Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
21 MAART 1804. - [OUD] BURGERLIJK WETBOEK. - BOEK III - TITEL V. - Stelsel van gemeenschap van goederen (Opschrift gewijzigd door W2019-04-13/28, art. 2, Inwerkingtreding : 01-11-2020) (OVERGANGSRECHT voorzien in het artikel 3 van de Wet van 14 juli 1976. - cfr.1804-03-21/33, voor de gevallen niet voorzien in dit overgangsrecht)
Titre
21 MARS 1804. - [ANCIEN] CODE CIVIL. - LIVRE III - TITRE V. Du régime en Communauté (Intitulé modifié par L2019-04-13/28, art. 2, En vigueur : 01-11-2020) (DROIT TRANSITOIRE applicable aux situations prévues à l'article 3 de la Loi du 14 juillet 1976. - cfr.1804-03-21/33pour les situations ne relevant pas du droit transitoire)
Documentinformatie
Numac: 1804032156
Datum: 1804-03-21
Info du document
Numac: 1804032156
Date: 1804-03-21
Inhoud
HOOFDSTUK II. - STELSEL VAN GEMEENSCHAP VAN GOE...
EERSTE DEEL. - WETTELIJKE GEMEENSCHAP.
AFDELING I. - BATEN EN LASTEN DIE DE GEMEENSCHA...
§ I. BATEN VAN DE GEMEENSCHAP.
§ II. LASTEN VAN DE GEMEENSCHAP EN VORDERINGEN ...
AFDELING II. - BEHEER VAN DE GEMEENSCHAP EN GEV...
AFDELING III. - ONTBINDING VAN DE GEMEENSCHAP E...
AFDELING IV. - AANVAARDING VAN DE GEMEENSCHAP, ...
AFDELING V. - VERDELING VAN DE AANVAARDE GEMEEN...
§ 1. VERDELINGEN VAN DE BATEN.
§ II. LASTEN VAN DE GEMEENSCHAP EN BIJDRAGE IN ...
AFDELlNG VI. - AFSTAND VAN DE GEMEENSCHAP EN GE...
BEPALING BETREFFENDE DE WETTELIJKE GEMEENSCHAP,...
TWEEDE DEEL. BEDONGEN GEMEENSCHAP EN OVEREENKOM...
AFDELING I. - GEMEENSCHAP TOT DE AANWINSTEN BEP...
AFDELING II. - BEDING WAARBIJ DE ROERENDE GOEDE...
AFDELlNG III. - BEDING WAARBIJ ONROERENDE GOEDE...
AFDELING IV. - BEDING VAN SCHEIDING VAN SCHULDEN.
AFDELING V. - BEVOEGDHEID AAN DE VROUW VERLEEND...
AFDELING VI. - BEDONGEN VOORUITNEMING.
AFDELING VII. - BEDINGEN WAARBIJ AAN DE ECHTGEN...
AFDELING VIII. - ALGEMENE GEMEENSCHAP.
BEPALINGEN AAN DE ACHT VOORAFGAANDE AFDELINGEN ...
AFDELING IX. - OVEREENKOMSTEN WAARBIJ DE GEMEEN...
§ I. BEDING WAARBIJ BEPAALD WORDT DAT DE ECHTGE...
HOOFDSTUK III. - DOTAAL STELSEL.
AFDELING I. - AANBRENGST VAN HUWELIJKSGOED.
AFDELING II. - RECHTEN VAN DE MAN BETREFFENDE D...
AFDELING III. - TERUGGAVE VAN HET HUWELIJKSGOED.
AFDELING IV. - PARAFERNALE GOEDEREN.
BIJZONDERE BEPALING.
Inhoud
CHAPITRE II. - DU REGIME EN COMMUNAUTE.
PREMIERE PARTIE. DE LA COMMUNAUTE LEGALE.
SECTION I. - DE CE QUI COMPOSE LA COMMUNAUTE AC...
§ I. DE L'ACTIF DE LA COMMUNAUTE.
§ 2. DU PASSIF DE LA COMMUNAUTE, ET DES ACTIONS...
SECTION II. - DE L'ADMINISTRATION DE LA COMMUNA...
SECTION III. - DE LA DISSOLUTION DE LA COMMUNAU...
SECTION IV. - DE L'ACCEPTATION DE LA COMMUNAUTE...
SECTION V. - DU PARTAGE DE LA COMMUNAUTE APRES ...
§ 1. DU PARTAGE DE L'ACTIF.
§ 2. DU PASSIF DE LA COMMUNAUTE, ET DE LA CONTR...
SECTION VI. - DE LA RENONCIATION A LA COMMUNAUT...
DISPOSITION RELATIVE A LA COMMUNAUTE LEGALE, LO...
DEUXIEME PARTIE. DE LA COMMUNAUTE CONVENTIONNEL...
SECTION 1. - DE LA COMMUNAUTE REDUITE AUX ACQUETS.
SECTION II. - DE LA CLAUSE QUI EXCLUT DE LA COM...
SECTION III. - DE LA CLAUSE D'AMEUBLISSEMENT.
SECTION IV. - DE LA CLAUSE DE SEPARATION DES DE...
SECTION V. - DE LA FACULTE ACCORDEE A LA FEMME ...
SECTION IV. - DU PRECIPUT CONVENTIONNEL.
SECTION VII. - DES CLAUSES PAR LESQUELLES ON AS...
SECTION VIII. - DE LA COMMUNAUTE A TITRE UNIVER...
DISPOSITIONS COMMUNES AUX HUIT SECTIONS CI-DESSUS.
SECTION IX. - DES CONVENTIONS EXCLUSIVES DE LA ...
§ I. DE LA CLAUSE PORTANT QUE LES EPOUX SE MARI...
CHAPITRE III. - DU REGIME DOTAL.
SECTION I. - DE LA CONSTITUTION DE DOT.
SECTION II. - DES DROITS DU MARI SUR LES BIENS ...
SECTION III. - DE LA RESTITUTION DE LA DOT.
SECTION IV. - DES BIENS PARAPHERNAUX.
DISPOSITION PARTICULIERE.
Tekst (214)
Texte (214)
HOOFDSTUK II. - STELSEL VAN GEMEENSCHAP VAN GOEDEREN.
CHAPITRE II. - DU REGIME EN COMMUNAUTE.
Artikel 1399. De wettelijke gemeenschap en de bedongen gemeenschap vangen aan op de dag dat het huwelijk voor de ambtenaar van de burgerlijke stand wordt aangegaan; men mag niet bedingen dat de gemeenschap op een ander tijdstip zal aanvangen.
Article 1399. La communauté, soit légale, soit conventionnelle, commence du jour du mariage contracté devant l'officier de l'état civil; on ne peut stipuler qu'elle commencera à une autre époque.
EERSTE DEEL. - WETTELIJKE GEMEENSCHAP.
PREMIERE PARTIE. DE LA COMMUNAUTE LEGALE.
Art. 1400. De gemeenschap die tot stand komt, hetzij door de enkele verklaring dat men huwt onder het stelsel van gemeenschap van goederen, hetzij bij ontstentenis van een contract, is onderworpen aan de regels die in de zes volgende afdelingen worden bepaald.
Art. 1400. La communauté qui s'établit par la simple déclaration qu'on se marie sous le régime de la communauté, ou à défaut de contrat, est soumise aux règles expliquées dans les six sections qui suivent.
AFDELING I. - BATEN EN LASTEN DIE DE GEMEENSCHAP UITMAKEN.
SECTION I. - DE CE QUI COMPOSE LA COMMUNAUTE ACTIVEMENT ET PASSIVEMENT.
§ I. BATEN VAN DE GEMEENSCHAP.
§ I. DE L'ACTIF DE LA COMMUNAUTE.
Art. 1401. De gemeenschap omvat, wat de baten betreft :
1° Alle roerende goederen die de echtgenoten op de dag van de voltrekking van het huwelijk bezaten, alsook alle roerende goederen die zij gedurende het huwelijk verkrijgen door erfenis of zelfs door schenking, indien de schenker niet anders heeft bepaald;
2° Alle vruchten, inkomsten, interesten en rentetermijnen, van welke aard ook, gedurende het huwelijk vervallen of ontvangen en voortkomend van de goederen die aan de echtgenoten bij de voltrekking van het huwelijk toebehoorden, of van de goederen die zij gedurende het huwelijk, onder welke titel ook, verkrijgen;
3° Alle onroerende goederen die gedurende het huwelijk worden verkregen.
1° Alle roerende goederen die de echtgenoten op de dag van de voltrekking van het huwelijk bezaten, alsook alle roerende goederen die zij gedurende het huwelijk verkrijgen door erfenis of zelfs door schenking, indien de schenker niet anders heeft bepaald;
2° Alle vruchten, inkomsten, interesten en rentetermijnen, van welke aard ook, gedurende het huwelijk vervallen of ontvangen en voortkomend van de goederen die aan de echtgenoten bij de voltrekking van het huwelijk toebehoorden, of van de goederen die zij gedurende het huwelijk, onder welke titel ook, verkrijgen;
3° Alle onroerende goederen die gedurende het huwelijk worden verkregen.
Art. 1401. La Communauté se compose activement :
1° De tout le mobilier que les époux possédaient au jour de la célébration du mariage, ensemble de tout le mobilier qui leur échoit pendant le mariage à titre de succession ou même de donation, si le donateur n'a exprimé le contraire;
2° De tous les fruits, revenus, intérêts et arrérages, de quelque nature qu'ils soient, échus ou perçus pendant le mariage, et provenant des biens qui appartenaient aux époux lors de sa célébration, ou de ceux qui leur sont échus pendant le mariage, à quelque titre que ce soit;
3° De tous les immeubles qui sont acquis pendant le mariage.
1° De tout le mobilier que les époux possédaient au jour de la célébration du mariage, ensemble de tout le mobilier qui leur échoit pendant le mariage à titre de succession ou même de donation, si le donateur n'a exprimé le contraire;
2° De tous les fruits, revenus, intérêts et arrérages, de quelque nature qu'ils soient, échus ou perçus pendant le mariage, et provenant des biens qui appartenaient aux époux lors de sa célébration, ou de ceux qui leur sont échus pendant le mariage, à quelque titre que ce soit;
3° De tous les immeubles qui sont acquis pendant le mariage.
Art. 1402. Ieder onroerend goed wordt als een aanwinst van de gemeenschap beschouwd, tenzij het bewezen is dat een van de echtgenoten de eigendom of het wettelijk bezit daarvan had voor het huwelijk, of dat hij het sindsdien door erfenis of schenking heeft verkregen.
Art. 1402. Tout immeuble est réputé acquêt de communauté, s'il n'est prouvé que l'un des époux en avait la propriété ou possession légale antérieurement au mariage, ou qu'il lui est échu depuis à titre de succession ou donation.
Art. 1403. Houtkappingen en voortbrengsels van mijnen en groeven vallen in de gemeenschap voor alles wat daarvan geacht wordt aan de vruchtgebruiker toe te komen volgens de regels bepaald in de titel Vruchtgebruik, gebruik en bewoning.
Indien houtkappingen die volgens deze regels tijdens de gemeenschap mochten gedaan worden, niet hebben plaatsgehad, is daarvoor vergoeding verschuldigd aan de echtgenoot die niet de eigenaar is van het erf, of aan zijn erfgenamen.
Indien de mijnen en groeven gedurende het huwelijk zijn geopend, vallen de voortbrengsels ervan slechts in de gemeenschap tegen vergoeding of schadeloosstelling aan de echtgenoot aan wie die mocht zijn verschuldigd.
Indien houtkappingen die volgens deze regels tijdens de gemeenschap mochten gedaan worden, niet hebben plaatsgehad, is daarvoor vergoeding verschuldigd aan de echtgenoot die niet de eigenaar is van het erf, of aan zijn erfgenamen.
Indien de mijnen en groeven gedurende het huwelijk zijn geopend, vallen de voortbrengsels ervan slechts in de gemeenschap tegen vergoeding of schadeloosstelling aan de echtgenoot aan wie die mocht zijn verschuldigd.
Art. 1403. Les coupes de bois et les produits des carrières et mines tombent dans la communauté pour tout ce qui en est considéré comme usufruit, d'après les règles expliquées au titre de l'Usufruit, de l'Usage et de l'Habitation.
Si les coupes de bois qui, en suivant ces règles, pouvaient être faites durant la communauté, ne l'ont point été, il en sera dû récompense à l'époux non propriétaire du fonds ou à ses héritiers.
Si les carrières et mines ont été ouvertes pendant le mariage, les produits n'en tombent dans la communauté que sauf récompense ou indemnité à celui des époux à qui elle pourra être due.
Si les coupes de bois qui, en suivant ces règles, pouvaient être faites durant la communauté, ne l'ont point été, il en sera dû récompense à l'époux non propriétaire du fonds ou à ses héritiers.
Si les carrières et mines ont été ouvertes pendant le mariage, les produits n'en tombent dans la communauté que sauf récompense ou indemnité à celui des époux à qui elle pourra être due.
Art. 1404. De onroerende goederen die de echtgenoten op de dag van de huwelijksvoltrekking bezitten of die zij gedurende het huwelijk door erfenis verkrijgen, vallen niet in de gemeenschap.
Indien evenwel een van de echtgenoten een onroerend goed heeft verkregen na het sluiten van het huwelijkscontract waarbij gemeenschap bedongen is, en voor de voltrekking van het huwelijk, valt het in die tussentijd verkregen onroerend goed in de gemeenschap, tenzij de verkrijging heeft plaatsgehad ter uitvoering van enig huwelijksbeding; in dit geval wordt de verkrijging volgens de overeenkomst geregeld.
Indien evenwel een van de echtgenoten een onroerend goed heeft verkregen na het sluiten van het huwelijkscontract waarbij gemeenschap bedongen is, en voor de voltrekking van het huwelijk, valt het in die tussentijd verkregen onroerend goed in de gemeenschap, tenzij de verkrijging heeft plaatsgehad ter uitvoering van enig huwelijksbeding; in dit geval wordt de verkrijging volgens de overeenkomst geregeld.
Art. 1404. Les immeubles que les époux possèdent au jour de la célébration du mariage, ou qui leur échoient pendant son cours à titre de succession, n'entrent point en communauté.
Néanmoins, si l'un des époux avait acquis un immeuble depuis le contrat de mariage, contenant stipulation de communauté, et avant la célébration du mariage, l'immeuble acquis dans cet intervalle entrera dans la communauté, à moins que l'acquisition n'ait été faite en exécution de quelque clause du mariage, auquel cas elle serait réglée suivant la convention.
Néanmoins, si l'un des époux avait acquis un immeuble depuis le contrat de mariage, contenant stipulation de communauté, et avant la célébration du mariage, l'immeuble acquis dans cet intervalle entrera dans la communauté, à moins que l'acquisition n'ait été faite en exécution de quelque clause du mariage, auquel cas elle serait réglée suivant la convention.
Art. 1405. Schenkingen van onroerende goederen, die gedurende het huwelijk aan een van beide echtgenoten worden gedaan, vallen niet in de gemeenschap en behoren uitsluitend aan de begiftigde toe, tenzij in de schenking uitdrukkelijk bepaald is dat het geschonken goed aan de gemeenschap toebehoort.
Art. 1405. Les donations d'immeubles qui ne sont faites pendant le mariage qu'à l'un des deux époux, ne tombent point en communauté, et appartiennent au donataire seul, à moins que la donation ne contienne expressément que la chose donnée appartient à la communauté.
Art. 1406. Een onroerend goed dat door de vader, de moeder of een ander bloedverwant in de opgaande lijn wordt overgelaten of afgestaan aan een van beide echtgenoten, hetzij om hem te voldoen wat hij hem verschuldigd is, hetzij onder verplichting om schulden van de schenker aan derden te betalen, valt niet in de gemeenschap; behoudens vergoeding of schadeloosstelling.
Art. 1406. L'immeuble abandonné ou cédé par père, mère ou autre ascendant, à l'un des deux époux, soit pour le remplir de ce qu'il lui doit, soit à la charge de payer les dettes du donateur à des étrangers, n'entre point en communauté; sauf récompense ou indemnité.
Art. 1407. Een onroerend goed dat gedurende het huwelijk verkregen wordt in ruil voor een onroerend goed dat aan een van beide echtgenoten toebehoort, valt niet in de gemeenschap en wordt in de plaats gesteld van het vervreemde goed; behoudens vergoeding, indien er een opleg betaald is.
Art. 1407. L'immeuble acquis pendant le mariage à titre d'échange contre l'immeuble appartenant à l'un des deux époux, n'entre point en communauté, et est subrogé au lieu et place de celui qui a été aliéné; sauf la récompense s'il y a soulte.
Art. 1408. De verkrijging gedurende het huwelijk, bij veiling of op andere wijze, van een aandeel in een onroerend goed waarvan een van de echtgenoten medeëigenaar was, maakt geen aanwinst uit; behoudens vergoeding aan de gemeenschap van het bedrag dat deze voor die verkrijging verschaft heeft.
Ingeval de man, alleen en in zijn persoonlijke naam, ingevolge aankoop of toewijzing, een gedeelte of het geheel verkrijgt van een onroerend goed waarvan de vrouw medeëigenares was, heeft de vrouw, bij de ontbinding van de gemeenschap, de keus om ofwel het goed over te laten aan de gemeenschap, die haar alsdan het gedeelte van de prijs dat haar toebehoort, verschuldigd is, ofwel het onroerend goed voor zich te nemen, met vergoeding aan de gemeenschap van de prijs die voor de verkrijging betaald is.
Ingeval de man, alleen en in zijn persoonlijke naam, ingevolge aankoop of toewijzing, een gedeelte of het geheel verkrijgt van een onroerend goed waarvan de vrouw medeëigenares was, heeft de vrouw, bij de ontbinding van de gemeenschap, de keus om ofwel het goed over te laten aan de gemeenschap, die haar alsdan het gedeelte van de prijs dat haar toebehoort, verschuldigd is, ofwel het onroerend goed voor zich te nemen, met vergoeding aan de gemeenschap van de prijs die voor de verkrijging betaald is.
Art. 1408. L'acquisition faite pendant le mariage, à titre de licitation ou autrement, de portion d'un immeuble dont l'un des époux était propriétaire par indivis, ne forme point un conquêt; sauf à indemniser la communauté de la somme qu'elle a fournie pour cette acquisition.
Dans le cas où le mari deviendrait seul, et en son nom personnel, acquéreur ou adjudicataire de portion ou de la totalité d'un immeuble appartenant par indivis à la femme, celle-ci, lors de la dissolution de la communauté, a le choix ou d'abandonner l'effet à la communauté, laquelle devient alors débitrice envers la femme de la portion appartenant à celle-ci dans le prix, ou de retirer l'immeuble, en remboursant à la communauté le prix de l'acquisition.
Dans le cas où le mari deviendrait seul, et en son nom personnel, acquéreur ou adjudicataire de portion ou de la totalité d'un immeuble appartenant par indivis à la femme, celle-ci, lors de la dissolution de la communauté, a le choix ou d'abandonner l'effet à la communauté, laquelle devient alors débitrice envers la femme de la portion appartenant à celle-ci dans le prix, ou de retirer l'immeuble, en remboursant à la communauté le prix de l'acquisition.
§ II. LASTEN VAN DE GEMEENSCHAP EN VORDERINGEN TEGEN DE GEMEENSCHAP DIE DAARUIT ONTSTAAN.
§ 2. DU PASSIF DE LA COMMUNAUTE, ET DES ACTIONS QUI EN RESULTENT CONTRE LA COMMUNAUTE.
Art. 1409. De gemeenschap omvat, wat de lasten betreft :
1° Alle roerende schulden die ten laste waren van de echtgenoten op de dag van de voltrekking van hun huwelijk, of waarmee de erfenissen welke zij gedurende het huwelijk verkrijgen, bezwaard zijn, behoudens vergoeding voor de schulden die betrekking hebben op de eigen onroerende goederen van een der echtgenoten;
2° De schulden, zowel wat de kapitalen als wat de rentetermijnen of de interesten betreft, aangegaan door de man gedurende de gemeenschap, of door de vrouw met toestemming van de man, behoudens vergoeding in de gevallen waarin vergoeding verschuldigd is;
3° De rentetermijnen en interesten alleen, wat de renten of schulden van ieder van de echtgenoten persoonlijk betreft;
4° De ten laste van een vruchtgebruiker komende herstellingen aan onroerende goederen die niet in de gemeenschap vallen;
5° Het levensonderhoud van de echtgenoten, de opvoeding en het onderhoud van de kinderen en alle andere lasten van het huwelijk.
1° Alle roerende schulden die ten laste waren van de echtgenoten op de dag van de voltrekking van hun huwelijk, of waarmee de erfenissen welke zij gedurende het huwelijk verkrijgen, bezwaard zijn, behoudens vergoeding voor de schulden die betrekking hebben op de eigen onroerende goederen van een der echtgenoten;
2° De schulden, zowel wat de kapitalen als wat de rentetermijnen of de interesten betreft, aangegaan door de man gedurende de gemeenschap, of door de vrouw met toestemming van de man, behoudens vergoeding in de gevallen waarin vergoeding verschuldigd is;
3° De rentetermijnen en interesten alleen, wat de renten of schulden van ieder van de echtgenoten persoonlijk betreft;
4° De ten laste van een vruchtgebruiker komende herstellingen aan onroerende goederen die niet in de gemeenschap vallen;
5° Het levensonderhoud van de echtgenoten, de opvoeding en het onderhoud van de kinderen en alle andere lasten van het huwelijk.
Art. 1409. La communauté se compose passivement :
1°. De toutes les dettes mobilières dont les époux étaient grevés au jour de la célébration de leur mariage, ou dont se trouvent chargées les successions qui leur échoient durant le mariage, sauf la récompense pour celles relatives aux immeubles propres à l'un ou à l'autre des époux;
2°. Des dettes, tant en capitaux qu'arrérages ou intérêts, contractées par le mari pendant la communauté, ou par la femme du consentement du mari, sauf la récompense dans les cas où elle a lieu;
3°. Des arrérages et intérêts seulement des rentes ou dettes passives qui sont personnelles aux deux époux;
4°. Des réparations usufructuaires des immeubles qui n'entrent point en communauté;
5°. Des aliments des époux, de l'éducation et entretien des enfants, et de toute autre charge du mariage.
1°. De toutes les dettes mobilières dont les époux étaient grevés au jour de la célébration de leur mariage, ou dont se trouvent chargées les successions qui leur échoient durant le mariage, sauf la récompense pour celles relatives aux immeubles propres à l'un ou à l'autre des époux;
2°. Des dettes, tant en capitaux qu'arrérages ou intérêts, contractées par le mari pendant la communauté, ou par la femme du consentement du mari, sauf la récompense dans les cas où elle a lieu;
3°. Des arrérages et intérêts seulement des rentes ou dettes passives qui sont personnelles aux deux époux;
4°. Des réparations usufructuaires des immeubles qui n'entrent point en communauté;
5°. Des aliments des époux, de l'éducation et entretien des enfants, et de toute autre charge du mariage.
Art. 1410. De gemeenschap is tot betaling van de roerende schulden die door de vrouw voor het huwelijk zijn aangegaan, slechts gehouden voor zover die voortvloeien uit een authentieke akte van voor het huwelijk, of uit een akte die voor het huwelijk een vaste dagtekening verkregen heeft hetzij door registratie, hetzij door het overlijden van een of meer ondertekenaars van die akte.
Wie schuldeiser is van de vrouw krachtens een akte die geen vaste dagtekening voor het huwelijk verkregen heeft, kan tegen haar geen betaling vervolgen dan op de blote eigendom van haar persoonlijke onroerende goederen.
De man die beweert zodanige schuld voor zijn vrouw te hebben betaald, kan daarvoor van zijn vrouw noch van haar erfgenamen vergoeding vorderen.
Wie schuldeiser is van de vrouw krachtens een akte die geen vaste dagtekening voor het huwelijk verkregen heeft, kan tegen haar geen betaling vervolgen dan op de blote eigendom van haar persoonlijke onroerende goederen.
De man die beweert zodanige schuld voor zijn vrouw te hebben betaald, kan daarvoor van zijn vrouw noch van haar erfgenamen vergoeding vorderen.
Art. 1410. La communauté n'est tenue des dettes mobilières contractées avant le mariage par la femme, qu'autant qu'elles résultent d'un acte authentique antérieur au mariage, ou ayant reçu avant la même époque une date certaine, soit par l'enregistrement, soit par le décès d'un ou de plusieurs signataires dudit acte.
Le créancier de la femme, en vertu d'un acte n'ayant pas de date certaine avant le mariage, ne peut en poursuivre contre elle le paiement que sur la nue propriété de ses immeubles personnels.
Le mari qui prétendrait avoir payé pour sa femme une dette de cette nature, n'en peut demander la récompense ni à sa femme ni à ses héritiers.
Le créancier de la femme, en vertu d'un acte n'ayant pas de date certaine avant le mariage, ne peut en poursuivre contre elle le paiement que sur la nue propriété de ses immeubles personnels.
Le mari qui prétendrait avoir payé pour sa femme une dette de cette nature, n'en peut demander la récompense ni à sa femme ni à ses héritiers.
Art. 1411. De schulden van uitsluitend roerende nalatenschappen, die de echtgenoten gedurende het huwelijk verkrijgen, zijn voor het geheel ten laste van de gemeenschap.
Art. 1411. Les dettes des successions purement mobilières qui sont échues aux époux pendant le mariage, sont pour le tout à la charge de la communauté.
Art. 1412. De schulden van een uitsluitend onroerende nalatenschap, die een van de echtgenoten gedurende het huwelijk verkrijgt, zijn niet ten laste van de gemeenschap; behoudens het recht van de schuldeisers om betaling te vervolgen op de onroerende goederen van die nalatenschap.
Indien evenwel de nalatenschap door de man verkregen is, kunnen de schuldeisers van de nalatenschap betaling vervolgen, hetzij op alle eigen goederen van de man, hetzij zelfs op de goederen van de gemeenschap; behoudens, in dit tweede geval, de vergoeding aan de vrouw of aan haar erfgenamen verschuldigd.
Indien evenwel de nalatenschap door de man verkregen is, kunnen de schuldeisers van de nalatenschap betaling vervolgen, hetzij op alle eigen goederen van de man, hetzij zelfs op de goederen van de gemeenschap; behoudens, in dit tweede geval, de vergoeding aan de vrouw of aan haar erfgenamen verschuldigd.
Art. 1412. Les dettes d'une succession purement immobilière qui échoit à l'un des époux pendant le mariage, ne sont point à la charge de la communauté; sauf le droit qu'ont les créanciers de poursuivre leur payement sur les immeubles de la dite succession.
Néanmoins, si la succession est échue au mari, les créanciers de la succession peuvent poursuivre leur payement, soit sur tous les biens propres au mari, soit même sur ceux de la communauté; sauf, dans ce second cas, la récompense due à la femme ou à ses héritiers.
Néanmoins, si la succession est échue au mari, les créanciers de la succession peuvent poursuivre leur payement, soit sur tous les biens propres au mari, soit même sur ceux de la communauté; sauf, dans ce second cas, la récompense due à la femme ou à ses héritiers.
Art. 1413. Indien een uitsluitend onroerende nalatenschap door de vrouw verkregen is en deze de nalatenschap aanvaard heeft met toestemming van haar man, kunnen de schuldeisers van de nalatenschap betaling vervolgen op alle persoonlijke goederen van de vrouw; maar indien de vrouw, in geval van weigering van de man, de nalatenschap slechts met machtiging van de rechter aanvaard heeft, kunnen de schuldeisers, ingeval de onroerende goederen van de nalatenschap ontoereikend zijn, zich niet verhalen dan op de blote eigendom van de overige persoonlijke goederen van de vrouw.
Art. 1413. Si la succession purement immobilière est échue à la femme, et que celle-ci l'ait acceptée du consentement de son mari, les créanciers de la succession peuvent poursuivre leur payement sur tous les biens personnels de la femme; mais, si la succession n'a été acceptée par la femme que comme autorisée en justice au refus du mari, les créanciers, en cas d'insuffisance des immeubles de la succession, ne peuvent se pourvoir que sur la nue propriété des autres biens personnels de la femme.
Art. 1414. Wanneer de nalatenschap, door een van de echtgenoten verkregen, ten dele roerend en ten dele onroerend is, zijn de schulden waarmee de nalatenschap bezwaard is, niet verder ten laste van de gemeenschap dan ten belope van het aandeel waarvoor de roerende goederen in de schulden moeten bijdragen, gelet op de waarde van die roerende goederen vergeleken met de waarde van de onroerende.
Deze bijdrage wordt bepaald volgens een boedelbeschrijving, die de man moet doen opmaken, hetzij uit eigen hoofde, indien de nalatenschap hem persoonlijk aangaat, hetzij omdat hij zijn vrouw bij haar handelingen leidt en machtigt, indien het een door haar verkregen nalatenschap betreft.
Deze bijdrage wordt bepaald volgens een boedelbeschrijving, die de man moet doen opmaken, hetzij uit eigen hoofde, indien de nalatenschap hem persoonlijk aangaat, hetzij omdat hij zijn vrouw bij haar handelingen leidt en machtigt, indien het een door haar verkregen nalatenschap betreft.
Art. 1414. Lorsque la succession échue à l'un des époux est en partie mobilière et en partie immobilière, les dettes dont elle est grevée ne sont à la charge de la communauté que jusqu'à concurrence de la portion contributoire du mobilier dans les dettes, eu égard à la valeur de ce mobilier comparée à celle des immeubles.
Cette portion contributoire se règle d'après l'inventaire auquel le mari doit faire procéder, soit de son chef, si la succession le concerne personnellement, soit comme dirigeant et autorisant les actions de sa femme, s'il s'agit d'une succession à elle échue.
Cette portion contributoire se règle d'après l'inventaire auquel le mari doit faire procéder, soit de son chef, si la succession le concerne personnellement, soit comme dirigeant et autorisant les actions de sa femme, s'il s'agit d'une succession à elle échue.
Art. 1415. Bij het ontbreken van een boedelbeschrijving, en ingeval zulks de vrouw benadeelt, kan zij of kunnen haar erfgenamen, bij de ontbinding van de gemeenschap, de haar naar recht toekomende vergoedingen vorderen, en zelfs het bewijs van de omvang en de waarde van de niet beschreven roerende goederen leveren, zowel door huiselijke papieren en titels als door getuigen, en desnoods door de algemene bekendheid.
De man wordt nooit toegelaten tot het leveren van dat bewijs.
De man wordt nooit toegelaten tot het leveren van dat bewijs.
Art. 1415. A défaut d'inventaire, et dans tous les cas où ce défaut préjudicie à la femme, elle ou ses héritiers peuvent, lors de la dissolution de la communauté, poursuivre les récompenses de droit, et même faire preuve, tant par titres et papiers domestiques que par témoins, et au besoin par la commune renommée, de la consistance et valeur du mobilier non inventorié.
Le mari n'est jamais recevable à faire cette preuve.
Le mari n'est jamais recevable à faire cette preuve.
Art. 1416. De bepalingen van artikel 1414 verhinderen niet dat de schuldeisers van een ten dele roerende en ten dele onroerende nalatenschap betaling vervolgen op de goederen van de gemeenschap, hetzij de nalatenschap door de man verkregen is, hetzij die door de vrouw verkregen is en de laatstgenoemde met toestemming van haar man aanvaard heeft; een en ander behoudens de wederzijdse vergoedingen.
Hetzelfde geldt ingeval de vrouw de nalatenschap slechts niet machtiging van de rechter aanvaard heeft, en het roerend goed niettemin met dat van de gemeenschap vermengd is geworden, zonder dat vooraf een boedelbeschrijving is opgemaakt.
Hetzelfde geldt ingeval de vrouw de nalatenschap slechts niet machtiging van de rechter aanvaard heeft, en het roerend goed niettemin met dat van de gemeenschap vermengd is geworden, zonder dat vooraf een boedelbeschrijving is opgemaakt.
Art. 1416. Les dispositions de l'article 1414 ne font point obstacle à ce que les créanciers d'une succession en partie mobilière et en partie immobilière poursuivent leur payement sur les biens de la communauté, soit que la succession soit échue au mari, soit qu'elle soit échue à la femme lorsque celle-ci l'a acceptée du consentement de son mari; le tout sauf les récompenses respectives.
Il en est de même si la succession n'a été acceptée par la femme que comme autorisée en justice, et que néanmoins le mobilier en ait été confondu dans celui de la communauté sans un inventaire préalable.
Il en est de même si la succession n'a été acceptée par la femme que comme autorisée en justice, et que néanmoins le mobilier en ait été confondu dans celui de la communauté sans un inventaire préalable.
Art. 1417. Indien de vrouw, in geval van weigering van de man, de nalatenschap slechts met machtiging van de rechter aanvaard heeft en een boedelbeschrijving werd opgemaakt, kunnen de schuldeisers alleen betaling vervolgen op de roerende en de onroerende goederen van die nalatenschap en, ingeval deze goederen ontoereikend zijn, op de blote eigendom van de overige persoonlijke goederen van de vrouw.
Art. 1417. Si la succession n'a été acceptée par la femme que comme autorisée en justice au refus du mari, et s'il y a eu inventaire, les créanciers ne peuvent poursuivre leur payement que sur les biens tant mobiliers qu'immobiliers de la dite succession, et, en cas d'insuffisance, sur la nue propriété des autres biens personnels de la femme.
Art. 1418. De regels, bij de artikelen 1411 en volgende bepaald, zijn van toepassing zowel op de schulden die met een schenking verband houden als op die welke uit een nalatenschap ontstaan.
Art. 1418. Les règles établies par les articles 1411 et suivants régissent les dettes dépendantes d'une donation, comme celles résultant d'une succession.
Art. 1419. De schuldeisers kunnen betaling vervolgen van de schulden die de vrouw heeft aangegaan met toestemming van haar man, zowel op alle goederen van de gemeenschap als op die van de man of van de vrouw; behoudens de aan de gemeenschap verschuldigde vergoeding of de aan de man verschuldigde schadeloosstelling.
Art. 1419. Les créanciers peuvent poursuivre le payement des dettes que la femme a contractées avec le consentement du mari, tant sur tous les biens de la communauté, que sur ceux du mari ou de la femme; sauf la récompense due à la communauté, ou l'indemnité due au mari.
Art. 1420. Iedere schuld die de vrouw enkel krachtens een algemene of bijzondere volmacht van haar man heeft aangegaan, is ten laste van de gemeenschap; en de schuldeiser kan noch van de vrouw, noch op haar persoonlijke goederen betaling vervolgen van zodanige schuld.
Art. 1420. Toute dette qui n'est contractée par la femme qu'en vertu de la procuration générale ou spéciale du mari, est à la charge de la communauté; et le créancier n'en peut poursuivre le payement ni contre la femme ni sur ses biens personnels.
AFDELING II. - BEHEER VAN DE GEMEENSCHAP EN GEVOLGEN VAN DE HANDELINGEN VAN IEDER VAN BEIDE ECHTGENOTEN TEN OPZICHTE VAN DE HUWELIJKSGEMEENSCHAP.
SECTION II. - DE L'ADMINISTRATION DE LA COMMUNAUTE, ET DE L'EFFET DES ACTES DE L'UN OU DE L'AUTRE EPOUX RELATIVEMENT A LA SOCIETE CONJUGALE.
Art. 1421. De man alleen beheert de goederen van de gemeenschap.
Hij mag die goederen verkopen, vervreemden en met hypotheek bezwaren zonder medewerking van de vrouw.
Hij mag die goederen verkopen, vervreemden en met hypotheek bezwaren zonder medewerking van de vrouw.
Art. 1421. La mari administre seul les biens de la communauté.
Il peut les vendre, aliéner et hypothéquer sans le concours de la femme.
Il peut les vendre, aliéner et hypothéquer sans le concours de la femme.
Art. 1422. Hij mag niet bij schenking onder de levenden beschikken over onroerende goederen van de gemeenschap, noch over de algemeenheid of een gedeelte van de roerende goederen, dan alleen om aan gemeenschappelijke kinderen een stand te verschaffen.
Hij mag echter onder bijzondere titel over roerende goederen om niet beschikken ten voordele van wie ook, mits hij zich het vruchtgebruik daarvan niet voorbehoudt.
Hij mag echter onder bijzondere titel over roerende goederen om niet beschikken ten voordele van wie ook, mits hij zich het vruchtgebruik daarvan niet voorbehoudt.
Art. 1422. Il ne peut disposer entre vifs à titre gratuit des immeubles de la communauté, ni de l'universalité ou d'une quotité du mobilier, si ce n'est pour l'établissement des enfants communs.
Il peut néanmoins disposer des effets mobiliers à titre gratuit et particulier, au profit de toutes personnes, pourvu qu'il ne s'en réserve pas l'usufruit.
Il peut néanmoins disposer des effets mobiliers à titre gratuit et particulier, au profit de toutes personnes, pourvu qu'il ne s'en réserve pas l'usufruit.
Art. 1423. De schenking bij testament, door de man gedaan, mag zijn aandeel in de gemeenschap niet overschrijden.
Indien hij in deze vorm een goed van de gemeenschap geschonken heeft, kan de begiftigde dat goed alleen dan in natura opeisen indien het ten gevolge van de verdeling te beurt valt aan de erfgenamen van de man; indien het niet te beurt valt aan deze erfgenamen, krijgt de legataris, ten laste van het aandeel van de erfgenamen van de man in de gemeenschap en ten laste van de persoonlijke goederen van de man, een vergoeding gelijk aan de volle waarde van het geschonken goed.
Indien hij in deze vorm een goed van de gemeenschap geschonken heeft, kan de begiftigde dat goed alleen dan in natura opeisen indien het ten gevolge van de verdeling te beurt valt aan de erfgenamen van de man; indien het niet te beurt valt aan deze erfgenamen, krijgt de legataris, ten laste van het aandeel van de erfgenamen van de man in de gemeenschap en ten laste van de persoonlijke goederen van de man, een vergoeding gelijk aan de volle waarde van het geschonken goed.
Art. 1423. La donation testamentaire faite par le mari ne peut excéder sa part dans la communauté.
S'il a donné en cette forme un effet de la communauté, le donataire ne peut le réclamer en nature, qu'autant que l'effet, par l'événement du partage, tombe au lot des héritiers du mari; si l'effet ne tombe point au lot de ces héritiers, le légataire a la récompense de la valeur totale de l'effet donné, sur la part des héritiers du mari dans la communauté et sur les biens personnels de ce dernier.
S'il a donné en cette forme un effet de la communauté, le donataire ne peut le réclamer en nature, qu'autant que l'effet, par l'événement du partage, tombe au lot des héritiers du mari; si l'effet ne tombe point au lot de ces héritiers, le légataire a la récompense de la valeur totale de l'effet donné, sur la part des héritiers du mari dans la communauté et sur les biens personnels de ce dernier.
Art. 1424. Geldboeten die aan de man wegens misdrijf (...) worden opgelegd, kunnen worden verhaald op de goederen van de gemeenschap, behoudens de aan de vrouw verschuldigde vergoeding; die welke aan de vrouw worden opgelegd, kunnen, zolang de gemeenschap duurt, slechts op de blote eigendom van haar persoonlijke goederen verhaald worden. <W 15-12-1949, art. 28>
Art. 1424. Les amendes encourues par le mari pour crime [...] peuvent se poursuivre sur les biens de la communauté, sauf la récompense due à la femme; celles encourues par la femme ne peuvent s'exécuter que sur la nue propriété de ses biens personnels, tant que dure la communauté. .
Art. 1425. <W 16-04-1935, art. 2> Veroordelingen tegen de man uitgesproken bij toepassing van artikel 1386bis kunnen worden verhaald op de goederen van de gemeenschap, behoudens de aan de vrouw verschuldigde vergoeding.
Art. 1425. Les condamnations prononcées contre le mari par application de l'article 1386bis peuvent se poursuivre sur les biens de la communauté sauf la récompense due à la femme.
Art. 1426. Handelingen die de vrouw verricht zonder toestemming van de man, zelfs met machtiging van de rechter, verbinden de goederen van de gemeenschap niet, behalve wanneer zij als openbare koopvrouw en voor haar handel verbintenissen aangaat.
Art. 1426. Les actes faits par la femme sans le consentement du mari, et même avec l'autorisation de la justice, n'engagent point les biens de la communauté, si ce n'est lorsqu'elle contracte comme marchande publique et pour le fait de son commerce.
Art. 1427. De vrouw kan zichzelf of de goederen van de gemeenschap niet verbinden, zelfs om ontslag van haar man uit de gevangenis te bekomen of om, in geval van afwezigheid van de man, aan haar kinderen een stand te verschaffen, dan na daartoe door de rechter te zijn gemachtigd.
Art. 1427. La femme ne peut s'obliger ni engager les biens de la communauté, même pour tirer son mari de prison, ou pour l'établissement de ses enfants en cas d'absence du mari, qu'après y avoir été autorisée par justice.
Art. 1428. De man heeft het beheer van alle persoonlijke goederen van de vrouw.
Hij kan alle roerende rechtsvorderingen en alle bezitsvorderingen die aan de vrouw toebehoren, alleen instellen.
Hij mag de persoonlijke onroerende goederen van zijn vrouw niet vervreemden zonder haar toestemming.
Hij is aansprakelijk voor elke vermindering van de persoonlijke goederen van zijn vrouw, door verzuim van maatregelen tot bewaring veroorzaakt.
Hij kan alle roerende rechtsvorderingen en alle bezitsvorderingen die aan de vrouw toebehoren, alleen instellen.
Hij mag de persoonlijke onroerende goederen van zijn vrouw niet vervreemden zonder haar toestemming.
Hij is aansprakelijk voor elke vermindering van de persoonlijke goederen van zijn vrouw, door verzuim van maatregelen tot bewaring veroorzaakt.
Art. 1428. Le mari a l'administration de tous les biens personnels de la femme.
Il peut exercer seul toutes les actions mobilières et possessoires qui appartiennent à la femme.
Il ne peut aliéner les immeubles personnels de sa femme sans son consentement.
Il est responsable de tout dépérissement des biens personnels de sa femme, causé par défaut d'actes conservatoires.
Il peut exercer seul toutes les actions mobilières et possessoires qui appartiennent à la femme.
Il ne peut aliéner les immeubles personnels de sa femme sans son consentement.
Il est responsable de tout dépérissement des biens personnels de sa femme, causé par défaut d'actes conservatoires.
Art. 1429. Verhuringen van goederen van de vrouw, door de man alleen voor langer dan negen jaren toegestaan, zijn, in geval van ontbinding van de gemeenschap, ten aanzien van de vrouw of van haar erfgenamen, slechts verbindend voor de tijd die nog moet lopen, hetzij van de eerste periode van negen jaren, indien partijen zich nog daarin bevinden, hetzij van de tweede periode, en zo verder, op zulke wijze dat de huurder enkel recht heeft op het genot gedurende de gehele periode van negen jaren, waarin hij zich bevindt.
Art. 1429. Les baux que le mari seul a faits des biens de sa femme pour un temps qui excède neuf ans, ne sont, en cas de dissolution de la communauté, obligatoires vis-à-vis de la femme ou de ses héritiers que pour le temps qui reste à courir soit de la première période de neuf ans, si les parties s'y trouvent encore, soit de la seconde, et ainsi de suite, de manière que le fermier n'ait que le droit d'achever la jouissance de la période de neuf ans où il se trouve.
Art. 1430. Verhuringen van goederen van de vrouw, voor negen jaren of minder, door de man alleen toegestaan of vernieuwd, meer dan drie jaren voor het eindigen van de lopende huur wanneer het landeigendommen betreft, en meer dan twee jaren voor hetzelfde tijdstip wanneer het huizen betreft, hebben geen gevolg, tenzij de uitvoering van de huur voor de ontbinding van de gemeenschap begonnen is.
Art. 1430. Les baux de neuf ans ou au-dessous que le mari seul a passés ou renouvelés des biens de sa femme, plus de trois ans avant l'expiration du bail courant s'il s'agit de biens ruraux, et plus de deux ans avant la même époque s'il s'agit de maisons, sont sans effet, à moins que leur exécution n'ait commencé avant la dissolution de la communauté.
Art. 1431. De vrouw die zich met haar man hoofdelijk verbindt voor zaken van de gemeenschap of van de man, wordt, ten aanzien van de laatstgenoemde, geacht zich alleen als borg te hebben verbonden; zij moet voor de door haar aangegane verbintenis schadeloos gesteld worden.
Art. 1431. La femme qui s'oblige solidairement avec son mari pour les affaires de la communauté ou du mari, n'est réputée, à l'égard de celui-ci, s'être obligée que comme caution; elle doit être indemnisée de l'obligation qu'elle a contractée.
Art. 1432. Zo heeft ook de man die de verkoop van een persoonlijk onroerend goed, door zijn vrouw gedaan, hoofdelijk of op andere wijze vrijwaart, indien hij wordt lastig gevallen, een verhaal tegen haar, hetzij op haar aandeel in de gemeenschap, hetzij op haar persoonlijke goederen.
Art. 1432. Le mari qui garantit solidairement ou autrement la vente que sa femme a faite d'un immeuble personnel, a partiellement un recours contre elle, soit sur sa part dans la communauté, soit sur ses biens personnels, s'il est inquiété.
Art. 1433. Indien een onroerend goed dat aan een van de echtgenoten toebehoorde, is verkocht, evenals indien grondlasten die aan eigen goederen van een van beiden verschuldigd waren, met geld zijn afgekocht, en de prijs daarvan in de gemeenschap is gestort, een en ander zonder wederbelegging, wordt die prijs uit de gemeenschap voorafgenomen ten voordele van de echtgenoot die eigenaar was van het verkochte onroerend goed of van de afgekochte lasten.
Art. 1433. S'il est vendu un immeuble appartenant à l'un des époux, de même que si l'on est rédimé en argent de services fonciers dus à des héritages propres à l'un d'eux, et que le prix en ait été versé dans la communauté, le tout sans remploi, il y a lieu au prélèvement de ce prix sur la communauté, au profit de l'époux qui était propriétaire, soit de l'immeuble vendu, soit des services rachetés.
Art. 1434. Wederbelegging wordt geacht gedaan te zijn ten aanzien van de man, wanneer hij bij de aankoop van een goed verklaard heeft dat deze geschiedt met penningen voortkomende van de vervreemding van zijn eigen onroerend goed, en om hem tot wederbelegging te dienen.
Art. 1434. Le remploi est censé fait à l'égard du mari, toutes les fois que, lors d'une acquisition, il a déclaré qu'elle était faite des deniers provenus de l'aliénation de l'immeuble qui lui était personnel, et pour lui tenir lieu de remploi.
Art. 1435. De verklaring van de man, dat de aankoop geschiedt met penningen voortkomende van een onroerend goed door de vrouw verkocht en om haar tot wederbelegging te dienen, is niet voldoende, indien die wederbelegging niet uitdrukkelijk aanvaard is door de vrouw; wanneer zij deze niet heeft aanvaard, heeft zij, bij de ontbinding van de gemeenschap, alleen recht op de vergoeding van de prijs van haar verkocht onroerend goed.
Art. 1435. La déclaration du mari que l'acquisition est faite de deniers provenus de l'immeuble vendu par la femme et pour lui servir de remploi, ne suffit point, si ce remploi n'a été formellement accepté par la femme; si elle ne l'a pas accepté, elle a simplement droit, lors de la dissolution de la communauté, à la récompense du prix de son immeuble vendu.
Art. 1436. De vergoeding van de prijs van een onroerend goed dat aan de man toebehoorde, kan alleen op de goederen van de gemeenschap worden verhaald; die van de prijs van een onroerend goed dat aan de vrouw toebehoorde, kan verhaald worden op de persoonlijke goederen van de man, ingeval de goederen van de gemeenschap ontoereikend zijn. In alle gevallen komt alleen de verkoopprijs als vergoeding in aanmerking, wat men ook mag beweren omtrent de waarde van het vervreemde onroerend goed.
Art. 1436. La récompense du prix de l'immeuble appartenant au mari ne s'exerce que sur la masse de la communauté; celle du prix de l'immeuble appartenant à la femme s'exerce sur les biens personnels du mari, en cas d'insuffisance des biens de la communauté. Dans tous les cas, la récompense n'a lieu que sur le pied de la vente, quelque allégation qui soit faite touchant la valeur de l'immeuble aliéné.
Art. 1437. Telkens als een bedrag uit de gemeenschap wordt genomen, hetzij om persoonlijke schulden of lasten van een van de echtgenoten te voldoen, zoals de prijs of een gedeelte van de prijs van een eigen onroerend goed of de afkoop van grondlasten, hetzij om zijn persoonlijke goederen terug te krijgen, te bewaren of te verbeteren, en in het algemeen telkens als een van beide echtgenoten uit de goederen van de gemeenschap een persoonlijk voordeel getrokken heeft, is hij daarvoor vergoeding verschuldigd.
Art. 1437. Toutes les fois qu'il est pris sur la communauté une somme soit pour acquitter les dettes ou charges personnelles à l'un des époux, telles que le prix ou partie du prix d'un immeuble à lui propre ou le rachat de services fonciers, soit pour le recouvrement, la conservation ou l'amélioration de ses biens personnels, et généralement toutes les fois que l'un des deux époux a tiré un profit personnel des biens de la communauté, il en doit la récompense.
Art. 1438. Wanneer ouders gezamenlijk aan een gemeenschappelijk kind huwelijksgoed hebben gegeven, zonder te bepalen welk aandeel ieder van hen daarin wilde bijdragen, worden zij geacht ieder de helft te hebben gegeven, om het even of het huwelijksgoed verschaft of beloofd is uit goederen van de gemeenschap, dan wel uit persoonlijke goederen van een van beide echtgenoten.
In het tweede geval bezit de echtgenoot wiens persoonlijk onroerend of roerend goed als huwelijksgoed gegeven is, op de goederen van de andere echtgenoot een vordering tot vergoeding voor de helft van dat huwelijksgoed, met inachtneming van de waarde van het gegeven goed ten tijde van de gift.
In het tweede geval bezit de echtgenoot wiens persoonlijk onroerend of roerend goed als huwelijksgoed gegeven is, op de goederen van de andere echtgenoot een vordering tot vergoeding voor de helft van dat huwelijksgoed, met inachtneming van de waarde van het gegeven goed ten tijde van de gift.
Art. 1438. Si le père et la mère ont doté conjointement l'enfant commun, sans exprimer la portion pour laquelle ils entendaient y contribuer, ils sont censés avoir doté chacun pour moitié, soit que la dot ait été fournie ou promise en effets de la communauté, soit qu'elle l'ait été en biens personnels à l'un des deux époux.
Au second cas, l'époux dont l'immeuble ou l'effet personnel a été constitué en dot, a, sur les biens de l'autre, une action en indemnité pour la moitié de la dite dot, eu égard à la valeur de l'effet donné, au temps de la donation.
Au second cas, l'époux dont l'immeuble ou l'effet personnel a été constitué en dot, a, sur les biens de l'autre, une action en indemnité pour la moitié de la dite dot, eu égard à la valeur de l'effet donné, au temps de la donation.
Art. 1439. Huwelijksgoed dat door de man alleen, uit goederen van de gemeenschap, aan een gemeenschappelijk kind gegeven is, komt ten laste van de gemeenschap; en ingeval de gemeenschap door de vrouw aanvaard wordt, komt het huwelijksgoed voor de helft ten haren laste, tenzij de man uitdrukkelijk verklaard heeft dat hij het goed voor het geheel of voor een gedeelte, groter dan de helft, te zijnen laste neemt.
Art. 1439. La dot constituée par le mari seul à l'enfant commun, en effets de la communauté, est à la charge de la communauté; et dans le cas où la communauté est acceptée par la femme, celle-ci doit supporter la moitié de la dot, à moins que le mari n'ait déclaré expressément qu'il s'en chargeait pour le tout, ou pour une portion plus forte que la moitié.
Art. 1440. Vrijwaring is verschuldigd door ieder die huwelijksgoed verstrekt; en de interest daarvan begint te lopen van de dag van het huwelijk, zelfs indien voor de uitkering een tijdsbepaling bedongen is, tenzij anders is overeengekomen.
Art. 1440. La garantie de la dot est due par toute personne qui l'a constituée; et ses intérêts courent du jour du mariage, encore qu'il y ait terme pour le payement, s'il n'y a stipulation contraire.
AFDELING III. - ONTBINDING VAN DE GEMEENSCHAP EN ENIGE GEVOLGEN DAARVAN.
SECTION III. - DE LA DISSOLUTION DE LA COMMUNAUTE, ET DE QUELQUES-UNES DE SES SUITES.
Art. 1441. De gemeenschap wordt ontbonden :
1° door de dood; (...);
(2°) door echtscheiding;
(3°) door scheiding van tafel en bed;
(4°) door scheiding van goederen. <W 15-12-1949, art. 25 en 28>
1° door de dood; (...);
(2°) door echtscheiding;
(3°) door scheiding van tafel en bed;
(4°) door scheiding van goederen. <W 15-12-1949, art. 25 en 28>
Art. 1441. La communauté se dissout :
1° par la mort naturelle; [...];
[2°] par le divorce;
[3°] par la séparation de corps;
[4°] par la séparation de biens. <L 15-12-1949, art. 29 et 28>.
1° par la mort naturelle; [...];
[2°] par le divorce;
[3°] par la séparation de corps;
[4°] par la séparation de biens. <L 15-12-1949, art. 29 et 28>.
Art. 1442. Het ontbreken van een boedelbeschrijving na de (...) dood van een der echtgenoten heeft niet ten gevolge dat de gemeenschap voortduurt; onverminderd de vorderingen van de belanghebbende partijen, wat betreft de omvang van de gemeenschappelijke goederen, waarvan het bewijs zowel door titels als door de algemene bekendheid zal kunnen worden geleverd. <W 15-12-1949, art. 28>
Indien er minderjarige kinderen zijn, heeft het ontbreken van een boedelbeschrijving bovendien ten gevolge dat de langstlevende echtgenoot het genot van de inkomsten van die kinderen verliest; en de toeziende voogd, die hem niet verplicht heeft een boedelbeschrijving op te maken, staat met hem hoofdelijk in voor alle veroordelingen die ten voordele van de minderjarigen kunnen woorden uitgesproken.
Indien er minderjarige kinderen zijn, heeft het ontbreken van een boedelbeschrijving bovendien ten gevolge dat de langstlevende echtgenoot het genot van de inkomsten van die kinderen verliest; en de toeziende voogd, die hem niet verplicht heeft een boedelbeschrijving op te maken, staat met hem hoofdelijk in voor alle veroordelingen die ten voordele van de minderjarigen kunnen woorden uitgesproken.
Art. 1442. Le défaut d'inventaire après la mort [...] de l'un des époux, ne donne pas lieu à la continuation de la communauté; sauf les poursuites des parties intéressées, relativement à la consistance des biens et effets communs, dont la preuve pourra être faite tant par titre que par la commune renommée. <L 15-12-1949, art. 28>.
S'il y a des enfants mineurs, le défaut d'inventaire fait perdre en outre à l'époux survivant la jouissance de leurs revenus; et le subrogé tuteur qui ne l'a point obligé à faire inventaire, est solidairement tenu avec lui de toutes les condamnations qui peuvent être prononcées au profit des mineurs.
S'il y a des enfants mineurs, le défaut d'inventaire fait perdre en outre à l'époux survivant la jouissance de leurs revenus; et le subrogé tuteur qui ne l'a point obligé à faire inventaire, est solidairement tenu avec lui de toutes les condamnations qui peuvent être prononcées au profit des mineurs.
Art. 1443. <W 10-10-1967, art. 104> Scheiding van goederen kan alleen in rechte worden gevorderd door de vrouw wier huwelijksgoed is in gevaar gebracht, en wanneer de wanorde van de zaken van de man doet vrezen dat zijn goederen ontoereikend zullen zijn, om de rechten en terugnemingen van de vrouw te voldoen.
Elke vrijwillige scheiding is nietig.
De bekentenis van de man levert geen bewijs op, zelfs wanneer er geen schuldeisers zijn.
Elke vrijwillige scheiding is nietig.
De bekentenis van de man levert geen bewijs op, zelfs wanneer er geen schuldeisers zijn.
Art. 1443. <L 10-10-1967, art. 104>. La séparation de biens ne peut être poursuivie qu'en justice par la femme dont la dot est mise en péril, et lorsque le désordre des affaires du mari donne lieu de craindre que les biens de celui-ci ne soient point suffisants pour remplir les droits et reprises de la femme.
Toute séparation volontaire est nulle.
L'aveu du mari ne fait pas preuve, lors même qu'il n'y aurait pas de créanciers.
Toute séparation volontaire est nulle.
L'aveu du mari ne fait pas preuve, lors même qu'il n'y aurait pas de créanciers.
Art. 1444. <W 12-07-1931, art. 1> De scheiding van goederen, hoewel in rechte uitgesproken, is nietig, indien zij niet is ten uitvoer gelegd door de werkelijke voldoening van de rechten en terugnemingen van de vrouw, bij authentieke akte, ten belope van de goederen van de man, of tenminste door vervolgingen die binnen (vier maanden) na het vonnis zijn begonnen en sindsdien niet zijn onderbroken. <W 28-05-1949, art. 1>
Art. 1444. <L 12-07-1931, art. 1> La séparation de biens, quoique prononcée en justice, est nulle si elle n'a point été exécutée par le payement réel des droits et reprises de la femme, effectué par acte authentique, jusqu'à concurrence des biens du mari, ou au moins par des poursuites commencées dans les [quatre mois] qui ont suivi le jugement, et non interrompues depuis. <L 28-09-1946, art. 1>.
Art. 1445. (Lid 1 opgeheven) <W 10-10-1967, art. 23> Het vonnis waarbij scheiding van goederen wordt uitgesproken, werkt terug, wat zijn gevolgen betreft, tot op de dag van de eis.
Art. 1445. [Abrogé] <L 10-10-1967, art. 23>. Le jugement qui prononce la séparation de biens, remonte, quant à ses effets, au jour de la demande.
Art. 1446. De persoonlijke schuldeisers van de vrouw kunnen geen scheiding van goederen vorderen zonder haar toestemming.
Zij kunnen evenwel, in geval van faillissement of kennelijk onvermogen van de man, de rechten van hun schuldenares uitoefenen ten belope van hun schuldvorderingen.
Zij kunnen evenwel, in geval van faillissement of kennelijk onvermogen van de man, de rechten van hun schuldenares uitoefenen ten belope van hun schuldvorderingen.
Art. 1446. Les créanciers personnels de la femme ne peuvent, sans son consentement, demander la séparation de biens.
Néanmoins, en cas de faillite ou de déconfiture du mari, ils peuvent exercer les droits de leur débitrice jusqu'à concurrence du moment de leurs créances.
Néanmoins, en cas de faillite ou de déconfiture du mari, ils peuvent exercer les droits de leur débitrice jusqu'à concurrence du moment de leurs créances.
Art. 1447. De schuldeisers van de man kunnen opkomen tegen de scheiding van goederen, met bedrieglijke benadeling van hun rechten uitgesproken en zelfs tenuitvoergelegd; zij kunnen zelfs in het geding tot scheiding tussenkomen om de vordering te betwisten.
Art. 1447. Les créanciers du mari peuvent se pourvoir contre la séparation de biens prononcée et même exécutée en fraude de leurs droits; ils peuvent même intervenir dans l'instance sur la demande en séparation pour la contester.
Art. 1448. De vrouw die scheiding van goederen heeft verkregen, moet naar evenredigheid van haar vermogen en van dat van de man, bijdragen zowel in de kosten van de huishouding als in die van de opvoeding van de gemeenschappelijke kinderen.
De kosten komen geheel ten laste van de vrouw, indien de man niets meer bezit.
De kosten komen geheel ten laste van de vrouw, indien de man niets meer bezit.
Art. 1448. La femme qui a obtenu la séparation de biens, doit contribuer, proportionnellement à ses facultés et à celles du mari, tant au frais du ménage qu'à ceux d'éducation des enfants communs.
Elle doit supporter entièrement ces frais, s'il ne reste rien au mari.
Elle doit supporter entièrement ces frais, s'il ne reste rien au mari.
Art. 1449. <W 22-06-1959, art. 1> De vrouw die van tafel en bed gescheiden is, heeft volledige handelingsbekwaamheid en behoeft geen machtiging van haar man of van de rechter.
Dit geldt eveneens voor de vrouw die enkel gescheiden is van goederen.
Dit geldt eveneens voor de vrouw die enkel gescheiden is van goederen.
Art. 1449. <L 22-06-1959, art. 1>. La femme séparée de corps a le plein exercice de sa capacité civile, sans qu'elle ait besoin de recourir à l'autorisation de son mari ou de justice.
Il en est de même de la femme séparée de biens seulement.
Il en est de même de la femme séparée de biens seulement.
Art. 1450. (Opgeheven) <W 22-06-1959, art. 3>
Art. 1450. [Abrogé] <L 22-06-1959, art. 3>.
Art. 1451. De gemeenschap die ontbonden is, hetzij door scheiding van tafel en bed en van goederen, hetzij door scheiding van goederen alleen, kan worden hersteld met toestemming van beide partijen.
Zij kan niet anders hersteld worden dan bij een akte verleden voor notaris en met minuut, waarvan een uitgifte moet worden aangeplakt in de vorm bij artikel 1445 bepaald.
In dat geval herkrijgt de herstelde gemeenschap haar gevolgen van de dag van het huwelijk af; de zaken worden in de zelfde staat teruggebracht alsof er geen scheiding geweest was, onverminderd nochtans de uitvoering van de handelingen die in die tussentijd door de vrouw, overeenkomstig artikel 1449, mochten zijn verricht.
Elke overeenkomst waarbij de echtgenoten hun gemeenschap zouden herstellen onder andere voorwaarden dan die waaraan zij tevoren onderworpen was, is nietig.
Zij kan niet anders hersteld worden dan bij een akte verleden voor notaris en met minuut, waarvan een uitgifte moet worden aangeplakt in de vorm bij artikel 1445 bepaald.
In dat geval herkrijgt de herstelde gemeenschap haar gevolgen van de dag van het huwelijk af; de zaken worden in de zelfde staat teruggebracht alsof er geen scheiding geweest was, onverminderd nochtans de uitvoering van de handelingen die in die tussentijd door de vrouw, overeenkomstig artikel 1449, mochten zijn verricht.
Elke overeenkomst waarbij de echtgenoten hun gemeenschap zouden herstellen onder andere voorwaarden dan die waaraan zij tevoren onderworpen was, is nietig.
Art. 1451. La communauté dissoute par la séparation soit de corps et de biens, soit de biens seulement, peut être rétablie du consentement des deux parties.
Elle ne peut l'être que par un acte passé devant notaire et avec minute, dont une expédition doit être affichée dans la forme de l'article 1445.
En ce cas, la communauté rétablie reprend son effet du jour du mariage; les choses sont remises au même état que s'il n'y avait point eu de séparation, sans préjudice néanmoins de l'exécution des actes qui, dans cet intervalle, ont pu être faits par la femme en conformité de l'article 1449.
Toute convention par laquelle les époux rétabliraient leur communauté sont des conditions différentes de celles qui la réglaient antérieurement, est nulle.
Elle ne peut l'être que par un acte passé devant notaire et avec minute, dont une expédition doit être affichée dans la forme de l'article 1445.
En ce cas, la communauté rétablie reprend son effet du jour du mariage; les choses sont remises au même état que s'il n'y avait point eu de séparation, sans préjudice néanmoins de l'exécution des actes qui, dans cet intervalle, ont pu être faits par la femme en conformité de l'article 1449.
Toute convention par laquelle les époux rétabliraient leur communauté sont des conditions différentes de celles qui la réglaient antérieurement, est nulle.
Art. 1452. De ontbinding van de gemeenschap, teweeggebracht door echtscheiding, of door scheiding van tafel en bed en van goederen, of door scheiding van goederen alleen, maakt de overlevingsrechten van de vrouw niet opvorderbaar; deze behoudt echter de bevoegdheid om die rechten uit te oefenen bij de (...) dood van haar man. <W 15-12-1949, art. 28>
Art. 1452. La dissolution de communauté opérée par le divorce ou par la séparation soit de corps et de biens, soit de biens seulement, ne donne pas ouverture aux droits de survie de la femme; mais celle-ci conserve la faculté de les exercer lors de la mort [...] de son mari. <L 15-12-1949, art. 28>.
AFDELING IV. - AANVAARDING VAN DE GEMEENSCHAP, EN BEVOEGDHEID OM DAARVAN AFSTAND TE DOEN, MET DE VOORWAARDEN DIENAANGAANDE.
SECTION IV. - DE L'ACCEPTATION DE LA COMMUNAUTE, ET DE LA RENONCIATION QUI PEUT Y ETRE FAITE, AVEC LES CONDITIONS QUI Y SONT RELATIVES.
Art. 1453. Na de ontbinding van de gemeenschap heeft de vrouw of hebben haar erfgenamen en rechtverkrijgenden de bevoegdheid om de gemeenschap te aanvaarden of daarvan afstand te doen; elke hiermee strijdige overeenkomst is nietig.
Art. 1453. Après la dissolution de la communauté, la femme ou ses héritiers et ayants cause ont la faculté de l'accepter ou d'y renoncer; toute convention contraire est nulle.
Art. 1454. De vrouw die met betrekking tot goederen van de gemeenschap daden van inmenging heeft verricht, kan van de gemeenschap geen afstand doen.
Daden van eenvoudig beheer of van bewaring worden niet beschouwd als daden van inmenging.
Daden van eenvoudig beheer of van bewaring worden niet beschouwd als daden van inmenging.
Art. 1454. La femme qui s'est immiscée dans les biens de la communauté, ne peut y renoncer.
Les actes purement administratifs ou conservatoires n'emportent point immixtion.
Les actes purement administratifs ou conservatoires n'emportent point immixtion.
Art. 1455. De meerderjarige vrouw die in een akte de hoedanigheid van vrouw in gemeenschap van goederen heeft aangenomen, kan daarvan geen afstand meer doen noch in haar recht worden hersteld tegen het aannemen van die hoedanigheid, zelfs wanneer zij die aangenomen heeft alvorens een boedelbeschrijving te hebben opgemaakt, tenzij er van de zijde van de erfgenamen van de man bedrog heeft plaatsgehad.
Art. 1455. La femme majeure qui a pris dans un acte la qualité de commune, ne peut plus y renoncer ni se faire restituer contre cette qualité, quant même elle l'aurait prise avant d'avoir fait inventaire, s'il n'y a eu dol de la part des héritiers du mari.
Art. 1456. De vrouw die haar man overleeft en de bevoegdheid wil behouden om van de gemeenschap afstand te doen, moet binnen drie maanden na de dag van zijn overlijden, een getrouwe en nauwkeurige boedelbeschrijving doen opmaken van alle goederen van de gemeenschap, op tegenspraak van de erfgenamen van de man of dezen behoorlijk opgeroepen zijnde.
Die boedelbeschrijving moet door haar, bij de sluiting, voor de openbare ambtenaar die ze heeft opgemaakt, waar en oprecht verklaard worden.
Die boedelbeschrijving moet door haar, bij de sluiting, voor de openbare ambtenaar die ze heeft opgemaakt, waar en oprecht verklaard worden.
Art. 1456. La femme survivante qui veut conserver la faculté de renoncer à la communauté, doit, dans les trois mois du jour du décès du mari, faire faire un inventaire fidèle et exact de tous les biens de la communauté, contradictoirement avec les héritiers du mari, ou eux dûment appelés.
Cet inventaire doit être par elle affirmé sincère et véritable, lors de sa clôture, devant l'officier public qui l'a reçu
Cet inventaire doit être par elle affirmé sincère et véritable, lors de sa clôture, devant l'officier public qui l'a reçu
Art. 1457. Binnen drie maanden en veertig dagen na het overlijden van de man moet zij haar afstand doen op de griffie der rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de man zijn woonplaats had; de akte van afstand moet worden ingeschreven in het register waarin de akten van verwerping van nalatenschappen worden opgenomen.
Art. 1457. Dans les trois mois et quarante jours après le décès du mari, elle doit faire sa renonciation au greffe du tribunal de première instance dans l'arrondissement duquel le mari avait son domicile; cet acte doit être inscrit sur le registre établi pour recevoir les renonciations à succession.
Art. 1458. De weduwe kan, naar omstandigheden, aan de rechtbank van eerste aanleg een verlenging vragen van de termijn, door het vorige artikel bepaald voor de afstand; die verlenging wordt, indien daartoe grond bestaat, toegekend op tegenspraak van de erfgenamen van de man of dezen behoorlijk opgeroepen zijnde.
Art. 1458. La veuve peut, suivant les circonstances, demander au tribunal de première instance une prorogation du délai prescrit par l'article précédent pour sa renonciation; cette prorogation est, s'il y a lieu, prononcée contradictoirement avec les héritiers du mari, ou eux dûment appelés.
Art. 1459. De weduwe die geen afstand heeft gedaan binnen de hierboven bepaalde termijn, behoudt de bevoegdheid om afstand te doen, indien zij geen daden van inmenging heeft verricht en een boedelbeschrijving heeft opgemaakt; zij kan slechts vervolgd worden als in gemeenschap zijnde totdat zij afstand gedaan heeft, en zij moet de kosten betalen die tot op het ogenblik van de afstand tegen haar zijn gemaakt.
Zij kan ook vervolgd worden na verloop van de termijn van veertig dagen sinds het sluiten van de boedelbeschrijving, indien deze voor het einde van de termijn van drie maanden gesloten is.
Zij kan ook vervolgd worden na verloop van de termijn van veertig dagen sinds het sluiten van de boedelbeschrijving, indien deze voor het einde van de termijn van drie maanden gesloten is.
Art. 1459. La veuve qui n'a point fait sa renonciation dans le délai ci-dessus prescrit, n'est pas déchue de la faculté de renoncer si elle ne s'est point immiscée et qu'elle ait fait inventaire; elle peut seulement être poursuivie comme commune jusqu'à ce qu'elle ait renoncé, et elle doit les frais faits contre elle jusqu'à renonciation.
Elle peut également être poursuivie après l'expiration des quarante jours depuis la clôture de l'inventaire, s'il a été clos avant les trois mois.
Elle peut également être poursuivie après l'expiration des quarante jours depuis la clôture de l'inventaire, s'il a été clos avant les trois mois.
Art. 1460. De weduwe die enig goed van de gemeenschap heeft weggemaakt of verborgen gehouden, wordt geacht in gemeenschap van goederen te blijven, ondanks haar afstand; dit geldt ook ten aanzien van haar erfgenamen.
Art. 1460. La veuve qui a diverti ou recélé quelques effets de la communauté, est déclarée commune, nonobstant sa renonciation; il en est de même à l'égard de ses héritiers.
Art. 1461. Indien de weduwe voor het verstrijken van de termijn van drie maanden overlijdt, zonder de boedelbeschrijving te hebben opgemaakt of voleindigd, hebben de erfgenamen, om de boedelbeschrijving op te maken of te voleindigen, een nieuwe termijn van drie maanden te rekenen van het overlijden van de weduwe, en, om zich te beraden, een termijn van veertig dagen te rekenen van de sluiting van de boedelbeschrijving.
Indien de weduwe overlijdt nadat zij de boedelbeschrijving heeft voleindigd, hebben haar erfgenamen, om zich te beraden, een nieuwe termijn van veertig dagen te rekenen van haar overlijden.
Bovendien kunnen zij van de gemeenschap afstand doen, met inachtneming van de hierboven bepaalde vormen; de artikelen 1458 en 1459 zijn op hen van toepassing.
Indien de weduwe overlijdt nadat zij de boedelbeschrijving heeft voleindigd, hebben haar erfgenamen, om zich te beraden, een nieuwe termijn van veertig dagen te rekenen van haar overlijden.
Bovendien kunnen zij van de gemeenschap afstand doen, met inachtneming van de hierboven bepaalde vormen; de artikelen 1458 en 1459 zijn op hen van toepassing.
Art. 1461. Si la veuve meurt avant l'expiration des trois mois sans avoir fait ou terminé l'inventaire, les héritiers auront, pour faire ou pour terminer l'inventaire, un nouveau délai de trois mois, à compter du décès de la veuve, et de quarante jours pour délibérer, après la clôture de l'inventaire.
Si la veuve meurt ayant terminé l'inventaire, ses héritiers auront, pour délibérer, un nouveau délai de quarante jours à compter de son décès.
Ils peuvent, au surplus, renoncer à la communauté dans les formes établies ci-dessus; et les articles 1458 et 1459 leur sont applicables.
Si la veuve meurt ayant terminé l'inventaire, ses héritiers auront, pour délibérer, un nouveau délai de quarante jours à compter de son décès.
Ils peuvent, au surplus, renoncer à la communauté dans les formes établies ci-dessus; et les articles 1458 et 1459 leur sont applicables.
Art. 1462. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>
Art. 1462. [Abrogé] <L 15-12-1949, art. 29>.
Art. 1463. De uit de echt of van tafel en bed gescheiden vrouw die de gemeenschap niet aanvaard heeft binnen drie maanden en veertig dagen nadat de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed definitief is uitgesproken, wordt geacht van de gemeenschap afstand te hebben gedaan, behalve indien zij, nog voor het verstrijken van de termijn, van de rechter een verlenging daarvan bekomen heeft, op tegenspraak van de man of deze behoorlijk opgeroepen zijnde.
Art. 1463. La femme divorcée ou séparée de corps, qui n'a point, dans les trois mois et quarante jours après le divorce ou la séparation définitivement prononcés, accepté la communauté, est censée y avoir renoncé, à moins qu'étant encore dans le délai, elle n'en ait obtenu la prorogation en justice, contradictoirement avec le mari, ou lui dûment appelé.
Art. 1464. De schuldeisers van de vrouw kunnen opkomen tegen de afstand die door haar of door haar erfgenamen mocht zijn gedaan met bedrieglijke benadeling van hun schuldvorderingen, en de gemeenschap uit eigen hoofde aanvaarden.
Art. 1464. Les créanciers de la femme peuvent attaquer la renonciation qui aurait été faite par elle ou par ses héritiers en fraude de leurs créances, et accepter la communauté de leur chef.
Art. 1465. Gedurende de drie maanden en veertig dagen die haar zijn verleend om een boedelbeschrijving op te maken en zich te beraden, heeft de weduwe, onverschillig of zij aanvaardt dan wel afstand doet, het recht om zich haar levensmiddelen en die van haar dienstboden te verschaffen uit de aanwezige voorraad, en, bij gebreke daarvan, door lening voor rekening van de gemeenschappelijke massa, mits daarvan een matig gebruik gemaakt wordt.
Zij is geen huur verschuldigd om gedurende die termijnen een huis te hebben bewoond dat van de gemeenschap deel uitmaakt of aan de erfgenamen van de man toebehoort; en indien de echtgenoten, bij de ontbinding van de gemeenschap, een huurhuis bewoonden, moet de vrouw, gedurende die termijnen, niet bijdragen in de betaling van de huur, waarvan het bedrag uit de massa zal worden opgenomen.
Zij is geen huur verschuldigd om gedurende die termijnen een huis te hebben bewoond dat van de gemeenschap deel uitmaakt of aan de erfgenamen van de man toebehoort; en indien de echtgenoten, bij de ontbinding van de gemeenschap, een huurhuis bewoonden, moet de vrouw, gedurende die termijnen, niet bijdragen in de betaling van de huur, waarvan het bedrag uit de massa zal worden opgenomen.
Art. 1465. La veuve, soit qu'elle accepte, soit qu'elle renonce, a droit, pendant les trois mois et quarante jours qui lui sont accordés pour faire inventaire et délibérer, de prendre sa nourriture et celle de ses domestiques sur les provisions existantes, et, à défaut, par emprunt au compte de la masse commune, à la charge d'en user modérément.
Elle ne doit aucun loyer à raison de l'habitation qu'elle a pu faire, pendant ces délais, dans une maison dépendante de la communauté ou appartenant aux héritiers du mari; et si la maison qu'habitaient les époux à l'époque de la dissolution de la communauté, était tenue par eux à titre de loyer, la femme ne contribuera point, pendant les mêmes délais, au payement du dit loyer, lequel sera pris sur la masse.
Elle ne doit aucun loyer à raison de l'habitation qu'elle a pu faire, pendant ces délais, dans une maison dépendante de la communauté ou appartenant aux héritiers du mari; et si la maison qu'habitaient les époux à l'époque de la dissolution de la communauté, était tenue par eux à titre de loyer, la femme ne contribuera point, pendant les mêmes délais, au payement du dit loyer, lequel sera pris sur la masse.
Art. 1466. Ingeval de gemeenschap ontbonden wordt door de dood van de vrouw, kunnen haar erfgenamen afstand doen van de gemeenschap binnen de termijnen en in de vorm door de wet bepaald ten aanzien van de vrouw die haar man overleeft.
Art. 1466. Dans le cas de dissolution de la communauté par la mort de la femme, ses héritiers peuvent renoncer à la communauté dans les délais et dans les formes que la loi prescrit à la femme survivante.
AFDELING V. - VERDELING VAN DE AANVAARDE GEMEENSCHAP.
SECTION V. - DU PARTAGE DE LA COMMUNAUTE APRES L'ACCEPTATION.
Art. 1467. Na de aanvaarding van de gemeenschap door de vrouw of haar erfgenamen, worden de baten verdeeld en de lasten gedragen op de hierna bepaalde wijze.
Art. 1467. Après l'acceptation de la communauté par la femme ou ses héritiers, l'actif se partage, et le passif est supporté de la manière ci-après déterminée.
§ 1. VERDELINGEN VAN DE BATEN.
§ 1. DU PARTAGE DE L'ACTIF.
Art. 1468. De echtgenoten of hun erfgenamen brengen in de massa van de aanwezige goederen alles in wat zij aan de gemeenschap als vergoeding of schadeloosstelling verschuldigd zijn, volgens de regels die hierboven in afdeling II van het eerste deel van dit hoofdstuk zijn bepaald.
Art. 1468. Les époux ou leurs héritiers rapportent à la masse des biens existants, tout ce dont ils sont débiteurs envers la communauté à titre de récompense ou d'indemnité, d'après les règles ci-dessus prescrites, à la section II de la première partie du présent chapitre.
Art. 1469. Elke echtgenoot of zijn erfgenaam doet eveneens inbreng van de geldsommen die uit de gemeenschap zijn genomen of van de waarde der goederen die de echtgenoot daaruit genomen heeft, hetzij om huwelijksgoed te geven aan een kind uit een ander huwelijk, hetzij om voor zich alleen huwelijksgoed te geven aan een gemeenschappelijk kind.
Art. 1469. Chaque époux ou son héritier rapporte également les sommes qui ont été tirées de la communauté, ou la valeur des biens que l'époux y a pris pour doter un enfant d'un autre lit, ou pour doter personnellement l'enfant commun.
Art. 1470. Uit de massa van de goederen neemt elke echtgenoot of zijn erfgenaam vooraf :
1° Zijn persoonlijke goederen die niet in de gemeenschap zijn gevallen, wanneer zij in natura aanwezig zijn, of de goederen die als wederbelegging zijn aangekocht;
2° De prijs van zijn onroerende goederen die tijdens de gemeenschap zijn vervreemd, en waarvan geen wederbelegging gedaan is;
3° De vergoedingen die de gemeenschap hem verschuldigd is.
1° Zijn persoonlijke goederen die niet in de gemeenschap zijn gevallen, wanneer zij in natura aanwezig zijn, of de goederen die als wederbelegging zijn aangekocht;
2° De prijs van zijn onroerende goederen die tijdens de gemeenschap zijn vervreemd, en waarvan geen wederbelegging gedaan is;
3° De vergoedingen die de gemeenschap hem verschuldigd is.
Art. 1470. Sur la masse des biens, chaque époux ou son héritier prélève :
1° Ses biens personnels qui ne sont point entrés en communauté, s'ils existent en nature, ou ceux qui ont été acquis en remploi;
2° Le prix de ses immeubles qui ont été aliénés pendant la communauté, et dont il n'a point été fait remploi;
3° Les indemnités qui lui sont dues par la communauté.
1° Ses biens personnels qui ne sont point entrés en communauté, s'ils existent en nature, ou ceux qui ont été acquis en remploi;
2° Le prix de ses immeubles qui ont été aliénés pendant la communauté, et dont il n'a point été fait remploi;
3° Les indemnités qui lui sont dues par la communauté.
Art. 1471. De vooruitnemingen van de vrouw worden gedaan voor die van de man.
Zij worden, wat de goederen betreft die niet meer in natura aanwezig zijn, gedaan eerst uit het gereed geld, vervolgens uit de roerende goederen en ten slotte uit de onroerende goederen van de gemeenschap; in dit laatste geval behoort de keus van de onroerende goederen aan de vrouw en aan haar erfgenamen.
Zij worden, wat de goederen betreft die niet meer in natura aanwezig zijn, gedaan eerst uit het gereed geld, vervolgens uit de roerende goederen en ten slotte uit de onroerende goederen van de gemeenschap; in dit laatste geval behoort de keus van de onroerende goederen aan de vrouw en aan haar erfgenamen.
Art. 1471. Les prélèvements de la femme s'exercent avant ceux du mari.
Ils s'exercent pour les biens qui n'existent plus en nature, d'abord sur l'argent comptant, ensuite sur le mobilier, et subsidiairement sur les immeubles de la communauté; dans ce dernier cas, le choix des immeubles est déféré à la femme et à ses héritiers.
Ils s'exercent pour les biens qui n'existent plus en nature, d'abord sur l'argent comptant, ensuite sur le mobilier, et subsidiairement sur les immeubles de la communauté; dans ce dernier cas, le choix des immeubles est déféré à la femme et à ses héritiers.
Art. 1472. De man kan zijn terugnemingen slechts doen uit de goederen van de gemeenschap.
De vrouw en haar erfgenamen kunnen, ingeval de gemeenschap ontoereikend is, hun terugnemingen doen uit de persoonlijke goederen van de man.
De vrouw en haar erfgenamen kunnen, ingeval de gemeenschap ontoereikend is, hun terugnemingen doen uit de persoonlijke goederen van de man.
Art. 1472. Le mari ne peut exercer ses reprises que sur les biens de la communauté.
La femme et ses héritiers, en cas d'insuffisance de la communauté, exercent leurs reprises sur les biens personnels du mari.
La femme et ses héritiers, en cas d'insuffisance de la communauté, exercent leurs reprises sur les biens personnels du mari.
Art. 1473. De wederbeleggingen en vergoedingen door de gemeenschap aan de echtgenoten verschuldigd, en de vergoedingen en schadeloosstellingen door hen aan de gemeenschap verschuldigd, brengen van rechtswege interest op, te rekenen van de dag van de ontbinding der gemeenschap.
Art. 1473. Les remplois et récompenses dus par la communauté aux époux, et les récompenses et indemnités par eux dues à la communauté, emportent les intérêts de plein droit du jour de la dissolution de la communauté.
Art. 1474. Nadat alle vooruitnemingen van beide echtgenoten uit de massa gedaan zijn, wordt het overige bij helften verdeeld tussen de echtgenoten of de personen die hen vertegenwoordigen.
Art. 1474. Après que tous les prélèvements des deux époux ont été exécutés sur la masse, le surplus se partage par moitié entre les époux ou ceux qui les représentent.
Art. 1475. Indien de erfgenamen van de vrouw een verschillende houding hebben aangenomen, zodat de ene de gemeenschap aanvaard heeft en de andere daarvan afstand heeft gedaan, kan hij die aanvaard heeft, niet meer genieten dan zijn persoonlijk en erfelijk aandeel in de goederen die de vrouw te beurt vallen.
Het overige verblijft aan de man, die, ten opzichte van de afstand doende erfgenaam, moet instaan voor de rechten welke de vrouw in geval van afstand had kunnen uitoefenen, doch slechts ten belope van het persoonlijk erfelijk aandeel van de afstand doende erfgenaam.
Het overige verblijft aan de man, die, ten opzichte van de afstand doende erfgenaam, moet instaan voor de rechten welke de vrouw in geval van afstand had kunnen uitoefenen, doch slechts ten belope van het persoonlijk erfelijk aandeel van de afstand doende erfgenaam.
Art. 1475. Si les héritiers de la femme sont divisés, en sorte que l'un ait accepté la communauté à laquelle l'autre a renoncé, celui qui a accepté ne peut prendre que sa portion virile et héréditaire dans les biens qui échoient au lot de la femme.
Le surplus reste au mari, qui demeure chargé, envers l'héritier renonçant, des droits que la femme aurait pu exercer en cas de renonciation, mais jusqu'à concurrence seulement de la portion virile héréditaire du renonçant.
Le surplus reste au mari, qui demeure chargé, envers l'héritier renonçant, des droits que la femme aurait pu exercer en cas de renonciation, mais jusqu'à concurrence seulement de la portion virile héréditaire du renonçant.
Art. 1476. Buitendien is de verdeling van de gemeenschap, voor alles wat betreft haar vormen, de veiling van de onroerende goederen wanneer daartoe grond bestaat, de gevolgen van de verdeling, de daaruit voortvloeiende vrijwaring, en de te betalen opleg, onderworpen aan alle regels die in de titel Erfenissen bepaald zijn voor de verdelingen tussen medeërfgenamen.
Art. 1476. Au surplus, le partage de la communauté, pour tout ce qui concerne ses formes, la licitation des immeubles quand il y a lieu, les effets du partage, la garantie qui en résulte, et les soultes, est soumis à toutes les règles qui sont établies au titre des Successions pour les partages entre co-héritiers.
Art. 1477. De echtgenoot die enig goed van de gemeenschap heeft weggemaakt of verborgen gehouden, verliest zijn aandeel in dat goed.
Art. 1477. Celui des époux qui aurait diverti ou recélé quelques effets de la communauté, est privé de sa portion dans les dits effets.
Art. 1478. Indien een van de echtgenoten, na het voltrekken van de verdeling, persoonlijk schuldeiser is van de andere, zoals wanneer de prijs van zijn goed is aangewend om een persoonlijke schuld van de andere echtgenoot te betalen, of uit welke andere oorzaak ook, kan hij zijn schuldvordering verhalen op het aandeel dat de andere echtgenoot in de gemeenschap is te beurt gevallen, of op diens persoonlijke goederen.
Art. 1478. Après le partage consommé, si l'un des deux époux est créancier personnel de l'autre, comme lorsque le prix de son bien a été employé à payer une dette personnelle de l'autre époux, ou pour toute autre cause, il exerce sa créance sur la part qui est échue à celui-ci dans la communauté ou sur ses biens personnels.
Art. 1479. Persoonlijke schuldvorderingen die de echtgenoten tegen elkaar hebben, brengen eerst interest op van de dag dat een rechtsvordering wordt ingesteld.
Art. 1479. Les créances personnelles que les époux ont à exercer l'un contre l'autre, ne portent intérêt que du jour de la demande en justice.
Art. 1480. Schenkingen die een van de echtgenoten aan de andere heeft gedaan, worden niet uitgevoerd dan op het aandeel van de schenker in de gemeenschap, en op zijn persoonlijke goederen.
Art. 1480. Les donations que l'un des époux a pu faire à l'autre, ne s'exécutent que sur la part du donateur dans la communauté, et sur ses biens personnels.
Art. 1481. De rouw van de vrouw komt ten laste van de erfgenamen van de vooroverleden man.
Het bedrag ervan wordt bepaald volgens het vermogen van de man.
De rouw is zelfs verschuldigd aan de vrouw die van de gemeenschap afstand doet.
Het bedrag ervan wordt bepaald volgens het vermogen van de man.
De rouw is zelfs verschuldigd aan de vrouw die van de gemeenschap afstand doet.
Art. 1481. Le deuil de la femme est aux frais des héritiers du mari prédécédé.
La valeur de ce deuil est réglée selon la fortune du mari.
Il est dû même à la femme qui renonce à la communauté.
La valeur de ce deuil est réglée selon la fortune du mari.
Il est dû même à la femme qui renonce à la communauté.
§ II. LASTEN VAN DE GEMEENSCHAP EN BIJDRAGE IN DE SCHULDEN.
§ 2. DU PASSIF DE LA COMMUNAUTE, ET DE LA CONTRIBUTION AUX DETTES.
Art. 1482. De schulden van de gemeenschap komen voor de helft ten laste van ieder van de echtgenoten of van hun erfgenamen; de kosten van verzegeling, boedelbeschrijving, verkoop van roerende goederen, vereffening, veiling en verdeling, zijn in die schulden begrepen.
Art. 1482. Les dettes de la communauté sont pour moitié à la charge de chacun des époux ou de leurs héritiers : les frais de scellé, inventaire, vente de mobilier, liquidation, licitation et partage, font partie de ces dettes.
Art. 1483. De vrouw is, hetzij ten aanzien van de man, hetzij ten aanzien van de schuldeisers, voor de schulden van de gemeenschap niet verder gehouden dan tot het bedrag van hetgeen zij uit de gemeenschap geniet, mits er een goede en getrouwe boedelbeschrijving is opgemaakt, en zij rekenschap geeft zowel van hetgeen die boedelbeschrijving bevat als van hetgeen haar bij de verdeling is te beurt gevallen.
Art. 1483. La femme n'est tenue des dettes de la communauté, soit à l'égard du mari, soit à l'égard des créanciers, que jusqu'à concurrence de son émolument, pourvu qu'il y ait eu bon et fidèle inventaire, et en rendant compte tant du contenu de cet inventaire que de ce qui lui est échu par le partage.
Art. 1484. De man is voor de door hem aangegane schulden van de gemeenschap gehouden voor het geheel; behoudens zijn verhaal op de vrouw of op haar erfgenamen voor de helft van die schulden.
Art. 1484. Le mari est tenu, pour la totalité, des dettes de la communauté par lui contractées; sauf son recours contre la femme ou ses héritiers pour la moitié des dites dettes.
Art. 1485. Voor de persoonlijke schulden van de vrouw die ten laste van de gemeenschap waren gevallen, is hij slechts gehouden voor de helft.
Art. 1485. Il n'est tenu que pour moitié, de celles personnelles à la femme et qui étaient tombées à la charge de la communauté.
Art. 1486. De vrouw kan vervolgd worden voor het geheel van de schulden die in haar persoon zijn ontstaan en in de gemeenschap waren gevallen, behoudens haar verhaal op de man of op zijn erfgenaam, voor de helft van die schulden.
Art. 1486. La femme peut être poursuivie pour la totalité des dettes qui procèdent de son chef et étaient entrées dans la communauté, sauf son recours contre le mari ou son héritier, pour la moitié des dites dettes.
Art. 1487. De vrouw, zelfs wanneer zij persoonlijk verbonden is voor een schuld van de gemeenschap, kan slechts voor de helft van die schuld vervolgd worden, behalve wanneer het een hoofdelijke verbintenis betreft.
Art. 1487. La femme, même personnellement obligée pour une dette de communauté, ne peut être poursuivie que pour la moitié de cette dette, à moins que l'obligation ne soit solidaire.
Art. 1488. De vrouw die een schuld van de gemeenschap voor meer dan haar helft betaald heeft, kan het meerdere niet terugvorderen van de schuldeiser, tenzij de kwijting vermeldt dat de betaling gedaan is tot voldoening van haar helft.
Art. 1488. La femme qui a payé une dette de la communauté au-delà de sa moitié, n'a point de répétition contre le créancier pour l'excédent, à moins que la quittance n'exprime que ce qu'elle a payé était pour sa moitié.
Art. 1489. Degene van beide echtgenoten die, ten gevolge van de uitoefening van het recht van hypotheek op een onroerend goed dat hem bij de verdeling is te beurt gevallen, vervolgd wordt voor het geheel van een schuld van de gemeenschap, heeft naar recht, voor de helft van die schuld, verhaal op de andere echtgenoot of op zijn erfgenamen.
Art. 1489. Celui des deux époux qui, par l'effet de l'hypothèque exercée sur l'immeuble à lui échu en partage, se trouve poursuivi pour la totalité d'une dette de communauté, a de droit son recours pour la moitié de cette dette contre l'autre époux ou ses héritiers.
Art. 1490. De voorafgaande bepalingen verhinderen niet dat een van de deelgenoten bij de verdeling belast wordt met de betaling van een ander gedeelte van de schulden dan de helft, zelfs met de betaling van alle schulden.
Wanneer een van de deelgenoten schulden van de gemeenschap betaald heeft tot een hoger bedrag dan het gedeelte waartoe hij gehouden was, kan degene die te veel betaald heeft, zijn verhaal uitoefenen op de anderen.
Wanneer een van de deelgenoten schulden van de gemeenschap betaald heeft tot een hoger bedrag dan het gedeelte waartoe hij gehouden was, kan degene die te veel betaald heeft, zijn verhaal uitoefenen op de anderen.
Art. 1490. Les dispositions précédentes ne font point obstacle à ce que, par le partage, l'un ou l'autre des copartageants soit chargé de payer une quotité de dettes autre que la moitié, même de les acquitter entièrement.
Toutes les fois que l'un des copartageants a payé des dettes de la communauté au delà de la portion dont il était tenu, il y a lieu au recours de celui qui a trop payé contre l'autre.
Toutes les fois que l'un des copartageants a payé des dettes de la communauté au delà de la portion dont il était tenu, il y a lieu au recours de celui qui a trop payé contre l'autre.
Art. 1491. Al hetgeen hierboven bepaald is ten aanzien van de man of van de vrouw, is toepasselijk op de erfgenamen van ieder van hen; en deze erfgenamen oefenen dezelfde rechten uit als de echtgenoot die zij vertegenwoordigen, en dezelfde vorderingen kunnen tegen hen worden ingesteld.
Art. 1491. Tout ce qui est dit ci-dessus à l'égard du mari ou de la femme, a lieu à l'égard des héritiers de l'un ou de l'autre; et ces héritiers exercent les mêmes droits et sont soumis aux mêmes actions que le conjoint qu'ils représentent.
AFDELlNG VI. - AFSTAND VAN DE GEMEENSCHAP EN GEVOLGEN DAARVAN.
SECTION VI. - DE LA RENONCIATION A LA COMMUNAUTE, ET DE SES EFFETS.
Art. 1492. De vrouw die afstand doet, verliest alle rechten op de goederen van de gemeenschap, zelfs op de roerende goederen die van haar zijde in de gemeenschap zijn gevallen.
Zij neemt alleen terug het linnen en de kleren die tot haar gebruik dienen.
Zij neemt alleen terug het linnen en de kleren die tot haar gebruik dienen.
Art. 1492. La femme qui renonce, perd toute espèce de droit sur les biens de la communauté, et même sur le mobilier qui y est entré de son chef.
Elle retire seulement les linges et hardes à son usage.
Elle retire seulement les linges et hardes à son usage.
Art. 1493. De vrouw die afstand doet, heeft het recht terug te nemen :
1° De haar toebehorende onroerende goederen, wanneer deze in natura aanwezig zijn, of het onroerend goed dat als wederbelegging is aangekocht;
2° De prijs van haar onroerende goederen die vervreemd zijn en waarvan de wederbelegging niet is gedaan en aanvaard zoals hierboven bepaald is;
3° Alle vergoedingen die de gemeenschap haar verschuldigd zou zijn.
1° De haar toebehorende onroerende goederen, wanneer deze in natura aanwezig zijn, of het onroerend goed dat als wederbelegging is aangekocht;
2° De prijs van haar onroerende goederen die vervreemd zijn en waarvan de wederbelegging niet is gedaan en aanvaard zoals hierboven bepaald is;
3° Alle vergoedingen die de gemeenschap haar verschuldigd zou zijn.
Art. 1493. La femme renonçante a le droit de reprendre :
1° Les immeubles à elle appartenant, lorsqu'ils existent en nature, ou l'immeuble qui a été acquis en remploi;
2° Le prix de ses immeubles aliénés dont le remploi n'a pas été fait et accepté comme il est dit ci-dessus;
3° Toutes les indemnités qui peuvent lui être dues par la communauté.
1° Les immeubles à elle appartenant, lorsqu'ils existent en nature, ou l'immeuble qui a été acquis en remploi;
2° Le prix de ses immeubles aliénés dont le remploi n'a pas été fait et accepté comme il est dit ci-dessus;
3° Toutes les indemnités qui peuvent lui être dues par la communauté.
Art. 1494. De vrouw die afstand doet, is bevrijd van elke verplichting om bij te dragen in de schulden van de gemeenschap zowel ten aanzien van de man als ten aanzien van de schuldeisers. Ten aanzien van de laatstgenoemden echter blijft zij gehouden, wanneer zij zich gezamenlijk met haar man verbonden heeft, of wanneer een schuld die ten laste van de gemeenschap gekomen is, oorspronkelijk in haar persoon is ontstaan; een en ander behoudens haar verhaal op de man of op zijn erfgenamen.
Art. 1494. La femme renonçante est déchargée de toute contribution aux dettes de la communauté, tant à l'égard du mari qu'à l'égard des créanciers. Elle reste néanmoins tenue envers ceux-ci lorsqu'elle s'est obligée conjointement avec son mari, ou lorsque la dette, devenue dette de la communauté, provenait originairement de son chef; le tout sauf son recours contre le mari ou ses héritiers.
Art. 1495. Zij kan alle hierboven vermelde vorderingen en terugnemingen uitoefenen, zowel op de goederen van de gemeenschap als op de persoonlijke goederen van de man.
Ook haar erfgenamen kunnen zulks, behalve wat betreft de vooruitneming van het linnen en de kleren, en wat betreft de huisvesting en de voeding gedurende de termijn die haar verleend is om een boedelbeschrijving op te maken en zich te beraden; deze rechten komen uitsluitend aan de overlevende vrouw persoonlijk toe.
Ook haar erfgenamen kunnen zulks, behalve wat betreft de vooruitneming van het linnen en de kleren, en wat betreft de huisvesting en de voeding gedurende de termijn die haar verleend is om een boedelbeschrijving op te maken en zich te beraden; deze rechten komen uitsluitend aan de overlevende vrouw persoonlijk toe.
Art. 1495. Elle peut exercer toutes les actions et reprises ci-dessus détaillées, tant sur les biens de la communauté que sur les biens personnels du mari.
Ses héritiers le peuvent de même, sauf en ce qui concerne le prélèvement des linges et hardes, ainsi que le logement et la nourriture pendant le délai donne pour faire inventaire et délibérer; lesquels droits sont purement personnels à la femme survivante.
Ses héritiers le peuvent de même, sauf en ce qui concerne le prélèvement des linges et hardes, ainsi que le logement et la nourriture pendant le délai donne pour faire inventaire et délibérer; lesquels droits sont purement personnels à la femme survivante.
BEPALING BETREFFENDE DE WETTELIJKE GEMEENSCHAP, INGEVAL EEN VAN DE ECHTGENOTEN OF BEIDE ECHTGENOTEN KINDEREN HEBBEN UIT EEN VROEGER HUWELIJK.
DISPOSITION RELATIVE A LA COMMUNAUTE LEGALE, LORSQUE L'UN DES EPOUX OU TOUS DEUX ONT DES ENFANTS DE PRECEDENTS MARIAGES.
Art. 1496. Al het hierboven bepaalde is van toepassing, zelfs wanneer een van de echtgenoten of beide echtgenoten kinderen hebben uit een vroeger huwelijk.
Indien echter de vermenging van de roerende goederen en van de schulden voor een van de echtgenoten een groter voordeel oplevert dan artikel 1098 in de titel Schenkingen onder de levenden en testamenten toelaat, hebben de kinderen uit het eerste huwelijk van de andere echtgenoot een rechtsvordering tot inkorting.
Indien echter de vermenging van de roerende goederen en van de schulden voor een van de echtgenoten een groter voordeel oplevert dan artikel 1098 in de titel Schenkingen onder de levenden en testamenten toelaat, hebben de kinderen uit het eerste huwelijk van de andere echtgenoot een rechtsvordering tot inkorting.
Art. 1496. Tout ce qui est dit ci-dessus, sera observé même lorsque l'un des époux ou tous deux auront des enfants de précédents mariages.
Si toutefois la confusion du mobilier et des dettes opérait, au profit de l'un des époux, un avantage supérieur à celui qui est autorise par l'article 1098, au titre des Donations entre vifs et des Testaments, les enfants du premier lit de l'autre époux auront l'action en retranchement.
Si toutefois la confusion du mobilier et des dettes opérait, au profit de l'un des époux, un avantage supérieur à celui qui est autorise par l'article 1098, au titre des Donations entre vifs et des Testaments, les enfants du premier lit de l'autre époux auront l'action en retranchement.
TWEEDE DEEL. BEDONGEN GEMEENSCHAP EN OVEREENKOMSTEN WAARBIJ DE WETTELIJKE GEMEENSCHAP KAN WORDEN GEWIJZIGD OF ZELFS UITGESLOTEN.
DEUXIEME PARTIE. DE LA COMMUNAUTE CONVENTIONNELLE, ET DES CONVENTIONS QUI PEUVENT MODIFIER OU MEME EXCLURE LA COMMUNAUTE LEGALE.
Art. 1497. De echtgenoten mogen de wettelijke gemeenschap wijzigen door alle overeenkomsten die niet strijdig zijn met de artikelen 1387, 1388, 1389 en 1390.
De voornaamste wijzigingen zijn die welke tot stand komen door op een van de volgende manieren te bedingen, namelijk :
1° Dat de gemeenschap alleen de aanwinsten zal omvatten;
2° Dat de tegenwoordige of toekomstige roerende goederen niet of slechts ten dele in de gemeenschap zullen vallen;
3° Dat men de tegenwoordige of toekomstige onroerende goederen voor het geheel of voor een deel daarin zal begrijpen, door die als roerend goed in te brengen;
4° Dat de echtgenoten ieder afzonderlijk hun schulden van voor het huwelijk zullen betalen;
5° Dat de vrouw in geval van afstand haar inbrengsten vrij en onbelast zal mogen terugnemen;
6° Dat de langstlevende echtgenoot recht zal hebben op een vooruitneming;
7° Dat de echtgenoten een ongelijk aandeel zullen hebben;
8° Dat er tussen hen een gemeenschap onder algemene titel zal bestaan.
De voornaamste wijzigingen zijn die welke tot stand komen door op een van de volgende manieren te bedingen, namelijk :
1° Dat de gemeenschap alleen de aanwinsten zal omvatten;
2° Dat de tegenwoordige of toekomstige roerende goederen niet of slechts ten dele in de gemeenschap zullen vallen;
3° Dat men de tegenwoordige of toekomstige onroerende goederen voor het geheel of voor een deel daarin zal begrijpen, door die als roerend goed in te brengen;
4° Dat de echtgenoten ieder afzonderlijk hun schulden van voor het huwelijk zullen betalen;
5° Dat de vrouw in geval van afstand haar inbrengsten vrij en onbelast zal mogen terugnemen;
6° Dat de langstlevende echtgenoot recht zal hebben op een vooruitneming;
7° Dat de echtgenoten een ongelijk aandeel zullen hebben;
8° Dat er tussen hen een gemeenschap onder algemene titel zal bestaan.
Art. 1497. Les époux peuvent modifier la communauté légale par toute espèce de conventions non contraires aux articles 1387, 1388, 1389 et 1390.
Les principales modifications sont celles qui ont lieu en stipulant de l'une ou de l'autre des manières qui suivent; savoir :
1° Que la communauté n'embrassera que les acquêts;
2° Que le mobilier présent ou futur n'entrera point en communauté, ou n'y entrera que pour une partie;
3° Qu'on y comprendra tout ou partie des immeubles présents ou futurs, par la voie de l'ameublissement;
4° Que les époux payeront séparément leurs dettes antérieures au mariage;
5° Qu'en cas de renonciation, la femme pourra reprendre ses apports francs et quittes;
6° Que le survivant aura un préciput;
7° Que les époux auront des parts inégales;
8° Qu'il y aura entre eux communauté à titre universel.
Les principales modifications sont celles qui ont lieu en stipulant de l'une ou de l'autre des manières qui suivent; savoir :
1° Que la communauté n'embrassera que les acquêts;
2° Que le mobilier présent ou futur n'entrera point en communauté, ou n'y entrera que pour une partie;
3° Qu'on y comprendra tout ou partie des immeubles présents ou futurs, par la voie de l'ameublissement;
4° Que les époux payeront séparément leurs dettes antérieures au mariage;
5° Qu'en cas de renonciation, la femme pourra reprendre ses apports francs et quittes;
6° Que le survivant aura un préciput;
7° Que les époux auront des parts inégales;
8° Qu'il y aura entre eux communauté à titre universel.
AFDELING I. - GEMEENSCHAP TOT DE AANWINSTEN BEPERKT.
SECTION 1. - DE LA COMMUNAUTE REDUITE AUX ACQUETS.
Art. 1498. Wanneer de echtgenoten bedingen dat tussen hen slechts een gemeenschap van aanwinsten zal bestaan, worden zij geacht de tegenwoordige en toekomstige schulden van ieder van hen, alsook de tegenwoordige en toekomstige roerende goederen van ieder van hen, van de gemeenschap uit te sluiten.
In dit geval, en nadat ieder echtgenoot zijn behoorlijk bewezen inbrengsten heeft voorafgenomen, blijft de verdeling beperkt tot de aanwinsten die gedurende het huwelijk door de echtgenoten samen of afzonderlijk zijn verwezenlijkt, en die voortkomen zowel van hun gemeenschappelijke arbeid als van de besparingen op de vruchten en inkomsten van de goederen van beide echtgenoten.
In dit geval, en nadat ieder echtgenoot zijn behoorlijk bewezen inbrengsten heeft voorafgenomen, blijft de verdeling beperkt tot de aanwinsten die gedurende het huwelijk door de echtgenoten samen of afzonderlijk zijn verwezenlijkt, en die voortkomen zowel van hun gemeenschappelijke arbeid als van de besparingen op de vruchten en inkomsten van de goederen van beide echtgenoten.
Art. 1498. Lorsque les époux stipulent qu'il n'y aura entre eux qu'une communauté d'acquêts, ils sont censés exclure de la communauté et les dettes de chacun d'eux actuelles et futures, et leur mobilier respectif présent et futur.
En ce cas, et après que chacun des époux a prélevé ses apports dûment justifiés, le partage se borne aux acquêts faits par les époux ensemble ou séparément durant le mariage, et provenant tant de l'industrie commune que des économies faites sur les fruits et revenus des biens des deux époux.
En ce cas, et après que chacun des époux a prélevé ses apports dûment justifiés, le partage se borne aux acquêts faits par les époux ensemble ou séparément durant le mariage, et provenant tant de l'industrie commune que des économies faites sur les fruits et revenus des biens des deux époux.
Art. 1499. Indien roerende goederen die bij het aangaan van het huwelijk aanwezig waren of nadien zijn verkregen, niet werden vastgesteld in een boedelbeschrijving of een staat in behoorlijke vorm, worden zij als aanwinst beschouwd.
Art. 1499. Si le mobilier existant lors du mariage, ou échu depuis, n'a pas été constaté par inventaire ou état en bonne forme, il est réputé acquêts.
AFDELING II. - BEDING WAARBIJ DE ROERENDE GOEDEREN GEHEEL OF TEN DELE VAN DE GEMEENSCHAP WORDEN UITGESLOTEN.
SECTION II. - DE LA CLAUSE QUI EXCLUT DE LA COMMUNAUTE LE MOBILIER EN TOUT OU PARTIE.
Art. 1500. De echtgenoten mogen al hun tegenwoordige en toekomstige roerende goederen van hun gemeenschap uitsluiten.
Wanneer zij bedingen dat ieder van hen in de gemeenschap roerende goederen zal inbrengen tot een bepaald bedrag of voor een bepaalde waarde, worden zij, daardoor alleen reeds, geacht zich het overige voor te behouden.
Wanneer zij bedingen dat ieder van hen in de gemeenschap roerende goederen zal inbrengen tot een bepaald bedrag of voor een bepaalde waarde, worden zij, daardoor alleen reeds, geacht zich het overige voor te behouden.
Art. 1500. Les époux peuvent exclure de leur communauté tout leur mobilier présent et futur.
Lorsqu'ils stipulent qu'ils en mettront réciproquement dans la communauté jusqu'à concurrence d'une somme ou d'une valeur déterminée, ils sont, par cela seul, censés se réserver le surplus.
Lorsqu'ils stipulent qu'ils en mettront réciproquement dans la communauté jusqu'à concurrence d'une somme ou d'une valeur déterminée, ils sont, par cela seul, censés se réserver le surplus.
Art. 1501. Dit beding maakt de echtgenoot tot schuldenaar van de gemeenschap voor het bedrag dat hij beloofd heeft te zullen inbrengen, en verplicht hem te bewijzen dat die inbreng gedaan is.
Art. 1501. Cette clause rend l'époux débiteur envers la communauté, de la somme qu'il a promis d'y mettre, et l'oblige à justifier de cet apport.
Art. 1502. Ten aanzien van de man is de inbreng genoegzaam bewezen door de verklaring in het huwelijkscontract, dat zijn roerende goederen die waarde hebben.
Ten aanzien van de vrouw is de inbreng genoegzaam bewezen door de kwijting die de man afgeeft aan haar zelf of aan hen die haar het huwelijksgoed gegeven hebben.
Ten aanzien van de vrouw is de inbreng genoegzaam bewezen door de kwijting die de man afgeeft aan haar zelf of aan hen die haar het huwelijksgoed gegeven hebben.
Art. 1502. L'apport est suffisamment justifié, quant au mari, par la déclaration portée au contrat de mariage que son mobilier est de telle valeur.
Il est suffisamment justifié, à l'égard de la femme, par la quittance que le mari lui donne, ou à ceux qui l'ont dotée.
Il est suffisamment justifié, à l'égard de la femme, par la quittance que le mari lui donne, ou à ceux qui l'ont dotée.
Art. 1503. Ieder echtgenoot heeft het recht om, bij de ontbinding van de gemeenschap, de waarde van de roerende goederen die hij bij het aangaan van het huwelijk heeft aangebracht of die hij nadien verkregen heeft, vooraf terug te nemen in zover die waarde zijn bedongen inbreng in de gemeenschap overschrijdt.
Art. 1503. Chaque époux a le droit de reprendre et de prélever, lors de la dissolution de la communauté, la valeur de ce dont le mobilier qu'il a apporté lors du mariage, ou qui lui est échu depuis, excédait sa mise en communauté.
Art. 1504. De roerende goederen die een van de echtgenoten gedurende het huwelijk verkrijgt, moeten door een boedelbeschrijving worden vastgesteld.
Bij gebreke van een boedelbeschrijving van de door de man verkregen roerende goederen, of van een titel geschikt om de omvang van die goederen en hun waarde, na aftrek van de schulden, te bewijzen, mag de man die niet terugnemen.
Indien het ontbreken van een boedelbeschrijving betrekking heeft op roerende goederen die de vrouw verkregen heeft, kan zij of kunnen haar erfgenamen de waarde van die roerende goederen bewijzen hetzij door titels, hetzij door getuigen, hetzij zelfs door de algemene bekendheid.
Bij gebreke van een boedelbeschrijving van de door de man verkregen roerende goederen, of van een titel geschikt om de omvang van die goederen en hun waarde, na aftrek van de schulden, te bewijzen, mag de man die niet terugnemen.
Indien het ontbreken van een boedelbeschrijving betrekking heeft op roerende goederen die de vrouw verkregen heeft, kan zij of kunnen haar erfgenamen de waarde van die roerende goederen bewijzen hetzij door titels, hetzij door getuigen, hetzij zelfs door de algemene bekendheid.
Art. 1504. Le mobilier qui échoit à chacun des époux pendant le mariage, doit être constaté par un inventaire.
A défaut d'inventaire du mobilier échu au mari, ou d'un titre propre à justifier de sa consistance et valeur, déduction faite des dettes, le mari ne peut en exercer la reprise.
Si le défaut d'inventaire porte sur un mobilier échu à la femme, celle-ci ou ses héritiers sont admis à faire preuve, soit par titres, soit par témoins, soit même par commune renommée, de la valeur de ce mobilier.
A défaut d'inventaire du mobilier échu au mari, ou d'un titre propre à justifier de sa consistance et valeur, déduction faite des dettes, le mari ne peut en exercer la reprise.
Si le défaut d'inventaire porte sur un mobilier échu à la femme, celle-ci ou ses héritiers sont admis à faire preuve, soit par titres, soit par témoins, soit même par commune renommée, de la valeur de ce mobilier.
AFDELlNG III. - BEDING WAARBIJ ONROERENDE GOEDEREN ALS ROEREND GOED WORDEN INGEBRACHT.
SECTION III. - DE LA CLAUSE D'AMEUBLISSEMENT.
Art. 1505. Wanneer de echtgenoten of een van hen hun tegenwoordige of toekomstige onroerende goederen voor het geheel of voor een deel in de gemeenschap inbrengen, wordt dat beding inbreng van onroerend goed als roerend goed genoemd.
Art. 1505. Lorsque les époux ou l'un d'eux font entrer en communauté tout ou partie de leurs immeubles présents ou futurs, cette clause s'appelle ameublissement.
Art. 1506. De inbreng van onroerend goed als roerend goed kan bepaald of onbepaald zijn.
Hij is bepaald, wanneer de echtgenoot verklaard heeft een bepaald onroerend goed voor het geheel of tot een vastgesteld bedrag als roerend goed in de gemeenschap in te brengen.
Hij is onbepaald, wanneer de echtgenoot eenvoudig verklaard heeft zijn onroerende goederen tot een vastgesteld bedrag in de gemeenschap in te brengen.
Hij is bepaald, wanneer de echtgenoot verklaard heeft een bepaald onroerend goed voor het geheel of tot een vastgesteld bedrag als roerend goed in de gemeenschap in te brengen.
Hij is onbepaald, wanneer de echtgenoot eenvoudig verklaard heeft zijn onroerende goederen tot een vastgesteld bedrag in de gemeenschap in te brengen.
Art. 1506. L'ameublissement peut être déterminé ou indéterminé.
Il est déterminé quand l'époux a déclaré ameublir et mettre en communauté un tel immeuble en tout ou jusqu'à concurrence d'une certaine somme.
Il est indéterminé quand l'époux a simplement déclaré apporter en communauté ses immeubles, jusqu'à concurrence d'une certaine somme.
Il est déterminé quand l'époux a déclaré ameublir et mettre en communauté un tel immeuble en tout ou jusqu'à concurrence d'une certaine somme.
Il est indéterminé quand l'époux a simplement déclaré apporter en communauté ses immeubles, jusqu'à concurrence d'une certaine somme.
Art. 1507. De bepaalde inbreng van onroerend goed als roerend goed heeft ten gevolge dat het onroerend goed of de onroerende goederen waarop hij betrekking heeft, goederen van de gemeenschap worden evenals de roerende goederen zelf.
Wanneer een onroerend goed of de onroerende goederen van de vrouw voor het geheel als roerend goed worden ingebracht, mag de man daarover beschikken zoals over de andere goederen van de gemeenschap, en ze voor het geheel vervreemden.
Wanneer een onroerend goed slechts voor een vastgesteld bedrag als roerend goed wordt ingebracht, mag de man het niet vervreemden dan met toestemming van de vrouw; hij mag het echter zonder haar toestemming met hypotheek bezwaren, doch slechts ten belope van het als roerend goed ingebrachte gedeelte.
Wanneer een onroerend goed of de onroerende goederen van de vrouw voor het geheel als roerend goed worden ingebracht, mag de man daarover beschikken zoals over de andere goederen van de gemeenschap, en ze voor het geheel vervreemden.
Wanneer een onroerend goed slechts voor een vastgesteld bedrag als roerend goed wordt ingebracht, mag de man het niet vervreemden dan met toestemming van de vrouw; hij mag het echter zonder haar toestemming met hypotheek bezwaren, doch slechts ten belope van het als roerend goed ingebrachte gedeelte.
Art. 1507. L'effet de l'ameublissement déterminé est de rendre l'immeuble ou les immeubles qui en sont frappés, biens de la communauté comme les meubles mêmes.
Lorsque l'immeuble ou les immeubles de la femme sont ameublis en totalité, le mari en peut disposer comme des autres effets de la communauté, et les aliéner en totalité.
Si l'immeuble n'est ameubli que pour une certaine somme, le mari ne peut l'aliéner qu'avec le consentement de la femme; mais il peut l'hypothéquer sans son consentement, jusqu'à concurrence seulement de la portion ameublie.
Lorsque l'immeuble ou les immeubles de la femme sont ameublis en totalité, le mari en peut disposer comme des autres effets de la communauté, et les aliéner en totalité.
Si l'immeuble n'est ameubli que pour une certaine somme, le mari ne peut l'aliéner qu'avec le consentement de la femme; mais il peut l'hypothéquer sans son consentement, jusqu'à concurrence seulement de la portion ameublie.
Art. 1508. De onbepaalde inbreng van onroerende goederen als roerend goed geeft aan de gemeenschap niet de eigendom van de onroerende goederen waarop hij betrekking heeft; het beding heeft alleen ten gevolge dat de echtgenoot die het heeft toegestaan, gehouden is, bij de ontbinding van de gemeenschap, enige van zijn onroerende goederen in de massa te laten opnemen, en wel tot het door hem beloofde bedrag.
Anders dan in het vorige artikel bepaald is, mag de man de onroerende goederen waarvoor de onbepaalde inbreng als roerend goed bedongen is, noch voor het geheel noch voor een deel vervreemden zonder toestemming van zijn vrouw; doch hij mag deze goederen met hypotheek bezwaren tot het bedrag van die inbreng.
Anders dan in het vorige artikel bepaald is, mag de man de onroerende goederen waarvoor de onbepaalde inbreng als roerend goed bedongen is, noch voor het geheel noch voor een deel vervreemden zonder toestemming van zijn vrouw; doch hij mag deze goederen met hypotheek bezwaren tot het bedrag van die inbreng.
Art. 1508. L'ameublissement indéterminé ne rend point la communauté propriétaire des immeubles qui en sont frappés; son effet se réduit à obliger l'époux qui l'a consenti, à comprendre dans la masse, lors de la dissolution de la communauté, quelques-uns de ses immeubles jusqu'à concurrence de la somme par lui promise.
Le mari ne peut, comme en l'article précédent, aliéner en tout ou en partie, sans le consentement de sa femme, les immeubles sur lesquels est établi l'ameublissement indéterminé; mais il peut les hypothéquer jusqu'à concurrence de cet ameublissement.
Le mari ne peut, comme en l'article précédent, aliéner en tout ou en partie, sans le consentement de sa femme, les immeubles sur lesquels est établi l'ameublissement indéterminé; mais il peut les hypothéquer jusqu'à concurrence de cet ameublissement.
Art. 1509. De echtgenoot die enig erf als roerend goed heeft ingebracht, mag bij de verdeling dat erf voor zich behouden, mits hij het op zijn aandeel toerekent voor de prijs die het op dat ogenblik waard is; en zijn erfgenamen hebben hetzelfde recht.
Art. 1509. L'époux qui a ameubli un héritage a, lors du partage, la faculté de le retenir en le précomptant sur sa part pour le prix qu'il vaut alors; et ses héritiers ont le même droit.
AFDELING IV. - BEDING VAN SCHEIDING VAN SCHULDEN.
SECTION IV. - DE LA CLAUSE DE SEPARATION DES DETTES.
Art. 1510. Het beding waarbij de echtgenoten bepalen dat zij ieder afzonderlijk hun persoonlijke schulden zullen betalen, verplicht hen om, bij de ontbinding van de gemeenschap, elkaar de schulden te vergoeden waarvan blijkt dat die door de gemeenschap zijn betaald tot bevrijding van de echtgenoot die de schuldenaar was.
Dezelfde verplichting bestaat hetzij er een boedelbeschrijving is opgemaakt of niet; indien echter de door de echtgenoten ingebrachte roerende goederen niet zijn vastgesteld door een voor het huwelijk opgemaakte boedelbeschrijving of staat in authentieke vorm, kunnen de schuldeisers van elke echtgenoot, zonder te letten op enige onderscheiding waarop men zich zou beroepen, betaling vervolgen zowel op de roerende goederen waarvan geen boedelbeschrijving is opgemaakt, als op alle andere goederen van de gemeenschap.
De schuldeisers hebben hetzelfde recht op de roerende goederen die de echtgenoten tijdens de gemeenschap verkrijgen, indien deze goederen niet eveneens zijn vastgesteld door een boedelbeschrijving of staat in authentieke vorm.
Dezelfde verplichting bestaat hetzij er een boedelbeschrijving is opgemaakt of niet; indien echter de door de echtgenoten ingebrachte roerende goederen niet zijn vastgesteld door een voor het huwelijk opgemaakte boedelbeschrijving of staat in authentieke vorm, kunnen de schuldeisers van elke echtgenoot, zonder te letten op enige onderscheiding waarop men zich zou beroepen, betaling vervolgen zowel op de roerende goederen waarvan geen boedelbeschrijving is opgemaakt, als op alle andere goederen van de gemeenschap.
De schuldeisers hebben hetzelfde recht op de roerende goederen die de echtgenoten tijdens de gemeenschap verkrijgen, indien deze goederen niet eveneens zijn vastgesteld door een boedelbeschrijving of staat in authentieke vorm.
Art. 1510. La clause par laquelle les époux stipulent qu'ils payeront séparément leurs dettes personnelles, les oblige à se faire, lors de la dissolution de la communauté, respectivement raison des dettes qui sont justifiées avoir été acquittées par la communauté à la décharge de celui des époux qui en était débiteur.
Cette obligation est la même, soit qu'il y ait eu inventaire ou non : mais, si le mobilier apporté par les époux n'a pas été constaté par un inventaire ou état authentique antérieur au mariage, les créanciers de l'un et de l'autre des époux peuvent, sans avoir égard à aucune des distinctions qui seraient réclamées, poursuivre leur payement sur le mobilier non inventorié, comme sur tous les autres biens de la communauté.
Les créanciers ont le même droit sur le mobilier qui serait échu aux époux pendant la communauté, s'il n'a pas été pareillement constaté par un inventaire ou état authentique.
Cette obligation est la même, soit qu'il y ait eu inventaire ou non : mais, si le mobilier apporté par les époux n'a pas été constaté par un inventaire ou état authentique antérieur au mariage, les créanciers de l'un et de l'autre des époux peuvent, sans avoir égard à aucune des distinctions qui seraient réclamées, poursuivre leur payement sur le mobilier non inventorié, comme sur tous les autres biens de la communauté.
Les créanciers ont le même droit sur le mobilier qui serait échu aux époux pendant la communauté, s'il n'a pas été pareillement constaté par un inventaire ou état authentique.
Art. 1511. Wanneer de echtgenoten een bepaalde som of een bepaalde zaak in de gemeenschap inbrengen, sluit die inbreng de stilzwijgende overeenkomst in, dat hij niet bezwaard is met schulden van voor het huwelijk; en de echtgenoot die schuldenaar is, moet aan de andere alle schulden vergoeden die de beloofde inbreng zouden verminderen.
Art. 1511. Lorsque les époux apportent dans la communauté une somme certaine ou un corps certain, un tel apport emporte la convention tacite qu'il n'est point grevé de dettes antérieures au mariage; et il doit être fait raison par l'époux débiteur à l'autre, de toutes celles qui diminueraient l'apport promis.
Art. 1512. Het beding van scheiding van schulden verhindert niet dat de interesten en rentetermijnen die sinds het aangaan van het huwelijk hebben gelopen, ten laste van de gemeenschap komen.
Art. 1512. _ La clause de séparation des dettes n'empêche point que la communauté ne soit chargée des intérêts et arrérages qui ont couru depuis le mariage.
Art. 1513. Wanneer de gemeenschap vervolgd wordt wegens schulden van een echtgenoot die, volgens verklaring in het contract, vrij was van iedere schuld van voor het huwelijk, heeft de andere echtgenoot recht op een vergoeding, die verhaald wordt, hetzij op het aandeel in de gemeenschap dat toekomt aan de echtgenoot die schuldenaar is, hetzij op de persoonlijke goederen van deze echtgenoot; en, ingeval zulks ontoereikend is, kan die vergoeding bij wege van vrijwaring gevorderd worden van de vader, de moeder, de bloedverwant in de opgaande lijn of de voogd die hem vrij van iedere schuld verklaard hebben.
Die vordering tot vrijwaring kan zelfs uitgeoefend worden door de man tijdens de gemeenschap, indien de schuld in de persoon van de vrouw ontstaan is; in dit geval echter is de vrouw of zijn haar erfgenamen terugbetaling verschuldigd aan de garanten, na de ontbinding van de gemeenschap.
Die vordering tot vrijwaring kan zelfs uitgeoefend worden door de man tijdens de gemeenschap, indien de schuld in de persoon van de vrouw ontstaan is; in dit geval echter is de vrouw of zijn haar erfgenamen terugbetaling verschuldigd aan de garanten, na de ontbinding van de gemeenschap.
Art. 1513. Lorsque la communauté est poursuivie pour les dettes de l'un des époux déclaré, par contrat, franc et quitte de toutes dettes antérieures au mariage, le conjoint a droit à une indemnité qui se prend soit sur la part de communauté revenant à l'époux débiteur, soit sur les biens personnels du dit époux; et, en cas d'insuffisance, cette indemnité peut être poursuivie par voie de garantie contre le père, la mère, l'ascendant ou le tuteur qui l'auraient déclaré franc et quitte.
Cette garantie peut même être exercée par le mari durant la communauté, si la dette provient du chef de la femme; sauf, en ce cas, le remboursement dû par la femme ou ses héritiers aux garants, après la dissolution de la communauté.
Cette garantie peut même être exercée par le mari durant la communauté, si la dette provient du chef de la femme; sauf, en ce cas, le remboursement dû par la femme ou ses héritiers aux garants, après la dissolution de la communauté.
AFDELING V. - BEVOEGDHEID AAN DE VROUW VERLEEND OM HAAR INBRENG VRIJ EN ONBELAST TERUG TE NEMEN.
SECTION V. - DE LA FACULTE ACCORDEE A LA FEMME DE REPRENDRE SON APPORT FRANC ET QUITTE.
Art. 1514. De vrouw mag bedingen dat zij, ingeval zij van de gemeenschap afstand doet, geheel of ten dele zal terugnemen hetgeen zij daarin heeft ingebracht, hetzij bij het aangaan van het huwelijk, hetzij nadien; dit beding kan echter niet verder reiken dan tot de uitdrukkelijk vermelde goederen, noch strekken tot voordeel van andere dan de aangewezen personen.
Zo strekt de bevoegdheid om de roerende goederen terug te nemen die de vrouw bij het aangaan van het huwelijk heeft ingebracht, zich niet uit tot die welke zij gedurende het huwelijk mocht verkrijgen.
Zo strekt de bevoegdheid die aan de vrouw verleend is, zich niet uit tot de kinderen; en strekt de bevoegdheid die aan de vrouw en aan de kinderen verleend is, zich niet uit tot de erfgenamen in de opgaande lijn of in de zijlijn.
In elk geval kunnen de inbrengsten niet teruggenomen worden dan na aftrek van de persoonlijke schulden van de vrouw, indien deze zijn betaald door de gemeenschap.
Zo strekt de bevoegdheid om de roerende goederen terug te nemen die de vrouw bij het aangaan van het huwelijk heeft ingebracht, zich niet uit tot die welke zij gedurende het huwelijk mocht verkrijgen.
Zo strekt de bevoegdheid die aan de vrouw verleend is, zich niet uit tot de kinderen; en strekt de bevoegdheid die aan de vrouw en aan de kinderen verleend is, zich niet uit tot de erfgenamen in de opgaande lijn of in de zijlijn.
In elk geval kunnen de inbrengsten niet teruggenomen worden dan na aftrek van de persoonlijke schulden van de vrouw, indien deze zijn betaald door de gemeenschap.
Art. 1514. La femme peut stipuler qu'en cas de renonciation à la communauté, elle reprendra tout ou partie de ce qu'elle y aura apporté, soit lors du mariage, soit depuis; mais cette stipulation ne peut s'étendre au-delà des choses formellement exprimées, ni au profit de personnes autres que celles désignées.
Ainsi la faculté de reprendre le mobilier que la femme a apporté lors du mariage, ne s'étend point à celui qui serait échu pendant le mariage.
Ainsi la faculté accordée à la femme ne s'étend point aux enfants; celle accordée à la femme et aux enfants ne s'étend point aux héritiers ascendants ou collatéraux.
Dans tous les cas, les apports ne peuvent être repris que déduction faite des dettes personnelles à la femme, et que la communauté aurait acquittées.
Ainsi la faculté de reprendre le mobilier que la femme a apporté lors du mariage, ne s'étend point à celui qui serait échu pendant le mariage.
Ainsi la faculté accordée à la femme ne s'étend point aux enfants; celle accordée à la femme et aux enfants ne s'étend point aux héritiers ascendants ou collatéraux.
Dans tous les cas, les apports ne peuvent être repris que déduction faite des dettes personnelles à la femme, et que la communauté aurait acquittées.
AFDELING VI. - BEDONGEN VOORUITNEMING.
SECTION IV. - DU PRECIPUT CONVENTIONNEL.
Art. 1515. Het beding waarbij de langstlevende echtgenoot wordt gemachtigd om, voor elke verdeling, een bepaalde geldsom of een bepaalde hoeveelheid roerende goederen in natura vooraf te nemen, verleent aan de vrouw die haar man overleeft, alleen dan recht op die vooruitneming, indien zij de gemeenschap aanvaardt, tenzij het huwelijkscontract haar dit recht heeft voorbehouden zelfs voor het geval dat zij afstand doet.
Buiten zodanig voorbehoud wordt het recht van vooruitneming slechts uitgeoefend op de te verdelen massa, en niet op de persoonlijke goederen van de vooroverleden echtgenoot.
Buiten zodanig voorbehoud wordt het recht van vooruitneming slechts uitgeoefend op de te verdelen massa, en niet op de persoonlijke goederen van de vooroverleden echtgenoot.
Art. 1515. La clause par laquelle l'époux survivant est autorisé à prélever, avant tout partage, une certaine somme ou une certaine quantité d'effets mobiliers en nature, ne donne droit à ce prélèvement, au profit de la femme survivante, que lorsqu'elle accepte la communauté, à moins que le contrat de mariage ne lui ait réservé ce droit, même en renonçant
Hors le cas de cette réserve, le préciput ne s'exerce que sur la nature partageable, et non sur les biens personnels de l'époux prédécédé.
Hors le cas de cette réserve, le préciput ne s'exerce que sur la nature partageable, et non sur les biens personnels de l'époux prédécédé.
Art. 1516. De vooruitneming wordt niet beschouwd als een voordeel dat aan de vormen van de schenking is onderworpen, maar wel als een huwelijksovereenkomst.
Art. 1516. Le préciput n'est point regardé comme un avantage sujet aux formalités des donations, mais comme une convention de mariage.
Art. 1517. _ De (...) dood maakt de vooruitneming opvorderbaar. <W 15-12-1949, art. 28>
Art. 1517. La mort [...] donne ouverture au préciput. <L 19-12-1949, art. 28>.
Art. 1518. Ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding of door scheiding van tafel en bed, heeft geen dadelijke uitkering van de vooruitneming ten gevolge; maar de echtgenoot die hetzij echtscheiding, hetzij scheiding van tafel en bed bekomen heeft, behoudt zijn recht op de vooruitneming voor het geval dat hij het langst leeft. Is het de vrouw die de scheiding bekomen heeft, dan verblijft de som of de zaak die het voorwerp is van de vooruitneming, altijd voorlopig aan de man, onder verplichting van borgstelling.
Art. 1518. Lorsque la dissolution de la communauté s'opère par le divorce ou par la séparation de corps, il n'y a pas lieu à la délivrance actuelle du préciput; mais l'époux qui a obtenu soit le divorce, soit la séparation de corps, conserve ses droits au préciput en cas de survie. Si c'est la femme, la somme ou la chose qui constitue le préciput reste toujours provisoirement au mari, à la charge de donner caution.
Art. 1519. De schuldeisers van de gemeenschap hebben altijd het recht om de in de vooruitneming begrepen zaken te doen verkopen, behoudens het verhaal van de echtgenoot, overeenkomstig artikel 1515.
Art. 1519. Les créanciers de la communauté ont toujours le droit de faire vendre les effets compris dans le préciput, sauf le recours de l'époux, conformément à l'article 1515.
AFDELING VII. - BEDINGEN WAARBIJ AAN DE ECHTGENOTEN EEN ONGELIJK AANDEEL IN DE GEMEENSCHAP WORDT TOEGEKEND.
SECTION VII. - DES CLAUSES PAR LESQUELLES ON ASSIGNE A CHACUN DES EPOUX DES PARTS INEGALES DANS LA COMMUNAUTE.
Art. 1520. De echtgenoten mogen van de gelijke verdeling, bij de wet bepaald, afwijken hetzij door aan de langstlevende echtgenoot of aan zijn erfgenamen slechts een aandeel in de gemeenschap te geven dat kleiner is dan de helft, hetzij door hem voor alle recht in de gemeenschap slechts een vaste geldsom te geven, hetzij door te bedingen dat de ganse gemeenschap, in bepaalde gevallen, zal toebehoren aan de langstlevende der echtgenoten, of enkel aan een van hen.
Art. 1520. Les époux peuvent déroger au partage égal établi par la loi, soit en ne donnant à l'époux survivant ou à ses héritiers, dans la communauté, qu'une part moindre que la moitié, soit en ne lui donnant qu'une somme fixe pour tout droit de communauté, soit en stipulant que la communauté entière, en certains cas, appartiendra à l'époux survivant, ou à l'un d'eux seulement.
Art. 1521. Wanneer bedongen is dat de echtgenoot of zijn erfgenamen slechts een beperkt aandeel in de gemeenschap zullen hebben, zoals een derde of een vierde, dan draagt de echtgenoot wiens aandeel aldus beperkt is, of dragen zijn erfgenamen de last van de schulden der gemeenschap slechts naar evenredigheid van het aandeel dat zij uit de baten ontvangen.
De overeenkomst is nietig, indien zij de echtgenoot wiens aandeel aldus beperkt is, of zijn erfgenamen, verplicht een groter aandeel in de schulden te dragen, of indien zij hen vrijstelt van de verplichting om daarin een aandeel te dragen gelijk aan het aandeel dat zij uit de baten ontvangen.
De overeenkomst is nietig, indien zij de echtgenoot wiens aandeel aldus beperkt is, of zijn erfgenamen, verplicht een groter aandeel in de schulden te dragen, of indien zij hen vrijstelt van de verplichting om daarin een aandeel te dragen gelijk aan het aandeel dat zij uit de baten ontvangen.
Art. 1521. Lorsqu'il a été stipulé que l'époux ou ses héritiers n'auront qu'une certaine part dans la communauté, comme le tiers ou le quart, l'époux ainsi réduit ou ses héritiers ne supportent les dettes de la communauté que proportionnellement à la part qu'ils prennent dans l'actif.
La convention est nulle si elle oblige l'époux ainsi réduit ou ses héritiers à supporter une plus forte part, ou si elle les dispense de supporter une part dans les dettes égale à celle qu'ils prennent dans l'actif.
La convention est nulle si elle oblige l'époux ainsi réduit ou ses héritiers à supporter une plus forte part, ou si elle les dispense de supporter une part dans les dettes égale à celle qu'ils prennent dans l'actif.
Art. 1522. Het beding waarbij bepaald wordt dat een van de echtgenoten of zijn erfgenamen, voor alle recht in de gemeenschap, slechts op een bepaalde geldsom zullen kunnen aanspraak maken, vormt een vast akkoord dat de andere echtgenoot of zijn erfgenamen verplicht de bedongen som te betalen, hetzij de gemeenschap gunstig of ongunstig is, toereikend of niet toereikend om de som te voldoen.
Art. 1522. _ Lorsqu'il est stipulé que l'un des époux ou ses héritiers ne pourront prétendre qu'une certaine somme pour tout droit de communauté, la clause est un forfait qui oblige l'autre époux ou ses héritiers à payer la somme convenue, soit que la communauté soit bonne ou mauvaise, suffisante ou non pour acquitter la somme.
Art. 1523. Indien het vast akkoord alleen ten opzichte van de erfgenamen van de echtgenoot bedongen is, heeft deze laatste ingeval hij het langst leeft, recht op de wettelijke verdeling bij helften.
Art. 1523. Si la clause n'établit le forfait qu'à l'égard des héritiers de l'époux, celui-ci, dans le cas où il survit, a droit au partage légal par moitié.
Art. 1524. De man of zijn erfgenamen, die, krachtens het in artikel 1520 omschreven beding, de gehele gemeenschap voor zich behouden, zijn verplicht alle schulden ervan te voldoen.
De schuldeisers hebben in dit geval geen enkele vordering tegen de vrouw of tegen haar erfgenamen.
De overlevende vrouw die tegenover de erfgenamen van de man het recht heeft om tegen betaling van een bedongen geldsom de gehele gemeenschap voor zich te behouden, heeft de keus om ofwel hun die som te betalen, terwijl zij voor alle schulden moet instaan, ofwel van de gemeenschap afstand te doen en de goederen en de lasten daarvan aan de erfgenamen van de man over te laten.
De schuldeisers hebben in dit geval geen enkele vordering tegen de vrouw of tegen haar erfgenamen.
De overlevende vrouw die tegenover de erfgenamen van de man het recht heeft om tegen betaling van een bedongen geldsom de gehele gemeenschap voor zich te behouden, heeft de keus om ofwel hun die som te betalen, terwijl zij voor alle schulden moet instaan, ofwel van de gemeenschap afstand te doen en de goederen en de lasten daarvan aan de erfgenamen van de man over te laten.
Art. 1524. Le mari ou ses héritiers qui retiennent, en vertu de la clause énoncée en l'article 1520, la totalité de la communauté, sont obligés d'en acquitter toutes les dettes.
Les créanciers n'ont, en ce cas, aucune action contre la femme ni contre ses héritiers.
Si c'est la femme survivante qui a, moyennant une somme convenue, le droit de retenir toute la communauté contre les héritiers du mari, elle a le choix ou de leur payer cette somme, en demeurant obligée à toutes les dettes, ou de renoncer à la communauté, et d'en abandonner aux héritiers du mari les biens et les charges.
Les créanciers n'ont, en ce cas, aucune action contre la femme ni contre ses héritiers.
Si c'est la femme survivante qui a, moyennant une somme convenue, le droit de retenir toute la communauté contre les héritiers du mari, elle a le choix ou de leur payer cette somme, en demeurant obligée à toutes les dettes, ou de renoncer à la communauté, et d'en abandonner aux héritiers du mari les biens et les charges.
Art. 1525. Het is de echtgenoten geoorloofd te bedingen dat de gehele gemeenschap zal toebehoren aan de langstlevende of enkel aan een van hen, behoudens het recht van de erfgenamen van de andere echtgenoot om de inbrengsten en kapitalen terug te nemen, die van de zijde van hun rechtsvoorganger in de gemeenschap zijn gevallen.
Dit beding wordt niet beschouwd als een voordeel, onderworpen aan de bepalingen betreffende de schenking, wat het wezen van de schenking of wat haar vorm betreft, maar enkel als een huwelijksovereenkomst en een overeenkomst tussen vennoten.
Dit beding wordt niet beschouwd als een voordeel, onderworpen aan de bepalingen betreffende de schenking, wat het wezen van de schenking of wat haar vorm betreft, maar enkel als een huwelijksovereenkomst en een overeenkomst tussen vennoten.
Art. 1525. Il est permis aux époux de stipuler que la totalité de la communauté appartiendra au survivant ou à l'un d'eux seulement, sauf aux héritiers de l'autre à faire la reprise des apports et capitaux tombés dans la communauté, du chef de leur auteur.
Cette stipulation n'est point réputée un avantage sujet aux règles relatives aux donations, soit quant au fond, soit quant à la forme, mais simplement une convention de mariage et entre associés.
Cette stipulation n'est point réputée un avantage sujet aux règles relatives aux donations, soit quant au fond, soit quant à la forme, mais simplement une convention de mariage et entre associés.
AFDELING VIII. - ALGEMENE GEMEENSCHAP.
SECTION VIII. - DE LA COMMUNAUTE A TITRE UNIVERSEL.
Art. 1526. De echtgenoten mogen bij huwelijkscontract een algemene gemeenschap van hun goederen, zowel roerende als onroerende, tot stand brengen, omvattende hun tegenwoordige en toekomstige goederen, of alleen al hun tegenwoordige goederen, of alleen al hun toekomstige goederen.
Art. 1526. Les époux peuvent établir par leur contrat de mariage une communauté universelle de leurs biens tant meubles qu'immeubles, présents et à venir, ou de tous leurs biens présents seulement, ou de tous leurs biens à venir seulement.
BEPALINGEN AAN DE ACHT VOORAFGAANDE AFDELINGEN GEMEEN.
DISPOSITIONS COMMUNES AUX HUIT SECTIONS CI-DESSUS.
Art. 1527. _ De overeenkomsten waarvoor de bedongen gemeenschap vatbaar is, zijn niet beperkt tot hetgeen in de acht voorafgaande afdelingen bepaald is.
De echtgenoten mogen alle andere overeenkomsten maken, zoals in artikel 1387 bepaald is, en behoudens de in de artikelen 1388, 1389 en 1390 gestelde beperkingen.
Nochtans zal, ingeval er kinderen zijn uit een vroeger huwelijk, elke overeenkomst die door haar gevolgen ertoe strekt om aan een van de echtgenoten meer te geven dan het gedeelte bepaald bij artikel 1098 in de titel Schenkingen onder de levenden en testamenten, zonder gevolg blijven voor alles wat dit gedeelte overschrijdt; winsten echter die alleen voortkomen van de gemeenschappelijke arbeid en van besparingen op de inkomsten van ieder der echtgenoten, al zijn die ongelijk, worden niet beschouwd als een voordeel waarbij de kinderen uit het eerste huwelijk worden benadeeld.
De echtgenoten mogen alle andere overeenkomsten maken, zoals in artikel 1387 bepaald is, en behoudens de in de artikelen 1388, 1389 en 1390 gestelde beperkingen.
Nochtans zal, ingeval er kinderen zijn uit een vroeger huwelijk, elke overeenkomst die door haar gevolgen ertoe strekt om aan een van de echtgenoten meer te geven dan het gedeelte bepaald bij artikel 1098 in de titel Schenkingen onder de levenden en testamenten, zonder gevolg blijven voor alles wat dit gedeelte overschrijdt; winsten echter die alleen voortkomen van de gemeenschappelijke arbeid en van besparingen op de inkomsten van ieder der echtgenoten, al zijn die ongelijk, worden niet beschouwd als een voordeel waarbij de kinderen uit het eerste huwelijk worden benadeeld.
Art. 1527. Ce qui est dit aux huit sections ci-dessus ne limite pas à leurs dispositions précises les stipulations dont est susceptible la communauté conventionnelle.
Les époux peuvent faire toutes autres conventions, ainsi qu'il est dit à l'article 1387, et sauf les modifications portées par les articles 1388, 1389 et 1390.
Néanmoins, dans le cas où il y aurait des enfants d'un précédent mariage, toute convention qui tendrait dans ses effets à donner à l'un des époux au-delà de la portion réglée par l'article 1098, au titre des Donations entre vifs et des Testaments, sera sans effet pour tout l'excédent de cette portion; mais les simples bénéfices résultant des travaux communs et des économies faites sur les revenus respectifs, quoique inégaux, des deux époux, ne sont pas considérés comme un avantage fait au préjudice des enfants du premier lit.
Les époux peuvent faire toutes autres conventions, ainsi qu'il est dit à l'article 1387, et sauf les modifications portées par les articles 1388, 1389 et 1390.
Néanmoins, dans le cas où il y aurait des enfants d'un précédent mariage, toute convention qui tendrait dans ses effets à donner à l'un des époux au-delà de la portion réglée par l'article 1098, au titre des Donations entre vifs et des Testaments, sera sans effet pour tout l'excédent de cette portion; mais les simples bénéfices résultant des travaux communs et des économies faites sur les revenus respectifs, quoique inégaux, des deux époux, ne sont pas considérés comme un avantage fait au préjudice des enfants du premier lit.
Art. 1528. De bedongen gemeenschap blijft onderworpen aan de regels van de wettelijke gemeenschap, voor alle gevallen waarin het contract daarvan niet stilzwijgend of uitdrukkelijk afwijkt.
Art. 1528. _ La communauté conventionnelle reste soumise aux règles de la communauté légale, pour tous les cas auxquels il n'y a pas été dérogé implicitement ou explicitement par le contrat.
AFDELING IX. - OVEREENKOMSTEN WAARBIJ DE GEMEENSCHAP VAN GOEDEREN WORDT UITGESLOTEN.
SECTION IX. - DES CONVENTIONS EXCLUSIVES DE LA COMMUNAUTE.
Art. 1529. Wanneer de echtgenoten, zonder zich aan het dotaal stelsel te onderwerpen, verklaren dat zij zonder gemeenschap huwen, of dat zij gescheiden van goederen zullen zijn, worden de gevolgen van dit beding geregeld als volgt.
Art. 1529. Lorsque, sans se soumettre au régime dotal, les époux déclarent qu'ils se marient sans communauté, ou qu'ils seront sépares de biens, les effets de cette stipulation sont réglés comme il suit.
§ I. BEDING WAARBIJ BEPAALD WORDT DAT DE ECHTGENOTEN ZONDER GEMEENSCHAP HUWEN.
§ I. DE LA CLAUSE PORTANT QUE LES EPOUX SE MARIENT SANS COMMUNAUTE.
Art. 1530. Het beding waarbij bepaald wordt dat de echtgenoten zonder gemeenschap huwen, geeft aan de vrouw niet het recht om haar goederen te beheren of de vruchten ervan in ontvangst te nemen; deze vruchten worden geacht aan de man te zijn aangebracht om de lasten van het huwelijk te helpen dragen.
Art. 1530. La clause portant que les époux se marient sans communauté, ne donne point à la femme le droit d'administrer ses biens, ni d'en percevoir les fruits; ces fruits sont censés apportés au mari pour soutenir les charges du mariage.
Art. 1531. De man behoudt het beheer van de roerende en de onroerende goederen van de vrouw en bijgevolg het recht om alle roerende goederen die zij als huwelijksgoed aanbrengt of die zij gedurende het huwelijk verkrijgt, in ontvangst te nemen, behoudens zijn verplichting om die goederen terug te geven na de ontbinding van het huwelijk, of na de scheiding van goederen welke door het gerecht zou worden uitgesproken.
Art. 1531. Le mari conserve l'administration des biens meubles et immeubles de la femme, et, par suite, le droit de percevoir tout le mobilier qu'elle apporte en dot, ou qui lui échoit pendant le mariage, sauf la restitution qu'il en doit faire après la dissolution du mariage, ou après la séparation de biens qui serait prononcée par justice.
Art. 1532. Indien er onder de roerende goederen die de vrouw als huwelijksgoed heeft aangebracht, of die zij gedurende het huwelijk verkrijgt, zaken zijn die men niet kan gebruiken zonder ze te verbruiken, moet een staat van schatting daarvan gevoegd worden bij het huwelijkscontract, of moet een boedelbeschrijving daarvan opgemaakt worden ten tijde dat de vrouw die goederen verkrijgt, en de man moet de geschatte waarde vergoeden.
Art. 1532. Si, dans le mobilier apporté en dot par la femme, ou qui lui échoit pendant le mariage, il y a des choses dont on ne peut faire usage sans les consommer, il en doit être joint un état estimatif au contrat de mariage, ou il doit en être fait inventaire lors de l'échéance, et le mari en doit rendre le prix d'après l'estimation.
Art. 1533. De man is verplicht alle lasten van het vruchtgebruik te dragen.
Art. 1533. Le mari est tenu de toutes les charges de l'usufruit.
Art. 1534. Het beding waarvan sprake in deze paragraaf, belet niet overeen te komen dat de vrouw jaarlijks een bepaald gedeelte van haar inkomsten tegen haar persoonlijke kwijting zal ontvangen voor haar onderhoud en haar persoonlijke behoeften.
Art. 1534. La clause énoncée au présent paragraphe ne fait point obstacle à ce qu'il soit convenu que la femme touchera annuellement, sur ses seules quittances, certaine portion de ses revenus pour son entretien et ses besoins personnels.
Art. 1535. De onroerende goederen in het geval van deze paragraaf als huwelijksgoed aangebracht, zijn niet onvervreemdbaar.
Zij kunnen echter niet worden vervreemd zonder toestemming van de man en, in geval van weigering van de man, zonder machtiging van de rechter.
Zij kunnen echter niet worden vervreemd zonder toestemming van de man en, in geval van weigering van de man, zonder machtiging van de rechter.
Art. 1535. Les immeubles constitués en dot, dans le cas du présent paragraphe, ne sont point inaliénables.
Néanmoins, ils ne peuvent être aliénés sans le consentement du mari, et, à son refus, sans l'autorisation de la justice.
Néanmoins, ils ne peuvent être aliénés sans le consentement du mari, et, à son refus, sans l'autorisation de la justice.
Art. 1536. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1536. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>.
Art. 1537. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1537. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>.
Art. 1538. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1538. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>.
Art. 1539. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1539. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>.
HOOFDSTUK III. - DOTAAL STELSEL.
CHAPITRE III. - DU REGIME DOTAL.
Art. 1540. Het huwelijksgoed, in dit stelsel evenals in dat van hoofdstuk II, is het goed dat de vrouw aan de man aanbrengt om de lasten van het huwelijk te dragen.
Art. 1540. La dot, sous ce régime comme sous celui du chapitre II, est le bien que la femme apporte au mari pour supporter les charges du mariage.
Art. 1541. Alles wat door de vrouw zelf als huwelijksgoed wordt aangebracht of haar bij huwelijkscontract gegeven wordt, is dotaal, tenzij anders bedongen is.
Art. 1541. Tout ce que la femme se constitue ou qui lui est donne en contrat de mariage, est dotal s'il n'y a stipulation contraire.
AFDELING I. - AANBRENGST VAN HUWELIJKSGOED.
SECTION I. - DE LA CONSTITUTION DE DOT.
Art. 1542. Als huwelijksgoed kunnen worden aangebracht alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de vrouw, of alleen al haar tegenwoordige goederen, of een deel van haar tegenwoordige en toekomstige goederen, of zelfs een bepaald goed.
De aanbrengst van alle goederen van de vrouw als huwelijksgoed, in algemene bewoordingen gedaan, omvat de toekomstige goederen niet.
De aanbrengst van alle goederen van de vrouw als huwelijksgoed, in algemene bewoordingen gedaan, omvat de toekomstige goederen niet.
Art. 1542. La constitution de dot peut frapper tous les biens présents et à venir de la femme, ou tous ses biens présents seulement, ou une partie de ses biens présents et à venir, ou même un objet individuel.
La constitution, en termes généraux, de tous les biens de la femme, ne comprend pas les biens à venir.
La constitution, en termes généraux, de tous les biens de la femme, ne comprend pas les biens à venir.
Art. 1543. _ Aanbrengst of vermeerdering van huwelijksgoed kan niet plaatshebben gedurende het huwelijk.
Art. 1543. La dot ne peut être constituée ni même augmentée pendant le mariage.
Art. 1544. Wanneer ouders gezamenlijk huwelijksgoed geven zonder ieders aandeel te bepalen, wordt ieder geacht een gelijk deel te geven.
Wanneer huwelijksgoed gegeven wordt door de vader alleen, maar van vaders- en moederswege, is de moeder, hoewel bij het contract aanwezig, niet verbonden, en blijft het huwelijksgoed geheel ten laste van de vader.
Wanneer huwelijksgoed gegeven wordt door de vader alleen, maar van vaders- en moederswege, is de moeder, hoewel bij het contract aanwezig, niet verbonden, en blijft het huwelijksgoed geheel ten laste van de vader.
Art. 1544. Si les père et mère constituent conjointement une dot, sans distinguer la part de chacun, elle sera censée constituée par portions égales.
Si la dot est constituée par le père seul pour droits paternels et maternels, la mère, quoique présente au contrat, ne sera point engagée, et la dot demeurera en entier à la charge du père.
Si la dot est constituée par le père seul pour droits paternels et maternels, la mère, quoique présente au contrat, ne sera point engagée, et la dot demeurera en entier à la charge du père.
Art. 1545. Wanneer de langstlevende der ouders huwelijksgoed geeft van vaders- en moederswege, zonder ieders aandeel te bepalen, wordt het huwelijksgoed eerst genomen uit de rechten van de aanstaande echtgenoot op de goederen van de vooroverleden vader of moeder, en, voor het overige, uit de goederen van degene die het huwelijksgoed geeft.
Art. 1545. Si le survivant des père et mère constitue une dot pour biens paternels et maternels, sans spécifier les portions, la dot se prendra d'abord sur les droits du futur époux dans les biens du conjoint prédécédé, et le surplus sur les biens du constituant.
Art. 1546. Wanneer ouders huwelijksgoed geven aan een dochter die eigen goederen bezit, waarvan zij het genot hebben, wordt niettemin het huwelijksgoed genomen uit de goederen van de ouders die het geven, tenzij anders bedongen is.
Art. 1546. Quoique la fille dotée par ses père et mère ait des biens à elle propres dont ils jouissent, la dot sera prise sur les biens des constituants, s'il n'y a stipulation contraire.
Art. 1547. Zij die huwelijksgoed verstrekken, zijn gehouden tot vrijwaring van de verstrekte goederen.
Art. 1547. Ceux qui constituent une dot, sont tenus à la garantie des objets constitués.
Art. 1548. De interest van het huwelijksgoed loopt van rechtswege van de dag van het huwelijk tegen degenen die het beloofd hebben, zelfs indien voor de uitkering een tijd bepaald is, tenzij anders bedongen is.
Art. 1548. Les intérêts de la dot courent de plein droit, du jour du mariage, contre ceux qui l'ont promise, encore qu'il y ait terme pour le payement, s'il n'y a stipulation contraire.
AFDELING II. - RECHTEN VAN DE MAN BETREFFENDE DE DOTALE GOEDEREN, EN ONVERVREEMDBAARHEID VAN HET DOTALE ERF.
SECTION II. - DES DROITS DU MARI SUR LES BIENS DOTAUX, ET DE L'INALIENABILITE DU FONDS DOTAL.
Art. 1549. De man alleen heeft het beheer van de dotale goederen gedurende het huwelijk.
Hij alleen heeft het recht om de schuldenaars en de houders van die goederen te vervolgen, de vruchten en de interesten ervan te innen en terugbetaling van de kapitalen te ontvangen.
Nochtans kan bij huwelijkscontract worden overeengekomen dat de vrouw jaarlijks een gedeelte van haar inkomsten tegen haar persoonlijke kwijting zal ontvangen voor haar onderhoud en haar persoonlijke behoeften.
Hij alleen heeft het recht om de schuldenaars en de houders van die goederen te vervolgen, de vruchten en de interesten ervan te innen en terugbetaling van de kapitalen te ontvangen.
Nochtans kan bij huwelijkscontract worden overeengekomen dat de vrouw jaarlijks een gedeelte van haar inkomsten tegen haar persoonlijke kwijting zal ontvangen voor haar onderhoud en haar persoonlijke behoeften.
Art. 1549. Le mari seul a l'administration des biens dotaux pendant le mariage.
Il a seul le droit d'en poursuivre les débiteurs et détenteurs, d'en percevoir les fruits et les intérêts, et de recevoir le remboursement des capitaux.
Cependant il peut être convenu, par le contrat de mariage, que la femme touchera annuellement, sur ses seules quittances, une partie de ses revenus pour son entretien et ses besoins personnels.
Il a seul le droit d'en poursuivre les débiteurs et détenteurs, d'en percevoir les fruits et les intérêts, et de recevoir le remboursement des capitaux.
Cependant il peut être convenu, par le contrat de mariage, que la femme touchera annuellement, sur ses seules quittances, une partie de ses revenus pour son entretien et ses besoins personnels.
Art. 1550. De man is niet verplicht borg te stellen voor het ontvangen huwelijksgoed, tenzij het huwelijkscontract hem die verplichting heeft opgelegd.
Art. 1550. Le mari n'est pas tenu de fournir caution pour la réception de la dot, s'il n'y a pas été assujetti par le contrat de mariage.
Art. 1551. Indien het huwelijksgoed geheel of ten dele bestaat in roerende goederen die bij het huwelijkscontract zijn geschat, zonder de verklaring dat de schatting geen verkoop uitmaakt, wordt de man eigenaar ervan en is hij slechts de prijs verschuldigd waarop de roerende goederen zijn gewaardeerd.
Art. 1551. Si la dot ou partie de la dot consiste en objets mobiliers mis à prix par le contrat, sans déclaration que l'estimation n'en fait pas vente, le mari en devient propriétaire et n'est débiteur que du prix donné au mobilier.
Art. 1552. De schatting van een onroerend goed, als huwelijksgoed aangebracht, draagt de eigendom daarvan niet over aan de man, tenzij zulks uitdrukkelijk verklaard wordt.
Art. 1552. L'estimation donnée à l'immeuble constitue en dot n'en transporte point la propriété au mari, s'il n'y en a déclaration expresse.
Art. 1553. Een onroerend goed dat met dotaal geld verkregen wordt, is niet dotaal, tenzij de verplichting om te beleggen bij het huwelijkscontract bedongen is.
Hetzelfde geldt omtrent een onroerend goed dat in betaling gegeven wordt voor in geld bepaald huwelijksgoed.
Hetzelfde geldt omtrent een onroerend goed dat in betaling gegeven wordt voor in geld bepaald huwelijksgoed.
Art. 1553. L'immeuble acquis des deniers dotaux n'est pas dotal si la condition de l'emploi n'a été stipulée par le contrat de mariage.
Il en est de même de l'immeuble donné en payement de la dot constituée en argent.
Il en est de même de l'immeuble donné en payement de la dot constituée en argent.
Art. 1554. Onroerende goederen die als huwelijksgoed zijn aangebracht, mogen gedurende het huwelijk noch door de man, noch door de vrouw, noch door beiden gezamenlijk, vervreemd of met hypotheek bezwaard worden; behoudens de hierna gestelde uitzonderingen.
Art. 1554. Les immeubles constitués en dot ne peuvent être aliénés ou hypothéqués pendant le mariage, ni par le mari, ni par la femme, ni par les deux conjointement : sauf les exceptions qui suivent.
Art. 1555. De vrouw mag, met toestemming van haar man of, in geval van weigering van haar man, met verlof van de rechter, haar dotale goederen schenken om een stand te verschaffen aan kinderen die zij uit een vroeger huwelijk heeft; maar indien zij slechts gemachtigd is door de rechter, moet zij het genot aan haar man voorbehouden.
Art. 1555. La femme peut, avec l'autorisation de son mari, ou, sur son refus, avec permission de justice, donner ses biens dotaux pour l'établissement des enfants qu'elle aurait d'un mariage antérieur; mais, si elle n'est autorisée que par justice, elle doit réserver la jouissance à son mari.
Art. 1556. Zij mag ook, met toestemming van haar man, haar dotale goederen schenken om aan hun gemeenschappelijke kinderen een stand te verschaffen.
Art. 1556. Elle peut aussi, avec l'autorisation de son mari, donner ses biens dotaux pour l'établissement de leurs enfants communs.
Art. 1557. Een dotaal onroerend goed mag vervreemd worden, wanneer de vervreemding ervan door het huwelijkscontract is toegelaten.
Art. 1557. L'immeuble dotal peut être aliéné lorsque l'aliénation en a été permise par le contrat de mariage.
Art. 1558. Een dotaal onroerend goed mag eveneens, met verlof van de rechter, en bij opbod, na drie aanplakkingen, vervreemd worden :
Om ontslag van de man of de vrouw uit de gevangenis te bekomen;
Om aan de familie levensonderhoud te verschaffen in de gevallen bepaald bij de artikelen 203, 205 en 206 in de titel Het huwelijk;
Om schulden te betalen van de vrouw of van degenen die het huwelijksgoed gegeven hebben, indien die schulden voor het huwelijkscontract een vaste dagtekening hadden verkregen;
Om grove herstellingen te doen, die voor het behoud van het dotale onroerend goed onmisbaar zijn;
Ten slotte, wanneer dit onroerend goed zich in onverdeeldheid met derden bevindt, en als onverdeelbaar erkend is.
In al die gevallen zal het gedeelte van de verkoopprijs dat de erkende behoeften overschrijdt, dotaal blijven, en als zodanig ten voordele van de vrouw belegd worden.
Om ontslag van de man of de vrouw uit de gevangenis te bekomen;
Om aan de familie levensonderhoud te verschaffen in de gevallen bepaald bij de artikelen 203, 205 en 206 in de titel Het huwelijk;
Om schulden te betalen van de vrouw of van degenen die het huwelijksgoed gegeven hebben, indien die schulden voor het huwelijkscontract een vaste dagtekening hadden verkregen;
Om grove herstellingen te doen, die voor het behoud van het dotale onroerend goed onmisbaar zijn;
Ten slotte, wanneer dit onroerend goed zich in onverdeeldheid met derden bevindt, en als onverdeelbaar erkend is.
In al die gevallen zal het gedeelte van de verkoopprijs dat de erkende behoeften overschrijdt, dotaal blijven, en als zodanig ten voordele van de vrouw belegd worden.
Art. 1558. L'immeuble dotal peut encore être aliéné avec permission de justice, et aux enchères, après trois affiches.
Pour tirer de prison le mari ou la femme;
Pour fournir des aliments à la famille dans les cas prévus par les articles 203, 205 et 206, au titre du Mariage;
Pour payer les dettes de la femme ou de ceux qui ont constitué la dot, lorsque ces dettes ont une date certaine antérieure au contrat de mariage;
Pour faire de grosses réparations indispensables pour la conservation de l'immeuble dotal;
Enfin lorsque cet immeuble se trouve indivis avec des tiers, et qu'il est reconnu impartageable.
Dans tous ces cas, l'excédent du prix de la vente au-dessus des besoins reconnus restera dotal, et il en sera fait emploi comme tel au profit de la femme.
Pour tirer de prison le mari ou la femme;
Pour fournir des aliments à la famille dans les cas prévus par les articles 203, 205 et 206, au titre du Mariage;
Pour payer les dettes de la femme ou de ceux qui ont constitué la dot, lorsque ces dettes ont une date certaine antérieure au contrat de mariage;
Pour faire de grosses réparations indispensables pour la conservation de l'immeuble dotal;
Enfin lorsque cet immeuble se trouve indivis avec des tiers, et qu'il est reconnu impartageable.
Dans tous ces cas, l'excédent du prix de la vente au-dessus des besoins reconnus restera dotal, et il en sera fait emploi comme tel au profit de la femme.
Art. 1559. Een dotaal onroerend goed mag, doch alleen met toestemming van de vrouw, geruild worden voor een ander onroerend goed dat ten minste voor vier vijfden in waarde gelijk is, mits het nut van de ruil bewezen is, machtiging van de rechter bekomen wordt, en de ruil geschiedt volgens een schatting door deskundigen, die door de rechtbank ambtshalve benoemd worden.
In dat geval is het in ruil ontvangen onroerend goed dotaal; de vergoeding van de overwaarde, indien er een is, is eveneens dotaal, en zal als zodanig ten voordele van de vrouw worden belegd.
In dat geval is het in ruil ontvangen onroerend goed dotaal; de vergoeding van de overwaarde, indien er een is, is eveneens dotaal, en zal als zodanig ten voordele van de vrouw worden belegd.
Art. 1559. L'immeuble dotal peut être échangé, mais avec le consentement de la femme, contre un autre immeuble de même valeur, pour les quatre cinquième au moins, en justifiant de l'utilité de l'échange, en obtenant l'autorisation en justice, et d'après une estimation par experts nommés d'office par le tribunal.
Dans ce cas, l'immeuble reçu en échange sera dotal; l'excédent du prix, s'il y en a, le sera aussi, et il en sera fait emploi comme tel au profit de la femme.
Dans ce cas, l'immeuble reçu en échange sera dotal; l'excédent du prix, s'il y en a, le sera aussi, et il en sera fait emploi comme tel au profit de la femme.
Art. 1560. Indien, buiten de hiervoren bepaalde uitzonderingsgevallen, de vrouw of de man, of beiden gezamenlijk, het dotale erf vervreemden, kan de vrouw of kunnen haar erfgenamen de vervreemding doen vernietigen na de ontbinding van het huwelijk, zonder dat men zich tegen hen kan beroepen op enige verjaring tijdens de duur van het huwelijk; de vrouw heeft hetzelfde recht na scheiding van goederen.
De man zelf kan de vervreemding doen vernietigen gedurende het huwelijk, maar hij is tot schadevergoeding jegens de koper gehouden, indien hij in het contract niet heeft verklaard dat het verkochte goed dotaal was.
De man zelf kan de vervreemding doen vernietigen gedurende het huwelijk, maar hij is tot schadevergoeding jegens de koper gehouden, indien hij in het contract niet heeft verklaard dat het verkochte goed dotaal was.
Art. 1560. Si, hors les cas d'exception qui viennent d'être expliqués, la femme ou le mari, ou tous les deux conjointement, aliènent le fonds dotal, la femme ou ses héritiers pourront faire révoquer l'aliénation après la dissolution du mariage, sans qu'on ne puisse leur opposer aucune prescription pendant sa durée; la femme aura le même droit après la séparation de biens.
Le mari lui-même pourra faire révoquer l'aliénation pendant le mariage, en demeurant néanmoins sujet aux dommages et intérêts de l'acheteur, s'il n'a pas déclaré dans le contrat que le bien vendu était dotal.
Le mari lui-même pourra faire révoquer l'aliénation pendant le mariage, en demeurant néanmoins sujet aux dommages et intérêts de l'acheteur, s'il n'a pas déclaré dans le contrat que le bien vendu était dotal.
Art. 1561. De dotale onroerende goederen waaromtrent in het huwelijkscontract niet verklaard is dat zij vervreemdbaar zijn, zijn gedurende het huwelijk niet voor verjaring vatbaar, tenzij de verjaring reeds eerder begonnen was.
Zij worden echter voor verjaring vatbaar na scheiding van goederen, onverschillig op welk tijdstip de verjaring begonnen is.
Zij worden echter voor verjaring vatbaar na scheiding van goederen, onverschillig op welk tijdstip de verjaring begonnen is.
Art. 1561. Les immeubles dotaux non déclarés aliénables par le contrat de mariage, sont imprescriptibles pendant le mariage, à moins que la prescription n'ait commencé auparavant.
Ils deviennent néanmoins prescriptibles après la séparation de biens, quelle que soit l'époque à laquelle la prescription a commencé.
Ils deviennent néanmoins prescriptibles après la séparation de biens, quelle que soit l'époque à laquelle la prescription a commencé.
Art. 1562. De man is, met betrekking tot de dotale goederen, gehouden tot alle verplichtingen van een vruchtgebruiker.
Hij is aansprakelijk voor elke verjaring die verkregen is en voor elke beschadiging die ontstaan is door zijn nalatigheid.
Hij is aansprakelijk voor elke verjaring die verkregen is en voor elke beschadiging die ontstaan is door zijn nalatigheid.
Art. 1562. Le mari est tenu, à l'égard des biens dotaux, de toutes les obligations de l'usufruitier.
Il est responsable de toutes prescriptions acquises et détériorations survenues par sa négligence.
Il est responsable de toutes prescriptions acquises et détériorations survenues par sa négligence.
Art. 1563. Indien het huwelijksgoed in gevaar is gebracht, kan de vrouw scheiding van goederen vorderen, gelijk bepaald is in de artikelen 1443 en volgende.
Art. 1563. Si la dot est mise en péril, la femme peut poursuivre la séparation de biens, ainsi qu'il est dit aux articles 1443 et suivants.
AFDELING III. - TERUGGAVE VAN HET HUWELIJKSGOED.
SECTION III. - DE LA RESTITUTION DE LA DOT.
Art. 1564. Indien het huwelijksgoed bestaat in onroerende goederen,
Of in roerende goederen die in het huwelijkscontract niet zijn geschat, ofwel zijn geschat met de verklaring dat de schatting de eigendom ervan aan de vrouw niet ontneemt,
Kan de man of kunnen zijn erfgenamen genoodzaakt worden het huwelijksgoed terstond na de ontbinding van het huwelijk terug te geven.
Of in roerende goederen die in het huwelijkscontract niet zijn geschat, ofwel zijn geschat met de verklaring dat de schatting de eigendom ervan aan de vrouw niet ontneemt,
Kan de man of kunnen zijn erfgenamen genoodzaakt worden het huwelijksgoed terstond na de ontbinding van het huwelijk terug te geven.
Art. 1564. Si la dot consiste en immeubles,
Ou en meubles non estimés par le contrat de mariage, ou bien mis à prix, avec déclaration que l'estimation n'en ôte pas la propriété à la femme,
Le mari ou ses héritiers peuvent être contraints de la restituer sans délai, après la dissolution du mariage.
Ou en meubles non estimés par le contrat de mariage, ou bien mis à prix, avec déclaration que l'estimation n'en ôte pas la propriété à la femme,
Le mari ou ses héritiers peuvent être contraints de la restituer sans délai, après la dissolution du mariage.
Art. 1565. Indien het huwelijksgoed bestaat in een geldsom,
Of in roerende goederen die in het contract zijn geschat zonder de verklaring dat de schatting de man niet tot eigenaar ervan maakt,
Kan de teruggave ervan eerst een jaar na de ontbinding geëist worden.
Of in roerende goederen die in het contract zijn geschat zonder de verklaring dat de schatting de man niet tot eigenaar ervan maakt,
Kan de teruggave ervan eerst een jaar na de ontbinding geëist worden.
Art. 1565. Si elle consiste en une somme d'argent,
Ou en meubles mis à prix par le contrat, sans déclaration que l'estimation n'en rend pas le mari propriétaire,
La restitution n'en peut être exigée qu'un an après la dissolution.
Ou en meubles mis à prix par le contrat, sans déclaration que l'estimation n'en rend pas le mari propriétaire,
La restitution n'en peut être exigée qu'un an après la dissolution.
Art. 1566. Indien de roerende goederen waarvan de vrouw de eigendom behoudt, door het gebruik en buiten de schuld van de man vervallen zijn, is hij slechts gehouden tot teruggave van de roerende goederen die overblijven, en zulks in de staat waarin deze zich bevinden.
Niettemin mag de vrouw, in ieder geval, het linnen en de kleren die op dat ogenblik tot haar gebruik dienen, terugnemen, met dien verstande dat de waarde in rekening gebracht wordt, indien het linnen en de kleren oorspronkelijk met schatting zijn aangebracht.
Niettemin mag de vrouw, in ieder geval, het linnen en de kleren die op dat ogenblik tot haar gebruik dienen, terugnemen, met dien verstande dat de waarde in rekening gebracht wordt, indien het linnen en de kleren oorspronkelijk met schatting zijn aangebracht.
Art. 1566. Si les meubles dont la propriété reste à la femme ont dépéri par l'usage et sans la faute du mari, il ne sera tenu de rendre que ceux qui resteront, et dans l'état où ils se trouveront.
Et néanmoins, la femme pourra, dans tous les cas, retirer les linges et hardes à son usage actuel, sauf à précompter leur valeur, lorsque ces linges et hardes auront été primitivement constitués avec estimation.
Et néanmoins, la femme pourra, dans tous les cas, retirer les linges et hardes à son usage actuel, sauf à précompter leur valeur, lorsque ces linges et hardes auront été primitivement constitués avec estimation.
Art. 1567. Indien het huwelijksgoed schuldvorderingen of gevestigde renten bevat, die zijn teniet gegaan of verminderd zonder dat zulks aan de nalatigheid van de man kan worden toegeschreven, is hij daarvoor niet aansprakelijk, en kan hij volstaan met de contracten terug te geven.
Art. 1567. Si la dot comprend des obligations ou constitutions de rente qui ont péri, ou souffert des retranchements qu'on ne puisse imputer à la négligence du mari, il n'en sera point tenu, et il en sera quitte en restituant les contrats.
Art. 1568. Indien een vruchtgebruik als huwelijksgoed is aangebracht, is de man of zijn diens erfgenamen, bij de ontbinding van het huwelijk, enkel verplicht tot teruggave van het recht van vruchtgebruik en niet van de gedurende het huwelijk vervallen vruchten.
Art. 1568. Si un usufruit a été constitué en dot, le mari ou ses héritiers ne sont obligés, à la dissolution du mariage, que de restituer le droit d'usufruit, et non les fruits échus durant le mariage.
Art. 1569. Indien het huwelijk tien jaren geduurd heeft sinds de tijd die voor de uitkering van het huwelijksgoed bepaald was, kan de vrouw of kunnen haar erfgenamen het huwelijksgoed, na de ontbinding van het huwelijk, van de man terugvorderen, zonder te moeten bewijzen dat hij het ontvangen heeft, tenzij hij mocht doen blijken dat hij vruchteloos pogingen heeft aangewend om de uitkering ervan te bekomen.
Art. 1569. Si le mariage a duré dix ans depuis l'échéance des termes pris pour le payement de la dot, la femme ou ses héritiers pourront la répéter contre le mari après la dissolution du mariage, sans être tenus de prouver qu'il l'a reçue, à moins qu'il ne justifiât de diligences inutilement par lui faites pour s'en procurer le payement.
Art. 1570. Indien het huwelijk door de dood van de vrouw ontbonden wordt, lopen de interesten en de vruchten van het terug te geven huwelijksgoed van rechtswege ten voordele van haar erfgenamen, te rekenen van de dag van de ontbinding.
Indien het huwelijk door de dood van de man ontbonden wordt, heeft de vrouw de keus om de interesten van haar huwelijksgoed gedurende het rouwjaar te vorderen, of zich gedurende die tijd levensmiddelen te verschaffen op kosten van de nalatenschap van de man; maar in beide gevallen moeten haar gedurende dat jaar huisvesting en rouwkleren verstrekt worden uit de nalatenschap en zonder dat zulks op de haar verschuldigde interesten wordt toegerekend.
Indien het huwelijk door de dood van de man ontbonden wordt, heeft de vrouw de keus om de interesten van haar huwelijksgoed gedurende het rouwjaar te vorderen, of zich gedurende die tijd levensmiddelen te verschaffen op kosten van de nalatenschap van de man; maar in beide gevallen moeten haar gedurende dat jaar huisvesting en rouwkleren verstrekt worden uit de nalatenschap en zonder dat zulks op de haar verschuldigde interesten wordt toegerekend.
Art. 1570. Si le mariage est dissous par la mort de la femme, l'intérêt et les fruits de la dot à restituer courent de plein droit au profit de ses héritiers depuis le jour de la dissolution.
Si c'est par la mort du mari, la femme a le choix d'exiger les intérêts de sa dot pendant l'an du deuil, ou de se faire fournir des aliments pendant le dit temps aux dépens de la succession du mari; mais, dans ces deux cas, l'habitation durant cette année, et les habits de deuil, doivent lui être fournis sur la succession, et sans imputation sur les intérêts à elle dus.
Si c'est par la mort du mari, la femme a le choix d'exiger les intérêts de sa dot pendant l'an du deuil, ou de se faire fournir des aliments pendant le dit temps aux dépens de la succession du mari; mais, dans ces deux cas, l'habitation durant cette année, et les habits de deuil, doivent lui être fournis sur la succession, et sans imputation sur les intérêts à elle dus.
Art. 1571. Bij de ontbinding van het huwelijk worden de vruchten van de dotale onroerende goederen tussen de man en de vrouw of hun erfgenamen verdeeld, naar evenredigheid van de tijd dat het huwelijk, in het laatste jaar, geduurd heeft.
Het jaar wordt gerekend van de dag waarop het huwelijk werd voltrokken.
Het jaar wordt gerekend van de dag waarop het huwelijk werd voltrokken.
Art. 1571. A la dissolution du mariage, les fruits des immeubles dotaux se partagent entre le mari et la femme ou leurs héritiers, à proportion du temps qu'il a duré, pendant la dernière année.
L'année commence à partir du jour où le mariage a été célébré.
L'année commence à partir du jour où le mariage a été célébré.
Art. 1572. De vrouw en haar erfgenamen hebben voor de terugvordering van het huwelijksgoed geen voorrecht boven de schuldeisers wier hypotheek aan de hare voorafgaat.
Art. 1572. La femme et ses héritiers n'ont point de privilège pour la répétition de la dot sur les créanciers antérieurs à elle en hypothèque.
Art. 1573. Indien de man reeds onvermogend was en geen bedrijf of beroep had toen de vader huwelijksgoed aan zijn dochter gaf, heeft deze laatste geen andere verplichting dan in de nalatenschap van haar vader inbreng te doen van de rechtsvordering tot teruggave van het huwelijksgoed, die zij bezit tegen de nalatenschap van haar man.
Indien echter de man eerst na het huwelijk onvermogend is geworden,
Of indien hij een bedrijf of een beroep had dat voor hem het bezit van goederen verving,
Treft het verlies van het huwelijksgoed alleen de vrouw.
Indien echter de man eerst na het huwelijk onvermogend is geworden,
Of indien hij een bedrijf of een beroep had dat voor hem het bezit van goederen verving,
Treft het verlies van het huwelijksgoed alleen de vrouw.
Art. 1573. Si le mari était déjà insolvable, et n'avait ni art ni profession lorsque le père a constitué une dot à sa fille, celle-ci ne sera tenue de rapporter à la succession du père que l'action qu'elle a contre celle de son mari, pour s'en faire rembourser.
Mais si le mari n'est devenu insolvable que depuis le mariage,
Ou s'il avait un métier ou une profession qui lui tenait lieu de bien,
La perte de la dot tombe uniquement sur la femme.
Mais si le mari n'est devenu insolvable que depuis le mariage,
Ou s'il avait un métier ou une profession qui lui tenait lieu de bien,
La perte de la dot tombe uniquement sur la femme.
AFDELING IV. - PARAFERNALE GOEDEREN.
SECTION IV. - DES BIENS PARAPHERNAUX.
Art. 1574. Alle goederen van de vrouw die niet als huwelijksgoed zijn aangebracht, zijn parafernaal.
Art. 1574. Tous les biens de la femme qui n'ont pas été constitués en dot sont paraphernaux.
Art. 1575. Indien alle goederen van de vrouw parafernaal zijn, en indien het contract geen bepaling bevat waarbij haar een aandeel in de lasten van het huwelijk wordt opgelegd, draagt de vrouw in die lasten bij ten belope van een derde van haar inkomsten.
Art. 1575. Si tous les biens de la femme sont paraphernaux, et s'il n'y a pas de convention dans le contrat pour lui faire supporter une portion des charges du mariage, la femme y contribue jusqu'à concurrence du tiers de ses revenus.
Art. 1576. De vrouw heeft het beheer en het genot van haar parafernale goederen.
Zij kan die echter niet vervreemden, en evenmin kan zij met betrekking tot die goederen in rechte optreden zonder machtiging van haar man, of in geval van weigering van haar man, zonder verlof van de rechter.
Zij kan die echter niet vervreemden, en evenmin kan zij met betrekking tot die goederen in rechte optreden zonder machtiging van haar man, of in geval van weigering van haar man, zonder verlof van de rechter.
Art. 1576. La femme a l'administration et la jouissance de ses biens paraphernaux.
Mais elle ne peut les aliéner ni paraître en jugement à raison des dits biens, sans l'autorisation du mari, ou, à son refus, sans la permission de la justice.
Mais elle ne peut les aliéner ni paraître en jugement à raison des dits biens, sans l'autorisation du mari, ou, à son refus, sans la permission de la justice.
Art. 1577. Indien de vrouw aan haar man last geeft om haar parafernale goederen te beheren, onder verplichting om aan haar rekening te doen van de vruchten, is hij jegens haar gehouden als ieder lasthebber.
Art. 1577. Si la femme donne sa procuration au mari pour administrer ses biens paraphernaux, avec charge de lui rendre compte des fruits, il sera tenu vis-à-vis d'elle comme tout mandataire.
Art. 1578. Indien de man het genot van de parafernale goederen van zijn vrouw heeft gehad, zonder lastgeving, maar ook zonder verzet harerzijds, is hij, bij de ontbinding van het huwelijk, of op het eerste verzoek van de vrouw, slechts gehouden tot het opleveren van de aanwezige vruchten, en hij is geen verantwoording schuldig van de vruchten die tot dan toe zijn verbruikt.
Art. 1578. Si le mari a joui des biens paraphernaux de sa femme, sans mandat, et néanmoins sans opposition de sa part, il n'est tenu, à la dissolution du mariage, ou à la première demande de la femme, qu'à la représentation des fruits existants, et il n'est point comptable de ceux qui ont été consommés jusqu'alors.
Art. 1579. Indien de man het genot van de parafernale goederen heeft gehad, ondanks het gebleken verzet van de vrouw, is hij haar verantwoording schuldig zowel van alle aanwezige als verbruikte vruchten.
Art. 1579. Si le mari a joui des biens paraphernaux malgré l'opposition constatée de la femme, il est comptable envers elle de tous les fruits tant existants que consommés.
Art. 1580. De man die het genot van de parafernale goederen heeft, is gehouden tot alle verplichtingen van een vruchtgebruiker.
Art. 1580. Le mari qui jouit des biens paraphernaux, est tenu de toutes les obligations de l'usufruitier.
BIJZONDERE BEPALING.
DISPOSITION PARTICULIERE.
Art. 1581. De echtgenoten die zich aan het dotaal stelsel onderwerpen, mogen niettemin een gemeenschap van aanwinsten bedingen, en de gevolgen van die gemeenschap worden geregeld zoals bepaald is in de artikelen 1498 en 1499.
Art. 1581. En se soumettant au régime dotal, les époux peuvent néanmoins stipuler une société d'acquêts, et les effets de cette société sont réglés comme il est dit aux articles 1498 et 1499.