2025 relatif aux modalités de paiement des subventions forfaitaires uniques pour la vaccination contre la maladie hémorragique épizootique et contre la fièvre catarrhale du mouton et modifiant l'arrêté royal du 7 mai 2008 relatif à la lutte et à l'éradication de la fièvre catarrhale du mouton]5; le vétérinaire déduit le montant forfaitaire dû selon le nombre d'animaux vaccinés des honoraires facturés à [4 l'opérateur]4 pour l'exécution des vaccinations visées au 1°, au titre d'une avance récupérable auprès du SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement; le remboursement se fait sur la base du nombre d'animaux vaccinés repris dans le rapport de vaccination du vétérinaire; le vétérinaire est tenu de délivrer à [4 l'opérateur]4 un document faisant mention de la déduction de la subvention sur les honoraires facturés;
   3° une subvention forfaitaire unique de 75 euros par troupeau bovin est allouée aux médecins vétérinaires agréés à titre de subvention pour l'encadrement des vaccinations financées par l'article budgétaire 255.402.344.101 visées sous 1° ;
   4° une subvention forfaitaire unique de 50 euros par troupeau ovin est allouée aux médecins vétérinaires agréés à titre de subvention pour l'encadrement des vaccinations financées par l'article budgétaire 255.402.344.101 visées sous 2° ;
   Le Roi peut fixer des modalités supplémentaires de demande et de paiement des interventions prévues à l'alinéa 1er, 1°, et à l'alinéa 1er, 2°, et des sommes forfaitaires uniques prévues à l'alinéa 1er, 3°, et à l'alinéa 1er, 4°.]1

  
Art.23/3. [1 De in artikel 23/2 bedoelde tegemoetkomingen ten laste van begrotingspost 255.402.344.101 worden toegekend met inachtneming van de bepalingen van hoofdstukken I en II en artikel 26 van Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 betreffende de verklaring dat bepaalde categorieën steun in de landbouw- en bosbouwsectoren en in plattelandsgebieden verenigbaar zijn met de interne markt overeenkomstig de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
   De Koning bepaalt de feiten die in aanmerking kunnen worden genomen voor de tegemoetkoming ten laste van deze begrotingspost.]1

  
Art.23/3. [1 Les interventions prévues à l'article 23/2 à charge de l'article budgétaire 255.402.344.101, se font dans le respect des dispositions des chapitres I et II et de l'article 26 du règlement (UE) 2022/2472 de la Commission du 14 décembre 2022 déclarant certaines catégories d'aides dans les secteurs agricole et forestier et dans les zones rurales compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne.
   Le Roi détermine ce qui constitue le fait générateur à l'éligibilité à l'intervention à charge de cet article budgétaire.]1

  
Art.23/4.[1 De volgende feiten vormen de aanleiding voor de subsidiabiliteit van de tegemoetkoming ten laste van deze begrotingspost, zoals bedoeld in:
   1° Artikel 23/2, 1° en 2°, de brief die door de verenigingen aan de [3 exploitant]3 wordt gestuurd om hem uit te nodigen contact op te nemen met een dierenarts om de dieren van zijn beslag vóór [2 1 september 2025]2 te vaccineren;
   2° Artikel 23/2, 3°, de naar behoren ingevulde vaccinatieverslagen zoals bedoeld in artikel 11, § 1 van het koninklijk besluit 26 januari 2025 betreffende de vaccinatie tegen de epizoötische hemorragische ziekte en tegen blauwtong en tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 2008 betreffende de bestrijding en uitroeiing van blauwtong en in artikel 8 van de wet van 20 december 2024 betreffende de verplichte vaccinatie tegen blauwtong en EHD;
   3° Artikel 23/2, 4°, het naar behoren ingevulde vaccinatieverslag zoals bedoeld in artikel 11, § 1 van het koninklijk besluit 26 januari 2025 betreffende de vaccinatie tegen de epizoötische hemorragische ziekte en tegen blauwtong en tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 mei 2008 betreffende de bestrijding en uitroeiing van blauwtong.]1

  
Art.23/4.[1 Constituent le fait générateur à l'éligibilité à l'intervention à charge de cet article budgétaire, prévue :
   1° à l'article 23/2, 1 et 2°, la lettre envoyée par les associations [3 à l'opérateur]3 l'invitant à prendre contact avec un vétérinaire pour vacciner les animaux de son troupeau avant le [2 1er septembre 2025]2 ;
   2° à l'article 23/2, 3°, les rapports de vaccination dûment complétés visés à l'article 11, § 1er de l'arrêté royal du 26 janvier 2025 relatif à la vaccination contre la maladie hémorragique épizootique et contre la fièvre catarrhale du mouton et modifiant l'arrêté royal du 7 mai 2008 relatif à la lutte et à l'éradication de la fièvre catarrhale du mouton et à l'article 8 de la loi du 20 décembre 2024 relative à la vaccination obligatoire contre la langue bleue et le MHE ;
   3°. à l'article 23/2, 4°, le rapport de vaccination dûment complété visé à l'article 11, § 1er de l'arrêté royal du 26 janvier 2025 relatif à la vaccination contre la maladie hémorragique épizootique et contre la fièvre catarrhale du mouton et modifiant l'arrêté royal du 7 mai 2008 relatif à la lutte et à l'éradication de la fièvre catarrhale du mouton.]1

  
HOOFDSTUK XI. - Ambtshalve toe te passen maatregelen.
CHAPITRE XI. - Mesures appliquées d'office.
Art. 24. Indien een [1 exploitant]1 van dieren van de vatbare soorten één of meerdere maatregelen van dit besluit, of maatregelen opgelegd door de officiële dierenarts, niet toepast, laat het Voedselagentschap ze ambtshalve toepassen op kosten van de betrokken [1 exploitant]1.
  
Art. 24. Si un [1 opérateur]1 d'animaux des espèces sensibles n'applique pas une ou plusieurs mesures prévues par le présent arrêté ou ordonnées par le vétérinaire officiel, l'Agence alimentaire fait appliquer ces mesures d'office aux frais [1 de l'opérateur]1 concerné.
  
Art. 25. Elk dier van een vatbare soort dat zich op de openbare weg, op een openbare plaats of op de eigendom van een ander bevindt, en dat in overtreding is met de bepalingen van dit besluit, wordt onmiddellijk onder toezicht geplaatst van het Voedselagentschap en kan op bevel van de officiële dierenarts afgemaakt worden.
Art. 25. Tout animal des espèces sensibles trouvé en infraction aux dispositions du présent arrêté sur la voie publique, dans un lieu public ou sur la propriété d'autrui est immédiatement mis sous surveillance de l'Agence alimentaire et peut être mis à mort sur l'ordre du vétérinaire officiel.
Art. 26. De kosten voor de afzondering en de sanitaire bezoeken uitgevoerd in het kader van dit hoofdstuk zijn te laste van de [1 exploitant]1 van de dieren die het voorwerp uitmaken van de maatregel.
  
Art. 26. Les frais pour la séquestration et les visites sanitaires effectuées dans le cadre du présent chapitre, sont à charge [1 de l'opérateur]1 des animaux faisant l'objet de la mesure.
  
Art. 27. Inbreuken op de bepalingen van dit besluit worden opgespoord, vastgesteld en vervolgd overeenkomstig het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, en gestraft overeenkomstig de hoofdstukken V en VI van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987.
Art. 27. Les infractions aux dispositions du présent arrêté sont recherchées, constatées et poursuivies conformément à l'arrêté royal du 22 février 2001 organisant les contrôles effectués par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire et punies conformément aux chapitres V et VI de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux.
HOOFDSTUK XII. - Slotbepalingen.
CHAPITRE XII. - Dispositions finales.
Art. 28. Het ministerieel besluit van 20 november 2001 betreffende de bestrijding en uitroeiing van blauwtong, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 22 augustus 2006 wordt opgeheven.
Art. 28. L'arrêté ministériel du 20 novembre 2001 relatif à la lutte et à l'éradication de la fièvre catarrhale du mouton, modifié par l'arrêté ministériel du 22 août 2006 est abrogé.
Art. 29. In bijlage 1 van het koninklijk besluit van 3 oktober 1997 houdende maatregelen van diergeneeskundige politie betreffende de bestrijding van bepaalde exotische dierenziekten, worden de woorden " Blue tongue " geschrapt.
Art. 29. A l'annexe 1re de l'arrêté royal du 3 octobre 1997 portant des mesures de police sanitaire relatives à la lutte contre certaines maladies exotiques des animaux, les mots " Fièvre catarrhale du mouton " sont supprimés.
Art. 30. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 30. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 31. Onze minister bevoegd voor volksgezondheid en Onze minister bevoegd voor de veiligheid van de voedselketen zijn, ieder wat haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 31. Notre Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions et Notre Ministre qui a la Sécurité de la Chaîne alimentaire dans ses attributions sont chargées, chacune en ce qui la concerne, de l'exécution du présent arrêté.