Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
21 MAART 1804. - [OUD] BURGERLIJK WETBOEK. - BOEK III : Wijze van eigendomsverkrijging. - TITEL III tot V (art. 1101 - 1581) (Opschrift gewijzigd door W2019-04-13/28, art. 2, 045; Inwerkingtreding : 01-11-2020) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-07-1994 en tekstbijwerking tot 07-01-2026)
Titre
21 MARS 1804. - [ANCIEN] CODE CIVIL. - LIVRE III : Manières dont on acquiert la propriété. - TITRE III à V (art. 1101-1581) (Intitulé modifié par L2019-04-13/28, art. 2, 045; En vigueur : 01-11-2020) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 15-07-1994 et mise à jour au 07-01-2026)
Documentinformatie
Numac: 1804032153
Datum: 1804-03-21
Info du document
Numac: 1804032153
Date: 1804-03-21
Inhoud
TITEL III. - CONTRACTEN OF VERBINTENISSEN UIT O...
HOOFDSTUK I. - VOORAFGAANDE BEPALINGEN.
HOOFDSTUK II.
AFDELING I.
AFDELING II.
AFDELING III.
AFDELING IV.
HOOFDSTUK III.
AFDELING I.
AFDELING II.
AFDELING III.
AFDELING IV.
AFDELING V.
AFDELING VI.
HOOFDSTUK IV.
AFDELING I.
§ 1.
§ II.
§ III.
AFDELING II.
AFDELING III.
AFDELING IV.
§ 1.
§ II.
AFDELING V.
§ I.
§ II.
AFDELING VI.
HOOFDSTUK V.
AFDELING I.
§ I.
§ II.
§ III.
§ IV.
§ V.
AFDELING II.
AFDELING III.
AFDELING IV.
AFDELING V.
AFDELING VI.
AFDELING VII.
HOOFDSTUK VI. - BEWIJS VAN DE VERBINTENISSEN EN...
AFDELING I. - SCHRIFTELIJK BEWIJS.
§ I. DE AUTHENTIEKE TITEL.
§ II.
§ III.
§ IV.
§ V. AKTEN VAN ERKENNING EN VAN BEVESTIGING.
AFDELING II.
AFDELING II/1.
AFDELING III.
§ 1.
§ II.
AFDELING IV.
AFDELING V.
§ I.
§ II.
TITEL IV. - VERBINTENISSEN BUITEN OVEREENKOMST.
HOOFDSTUK I.
HOOFDSTUK II. - MISDRIJVEN EN ONEIGENLIJKE MISD...
TITEL IVbis. - VERGOEDING VAN DE SCHADE DOOR AB...
TITEL V.
HOOFDSTUK I.
HOOFDSTUK II.
AFDELING I.
§ 1.
§ 2.
§ 3.
§ 4.
AFDELING II.
AFDELING III.
AFDELING IV.
GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALING VOOR HET BESTUUR VA...
AFDELING V.
§ 1.
§ 2.
§ 3.
§ 4.
§ 5.
§ 6.
HOOFDSTUK III.
§ 1.
§ 2.
§ 3.
§ 4.
HOOFDSTUK IV.
AFDELING I.
AFDELING II.
AFDELING III.
TITEL Vbis. - (ingevoegd bij ) Wettelijke samen...
OVERGANGSRECHT.
Inhoud
TITRE III. - DES CONTRATS OU DES OBLIGATIONS CO...
CHAPITRE I. - DISPOSITIONS PRELIMINAIRES.
CHAPITRE II.
SECTION 1.
SECTION II.
SECTION III.
SECTION IV.
CHAPITRE III.
SECTION I.
SECTION II.
SECTION III.
SECTION IV.
SECTION V.
SECTION VI.
CHAPITRE IV.
SECTION I.
§ 1.
§ 2.
§ 3.
SECTION II.
SECTION III.
SECTION IV.
§ 1.
§ 2.
SECTION V.
§ 1.
§ 2.
SECTION VI.
CHAPITRE V.
SECTION I.
§ 1.
§ 2.
§ 3.
§ 4.
§ 5.
SECTION II.
SECTION III.
SECTION IV.
SECTION V.
SECTION VI.
SECTION VII.
CHAPITRE VI. - DE LA PREUVE DES OBLIGATIONS, ET...
SECTION I. - DE LA PREUVE LITTERALE.
§ 1. DU TITRE AUTHENTIQUE.
§ 2.
§ 3.
§ 4.
§ 5. DES ACTES RECOGNITIFS ET CONFIRMATIFS.
SECTION II.
SECTION 2/1.
SECTION III.
§ 1.
§ 2.
SECTION IV.
SECTION V.
§ 1.
§ 2.
TITRE IV. - DES ENGAGEMENTS QUI SE FORMENT SANS...
CHAPITRE I.
CHAPITRE II. - DES DELITS ET DES QUASI-DELITS.
TITRE IVbis. - DE LA REPARATION DU DOMMAGE CAUS...
TITRE V.
CHAPITRE I.
CHAPITRE II.
SECTION I.
§ 1.
§ 2.
§ 3.
§ 4.
SECTION II.
SECTION III.
SECTION IV.
DISPOSITION COMMUNE A LA GESTION DES PATRIMOINE...
SECTION V.
§ 1.
§ 2.
§ 3.
§ 4.
§ 5.
§ 6.
CHAPITRE III.
§ 1.
§ 2.
§ 3.
§ 4.
CHAPITRE IV.
SECTION I.
SECTION II.
SECTION III.
TITRE Vbis. - [inséré par ] De la cohabitation ...
DROIT TRANSITOIRE.
Tekst (599)
Texte (599)
TITEL III. - CONTRACTEN OF VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST IN HET ALGEMEEN.
TITRE III. - DES CONTRATS OU DES OBLIGATIONS CONVENTIONNELLES EN GENERAL.
HOOFDSTUK I. - VOORAFGAANDE BEPALINGEN.
CHAPITRE I. - DISPOSITIONS PRELIMINAIRES.
HOOFDSTUK II.
CHAPITRE II.
AFDELING I.
SECTION 1.
AFDELING II.
SECTION II.
AFDELING III.
SECTION III.
AFDELING IV.
SECTION IV.
HOOFDSTUK III.
CHAPITRE III.
AFDELING I.
SECTION I.
AFDELING II.
SECTION II.
AFDELING III.
SECTION III.
AFDELING IV.
SECTION IV.
Art. 1152. (Opgeheven) <W 1998-11-23/36, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 23-01-1999>
Art. 1152. [Abrogé] <L 1998-11-23/36, art. 5, 005; En vigueur : 23-01-1999>
AFDELING V.
SECTION V.
AFDELING VI.
SECTION VI.
HOOFDSTUK IV.
CHAPITRE IV.
AFDELING I.
SECTION I.
§ 1.
§ 1.
§ II.
§ 2.
§ III.
§ 3.
AFDELING II.
SECTION II.
AFDELING III.
SECTION III.
AFDELING IV.
SECTION IV.
§ 1.
§ 1.
§ II.
§ 2.
AFDELING V.
SECTION V.
§ I.
§ 1.
§ II.
§ 2.
AFDELING VI.
SECTION VI.
HOOFDSTUK V.
CHAPITRE V.
AFDELING I.
SECTION I.
§ I.
§ 1.
§ II.
§ 2.
§ III.
§ 3.
§ IV.
§ 4.
§ V.
§ 5.
AFDELING II.
SECTION II.
AFDELING III.
SECTION III.
AFDELING IV.
SECTION IV.
AFDELING V.
SECTION V.
AFDELING VI.
SECTION VI.
AFDELING VII.
SECTION VII.
Art. 1308. (Opgeheven) <W 19-01-1990, art. 35>
Art. 1308. [Abrogé] <L 19-01-1990, art. 35>
HOOFDSTUK VI. - BEWIJS VAN DE VERBINTENISSEN EN BEWIJS VAN DE BETALING.
CHAPITRE VI. - DE LA PREUVE DES OBLIGATIONS, ET DE CELLE DU PAYEMENT.
AFDELING I. - SCHRIFTELIJK BEWIJS.
SECTION I. - DE LA PREUVE LITTERALE.
§ I. DE AUTHENTIEKE TITEL.
§ 1. DU TITRE AUTHENTIQUE.
§ II.
§ 2.
§ III.
§ 3.
§ IV.
§ 4.
§ V. AKTEN VAN ERKENNING EN VAN BEVESTIGING.
§ 5. DES ACTES RECOGNITIFS ET CONFIRMATIFS.
AFDELING II.
SECTION II.
AFDELING II/1.
SECTION 2/1.
AFDELING III.
SECTION III.
§ 1.
§ 1.
§ II.
§ 2.
AFDELING IV.
SECTION IV.
AFDELING V.
SECTION V.
§ I.
§ 1.
§ II.
§ 2.
TITEL IV. - VERBINTENISSEN BUITEN OVEREENKOMST.
TITRE IV. - DES ENGAGEMENTS QUI SE FORMENT SANS CONVENTION.
HOOFDSTUK I.
CHAPITRE I.
HOOFDSTUK II. - MISDRIJVEN EN ONEIGENLIJKE MISDRIJVEN.
CHAPITRE II. - DES DELITS ET DES QUASI-DELITS.
TITEL IVbis. - VERGOEDING VAN DE SCHADE DOOR ABNORMALEN VEROORZAAKT.
TITRE IVbis. - DE LA REPARATION DU DOMMAGE CAUSE PAR LES ANORMAUX.
TITEL V.
TITRE V.
HOOFDSTUK I.
CHAPITRE I.
HOOFDSTUK II.
CHAPITRE II.
AFDELING I.
SECTION I.
§ 1.
§ 1.
§ 2.
§ 2.
§ 3.
§ 3.
§ 4.
§ 4.
AFDELING II.
SECTION II.
AFDELING III.
SECTION III.
AFDELING IV.
SECTION IV.
GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALING VOOR HET BESTUUR VAN DE EIGEN VERMOGENS
DISPOSITION COMMUNE A LA GESTION DES PATRIMOINES PROPRES ET COMMUNS.
AFDELING V.
SECTION V.
§ 1.
§ 1.
§ 2.
§ 2.
§ 3.
§ 3.
§ 4.
§ 4.
§ 5.
§ 5.
§ 6.
§ 6.
HOOFDSTUK III.
CHAPITRE III.
§ 1.
§ 1.
§ 2.
§ 2.
§ 3.
§ 3.
§ 4.
§ 4.
HOOFDSTUK IV.
CHAPITRE IV.
AFDELING I.
SECTION I.
AFDELING II.
SECTION II.
AFDELING III.
SECTION III.
TITEL Vbis. - (ingevoegd bij ) Wettelijke samenwoning.
TITRE Vbis. - [inséré par ] De la cohabitation légale.
Art. 1475. <W 1998-11-23/35, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2000> § 1. Onder "wettelijke samenwoning" wordt verstaan de toestand van samenleven van twee personen die een verklaring hebben afgelegd overeenkomstig artikel 1476.
§ 2. Om een verklaring van wettelijke samenwoning te kunnen afleggen, moeten beide partijen voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° niet verbonden zijn door een huwelijk of door een andere wettelijke samenwoning;
2° bekwaam zijn om contracten aan te gaan overeenkomstig [3 de artikelen 5.40 tot 5.41]3.
[1 De persoon die krachtens artikel 492/1, § 1, derde lid, 10°, uitdrukkelijk onbekwaam werd verklaard om een verklaring van wettelijke samenwoning af te leggen, kan, op zijn verzoek, door de in artikel 628, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vrederechter gemachtigd worden om een verklaring van wettelijke samenwoning af te leggen.
De vrederechter oordeelt over de wilsbekwaamheid van de beschermde persoon.
[2 ...]2]1
§ 2. Om een verklaring van wettelijke samenwoning te kunnen afleggen, moeten beide partijen voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° niet verbonden zijn door een huwelijk of door een andere wettelijke samenwoning;
2° bekwaam zijn om contracten aan te gaan overeenkomstig [3 de artikelen 5.40 tot 5.41]3.
[1 De persoon die krachtens artikel 492/1, § 1, derde lid, 10°, uitdrukkelijk onbekwaam werd verklaard om een verklaring van wettelijke samenwoning af te leggen, kan, op zijn verzoek, door de in artikel 628, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vrederechter gemachtigd worden om een verklaring van wettelijke samenwoning af te leggen.
De vrederechter oordeelt over de wilsbekwaamheid van de beschermde persoon.
[2 ...]2]1
Art. 1475. <L 1998-11-23/35, art. 2, 004; En vigueur : 01-01-2000> § 1er. Par "cohabitation légale", il y a lieu d'entendre la situation de vie commune de deux personnes ayant fait une déclaration au sens de l'article 1476.
§ 2. Pour pouvoir faire une déclaration de cohabitation légale, les deux parties doivent satisfaire aux conditions suivantes :
1° ne pas être liées par un mariage ou par une autre cohabitation légale;
2° être capables de contracter conformément [3 aux articles 5.40 et 5.41]3.
[1 La personne expressément déclarée incapable de faire une déclaration de cohabitation légale en vertu de l'article 492/1, § 1er, alinéa 3, 10°, peut, à sa demande, néanmoins être autorisée par le juge de paix visé à l'article 628, 3°, du Code judiciaire à faire une déclaration de cohabitation légale.
Le juge de paix apprécie la capacité de la personne protégée d'exprimer sa volonté.
[2 ...]2]1
§ 2. Pour pouvoir faire une déclaration de cohabitation légale, les deux parties doivent satisfaire aux conditions suivantes :
1° ne pas être liées par un mariage ou par une autre cohabitation légale;
2° être capables de contracter conformément [3 aux articles 5.40 et 5.41]3.
[1 La personne expressément déclarée incapable de faire une déclaration de cohabitation légale en vertu de l'article 492/1, § 1er, alinéa 3, 10°, peut, à sa demande, néanmoins être autorisée par le juge de paix visé à l'article 628, 3°, du Code judiciaire à faire une déclaration de cohabitation légale.
Le juge de paix apprécie la capacité de la personne protégée d'exprimer sa volonté.
[2 ...]2]1
Art. 1476. <W 1998-11-23/35, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2000> § 1. Een verklaring van wettelijke samenwoning wordt afgelegd door middel van een geschrift dat tegen ontvangstbewijs [5 wordt door de partijen persoonlijk overhandigd]5 aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeenschappelijke woonplaats.
Dat geschrift bevat de volgende gegevens :
1° de datum van de verklaring;
2° de naam, de voornamen, de plaats en de datum van geboorte en de handtekening van beide partijen;
3° de gemeenschappelijke woonplaats;
4° de vermelding van de wil van beide partijen om wettelijk samen te wonen;
5° de vermelding dat beide partijen vooraf kennis hebben genomen van de inhoud van de artikelen 1475 tot 1479;
6° [1 ...]1
De ambtenaar van de burgerlijke stand gaat na of beide partijen voldoen aan de wettelijke voorwaarden inzake de wettelijke samenwoning en maakt in voorkomend geval melding van de verklaring in het bevolkingsregister.
[5 De partijen leggen ieder ander authentiek stuk of bewijs voor dat, in voorkomend geval, wordt gevraagd tot staving dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden, voor zover deze niet beschikbaar zijn in een andere authentieke bron.]5
[5 De wettelijke samenwoning vangt aan op het ogenblik van de melding van de verklaring in het bevolkingsregister.]5
§ 2. De wettelijke samenwoning houdt op [4 wanneer de partijen met elkaar in het huwelijk treden, wanneer een van de partijen overlijdt]4 of wanneer er een einde aan wordt gemaakt overeenkomstig het bepaalde in deze paragraaf.
De wettelijke samenwoning kan worden beëindigd hetzij in onderlinge overeenstemming door de samenwonenden, hetzij eenzijdig door een van de samenwonenden door middel van een schriftelijke verklaring die tegen ontvangstbewijs wordt overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, zoals bepaald in het volgende lid. Dit geschrift bevat de volgende gegevens :
1° de datum van de verklaring;
2° de naam, de voornamen, de plaats en de datum van geboorte van beide partijen en de handtekening van beide partijen of van de partij die de verklaring aflegt;
3° de woonplaats van beide partijen;
4° de vermelding van de wil de wettelijke samenwoning te beëindigen.
[5 De verklaring van de beëindiging in onderlinge overeenstemming wordt door de partijen persoonlijk of via een bijzondere en authentieke volmacht overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van:
1° de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de partijen, of bij gebrek hieraan, van één van hen, of bij gebrek hieraan,
2° de laatste plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de partijen, of bij gebrek hieraan, van één van hen.]5
[5 De eenzijdige verklaring van de beëindiging wordt persoonlijk of via een bijzondere en authentieke volmacht overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van:
1° de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de partijen, of bij gebrek hieraan, van de partij die de verklaring aflegt; of bij gebrek hieraan,
2° de laatste plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de partijen, of bij gebrek hieraan, van één van hen.]5
[5 De ambtenaar van de burgerlijke stand betekent binnen acht dagen de eenzijdige verklaring van de beëindiging bij gerechtsdeur-waardersexploot aan de andere partij. In elk geval moeten de kosten van de betekening en de kennisgeving vooraf worden betaald door hen die de verklaring afleggen.]5
De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt melding van de beëindiging van de wettelijke samenwoning in het bevolkingsregister. [5 De wettelijke samenwoning eindigt op het ogenblik van de melding van de verklaring in het bevolkingsregister.]5
[2 De persoon die krachtens artikel 492/1, § 1, derde lid, 10° , uitdrukkelijk onbekwaam werd verklaard om een verklaring van wettelijke samenwoning af te leggen, kan, op zijn, verzoek, door de in artikel 628, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vrederechter gemachtigd worden om de wettelijke samenwoning te beëindigen.
De vrederechter oordeelt over de wilsbekwaamheid van de beschermde persoon.
[3 ...]3]2
[5 § 3. De Koning kan de voorwaarden bepalen om de verklaring van wettelijke samenwoning en de verklaring van beëindiging van wettelijke samenwoning op elektronische wijze te overhandigen.]5
Dat geschrift bevat de volgende gegevens :
1° de datum van de verklaring;
2° de naam, de voornamen, de plaats en de datum van geboorte en de handtekening van beide partijen;
3° de gemeenschappelijke woonplaats;
4° de vermelding van de wil van beide partijen om wettelijk samen te wonen;
5° de vermelding dat beide partijen vooraf kennis hebben genomen van de inhoud van de artikelen 1475 tot 1479;
6° [1 ...]1
De ambtenaar van de burgerlijke stand gaat na of beide partijen voldoen aan de wettelijke voorwaarden inzake de wettelijke samenwoning en maakt in voorkomend geval melding van de verklaring in het bevolkingsregister.
[5 De partijen leggen ieder ander authentiek stuk of bewijs voor dat, in voorkomend geval, wordt gevraagd tot staving dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden, voor zover deze niet beschikbaar zijn in een andere authentieke bron.]5
[5 De wettelijke samenwoning vangt aan op het ogenblik van de melding van de verklaring in het bevolkingsregister.]5
§ 2. De wettelijke samenwoning houdt op [4 wanneer de partijen met elkaar in het huwelijk treden, wanneer een van de partijen overlijdt]4 of wanneer er een einde aan wordt gemaakt overeenkomstig het bepaalde in deze paragraaf.
De wettelijke samenwoning kan worden beëindigd hetzij in onderlinge overeenstemming door de samenwonenden, hetzij eenzijdig door een van de samenwonenden door middel van een schriftelijke verklaring die tegen ontvangstbewijs wordt overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, zoals bepaald in het volgende lid. Dit geschrift bevat de volgende gegevens :
1° de datum van de verklaring;
2° de naam, de voornamen, de plaats en de datum van geboorte van beide partijen en de handtekening van beide partijen of van de partij die de verklaring aflegt;
3° de woonplaats van beide partijen;
4° de vermelding van de wil de wettelijke samenwoning te beëindigen.
[5 De verklaring van de beëindiging in onderlinge overeenstemming wordt door de partijen persoonlijk of via een bijzondere en authentieke volmacht overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van:
1° de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de partijen, of bij gebrek hieraan, van één van hen, of bij gebrek hieraan,
2° de laatste plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de partijen, of bij gebrek hieraan, van één van hen.]5
[5 De eenzijdige verklaring van de beëindiging wordt persoonlijk of via een bijzondere en authentieke volmacht overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van:
1° de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de partijen, of bij gebrek hieraan, van de partij die de verklaring aflegt; of bij gebrek hieraan,
2° de laatste plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de partijen, of bij gebrek hieraan, van één van hen.]5
[5 De ambtenaar van de burgerlijke stand betekent binnen acht dagen de eenzijdige verklaring van de beëindiging bij gerechtsdeur-waardersexploot aan de andere partij. In elk geval moeten de kosten van de betekening en de kennisgeving vooraf worden betaald door hen die de verklaring afleggen.]5
De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt melding van de beëindiging van de wettelijke samenwoning in het bevolkingsregister. [5 De wettelijke samenwoning eindigt op het ogenblik van de melding van de verklaring in het bevolkingsregister.]5
[2 De persoon die krachtens artikel 492/1, § 1, derde lid, 10° , uitdrukkelijk onbekwaam werd verklaard om een verklaring van wettelijke samenwoning af te leggen, kan, op zijn, verzoek, door de in artikel 628, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vrederechter gemachtigd worden om de wettelijke samenwoning te beëindigen.
De vrederechter oordeelt over de wilsbekwaamheid van de beschermde persoon.
[3 ...]3]2
[5 § 3. De Koning kan de voorwaarden bepalen om de verklaring van wettelijke samenwoning en de verklaring van beëindiging van wettelijke samenwoning op elektronische wijze te overhandigen.]5
Wijzigingen
Art. 1476. <L 1998-11-23/35, art. 2, 004; En vigueur : 01-01-2000> § 1er. Une déclaration de cohabitation légale est faite au moyen d'un écrit [5 remis en personne par les parties]5 contre récépissé à l'officier de l'état civil du domicile commun.
Cet écrit contient les informations suivantes :
1° la date de la déclaration;
2° les noms, prénoms, lieu et date de naissance et signatures des deux parties;
3° le domicile commun;
4° la mention de la volonté des parties de cohabiter légalement;
5° la mention de ce que les deux parties ont pris connaissance préalablement du contenu des articles 1475 à 1479;
6° [1 ...]1
L'officier de l'état civil vérifie si les deux parties satisfont aux conditions légales régissant la cohabitation légale et acte, dans l'affirmative, la déclaration dans le registre de la population.
[5 Les parties présentent toute autre pièce authentique ou preuve qui, le cas échéant, sont demandées afin de justifier qu'il est satisfait aux conditions légales pour autant que celles-ci ne sont pas disponibles dans une autre source authentique.]5
[5 La cohabitation légale débute au moment de la mention de la déclaration dans le registre de la population.]5
§ 2. La cohabitation légale prend fin [4 lorsque les parties se marient, lorsqu'une des parties décède]4 ou lorsqu'il y est mis fin conformément au présent paragraphe.
Il peut être mis fin à la cohabitation légale, soit de commun accord par les cohabitants, soit unilatéralement par l'un des cohabitants au moyen d'une déclaration écrite qui est remise contre récépissé a l'officier de l'état civil conformément aux dispositions de l'alinéa suivant. Cet écrit contient les informations suivantes :
1° la date de la déclaration;
2° les noms, prénoms, lieux et dates de naissance des deux parties et les signatures des deux parties ou de la partie qui fait la déclaration;
3° le domicile des deux parties;
4° la mention de la volonté de mettre fin à la cohabitation légale.
[5 La déclaration de cessation de commun accord est remise en personne ou par procuration spéciale et authentique par les parties à l'officier de l'état civil:
1° du lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente des parties; ou, à défaut, de l'une d'entre elles; ou à défaut,
2° du dernier lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente des parties; ou, à défaut, de l'une d'entre elles.]5
[5 La déclaration unilatérale de cessation est remise en personne ou par procuration spéciale et authentique à l'officier de l'état civil:
1° du lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente des parties; ou, à défaut, de la partie qui fait la déclaration; ou à défaut,
2° du dernier lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente des parties; ou, à défaut, de l'une d'entre elles.]5
[5 L'officier de l'état civil signifie la déclaration unilatérale de cessation à l'autre partie dans les huit jours par exploit d'huissier de justice. En tout état de cause, les frais de la signification et de la notification doivent être payés préalablement par ceux qui font la déclaration.]5
L'officier de l'état civil acte la cessation de la cohabitation légale dans le registre de la population. [5 La cohabitation légale prend fin au moment de la mention de la déclaration dans le registre de la population.]5
[2 La personne expressément déclarée incapable de faire une déclaration de cohabitation légale en vertu de l'article 492/1, § 1er, alinéa 3, 10°, peut, à sa demande, être autorisée par le juge de paix visé à l'article 628, 3°, du Code judiciaire à mettre fin à la cohabitation légale.
Le juge de paix apprécie la capacité de la personne protégée d'exprimer sa volonté.
[3 ...]3]2
[5 § 3. Le Roi peut déterminer les conditions liées à la remise de la déclaration de cohabitation légale et la déclaration de cessation de cohabitation légale par voie électronique.]5
Cet écrit contient les informations suivantes :
1° la date de la déclaration;
2° les noms, prénoms, lieu et date de naissance et signatures des deux parties;
3° le domicile commun;
4° la mention de la volonté des parties de cohabiter légalement;
5° la mention de ce que les deux parties ont pris connaissance préalablement du contenu des articles 1475 à 1479;
6° [1 ...]1
L'officier de l'état civil vérifie si les deux parties satisfont aux conditions légales régissant la cohabitation légale et acte, dans l'affirmative, la déclaration dans le registre de la population.
[5 Les parties présentent toute autre pièce authentique ou preuve qui, le cas échéant, sont demandées afin de justifier qu'il est satisfait aux conditions légales pour autant que celles-ci ne sont pas disponibles dans une autre source authentique.]5
[5 La cohabitation légale débute au moment de la mention de la déclaration dans le registre de la population.]5
§ 2. La cohabitation légale prend fin [4 lorsque les parties se marient, lorsqu'une des parties décède]4 ou lorsqu'il y est mis fin conformément au présent paragraphe.
Il peut être mis fin à la cohabitation légale, soit de commun accord par les cohabitants, soit unilatéralement par l'un des cohabitants au moyen d'une déclaration écrite qui est remise contre récépissé a l'officier de l'état civil conformément aux dispositions de l'alinéa suivant. Cet écrit contient les informations suivantes :
1° la date de la déclaration;
2° les noms, prénoms, lieux et dates de naissance des deux parties et les signatures des deux parties ou de la partie qui fait la déclaration;
3° le domicile des deux parties;
4° la mention de la volonté de mettre fin à la cohabitation légale.
[5 La déclaration de cessation de commun accord est remise en personne ou par procuration spéciale et authentique par les parties à l'officier de l'état civil:
1° du lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente des parties; ou, à défaut, de l'une d'entre elles; ou à défaut,
2° du dernier lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente des parties; ou, à défaut, de l'une d'entre elles.]5
[5 La déclaration unilatérale de cessation est remise en personne ou par procuration spéciale et authentique à l'officier de l'état civil:
1° du lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente des parties; ou, à défaut, de la partie qui fait la déclaration; ou à défaut,
2° du dernier lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente des parties; ou, à défaut, de l'une d'entre elles.]5
[5 L'officier de l'état civil signifie la déclaration unilatérale de cessation à l'autre partie dans les huit jours par exploit d'huissier de justice. En tout état de cause, les frais de la signification et de la notification doivent être payés préalablement par ceux qui font la déclaration.]5
L'officier de l'état civil acte la cessation de la cohabitation légale dans le registre de la population. [5 La cohabitation légale prend fin au moment de la mention de la déclaration dans le registre de la population.]5
[2 La personne expressément déclarée incapable de faire une déclaration de cohabitation légale en vertu de l'article 492/1, § 1er, alinéa 3, 10°, peut, à sa demande, être autorisée par le juge de paix visé à l'article 628, 3°, du Code judiciaire à mettre fin à la cohabitation légale.
Le juge de paix apprécie la capacité de la personne protégée d'exprimer sa volonté.
[3 ...]3]2
[5 § 3. Le Roi peut déterminer les conditions liées à la remise de la déclaration de cohabitation légale et la déclaration de cessation de cohabitation légale par voie électronique.]5
Wijzigingen
Art. 1476bis. [1 Er is geen wettelijke samenwoning wanneer, ondanks de geuite wil van beide partijen om wettelijk samen te wonen, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens een van beide partijen kennelijk enkel gericht is op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van wettelijk samenwonende.]1
Art. 1476bis. [1 Il n'y a pas de cohabitation légale lorsque, bien que la volonté des parties de cohabiter légalement ait été exprimée, il ressort d'une combinaison de circonstances que l'intention d'au moins une des parties vise manifestement uniquement à l'obtention d'un avantage en matière de séjour, lié au statut de cohabitant légal.]1
Art. 1476ter. [1 Er is evenmin een wettelijke samenwoning wanneer deze wordt aangegaan zonder vrije toestemming van beide wettelijk samenwonenden of de toestemming van minstens een van de wettelijk samenwonenden werd gegeven onder geweld of bedreiging.]1
Art. 1476ter. [1 Il n'y a pas de cohabitation légale non plus lorsque celle-ci est contractée sans le libre consentement des deux cohabitants légaux ou que le consentement d'au moins un des cohabitants légaux a été donné sous la violence ou la menace. ]1
Art. 1476quater. [1 De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert melding te maken van de verklaring van wettelijke samenwoning indien hij vaststelt dat de verklaring betrekking heeft op een in de artikelen 1476bis en 1476ter bedoelde situatie.
Indien er een ernstig vermoeden bestaat dat de verklaring betrekking heeft op een in de artikelen 1476bis en 1476ter bedoelde situatie, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand, de melding van de verklaring van wettelijke samenwoning uitstellen, na eventueel het advies van de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de partijen voornemens zijn de verklaring van wettelijke samenwoning af te leggen, te hebben ingewonnen, gedurende ten hoogste twee maanden vanaf de afgifte van het in artikel 1476, § 1 bedoelde ontvangstbewijs, teneinde bijkomend onderzoek te verrichten. De procureur des Konings kan deze termijn verlengen met hoogstens drie maanden. In dat geval, geeft hij van zijn beslissing kennis aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die de belanghebbende partijen ervan in kennis stelt.
Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de in het tweede lid bepaalde termijn geen definitieve beslissing heeft genomen, dient hij onverwijld melding van de verklaring van wettelijke samenwoning te maken in het bevolkingsregister.
In geval van een in het eerste lid bedoelde weigering, brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand, zijn met redenen omklede beslissing onverwijld ter kennis van de belanghebbende partijen. Terzelfdertijd wordt een afschrift hiervan, samen met een kopie van alle nuttige documenten, verzonden naar de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de beslissing tot weigering genomen werd en aan de Dienst Vreemdelingenzaken.
Tegen de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand om van de verklaring van wettelijke samenwoning melding te maken, kan door de belanghebbende partijen binnen de maand na de kennisgeving van deze beslissing beroep worden aangetekend bij de [2 familierechtbank]2.]1
Indien er een ernstig vermoeden bestaat dat de verklaring betrekking heeft op een in de artikelen 1476bis en 1476ter bedoelde situatie, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand, de melding van de verklaring van wettelijke samenwoning uitstellen, na eventueel het advies van de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de partijen voornemens zijn de verklaring van wettelijke samenwoning af te leggen, te hebben ingewonnen, gedurende ten hoogste twee maanden vanaf de afgifte van het in artikel 1476, § 1 bedoelde ontvangstbewijs, teneinde bijkomend onderzoek te verrichten. De procureur des Konings kan deze termijn verlengen met hoogstens drie maanden. In dat geval, geeft hij van zijn beslissing kennis aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die de belanghebbende partijen ervan in kennis stelt.
Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de in het tweede lid bepaalde termijn geen definitieve beslissing heeft genomen, dient hij onverwijld melding van de verklaring van wettelijke samenwoning te maken in het bevolkingsregister.
In geval van een in het eerste lid bedoelde weigering, brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand, zijn met redenen omklede beslissing onverwijld ter kennis van de belanghebbende partijen. Terzelfdertijd wordt een afschrift hiervan, samen met een kopie van alle nuttige documenten, verzonden naar de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de beslissing tot weigering genomen werd en aan de Dienst Vreemdelingenzaken.
Tegen de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand om van de verklaring van wettelijke samenwoning melding te maken, kan door de belanghebbende partijen binnen de maand na de kennisgeving van deze beslissing beroep worden aangetekend bij de [2 familierechtbank]2.]1
Art. 1476quater. [1 L'officier de l'état civil refuse d'acter la déclaration de cohabitation légale lorsqu'il constate que la déclaration se rapporte à une situation telle que visée aux articles 1476bis et 1476ter.
S'il existe une présomption sérieuse que la déclaration se rapporte à une situation telle que visée aux articles 1476bis et 1476ter, l'officier de l'état civil peut surseoir à acter la déclaration de cohabitation légale, éventuellement après avoir recueilli l'avis du procureur du Roi de l'arrondissement judiciaire dans lequel les parties ont l'intention de remettre la déclaration de cohabitation légale, pendant un délai de deux mois au plus à partir de la délivrance du récépissé visé à l'article 1476, § 1er, afin de procéder à une enquête complémentaire. Le procureur du Roi peut prolonger ce délai de trois mois au maximum. Dans ce cas, il en informe l'officier de l'état civil qui en informe les parties intéressées.
S'il n'a pas pris de décision définitive dans le délai prévu à l'alinéa 2, l'officier de l'état civil est tenu d'acter sans délai la déclaration de cohabitation légale dans le registre de la population.
Dans le cas d'un refus visé à l'alinéa 1er, l'officier de l'état civil notifie sans délai sa décision motivée aux parties intéressées. Une copie de celle-ci, accompagnée d'une copie de tous documents utiles, est, en même temps, transmise au procureur du Roi de l'arrondissement judiciaire dans lequel la décision de refus a été prise et à l'Office des étrangers.
Le refus de l'officier de l'état civil d'acter la déclaration de cohabitation légale est susceptible de recours par les parties intéressées devant le tribunal de [2 la famille]2 dans le mois suivant la notification de sa décision.]1
S'il existe une présomption sérieuse que la déclaration se rapporte à une situation telle que visée aux articles 1476bis et 1476ter, l'officier de l'état civil peut surseoir à acter la déclaration de cohabitation légale, éventuellement après avoir recueilli l'avis du procureur du Roi de l'arrondissement judiciaire dans lequel les parties ont l'intention de remettre la déclaration de cohabitation légale, pendant un délai de deux mois au plus à partir de la délivrance du récépissé visé à l'article 1476, § 1er, afin de procéder à une enquête complémentaire. Le procureur du Roi peut prolonger ce délai de trois mois au maximum. Dans ce cas, il en informe l'officier de l'état civil qui en informe les parties intéressées.
S'il n'a pas pris de décision définitive dans le délai prévu à l'alinéa 2, l'officier de l'état civil est tenu d'acter sans délai la déclaration de cohabitation légale dans le registre de la population.
Dans le cas d'un refus visé à l'alinéa 1er, l'officier de l'état civil notifie sans délai sa décision motivée aux parties intéressées. Une copie de celle-ci, accompagnée d'une copie de tous documents utiles, est, en même temps, transmise au procureur du Roi de l'arrondissement judiciaire dans lequel la décision de refus a été prise et à l'Office des étrangers.
Le refus de l'officier de l'état civil d'acter la déclaration de cohabitation légale est susceptible de recours par les parties intéressées devant le tribunal de [2 la famille]2 dans le mois suivant la notification de sa décision.]1
Art. 1476quinquies. [1 § 1. In de in de artikelen 1476bis en 1476ter bedoelde gevallen, kan een vordering tot nietigverklaring worden ingesteld door de wettelijk samenwonenden zelf en door allen die daarbij belang hebben.
De procureur des Konings vordert de nietigheid van een dergelijke wettelijke samenwoning.
Elk exploot van betekening van een vonnis of arrest dat een wettelijke samenwoning nietig verklaart, wordt door de optredende gerechtsdeurwaarder onmiddellijk in afschrift meegedeeld aan de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken.
Wanneer de nietigheid van de wettelijke samenwoning is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, stuurt de griffier, onverwijld een uittreksel bevattende het beschikkende gedeelte en de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden van het vonnis of arrest aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van woonplaats van beide partijen of, indien de partijen geen woonplaats hebben in dezelfde gemeente, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van de woonplaats van elk van hen en aan de Dienst Vreemdelingenzaken.
De griffier brengt de partijen hiervan in kennis.
De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt onverwijld melding van de nietigverklaring van de wettelijke samenwoning in het bevolkingsregister.
§ 2. De in de artikelen 1476bis en 1476ter bedoelde wettelijke samenwoning, die nietig verklaard is, heeft niettemin gevolgen ten voordele van de partij die de wettelijke samenwoning te goeder trouw is aangegaan.
Ze heeft eveneens gevolgen ten voordele van de kinderen, ook al is geen van beide partijen te goeder trouw geweest.]1
De procureur des Konings vordert de nietigheid van een dergelijke wettelijke samenwoning.
Elk exploot van betekening van een vonnis of arrest dat een wettelijke samenwoning nietig verklaart, wordt door de optredende gerechtsdeurwaarder onmiddellijk in afschrift meegedeeld aan de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken.
Wanneer de nietigheid van de wettelijke samenwoning is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, stuurt de griffier, onverwijld een uittreksel bevattende het beschikkende gedeelte en de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden van het vonnis of arrest aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van woonplaats van beide partijen of, indien de partijen geen woonplaats hebben in dezelfde gemeente, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van de woonplaats van elk van hen en aan de Dienst Vreemdelingenzaken.
De griffier brengt de partijen hiervan in kennis.
De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt onverwijld melding van de nietigverklaring van de wettelijke samenwoning in het bevolkingsregister.
§ 2. De in de artikelen 1476bis en 1476ter bedoelde wettelijke samenwoning, die nietig verklaard is, heeft niettemin gevolgen ten voordele van de partij die de wettelijke samenwoning te goeder trouw is aangegaan.
Ze heeft eveneens gevolgen ten voordele van de kinderen, ook al is geen van beide partijen te goeder trouw geweest.]1
Art. 1476quinquies. [1 § 1er. Dans les hypothèses visées aux articles 1476bis et 1476ter, une action en nullité peut être introduite par les cohabitants légaux eux-mêmes et par tous ceux qui y ont intérêt.
Le procureur du Roi poursuit la nullité d'une telle cohabitation légale.
Tout exploit de signification d'un jugement ou arrêt portant annulation d'une cohabitation légale est immédiatement communiqué en copie par l'huissier de justice instrumentant au greffier de la juridiction qui a prononcé la décision.
Lorsque la nullité de la cohabitation légale a été prononcée par un jugement ou un arrêt coulé en force de chose jugée, un extrait reprenant le dispositif du jugement ou de l'arrêt et la mention du jour où celui-ci a acquis force de chose jugée, est adressé, sans délai, par le greffier à l'officier de l'état civil de la commune du domicile des deux parties ou, lorsque les parties ne sont pas domiciliées dans la même commune, à l'officier de l'état civil de la commune du domicile de chacune des parties et à l'Office des étrangers.
Le greffier en avertit les parties.
L'officier de l'état civil inscrit sans délai l'annulation de la cohabitation légale dans le registre de la population.
§ 2. La cohabitation légale au sens des articles 1476bis et 1476ter, qui a été déclarée nulle, produit néanmoins ses effets en faveur de la partie qui a contracté la cohabitation légale de bonne foi.
Elle produit également ses effets en faveur des enfants, même si aucune des parties n'a été de bonne foi.]1
Le procureur du Roi poursuit la nullité d'une telle cohabitation légale.
Tout exploit de signification d'un jugement ou arrêt portant annulation d'une cohabitation légale est immédiatement communiqué en copie par l'huissier de justice instrumentant au greffier de la juridiction qui a prononcé la décision.
Lorsque la nullité de la cohabitation légale a été prononcée par un jugement ou un arrêt coulé en force de chose jugée, un extrait reprenant le dispositif du jugement ou de l'arrêt et la mention du jour où celui-ci a acquis force de chose jugée, est adressé, sans délai, par le greffier à l'officier de l'état civil de la commune du domicile des deux parties ou, lorsque les parties ne sont pas domiciliées dans la même commune, à l'officier de l'état civil de la commune du domicile de chacune des parties et à l'Office des étrangers.
Le greffier en avertit les parties.
L'officier de l'état civil inscrit sans délai l'annulation de la cohabitation légale dans le registre de la population.
§ 2. La cohabitation légale au sens des articles 1476bis et 1476ter, qui a été déclarée nulle, produit néanmoins ses effets en faveur de la partie qui a contracté la cohabitation légale de bonne foi.
Elle produit également ses effets en faveur des enfants, même si aucune des parties n'a été de bonne foi.]1
Art. 1477. <W 1998-11-23/35, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2000> § 1. De bepalingen van dit artikel die de rechten, verplichtingen en bevoegdheden van de wettelijk samenwonenden regelen, zijn van toepassing door het enkele feit van de wettelijke samenwoning.
§ 2. De artikelen 215, 220, § 1, en 224, § 1, 1, zijn van overeenkomstige toepassing op de wettelijke samenwoning.
§ 3. De wettelijk samenwonenden dragen bij in de lasten van het samenleven naar evenredigheid van hun mogelijkheden.
§ 4. Iedere schuld die door een der wettelijk samenwonenden wordt aangegaan ten behoeve van het samenleven en van de kinderen die door hen opgevoed worden, verbindt de andere samenwonende hoofdelijk. Deze is echter niet aansprakelijk voor schulden die, gelet op de bestaansmiddelen van de samenwonenden, buitensporig zijn.
(§ 5. De langstlevende wettelijk samenwonende is gehouden tot de verplichting gesteld in artikel 203, § 1, ten aanzien van de kinderen van de vooroverleden wettelijk samenwonende van wie hij niet de vader of de moeder is, binnen de grenzen van hetgeen hij krachtens artikel 745octies, § 1, heeft verkregen uit de nalatenschap van de vooroverledene en van de voordelen die deze hem mocht hebben verleend bij schenking, testament of in de in artikel 1478 bedoelde overeenkomst.) <W 2007-03-28/39, art. 9, 016; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
[1 Deze verplichting vervalt ten aanzien van het kind dat onwaardig is om van de vooroverleden wettelijk samenwonende te erven. De rechter schort zijn uitspraak op tot de beslissing die tot onwaardigheid leidt in kracht van gewijsde is getreden.]1
(§ 6. [2 ...]2
§ 2. De artikelen 215, 220, § 1, en 224, § 1, 1, zijn van overeenkomstige toepassing op de wettelijke samenwoning.
§ 3. De wettelijk samenwonenden dragen bij in de lasten van het samenleven naar evenredigheid van hun mogelijkheden.
§ 4. Iedere schuld die door een der wettelijk samenwonenden wordt aangegaan ten behoeve van het samenleven en van de kinderen die door hen opgevoed worden, verbindt de andere samenwonende hoofdelijk. Deze is echter niet aansprakelijk voor schulden die, gelet op de bestaansmiddelen van de samenwonenden, buitensporig zijn.
(§ 5. De langstlevende wettelijk samenwonende is gehouden tot de verplichting gesteld in artikel 203, § 1, ten aanzien van de kinderen van de vooroverleden wettelijk samenwonende van wie hij niet de vader of de moeder is, binnen de grenzen van hetgeen hij krachtens artikel 745octies, § 1, heeft verkregen uit de nalatenschap van de vooroverledene en van de voordelen die deze hem mocht hebben verleend bij schenking, testament of in de in artikel 1478 bedoelde overeenkomst.) <W 2007-03-28/39, art. 9, 016; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
[1 Deze verplichting vervalt ten aanzien van het kind dat onwaardig is om van de vooroverleden wettelijk samenwonende te erven. De rechter schort zijn uitspraak op tot de beslissing die tot onwaardigheid leidt in kracht van gewijsde is getreden.]1
(§ 6. [2 ...]2
Art. 1477. <L 1998-11-23/35, art. 2, 004; En vigueur : 01-01-2000> § 1er. Les dispositions du présent article qui règlent les droits, obligations et pouvoirs des cohabitants légaux sont applicables par le seul fait de la cohabitation légale.
§ 2. Les articles 215, 220, § 1er, et 224, § 1er, 1, s'appliquent par analogie à la cohabitation légale.
§ 3. Les cohabitants légaux contribuent aux charges de la vie commune en proportion de leurs facultés.
§ 4. Toute dette contractée par l'un des cohabitants légaux pour les besoins de la vie commune et des enfants qu'ils éduquent oblige solidairement l'autre cohabitant. Toutefois, celui-ci n'est pas tenu des dettes excessives eu égard aux ressources des cohabitants.
[§ 5. Dans les limites de ce que le cohabitant légal survivant a recueilli dans la succession de son cohabitant légal prédécédé en vertu de l'article 745octies, § 1er, et des avantages que celui-ci lui aurait consentis par donation, testament ou convention visée à l'article 1478, le cohabitant légal survivant est tenu de l'obligation établie à l'article 203, § 1er, envers les enfants du cohabitant légal prédécédé dont il n'est pas lui-même le père ou la mère.] <L 2007-03-28/39, art. 9, 016; En vigueur : 18-05-2007>
[1 Cette obligation est caduque à l'égard de l'enfant indigne d'hériter du cohabitant légal prédécédé. Le juge suspend son prononcé jusqu'à ce que la décision entraînant l'indignité soit passée en force de chose jugée. ]1
[§ 6. [2 ...]2
§ 2. Les articles 215, 220, § 1er, et 224, § 1er, 1, s'appliquent par analogie à la cohabitation légale.
§ 3. Les cohabitants légaux contribuent aux charges de la vie commune en proportion de leurs facultés.
§ 4. Toute dette contractée par l'un des cohabitants légaux pour les besoins de la vie commune et des enfants qu'ils éduquent oblige solidairement l'autre cohabitant. Toutefois, celui-ci n'est pas tenu des dettes excessives eu égard aux ressources des cohabitants.
[§ 5. Dans les limites de ce que le cohabitant légal survivant a recueilli dans la succession de son cohabitant légal prédécédé en vertu de l'article 745octies, § 1er, et des avantages que celui-ci lui aurait consentis par donation, testament ou convention visée à l'article 1478, le cohabitant légal survivant est tenu de l'obligation établie à l'article 203, § 1er, envers les enfants du cohabitant légal prédécédé dont il n'est pas lui-même le père ou la mère.] <L 2007-03-28/39, art. 9, 016; En vigueur : 18-05-2007>
[1 Cette obligation est caduque à l'égard de l'enfant indigne d'hériter du cohabitant légal prédécédé. Le juge suspend son prononcé jusqu'à ce que la décision entraînant l'indignité soit passée en force de chose jugée. ]1
[§ 6. [2 ...]2
Art. 1478. <W 1998-11-23/35, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2000> Elk van de wettelijk samenwonenden behoudt de goederen waarvan hij de eigendom kan bewijzen, de inkomsten uit deze goederen en de opbrengsten uit arbeid.
De goederen waarvan geen van beide wettelijk samenwonenden de eigendom kan bewijzen en de inkomsten daarvan worden geacht in onverdeeldheid te zijn.
Indien de overlevende wettelijk samenwonende een erfgenaam is van de vooroverledene, wordt de in het vorige lid bedoelde onverdeeldheid ten aanzien van de erfgenamen met voorbehouden erfdeel als een schenking beschouwd, behoudens tegenbewijs.
Voorts regelen de samenwonenden hun wettelijke samenwoning naar goeddunken door middel van een overeenkomst, voor zover deze geen beding bevat dat strijdig is met artikel 1477, met de openbare orde of de goede zeden, noch met de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij, noch met de regels die de wettelijke orde van de erfopvolging bepalen. Die overeenkomst wordt in authentieke vorm verleden voor de notaris [1 ...]1.
[2 De beschermde persoon die krachtens artikel 492/1, § 2, derde lid, 14/1°, onbekwaam werd verklaard om een overeenkomst zoals bedoeld in het vorige lid af te sluiten en te wijzigen, kan dergelijke overeenkomst afsluiten en wijzigen na hiertoe, op zijn verzoek, door de in artikel 628, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vrederechter, te zijn gemachtigd op basis van het door de notaris opgestelde ontwerp.
De artikelen 1241 en 1246 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
In bijzondere gevallen kan de vrederechter de bewindvoerder machtigen alleen op te treden of hem toestaan de beschermde persoon bij te staan. De bij artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde rechtspleging is van toepassing. Bij het verzoekschrift wordt een kopie gevoegd van de notariële ontwerpakte.]2
De goederen waarvan geen van beide wettelijk samenwonenden de eigendom kan bewijzen en de inkomsten daarvan worden geacht in onverdeeldheid te zijn.
Indien de overlevende wettelijk samenwonende een erfgenaam is van de vooroverledene, wordt de in het vorige lid bedoelde onverdeeldheid ten aanzien van de erfgenamen met voorbehouden erfdeel als een schenking beschouwd, behoudens tegenbewijs.
Voorts regelen de samenwonenden hun wettelijke samenwoning naar goeddunken door middel van een overeenkomst, voor zover deze geen beding bevat dat strijdig is met artikel 1477, met de openbare orde of de goede zeden, noch met de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij, noch met de regels die de wettelijke orde van de erfopvolging bepalen. Die overeenkomst wordt in authentieke vorm verleden voor de notaris [1 ...]1.
[2 De beschermde persoon die krachtens artikel 492/1, § 2, derde lid, 14/1°, onbekwaam werd verklaard om een overeenkomst zoals bedoeld in het vorige lid af te sluiten en te wijzigen, kan dergelijke overeenkomst afsluiten en wijzigen na hiertoe, op zijn verzoek, door de in artikel 628, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vrederechter, te zijn gemachtigd op basis van het door de notaris opgestelde ontwerp.
De artikelen 1241 en 1246 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
In bijzondere gevallen kan de vrederechter de bewindvoerder machtigen alleen op te treden of hem toestaan de beschermde persoon bij te staan. De bij artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde rechtspleging is van toepassing. Bij het verzoekschrift wordt een kopie gevoegd van de notariële ontwerpakte.]2
Art. 1478. <L 1998-11-23/35, art. 2, 004; En vigueur : 01-01-2000> Chacun des cohabitants légaux conserve les biens dont il peut prouver qu'ils lui appartiennent, les revenus que procurent ces biens et les revenus du travail.
Les biens dont aucun des cohabitants légaux ne peut prouver qu'ils lui appartiennent et les revenus que ceux-ci procurent sont réputés être en indivision.
Si le cohabitant légal survivant est un héritier du cohabitant prémourant, l'indivision visée à l'alinéa précédent sera tenue, à l'égard des héritiers réservataires du prémourant, comme une libéralité, sauf preuve du contraire.
En outre, les cohabitants règlent les modalités de leur cohabitation légale par convention comme ils le jugent à propos, pour autant que celle-ci ne contienne aucune clause contraire à l'article 1477, à l'ordre public, aux bonnes moeurs, ou aux règles relatives à l'autorité parentale, a la tutelle et aux règles déterminant l'ordre légal de la succession. Cette convention est passée en la forme authentique devant notaire [1 ...]1 .
[2 La personne protégée qui, en vertu de l'article 492/1, § 2, alinéa 3, 14/1°, a été déclarée incapable de conclure ou de modifier une convention visée à l'alinéa précédent, peut conclure ou modifier une telle convention après avoir obtenu à cet effet, à sa demande, l'autorisation du juge de paix visé à l'article 628, 3°, du Code judiciaire, sur la base du projet établi par le notaire.
Les articles 1241 et 1246 du Code judiciaire sont d'application.
Dans des cas particuliers, le juge de paix peut autoriser l'administrateur à agir seul, ou l'autoriser à assister la personne protégée. La procédure prévue à l'article 1250 du Code judiciaire est d'application. Une copie du projet d'acte notarié est jointe à la requête.]2
Les biens dont aucun des cohabitants légaux ne peut prouver qu'ils lui appartiennent et les revenus que ceux-ci procurent sont réputés être en indivision.
Si le cohabitant légal survivant est un héritier du cohabitant prémourant, l'indivision visée à l'alinéa précédent sera tenue, à l'égard des héritiers réservataires du prémourant, comme une libéralité, sauf preuve du contraire.
En outre, les cohabitants règlent les modalités de leur cohabitation légale par convention comme ils le jugent à propos, pour autant que celle-ci ne contienne aucune clause contraire à l'article 1477, à l'ordre public, aux bonnes moeurs, ou aux règles relatives à l'autorité parentale, a la tutelle et aux règles déterminant l'ordre légal de la succession. Cette convention est passée en la forme authentique devant notaire [1 ...]1 .
[2 La personne protégée qui, en vertu de l'article 492/1, § 2, alinéa 3, 14/1°, a été déclarée incapable de conclure ou de modifier une convention visée à l'alinéa précédent, peut conclure ou modifier une telle convention après avoir obtenu à cet effet, à sa demande, l'autorisation du juge de paix visé à l'article 628, 3°, du Code judiciaire, sur la base du projet établi par le notaire.
Les articles 1241 et 1246 du Code judiciaire sont d'application.
Dans des cas particuliers, le juge de paix peut autoriser l'administrateur à agir seul, ou l'autoriser à assister la personne protégée. La procédure prévue à l'article 1250 du Code judiciaire est d'application. Une copie du projet d'acte notarié est jointe à la requête.]2
Art. 1479. [1 Indien de verstandhouding tussen de wettelijk samenwonenden ernstig verstoord is, beveelt de familierechtbank, op verzoek van één van de partijen, de dringende maatregelen die analoog zijn met die waarin de artikelen 1253ter/5 en 1253ter/6 van het Gerechtelijk Wetboek voorzien.
De rechtbank bepaalt de geldigheidsduur van de maatregelen die zij oplegt. Hoe dan ook vervallen die maatregelen op de dag dat de wettelijke samenwoning, zoals bedoeld in artikel 1476, § 2, zesde lid, wordt beëindigd, behalve wanneer deze maatregelen de gemeenschappelijke kinderen van de wettelijk samenwonenden betreffen.
Na de beëindiging van het wettelijk samenwonen en voor zover de vordering binnen drie maanden na die beëindiging is ingesteld, gelast de rechtbank de dringende en voorlopige maatregelen die ingevolge de beëindiging gerechtvaardigd zijn. Zij bepaalt de geldigheidsduur van de maatregelen die zij oplegt. [2 ...]2
De rechtbank beschikt overeenkomstig de artikelen 1253ter tot 1253octies van het Gerechtelijk Wetboek.]1
De rechtbank bepaalt de geldigheidsduur van de maatregelen die zij oplegt. Hoe dan ook vervallen die maatregelen op de dag dat de wettelijke samenwoning, zoals bedoeld in artikel 1476, § 2, zesde lid, wordt beëindigd, behalve wanneer deze maatregelen de gemeenschappelijke kinderen van de wettelijk samenwonenden betreffen.
Na de beëindiging van het wettelijk samenwonen en voor zover de vordering binnen drie maanden na die beëindiging is ingesteld, gelast de rechtbank de dringende en voorlopige maatregelen die ingevolge de beëindiging gerechtvaardigd zijn. Zij bepaalt de geldigheidsduur van de maatregelen die zij oplegt. [2 ...]2
De rechtbank beschikt overeenkomstig de artikelen 1253ter tot 1253octies van het Gerechtelijk Wetboek.]1
Art. 1479. [1 Si l'entente entre les cohabitants légaux est sérieusement perturbée, le tribunal de la famille ordonne, à la demande d'une des parties, les mesures urgentes analogues à celles prévues aux articles 1253ter/5 et 1253ter/6 du Code judiciaire.
Le tribunal fixe la durée de validité des mesures qu'il ordonne. En toute hypothèse, ces mesures cessent de produire leurs effets au jour de la cessation de la cohabitation légale, telle que prévue à l'article 1476, § 2, alinéa 6, sauf si ces mesures concernent les enfants communs des cohabitants légaux.
Après la cessation de la cohabitation légale, et pour autant que la demande ait été introduite dans les trois mois de cette cessation, le tribunal ordonne les mesures urgentes et provisoires justifiées par cette cessation. Il fixe la durée de validité des mesures qu'il ordonne. [2 ...]2
Le tribunal ordonne ces mesures conformément aux articles 1253ter à 1253octies du Code judiciaire.]1
Le tribunal fixe la durée de validité des mesures qu'il ordonne. En toute hypothèse, ces mesures cessent de produire leurs effets au jour de la cessation de la cohabitation légale, telle que prévue à l'article 1476, § 2, alinéa 6, sauf si ces mesures concernent les enfants communs des cohabitants légaux.
Après la cessation de la cohabitation légale, et pour autant que la demande ait été introduite dans les trois mois de cette cessation, le tribunal ordonne les mesures urgentes et provisoires justifiées par cette cessation. Il fixe la durée de validité des mesures qu'il ordonne. [2 ...]2
Le tribunal ordonne ces mesures conformément aux articles 1253ter à 1253octies du Code judiciaire.]1
Art. 1480. [1 Wanneer de wettelijke samenwoning eindigt door het overlijden van een van de partijen, kan de langstlevende partij in aanmerking komen voor een preferentiële toewijzing, tegen opleg indien daartoe grond bestaat, door zich bij voorrang te doen toewijzen, voor zover deze behoren tot het vermogen dat exclusief tussen de wettelijk samenwonenden in onverdeeldheid is:
1° een van de onroerende goederen die tot gezinswoning dient;
2° het aldaar aanwezige huisraad;
3° de goederen die hij aanwendt voor de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf.]1
1° een van de onroerende goederen die tot gezinswoning dient;
2° het aldaar aanwezige huisraad;
3° de goederen die hij aanwendt voor de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf.]1
Art. 1480. [1 Lorsque la cohabitation légale prend fin par le décès de l'une des parties, la partie survivante peut bénéficier d'une attribution préférentielle, moyennant soulte s'il y a lieu, en se faisant attribuer par préférence, pour autant qu'ils appartiennent au patrimoine qui est en indivision exclusivement entre les cohabitants légaux:
1° un des immeubles servant au logement de la famille;
2° les meubles meublants qui le garnissent;
3° les biens qu'elle utilise pour l'exercice de sa profession ou l'exploitation de son entreprise.]1
1° un des immeubles servant au logement de la famille;
2° les meubles meublants qui le garnissent;
3° les biens qu'elle utilise pour l'exercice de sa profession ou l'exploitation de son entreprise.]1
Wijzigingen
Art. 1481. [1 § 1. Wanneer aan de wettelijke samenwoning een einde komt via een schriftelijke verklaring, hetzij in onderlinge overeenstemming, hetzij eenzijdig, kan elk van de wettelijk samenwonenden tijdens de vereffeningsprocedure in aanmerking komen voor een preferentiële toewijzing, door aan de familierechtbank te vragen om de in artikel 1480 bedoelde bepalingen in zijn voordeel toe te passen.
§ 2. De rechtbank beslist met inachtneming van de belangen die ieder van de wettelijk samenwonenden kan doen gelden en rekening houdend met de financiële mogelijkheden van degene die in voorkomend geval de opleg zal moeten betalen. Behoudens uitzonderlijke omstandigheden wordt ingegaan op het verzoek van de wettelijk samenwonende die slachtoffer is van een feit bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1 tot 3 en 5, en 422bis van het Strafwetboek of van een poging tot het plegen van een feit bedoeld in de artikelen 375, 393 tot 397, 401, 404 en 409, § 4, van hetzelfde Wetboek, indien de andere wettelijk samenwonende door een in kracht van gewijsde gegane beslissing uit dien hoofde als dader, mededader of medeplichtige schuldig werd bevonden of indien de strafvordering tegen de andere wettelijk samenwonende is vervallen na toepassing van de procedure bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering.]1
§ 2. De rechtbank beslist met inachtneming van de belangen die ieder van de wettelijk samenwonenden kan doen gelden en rekening houdend met de financiële mogelijkheden van degene die in voorkomend geval de opleg zal moeten betalen. Behoudens uitzonderlijke omstandigheden wordt ingegaan op het verzoek van de wettelijk samenwonende die slachtoffer is van een feit bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1 tot 3 en 5, en 422bis van het Strafwetboek of van een poging tot het plegen van een feit bedoeld in de artikelen 375, 393 tot 397, 401, 404 en 409, § 4, van hetzelfde Wetboek, indien de andere wettelijk samenwonende door een in kracht van gewijsde gegane beslissing uit dien hoofde als dader, mededader of medeplichtige schuldig werd bevonden of indien de strafvordering tegen de andere wettelijk samenwonende is vervallen na toepassing van de procedure bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering.]1
Art. 1481. [1 § 1er. Lorsque la cohabitation légale prend fin par déclaration écrite, soit d'un commun accord, soit unilatéralement, chacun des cohabitants légaux peut, au cours des opérations de liquidation, bénéficier d'une attribution préférentielle en demandant au tribunal de la famille de faire application à son profit des dispositions visées à l'article 1480.
§ 2. Le tribunal statue en considération des intérêts que chacun des cohabitants légaux peut faire valoir et en tenant compte des capacités financières de celui qui, le cas échéant, devra payer la soulte. Il est fait droit, sauf circonstances exceptionnelles, à la demande formulée par le cohabitant légal qui a été victime d'un fait visé aux articles 375, 398 à 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1er à 3 et 5, et 422bis du Code pénal ou d'une tentative de commission d'un fait visé aux articles 375, 393 à 397, 401, 404 et 409, § 4, du même Code, si l'autre cohabitant légal a été reconnu coupable de ce chef comme auteur, coauteur ou complice par décision coulée en force de chose jugée ou si l'action publique à l'encontre de l'autre cohabitant légal s'est éteinte après l'application de la procédure visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle.]1
§ 2. Le tribunal statue en considération des intérêts que chacun des cohabitants légaux peut faire valoir et en tenant compte des capacités financières de celui qui, le cas échéant, devra payer la soulte. Il est fait droit, sauf circonstances exceptionnelles, à la demande formulée par le cohabitant légal qui a été victime d'un fait visé aux articles 375, 398 à 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1er à 3 et 5, et 422bis du Code pénal ou d'une tentative de commission d'un fait visé aux articles 375, 393 à 397, 401, 404 et 409, § 4, du même Code, si l'autre cohabitant légal a été reconnu coupable de ce chef comme auteur, coauteur ou complice par décision coulée en force de chose jugée ou si l'action publique à l'encontre de l'autre cohabitant légal s'est éteinte après l'application de la procédure visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle.]1
Wijzigingen
Art. 1482. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1482. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1483. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1483. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1484. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1484. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1485. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1485. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1486. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1486. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1487. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1487. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1488. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1488. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1489. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1489. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1490. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1490. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1491. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1491. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1492. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1492. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1493. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1493. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1494. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1494. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1495. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1495. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1496. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1496. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1497. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1497. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1498. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1498. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1499. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1499. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1500. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1500. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1501. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1501. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1502. _ (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1502. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1503. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1503. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1504. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1504. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1505. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1505. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1506. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1506. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1507. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1507. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1508. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1508. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1509. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1509. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1510. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1510. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1511. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1511. [Abroge] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1512. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1512. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1513. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1513. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1514. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1514. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1515. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1515. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1516. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1516. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1517. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1517. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1518. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1518. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1519. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1519. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1520. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1520. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1521. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1521. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1522. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1522. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1523. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1523. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1524. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1524. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1525. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1525. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1526. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1526. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1527. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1527. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1528. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1528. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1529. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1529. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1530. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1530. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1531. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1531. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1532. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1532. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1533. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1533. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1534. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1534. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1535. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1535. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1536. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1536. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1537. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1537. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1538. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1538. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1539. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1539. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1540. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1540. [Abroge] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1541. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1541. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1542. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1542. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1543. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1543. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1544. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1544. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1545. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1545. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1546. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1546. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1547. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1547. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1548. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1548. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1549. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1549. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1550. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1550. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1551. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1551. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1552. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1552. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1553. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1553. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1554. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1554. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1555. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1555. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1556. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1556. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1557. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1557. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1558. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1558. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1559. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1559. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1560. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1560. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1561. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1561. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1562. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1562. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1563. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1563. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1564. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1564. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1565. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1565. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1566. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1566. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1567. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1567. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1568. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1568. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1569. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1569. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1570. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1570. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1571. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1571. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1572. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1572. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1573. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1573. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1574. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1574. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1575. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1575. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1576. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1576. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1577. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1577. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1578. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1578. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1579. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1579. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1580. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1580. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
Art. 1581. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. 2>
Art. 1581. [Abrogé] <L 14-07-1976, art. 2>
OVERGANGSRECHT.
DROIT TRANSITOIRE.