Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
10 MAART 1995. - Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie.
Titre
10 MARS 1995. - Convention établie sur la base de l'article K.3 du Traité sur l'Union européenne, relative à la procédure simplifiée d'extradition entre les Etats membres de l'Union européenne.
Inhoud
Inhoud
Tekst (19)
Texte (19)
Artikel 1. Algemene bepalingen.
  1. Deze Overeenkomst strekt ertoe door aanvulling van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, de toepassing ervan tussen de Lid-Staten van de Europese Unie te vergemakkelijken.
  2. Lid 1 laat de toepassing van gunstiger bepalingen van geldende bilaterale en multilaterale overeenkomsten tussen Lid-Staten onverlet.
Article 1. Dispositions générales.
  1. La présente convention vise à faciliter l'application entre les Etats membres de l'Union européenne de la convention européenne d'extradition, en complétant les dispositions de celle-ci.
  2. Le paragraphe 1 n'affecte pas l'application des dispositions plus favorables des accords bilatéraux ou multilatéraux en vigueur entre Etats membres.
Art. 2. Verplichting tot overlevering.
  De Lid-Staten verplichten zich ertoe om elkaar, overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst, personen die voor uitlevering worden gezocht over te leveren volgens de bij deze Overeenkomst vastgestelde verkorte procedure, mits de betrokken persoon daarmee instemt en de aangezochte Staat zijn toestemming voor deze overlevering heeft gegeven.
Art. 2. Obligation de remise.
  Les Etats membres s'engagent à se remettre selon la procédure simplifiée telle que prévue par la présente convention les personnes recherchées à des fins d'extradition, moyennant le consentement de ces personnes et l'accord de l'Etat requis, donnés conformément à la présente convention.
Art. 3. Voorwaarden voor de overlevering.
  1. Krachtens artikel 2 wordt elke persoon om wiens voorlopige aanhouding in overeenstemming met artikel 16 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering is verzocht, overgeleverd volgens het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 12, lid 1, van de onderhavige Overeenkomst.
  2. De in lid 1 bedoelde overlevering is niet afhankelijk van de indiening van een verzoek tot uitlevering en van de ingevolge artikel 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering vereiste documenten.
Art. 3. Conditions de la remise.
  1. En vertu de l'article 2, toute personne ayant fait l'objet d'une demande d'arrestation provisoire selon l'article 16 de la convention européenne d'extradition est remise conformément aux articles 4 à 11 et à l'article 12 paragraphe 1 de la présente convention.
  2. La remise visée au paragraphe 1 n'est pas subordonnée à la présentation d'une demande d'extradition et des documents requis par l'article 12 de la convention européenne d'extradition.
Art. 4. Mededeling van gegevens.
  1. Ten behoeve van de voorlichting van de aangehouden persoon met het oog op de toepassing van de artikelen 6 en 7, en van de bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 5, lid 2, worden de volgende door de verzoekende Staat mede te delen gegevens toereikend geacht :
  a) de identiteit van de gezochte persoon;
  b) de om aanhouding verzoekende autoriteit;
  c) het bestaan van een bevel tot aanhouding of van een akte die dezelfde kracht heeft, of van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis;
  d) de aard en wettelijke omschrijving van het strafbaar feit;
  e) een omschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbaar feit is begaan, met inbegrip van tijdstip, plaats en mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbaar feit;
  f) voor zover mogelijk de gevolgen van het strafbaar feit.
  2. Niettegenstaande lid 1 kunnen aanvullende gegevens worden gevraagd, indien de in lid 1 bedoelde gegevens voor de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat onvoldoende blijken te zijn om haar toestemming te geven voor de overlevering.
Art. 4. Renseignements à communiquer.
  1. Aux fins de l'information de la personne arrêtée en vue de l'application des articles 6 et 7, ainsi que de l'autorité compétente visée à l'article 5, paragraphe 2, les renseignements suivants, à communiquer par l'Etat requérant, sont considérés comme suffisants :
  a) l'identité de la personne recherchée;
  b) l'autorité qui demande l'arrestation;
  c) l'existence d'un mandant d'arrêt ou d'un acte ayant la même force ou d'un jugement exécutoire;
  d) la nature et la qualification légale de l'infraction;
  e) la description des circonstances de l'infraction, y compris l'heure, le lieu et le degré de participation à l'infraction de la personne recherchée;
  f) dans la mesure du possible, les conséquences de l'infraction.
  2. Nonobstant le paragraphe 1, des renseignements complémentaires peuvent être demandés si les renseignements prévus audit paragraphe se révèlent insuffisants pour permettre à l'autorité compétente de l'Etat requis d'autoriser la remise.
Art. 5. Instemming en toestemming.
  1. De instemming van de aangehouden persoon wordt gegeven overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 6 en 7.
  2. De bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat geeft haar toestemming overeenkomstig haar nationale procedures.
Art. 5. Consentement et accord.
  1. Le consentement de la personne arrêtée est donné conformément aux articles 6 et 7.
  2. L'autorité compétente de l'Etat requis donne son accord selon ses procédures nationales.
Art. 6. Informatie van de betrokkene.
  Wanneer een voor uitlevering gezochte persoon wordt aangehouden op het grondgebied van een andere Lid-Staat, stelt de bevoegde autoriteit deze persoon in overeenstemming met haar nationaal recht in kennis van het verzoek dat te zijnen aanzien is gedaan, en van de mogelijkheid die hem wordt geboden in te stemmen met zijn overlevering aan de verzoekende Staat volgens de verkorte procedure.
Art. 6. Information de la personne.
  Lorsqu'une personne recherchée aux fins d'extradition est arrêtée sur le territoire d'un autre Etat membre, l'autorité compétente l'informe, conformément à son droit interne, de la demande dont elle fait l'objet ainsi que de la possibilité qui lui est offerte de consentir à sa remise à l'Etat requérant selon la procédure simplifiée.
Art. 7. Verkrijging van de instemming.
  1. De instemming van de aangehouden persoon en, in voorkomend geval, zijn uitdrukkelijke afstand van de bescherming van het specialiteitbeginsel, geschiedt ten overstaan van de bevoegde rechterlijke instanties van de aangezochte Staat, overeenkomstig het nationaal recht van die Staat.
  2. Elke Lid-Staat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de instemming, en, in voorkomend geval, de afstand, als bedoeld in lid 1, wordt verkregen onder omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene uit vrije wil handelt en zich volledig bewust is van de gevolgen. De aangehouden persoon heeft te dien einde het recht zich door een raadsman te doen bijstaan.
  3. De instemming en, in voorkomend geval, de afstand, als bedoeld in lid 1, worden opgetekend in een proces-verbaal dat wordt opgemaakt overeenkomstig het nationaal recht van de aangezochte Staat.
  4. De instemming en, in voorkomend geval, de afstand, als bedoeld in lid 1, kan niet worden herroepen. Bij de nederlegging van hun instrumenten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, kunnen de Lid-Staten in een verklaring te kennen geven dat de instemming en, in voorkomend geval, de afstand overeenkomstig hun nationaal recht kan worden herroepen. In dat geval wordt het tijdvak tussen de kennisgeving van de instemming en de kennisgeving van de herroeping niet in aanmerking genomen voor het bepalen van de in artikel 16, lid 4, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering bedoelde termijn.
Art. 7. Recueil du consentement.
  1. Le consentement de la personne arrêtée et, le cas échéant, sa renonciation expresse au bénéfice de la règle de la spécialité sont donnés devant les autorités judiciaires compétentes de l'Etat requis, conformément au droit interne de celui-ci.
  2. Tout Etat membre adopte les mesures nécessaires pour que le consentement et, le cas échéant, la renonciation visés au paragraphe 1 soient recueillis dans des conditions faisant apparaître que la personne les a exprimés volontairement et en étant pleinement consciente des conséquences qui en résultent. A cette fin, la personne arrêtée a le droit de se faire assister d'un conseil.
  3. Le consentement et, le cas échéant, la renonciation visés au paragraphe 1 sont consignés dans un procès-verbal, selon la procédure prévue par le droit interne de l'Etat requis.
  4. Le consentement et, le cas échéant, la renonciation visés au paragraphe 1 sont irrévocables. Lors du dépôt de leur instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, les Etats membres peuvent indiquer dans une déclaration que le consentement et, le cas échéant, la renonciation peuvent être révocables, selon les règles applicables en droit interne. Dans ce cas, la période comprise entre la notification du consentement et celle de sa révocation n'est pas prise en considération pour la détermination des délais prévus à l'article 16 paragraphe 4 de la convention européenne d'extradition.
Art. 8. Mededeling van de instemming.
  1. De aangezochte Staat deelt de verzoekende Staat onmiddellijk de instemming van de betrokken persoon mee. Ten einde, in voorkomend geval, de verzoekende Staat in de gelegenheid te stellen een verzoek tot uitlevering in te dienen, deelt de aangezochte Staat uiterlijk tien dagen na de voorlopige aanhouding mee of de betrokken persoon al dan niet zijn instemming heeft gegeven.
  2. De in lid 1 bedoelde mededeling geschiedt rechtstreeks tussen de bevoegde autoriteiten.
Art. 8. Communication du consentement.
  1. L'Etat requis communique immédiatement à l'Etat requérant le consentement de la personne. Afin de permettre à cet Etat de présenter, le cas échéant, une demande d'extradition, l'Etat requis lui fait savoir, au plus tard dix jours après l'arrestation provisoire, si la personne a donné ou non son consentement.
  2. La communication visée au paragraphe 1 s'effectue directement entre les autorités compétentes.
Art. 9. Afstand van de bescherming van het specialiteitbeginsel.
  Elke Lid-Staat kan bij de nederlegging van zijn instrument van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding of op ieder ander tijdstip verklaren dat het bepaalde in artikel 14 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering niet van toepassing is indien de betrokkene, overeenkomstig artikel 7 van de onderhavige Overeenkomst :
  a) met de uitlevering instemt of
  b) met de uitlevering instemt en uitdrukkelijk afstand doet van de bescherming van het specialiteitbeginsel.
Art. 9. Renonciation au bénéfice de la règle de la spécialité.
  Tout Etat membre peut déclarer, lors du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion ou à tout autre moment, que les règles prévues à l'article 14 de la convention européenne d'extradition ne sont pas applicables lorsque la personne, conformément à l'article 7 de la présente convention :
  a) consent à l'extradition; ou
  b) ayant consenti à l'extradition, renonce expressément au bénéfice de la règle de la spécialité.
Art. 10. Mededeling van het besluit.
  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 18, lid 1, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, vindt de mededeling van de ingevolge de verkorte procedure genomen beslissing tot uitlevering en van de informatie betreffende de toepassing van deze procedure rechtstreeks tussen de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat en de autoriteit van de verzoekende Staat die om voorlopige aanhouding heeft verzocht, plaats.
  2. De in lid 1 bedoelde mededeling geschiedt uiterlijk twintig dagen na de datum waarop de betrokken persoon zijn instemming heeft gegeven.
Art. 10. Communication de la décision d'extradition.
  1. Par dérogation aux règles prévues à l'article 18 paragraphe 1 de la convention européenne d'extradition, la communication de la décision d'extradition prise en application de la procédure simplifiée, ainsi que des informations relatives à cette procédure, s'effectue directement entre l'autorité compétente de l'Etat requis et l'autorité de l'Etat requérant qui a demandé l'arrestation provisoire.
  2. La communication visée au paragraphe 1 s'effectue au plus tard dans les vingt jours suivant la date du consentement de la personne.
Art. 11. Termijn voor de overlevering.
  1. De overlevering van de betrokken persoon vindt plaats uiterlijk twintig dagen na de datum van mededeling van de beslissing tot uitlevering overeenkomstig artikel 10, lid 2.
  2. Indien de betrokken persoon in hechtenis is, wordt hij bij het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn op het grondgebied van de aangezochte Staat in vrijheid gesteld.
  3. Indien de betrokken persoon door overmacht niet binnen de in lid 1 bedoelde termijn kan worden overgeleverd, stelt de betrokken autoriteit als bedoeld in artikel 10, lid 1, de andere autoriteit hiervan in kennis. Zij komen onderling een nieuwe datum voor de overlevering overeen. In dat geval vindt de overlevering plaats binnen twintig dagen na de aldus overeengekomen nieuwe datum. Indien de betrokken persoon bij het verstrijken van die termijn nog in hechtenis is, wordt hij in vrijheid gesteld.
  4. De leden 1, 2 en 3 van dit artikel zijn niet van toepassing in geval de aangezochte Staat artikel 19 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering wenst toe te passen.
Art. 11. Délai de remise.
  1. La remise de la personne s'effectue au plus tard dans les vingt jours suivant la date à laquelle la décision d'extradition a été communiquée dans les conditions énoncées à l'article 10 paragraphe 2.
  2. A l'expiration du délai prévu au paragraphe 1, si la personne se trouve détenue, elle est remise en liberté sur le territoire de l'Etat requis.
  3. En cas de force majeure empêchant la remise de la personne dans le délai prévu au paragraphe 1, l'autorité concernée visée à l'article 10 paragraphe 1 en informe l'autre autorité. Elles conviennent entre elles d'une nouvelle date de remise. Dans cette hypothèse, la remise aura lieu dans les vingt jours suivant la nouvelle date ainsi convenue. Si la personne en question est encore détenue à l'expiration de ce délai, elle est remise en liberté.
  4. Les paragraphes 1, 2 et 3 du présent article ne s'appliquent pas dans le cas où l'Etat requis souhaite faire usage de l'article 19 de la convention européenne d'extradition.
Art. 12. Instemming die na het verstrijken van de in artikel 8 bepaalde termijn of in andere omstandigheden wordt gegeven.
  1. Indien de betrokken persoon zijn instemming geeft na het verstrijken van de in artikel 8 bepaalde termijn van tien dagen,
  - past de aangezochte Staat de bij deze Overeenkomst vastgelegde verkorte procedure toe, indien hij nog geen verzoek tot uitlevering als bedoeld in artikel 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering heeft ontvangen;
  - kan de aangezochte Staat deze verkorte procedure toepassen, indien hij inmiddels een verzoek tot uitlevering als bedoeld in artikel 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering heeft ontvangen.
  2. Indien geen verzoek tot voorlopige aanhouding is ingediend en de instemming is gegeven nadat de aangezochte Staat een verzoek tot uitlevering heeft ontvangen, kan deze de bij deze Overeenkomst vastgelegde verkorte procedure toepassen.
  3. Bij de nederlegging van zijn instrument van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, geeft elke Lid-Staat in een verklaring te kennen of hij het voornemen heeft lid 1, tweede streepje, en lid 2, toe te passen en, zo ja, onder welke voorwaarden hij zulks zal doen.
Art. 12. Consentement donné après l'expiration du délai prévu à l'article 8 ou dans d'autres circonstances.
  1. Lorsque la personne a donné son consentement après l'expiration du délai de dix jours prévu à l'article 8, l'Etat requis :
  - met en oeuvre la procédure simplifiée telle que prévue par la présente convention si une demande d'extradition au sens de l'article 12 de la convention européenne d'extradition ne lui est pas encore parvenue;
  - peut recourir à cette procédure simplifiée si une demande d'extradition au sens de l'article 12 de la convention européenne d'extradition lui est parvenue entre-temps.
  2. Lorsqu'aucune demande d'arrestation provisoire n'a été faite, et dans le cas où un consentement a été donné après réception d'une demande d'extradition, l'Etat requis peut recourir à la procédure simplifiée telle que prévue par la présente convention.
  3. Lors du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, chaque Etat membre déclare s'il a l'intention d'appliquer le paragraphe 1 deuxième tiret et le paragraphe 2 et dans quelles conditions il entend le faire.
Art. 13. Verderlevering aan een andere Lid-Staat.
  Wanneer de uitgeleverde persoon overeenkomstig de in artikel 9 van deze Overeenkomst bedoelde verklaring van de Lid-Staat niet de bescherming van het specialiteitbeginsel geniet, is artikel 15 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering niet van toepassing op de verderlevering van deze persoon aan een andere Lid-Staat, tenzij in die verklaring anders is bepaald.
Art. 13. Réextradition à un autre Etat membre.
  Lorsque la personne extradée ne bénéficie pas de la règle de la spécialité conformément à la déclaration de l'Etat membre prévue à l'article 9 de la présente convention, l'article 15 de la convention européenne d'extradition ne s'applique pas à la réextradition de cette personne à un autre Etat membre, à moins que ladite déclaration en dispose autrement.
Art. 14. Doortocht. In geval van doortocht in de zin van artikel 21 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, geldt bij uitlevering volgens de verkorte procedure het volgende :
  a) in dringende gevallen kan het verzoek, vergezeld van de in artikel 4 genoemde gegevens, bij de Staat van doortocht worden ingediend met alle middelen die een schriftelijke melding opleveren. De Staat van doortocht kan zijn beslissing op dezelfde wijze kenbaar maken;
  b) de gegevens als bedoeld in artikel 4 zijn voldoende om de bevoegde autoriteit van de Staat van doortocht in staat te stellen na te gaan of het een verkorte uitleveringsprocedure betreft en ten aanzien van de uitgeleverde persoon de nodige dwangmaatregelen te nemen voor de uitvoering van de doortocht.
Art. 14. Transit En cas de transit au sens de l'article 21 de la convention européenne d'extradition, lorsqu'il s'agit d'extradition selon la procédure simplifiée, les dispositions suivantes s'appliquent :
  a) en cas d'urgence, la demande peut être adressée, par tous moyens laissant une trace écrite, à l'Etat de transit, accompagnée des renseignements prévus à l'article 4. L'Etat de transit peut faire connaître sa décision par le même procédé;
  b) les renseignements visés à l'article 4 sont suffisants pour permettre à l'autorité compétente de l'Etat de transit de savoir s'il s'agit d'une procédure simplifiée d'extradition et de prendre à l'encontre de la personne extradée les mesures de contrainte nécessaires à l'exécution du transit.
Art. 15. Aanwijzing van de bevoegde autoriteiten.
  Elke Lid-Staat geeft bij de nederlegging van zijn instrument van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding in een verklaring aan, welke de bevoegde autoriteiten zijn in de zin van de artikelen 4 tot en met 8, 10 en 14.
Art. 15. Détermination des autorités compétentes.
  Lors du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation, d'approbation ou d'adhésion, chaque Etat membre indique dans une déclaration quelles sont les autorités compétentes au sens des articles 4 à 8, 10 et 14.
Art. 16. Inwerkingtreding.
  1. Deze Overeenkomst moet worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden neergelegd bij het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Unie. De Secretaris-Generaal van de Raad stelt alle Lid-Staten van de nederlegging in kennis.
  2. Deze Overeenkomst treedt in werking negentig dagen nadat de laatste Lid-Staat zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring heeft neergelegd.
  3. Tot de inwerkingtreding van deze Overeenkomst kan elke Lid-Staat bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring of op enig ander tijdstip verklaren dat de Overeenkomst negentig dagen na de nederlegging van zijn verklaring op hem van toepassing is in zijn betrekkingen met de Lid-Staten die een zelfde verklaring hebben afgelegd.
  4. De verklaringen als bedoeld in artikel 9 worden van kracht dertig dagen na de nederlegging ervan, doch ten vroegste op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst of de datum waarop deze voor de betrokken Lid-Staat van toepassing is geworden.
  5. De Overeenkomst is alleen van toepassing op verzoeken die worden ingediend na de datum waarop deze in werking is getreden of tussen de aangezochte Staat en de verzoekende Staat van toepassing is geworden.
Art. 16. Entrée en vigueur
  1. La présente convention est soumise à ratification, acceptation ou approbation. Les instruments de ratification, d'acceptation ou d'approbation sont déposés auprès du Secrétariat général du Conseil de l'Union européenne. Le Secrétaire général du Conseil en notifie le dépôt à tous les Etats membres.
  2. La présente convention entre en vigueur quatre-vingt-dix jours après le dépôt de l'instrument de ratification, d'acceptation ou d'approbation par l'Etat membre qui procède le dernier à cette formalité.
  3. Jusqu'à l'entrée en vigueur de la présente convention, chaque Etat membre peut, lors du dépôt de son instrument de ratification, d'acceptation ou d'approbation ou à tout autre moment, déclarer que cette convention est applicable à son égard, dans ses rapports avec les Etats membres qui ont fait la même déclaration, quatre-vingt-dix jours après le dépôt de sa déclaration.
  4. Toute déclaration faite en vertu de l'article 9 prend effet trente jours après son dépôt, mais au plus tôt à la date de l'entrée en vigueur de la présente convention ou de la mise en application de celle-ci à l'égard de l'Etat membre concerné.
  5. La présente convention ne s'applique qu'aux demandes présentées postérieurement à la date de son entrée en vigueur ou de sa mise en application entre l'Etat requis et l'Etat requérant.
Art. 17. Toetreding.
  1. Elke Staat die lid wordt van de Europese Unie, kan tot deze Overeenkomst toetreden.
  2. De door het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Unie vastgestelde en door alle Lid-Staten goedgekeurde tekst van deze Overeenkomst in de taal van de toetredende Staat, is met de andere teksten gelijkelijk authentiek. De Secretaris-Generaal zendt een eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze tekst toe aan elke Lid-Staat.
  3. De akten van toetreding worden neergelegd bij het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Unie.
  4. Deze Overeenkomst treedt ten aanzien van elke toetredende Staat in werking negentig dagen nadat diens akte van toetreding is neergelegd, of op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst indien deze bij het verstrijken van de genoemde periode van negentig dagen nog niet in werking te getreden.
  5. Indien deze Overeenkomst op het tijdstip van nederlegging van zijn akte van toetreding nog niet in werking is getreden, is artikel 16, lid 3, van toepassing op de toetredende Lid-Staat.
Art. 17. Adhésion 1. La présente convention est ouverte à l'adhésion de tout Etat qui devient membre de l'Union européenne.
  2. Le texte de la présente convention établi dans la langue de l'Etat adhérent par les soins du Secrétariat général du Conseil de l'Union européenne et approuvé par tous les Etats membres fait foi au même titre que les autres textes authentiques. Le Secrétaire général en transmet une copie certifiée conforme à chaque Etat membre.
  3. Les instruments d'adhésion sont déposés auprès du Secrétariat général du Conseil de l'Union européenne.
  4. La présente convention entre en vigueur à l'égard de tout Etat qui y adhère quatre-ving-dix jours après le dépôt de son instrument d'adhésion ou à la date de l'entrée en vigueur de cette convention, si elle n'est pas encore entrée en vigueur au moment de l'expiration de ladite période de quatre-vingt-dix jours.
  5. Dans le cas où la présente convention n'est pas encore entrée en vigueur au moment du dépôt de leur instrument d'adhésion, l'article 16 paragraphe 3 s'applique aux Etats membres adhérents.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Lijst van de gebonden Staten.
Art. N. Liste des Etats liés.
               STATEN                DATUM VAN DE BEKRACHTIGING
  

Wijzigingen

Belgie                                       16 juli 2002
Denemarken                               19 november 1996
Duitsland                                11 december 1998
Finland                                      7 april 1999
Frankrijk
Griekenland                                  20 juni 2000
Ierland                                      28 juni 2002
Italie
Luxemburg                                 8 augustus 2001
Nederland                                    29 juni 2000
Oostenrijk                                   27 juni 2000
Portugal                                  13 oktober 1997
Spanje                                    22 januari 1999
Verenigd Koninkrijk                      20 december 2001
Zweden                                       18 juli 1997
----------------------------------------------------------------
België heeft volgende verklaringen afgelegd :
1. verklaring bij artikel 7 :
" De instemming met de verkorte procedure, uitgedrukt in toepassing van de huidige Overeenkomst, door een in België gevonden persoon, alsook de hiermee samenhangende automatische afstand van het specialiteitbeginsel zijn herroepbaar tot op het moment dat deze persoon in de handen van de autoriteiten van de verzoekende staat is overgedragen ".
2. verklaring bij artikel 9 :
" De regels die betrekking hebben op de specialiteit, voorzien in artikel 14 van het Europees Uitleveringsverdrag, zijn niet van toepassing indien de betrokken persoon instemt met zijn uitlevering ".
3. verklaring bij artikel 12 :
" België wil, met het oog op het uitbreiden van de toepassingsmogelijkheden van de verkorte procedure, artikel 12, paragraaf 1, 2e streepje en paragraaf 2 toepassen ".
4. verklaring bij artikel 15 :
" België benoemt als bevoegde autoriteiten enerzijds, de parketten van de rechtbanken van eerste aanleg en het federale parket in toepassing van de artikelen 4 tot en met 8 en artikel 10, en anderzijds de Dienst Individuele Gevallen, in de materie van de Internationale Gerechtelijke Samenwerking in Strafzaken van het Directoraat-Generaal Wetgeving en Fundamentele Rechten en Vrijheden van de Federale Overheidsdienst Justitie, in toepassing van artikel 14 ".
5. verklaring bij artikel 16 :
" Wat België betreft en op grond van artikel 16, is deze Overeenkomst van toepassing in de betrekkingen met de andere lidstaten die eenzelfde verklaring hebben afgelegd ".
               ETATS                       DATE DE LA RATIFICATION
  

Wijzigingen

Allemagne                                   11 décembre 1998
Autriche                                        27 juin 2000
Belgique                                     16 juillet 2002
Danemark                                    19 novembre 1996
Espagne                                      22 janvier 1999
Finlande                                        7 avril 1999
France
Grece                                           20 juin 2000
Irlande                                         28 juin 2002
Italie
Luxembourg                                       8 août 2001
Pays-Bas                                        29 juin 2000
Portugal                                     13 octobre 1997
Royaume-Uni                                 20 december 2001
Suede                                        18 juillet 1997
----------------------------------------------------------------
-
  La Belgique à déposé les déclarations suivantes :
  1. Déclaration concernant l'article 7 :
  " Le consentement à la procédure simplifiée ainsi que la renonciation automatique au bénéfice de la règle de la spécialité qui y est associée, exprimés en application de la présente Convention, par une personne trouvée en Belgique, restent révocables et ce jusqu'à ce que cette personne soit remise entre les mains des autorités de l'Etat requérant ".
  2. Déclaration concernant l'article 9 :
  " Les règles relatives à la spécialité prévues à l'article 14 de la Convention européenne d'extradition ne sont pas applicables lorsque la personne concernée consent à son extradition ".
  3. Déclaration concernant l'article 12 :
  " La Belgique entend appliquer, en vue d'élargir les possibilités d'application de la procédure simplifiée, le paragraphe 1 second tiret et le paragraphe 2 de l'article 12 ".
  4. Déclaration concernant l'article 15 :
  " La Belgique désigne comme autorités compétentes d'une part, pour l'application des articles 4 à 8 et 10, les parquets de première instance et le parquet fédéral et d'autre part, pour l'application de l'article 14, le Service des cas individuels en matière de coopération judiciaire internationale de la Direction générale de la Législation pénale et des Droits et Libertés fondamentales du Service public fédéral Justice. "
  5. Déclaration concernant l'article 16 :
  " La présente Convention est applicable, en ce qui concerne la Belgique, sur base de l'article 16, dans ses rapports avec les Etats membres qui auront formulé la même déclaration ".