ADB:hof-van-beroep-antwerpen-18-02-2026-0
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Beroep Antwerpen
📅 2026-02-18
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
Financiën en Begroting
Woonbeleid
Geciteerde wetgeving
KB van 26 april 2017; KB van 26 oktober 2007; KB van 28 augustus 2020; KB van 28 december 1950; KB van 18 december 1986; decreet van 15 juli 1997; decreet van 22 december 1995; decreet van 29 maart 2019; decreet van 15 juli 1997; wet van 17 april 1878
Samenvatting
Arrestnumme r C/ i-9, /2026 Repertorlumnummer 2026 / l50 Datum van uitspraak 18 februari 2026 Rolnummer Notitienummer parket-generaal 2025/PGA/1681 2025/VJll/693 D Mededeelbaar aan de ontvanger Aangeboden op Niet te registreren Hof van beroep Antwerpen Arrest C4 kamer correctionele zaken Hof van ...
Volledige tekst
Arrestnumme r
C/
i-9,
/2026
Repertorlumnummer
2026 / l50
Datum van uitspraak
18 februari 2026
Rolnummer
Notitienummer parket-generaal
2025/PGA/1681
2025/VJll/693
D Mededeelbaar aan de
ontvanger
Aangeboden op
Niet te registreren
Hof van beroep
Antwerpen
Arrest
C4 kamer
correctionele zaken
Hof van beroep Antwerpen •
- p. 2
Het OPENBAAR MINISTERIE
en
1.
rijksregisternummer
geboren
wonende te
van Belgische nationaliteit
burgerlijke partij
vertegenwoordigd door mr.
loco mr.
,, beiden advocaat bij
de balie
2.
rijksregisternummer
geboren
wonende te
van Belgische nationaliteit
burgerlijke partij
vertegenwoordigd door mr.
loco mr.
, beiden advocaat bij
de balie
3.
rijksregisternummer
geborer
wonende te
van Belgische nationaliteit
burgerlijke partij
Hof van beroep Antwerpen -
-p. 3
vertegenwoordigd door mr.
loco mr.
, beiden advocaat bij
de balie
4.
rijksregisternummer
geboren
wonende te
van Marokkaanse nationaliteit
burgerl ijke partij
in persoon aanwezig en bijgestaan door mr.
, advocaat bij de balie
s.
rijksregisternummer
geborer
wonende te
van Belgische nationaliteit
burgerlijke partij
vertegenwoordigd door mr.
loco mr.
, beiden advocaat bij
de balie
tegen
1.
rijksregisternummer
geboren
wonende te
van Belgische nationaliteit
beklaagde
in persoon aanwezig en bijgestaan door mr.
en mr.
beiden
advocaat bij de balie
Hof van beroep Antwerpen -
-p. 4
2.
rijksregisternummer
geboren
wonende te
van Belgische nationaliteit
beklaagde
vertegenwoordigd door mr.
en mr.
, beiden advocaat bij de
balie
3.
rijksregisternummer
geboren
wonende te
van Belgische nationaliteit
beklaagde
in persoon aanwezig en bijgestaan door mr.
en mr.
, beiden
advocaat bij de balie
1.
Ten laste gelegde feiten
Als dader of mededader:Jn de zin van artikel 66 van het Strafwetboek:
door d~ misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering rechtstreeks
te hebben meegewerkt;
door enige daad tot de uitvoe.L'.ililg zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het
wanbedrijf zonder~
bijstand niet had kunnen worden gepleegd;
door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen
of arglistigheden, de misdaad of het wanbedrijf rechtstreeks te hebben uitgelokt;
Hof van beroep Antwerpen •
p.5
of, door het plegen van de feiten rechtstreeks te hebben uitgelokt door woorden in
openbare bijeenkomsten of plaatsen gesproken dan wel dloor enigerlei geschrift, drukwerk,
prent of zinnebeeld aangeplakt, rondgedeeld of verkocht, te koop geboden of openlijk
tentoongesteld;
A.
Rechtstreeks of via een tussenpersoon misbruik te hebben gemaakt van de kwetsbare
toestand waarin een persoon verkeerde ten gevolge van zijn onwettige of precaire
administratieve toestand, zijn precaire sociale toestand, zijn leeftijd, zwangerschap, een
ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid door, met de
bedoeling een abnormaal profijt te realiseren, een roeirend goed, een deel ervan, een
onroerend goed, een kamer of een andere in artikel 479 van het Strafwetboek bedoelde
ruimte,
te hebben verkocht,
te hebben verhuurd of
ter beschikking gesteld
in
omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, met de omstandigheid dat
van de betrokken activiteit een gewoonte werd gemaakt, t•e weten:
(art. 433decies Sw.) (art. 433undecles lid 1. 1 ° en 2, en 4331terdecles lid 1 Sw.)
de hierna vermelde woningen die adm inistratief onbewoonbaar dan wel ongeschikt,
minstens in omstandigheden die in strijd zijn met de m,enselijke waardigheid, te hebben
verhuurd aan de hierna vermelde slachtoffers, misbruik makende van de sociale en
administratieve kwetsbare positie, namelijk:
Te
afdeling
en bij samenhang te
gerecht,elijk arrondissement
de feiten gepleegd zijnde op de hierna vermelde plaatsen, ten aanzien
van de hierna vermelde personen. op de hierna vermelde data tussen 5 januari 2016 en 31
maart 2023. de feiten de voortdurende en achtereenvolgende uiting zijnde van hetzelfde
opzet
1. De woning gelegen te
, kadastraal gekend al~
1 2a28ca. van 1 mei 2019 {begin huur -- structurele gebreken). minstens
vanaf 6 augustus 2021 (datum vooronderzoek cf. stukken 11 en 30) tot 5 september 2022
(datum huiszoeking)
door
ten aanzien van
op 13 december 2022 (cf. stukken 5, 6, 10, 11, 35, 63, 78, 87 /1 en 104)
conform verklaard
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 6
2. De wooneenheid In het pand gelegen te
kadastraal
gekend als
a. van 1 maart 2016 (pag. vonnis vederechter, plaatsopnem ing huurderssyndicaat) tot 2
mei 2017 (pag. 10 vonnis vrederechter. plaatsopneming vrederechter)
door
ten aanzien var
(cf. stukken 1, 11 en 36)
b. van 1 oktober 2019 (begin huur) tot 21 maart 2023 (stuk 112)
door
ten aanzien van
conform verklaard op 26 mei 2023 (cf. stukken 5, 11, 36, 64, 73, 79, 87 /1, 95 en 112)
3. De woongelegenheid. gelegen te
. kadastraal gekend
a.
tussen 1 november 2014 en 1 augustus 2020
door
ten aanzien van
(woongelegenheid nummer 2) (cf. stuk 74)
b. van 5 augustus 2020 (begin huur, structu rele gebreken). minstens vanaf 5 oktober
2021 (datum administra1tief onderzoek cf. stuk 11) tot 5 september 2022 (datum
huiszoeking)
door
ten aanzien van
2022 conform verklaard (cf. stukken 11, 59, 75A, 87/1 en 91)
(woongelegenheid nummer 2), sedert 27 oktober
4. De 2 woongelegenheden in het pand te
kadastraal gekend als
. 3a57ca.
a. van 1 mei 2013 tot 1 mei 2014
door
en
ten aanzien van
(de woning nummer
(cf. stuk 70)
b. van 1 augustus 2020 (begin huur. structurele gebreken). minstens vanaf 10 augustus
2021 (datum controle cf. stukken 11 en 28) tot 7 februari 2022 (verhuis)
door
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 7
ten aanzien van
(de woning nummer
sedert 8 november 2022
conform verklaard (cf. stu1kken 6, 7, 10, 11, 29, 32 en 60)
c. van 1 augustus 2020 (begin huur) tot 5 september 2022 (stukken 37. 49. 58 en 60)
door
ten aanzien van
(de woning nummer
), sedert 27 oktober
2022 conform verklaard (d. stukken 6, 10, 11, 29, 32, 60, 758, 87 /1 en 93)
5. De woning gelegen te
• kadastraal gekend als
la00ca. van 1 september 2020 (begin huur) tot 5 september 2022
(huiszoeking)
door
ten aanzien van
conform verklaard (cf. stukken 61, 73, 76 en 87 /1)
sedert 27 oktober 2022
6. De woningen gelegen te
kadastraal gekend als
., 1a42ca.
a. van 15 iuli 2018 tot 1 maart 2022 (stuk 10. melding wijkagent)
door
ten aanzien var
(cf. stukken 10 en 87 /1)
b. van 16 augustus 2022 tot 13 december 2022
door
ten aanzien van
62, 80, 87 /1, 89 en 105)
., sedert 26 januari 2023 conform verklaard (cf. stukken
. kadastraal gekend
7. De woningen gelegen in het pand te
filL
. 55 ca. meermaals. in meerdere malen. op niet nader
omschreven data tussen 5 januari 2016 (onderzoek Wonen Vlaanderen. cf stuk 11), minstens
vanaf 8 november 2018 (onderzoek dossier wooninspectie) tot 5 september 2022
(huiszoeking)
door
Hof van beroep Antwerpen -
-p. 8
ten aanzien van onder meer cf. stuk 87 / 1
en cf. stukken 68 en 87 /1., ten aanzien van
stukken 11, 68 en 87/ 1)
(cf.
B.
Als verhuurder, als eventuele onderverhuurder of als persoon die een woning ter
beschikking stelt, een niet-conforme won ing rechtstreeks of via tussenpersoon te hebben
verhuurd, te huur gesteld of ter beschikking gesteld met het oog op bewoning cf. art. 3.34.
Vlaamse Codex Wonen van 2021., met de omstandigheid dat van de betrokken activiteit een
gewoonte wordt gemaakt cf. artiikel 3.36, 1 ° Vlaamse Codex Wonen van 2021 (voor 1 januari
2021, strafbaar gesteld door artikelen 1, 2, 5, 7 en 20 van het decreet van 15.07.1997
houdende de Vlaamse Wooncod,e), namelijk:
Te
afdeling
en bij samenhang te
:, gerechtelijk arrondissement
de feiten g1~pleegd zijnde op de hierna vermelde plaatsen, ten aanzien
van de hierna vermelde persone~n. op de hierna vermelde data tussen 5 januari 2016 en 31
maart 2023, de feiten de voortdurende en achtereenvolgende uiting zijnde van hetzelfde
opzet
1. De woning gelegen te
, kadastraa l gekend als
. 2a28ca. van 1 mei 2019 (begin huur - structurele gebreken), minstens
vanaf 6 augustus 2021 (datum vooronderzoek cf. stukken 11 en 30) tot 5 september 2022
(dat um huiszoeking)
door
ten aanzien van
op 13 december 2022
2. De wooneenheid in het pand gelegen te
gekend als
. l aS0ca,
,, conform verklaard
• kadastraal
a. van 1 maart 2016 (pag. vonnis vederechter, plaatsopnem ing huurderssyndicaat) t ot 2
mei 2017 (pag. 10 vonnis vrederechter, plaatsopneming vrederechter)
door
Hof van beroep Antwerpen -
-p. 9
ten aanzien van
(cf. stukken 1, 11 en 36}
b. van 1 oktober 2019 (begin huur) tot 21 maart 2023 (stuk 112)
door
ten aanzien van
conform verklaard op 26 mei 2023 (cf. stukken 5, 11, 36, 64, 73, 79, 87 /1, 95 en 112)
3. De woongelegenheid. gelegen te
als
2a28ca.
• kadastraal gekend
a.
tussen 1 november 2014 en 1 augustus 2020
door
ten aanzien van
(woongelegenheid nummer 2} (cf. stuk 74}
b. van 5 augustus 2020 (begin huur, structurele gebreken), minstens vanaf 5 oktober
2021 (datum administratief onderzoek cf. stuk 11) tot 5 september 2022 (datum
huiszoeking)
door
ten aanzien van
2022 conform verklaard (cf. stukken 11, 59, 75A, 87 /1 en 91)
(woongelegenheid nummer 2), sedert 27 oktober
4. De
woongelegenheden in het pand te
kadastraal gekend als
1 3a57ca.
l.
a. van 1 mei 2013 tot 1 mei 2014
door
ten aanzien var
(de woning nummer
(cf. stuk 70}
b. van 1 augustus 2020 (begin huur. structurele gebreken). minstens vanaf 10 augustus
2021 (datum controle cf. stukken 11 en 28) tot 7 februari 2022 (verhu is)
door
ten aanzien van
(de woning
}, sedert 8 november 2022
conform verklaard (cf. stukken 6, 7, 10, 11, 29, 32 en 60)
c. van 1 augustus 2020 (begin huur) t ot 5 september 2022 (stukken 37, 49. 58, 60)
door
1,
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 10
ten aanzien van
(de woning nummer
sedert 27 oktober
2022 conform verklaard ( cf. stukken 6, 10, 11, 29, 32, 60, 758, 87 /1 en 93)
5. De woning gelegen te
kadastraal gekend als
la00ca. tussen 1 september 2020 (begin huur) tot 5 september 2022
(huiszoeking)
door
ten aanzien van
conform verklaard (cf. stukken 61, 73, 76 en 87 /1)
, sedert 27 oktober 2022
6. De woningen gelegen te
kadastraal gekend als
• la42ca.
a. van 15 juli 2018 tot 1 maart 2022 (stuk 10. melding wijkagent)
door
ten aanzien van
(cf. stukken 10 en 87 /1)
b. van 16 augustus 2022 tot 13 december 2022
door
ten aanzien van
62, 80, 87 /1, 89 en 105)
., sedert 26 januari 2023 conform verklaard (cf. stukken
. kadastraal gekend
7. De won ingen gelegen in het pand te
, 55 ca. meermaals. in meerdere malen op niet nader
.filL
omschreven data tussen 5 janua1ri 2016 (onderzoek Wonen Vlaanderen cf. stuk 11). minstens
vanaf 8 november 2018 (onderzoek dossier wooninspectie) tot 5 september 2022
(huiszoeking)
door
ten aanzien van onder meer cf. stuk 87 /1
en cf. st ukken 68 en 87 / l , ten aanzien van
stukken 11, 68 en 87 /1)
(cf.
Hof van beroep Antwerpen -
-p. 11
C.
De zaken, bedoeld in artikel 42. 3° van het Strafwetboek, namelijk vermogensvoordelen die
rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, goederen en waarden die in de plaats ervan zijn
gesteld en Inkomsten uit de belegde voordelen, te hebben omgezet of overgedragen met de
bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die
betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de
rechtsgevolgen van zijn daden,
(art. 505 lid 1. 3° Sw.)
L.k.
afdeling
door
en bij same:nhang te
gerechtelijk arrond issement
• tussen 16 januari 2018 en 20 januari 2022
nl. door het cash storten van in totaal 36.335,00 euro op rekening nummer
(cf. stukken 18, 22 en 87)
2. te
afdeling
door
en bij samenhang te
gerechtelijk arrondissement
tussen 13 juli 2018 en 19 mei 2021
nl. door het cash storten van 28"100,00 euro op de rekening nummer
(cf. stukken 19, 22 en 87)
~
afdeling
door
en bij samenhang te
:, gerechtelijk arrondissement
;, tussen 1 februari 2018 en 21 april 2022
nl. door het overschrijven van 365.950,33 euro naar de rekening nummer
(cf. stukken 17, 18, 19, 22 e:n 87)
4 . te
afdeling
datum
door
en bij same!nhang te
:, gerechtelijk arrond issement
tussen 16 januari 2018 en 20 januari 2022. op een niet nader te bepalen
nl. door het afbetalen van divers.e leningen voor een totaal van 215.314,19 euro, zijnde deel
van de gelden cf. kwalificatie 3 (c:f. stukken 18, 22 en 87)
5. te
afdeling
door
en bij samenhang te
gerechtelijk arrond issement
., tussen 8 november 2021 en 14 maart 2022
Hof van beroep Antwerpen ·
-p. 12
nl. door het afbetalen van de l,ening aan
voor een totaal van 3.300,00 euro (cf.
stukken 19, 22 en 87)
D.
De aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42.
3° van het Strafwetboek bedoelde zaken, namelijk vermogensvoordelen die rechtstreeks uit
het misdrijf zijn verkregen, goe:deren en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en
inkomsten uit de belegde voordelen, te hebben verheeld of verhuld, ofschoon hij op het
ogenblik van de aanvang van deze handelingen de oorsprong van die zaken kende of moest
kennen,
(art. 505 lid 1. 4° Sw.)
.L...k
afdeling
door
en bij samemhang te
gerechtelijk arrondissement
1, tussen 16 januari 2018 en 20 januari 2022
nl. door het cash storten van in totaa l 36.335,00 euro op rekening nummer
(cf. stukken 18, 22 en 87)
~
afdeling
door
en bij samenhang te
gerechtelijk arrondissement
., tussen 13 juili 2018 en 19 mei 2021
nl. door het cash storten van 28"100,00 euro op de rekening nummer
(cf. stukken 19, 22 en 87)
3. te
afdeling
door
en bij samE!nhang te
gerechtelijk arrondissement
tussen 1 februari 2018 en 21 april 2022
nl. door het overschrijven van 365.950,33 euro naar de rekening nummer
cf. stukken 17, 18, 19, 22 en 87)
4. te
afdeling
datum
door
en bij samenhang te
gerechtelijk arrond issement
tussen 16 januari 2018 en 20 januari 2022, op een niet nader te bepalen
nl. door het afbetalen van diverse leningen voor een t otaal van 215.314,19 euro, zijnde deel
van de gelden cf. kwa lificatie 3 (c:f. stukken 18, 22 en 87)
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 13
5. t e
afdeling
door
en bij samenhang te
gerechtelijk arrondissement
!.t.
1, t ussen 8 november 2021 en 14 maart 2022
nl. door het afbetalen van de lening aar
voor een totaal van 3.300,00 euro (cf.
stukken 19, 22 en 87)
E.
Mondeling, onder een bevel of onder een voorwaarde, iemand te hebben bedreigd met een
aanslag op personen of op eigendommen, waarop een criminele straf gesteld is,
(art. 327 lid 1 Sw.)
op 15 juni 2022
Te
door
ten aanzien van
nl. zoals omschreven in stuk 110/1 met de woorden: "a ls ze de huur niet gaat beta len, hij de
woning in brand zal steken met haa r en de kinderen erin"
Overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheic
d.d. 19 juni 2024
Ref.:
Bed rag: 285,00 euro
Overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid
d.d. 28 juni 2024
Ref. :
Bedrag: 285,00 euro
2.
Bestreden beslissing
2.1.
Bij het vonnis, op tegenspraak gewezen op 4 maart 20;~5 door de rechtbank van eerste
aanleg Limburg, afdeling Tongeren, kamer 13D, werd beslist als volgt:
Op strafgebied
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 14
Ten aanzien van
• eerste beklaagde
Verklaart tenlasteleggingen C.l., C.2., C.3., C.4., C.S., D.1., D.2., D.3., D.4. en D.5. in hoofde
van eerste beklaagde
1iet bewezen onder welke kwalificatie ook en spreekt
hem hiervoor vrij .
Verklaart eerste beklaagde
schuldig aan de vermengde feiten van de
tenlasteleggingen A.1., A.2.a., A.2.b., A.3 .a., A.3 .b., A.4.a., A.4.b., A.4.c., A.S., A.6.a., A.6.b.,
A.7., 8.1., 8.2.a., 8.2.b., 8.3.a., 8.3.b., 8.4.a., B.4.b., 8.4.c., 8.5., 8.6.a., 8.6.b., B.7. en E. en
veroordeelt hem tot:
een gevangenisstraf van 3 jaar;
een geldboete van 424.000 euro, zijnde de minimum-geldboete van 1.000 euro
vermenigvuldigd met 53 slachtoffers en verhoogd met 70 opdeciemen. Boete
vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 90 dagen.
Verleent eerste beklaagde
uitstel van tenu itvoerlegging wat betreft 400.000
euro van de geldboete voor een termijn drie jaar, zijnde 50.000 euro verhoogd met 70
opdeciemen.
Ontzet eerste beklaagde
voor een periode van vijf jaar uit de rechten vermeld
in artikel 31, lste lid Sw., dit met toepassing van artikel 433terdecies, lste lid Sw.
Veroordeelt
tot beta ling van :
een bijdrage van 1 maal 200,00 euro, zijnde de som van 1 maal 25,00 euro verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders;
een bijdrage van 26,00 euro aan het Begrotingsfonds voor
j uridische
tweedelijnsbijstand;
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 euro;
solidair met medeveroordeelde
tot de kosten van de
strafvordering, op heden begroot op 1.863,92 euro.
Hof van beroep Antwerpen•
- p. 15
Ten aanzien van
• tweede beklaagde
Verklaart tenlasteleggingen C.l., C.2., C.3., C.4., C.S., D.1., D.2., D.3., D.4. en D.5. in hoofde
van tweede beklaagde
spreekt haar hiervoor vrij.
niet bewezen onder welke kwalificatie ook en
Verklaart tweede beklaagde
schuldiig aan de vermengde feiten van de
ten lasteleggingen A.1., A.2.a., A.2.b., A.3.a ., A.3.b., A.4.a., A.4.b., A.4.c., A.S., A.6.a., A.6.b.,
A.7., B.1., B.2.a., B.2.b., B.3.a., B.3.b., B.4.a., B.4.b., B.4.c., B.5., B.6.a., B.6.b. en B.7. en
veroordeelt haar tot:
een gevangenisstraf van 1 jaar;
een geldboete van 424.000 euro, zijnde de minimum-geldboete van 1.000 euro
vermenigvuldigd met 53 slachtoffers en verhoo,gd met 70 opdeciemen. Boete
vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 90 dagen.
Verleent tweede beklaagde
uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft
de volledige hoofdgevangenisstraf voor een termijn van vijf jaar en wat betreft 414.000 euro
van de geldboete voor een termijn drie jaar, zijnde 51.750 euro verhoogd met 70
opdeciemen.
Ontzet tweede beklaagde
voor een periode van vijf jaar uit de rechten
vermeld in artikel 31, lste lid Sw., dit met toepassing van artikel 433terdecies, lste lid Sw.
Veroordeel1
tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 200,00 euro, zijnde de som van 1 maal 25,00 euro verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers va n
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders;
een bijdrage van 26,00 euro aan het Begrotingsfonds voor
juridische
tweedelijnsbijstand;
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 euro;
solidair met medeveroordeelde
tot de kosten van de strafvordering,
op heden begroot op 1.863,92 euro.
Hof van beroep Antwerpen -
-p. 16
Ten aanzien van
~erde beklaagde
Verklaart de verzwarende omstandigheid van de gewoonte bij de tenlasteleggingen A.6.a.,
A.6.b., 8.6.a. en B.6.b. in hoofde van derde beklaagde
niet bewezen.
Verklaart derde beklaagde
ivoor het overige schuldig aan de vermengde feiten
van de tenlasteleggingen A.6.a . 1:zoals beperkt), A.6.b. (zoals beperkt), 8.6.a. (zoals beperkt)
en B.6.b. (zoals beperkt) en veromdeelt haar tot:
een gevangenisstraf van 7 maanden;
een geldboete van 24.000 euro, zijnde de minimum-geldboete van 500 euro
vermenigvuldigd met 6 slachtoffers en verhoogd met 70 opdeciemen. Boet e
vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 90 dagen.
Verleent derde beklaagde
uitstel van tenu itvoerlegging wat betreft de
volledige hoofdgevangenisstraf voor een termijn van vijf jaar en wat betreft 19.000 euro van
de geldboete voor een termijn drie jaar, zijnde 2.375 euro verhoogd met 70 opdeciemen.
Veroordeelt
tot betaling van :
een bijdrage van 1 maal 200,00 euro, zijnde de som van 1 maal 25,00 euro verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddader1 en de occasionele redders;
een bijdrage van 26,00 euro aan het Begrotingsfonds voor
juridische
tweedel ijnsbijstand;
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 euro;
de kosten van de strafvordering tot op heden in haren hoofde begroot op 1/7 x
1.863,92 = 266,27 euro.
Verbeurdverklaringen
Verklaart overeenkomstig artikel 433terdiecies, 2de lid juncto 41, 1° en 43bis Sw. verbeurd
lastens eerste beklaagde
en tweede beklaagde
elk voor
hun aandeel In de volgende panelen:
te
te
2a28ca;
1a50ca;
, kadastraal gekend als
, kadastraal gekend als
Hof van beroep Antwerpen •
-p.17
, 3a57ca;
te
te
la00ca;
te
55ca.
, kadastraal gekend al5
kadastraal gekend als
, kadastraal geke!nd als
Verklaart verbeurd lastens eerste beklaagde
, tweede beklaagde
en derde beklaagde
elk voor hun aandeel in het pand te
, kadastraal gekend als
., la42ca.
Op burgerlijk gebied
1. Verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van de: burgerlijke rechtsvordering van
burgerlijke partij
Verklaart de vordering van burgerlijke partij
ontvankelijk en gegrond.
Veroordeelt eerste beklaagde
en tweede beklaagde
hoofdelijk tot:
betaling aan burgerlijke partij
van de som van 565,60 euro, te
vermeerderen met de gerechtelijke intrest aan de gewone wettelijke intrestvoet op
500,00 euro vanaf heden 4 maart 2025 tot datum d,er algehele betaling;
de kosten van de burgerlijke rechtsvordering, in hoofde van burgerlijke partij
begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 300,00 euro.
2. Verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van dei burgerlijke rechtsvordering van
burgerlijke part ijen
Verklaart de vordering van burgerlijke partij
en gegrond.
ontvankelijk
Veroordeelt eerste beklaagde
en tweede beklaagde
hoofdelijk tot:
van de som van 3.766,75 euro, te
betaling aan burgerlijke partij
vermeerderen met de gerechtelijke intrest aan de gewone wettelijke intrestvoet op
3.000,00 euro vanaf heden 4 maart 2025 tot datum der algehele beta ling;
Hof van beroep Antwerpen -
-p.18
betaling aan burgerlijke partij
van de som van 3.766,75 euro, te
vermeerderen met de gerechtelijke intrest aan de gewone wettelij ke intrestvoet op
3.000,00 euro vanaf heden 4 maart 2025 tot datum der algehele betal ing;
de kosten van de burgerliijke rechtsvordering, in hoofde van burgerlijke partij
begroot op de rec:htsplegingsvergoeding ten bedrage van 975,00 euro, tussen
hen te verdelen als volgt:
o burgerlijke partij
o burgerlijke partij
487,50 euro;
487,50 euro.
3. Verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvordering van
burgerlijke partij
Verklaart de vordering van burgerlijke partij
ontvankelij k en gegrond.
Veroordeelt eerste beklaagde
en tweede beklaagde
hoofdelijk tot:
betaling aan burgerlijke partij
van de som van 1.500,00 euro, te
vermeerderen met de gerechtelijke intrest aan de gewone wettelijke intrestvoet
vanaf heden 4 maart 2025 tot datum der algehele betaling;
de kosten van de burgerliijke rechtsvordering, in hoofde van burgerlijke partij
begroot op de re1chtsplegingsvergoeding ten bedrage van 600,00 euro.
4. Verklaart zich bevoegd om kenn is te nemen van de burgerlijke rechtsvordering van
burgerlijke partij
Verklaart de vordering van burgerlijke partij
ontvankelijk en gegrond.
Veroordeelt eerste beklaagde
en tweede beklaagde
hoofdelijk tot :
betaling aan bu rgerlijke partij
de kosten van de burgerlijke rechtsvordering, in ~ ofde ~ b ~ erlijke partij
age van 975,00
begroot op de rechtsplegingsverÎpedrr ten ~
van de som v~ ~.000 00 euro;
euro.
5. De rechtbank houdt amb1tshalve de burgerlijke belangen van mogelijke andere
benadeelden aan.
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 19
2.2.
Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg
Limburg, afdeling Tongeren:
op 25 maart 2025 door beklaagde
tegen alle beschikkingen;
op 25 maart 2025 door beklaagde
tegen alle beschikkingen;
op 25 maart 2025 door beklaagde
tegen alle beschikkingen;
op 26 maart 2025 door het Openbaar Ministerie ten opzichte van beklaagden
tegen alle beschikkingen.
2.3.
Er werd een verzoekschrift in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering ingediend
op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren:
op 25 maart 2025 door beklaagde
IRCI;
op 25 maart 2025 door beklaagde
op 25 maart 2025 door beklaagde
-
op 26 maart 2025 door het Openbaar Ministerie ten opzichte va n de beklaagden
3.
Rechtspleging voor het hof
De zaa k werd behandeld op de openbare zitting van 21 januari 2026.
Het hof heeft hierbij gehoord:
mevrouw de Voorzitter in haar verslag;
het Openbaar Ministerie in haar uiteenzetting van de zaak en in haar vordering;
burgerlijke partij
in haar middelen en haar vordering, ontwikkeld
door haar raadsman voornoemd;
burgerlij ke partijen
in hun middelen en hun
vordering, ontwikkeld door hun raadsman voornoemd;
burgerlijke partij
in haar middelen en haar vordering, ontwikkeld
door haarzelf en haar raadsman voornoemd;
Hof van beroep Antwerpen -
-p. 20
burgerlijke partij
in haar middelen en haar vordering,
ontwikkeld door haar raadsman voornoemd;
beklaagden
in hun
middelen van verdediging, ontwikkeld door hun raadslieden voornoemd alsook door
in persoon.
De door de partijen neergelegde conclusies en stukken werden in het beraad betrokken.
4.
Beoordeling van de ontvankelijkheid en de omvang van de hogere beroepen
4.1. Ontvankelijkheid van de hogere beroepen
1. De verklaringen van hoger b,eroep van de beklaagden en van het Openbaar Ministerie
werden t ijdig en regelmatig gedaan op de griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis
heeft gewezen.
2. Het verzoekschrift zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering van beklaagde
werd tijdig ingediend ter griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis
heeft gewezen en de daarin bepaalde grieven met betrekking tot de procedure, de
schuldigverklaring aan de feiten onder tenlasteleggingen Al, A2a, A2b, A3a, A3b, A4a, A4b,
A4c, AS, A6a, A6b, A7, Bl, B2a, 1B2b, B3a, B3b, B4a, B4b, B4c, BS, B6a, B6b, B7 en E (dit zijn
alle tenlasteleggingen waaraan lh ij in eerste aanleg schuldig werd verklaard), de opgelegde
straf met inbegrip van de verbeurdverklaring van de panden en de beslissi ng over alle
burgerlijke vorderingen zijn nauwkeurig.
3. Het verzoekschrift zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering van beklaagde
werd tijdig ingediend ter griffie van de rechtbank die het bestreden
vonnis heeft gewezen en de daarin bepaalde grieven met betrekking tot de procedure, de
schuldigverklaring aan de feiten onder tenlasteleggingen Al, A2a, A2b, A3a, A3b, A4a, A4b,
A4c, AS, A6a, A6b, A7, Bl, B2a, E!2b, B3a, B3b, B4a, B4b, B4c, BS, B6a, B6b en B7 {dit zijn alle
tenlasteleggingen waaraan zij in eerste aanleg schuldig werd verklaard), de opgelegde straf
met inbegrip van de verbeurdverklaring van de panden en de beslissing over alle burgerl ijke
vorderingen zijn nauwkeurig.
Hof van beroep Antwerp en -
•- p. 21
4. Het verzoekschrift zoals bedoeild In artikel 204 Wetboek van Strafvordering van beklaagde
werd tijdig inged iend ter griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis
heeft gewezen en de daarin bepaalde grieven met betrekking tot de procedure, de schu ld
aan de ten lasteleggingen A6a, A6b, B6a en 8Gb (dit zijn alle tenlasteleggingen waaraan zij in
eerste aanleg schu ldig werd verklaard) en de opgelegde straf met inbegrip van de
verbeurdverklaring van de panden zij n nauwkeurig.
5. Het verzoekschrift zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering van het
Openbaar Ministerie ten opzich1te van beklaagde
werd tijdig ingediend ter
griffie van de rechtbank die he1t bestreden vonnis heeft gewezen en de daarin bepaalde
grieven met betrekking tot die vrijspraak van de beklaagde voor de feiten onder
tenlasteleggingen Cl tot en met ICS en Dl tot en met OS en de straf zijn nauwkeurig.
6. Het verzoekschrift zoals bedloeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering van het
Openbaar Ministerie ten opziclhte van beklaagde
werd tijdig
ingediend ter griffie van de rech1tbank die het bestreden vonn is heeft gewezen en de daarin
bepaalde grieven met betrekking tot de vrijspraak van de beklaagde voor de feiten onder
tenlasteleggingen Cl tot en met ICS en Dl tot en met D5 en de straf zijn nauwkeurig.
7. Het verzoekschrift zoals bedloeld in arti kel 204 Wetboek van Strafvordering van het
Openbaar Ministerie ten opzicht e van beklaagde
werd tijdig ingediend ter
griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen en de daarin bepaalde
grieven met betrekking tot het niet-bewezen ve rklaren van de verzwarende omstandigheid
van de gewoonte bij de feiten onder tenlasteleggingen AGa, AGb, B6a en B6b en de straf zijn
nauwkeurig.
8. De hogere beroepen van de beklaagden en van het Openbaar Ministerie zijn regelmatig
naar vorm en termijn en zijn ontvankelijk, gelet op het bovenstaande.
4.2. Omvang van de hogere beroepen
Het hof heeft ambtshalve geen grieven van openba re orde opgeworpen zoals bedoeld in
artikel 210, tweede lid Wetboek van Strafvordering.
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 22
Bij het bestreden vonnis werd de verzwarende omstandigheid dat van de activiteiten onder
ten lasteleggingen A6a, A6b, 86a en 86b een gewoonte werd gemaakt, niet bewezen
verklaard ten aanzien van de derde beklaagde
. Het Openbaar Ministerie
voerde in haar grievenformulier een uitdrukkelijke grief tegen deze beslissing aan, maar
deed ter zitting van 21 januari 2026 ondubbelzinnig afstand van deze grief. Het hof stelt deze
afstand vast en verleent hiervan akte, waardoor de be1trokken beslissing van de eerste
rechter definitief komt vast te staan.
Gelet op de overwegingen onder rubriek 4.1. van dit arrest strekt de rechtsmacht van het
hof zich daarom nog uit tot de beoordeling van:
de procedure;
de beschikkingen van het bestreden vonnis op strafrechtelijk gebied die betrekking
hebben op de schuld van beklaagden
aan alle hen ten laste gelegde feiten en op de straf ten aanzien van deze beklaagden
met inbegrip van de opgelegde verbeurdverklaring van onroerende goederen;
de beschikkingen van het bestreden vonnis op str;afrecht elijk gebied die betrekking
hebben op de schuld van beklaagde
aan alle haar ten laste gelegde
feiten, met uitzondering van de verzwarende omstandigheid van de gewoonte,
alsook op de straf ten aanzien van deze beklaagd,e met inbegrip van de opgelegde
verbeurdverklaring van een onroerend goed;
alle beschikkingen van het bestreden vonnis op burgerrechtelijk gebied.
5.
Beoordeling van de procedure
5.1.
Recht van verdediging
Alle beklaagden kruisten op hun grievenformulier de rubriek procedure aan en vulden als
reden in dat hun recht van verdediging geschonden was.
Deze grief werd door de beklaagden evenwel niet verder uitgeweFkt, noch in hun
syntheseconclusie, noch mondeling t ijdens de behandeling ten gronde. Hierover werden
geen verdere middelen ontwikkeld, noch en ige vordering, verweer, exceptie of rechtsgevolg
geformuleerd. Het staat niet aan de rechter om dat in de plaats van de beklaagden te doen,
zodat deze grief geen verder antwoord behoeft.
Hof van beroep Antwerpen -
•- p. 23
Louter ten overvloede stelt het hof vast dat de beklaagden in hoger beroep alle kansen
hebben gekregen om hun recht van verdediging volwaardig uit te oefenen, alle gewenste
middelen naar voren te brengen,. alle regelmatig tegen hen aangevoerde gegevens vrij tegen
te spreken en elk voor hen gunstig verweer te doen gelden, zodat er dienaangaande geen
enkele procedurele inbreuk voorligt.
Het recht van verdediging van de· beklaagden werd derhalve niet miskend.
5.2. Non bis in idem
Beklaagden
werpen in hun syntheseconclusie op
dat zij bij het arrest d.d. 15 september 2021 van deze kamer van het hof van beroep te
Antwerpen reeds werden veroo1rdeeld voor de feiten onder tenlastelegging 82a. Zij voeren
een schending van het algemeen beginsel 'non bis in idem' aan en stellen dat de
strafvordering met betrekking tot deze tenlastelegging daarom onontvankelijk is.
Artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten
(IVBPR} bepaalt dat niemand vo,or een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor
een strafbaar feit waarvoor hij reieds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land
bij einduitspraak is veroordeeld en waarvan hij is vrijgesproken.
Krachtens artikel 4.1 van het Zevende Aanvullend Protocol bij het EVRM wordt niemand
opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van
dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of
veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat.
Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde draagwijdte.
Uit deze bepalingen en dit algemene rechtsbeginsel volgt dat een tweede vervolging
verboden is wegens identieke feiten of substantieel dezelfde feiten die na een eerste
vervolging hebben geleid tot een onherroepelijke beslissing van veroordeling of vrijspraak en
voor zover die vervolgingen betn~kking hebben op dezelfde persoon.
Onder identieke of substantieel dezelfde feiten moet worden verstaan een geheel van
concrete feitelijke omstand igheden die onlosmakelijk in tijd en ruimte of naar voorwerp of
aard met elkaar verbonden zijn.
Hof van beroep Antwerpen -
-p. 24
De rechter beoordeelt in het licht van de gegevens van de zaak welke feiten bij hem
aanhangig zijn gemaakt en of die feiten identiek of substantieel dezelfde zijn als deze die het
voorwerp waren van een eerdere strafvervolging die is beëindigd met een onherroepelijke
beslissing van vrijspraak of veroordeling. Daarbij moet de rechter acht slaan op de feitelijke
gedragingen en de werkelijk beidoelde omstandigheden waarop de eerste strafvervolging
betrekking heeft (vergelijk Cass. 27 juni 2023,
Bij het arrest van 15 september 2021 van het hof van beroep Antwerpen (kamer C4), dat in
kracht van gewijsde is getreden, werden beklaagden
definitief veroordeeld voor een inbreuk op artikel 5 van de Vlaamse Wooncode,
door als verhuurders een woning met het oog op bewoning te hebben verhuurd terwijl deze
niet voldeed aan de elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten. Dit
misdrijf werd gepleegd gedurende de periode van 1 november 2015 (aanvang verhuur) tot 1
november 2018 (einde verhuur) en het voorwerp ervan was de woning te
Uit het arrest blijkt dat de woning verhuurd werd aan huidige burgerlijke
partij
De feiten waarvoor dezelfde beklaagden
thans
worden vervolgd onder tenlastelegging 82a hebben betrekking op hetzelfde misdrijf, met als
voorwerp dezelfde won ing te
en ten nadele van dezelfde
persoon
. Deze fteiten worden gesitueerd in de periode van 1 maart 2016 tot
2 mei 2017, welke periode volledig valt binnen de incriminatieperiode die in het vermeld
arrest van 15 september 2021 w,?erhouden werd.
De huidige strafvervolging van beklaagden
en
onder tenlastelegging B2a heeft dan ook betrekking op identiek dezelfde feiten als deze
waarvoor zij reeds definitief ve roordeeld werden bij het voornoemd arrest van 15
september 2021. Een tweede ve1rvolging voor die feiten is derhalve onontvankelijk.
Hetzelfde geldt ook voor de feiten onder tenlastelegging A2a, met dien verstande dat het
daarbij niet gaat om identiek dezelfde feiten, maar wel om substantieel dezelfde feiten als
deze die reeds definitief beoordeeld zijn bij het arrest van 15 september 2021. Het gaat
daarbij immers om een geheel van concrete feitelijke omstandigheden die onlosmakelijk in
tijd en ruimte en naar voorwerp met elkaar verbonden zijn.
Hof van beroep Antwerpen -
-p. 25
6.
Beoordeling ten gronde -- op strafrechtelijk gebied - met betrekking tot de schuld
6.1.
Tenlastelegging B- blijvemde strafbaarheid
In de mate dat de vervolgde feit,en onder de tenlasteleggingen 81 tot en met 87 zouden zijn
gepleegd voor 1 januari 2021, is de strafvervolging ervan gesteund op artikel 20, § 1 Vlaamse
Wooncode.
Met ingang van 1 januari 2021 werd deze bepaling gewijzigd bij artikel 15, 1° en 2° van het
decreet van 29 maart 2019 tot w ijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende
bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, het decreet van 15 juli 1997 houdende de
Vlaamse Wooncode en de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
Op 1 januari 2021 trad ook h1~t besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2020 tot
codificatie van de decreten bE~treffende het Vlaams Woonbeleid in werking. Hierdoor
worden de decreten over het Vlaamse woonbeleid, waaronder de Vlaamse Wooncode,
gecodificeerd als "Vlaamse Codex Wonen van 2021".
Samen met de eerste rechter stelt het hof vast dat de ten laste gelegde feiten sub 81 tot en
met 87 ook na deze wijzigingen principieel strafbaar blijven onder de artikelen 3.34 en 3.36
Vlaamse Codex Wonen van 2021.
Het hof stelt nu al vast dat de strafmaat gelij k is gebleven.
6.2. Woning te Leopoldsburg" Corspelsestraat 45 (tenlasteleggingen Al en B1)
Op grond van de voorliggende gegevens van het strafdossier en na nieuw onderzoek ter
terechtzitting acht het hof de schuld van beklaagden
aan het feit onder tenla,stelegging B1 bewezen gebleven.
Uit een technisch verslag van 6 augustus 2021 blijkt dat de won ingcontroleur van
op dat ogenblik diverse gebreken van categorie Il of 111 vaststelde
aan zowel het gebouw als aan de woning, zoals de afwezigheid of gebrekkigheid van
rookmelders (cat. Il), het veelvuldig voorhanden zijn van ernstige (cat. Il) en zeer ernstige
(cat. 111) vochtschade door condenserend vocht met sch immelvorming, de afwezigheid van
voldoende geaarde stopcontact,en in de keuken (cat. Il), de afwezigheid van afdekplaatjes
aan stopcontacten wa ardoor dra1den aanraakbaar waren met risico op elektrocutie (cat. 111).
Hof van beroep Antwerpen •
-p. 26
De beklaagden houden voor dat zij geen kennis hadden van deze gebreken en dat deze
evengoed na aanvang van de huur kunnen zijn veroorzaakt door de huurders.
Evenwel stelde de woningcontroleur op 6 augustus 2021 ook in de badkamer met wc vast
dat het plafond zeer ernstig was aangetast door condensatie en schimmelvorming. De
stelling van de beklaagden dat condenserend vocht zulke schade kan veroorzaken door een
gebrek aan verluchting is aannemelijk, maar dat is in dit geval niet te wijten aan de huurders.
Huurder
gaf tijdens zijn verhoor op 17 september 2021 aan dat de
badkamer was beschimmeld omdat hij niet kón verluchten, hetgeen de woningcontroleur
bevestigde: "de badkamer heeft een vast raam en een buitendeur. Deze buitendeur geeft
rechtstreeks uit op de straat en dus kan deze niet gebruikt worden om te verluchten. Er zijn 2
gaten gemaakt in de badkamer (1
in muur en 1 in plafond). Hier is echter geen
verluchtingssysteem op aangesloten".
De vastgestelde vochtschade met schimmelvorming maakt een gebrek van categorie 111 uit,
zijnde volgens de definitie van artikel 3.1, § 1, derde lid, Vlaamse Codex Wonen van 2021
een ernstig gebrek dat mensonwaardige levensomstandigheden veroorzaakt of dat een
direct gevaar vormt voor de veiligheid of de gezondheid! van de bewoners, waardoor de
woning niet in aanmerking komt voor bewoning. Dit gebrek werd onmiskenbaar veroorzaakt
door een structureel probleem (namelijk een gebrek aan de mogelijkheid om te verluchten)
dat reeds aanwezig moet geweest zijn bij aanvang van de huur op 1 mei 2019.
Uit de geloofwaardige verklaring van bewoner
van 11 maart 2022 blijkt
dat zelfs het gevolg van dit gebrek (schimmelvorming) al aanwezig was bij aanvang van de
huur. Uit haar beschrijving volgt met zekerheid dat dit gebrek op dat ogenblik al een
zodanige omvang had dat het minstens onder categorie Il (ernstig) viel, en in principe dus
verhuur met het oog op bewon ing uitsloot.
Nu boven elke redelijke twijfel vaststaat dat op 1 mei 2019 minstens één gebrek van
categorie Il aanwezig was, wordt de aanvang van de incriminatieperiode definitief bepaald
op die datum, die vermeld wordt in zowel de verwijzingsbeschikking als het bestreden
vonnis. Beide akten maken daarnaast nog melding van een alternatieve aanvangsdatum
"minstens vanaf 6 augustus 2021", dewelke door het hof niiet wordt bijgetreden.
Hof van beroep Antwerpen •
-p. 27
Het gebrek van de vochtschade met schimmelvorming in ,de badkamer bestond nog steeds
bij het woningkwaliteitsonderzoek van de wooninspecteur op 17 september 2021. Op grond
van zijn vaststellingen stelde de wooninspecteur op 9 deeiember 2021 een herstelvordering
met een omstandige opsomming van alle tekortkomingen op, dewelke op dezelfde datum
aan de beklaagden werd meegedeeld.
Alhoewel de beklaagden vanaf dat ogenblik onmiskenbaar kennis hadden van alle gebreken
van categorie Il en 111, zelfs van deze waarvan zij vonden dat de huurders er verantwoordelijk
voor waren, en dus wisten dat het verboden was om de woning nog verder te verhuren met
het oog op bewoning, bleven zij de verhuur onverminderd verderzetten, en dit zonder de
tekortkomingen op te lossen.
Deze wederrechtelijke houding bleef nog minstens voortduren tot 5 september 2022, zijnde
de datum van een navolgende technische controle door de wooninspecteur, waarmee
terecht het einde van de incriminatieperiode voor t enlastelegging B1 samenvalt. Uit het
verslag van die controle bleek onder meer dat de meeste gebreken van categorie 111 die op
17 september 2021 waren aangetroffen, nog steeds aanwezig waren bij de controle van 5
september 2022, niettegenstaande enkele gebreken eenvoudig op te lossen waren door bijv.
stopcontacten vast in de muur te monteren, afdekplaatjes op de stopcontacten aan te
brengen en de gootsteen op de waterafvoerbuis aan te sluiten.
Gedurende de gehele incriminatieperiode voldeed de woning niet aan de elementaire
veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten van ,artikel 5, § 1, Vlaamse Wooncode,
en vanaf 1 januari 2021 van artikel 3.1, § 1, Vlaamse Codex Wonen van 2021. Gedurende
deze gehele periode vertoonde deze woning immers minstens één gebrek van categorie Il of
111, zodat zij niet-conform was in de zin van artikel 2, § 1, eerste lid, 4° bis, Vlaamse
Wooncode en later van artikel 1.3, § 1, 7°, Vlaamse Co,dex Wonen van 2021. Artikel 20
Vlaamse Wooncode en later artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021 stellen het
verhuren van een niet-conforme woning met het oog op bewoning strafbaar.
Beklaagden
waren gedurende die gehele
periode de eigenaars van het betreffend goed. Zoa ls hoger vermeld was de gebrekkige
toestand van het gebouw en van de daarin gelegen woning aan hen bekend. Zij wisten dat
de woning in de beschreven toestand niet mocht worden verhuurd, minstens dienden zij dit
te weten. Desondanks hebben zij de woning toch verhuurd en werd deze ook effectief
bewoond gedurende de in de tenlastelegging vermelde inciriminatieperiode.
Hof van beroep Antwerpen •
-p. 28
Het feit dat de beklaagden nadien alsnog inspanningen hebben geleverd om het gebouw en
de woning in orde te krijgen, doet niets af aan het bewijs van de gebrekkige toestand t ijdens
de onder de tenlastelegging vermelde incriminatieperiode.
Net als de eerste rechter besluit het hof derhalve tot s,chuldigverklaring van beklaagden
aan het misdrijf bedoeld onder tenlastelegging
B1, waarvan alle constitutieve bestanddelen ten aanzien van hen bewezen zijn.
Verder zal het hof ook de verzwarende omstandigheid bewezen achten dat de beklaagden
een gewoonte hebben gemaakt van de betrokken activi1teit, hetgeen met een zwaardere
straf wordt strafbaar gesteld in artikel 20, § 1, derde lid Vlaamse Wooncode, alsook vanaf 1
januari 2021 in artikel 3.36 Vlaamse Codex Wonen van 2021.
In het kader van de verhuur van deze gebrekkige woning aan huurders
en hun kinderen acht het hof de beklaagden niet schuldig aan het misdrijf
huisjesmelkerij (feit onder tenlastelegging Al).
De beide ouders beschikten over een vaste tewerkstelling, terwijl er geen elementen
worden aangebracht die een kwetsbare
toestand 1ten gevolge van één van de
omstandigheden zoals omschreven in artikel 433decies Strafwetboek aannemelijk maken,
laat staan aantonen.
Uit het gebrek aan bewijs van deze kwetsbare toestand vo,lgt dat ook niet is aangetoond dat
de verhuurders deze toestand vervolgens zouden hebben misbruikt met de bedoeling om
een abnormaal profijt te realiseren, hetgeen een wezenlijk bestanddeel is van het vervolgd
misdrijf.
De beklaagden worden derhalve vrijgesproken voor het feit onder tenlastelegging Al.
6.3. Woning te Leopoldsburg, Boskantstraat 158 (tenlasteleggingen A2b en B2b)
Op grond van de voorliggende gegevens van het strafdossier en na nieuw onderzoek ter
terechtzitting acht het hof de schuld van beklaagden
aan het feit onder tenlastelegging B2b bewez:en gebleven, zij het tijdens een
kortere periode dan door de eerste rechter werd aangenomen (zie verder).
Hof van beroep Antwerpen •
-p. 29
Uit een technisch verslag van 5 september 2022 van de woningcontroleur bij het agentschap
Wonen-Vlaanderen blijkt dat in het gebouw de vereiste rookmelders niet aanwezig waren en
in de woning de vereiste dakisolatie ontbrak. Bovendien waren in de badkamer een lichtpunt
en een stopcontact vlak bij het bad geplaatst, terwijl de voorgeschreven afstand minstens 60
cm van de badrand bedroeg. Dit leverde telkens een ernstig gebrek van categorie Il op. De
verhuurder was verantwoordelijk voor deze gebreken, die omwille van hun aard al aanwezig
waren op het ogenblik waarop de verhuur werd aangevat.
De bewering van de beklaagden dat het ophangen van een lichtpunt in de badkamer door de
huurders moet zijn gebeurd omdat dit gebrek niet aanwe2:ig was t ijdens de eerste controle,
berust op een onjuiste lezing van het hierboven vermeld technisch verslag.
De huurovereenkomst vermeldt als aanvangsdatum 1 augustus 2020. Het feit dat huurster
tijdens haar verhoor op 5 september 2022 verklaarde dat zij er al drie
jaar woonde, is bij gebrek aan ondersteunende objectieve bewijselementen onvoldoende
om aan te nemen dat de verhuur op een vroegere datum werd aangevat. Daarom beperkt
het hof de incriminatieperiode tot de periode van 1 august1us 2020 tot 21 maart 2023.
Het hof houdt geen rekening met de gebrekkige aansluiting van de kookplaat in de keuken,
ook al vormt dit een gebrek van categorie 111 dat een risico op elektrocutie oplevert. Het
blijkt immers dat de huurder deze keuken zelf heeft geiïnstalleerd, zodat de verhuurder
hiervoor niet verantwoordelijk kan worden gesteld. Uit het strafdossier blijkt niet of deze
installatie al dan niet voorafgaand aan de intrede van de !huurder gebeurde, zodat ook niet
met zekerheid kan worden vastgesteld dat de verhuurde woning op dat ogenblik niet over
een keuken beschikte, hetgeen op zichzelf aanleiding zou geven tot onbewoonbaarheid.
De inhoud van de vorige alinea doet geen afbreuk aan de strafbaarheid van het onder
tenlastelegging B2b bedoeld feit, nu hoger al is gebleken dat het gebouw dan wel de daarin
gelegen woning minstens één gebrek van categorie Il vert•oonde, zodat zij niet conform was
en dus niet in die staat verhuurd mocht worden.
De beklaagden waren eigenaars van de woning en wisten dat er geen rookmelders en geen
dakisolatie aanwezig waren en dat in de badkamer een lichtpunt en een stopcontact te dicht
bij de badrand geplaatst waren . Zij wisten ook of hadden minstens moeten wet en dat dit
gebreken van categorie Il waren en dat het dus verboden was om de won ing in die toestand
te verhuren met het oog op bewoning. Het hof wijst er in dit verband op dat voor het
bestaan van het ten laste gelegd misdrijf geen algemeen, noch een bijzonder opzet vereist.
Hof van beroep Antwerpen•
-p. 30
Het moreel bestanddeel van onachtzaamheid of een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid
is voldoende voor een strafrechtelijke beteugeling.
Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de door de beide partijen
ondertekende huurovereenkomst in artikel 8 vermeldt dat het goed werd geleverd in goede
staat van onderhoud, veiligheid, hygiëne en bewoonbaarheid. Voor zover dit beschouwd zou
kunnen worden als een werkellijke en vrijwillige toestemming van de huurders, vrij van
wilsgebreken, neemt dit het wederrechtelijk karakter van de gedraging niet weg en maakt
het deze gedraging niet geoorloofd. Strafwetten zijn immers van openbare orde, nu zij de
kern van de maatschappelijkE~ orde bewaken, welke principe eveneens geldt voor
strafwetten die ook private belangen willen beschermen. Daarom is elke overeenkomst die
tot doel of voor gevolg heeft om de draagwijdte van een strafwet te wijzigen, het
toepassingsgebied
ervan
in
te perken, de
dader
van
zijn
strafrechtelijke
verantwoordelijkheid te ontslaan of zelfs een misdrijf te doen begaan, ongeldig. Het spreekt
voor zich dat voor het thans vervolgd misdrijf een gebrek aan toestemming geen constitutief
bestanddeel vormt.
Deze wederrechtelijke toestand bleef nog minstens voortduren tot 21 maart 2023, zijnde de
datum van een navolgende technische controle door de wooninspecteur, waarmee terecht
het einde van de incrimlnatiepe1rlode voor tenlastelegging 82b samenvalt. Uit het technisch
verslag van de woningcontroleur blijkt onder meer dat op dat ogenblik nog altijd niet kon
worden vastgesteld dat de woning over de vereiste dakisolatie beschikte en dat in de
badkamer ook nog steeds niet h,et lichtpunt was verplaatst of minstens was beveiligd op een
andere toegelaten manier.
Gedurende de gehele (hoger beperkte) incriminatieperiode voldeed de woning derhalve niet
aan de elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten van artikel 5, § 1,
Vlaamse Wooncode, en vanaf 1 januari 2021 van artikel 3.1, § 1, Vlaamse Codex Wonen van
2021. Gedurende deze gehele pi~riode vertoonde deze woning immers minstens één gebrek
van categorie Il of 111, zodat zij niet-conform was in de zin van artikel 2, § 1, eerste lid, 4° bis,
Vlaamse Wooncode en later van art ikel 1.3, § 1, 7°, Vlaamse Codex Wonen van 2021.
Artikel 20 Vlaamse Wooncode en later artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021 stellen
het verhuren van een niet-conforme woning met het oog op bewoning strafbaar.
Beklaagden
waren gedurende die gehele
periode de eigenaars van het !betreffend goed. Zoals hoger vermeld was de gebrekkige
toestand van het gebouw en van de daarin gelegen woning aan hen bekend.
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 31
Zij wisten dat de woning in de beschreven toestand niet mocht worden verhuurd, minstens
dienden zij dit te weten. Desondanks hebben zij de woning toch verhuurd en werd deze ook
effectief bewoond gedurende d,e in de tenlastelegging vermelde incriminatieperiode, zoals
hoger beperkt.
Het feit dat de beklaagden nad iE!n alsnog inspanningen hebben geleverd om het gebouw en
de woning in orde te krijgen, doet niets af aan het bewijs van de gebrekkige toestand tijdens
de onder de tenlastelegging vermelde incriminatieperlode, zoals hoger beperkt.
Net als de eerste rechter beslU1it het hof derhalve tot schu ldigverklaring van beklaagden
aan het misdrijf bedoeld onder tenlastelegging
B2b, waarvan alle constitutieve bestanddelen ten aanzien van hen bewezen zijn, weliswaar
gedurende de kortere periode van 1 august us 2020 tot 21 maart 2023.
Verder za l het hof ook de verzwarende omstandigheid bewezen achten dat de beklaagden
een gewoonte hebben gemaakt van de betrokken activiteit, hetgeen met een zwaardere
straf wordt strafbaar gesteld in artikel 20, § 1, derde lid Vlaamse Wooncode, alsook vanaf 1
januari 2021 in artikel 3.36 Vlaamse Codex Wonen van 2021.
In het kader van de verhuur van deze gebrekkige woning aan huurders
en hun twee kinderen acht het hof de beklaagden niet schuldig aan
het misdrijf huisjesmelkerij (feit onder tenlastelegging A2b).
Het staat geenszins vast dat deze huurders in een kwetsbare toestand verkeerden ten
gevolge van één of meerdere omstandigheden zoals omschreven in artikel 433decies
Strafwetboek, waarvan de beklaagden vervolgens misbruik hebben gemaakt om een
abnormaa l profijt te realiseren.
Beide ouders beschikten over een vaste tewerkstelling, terwij l er geen elementen worden
aangebracht die een kwetsbare toestand ten gevolge van één van de omstandigheden zoals
omschreven in artikel 433decie·s Strafwetboek aannemelijk maken, laat staa n aantonen.
Huurster
omschreef beklaagde
bovendien als een
goede huisbaas en verklaarde dat zij tevreden was met de ligging van de won ing, omdat haar
echtgenoot in
werkte en de school van de ki nderen vlakbij was.
Hof van beroep Antwerpen •
-p. 32
Daarenboven is evenmin het bewijs geleverd dat de beklaagden de woning verhuurden in
omstandigheden die in strijd waren met de menselijke waardigheid. De bewijsnorm voor dit
gegeven is naar het oordeel van het hof strenger dan een loutere niet-conformiteit aan de
normen van de Vlaamse Wooncode, thans de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
De beklaagden worden derhalve vrijgesproken voor het fei1t onder tenlastelegging A2b.
6.4. Woning te
(tenlasteleggingen A3b en B3b)
Op grond van de voorliggende gegevens van het strafdo-ssier en na nieuw onderzoek ter
terechtzitting acht het hof de schuld van beklaagder
aan het feit onder tenlastelegging B3b bewezen g,ebleven.
Uit een
technisch verslag van een onderzoek op 5 oktober 2021 blijkt dat de
woningcontroleur van Wonen
op dat ogenblik vijf gebreken van categorie Il
vaststelde aan de won ing, namel ij k vochtschade door condenserend vocht met
schimmelvorming, een lekkende afvoer van de gootsteen,. een lekkende toiletpot, risico op
elektrocut ie ingevolge ontbrekende afdekplaatjes van stopcontacten in de living en de
slaapkamer en tenslotte de afwezigheid van rookmelders.
Deze gebreken zijn op zichzelf niet structureel te noemen, zodat uit hun aard niet kan
worden afgeleid dat zij al aanwezig moeten zijn geweest bij de aanvang van de huur op 5
augustus 2020. Wel staat in de huurovereenkomst onder artikel 8 (plaatsbeschrijving)
uitdrukkelijk de opmerking 'deksels van enkele stopcontacten zijn weg' bijgeschreven,
hetgeen zonder twijfel refereert naar de ontbrekende afdekplaatjes die 14 maanden later
door de woningcontroleur zouden worden vastgesteld. Hieiruit leidt het hof af dat dit gebrek
van categorie Il wel reeds aanwezig was bij aanvang van de· huur.
Ook staat boven elke redelijke twijfel vast dat de beklaag:den er niet voor hebben gezorgd
dat de woning tijdens de periode van verhuur beschikte over de wettelijke vereiste
rookmelders, waarvoor zij exclusief verantwoordelijk zijn. Dit is eveneens een gebrek van
categorie ll.
Hof van beroep Antwerpen -
• p. 33
Nu boven elke redelijke twijfel vaststaat dat op 5 augustus 2020 minstens één gebrek van
categorie Il aanwezig was, wordt de aanvang van de incriminatieperiode definitief bepaald
op die datum, die vermeld wo,rdt in zowel de verwijzingsbeschikking als het bestreden
vonnis. Beide akten maken daarnaast nog melding van een alternatieve aanvangsdatum
"minstens vanaf 5 oktober 2021'·', dewelke door het hof dus niet wordt bijgetreden.
Aangezien de ontbrekende afdekplaatjes in de door hem ondertekende huurovereenkomst
vermeld staat, kan beklaagde
niet voorhouden dat hij geen kennis had van
dit gebrek van categorie ll. Hetzelfde gaat evenwel ook op voor beklaagde
ook al staat zij niet op, de huurovereenkomst vermeld als verhuurder en heeft zij
deze niet mee ondertekend, nu zij kennis had van de staat van de woning die door haar als
eigenaar ter beschikking werd gesteld voor verhuur. Beiden wisten ook dat de woning had
moeten worden uitgerust met een of meerdere rookmelders alvorens deze werd verhuurd.
De beklaagden werden per aang,etekend post in kennis gesteld van het techn isch verslag van
het onderzoek d.d. 5 oktober .2021 van de won ingcontroleur van Wonen
Hun
bewering dat enkele andere gehreken van categorie Il die door de woningcontroleur waren
vastgesteld, door de huurders zouden zijn veroorzaakt tijdens hun bewoning, is niet van alle
geloofwaardigheid ontbloot, nu deze enerzijds niet vermeld stonden op de
plaatsbeschrijving, en anderzijds een vonn is van 8 juli 2022 van de vrederechter te
voorligt waaruit blijkt dat de huurders op meerdere vlakken tekortschoten in het nakomen
van hun verplichtingen, ondeir meer door de woning slecht te ventileren en door
verluchtingsroosters niet te hebben gebruikt en op één plaats zelfs te hebben dichtgeplakt.
Deze omstandigheid doet evenwel geen afbreuk aan het gegeven dat er bij aanvang van de
huur de hoger vermelde twee andere gebreken van categorie Il aanwezig waren, hetgeen
bijgevolg een verhuur met het oog op bewoning uitsloot, én dat deze toestand nog
ongewijzigd was bij de controle van 5 oktober 2021.
Het hof hecht geen geloof aan de bewering van de beklaagden dat uit onbeantwoorde
ingebrekestellingen blijkt dat zij de gebreken wilden herstellen maar dat de huurders hen
niet toelieten. In de tweede en laatste ingebrekestelling, gedateerd op 27 juni 2021, wordt
inderdaad gevraagd om enkele data mee te delen waarop
mocht
langskomen om de opmerking,en in de plaatsbeschrijving op te lossen. De beklaagden
woonden zelf boven het verhuurde pand en hadden zonder twijfel voldoende gelegenheid
om zich met enkele afdekplaatjes en rookmelders aan te bieden of deze desnoods aan de
huurders te bezorgen zodat zij deze zelf konden aanbrengen en zo de onveilige situatie
verhelpen.
Hof van beroep Antwerpen •
-p. 34
Deze wederrechtelijke houding bleef nog minstens voortdtJren tot 5 september 2022, zijnde
de datum van een navolgende technische controle door de wooninspecteur, waarmee
terecht het einde van de incriminatieperiode voor tenlas;telegging B3b samenvalt. Uit het
verslag van die controle bleek onder meer dat er oip dat ogenblik nog steeds een
afdekplaatje ontbrak aan een stopcontact in de woonkamer en dat er nog steeds geen
rookmelders hingen.
Gedurende de gehele incriminatieperiode voldeed de woning dan ook niet aan de
elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten van artikel 5, § 1,
Vlaamse Wooncode, en vanaf 1 januari 2021 van artikel 3.1, § 1, Vlaamse Codex Wonen van
2021. Gedurende deze gehele periode vertoonde deze woning immers minstens één gebrek
van categorie Il, zodat zij niet-conform was in de zin van artikel 2, § 1, eerste lid, 4° bis,
Vlaamse Wooncode en later van artikel 1.3, § 1, 7°, Vlaamse Codex Wonen van 2021. Artikel
20 Vlaamse Wooncode en later artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021 stellen het
verhuren van een niet-conforme woning met het oog op bewoning strafbaar.
Beklaagder
waren gedurende die gehele
periode de eigenaars van het betreffend goed. Zoals h1oger vermeld was de gebrekkige
toestand van het gebouw en van de daarin gelegen woning aan hen bekend. Zij wisten dat
de woning in de beschreven toestand niet mocht worden verhuurd, minstens dienden zij dit
te weten. Desondanks hebben zij de woning toch verh1uurd en werd deze ook effectief
bewoond gedurende de in de tenlaste legging vermelde incriminatieperiode.
Net als de eerste rechter beslu it het hof derhalve tot schuld igverklaring van beklaagden
aan het misdrijf bedoeld onder tenlastelegging
B3b, waarvan alle constitutieve bestanddelen ten aanzien van hen bewezen zijn .
Verder zal het hof ook de verzwarende omstandigheid bEiwezen achten dat de beklaagden
een gewoonte hebben gemaakt van de betrokken activiteit, hetgeen met een zwaardere
straf wordt strafbaar gesteld in artikel 20, § 1, derde lid Vlaamse Wooncode, alsook vanaf 1
januari 2021 in artikel 3.36 Vlaamse Codex Wonen van 2021.
In het
en hun vier
aan het misdrijf huisjesmelkeriij (feit onder tenlastelegging A3b).
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 35
Het staat geenszins vast dat deze huurders in een kwE?tsbare toestand verkeerden ten
gevolge van één of meerdere omstandigheden zoals omschreven in artikel 433decies
Strafwetboek, waarvan de beklaagden vervolgens misbru ik hebben gemaakt om een
abnormaal profijt te realiseren.
De toestand van
is weliswaar meer kwetsbaar geworden toen haar echtgenoot
eind december 2021 de woning verliet en naar
terugkeerde, maar dit is een
onvoorziene omstandigheid die zich pas lopende de huurovereenkomst heeft voorgedaan en
waarvan de beklaagden geen misbruik hebben gemaakt om een abnormaal profijt te
rea liseren.
Hoger is gebleken dat er doorheen de gehele incriminatie1Periode gebreken konden worden
vastgesteld, die evenwel van relatief beperkt ernst waren, en in geen geval omstandigheden
hebben opgeleverd die in strijd waren met de menselijke waard igheid. De bewijsnorm voor
dit gegeven is naar het oordee l van het hof immers strenger dan een loutere niet
conformiteit aan de normen van de Vlaamse Wooncode, thans de Vlaamse Codex Wonen
van 2021.
Het ontbreken van rookmelders en van afdekplaatjes van stopcontacten tasten de
menselijke waardighe id niet aan, terwijl van enkele andere gebreken zelfs is vastgesteld dat
deze eerder aan een gebrek aan onderhoud door de huurders te wijten waren .
De beklaagden worden derhalve vrijgesproken voor het feit onder tenlastelegging A3b.
6.5. Woning te
(tenlasteleggingen A3a en B3a)
Op grond van de voorliggende gegevens van het strafdo,ssier en na nieuw onderzoek ter
terechtzitting acht het hof de schuld van beklaagden
aan het feit onder tenlastelegging 83a niet bewezen.
, zonder dat deze wordt ondersteund
De loutere verklaring van huurder
door enig objectief bewijselement, is niet voldoende om boven elke redelijke twijfel te
besluiten tot de schuld van de beklaagden aan een t1~chn ische aangelegenheid als de
verhuur van een niet-conforme woning, dit is een woning die behept is met gebreken van
categorie Il of 111.
Hof van beroep Antwer pen •
-p. 36
Tijdens de gehele incriminatieperiode die een duur van nagenoeg zes jaar bestreek, werd de
woning niet eenmaal onderworpen aan een conformiteitscontrole. Er zijn geen
vaststell ingen over een vermeende gebrekkige staat gedaan, noch is er een fotodossier
voorhanden.
Het is maar naar aanleiding van het onderzoek naar krotverhuur in de periode van 5
augustus 2020 tot 5 september 2022 ten nadele var
(zie hierboven -
tenlasteleggingen A3b en B3b) dat er een zeer beperkt aa1nvullend onderzoek werd gedaan
naar de ervaringen van de voorafgaande huurder van dt:!zelfde woning, zijnde
, die deze woning volgens zijn eigen verklaring huurde van november 2014 tot
augustus 2020.
Een huurovereenkomst met dhr.
werd niet aan het strafdossier gevoegd.
Daarentegen werden tijdens de huiszoeking bij de beklaagden wel twee (weliswaar niet
ondertekende) huurovereenkomsten aangetroffen op naam van twee andere huurders met
betrekking tot dezelfde woning, betrekking hebbend en1:!rzijds op de periode van 1 april
2015 tot 1 april 2016 en anderzijds op de periode van 1 oktober 2015 tot 31 ( !) september
2016.
In de gegeven omstandigheden ligt geen overtuigend bewijs voor dat de beklaagden tijdens
de hoger vernoemde
incriminatieperiode de betreff,ende woning
te
in niet-conforme toestand aan
hebben verhuurd .
De beklaagden worden vrijgesproken voor het feit onder tenlastelegging B3a.
Er
ligt evenmin voldoende bewijs voor dat de beklaagden
tijdens diezelfde
incriminatieperiode de betreffende woning aan
: hebben verhuurd in
omstandigheden die in strijd waren met de menselijke waa1rdigheid.
De beklaagden worden derhalve ook vrijgesproken voor heit feit onder tenlastelegging A3a .
Hof van beroep Antwerpen -
• p. 37
6.6. Woning te
en 84b)
(tenlasteleggingen A4b
Op grond van de voorliggende gegevens van het strafdossier en na nieuw onderzoek ter
terechtzitting acht het hof de schuld van beklaagder
aan het feit onder tenlastelegging B4b bewezen gcebleven.
Uit het technisch verslag van een woningkwaliteitsondermek van 17 september 2021 blijkt
dat de woningcontroleur van wooninspectie
vijf gebreken van categorie Il
vaststelde (waaronder ernstig opstijgend vocht aan buiitenmuren en een ontbrekende
(naimelijk zware vochtschade met
dakisolatie) en vier gebreken van categorie
111
schimmelvorming in een berging, schade aan een binnenmuur in de slaapkamer door
opstijgend vocht, niet-conforme aansluiting van de gootsteen, risico op elektrocutie door
ontbrekende afdekplaatjes van stopcontacten en risico op CO-vergiftiging door de installatie
van een gasketel type B zonder niet-afsluitbaar verluchtingsrooster). Bij het technisch
verslag werd ook een fotodossier van de vastgestelde gebrieken gevoegd.
De meeste van deze gebreken hebben betrekki ng op structurele problemen die omwille van
hun aard reeds aanwezig moeten geweest zijn bij aanvang: van de huur op 1 augustus 2020.
Zo staat minstens boven elke redelijke twijfel vast dat er gedurende de gehele huurperiode
geen dakisolatie aanwezig was, dat de gootsteen gebrekkig was aangesloten en dat er geen
niet-afslu itbaar verluchtingsrooster bij de gasketel aanwezig was.
Nu boven elke redelij ke twijfel vaststaat dat op 1 augustus 2020 minstens één gebrek va n
categorie Il of 111 aanwezig was, wordt de aanvang van de incriminatieperiode definitief
bepaald op die datum, die vermeld wordt in zowel de verwijzingsbeschikking als het
bestreden vonnis. Beide akten maken daarnaast nog: melding van een alternatieve
aanvangsdatum "minstens vanaf 10 augustus 2021", dewelke door het hof dus niet wordt
bijgetreden.
De beklaagden waren eigenaars van de woning en kenden de gebrekkige toestand ervan. Zij
wisten ook of hadden minstens moeten weten dat de woning behept was met meerdere
gebreken van categorie Il of 111 en dat het dus verboden was om de woning in die toestand te
verhuren met het oog op bewoning. Het hof wijst er in dit verband op dat voor het bestaan
van het ten laste gelegd misdrijf geen algemeen, noch een bij zonder opzet vereist. Het
moreel bestanddeel van onachtzaamheid of een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid is
voldoende voor een strafrechtelijke beteugeling.
Hof van beroep Antwerpe n -
- p. 38
Deze wederrechtelij ke toestand bleef nog minstens voortduren tot 7 februari 2022, zijnde de
datum waarop de huurster de woning heeft verlaten, waarmee terecht het einde van de
incriminat ieperiode voor tenlastelegging B4b samenvalt. Uit het technisch verslag van de
woningcontroleur van 6 mei 2022 blijkt immers dat de gootsteen op dat ogenblik - en dus
met zekerheid ook drie maanden voor die datum - nog steeds niet conform was aangesloten
(cat. 3), dat er nog steeds geen niet-afsluitbaa r verluchtingsrooster bij de gasketel geplaatst
was (cat. 3) en dat nog steeds niet was voldaan aan de dakiisolatievereiste (cat. 2).
Gedurende de gehele incriminatieperiode voldeed de woning niet aan de elementaire
veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten van artikel 5, § 1, Vlaamse Wooncode,
en vanaf 1 januari 2021 van artikel 3.1, § 1, Vlaamse Codex Wonen van 2021. Gedurende
deze gehele periode vertoonde deze woning immers minstens één gebrek van categorie Il of
111, zodat zij niet-conform was in de zin van artikel 2, § 1, eerste lid, 4° bis, Vlaamse
Wooncode en later van artikel 1.3, § 1, 7°, Vlaamse Codex Wonen van 2021. Artikel 20
Vlaamse Wooncode en later artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021 stellen het
verhuren van een niet-conforme woning met het oog op bE~woning strafbaar.
Beklaagder
waren gedurende die gehele
periode de eigenaars van het betreffend goed. Zoals hoger vermeld was de gebrekkige
toestand van het gebouw en van de daa rin gelegen woning aan hen bekend. Zij wisten dat
de woning in de beschreven toesta nd niet mocht worden verhuurd, minstens dienden zij dit
te weten. Desondanks hebben zij de woning toch verhuurd en werd deze ook effectief
bewoond gedurende de in de t enlasteleggi ng vermelde incriminatieperiode.
Net als de eerste rechte r besluit het hof derhalve tot sch uldigverklaring van beklaagden
aan het misdrijf bedoeld onder tenlastelegging
B4b, waarvan alle constitutieve bestanddelen ten aanzien van hen bewezen zijn.
Verder zal het hof ook de verzwarende omstandigheid bewezen achten dat de beklaagden
een gewoonte hebben gemaakt van de betrokken activiteit, hetgeen met een zwaardere
straf wordt strafbaar gesteld in artikel 20, § 1, derde lid Vllaamse Wooncode, alsook vanaf 1
januari 2021 in artikel 3.36 Vlaamse Codex Wonen van 2021.
In het kader van de verhuur van deze gebrekkige woning aan huurder
acht
het hof de beklaagden
niet schuldig aan het
misdrijf huisjesmelkerij (feit onder t enlastelegging A4b).
Hof van beroep Antwerpen •
-p. 39
De huurder verkeerde weliswaar in een kwetsbare toestand ten gevolge van haar precaire
sociale situatie. Voorafgaand aan de huur verbleef zij In een vrouwenopvangcentrum, terwijl
haar echtgenoot een gevangenisstraf uitzat. Zij ontving een leefloon van het OCMW en was
dringend op zoek naar een huurwoning, die haar echtgenoot uiteindelijk voor haar heeft
geregeld, terwijl zij zelf in haar verhoor van 11 maart 2022 aangaf dat zij geen andere keuze
had dan deze gebrekkige woning te huren ("Mijn man heeft dan de huur met
geregeld, ik voelde dat ik geen ,andere keuze had dan de woning van hem te huren. Het is
immers quasi onmogelijk voor mij om op de reguliere markt te huren").
Het staat evenwel niet vast d;at de beklaagden van deze kwetsbare toestand misbruik
hebben gemaakt om een abnormaal profijt te rea liseren.
Uit de aan het strafdossier gevoegde berichten blijkt overigens dat beklaagde
na verloop van tijd meermaals heeft aangedrongen om hem toe te laten de vastgestelde
gebreken te herstellen, maar dat huurder
er omwille van eerdere negatieve
ervaringen niet meer toe geneigd was om de beklaagde binnen te laten.
Daarenboven is evenmin het bewijs geleverd dat de beklaagden de woning verhuurden In
omstandigheden die in strijd waren met de menselijke waardigheid. De bewijsnorm voor dit
gegeven is naar het oordeel van het hof strenger dan een loutere niet-conformiteit aan de
normen van de Vlaamse Wooncode, thans de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
De beklaagden worden derhalve vrijgesproken voor het feit onder tenlastelegging A4b.
6.7. Woning te
en B4a)
(tenlasteleggingen A4a
Op grond van de voorliggende gegevens van het strafdossier en na nieuw onderzoek ter
terechtzitting acht het hof de schuld van beklaagden
er
aan het feit onder tenlastelegging B4a niet bewezen.
huurde de betreffende woning van de beklaagden gedurende de periode
van 1 mei 2013 tot 1 mei 2014 c~n woonde er in die periode samen met haa r zoon en twee
dochters. Zij heeft zich spontaan aangeboden bij de politie nadat ze in de krant een artikel
had gelezen over huisjesmelkerij en via via had vernomen dat dit artikel over
ging. Zij werd op 13 september 2022 verhoord door de politie.
Hof van beroep Antwerpen -
-p. 40
De enkele belastende verklaring van huurder
afgelegd in de beschreven
omstandigheden, meer dan acht jaar na beëindiging van de huur, zonder dat die
ondersteund door objectieve bewijselementen waarvan nochtans het bestaan vermoed
wordt (de huurder sprak immers enerzijds over een gelegenheid waarbij de politie aan huis
was gekomen en anderzijds over een ongunstig woningkwaliteitsonderzoek door de
wooninspecteur, van beide inte•rventies zouden schriftelijke sporen moeten bestaan waar
echter geen verder onderzoek naar gevoerd werd), is niet voldoende om boven elke
redelijke twijfel te besluiten tot de schuld van de beklaagden aan een technische
aangelegenheid als de verhuur van een niet-conforme woning, zijnde een woning die behept
is met gebreken van categorie Il of 111.
Er zijn geen vaststellingen verricht over een vermeende gebrekkige toestand, noch is er een
fotodossier voorhanden.
In de gegeven omstandigheden ligt geen overtuigend bewijs voor dat de beklaagden t ijdens
de hoger vernoemde incriminatiieperiode de woning te
in niet-conforme toestand aan
hebben verhuurd.
De beklaagden worden vrijgespr,oken voor het feit onder tenlastelegging B4a.
Er
ligt evenmin voldoende bewijs voor dat de beklaagden
tijdens diezelfde
incriminatieperiode de betreffende woning aan
hebben verhuurd in
omstandigheden die in strijd waren met de menselijke waardigheid.
De beklaagden worden derhalve ook vrijgesproken voor het feit onder tenlastelegging A4a.
6.8. Woning te
en B4c)
verdieping (tenlasteleggingen A4c
Op grond van de voorliggende gegevens van het strafdossier en na nieuw onderzoek ter
terechtzitting acht het hof de schuld van beklaagden
aan het feit onder tenlo1stelegging B4c bewezen gebleven.
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 41
Uit het technisch verslag van een woningkwaliteitsonderz.oek van 17 september 2021 blijkt
dat de woningcontroleur van wooninspectie
vier gebreken van categorie Il
vaststelde (waaronder de ontoegankel ijkheid van de afsluitkraan van het gasfornuis, geen
handgreep aan de trap naar de zolderverdieping, geen afscherming met een balustrade aan
de bovenzijde van de trapopen ing en geen dakisolatie) er, twee gebreken van categorie 111
(namelijk enerzijds een gebrekkige elektrische installatie door de niet-aansluiting van enkele
stopcontacten op een aardgeleider, de plaatsing van een stopcontact te dicht bij de badrand
en
indicatie van een risico op elektrocutie door een ontbrekende afdekkap op een
elektrische verdeeldoos met aanraakbare geleiders onder spanning en anderzijds indicatie
van een risico op CO-vergiftiging door de installatie van een gasketel type B zonder niet
afsluitbaar verluchtingsrooster). Bij het technisch verslag werd ook een fotodossier van de
vastgestelde gebreken gevoegd.
De meeste van deze gebreken hebben betrekking op structurele problemen die omwille van
hun aard met zekerheid al aanwezig moeten zijn geweest bij aanvang van de huur op 1
augustus 2020. Aan deze vaststelling wordt geen afbreu k gedaan door het feit dat de door
beide partijen ondertekende huurovereenkomst in artikE~I 8 vermeldt dat het goed werd
geleverd in goede staat van onderhoud, veiligheid, hygiëne en bewoonbaarheid (zie bijlage 6
bij stuk 75/8 strafdossier). De onmiddellijke aanwezigheid van de structurele gebreken staat
immers onmiskenbaar vast, terwijl hoger al werd overwogen dat een eventuele aanvaarding
daarvan door de huurder het wederrechtelijk karakter vain de gedraging niet wegneemt en
deze gedraging niet geoorloofd maakt.
De beklaagden waren eigenaars van de woning en kenden de gebrekkige toestand ervan. Zij
wisten ook of hadden minstens moeten weten dat de woning behept was met meerdere
gebreken van categorie Il of III en dat het dus verboden wa1s om de woning in die toestand te
verhuren met het oog op bewoning. Het hof wijst er in dit: verband op dat voor het bestaan
van het ten laste gelegd misdrijf geen algemeen, noch een bijzonder opzet vereist.
Het moreel bestanddeel van onachtzaamheid of een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid
is voldoende voor een strafrechtelijke beteugeling.
Deze wederrechtelijke houding bleef nog minstens voortduren tot 5 september 2022, zijnde
de datum van een navolgende technische controle do,or de wooninspecteur, w~.:a:-,,:-OJee
terecht het einde van de incriminatieperiode voor tenlastelegging 84c samenvalt. Be l~is::1,d:~
had kort voordien een melding van herstel gedaan en verzocht iYi"l f;•m~
hercontrole.
Hof van beroep Antwerpen•
-p. 42
Uit het verslag van die hercontrole bleek dat een groot aantal gebreken waren hersteld,
maar werd evenzeer nog steeds (of mogelijk opnieuw) een ernstig gebrek van categorie Il
aan de elektrische installatie vastgesteld, zelfs met een indicatie van een risico op
elektrocutie.
Gedurende de gehele incrimin.atieperlode voldeed de woning niet aan de elementaire
veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten van artikel 5, § 1, Vlaamse Wooncode,
en vanaf 1 januari 2021 van art ikel 3.1, § 1, Vlaamse Codex Wonen van 2021. Gedurende
deze gehele periode vertoonde deze woning immers minstens één gebrek van categorie Il of
111, zodat zij niet-conform was in de zin van artikel 2, § 1, eerste lid, 4° bis, Vlaamse
Wooncode en later van artikel 1.3, § 1, 7°, Vlaamse Codex Wonen van 2021. Artikel 20
Vlaamse Wooncode en later artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021 stellen het
verhuren van een niet-conforme woning met het oog op bewoning strafbaar.
Beklaagden
waren gedurende die gehele
periode de eigenaars van het lbetreffend goed. Zoals hoger vermeld was de gebrekkige
toestand van het gebouw en vain de daarin gelegen woning aan hen bekend. Zij wisten dat
de woning in de beschreven toe:stand niet mocht worden verhuurd, minstens dienden zij dit
te weten. Desondanks hebben zij de woning toch verhuurd en werd deze ook effectief
bewoond gedurende de in de tenlastelegging vermelde incriminatieperiode.
Net als de eerste rechter beslu1it het hof derhalve tot schuldigverklaring van beklaagden
aan het misdrijf bedoeld onder tenlastelegging
B4c, waarvan alle constitutieve bestanddelen ten aanzien van hen bewezen zijn.
Verder zal het hof ook de verzwarende omstandigheid bewezen achten dat de beklaagden
een gewoonte hebben gemaakt va n de betrokken activiteit, hetgeen met een zwaardere
straf wordt strafbaar gesteld in artikel 20, § 1, derde lid Vlaamse Wooncode, alsook vanaf 1
januari 2021 in artikel 3.36 Vlaamse Codex Wonen van 2021.
In het kader van de verhuur van deze gebrekkige woning aan huurder
acht
het hof de beklaagder
niet schuldig aan het
misdrijf huisjesmel kerij (feit ond,~r tenlastelegging A4c).
Hof van beroep Antwerpen •
- p. 43
De huurder verkeerde weliswaar in een kwetsbare toestand ten gevolge van haar precaire
sociale situatie. Zij verbleef als alleenstaande vrouw uit
al een vijftal jaren in België,
had geen werk en ontving een leefloon van het OCMW. Zij gaf tijdens haar verhoor aan dat
ze geen andere keuze had dan de gebrekkige woning te huren ("Ik vond het huis zelf niet oké
maar ik wou dichter bij mijn vrienden en kennissen wonen dus had weinig andere keuze. Ik
had ook problemen om op een andere manier aan een huis te komen, ik heb geen werk en
daardoor is het moeilijk om iets anders te huren. Ik bezoek regelmatig andere huizen maar
het is moeilijk)/).
Het staat evenwel niet vast dat de beklaagden van deze kwetsbare toestand misbruik
hebben gemaakt om een abnormaal profijt te realiseren .
Daarenboven is evenmin het bewijs geleverd dat de beklaagden de woning verhuurden in
omstandigheden die in strijd waren met de menselijke wa;ardigheid. De bewijsnorm voor dit
gegeven is naar het oordeel van het hof strenger dan een loutere niet-conformiteit aan de
normen van de Vlaamse Wooncode, thans de Vlaamse Codlex Wonen van 2021.
De beklaagden worden derhalve vrijgesproken voor het feit onder tenlastelegging A4c.
6.9. Woning te
(tenlastelegiJingen AS en BS)
Op grond van de voorliggende gegevens van het strafdossier en na nieuw onderzoek ter
terechtzitting acht het hof de schuld van beklaagden
aan het feit onder tenlastelegging BS bewezen gebleven.
Uit het technisch verslag van een woningkwaliteitsonder:zoek van 5 september 2022 blijkt
dat de won ingcontroleur van wooninspectie
twee gebreken van categorie Il
vaststelde (namel ij k enerzijds zichtbare schade aan het plafond van een slaapkamer door
insijpelend vocht en anderzijds voldeed het gebouw niet: aan de rookmeldersverplichting)
alsook twee gebreken van categorie 111 (namelijk ener:zijds indicatie van een risico op
elektrocutie door een aanta l gebrekkige stopcontacten en lichtschakelaars en anderzijds
waren ontbrekende spijlen in de balustrade van een trap gebrekkig afgeschermd met een
losse houten plaat, dewelke een vals gevoel van veiligheid gaf en niet tegemoet kwam aan
het valrisico va naf de overloop). Bij het technisch verslag werd ook een fotodossier van de
vastgestelde gebreken gevoegd.
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 44
Deze gebreken zijn op zichzelf niet structureel te noemen, zodat uit hun aard niet kan
worden afgeleid dat zij al aanw1ezig moeten zijn geweest bij de aanvang van de huur op 1
september 2020.
Er valt evenmin uit af te leiden welke de oorzaak van deze gebreken was en of deze mogelijk
een al dan niet accidenteel gevolg kunnen zijn van het gebruik van de woning door de
huurders. Bewoner
verklaarde tijdens zijn verhoor van 9 september 2022 in
ieder geval niets spontaan over de vastgestelde gebreken en werd daarover ook niet
bevraagd.
De beklaagden stellen in hun conclusie dan ook terecht dat het niet valt uit te sluiten dat de
vastgestelde gebreken werden veroorzaakt door de huurders, en dat dezen hiervan (nog)
geen kennis hadden gegeven aan de verhuurders.
2022 overigens aan de politie: "/'k wil nog vermelden dat als ik
te laten uitvoeren, dat hij wel klaar staat om te helpen".
verklaarde op 9 september
• nu bel om herstellingen
Wel hecht het hof geloof aan de verklaring d.d. 9 september 2022 van bewoner
dat de toestand van de woning bij aanvang van de huur zeer gebrekkig en onhygiënisch was,
met onder meer een penetrante geur van uitwerpselen, een versleten vloer, gaten in muren
en het plafond en ontbrekend«e gipsplaten onder het dak. Het hof acht deze verklaring
geloofwaardig omdat zij wordt ondersteund door enkele foto's van de toestand van de
woning bij aanvang van de huur.
Er heeft op dat ogenblik geen technisch woningkwaliteitsonderzoek plaatsgevonden, maar
het hof acht het boven elke red1~l ijke twijfel aangetoond dat de woning op dat ogenblik niet
voldeed aan de elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten van
artikel 5, § 1, Vlaamse Wooncode en dat er minstens één gebrek van categorie Il of 111
aanwezig was, waardoor de woning in principe niet in aanmerking kwam om te worden
verhuurd met het oog op bewoning.
De beklaagden waren eigenaars van de woning en kenden de gebrekkige toestand ervan. Zij
wisten ook dat de woning bij aanvang van de huur behept was met meerdere gebreken van
categorie Il of 111 en dat het dus verboden was om de woning in die toestand te verhuren met
het oog op bewoning.
Uit de verklaring van huurder
blijkt dat hij en zijn familie veel van deze gebreken
zelf hebben hersteld gedurende de eerste drie weken dat zij er huurden met het oog op
bewoning.
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 45
Het hof acht het onder tenlastelegging BS bedoeld misdrijf dan ook bewezen, maar slechts
voor de periode van 1 september 2020 tot 21 september 2020. Gedurende die periode was
niet voldaan aan de elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten van
artikel 5, § 1, Vlaamse Wooncode, aangezien de woning minstens één gebrek van categorie Il
of 111 vertoonde en dus niet-conform was in de zin van artikel 2, § 1, eerste lid, 4° bis,
Vlaamse Wooncode.
Net als de eerste rechter besluit het hof derhalve tot schuldigverklaring van beklaagden
aa n het misdrijf bedoeld onder tenlastelegging
BS, waarvan alle constitutieve bestanddelen ten aanzien van hen bewezen zijn, doch slechts
voor de periode van 1 september 2020 tot 21 september 2020.
Verder zal het hof ook de verzwarende omstandigheid bewezen achten dat de beklaagden
een gewoonte hebben gemaakt van de betrokken activiteit, hetgeen met een zwaardere
straf wordt strafbaar gesteld in artikel 20, § 1, derde lid Vlaamse Wooncode, alsook vanaf 1
januari 2021 in artikel 3.36 Vlaamse Codex Wonen van 2021.
In het kader van de verhuur van deze gebrekkige woning aan huurders
en
en hun zes jonge kinderen acht het hof de beklaagden schuldig aan het
misdrijf huisjesmelkerij (feit onder tenlastelegging AS), doch eveneens beperkt tot de
verkorte periode van 1 september 2020 tot 21 september 2020.
Uit het strafdossier blijkt dat deze huurders in een kwetsbare toestand verkeerden ten
gevolge van hun precaire sociale toestand. Zij vormden een groot gezin met zes jonge
kinderen waarvan de oudste vijf jaar was en de twee jongsten een tweeling van slechts
anderhalve maand oud en zij waren dringend op zoek naar een nieuwe huurwoning omdat
de vorige onbewoonbaar was verklaard. Deze toestand was zonder twijfel aan de
beklaagden bekend.
Uit dè î/erhofen van beide ouders blijkt dat zij geen andere keuze hadden dan deze
gebrekk~e wohing te huren
want wij vonden niets anders" en
: "Wij moesten deze woning wel huren,
: "Wij hebben zes kinderen, het is niet evident
om een woning te vinden met voldoende slaapkamers, en als een huisbaas hoort dat je zes
kinderen hebt, staan ze ook niet steeds te springen om hun won ing aan je te verhuren" .
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 46
Uit hun verhoren blijkt ook dat zij dachten dat de huurwoning bij aanvang van de huur
volledig in orde zou zijn, zoals dat overigens tot de normale verwachtingen behoort. Hoger
heeft het hof al aangenomen dat dit geenszins het geval was.
Integendeel verkeerde de woning zelfs in een toestand dlie strijdig was met de menselijke
blijkt dat de woning een
waardigheid, nu uit de geloofwaardige verklaring van
stort was, dat overal uitwerpselen van honden van de voirige huurder lagen en dat de hele
woning naar deze uitwerpselen stonk.
verklaarde dat er urine op de
muren hing en dat het naar ammoniak rook.
De beklaagden hadden kennis van de hoger vermelde moeilijkheden van de huurders om
een geschikte huurwoni ng te vinden, maar hebben daarvan misbruik gemaakt om een
abnormaal profijt te realiseren, in die zin dat ze hun eigen verbintenis om de huurwoning in
goede staat van onderhoud af te leveren hebben afgewenteld op de huurders, die zich bij
gebrek aan een alternatief genoodzaakt zagen om gedurende de eerste drie weken de
woning zelf op te ruimen, te reinigen en te renoveren, dit zelfs op eigen kosten.
Het hof besluit dan ook tot schuldigverklaring van beide eigenaars aan het misdrijf onder
t enlastelegging AS, waarvan alle constitutieve bestanddelen ten aanzien van hen bewezen
zijn, doch slechts voor de periode van 1 september 2020 tot 21 september 2020.
Dit geldt niet alleen voor beklaagde
, maar ook voor beklaagde
, ook al staat zij niet op de huurovereenkomst vermeld als verhuurder en
heeft zij deze niet mee ondertekend. Zij was eigenaar van de woning en had kennis van de
staat ervan alsook van de sociaal precaire toestand vaIn de huurders, waarvan ook zij
misbru ik heeft gemaakt om te besparen op eigen kosten van opruiming, reiniging en
renovat ie en op die wijze een abnormaal profijt heeft gerealiseerd.
6.10. Woning te
(tenlasteleggingen A6b en B6b)
Op grond va n de voorliggende gegevens van het strafdossier en na nieuw onderzoek ter
terechtzitting acht het hof de schuld van beklaagden
het feit onder tenlastelegging B6b bewezen gebleven.
aan
De schuld van beklaagde
vast, zij wordt vrijgesproken.
staat niet boven elke redelijke twijfel
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 47
Uit het technisch verslag van een woningkwaliteitsonderzoek van 5 september 2022 blijkt
dat de woningcontroleur van wooninspectie Limburg negen gebreken van categorie Il
vaststelde (onder meer vochtschade in de nachthal, woonkamer, keuken en kelder,
ontoereikende bevestiging van de gasleiding onder de cv-ketel, ontbrekende handgrepen
aan twee trappen en de afwezigheid van dakisolatie) alsook twee gebreken van categorie 111
(namelijk enerzijds indicatie van een risico op elektrocutie door meerdere gebrekkige
stopcontacten en ook door de plaatsing van een lichtpunt te dicht bij de badrand en
anderzijds was de gootsteen in de keuken niet aangesloten op een waterafvoer). Bij het
technisch verslag werd ook een fotodossier van de vastgestelde gebreken gevoegd.
De bewering van de beklaagden dat de weerhouden gebreken veroorzaakt kunnen zijn door
de huurders, gaat in geen geval op voor alle vastgestelde gebreken van categorie Il of 111.
De meeste van de hierboven opgesomde gebreken hebben
immers betrekking op
structurele problemen die omwille van hun aard met zekerheid al aanwezig moeten zijn
geweest bij aanvang van de huur op 16 augustus 2022, zijnde slechts een drietal weken voor
het woningkwaliteitsonderzoek, en waarop het gebruik van de woning door de huurders dus
geen weerslag kan hebben gehad.
Het hof houdt wel iswaar geen rekening met de gebreken die zich voordeden in de keuken
van de woning, nu bl ijkt dat de huurders de bestaande keuken zelf hebben vervangen door
een tweedehands aangekochte keuken, zodat niet vaststaat dat de verhuurders voor deze
gebreken verantwoordelijk kunnen worden gesteld.
Dit laatste doet geen afbreuk aan de strafbaarheid van het onder tenlastelegging B6b
bedoeld feit, nu hoger al is gebleken dat het gebouw dan wel de daarin gelegen woning
minstens één gebrek van categorie Il of 111 vertoonde, zodat zij niet conform was en dus niet
in die staat verhuurd mocht worden .
Beklaagden
waren mede-eigenaars van de woning en
hadden kennis van de daarin aanwezige gebreken. Zij wisten ook of hadden minstens
moeten weten dat dit gebreken van categorie Il of 111 waren en dat het dus verboden was om
de won ing in die toestand te verhuren met het oog op bewoning. Het hof wijst er in dit
verband op dat voor het bestaan van het ten laste gelegd misdrijf geen algemeen, noch een
bijzonder opzet vereist. Het moreel bestanddeel van onachtzaamheid of een gebrek aan
voorzorg of voorzichtigheid is voldoende voor een strafrechtelijke beteugeling.
Hof van beroep Antwerpen -
-p. 48
Van beklaagde
, die zelf geen eigenaar is van de betreffende
woning, staat niet boven elke redelijke twijfel vast dat zij kennis had van de gebreken, noch
dat zij op enige wijze is tussengeikomen in de verhuur van deze woning. Haa r strafrechtelijke
verantwoordelijkheid is niet aangetoond, zodat zij wordt vrijgesproken.
Deze wederrechtelijke toestand bleef nog minstens voortduren tot 13 december 2022,
zijnde de datum van een navolgEmde technische controle door de woon inspecteur, waarmee
terecht het einde van de incriminatieperiode voor tenlastelegging B6b samenvalt. Uit het
technisch verslag van de woningcontroleur blij kt onder meer dat op dat ogenblik nog altijd
niet kon worden vastgesteld dat: de woning over de vereiste dakisolatie beschikte en dat in
de badkamer ook nog steeds niet het lichtpunt was verplaatst of minstens op een andere
toegelaten manier was beveiligd. Ook de gasleiding onder de cv-ketel was nog steeds niet
voldoende bevestigd aan de wand.
Gedurende de gehele incrimi1natieperiode voldeed de woning derhalve niet aan de
elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten van artikel 3.1, § 1,
Vlaamse Codex Wonen van 2021. Gedurende deze gehele periode vertoonde deze woning
Immers minstens één gebrek van categorie Il of 111, zodat zij niet-conform was in de zin van
artikel 1.3, § 1, 7°, Vlaamse Codex Wonen van 2021. Artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van
2021 stelt het verhuren van een niet-conforme woning met het oog op bewoning strafbaar.
Beklaagden
waren gedurende die gehele periode mede-
eigenaars van het betreffend goed. Zoals hoger vermeld was de gebrekkige toestand van het
gebouw en van de daarin geleg,en woning aan hen bekend. Zij wisten dat de woning in de
beschreven toestand niet mocht worden verhuurd, minstens dienden zij dit te weten.
Desondanks hebben zij de woning toch verhuurd en werd deze ook effectief bewoond
gedurende de in de tenlasteleggiing vermelde incriminatieperiode.
Het hof besluit derhalve tot schuldigverklaring van beklaagden
aan het misdrijf bedo,eld onder tenlastelegging B6b, waarvan alle constitutieve
bestanddelen t en aanzien van hEin bewezen zijn.
Verder zal het hof ook de verzwarende omstandigheid bewezen achten dat beklaagde
een gewoonte heeft gemaakt van de betrokken activiteit, hetgeen met een
zwaardere straf wordt strafbaar gesteld in artikel 3.36 Vlaamse Codex Wonen van 2021.
Hof van beroep Antwerpen·
-p. 49
In het kader van de verhuur van deze gebrekkige woning aan huurders
en
en hun drie kinderen acht het hof de beklaagden niet schuldig aan het
misdrijf huisjesmelkerij (feit onder tenlastelegging A6b).
Het staat niet vast dat deze huurders in een kwetsbare toestand verkeerden ten gevolge van
één of meerdere omstandigheden zoals omschreven in artikel 433decies Strafwetboek,
waarvan de beklaagden vervolgens misbruik hebben gemaakt om een abnormaal profijt te
realiseren.
Hoger is gebleken dat er doorheen de gehele incriminatieperiode gebreken konden worden
vastgesteld, die evenwel geen omstandigheden hebben opgeleverd die in strijd waren met
de menselijke waardigheid. De bewijsnorm voor dit gegeven is naar het oordeel van het hof
immers strenger dan een loutere niet-conformiteit aan de normen van de Vlaamse
Wooncode, thans de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
De beklaagden worden derhalve vrijgesproken voor het feit onder tenlastelegging A6b.
6.11. Woning te
(tenlasteleggingen A6a en B6a)
Op grond van de voorliggende gegevens van het strafdossier en na nieuw onderzoek ter
terechtzitting acht het hof de schu ld van beklaagden
aan het feit onder tenlastelegging B6a niet bewezen.
Tijdens een huiszoeking
in de woning van
werden
tal van
huurovereenkomsten aangetroffen, waaronder een gedeelte van een overeenkomst tussen
verhuurder
woning te
en huurder
voor de huur van de
met ingang va naf 15 juli 2018. Het betrof enkel de
eerste twee bladzijden van de door de beklaagden standaard gebruikte huurovereenkomst,
zonder dat de rest van de overeenkomst aan het strafdossier gevoegd werd, en dus onder
meer niet geweten is of de huurovereenkomst door de contractspartijen werd ondertekend
en of er eventueel bijzondere voorwaarden werden opgenomen op de laatste bladzijde van
de overeenkomst, zoals dat geregeld gebeurde in andere huurovereenkomsten, zo blijkt uit
het strafdossier.
Overigens valt uit die huurovereenkomst ook niet af te leiden dat de huur zou zijn beëindigd
per 1 maart 2022.
Hof van beroep Antwerpen•
- p. 50
~~-.------·- ---------------------
Uit stuk 10 van het strafdossierr blijkt dat
(of
aan de wijkagent de wens had uitgedrukt om gehoord te worden. Er zouden enkele
pogingen ondernomen zijn om eien afspraak vast te leggen, maar uiteindelijk werd zij tijdens
het vooronderzoek niet verhoord. Er ligt dus geen verklaring van deze voormalige huurder
voor.
De aanname van de eerste rechte r dat de structurele gebreken die op 5 september 2022 in
de betreffende woning werden vastgesteld (zie tenlastelegging B6b) ook aanwezig moeten
zij n geweest tijdens de volledige huurperiode van
(of
), nu het gaat om vrijwel onmiddellijk opeenvolgende huurperiodes is voor
het hof te verregaand en in ied1er geval ontoereikend om tot een schuldigverklaring van de
beklaagden te besluiten.
Er liggen geen andere objectiev,e bewijselementen voor. Zo zijn er geen vaststellingen over
een vermeende gebrekkige staat gedaan, noch is er een fotodossier voorhanden.
In de gegeven omstandigheden ligt geen overtu igend bewijs voor dat de beklaagden tijdens
de hoger vernoemde incriminatieperiode de woning te
niet-conforme toestand aan
(of
in
) hebben
verhuurd.
De beklaagden worden vrijgesproken voor het feit onder tenlastelegging B6a.
Er ligt evenmin enig bewijs voor dat de beklaagden tijdens diezelfde incriminatieperiode de
betreffende won ing aan
(of
) hebben
verhuurd in omstandigheden die: in strijd waren met de menselijke waardigheid .
De beklaagden worden derhalve ook vrijgesproken voor het feit onder tenlastelegging A6a .
6.12. Woning te
tenlasteleggingen A7 en B7)
Op grond van de voorliggende gegevens van het strafdossier en na nieuw onderzoek ter
terechtzitting acht het hof de schuld van beklaagden
aan het feit onder tenlastelegging 87 bewezen gebleven, doch
slechts voor het gedeelte zoals hierna bepaald.
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 51
Uit technische verslagen van wo,ningkwa liteitsonderzoeken van 5 september 2022 blijkt dat
in het gebouw waarin alle betrokken
de woningcontroleur van wooninspectie
woningen gelegen waren één ernstig gebrek van categorie Il vaststelde (in een badkamer
werd een aftakking gemaakt vanuit het stopcontact naar een mechanische venti lator met
bedrading bestaande uit sam1engestelde koperen kern, hetgeen de stroomkring kon
overbelasten met een risico op kortsluiting en brand tot gevolg) en één gebrek van categorie
111 dat een direct gevaar voor de veiligheid of gezondheid opleverde (boven de
elektriciteitsmeters hing een verdeeldoos waarvan de afdekplaat niet goed bevestigd was,
waardoor onder spanning staiande geleiders aanraakbaar waren met een risico op
elektrocutie
rookmeldersverplichting, hetgeen eveneens een gebrek van categorie Il opleverde.
gevolg). Bovendien
gebouw
voldeed
niet
het
tot
aan
de
De eerste rechter overwoog terecht dat daardoor niet alleen het gebouw, maar ook alle erin
gelegen woningen ongeschikt en onbewoonbaar waren en in die toesta nd niet mochten
worden verhuurd met het oog OIP bewoning.
Bovendien blij kt dat in vier van de zes onderzochte woningen de woonlokalen een kleinere
netto-vloeroppervlakte hadden dan de minimaal vereiste 18m2 en om die reden alleen al
niet in aanmerking kwamen voor verhuur met het oog op bewon ing (d it werd in de
technische verslagen telkens be!schouwd als een ernstig gebrek van categorie Il). Bovendien
vertoonden al deze woningen d,aarnaast ook minstens twee andere gebreken van categorie
Il en minstens twee gebreken van categorie 111.
Van de twee andere onderzocht,e woningen vertoonde de ene zeven gebreken van categorie
Il en twee gebreken van categorie 111 en de andere drie gebreken van categorie Il en drie
gebreken van categorie 111.
Uit dit al les volgt dat op het og:enblik van het onderzoek (5 september 2022) geen enkele
woning in het betreffend gebouw mocht worden verhuu rd met het oog op bewoning,
hetgeen op dat ogenblik wel gebieurde aar
en
(woning
.), aan
(woning
), aan
(woning
.) en aan
(woning
(woning
'·
aan
werd verhuurd aar
Woning
hij de woning gebruikte om er te wonen, zoals ook al werd aangenomen door de eer te
verklaarde aan de wooninspecteur dat hij de wonir;ig
, maar het staat onvoldoende vast dat
rechter. Zijn moeder
louter gebruikte als muziekkameir.
Hof van beroep Antwerpen -
-p. 52
Uit een door de beklaagden neeirgelegd proces-verbaal van de wooninspecteur, dat geldt als
een conform iteitsattest in de zin van artikel 7 Vlaamse Wooncode, blijkt dat bij een controle
op 2 mei 2019 werd vastgesteld! dat het gebouw en de daarin gelegen woningen voldeden
aan de elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten van het toen
geldend artikel 5 Vlaamse Woon,code.
Bij gebrek aan afdoende bewijselementen met betrekking
tot de aan die datum
voorafgaande periode ziet het hof geen reden om de in tenlastelegging B7 aangevoerde data
van 5 januari 2016 of 8 november 2018 als aanvang van de incriminatieperiode voor de
daaronder bedoelde feiten te weerhouden.
Anderzijds staat omwille van de aard en de ernst van de op 5 september 2022 vastgestelde
gebreken wel vast dat de meeste daarvan al geruime t ijd voor die datum aanwezig moeten
geweest zijn.
Het hof is boven elke redelijke twijfel overtuigd dat de in het gebouw vastgestelde gebreken
van categorie Il en III in elk geval aanwezig waren op 1 januari 2022 en weerhoudt deze
datum als aanvangsdatum vooir de feiten onder tenlastelegging B7. Het is mogelijk dat
enkele andere gebreken ook al op een vroeger ogenblik aanwezig wa ren, maar de
voorliggende gegevens van het s.trafdossier bieden daarover geen zekerheid . In het voordeel
van de beklaagden markeert dei door het hof weerhouden datum 1 januari 2022 derhalve
het tijdstip waarop met zekerheid vaststaat dat het gebouw en alle daarin gelegen woningen
langer
niet
en
woonkwaliteitsvereisten van het toen geldend artikel 3.1, § 1, Vlaamse Codex Wonen van
gezondheids-
elementa ire
veiligheids-,
voldeden
aan
de
2021.
Deze wederrechtelijke toestand bleef minstens aanhouden tot de huiszoeking en het hoger
vermeld onderzoek van de woningcontroleur, beide van 5 september 2022, waarmee naar
het oordeel van het hof terecht het einde van de incriminatieperiode voor tenlastelegging B7
samenva lt .
Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de verklaringen van huurder
en
, zoals aangehaald in de syntheseconclusie van de beklaagden.
Beklaagden
waren eigenaars van het gebouw en
kenden de gebrekkige toestand •~rvan.
Hof van beroep Antwerpen -
•• ,.
,, .............
.,,.~ ... -------------------------
- p. 53
Zij w isten ook of hadden minstens moeten weten dat het gebouw en de daarin gelegen
woningen behept waren met meerdere gebreken van categorie Il of III en dat het dus
verboden was om de woningen in die toestand te verhuren met het oog op bewoning. Het
hof wijst er in dit verband op dat voor het bestaan van het ten laste gelegd misdrijf geen
algemeen, noch een bijzonder opzet vereist. Het moreel bestanddeel van onachtzaamheid of
een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid is voldoende voor een strafrechtelijke
beteugeling.
Toch verhuurden zij enkele In het gebouw gelegen woningen gedurende de volledige
incriminatieperiode van 1 januari 2022 tot 5 september 2022 aan
en
(woning
, aan
(woning
en aan
•, steeds met het oog op bewoning. Voor twee andere
woningen geldt dat die gedurende een gedeelte van deze periode werden verhuurd met het
(woning
oog op bewoning: woning
van 22 augustus 2022 tot 5 september 2022 aan
en woning
van 24 april 2022 tot 5 september 2022 aar
Binnen deze contouren voldeden de betrokken woningen niet aan de elementaire
veiligheids-gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten van artikel 3.1, § 1, Vlaamse Codex
Wonen van 2021. Zij vertoonden immers minstens één gebrek van categorie Il of 111, zodat zij
niet-conform waren in de zin van artikel 1.3, § 1, 7°, Vlaamse Codex Wonen van 2021. Artikel
3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021 stelt het verhuren van een niet-conforme woning met
het oog op bewoning strafbaar.
Beklaagden
waren gedurende die gehele
periode de eigenaars van het betreffend goed. Zoals hoger vermeld was de gebrekkige
toestand van het gebouw en van de daarin gelegen woningen aan hen bekend. Zij wisten dat
de woningen in de beschreven toestand niet mochten worden verhuurd, minstens dienden
zij dit te weten. Desondanks hebben zij de woningen toch verhuurd en werd deze ook
effectief bewoond gedurende de hoger vermelde periodes.
Net als de eerste rechter besluit het hof derhalve tot schuldigverklaring van beklaagden
aan het misdrijf bedoeld onder tenlastelegging
B7, binnen de contouren zoals hoger bepaald. Alle constitutieve bestanddelen zijn ten
aanzien van hen bewezen.
Hof van beroep Antwerpen -
• p. 54
Verder za l het hof ook de verzwarende omstandigheid bewezen achten dat de beklaagden
een gewoonte hebben gemaakt van de betrokken activiteit, hetgeen met een zwaardere
straf wordt strafbaar gesteld in artikel 3.36 Vlaamse Codex Wonen van 2021.
In het kader van de verhuur van deze gebrekkige woningen aan de huurders
acht het hof de beklaagden niet schuldig aan het misdrijf huisjesmelkerij (feit
onder tenlastelegging A7).
Het staat niet vast dat deze huurders in een kwetsbare toestand verkeerden ten gevolge van
één of meerdere omstandigheden zoals omschreven in artikel 433decies Strafwetboek,
waarvan de beklaagden vervolgens misbruik hebben gemaakt om een abnormaal profijt te
realiseren.
Hoger is gebleken dat er doorheen de gehele incriminatieperiode gebreken konden worden
vastgesteld, die evenwel geen omstandigheden hebben opgeleverd die in strijd waren met
de menselijke waardigheid.
De bewijsnorm voor dit gegeven is naar het oordeel van het hof immers strenger dan een
loutere niet-conformiteit aan de normen van de Vlaamse Wooncode, thans de Vlaamse
Codex Wonen van 2021.
De beklaagden worden derhalve vrijgesproken voor het feit onder tenlastelegging Ai'.
6.13. Tenlastelegging B - verzwarende omstandigheid van de gewoonte
Het hof verklaart beklaagden
dus schuldig aan
gelijkaardige feiten van krotverhuur onder de tenlasteleggingen B1, B2b, B3b, B4b, B4c, BS,
B6b en 87, zij het soms gedeeltelijk en gedurende een beperkte periode.
Wat deze feiten betreft sluit het hof zich aan bij de terechte overweging van die eerste
rechter dat zij betrekking hebben op hopeloos verouderde panden, die geen van allen
structureel werden gerenoveerd om ze eerst te laten voldoen aan alle wettelijke vereisten
inzake elementaire veiligheid, gezondheid en woonkwaliteit alvorens ze ter verhuur met het
oog op bewoning aan te bieden.
Hof van beroep Antw erpen -
-p. 55
Frappant genoeg geldt dit niet voor de woningen te
die werden bewoond door deze beklaagden zelf of door familie van hen.
Voornamelijk op het vlak van technische installaties (in het bijzonder elektriciteit, water, gas
en/of verwarming) en soms ook op het vlak van vochtbestrijding lieten hun inspanningen
zwaar te wensen over.
Ook blijkt uit meerdere verklaringen dat de beklaagden soms ernstig tekortschoten in hun
contractuele verplichtingen als verhuurders, meer in het bijzonder op het vlak van een snelle
en een grondige herstelling van gebreken. Geregeld wendden de beklaagden ontoereikende
lapmiddelen aan om een probleem tijdelijk op te lossen of soms zelfs gewoon te maskeren.
Aan deze vaststelling wordt geem afbreuk gedaan door de verklaringen van enkele andere
huurders die geen problemen ondervonden.
Ook namen de beklaagden huin verplichting als verhuurder niet ernstig om tijdens de
volledige huurperiode toe te zit~n op de kwaliteit van de woningen en op de conformiteit
ervan aan de wettelijke vereist,en, hetgeen een regelmatige controle van de staat van de
verhuurde woningen veronderstelt, waarin zij duidelijk tekortschoten .
Uit dit alles volgt dat telkens ook de verzwarende omstandigheid dat de beklaagden een
gewoonte hebben gemaakt van de betrokken wederrechtelijke activiteit bewezen is.
Niettegenstaande zij geregeld dioor de bevoegde diensten werden gecontroleerd en op hun
fouten werden gewezen, en ondanks eerdere veroordelingen voor gelijkaardige misdrijven,
bleven zij wetens en willens op onderscheiden t ijdstippen meerdere gebrekkige woningen
aan onderscheiden personen veirhuren en de huurgelden opstrijken.
Voor zover de bewezen verklaairde feiten werden gepleegd voor 1 januari 2021 was deze
verzwarende omstandigheid strafbaar gesteld in artikel 20, § 1, derde lid, Vlaamse
Wooncode. Vanaf 1 januari 2021 en op heden nog steeds
is deze verzwarende
omstandigheid strafbaar gesteld in artikel 3.36 Vlaamse Codex Wonen van 2021.
6.14. Tenlastelegging A - verzwarende omstandigheid van de gewoonte
Het hof verklaart beklaagden
dus schu ldig aan
het misdrijf huisjesmelkerij, doch enkel onder tenlastelegging AS.
Hof van beroep Antwerpen -
-p. 56
Daarbij is de verzwarende omstaindigheid dat de beklaagden een gewoonte hebben gemaakt
van de betrokken wederrechtelijke activiteit niet bewezen.
Een gewoonte veronderstelt immers het herhaaldelij k en geregeld stellen van de strafbaar
gestelde handeling gedurende een zekere tijdsperiode, welke omstandigheid hier niet
voorligt.
6.15. Tenlasteleggingen Cl tot en met es en 01 tot en met OS
Net als de eerste rechter acht het hof de schuld van beklaagder
aan de feiteni onder deze tenlasteleggingen niet bewezen.
Het hof verwijst hiervoor naar die oordeelkundige redengeving van de eerste rechter onder
randnummer 5 op p. 16 van het bestreden vonnis, die door het openbaar ministerie in hoger
beroep niet wordt weerlegd en door het hof wordt beaamd en overgenomen.
De beklaagden worden voor dez,e feiten vrijgesproken.
6.16. Tenlastelegging E
Onder deze tenlastelegging wordt beklaagde
vervolgd voor het mondeling
bedreigen van
onder een bevel of een voorwaarde met een aanslag op
personen of eigendommen, waarop een criminele straf gesteld is. Dit feit zou zich op 15 juni
2022 hebben voorgedaan in
:. Meer bepaald zou de beklaagde tegen
gezegd hebben dat hij de woning in brand zou steken met haar en de kinderen erin
als ze de huur niet zou beta len.
Net als de eerste rechter acht h,et hof beklaagde
schuldig aan het feit onder
deze tenlastelegging.
De beklaagde betwist de bedreiging, maar de duidelijke en gedetailleerde verklaring van
d.d. 14 juli 2022 is geloofwaardig, nu uit de verhoren van meerdere
andere huurders blijkt dat de beklaagde nijdig en soms zelfs agressief reageerde tegen
huurders die zich niet aan hun betalingsverplichting hielden, zoals dat in de betrokken
periode voor
het geval was.
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 57
Buurvrouw
was weliswaar geen rechtstreekse getuige van de hier
vervolgde bedreiging, maar bevestigde tijdens haar verhoor van 5 september 2022 wel dat
zij
, die zij als temperamentvol en snel boos omschreef, vaak boos heeft zien
worden tegen de buren.
Het hof is boven elke redelijke twijfel overtuigd dat deze boosheid op 15 juni 2022 gepaard
ging met de hoger beschreven mondelinge bedreiging onder een bevel of een voorwaarde.
7.
Beoordeling ten gronde - op strafrechtelijk gebied - met betrekking tot de straf
De lastens beklaagder
bewezen verklaarde
feiten waren voor elk van hen de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van een zelfde
misdadig opzet, zodat slechts één straf dient te worden uitgesproken, namelijk deze die het
feit bestraft waarvoor de wet de zwaarste straf voorziet.
Alle bewezen verklaarde feiten zijn bijzonder ernstig. Zij geven blijk van een verregaand
gebrek aan respect voor andermans welzijn, veiligheid en gezondheid en van een zucht naar
gemakkelijk geldgewin ten koste van anderen.
Voornamelijk beklaagde
, maar ook zijn echtgenote
maakten er een gewoonte van om zich weinig te bekommeren om de kwaliteit van de
panden die zij in ongeschikte en regelmatig zelfs onbewoonbare toestand verhuurden aan
soms kwetsbare huurders.
Wanneer zij na een woningkwaliteitsonderzoek op vaak talrijke gebreken werden gewezen,
gebruikten zij meestal slechts oppervlakkige en ontoereikende lapmiddelen om het
probleem tijdelijk op te lossen of vaak zelfs gewoon te maskeren, en ondertussen verder
huurinkomsten te innen.
In die zin toonden de beklaagden zich volstrekt onbetrouwbare verhuurders, die het recht
van hun huurders op een rustig en kwaliteitsvol huurgenot ondergeschikt maakten aan hun
eigen financieel gewin.
Hetzelfde gaat in grote lijnen ook op voor derde beklaagde
, zij het dan slechts
voor één pand.
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 58
Beklaagden
en
verzochten om toepassing van
artikel 65, tweede lid Strafwetboek onder verwijzing naar de straf die werd uitgesproken bij
het arrest van 15 september 2021 van het hof van beroep Antwerpen, kamer C4, waarbij zij
in de periode van 1
november 2015 tot 1 november 2018 elk werden veroordeeld tot een geldboete van
voor gelijkaardige feiten van krotverhuur, gepleegd te
2.400,00 euro, met uitstel van tenuitvoerlegging ten belope van 3/5 voor
en
met vol ledig uitstel van tenu itvoerlegging voor
Het hof wijst dit verzoek af.
Een groot gedeelte van de thans bewezen verklaa rde feiten werden gepleegd na het arrest
van 15 september 2021, zodat dit arrest geen grondslag kan bieden om daar artikel 65,
tweede lid Strafwetboek op toe te passen.
Voor wat de thans bewezen verklaarde feiten betreft die gepleegd werden voor 15
september 2021 is het hof van oordeel dat er geen sprake is van eenheid van opzet. De
beklaagden werden meermaals geconfronteerd met woningkwaliteitsonderzoeken in de
door hen verhuurde woningen, die het voor hen keer op keer duidelijk maakten dat het
verboden was om niet-conforme woningen te verhuren.
Dat zij dit toch bleven doen, kadert dan ook niet binnen de voortgezette uitvoering van
eenzelfde misdadig opzet als de feiten die al bij het arrest van 15 september 2021 werden
beoordeeld, maar is wel de uiting van een schuldig volharden in een nieuwe strafbare
gedraging.
Een straf heeft als doel om uiting te geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien
van de overtreding van de strafwet, het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk
evenwicht en van het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade, het bevorderen
van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader en het beschermen van
de maatschappij (artikel 7, § 2, Strafwetboek).
Het hof houdt bij de straftoemeting rekening met:
de persoon lij kheid van de beklaagden;
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 59
~,·· ·""""'·--------------------------
,,, ,
het onderscheiden strafrechtelijk verleden van de beklaagden: eerste beklaagde
liep vijf veroordelingen in verkeerszaken op en werd ook al zes maal
veroordeeld in correctionele zaken voor onder meer smaad, verboden wapendracht
en heling, maar in 2018 en 2021 ook al drie maal voor gelijkaardige misdrijven van
krotverhuur, net als zijn echtgenote
. Toch heeft dit hen er
niet van weerhouden om opnieuw gelijkaardige feiten te plegen. Derde beklaagde
liep tot nog toe enkel één veroordeling in een verkeerszaak op;
de omstandigheden, de aard en de ernst van de bewezen verklaarde misdrijven, het
aantal ervan en het maatschappelijk nadeel;
de vaststelling dat beklaagden
een
gewoonte maakten van de bewezen verklaarde wederrechtelijke activiteiten van
krotverhuur;
de vaststelling dat de beklaagden aan de hand van de bijgebrachte stukken weliswaar
aantonen dat zij inspanningen hebben geleverd om de tekortkomingen te herstellen
en de woonkwaliteit van het gebouw en de kamers te verbeteren;
het tijdsverloop sedert de feiten.
De straf die voorzien is bij toepassing van artikel 3.34 en 3.36 Vlaamse Codex Wonen van
2021 ls dezelfde als deze die ten tijde van enkele van de bewezen verklaarde feiten voorzien
was onder artikel 20, §1, eerste en derde lid Vlaamse Wooncode.
Rekening houdend met al deze omstandigheden legt het hof aan de beklaagden de volgende
onderscheiden straffen op:
aan eerste beklaagde
: een hoofdgevangenisstraf van een jaar,
waarvan voor het geheel de tenuitvoerlegging wordt uitgesteld voor een duur van
drie jaar, en een effectieve geldboete van 100.000,00 euro, dit is 12.500 euro
verhoogd met 70 opdeciemen, of een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen;
aan tweede beklaagde
een geldboete van 50.000,00 euro,
dit is 6.250,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen, waarvan ten belope van de helft
de tenuitvoerlegging wordt uitgesteld voor een duur van drie jaar, of een
vervangende gevangenisstraf van 90 dagen;
aan derde beklaagde
: een geldboete van 8.000,00 euro, dit is 1.000,00
euro verhoogd met 70 opdeciemen, waarvan
ten belope van de helft de
tenuitvoerlegging wordt uitgesteld voor een duur van drie jaar, of een vervangende
gevangenisstraf van 90 dagen;
Hof van beroep Antwerpen -
• p. 60
Deze straffen zijn aangepast aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten, zijn nodig om
de beklaagden het ontoelaatbaire van hun handelen te doen inzien en moeten hen ertoe
aanzetten om zich in de toekomst van zulke gedragingen te onthouden. De omvang van de
vervangende gevangenisstraffen is telkens aangepast aan de omva ng van de opgelegde
geldboeten.
De beklaagden zijn voorheen nog niet veroordeeld geweest tot een gevangenisstraf van
meer dan twaalf maanden of tot een gelijkwaardige straf die in aanmerking genomen wordt
overeenkomstig artikel 99bis Strafwetboek. Het hof verleent hen uitstel van
tenuitvoerlegging voor een gedeelte van de opgelegde straffen zoals hoger bepaa ld, om de
beklaagden te ontraden zich in de toekomst nog aan dergelijke feiten schu ldig te maken en
hen ertoe aan te zetten de wet :stipt na te leven. Dit gedeeltelijk uitstel en een proeftermijn
van drie jaar moeten een gepaste preventieve werking van de uitgestelde st raffen
waarborgen.
Het hof acht het niet aangewewn om aan dit uitstel een probatiebegeleiding en de naleving
van probatievoorwaarden te verbinden, nu er geen sprake lijkt te zijn van een duidelijk
aanwijsbare onderliggende problematiek die ten grondslag ligt aan de door de beklaagden
gestelde strafbare gedragingen of die daarop een invloed heeft.
De geldboeten worden minstens gedeeltelijk effectief opgelegd om de beklaagden te raken
in hun vermogen en hen de ernst van de gepleegde feiten te doen inzien.
bewezen
Nu op het ten aanzien van beklaagden
verklaard feit van huisjesmelkerij onder t enlastelegging AS (zonder de niet weerhouden
verzwarende omstandigheid van de gewoonte) niet de zwaarste straf gesteld wordt, is er
geen grond om voor hen de 1opgelegde geldboete bij toepassing van artikel 433decies
Strafwetboek zo veel keer toe te passen als er slachtoffers zijn, noch om hen bij toepassing
van artikel 433terdecies, eerste· lid Strafwetboek te ontzetten uit de rechten voorzien in
artikel 31, eerste lid Strafwetboek
De eerste rechter beval op vord,ering van het Openbaar Ministerie bij toepassi ng van artikel
433terdecies, tweede lid Strafw,etboek de verbeurdverklaring van de onroerende goederen
te
' /
. Het bestreden vonnis wordt op dit punt hervormd en deze vordering
wordt thans afgewezen, gelet op de vrijspraak va n de beklaagden voor de feiten onder de
tenlasteleggingen van huisjesmelkerij die deze goederen tot voorwerp hadden.
Hof van beroep Antwerpen •
• p. 61
Het hof bevestigt wel de verbeurdverklaring van het onroerend goed te
eigendom van beklaagden
en
voorwerp van het feit onder tenlastelegging AS dat ten aanzien van hen bewezen werd
verklaard. Deze verbeurdverklaring doet niet dermate afbreuk aan de financiële toestand
van de vermelde beklaagden da1t ze een onevenredige maatregel vormt ten aanzien van het
ermee nagestreefde wettige doel en houdt geen schending van hun eigendomsrecht in.
Evenmin heeft deze verbeurdverklaring tot gevolg dat deze beklaagden aan een onredel ijk
zware straf worden onderworpen. Daaraan wordt in dit geval geen afbreuk gedaan door de
vaststelling dat de beklaagden het nodige hebben gedaan om de woning conform te maken.
Het Openbaar Ministerie vorderde in hoger beroep tevens schriftelijk de verbeurdverklaring
op grond van de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek van de wederrechtelij k door de
beklaagden genoten vermogensvoordelen, begroot op de door hen geïnde huurgelden ten
bedrage van 370.279,07 euro in totaal.
Zoals hoger vermeld waren bteklaagden
eigenaars van de woningen die het voorwerp uitmaken van de minstens gedeeltelijk
bewezen verklaarde feiten ond,er tenlasteleggingen B1, B2b, 82b, B4b, B4c, BS en B7. Zij
inden de huurgelden.
Beklaagden
waren mede-eigenaars van de won ing die het
voorwerp uitmaakt van het bewezen verklaard feit onder tenlastelegging 86b. Zij inden de
huurgelden.
Het is maatschappelijk onaanvaardbaar dat zij in het bezit zouden blijven van de illegale
opbrengsten van de door hen gepleegde misdrijven onder de vermelde tenlasteleggingen,
die in casu inderdaad gelij k te stellen zijn aan de effectief door hen ontvangen huurgelden.
De berekening van deze vermog,ensvoordelen door het Openbaar Ministerie is gebaseerd op
de historieken van de bankrekeningen van de beklaagden van 1 Januari 2018 tot 19 april
2022, waarbij alle verrichtingen werden opgeteld die in hun mededeling een link naar 'huur'
of een verwijzing naar een huurpand vermeldden. Voortgaand op de verklaring van
beklaagde
huurinkomsten weerhouden (stukken 50 en 71 van het strafdossier).
werdlen ook al le contant op de rekeningen gestorte gelden als
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 62
Deze berekening levert evenwel geen getrouwe weergave van de illegale huurinkomsten van
de beklaagden op, nu enerzijds niet alle ten laste gelegde feiten van krotverhuur bewezen
werden verklaard en anderzijds de wel weerhouden feiten allemaal betrekking hebben op
een andere periode dan deze waarvan de rekeningen werden onderzocht.
Het hof ziet zich derhalve genoodzaakt om het wederrechtelijk verkregen
vermogensvoordeel per bewezen verklaard feit te onderzoeken.
Tenlastelegging B1 werd bewezen verklaard voor de periode van 1 mei 2019 tot 5 september
2022, oftewel 40 volle maanden (afgerond in het voordeel van de beklaagden). De
gebrekkige woning te
werd verhuurd aan het gezin van
, die blijkens de huurovereenkomst een huurprijs
van 950 euro per maand betaalden, hetgeen over de vermelde periode voor de beklaagden
in principe een illegaal vermogensvoordeel van 38.000,00 euro oplevert. Beklaagde
verklaarde tijdens zijn verhoor van 5 september 2022 evenwel dat de huurders
hem op dat ogenblik nog 4 à 5 maanden huur verschuldigd waren, hetgeen niet
onaannemelijk is, te meer nu uit een vonnis van 5 november 2021 van de vrederechter
blijkt dat er op dat ogenblik ook al een drietal maanden huurachterstand was. In
ieder geval is niet het bewijs geleverd dat de beklaagden alle contractueel bepaalde
huurgelden ontvangen hebben en wordt op het hoger vermeld totaalbedrag de huur voor
vijf maanden in mindering gebracht.
Het hof raamt de vermogensvoordelen die de beklaagden uit het bewezen verklaard misdrijf
onder tenlastelegging B1 hebben ontvangen derhalve op 33.250,00 euro. Dit bedrag wordt
verbeurd verklaard ten laste van beklaagden
elk voor de helft.
Tenlastelegging B2b werd bewezen verklaard voor de periode van 1 augustus 2020 tot 21
maart 2023, oftewel 31 volle maanden. De gebrekkige woning
te
werd verhuurd aan het gezin var
en
die blijkens de huurovereenkomst een huurprijs van 600,00 euro per maand betaalden,
hetgeen in principe voor de beklaagden een illegaal vermogensvoordeel van 18.600,00 euro
oplevert. Er zijn geen aanwijzingen dat de beklaagden niet dit volledig bedrag zouden
ontvangen hebben, hetgeen door hen ook niet werd beweerd. Het hof raamt de
vermogensvoordelen die de beklaagden uit het bewezen verklaard misdrijf onder
tenlastelegging B2b hebben ontvangen derhalve op 18.600,00 euro. Dit bedrag wordt
verbeurd verklaard ten laste van beklaagden
elk voor de helft.
Hof van beroep Antwerpen -
12 -p. 63
Tenlastelegging B3b werd bewe!zen verklaard voor de periode van 5 augustus 2020 tot 5
september 2022, oftewel 25 mêlanden. De gebrekkige woning te
werd verhuurd aan het gezin van
, die blijkens de huurovereenkomst een
huurprijs van 700,00 euro per maand betaalde, hetgeen in principe voor de beklaagden een
illegaal vermogensvoordeel van 17.500,00 euro oplevert. Uit een vonnis d.d. 8 juli 2022 van
blijkt dat op dat ogenblik de huur voor de maand juni 2022 nog
de vrederechter te
niet was betaald. Op 5 septemb1er 2022 verklaarde
evenwel enkel dat hij die
maand nog geen huur ontvangen had, waaruit het hof afleidt dat dat voor alle voorafgaande
maanden wel het geval was. Het hof brengt een bedrag van 700,00 euro in mindering en
raamt de vermogensvoordelen die de beklaagden uit het bewezen verklaard misdrijf onder
tenlastelegging B3b hebben ontvangen derhalve op 16.800,00 euro. Dit bedrag wordt
verbeurd verklaard ten laste van beklaagden
elk voor de helft.
Tenlastelegging B4b werd bewezen verklaard voor de periode van 1 augustus 2020 tot 7
februari 2022, oftewel 18 volle maanden. De gebrekkige woning te
huurovereenkomst een huurprijs van 550,00 euro per maand betaalde, hetgeen in principe
voor de beklaagden een illegaal vermogensvoordeel van 9.900,00 euro oplevert.
) werd verhuurd aan
, die blijkens de
Uit de aan het strafdossier gevoegde stukken blijkt dat beklaagde
een
had neergelegd, waarin hij gewag maakte
verzoekschrift voor de vrederechter te
van een huurachterstand van drie maanden. Hieromtrent werden geen verdere stukken
gevoegd. In die omstandigheden acht het hof het niet aangetoond dat de huurgelden voor
deze drie maanden daadwerkelijk geïnd zijn, zodat het hof een bedrag van 1.650,00 euro in
mindering brengt en de vermogensvoordelen die de beklaagden uit het bewezen verklaard
misdrijf onder tenlastelegging B4b hebben ontvangen derhalve raamt op 8.250,00 euro. Dit
bedrag wordt verbeurd verklaard ten laste van beklaagden
, elk voor de helft.
Tenlastelegging B4c werd bewe~zen verklaard voor de periode van 1 augustus 2020 tot 5
september 2022, oftewe l 25 volle maanden. De gebrekkige woning te
.,
:) werd verhuurd aan
·, die blijkens de
huurovereenkomst een huurprijs van 550,00 euro per maand betaalde, hetgeen in principe
voor de beklaagden een illegaa1I vermogensvoordeel van 13. 750,00 euro oplevert. Er zijn
geen aanwijzingen dat de bekla1agden niet dit volledig bedrag zouden ontvangen hebben,
hetgeen door hen ook niet werd beweerd.
Hof van beroep Antwerpen ·
- p. 64
Het hof raamt de vermogensvoordelen die de beklaagden uit het bewezen verklaard misdrijf
onder tenlastelegging B4c hebben ontvangen derhalve op 13.750,00 euro. Dit bedrag wordt
verbeurd verklaard ten laste van beklaagden
elk voor de helft.
september 2022, oftewel 24 volle maanden. De gebrekkige woning te
Tenlastelegging BS werd bewezen verklaard voor de periode van 1 september 2020 tot 5
.,
die
werd verhuurd aan het gezin van
blijkens de huurovereenkomst een huurprijs van 950,00 euro per maand betaalden, hetgeen
in principe voor de beklaagden een illegaal vermogensvoordeel van 22.800,00 euro oplevert.
Er zijn geen aanwijzingen dat de beklaagden niet dit volledig bedrag zouden ontvangen
hebben, hetgeen door hen ook niet werd beweerd. Het hof raamt de vermogensvoordelen
die de beklaagden uit het bewezen verklaard misdrijf onder tenlastelegging BS hebben
ontvangen derhalve op 22.800,00 euro. Dit bedrag wordt verbeurd verklaard ten laste van
beklaagder
, elk voor de helft.
Tenlastelegging B6b werd bewezen verklaard voor de periode van 16 augustus 2022 tot 13
.,
december 2022, oftewel 3 volle maanden. De gebrekkige woning te
, die
werd verhuurd aan het gezin van
blijkens de huurovereenkomst een huurprijs van 700,00 euro per maand betaalden, hetgeen
In principe voor de beklaagden een illegaal vermogensvoordeel van 2.100,00 euro oplevert.
Uit het aan het strafdossier gevoegd vonnis van 17 maart 2023 van de vrederechter
blijkt dat initieel de huur voor de maanden oktober, november en december 2022
niet was betaald, maar dit werd in de loop van de procedure geregulariseerd, waarna
beklaagde
haar vordering herleidde. Het hof raamt de vermogensvoordelen
die de beklaagden uit het bewezen verklaard misdrijf onder tenlastelegging B6b hebben
ontvangen derhalve op 2.100,00 euro. Dit bedrag wordt verbeurd verklaard ten laste van
beklaagden
, elk voor de helft.
Voor tenlastelegging B7 dient te worden uitgesplitst per zelfstandige woongelegenheid.
Met betrekking tot woning
. werd het misdrijf onder tenlastelegging B7 bewezen
verklaard voor de periode van 1 januari 2022 tot S september 2022, oftewel 8 volle
maanden. Deze gebrekkige woning werd in die periode verhuurd aan
), die blijkens een vonnis d.d. 26 september 2023 van de
vrederechter van het zevende kanton
een huurprijs van 220,00 euro per maand
betaalde, hetgeen in principe voor de beklaagden een illegaal vermogensvoordeel van
1.760,00 euro oplevert.
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 65
Uit dat vonnis blijkt dat de huurgelden tot en met september 2022 betaald werden, slechts
nadien (vanaf oktober 2022) z:ijn er huurachterstallen ontstaan. De terugbetaling door
van b,epaalde huurgelden had eveneens betrekking op de periode
beklaagde
nadien. Er zijn geen aanwijzingel!'l dat de beklaagden niet het volledig voor de periode tot en
met september 2022 verschuldigd bedrag zouden ontvangen hebben. Het hof raamt de
vermogensvoordelen die de beklaagden uit het bewezen verklaard misdrijf onder
tenlastelegging 87 met betrekking tot woning
hebben ontvangen derhalve op 1.760,00
euro. Dit bedrag wordt verbeurd verklaard ten laste van beklaagden
, elk voor de helft.
Met betrekking tot woning
werd het misdrijf onder tenlastelegging 87 bewezen
verklaard voor de periode var1 1 januari 2022 tot 5 september 2022, oftewel 8 volle
maanden. Deze gebrekkige woning werd In die periode verhuurd aan
·, van
wie uit geen enkel dossierelement blijkt hoeveel huur hij maandelijks diende te betalen. Het
hof gaat er in een zeer minimali stische berekening (in het voordeel van de beklaagden ) van
uit dat de huurinkomsten minimaal 200 euro per maand bedroegen gelet op de omvang en
de uitrust ing van de won ing, zoals deze blijken uit de situatieschets en het technisch verslag
van de woningcontroleur. Dit levert in principe voor de beklaagden minimaal een illegaal
vermogensvoordeel van 1.600,0ID euro op.
Er zijn geen aanwijzingen dat de beklaagden niet dit volledig bedrag zouden ontvangen
hebben, hetgeen door hen ook niet werd beweerd. Het hof raamt de vermogensvoordelen
die de beklaagden uit het bewezen verklaard misdrijf onder tenlastelegging B7 met
hebhen ontvangen derhalve op 1.600,00 euro. Dit bedrag wordt
betrekking tot woning
verbeurd verklaard ten laste van beklaagden
elk voor de helft.
Met betrekking tot woning
werd het misdrijf onder tenlastelegging B7 bewezen
verklaard voor de periode van 24 april 2022 tot 5 september 2022, oftewel 4 volle maanden.
Deze gebrekkige woning werd ini die periode verhuurd aar
, die blijkens de
huurovereenkomst een huurprijs van 450,00 euro per maand betaalde, hetgeen in principe
voor de beklaagden een illegaal vermogensvoordeel van 1.800,00 euro oplevert . Er zijn geen
aanwijzingen dat de beklaagden niet dit volledig bedrag zouden ontvangen hebben, hetgeen
door hen ook niet werd beweerd. Het hof raamt de vermogensvoordelen die de beklaagden
uit het bewezen verklaard misdirijf onder tenlastelegging B7 met betrekking tot woning
hebben ontvangen derhalve op 1.800,00 euro. Dit bedrag wordt verbeurd verklaard ten laste
van beklaagden
, elk voor de helft.
Hof van beroep Antwerpen -
-p. 66
Met betrekking tot woning
. werd het misdrijf onder tenlastelegging B7 bewezen
verklaard voor de periode vani 1 januari 2022 tot 5 september 2022, oftewel 8 volle
maanden. Deze gebrekkige woning werd in die periode verhuurd aan
, die blijkens de huurovereenkomst een huurprijs van 450,00 euro per maand betaalde,
hetgeen in principe voor de beklaagden een illegaal vermogensvoordeel van 3.600,00 euro
oplevert. Er zijn geen aanwijzingen dat de beklaagden niet dit volledig bedrag zouden
ontvangen hebben, hetgeen door hen ook niet werd beweerd. Het hof raamt de
vermogensvoordelen die de beklaagden uit het bewezen verklaard misdrijf onder
tenlastelegging B7 met betrekking tot woning
hebben ontvangen derhalve op 3.600,00
euro. Dit bedrag wordt verbeurd verklaard ten laste van beklaagden
, elk voor de helft.
Met betrekking tot woning
werd het misdrijf onder tenlastelegging B7 bewezen
verklaard voor de korte periode: van 22 augustus 2022 tot 5 september 2022, oftewel een
tweetal weken. Deze gebrekkige woning werd in die periode verhuurd aan Mimoun Khalifi,
die nog niet over een schrifteliijke huurovereenkomst beschikte, maar volgens zijn eigen
verklaring wel mondeling een huurprijs van 500,00 per maand was overeengekomen. De
huurder verklaarde op 5 september 2022 dat hij de huur voor de lopende maand aan de
verhuurder betaald had via overschrijving. De huur die betrekking heeft op de hoger
vermelde incriminatieperiode is gelijk aan 250,00 euro.
Het hof raamt de vermogensvoo,rdelen die de beklaagden uit het bewezen verklaard misdrijf
onder tenlastelegging 87 met betrekking tot woning
hebben ontvangen derhalve op
250,00 euro. Dit bedrag wordt verbeurd verklaard ten laste van beklaagden
, elk voor de helft.
Samenvattend blijkt dat beklaagde
uit de minstens gedeeltelijk bewezen
verklaarde misdrijven onder te!nlasteleggingen 81, B2b, B2b, B4b, 84c, BS, B6b en B7
vermogensvoordelen heeft genoten ter waarde van 62.280,00 euro, welk bedrag lastens
hem wordt verbeurdverklaard .
Beklaagde
heeft uit de minstens gedeeltelijk bewezen verklaarde
misdrijven onder tenlasteleggingen 81, 82b, 82b, 84b, 84c, BS en 87 vermogensvoordelen
genoten ter waarde van 61.230,00 euro, welk bedrag lastens haar wordt verbeurdverklaard.
Beklaagde
heeft uit het bewezen verklaard misdrijf onder tenlastelegging 86b
vermogensvoordelen genoten te!r waarde van 1.050,00 euro, welk bedrag lastens haar wordt
verbeurdverklaard.
Hof van beroep Antwerpen
- p. 67
Deze vermogensvoordelen werden niet gevonden in het vermogen van de beklaagden, zodat
de verbeurdverklaring betrekking heeft op de geldwaarde die ermee overeenstemt.
Uit niets blijkt dat deze verbeurdverklaringen dermate afbreuk doen aan de financiële
toestand van de beklaagden dat ze een schending van hun eigendomsrecht zouden
inhouden, noch dat de beklaagden hierdoor aan een onre!delijk zware straf zouden worden
onderworpen.
Verder ziet het hof geen reden om het inbeslaggenomen gezinsvoertuig verbeurd te
verklaren.
Het is niet aangetoond dat dit gediend heeft of bestemd was om (een va n) de bewezen
verklaarde misdrijven te plegen, noch dat dit in de plaats zou zijn gesteld van uit die
misdrijven verkregen illegale vermogensvoordelen.
Tenslotte werden de beklaagden door de eerste rechter terecht veroordeeld tot beta ling van
een bijdrage tot de financiering van het slachtofferfonds. Deze bijdrage moet, ongeacht de
datum waarop het bestrafte misdrijf werd gepleegd, worden verhoogd met de opdeciemen
die van kracht zijn op de dag van de veroordeling (vergelijk Cass. 23 juni 2015,
Bij artike l 2 van de wet van 19 december 2025, in werking getreden op 1 februari 2026,
werden de opdeciemen verhoogd van 70 naar 90. Da arom dient deze bijdrage thans telkens
op 250,00 euro te worden gebracht.
De beklaagden werden ook terecht veroordeeld tot betaling van een bijdrage aan het
begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand en van een vaste vergoed ing voor
beheerskosten
in strafzaken. Deze
laatste vergoeding dient weliswaar te worden
geïndexeerd zoals verder bepaald.
8.
Beoordeling ten gronde - op burgerrechtelijk gebi1ed
8.1.
De vordering van burgerlijke partij
Deze burgerlijke partij ent haar vordering op de feiten ondier tenlasteleggingen A4b en B4b.
Hof van beroep Antwerpen •
-p. 68
,, -··-·-·------------------------ --
De eerste rechter verklaarde deze vordering ontvankelijk en gegrond en veroordeelde
beklaagden
hoofdelijk tot betaling van een
schadevergoeding van 565,60 euro. In dit bedrag zijn de vergoedende intresten reeds
inbegrepen, maar het is nog te vermeerderen met gerechtelijke intresten.
Deze beslissing wordt door de beklaagden bestreden, zij vragen in hoger beroep de afwijzing
van de burgerl ijke vordering, minstens een mildering ervan.
De burgerlijke partij vraagt om het bestreden vonnis te bevestigen, weliswaa r in die zin dat
zij de toekenning vordert van een vergoeding voor materiële en morele schade vermengd
van 500,00 euro, te vermeerderen met vergoedende en geirechtelijke intresten.
Nu de beklaagden worden vrijgesproken voor het feit onder tenlastelegging A4b, is het hof
niet bevoegd om uitspraak te doen over de vordering van deze burgerlijke partij, in zoverre
op dit feit geënt.
Het staat vast dat burgerlijke partiJ
zowel mat,eriële als morele schade geleden
heeft die werd veroorzaakt door het feit onder tenlasteleg;ging B4b, waaraan de beklaagden
schuldig werden bevonden. Deze schade werd
door de eerste rechter correct en gepast begroot op een hoofdsom van 500,00 euro, met
rekenschap voor alle ter zake dienende bewijselementen. Beklaagder
zijn in solidum tot dit bedrag gehouden, dat thans dient te worden
vermeerderd met vergoedende interesten van de gemiddelde datum 5 mei 2021 tot heden,
en met gerechtelijke intresten vanaf heden tot de dag der volledige betaling, telkens aan de
wettelijke rentevoet.
Rekening houdend met de waarde van de vordering werd ook de door de eerste rechter
toegekende rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg gepast geraamd
op het basisbedrag van 300,00 euro. Voor de procedure in hoger beroep komt aan
burgerlijke partij
een rechtsplegingsvergoeding toe van 313,95 euro.
8.2. De vordering van burgerlijke partijen
Hoger oordeelde het hof dat de strafvordering onontvankelijk is in zoverre zij betrekking
heeft op de feiten onder tenlasteleggingen A2a en B2a.
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 69
Hieruit volgt dat ook de vordering van burgerl ijke partijen
onontvankelijk is, die immers integraal geënt is op de betreffende feiten.
8.3.
De vordering van burgerlijke partij
Deze burgerlijke partij ent haar vordering op de feiten onder tenlasteleggingen A7 en 87.
De eerste rechter verklaarde deze vordering ontvankelij k en gegrond en veroordeelde
hoofdelijk tot betaling van een
beklaagden
schadevergoeding van 1.500,00 euro, te vermeerderen met gerechtelijke intresten.
Deze beslissing wordt door de beklaagden bestreden, zij vragen in hoger beroep de afwijzing
van de burgerlijke vordering, minstens een mildering ervan. De burgerlijke partij vraagt om
het bestreden vonnis te bevestigen.
Nu de beklaagden worden vrijgesproken voor het feit on,der tenlastelegging A7, is het hof
niet bevoegd om uitspraak te doen over de vordering van deze burgerlijke partij, in zoverre
op dit feit geënt.
Het hof acht het voldoende aangetoond dat burgerlijke parti_
morele
schade geleden heeft die werd veroorzaakt door het feit onder tenlastelegging 87, waaraan
de beklaagder
schuldig werden bevonden.
Het bewezen verklaard misdrijf heeft wegens zijn aard en ernst een emotionele impact
. Het hof is van oordeel dat, rekening houdend met de
gehad op burgerlijke partij
voorliggende gegevens, inlichtingen en bewijsstukken deze schade slechts naar billijkheid
kan worden vergoed, meer bepaald door aan de bu rgerlij ke partij een
forfaitaire
schadevergoeding toe te kennen van 800,00 euro. Bekl:aagden
zijn in solidum tot dit bedrag gehouden, dat t hans dient te worden
vermeerderd met gerechtelijke intresten zoals verder bepaald.
Rekening houdend met de waarde van de vordering werd de door de eerste rechter
toegekende rechtspleglngsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg gepast geraamd
op het basisbedrag van 600,00 euro. Voor de procedure in hoger beroep komt aan
burge rlijke parti.
een rechtspleglngsvergoeding tete van 627,91 euro.
Hof van beroep Antwerpen
-p. 70
8.4.
De vordering van burgerlijke partij
Nu de beklaagden worden vrijgesproken voor de feiten on,der tenlasteleggingen A4a en B4a,
is het hof niet bevoegd om uitspraak te doen over de d,aarop geënte vordering van deze
burgerlijke partij.
8.5.
De overige burgerlijke belangen
De eerste rechter hield bij toepassing van artikel 4 Voorafgaande Titel van het Wetboek van
Strafvordering terecht ambtshalve de overige burgerlijke helangen aan.
9.
Wettelijke bepalingen
Het hof houdt rekening met volgende wettelijke bepalinge1n, de artikelen:
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
11, 12, 14, 24, 31 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935
152, 161, 162, 162bis, 182, 185, 190, 190ter, 191, 194, 195, 199, 200, 202, 203,
203bis, 204, 206, 209bis, 210, 211 en 212 van het Wetboek van Strafvordering
1, 2, 3, 7, 38, 40, 42, 43, 43bis, 44, 45, 50, 65, 66, 327, 433decies en 433terdecies van
het Strafwetboek
1, 2, 5, 7 20 §1 en 20ter van het decreet van 15 juli 1997
1.1., 1.2., 1.3., 3.1., 3.34., 3.36 en 3.49 van de decreten over het Vlaamse woonbeleid
van 17 juli 2020 "Vlaamse Codex Wonen van 2021"
1 van de wet van 5 maart 1952
2 en 6 van de wet van 19 december 2025 betreffende de verhoging van opdecimes
en de verzwaring van de geldboete voor inbreuk op het Sociaa l Strafwetboek met
een verzwarende factor
59 en 60 van de programmawet van 25 december 2016
1 en 8 van de wet van 29 juni 1964
58 van het KB van 18 december 1986
28 en 29 van de wet van 1 augustus 1985
4 §3, 5 en 10 van de wet van 19 maart 2017
6 van het KB van 26 april 2017
91 van het KB van 28 december 1950
1 en 2 van het KB van 28 augustus 2020
Hof van beroep Antwerpen - 2025/CO/602 - p. 71
-
-
-
-
-
6 en 44 van de wet van 7 februari 2024. - Wet houdende boek 6 "Buitencontractuele
aansprakelijkheid" van het Burgerlijk Wetboek
1382 van het Burgerlijk Wetboek
3 en 4 van de wet van 17 april 1878 (Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering)
1022 van het Gerechtelijk Wetboek
1 en 2 van het KB van 26 oktober 2007
10.
Beslissing
Rechtdoende op tegenspraak;
Beslist op grond van de hoger vermelde redenen, binnen de perken van de hogere beroepen
zoals hiervoor bepaald, als volgt:
Verklaart de hogere beroepen van de beklaagden en van het Openbaar Ministerie
ontvankelijk;
Verleent aan het Openbaar Ministerie akte van de afstand van haar grief met betrekking tot
de niet-bewezen verklaring ten aanzien van beklaagde
van de verzwarende
omstandigheid dat zij van de activiteiten onder tenlasteleggingen AGa, AGb, 86a en B6b een
gewoonte had gemaakt;
Op strafrechtelijk gebied
Ten aanzien van beklaagde
Verklaart de strafvordering onontvankelijk in zoverre zij bE?trekking heeft op de feiten onder
tenlasteleggingen A2a en B2a;
Bevestigt het bestreden vonnis met betrekking tot de vrijispraak van de beklaagde voor de
feiten onder tenlasteleggingen Cl, C2, C3, C4, es, Dl, D2, D3, 04 en D5;
Verklaart de beklaagde niet schuldig aan de feiten ondeir tenlasteleggingen Al, A2b, A3a,
A3b, A4a, A4b, A4c, A6a, A6b, A7, 83a, B4a en B6a, spreekt hem hiervoor vrij en ontslaat
hem van de uit dien hoofde uitgesproken veroordeling;
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 72
Bevestigt het bestreden vonnis met betrekking tot de schuldigverklaring van de beklaagde
aan de feiten onder ten lasteleggingen :
-
AS gedurende de periode van 1 september 2020 tot 21 september 2020,
uitgezonderd de verzwarende omstandigheid dat van de betrokken activiteit een
gewoonte werd gemaakt,
- Bl gedurende de periode van 1 mei 2019 tot 5 september 2022,
-
-
-
-
-
-
B2b gedurende de periode van 1 augustus 2020 tot 21 maart 2023,
B3b gedurende de periode van 5 augustus 2020 tot 5 september 2022,
84b gedurende de periode van 1 augustus 2020 tot 7 februari 2022,
B4c,
BS gedurende de periode van 1 september 2020 tot 21 september 2020,
B6b,
B7, maar enkel voor wat betreft de volgende woningen:
o woning
o woning
o woning
o woning
gedurende de periode van 1 januari 2022 tot 5 september 2022;
gedurende de periode van 1 januari 2022 tot 5 september 2022;
gedurende de periode van 24 april 2022 tot 5 september 2022;
gedurende de periode van 1 januari 2022 tot 5 september 2022;
o woning
gedurende de periode van 22 augustus 2022 tot 5 september
2022;
-
en E;
Veroordeelt de beklaagde voor deze bewezen verklaarde feiten vermengd tot:
-
-
een hoofdgevangenisstraf van EEN JAAR, en
een geldboete van 100.000,00 euro, dit is 12.500,00 euro verhoogd met 70
opdeciemen of, bij gebrek aan betaling binnen de in artikel 40 Strafwetboek
bepaalde termijn, tot een vervangende gevangenisstraf van negentig dagen;
Gelast gedurende een proeftijd van drie
jaar vanaf heden het uitstel van de
tenuitvoerlegging van de volledige opgelegde hoofdgevangenisstraf;
Beveelt lastens de beklaagde de bijzondere verbeurdverklaring van de wederrechtelijk door
hem verkregen vermogensvoordelen, die bepaald worden op 62.280,00 euro bij equivalent;
Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre de beklaagde werd veroordeeld tot betaling van:
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 73
-
-
-
een bijdrage tot de financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers
van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders, dewelke thans evenwel
wordt bepaald op 250,00 euro, dit is 25,00 euro verhoogd met 90 opdeciemen;
een bijdrage aan het begrotingsfonds voor j uridische tweedelijnsbijstand van 26,00
euro;
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken, die na indexatie evenwel
wordt gebracht op 62,37 euro;
Ten aanzien van beklaagde
Verklaart de strafvordering onontvankelij k in zoverre zij betrekking heeft op de feiten onder
ten lasteleggingen A2a en 82a;
Bevestigt het bestreden vonnis met betrekking tot de vrijspraak van de beklaagde voor de
feiten onder tenlasteleggingen Cl, C2, C3, C4, es, 01, 02, 03, 04 en OS;
Verklaart de beklaagde niet schuldig aan de feiten onder tenlasteleggingen Al, A2b, A3a,
A3b, A4a, A4b, A4c, A6a, A6b, A7, 83a, 84a, 86a en 86b, spreekt haar hiervoor vrij en
ontslaat haar van de uit dien hoofde uitgesproken veroordeling;
Bevestigt het bestreden vonnis met betrekking tot de schu ldigverklaring van de beklaagde
aan de feiten onder tenlasteleggingen:
-
AS gedurende de periode van 1 september 2020 tot 21 september 2020,
uitgezonderd de verzwarende omstand igheid dat van de betrokken activiteit een
gewoonte werd gemaakt,
-
B1 gedurende de periode van 1 mei 2019 tot 5 september 2022,
- B2b gedurende de periode van 1 augustus 2020 tot 21 maart 2023,
-
-
-
-
-
83b gedurende de periode van 5 augustus 2020 tot 5 september 2022,
B4b gedurende de periode van 1 augustus 2020 tot 7 februari 2022,
B4c,
BS gedurende de periode van 1 september 2020 tot 21 september 2020,
en B7, maar enkel voor wat betreft de volgende woningen :
o woning
o woning
gedurende de periode van 1 januari 2022 tot 5 september 2022;
gedurende de periode van 1 januari 2022 tot 5 september 2022;
o woning
gedurende de periode van 24 apri l 2022 tot 5 september 2022;
o woning
o woning
2022;
gedurende de periode van 1 januari 2022 tot 5 september 2022;
gedurende de periode van 22 augustus 2022 tot 5 september
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 74
Veroordeelt de beklaagde voor deze bewezen verklaarde fielten vermengd tot een geldboete
van 50.000,00 euro, dit is 6.250,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen of, bij gebrek aan
betaling binnen de in artikel 40 Strafwetboek bepaalde termijn, tot een vervangende
gevangenisstraf van negentig dagen;
Gelast gedurende een proeftijd van drie
tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete ten belope van de helft;
jaar vanaf heden het uitstel van de
Beveelt lastens de beklaagde de bijzondere verbeurdverklaring van de wederrechtelijk door
haar verkregen vermogensvoordelen, die bepaald worden ,op 61.230,00 euro bij equivalent;
Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre de beklaagde werd veroordeeld tot betaling van:
een bijdrage tot de financiering van het bijzonde r fonds tot hulp aan de slachtoffers
van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders, dewelke t hans evenwel
wordt bepaald op 250,00 euro, dit is 25,00 euro verhoogd met 90 opdeciemen;
een bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand van 26,00
euro;
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken, die na indexatie evenwel
wordt gebracht op 62,37 euro;
Ten aanzien van beklaagde
Stelt vast dat de eerste rechter definitief heeft geoordeeld dat inzake de feiten onder
tenlasteleggingen A6a, A6b, B6a en B6b de verzware:nde omstandigheid dat van de
betrokken act iviteit een gewoonte werd gemaakt, niet bewezen is ten aanzien van deze
beklaagde;
Verklaart de beklaagde niet schuldig aan de feiten onder tenlasteleggingen A6a (zoals
beperkt), A6b (zoals beperkt) en B6a (zoals beperkt), spre!ekt haar hiervoor vrij en ontslaat
haa r van de uit dien hoofde uitgesproken veroordeling;
Bevestigt het bestreden vonnis met betrekking tot de schuldigverklaring van de beklaagde
aan het feit onder ten lastelegging B6b (zoals beperkt);
Veroordeelt de beklaagde voor dit feit t ot een geldboete van 8.000,00 euro, dit is 1.000,00
euro verhoogd met 70 opdeciemen of, bij gebrek aan betaling binnen de in artikel 40
Strafwetboek bepaalde termijn, tot een vervangende geva1ngenisstraf van negentig dagen;
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 75
Gelast gedurende een proeftijd van drie
jaar vanaf heden het uitstel van de
tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete ten belope van de helft;
Beveelt lastens de beklaagde de bijzondere verbeurdverklaring van de wederrechtelijk door
haar verkregen vermogensvoordelen, die bepaald worden op 1.050,00 euro bij equivalent;
Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre de beklaagde werd veroordeeld tot betaling van:
een bijdrage tot de financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slaclhtoffers
van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders, dewelke thans E!venwel
wordt bepaald op 250,00 euro, dit is 25,00 euro verhoogd met 90 opdeciemen;
een bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand van 26,00
euro;
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken, die na indexatie evenwel
wordt gebracht op 62,37 euro;
Verbeurdverklaring onroerend goed
Beveelt ten aanzien van beklaagden
de
bijzondere verbeurdverklaring van het in beslag genomen onroerend goed te
kadast raal gekend als
, la00ca,. elk ten
belope van hun aandeel;
Heft de beslagen op de overige onroerende goederen op;
Op burgerrechtelijk gebied
De vordering van burgerliike partii
Verklaart het hoger beroep van beklaagden
gedeeltelijk gegrond in de hierna bepaa lde mate;
Verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de vordering van deze burgerlijke partij, in
zoverre geënt op het feit onder ten lastelegging A4b;
Hof van beroep Antwerpen -
-p. 76
Veroordeelt beklaagden
aan burgerlijke partij
van een definitief begrote schadevergoeding van
in solidum tot betaling
500,00 euro, te vermeerderen met vergoedende interesten van 5 mei 2021 tot heden, en
van heden tot de dag der volledige betaling met gerechtelijke interesten, telkens aan de
wettelijke rentevoet;
Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre beklaagden
hoofdelijk werden veroordeeld tot betal ing aan burgerlijke partij
van een rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg van 300,00 euro;
hoofdelijk tot betaling
van een rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in
Veroordeelt beklaagden
aan burgerlijke partij
hoger beroep van 313,95 euro;
De vordering van burgerliike partiien
Wijzigt het bestreden vonnis;
Verklaart de vordering van deze burgerlijke partijen onontvankelijk;
De vordering van burqerliike partii
Verklaart het hoger beroep van beklaagden
gedeeltelijk gegrond in de hierna bepaalde mate;
Verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de vordering van deze burgerlijke partij, in
zoverre geënt op het feit onder tenlastelegging A7;
Veroordeelt beklaagden
aan burgerlijke partij
van een definitief begrote schadevergoeding van
in solidum tot betaling
800,00 euro, te vermeerderen met gerechtelijke interesten aan de wettelijke rentevoet van
heden tot de dag der volledige betaling;
Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre beklaagden
hoofdelijk werden veroordeeld tot betaling aan burgerlijke partij
van een rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg van 600,00 euro;
Hof van beroep Antwerpen •
-p. 77
Veroordeelt beklaagden
aan burgerlijke partij
in hoger beroep van 627,91 euro;
De vordering van burger/iike partij
van een rechtsplegingsvergoeding voor de procedure
hoofdelijk tot beta ling
Verklaart het hoger beroep van beklaagden
gegrond;
Wijzigt het bestreden vonnis;
Verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de vordering van burgerlijke partij
Met betrekking tot de overige burgerliike belangen
Bevestigt de beslissing van de eerste rechter om de overige burgerlijke belangen aan te
houden;
Met betrekking tot de kosten
Verwijst el k van beide beklaagden
in de kosten
van de strafvordering in eerste aanleg ten belope van 4.5%, deze voorgeschoten door de
openbare partij en in totaa l begroot op 1.863,92 euro al de·ze kosten ondeelbaar veroorzaakt
zijnde door de thans nog ten aanzien van hen weerhouden feiten;
Verwijst beklaagde
in de kosten van de strafvordering in eerste aanleg ten
belope van 10%, deze voorgeschoten door de openbar,e partij en in totaal begroot op
1.863,92 euro, al deze kosten ondeelbaar veroorzaakt zijnde door het thans nog ten aanzien
van haar weerhouden feit;
Laat de kosten van het hoger beroep van het Openbaar Ministerie ten laste van de Belgische
Staat;
Laat de kosten van de beslagen op de andere onroerende goederen dan hetwelk hoger
verbeurd wordt verklaard, ten laste van de Belgische Staat;
Hof van beroep Antwerpen •
- p. 78
Verwijst elk van beide beklaagder
in de overige
kosten van de strafvordering in hoger beroep ten belope van 45%, alsook in de kosten van
de burgerrechtelijke vorderingen in hoger beroep, deze voorgeschoten door de openbare
partij en in totaal begroot op 592,74 euro, al deze kosten ondeelbaar veroorzaakt zij nde
door de thans nog ten aanzien van hen weerhouden feiten;
Verwijst beklaagde
in de overige kosten van de strafvordering in hoger
beroep ten belope van 10%, deze voorgeschoten door de openbare partij en in totaal
begroot op 592,74 euro, al deze kosten ondeelbaar veroorzaakt zijnde door het thans nog
ten aanzien van haar weerhouden feit.
Hof van beroep Antwerpen - 2025/CO/602 - p. 79
Dit arrest is gewezen te Antwerpen door het hof van beroep, C4 kamer, samengesteld uit :
Kamervoorzitter
Raadsheer
Raadsheer
die aan de beraadslaging hebben deelgenomen
en in openbare terechtzitting van 18 februari 2026
uitgesproken door
, Kamervoorzitter
in aanwezigheid var
·, Eerst e Advocaat-gene raal
mot hi ic te>nrl \/e> n
r.::riffior