ADB:hof-van-beroep-antwerpen-18-02-2026
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Beroep Antwerpen
📅 2026-02-18
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
Ruimtelijke Ordening
Woonbeleid
Geciteerde wetgeving
KB van 28 augustus 2020; KB van 26 april 2017; KB van 28 december 1950; KB van 18 december 1986; Wet van 29 juni 1964; artikel 2 van de wet van 19 december 2025; artikel 8 van de Wet van 29 juni 1964; wet van 17 april 1878; wet van 19 december 2025; wet van 19 december 2025
Samenvatting
Arrestnummer C/ À9't /2026 Repertorium nummer 2026 / 1'4~ Datum van uitspraak 18 februari 2026 Rolnummer Notitienummer parket-generaal 2025/PGA/677 2025/VJ11/323 D Mededeelbaar aan de ontvanger Aangeboden op Niet te registreren Hof van beroep Antwerpen Arrest C4 kamer correctionele zaken Hof van ...
Volledige tekst
Arrestnummer
C/ À9't
/2026
Repertorium nummer
2026 / 1'4~
Datum van uitspraak
18 februari 2026
Rolnummer
Notitienummer parket-generaal
2025/PGA/677
2025/VJ11/323
D Mededeelbaar aan de
ontvanger
Aangeboden op
Niet te registreren
Hof van beroep
Antwerpen
Arrest
C4 kamer
correctionele zaken
Hof van beroep Antwerpen -
- p, 2
Het OPENBAAR MINISTERIE
en
DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST
met kantoren te 1000 BRUSSEL, Havenlaan 88 bus 22 en te
eiser tot herstel
vertegenwoordigd door mr.
loco mr.
, beiden advocaat bij de
balie
tegen
1.
rijksregisternummer
geboren
wonende te
van Britse nationaliteit
beklaagde
vertegenwoordigd door mr.
loco mr.
·, beiden advocaat
bij de balie
2.
rijksregisternummer
geboren
zonder gekende woon- of verblijfplaats in het Rijk (volgens het rijksregister is de betreffende
persoon geradiëerd - de persoon Is ambtshalve geschrapt sinds 23 december 1993}
van Poolse nationaliteit
beklaagde
Hof van beroep Antwerpen -
• p. 3
vertegenwoordigd door mr.
loco mr.
·, beiden advocaat
bij de balie
1.
Ten laste gelegde feiten
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het Strafwetboek;
door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering rechtstreeks
te hebben meegewerkt;
door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het
wanbedrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd;
door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen
of arglistigheden, de misdaad of het wanbedrijf rechtstreeks te hebben uitgelokt;
of, door het plegen van de feiten rechtstreeks te hebben uitgelokt door woorden in
openbare bijeenkomsten of plaatsen gesproken dan wel door enigerlei geschrift, drukwerk,
prent of zinnebeeld aangeplakt, rondgedeeld of verkocht, te koop geboden of openlijk
tentoongesteld;
in het pand gelegen te
kadastraal gekend als:
eigendom van
elk voor de helft in volle eigendom
ingevolge akte dd. 12/12/1973 bij notaris
te
verhuren, te huur of ter beschikking stellen, met het oog op bewoning, van niet-conforme
of overbewoonde woning
als verhuurder, als eventuele onderverhuurder of als persoon die een woning ter beschikking
stelt, een niet-conforme of overbewoonde woning rechtstreeks of via tussenpersoon te
hebben verhuurd, te huur gesteld of ter beschikking gesteld met het oog op bewoning,
(art. 3.34. Vlaamse Codex Wonen van 2021)
Namelijk:
Hot van beroep Antwerpen·
-p. 4
in de periode van 1 januari 2022 tot en met 11 januari 2023
ten nadele van
, geborer
., ten nadele van
:, geboren
ten nadele van
, geboren
1 te
door
woning
1..QQ_
door
kamer
3 in de periode van 1 maart 2022 tot en met 14 juli 2022
door
kamer
4 op 14 juli 2022
door
kamer
ten nadele van
ten nadele van
., geboren
., ten nadele van
, geborer
5 in de periode van 1 maart 2022 tot en met 11 januari 2023
door
:, ten nadele var
geboren
kamer
6 op 14 juli 2022
door
kamer
ten nadele van
7 in de periode van 1 maart 2022 tot en met 14 juli 2022
door
, ten nadele var
·, geboren
, ten nadele van
·, geboren
ten nadele van
kamer
, geboren
Hof van beroep Antwerpen -
- p. S
8 in de periode van 1 maart 2022 tot en met 14 juli 2022
door
kamer
, ten nadele van
, geboren
9 in de periode van 1 november 2022 tot en met 11 januari 2023
, ten nadele van
, geboren
, ten nadele van
, geboren
door
kamer
10 op 11 januari 2023
ten nadele var
, geboren
, ten nadele var
skyi, geboren
door
kamer
Overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid
d.d. 5 november 2024
Ref.:
Bedrag: 285,00 euro
. )
2.
Bestreden beslissing
2.1.
Bij het vonnis. op tegenspraak gewezen op 6 januari 2025 door de rechtbank van eerste
aanleg Antwerpen. afdeling Antwerpen, kamer ACl, werd als volgt beslist:
Op strafgebied
Ten aanzien van
:, eerste beklaagde
Veroordeelt
7,8,9en10:
voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen 1, 2, 3, 4, 5, 6,
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 6
tot een geldboete van 14.000,00 EUR, zijnde 1.750,00 EUR verhoogd met 70
opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betal ing binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 90 dagen.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van 3
jaar, doch slechts voor een gedeelte van 6.000,00 EUR, zijnde 750,00 EUR verhoogd met 70
opdeciemen.
Verklaart verbeurd overeenkomstig artikel 42, 3° en 43bis Sw. de vermogensvoordelen voor
een bedrag van 9.000,00 EUR.
Veroordeelt
tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor
tweedelijnsbijstand
juridische
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
58,90 EUR
de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/2 x 34,27 = 17,14 EUR
Ten aanzien van
:, tweede beklaagde
Veroordeelt
7, 8, 9 en 10:
voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen 1, 2, 3, 4, 5, 6,
tot een geldboete van 4.000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70
opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betallng binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 90 dagen.
Hof van beroep Antwerpen
-p. 7
-~-----------------------
Verklaart verbeurd overeenkomstig artikel 42, 3° en 43bis Sw. de vermogensvoordelen voor
een bedrag van 9.000,00 EUR.
Veroordeelt
tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor
juridische
tweedelijnsbijstand
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
58,90 EUR
de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/2 x 34,27 = 17,14 EUR
Herstel
Verklaart de vordering van de wooninspecteur van het Vlaams Gewest ontvankelijk en
gegrond in de volgende mate:
Veroordeelt beklaagden
tot het geven van een andere bestemming aan het pand te gelegen te
, gekadastreerd als
volgens de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, hetzij de woning
te slopen, tenzij de sloop verboden is op grond van wettelijke, decretale of
reglementaire bepalingen, en;
tot het uitvoeren van alle werken om de conform iteit in de zin van artikel 1.3 § 1, 8°
Codex Wonen, te herstellen en de eventuele overbewoning te beëindigen wat dit
pand betreft, indien het goed bestemd wordt voor bewon ing;
Bepaalt de termijn voor uitvoering op tien maanden na het in kracht van gewijsde treden
van onderhavig vonnis;
Legt een dwangsom op van 150 euro per dag vertraging na het verstrijken van de hoger
bepaalde hersteltermijn in zoverre huidig vonnis vooraf werd betekend; legt geen
dwangsomtermijn op;
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 8
Wijst de vordering om de veroordeling tot de herstelmaatregel uitvoerbaar bij voorraad te
verklaren, af;
Machtigt de wooninspecteur van het Vlaamse Gewest en het College van burgemeester en
schepenen van
conform artikel 3.47 van de Codex Wonen in de
uitvoering van het opgelegde herstel te voorzien, op kosten van beklaagde, met machtiging
tot recuperatie van de kosten aan de uitvoering verbonden;
Machtigt de wooninspecteur van het Vlaamse Gewest de eventuele kosten vermeld in
artikel 3.33 van de Codex Wonen te verhalen op beklaagde.
Op burgerlijk gebied
Houdt de overige burgerl ijke belangen ambtshalve aan.
2.2.
Er werd hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonn is van 6 januari 2025 op de griffie van
de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen:
op 30 januari 2025 door de raadsman van de beklaagde
tegen alle
beschikkingen op strafrechtelijk gebied,
op 30 januari 2025 door de raadsman van de beklaagde
tegen alle
beschikkingen op strafrechtelijk gebied,
op 3 februari 2025 door het OPENBAAR MIN ISTERIE ten aanzien van de beklaagden
tegen alle beschikkingen op strafgebied.
2.3.
Er werd een verzoekschrift in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering ingediend
op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen:
op 30 januari 2025 door de raadsman van de beklaagde
op 30 januari 2025 door de raadsman van de beklaagde
op 3 februa ri 2025 door het OPENBAAR MINISTERIE ten aanzien van de beklaagden
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 9
3.
Rechtspleging voor het hof
De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 21 januari 2026.
Het hof heeft hierbij gehoord:
mevrouw de Voorzitter in haar verslag,
het Openbaar Ministerie in zijn uiteenzetting van de zaak en in zijn vordering,
de eiser tot herstel in zijn middelen, ontwikkeld door zijn raadsman, voornoemd,
de beklaagden in hun middelen van verdediging, ontwikkeld door hun raadsman,
voornoemd.
De neergelegde conclusies en stukken werden in het beraad betrokken.
Niettegenstaande een conclusiekalender werd bepaald ingevolge de gevraagde toepassing
van artikel 152 Wetboek van Strafvordering op de inleidingszitting, legden de beklaagden
hun conclusie neer buiten de hen toegekende termijn.
De conclusie van de beklaagden werd wel meegedeeld aan de overige betrokken partijen.
Het hof stelt vast dat deze laattijdige neerlegging geen dilatoire doeleinden nastreefde of de
rechten van andere partijen of het verloop van de rechtspleging schond, en alle betrokken
partijen ter terechtzitting van het hof instemden met het behoud van de laattijdig
neergelegde conclusie in de debatten.
Het hof weert de conclusie van de beklaagden dan ook niet uit de debatten.
4.
Beoordeling van de ontvankelijkheid en de omvang van de hogere beroepen
4.1. Ontvankelijkheid van de hogere beroepen
1. De verklaringen van hoger beroep, zowel van de beklaagden als van het Openbaar
M inisterie, werden tijdig en regelmatig gedaan op de griffie van de rechtbank die het
bestreden vonnis heeft gewezen.
Hof van beroep Antwerpen•
-p.10
2. Het verzoekschrift van beklaagde
zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van
Strafvordering werd tijdig ingediend ter griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis
heeft gewezen en de daarin bepaalde grieven met betrekking tot de schuld aan de feiten van
tenlasteleggingen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 (gebrek aan moreel bestanddeel ), de straf
{inclusief de verbeurdverklaring van de illegale vermogensvoordelen) en de herstelvordering
zijn nauwkeurig.
3. Het verzoekschrift van beklaagde
zoa ls bedoeld in artikel 204 Wetboek van
Strafvordering werd tijdig ingediend ter griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis
heeft gewezen en de daarin bepaalde grieven met betrekking tot de schuld aan de feiten van
tenlasteleggingen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 (gebrek aan moreel bestanddeel ), de straf
(inclusief de verbeurdverklaring van de illegale vermogensvoordelen) en de herstelvordering
zijn nauwkeurig
4. Het verzoekschrift van het Openbaar M inisterie zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van
Strafvordering met betrekking tot beide voormelde beklaagden werd tijdig ingediend ter
griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen en de daarin bepaalde
grieven met betrekking tot de straf, met inbegrip van de verbeurdverklaring, en de
herstelvordering zijn nauwkeurig.
5. Gelet op het bovenstaande zijn de hogere beroepen van de beklaagden en van het
Openbaar Ministerie regelmatig naar vorm en termijn en ontvankelijk.
4.2. Omvang van de hogere beroepen
Het hof heeft ambtshalve geen grieven van openbare orde opgeworpen zoals bedoeld in
artikel 210, tweede lid Wetboek van Strafvordering.
Gelet op de overwegingen onder rubriek 4.1. van dit arrest strekt de rechtsmacht van het
hof zich daarom uit tot de beoordeling van de beschikkingen op strafrechtelijk gebied van
het bestreden vonnis die betrekking hebben op de schuld aan alle ten lasteleggingen in
hoofde van de beide beklaagden (gebrek aan moreel element) en desgevallend de straf,
hierin begrepen de verbeurdverklaring van de illegale vermogensvoordelen alsook deze die
betrekking hebben op de herstelvordering.
Hof van beroep Antwerpen•
-p. 11
5.
Beoordeling ten gronde
5.1. Op strafrechtelijk gebied - met betrekking tot de schuld
1. Onder tenlasteleggingen 1 tot en met 10 worden beklaagder
ervan verdacht inbreuken te hebben gepleegd op de Vlaamse Codex Wonen van 2021
door een wooneenheid en meerdere kamers verhuurd te hebben dewelke niet voldeden aan
de minimale kwaliteitsvereisten in het onroerend goed gelegen te
2. Dit onroerend goed werd te dien einde zonder stedenbouwkundige vergunning opgedeeld
in een wooneenheid en zes kamers.
3. Er werd in hoofdzaak verhuurd aan Oekraïense vluchtelingen.
4. Beklaagden
en beklaagde
de ten lasteleggingen.
zijn beiden voor de helft eigenaar van het pand
was ook de verhuurder van de wooneenheid en kamers vervat in
5. Beklaagden betwisten net al in eerste aanleg de materialiteit van de vaststellingen niet,
maar wel het moreel element.
6. Na nieuw onderzoek ter terechtzitting door het hof, en door de stukken van het dossier, is
de schuld van de beklaagden aan de hen ten laste gelegde feiten bewezen gebleven.
Hiervoor wordt verwezen naar de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter op de
bladzijden 4 tot en met 7 van het bestreden vonnis, welke door de beklaagden in hoger
beroep niet weerlegd wordt en door het hof wordt beaamd en overgenomen, en aangevuld
als volgt gelet op de neergelegde conclusie.
7. Met betrekking tot beklaagde
Ook het hof acht het volstrekt ongeloofwaardig dat beklaagde niet op de hoogte zou
geweest zijn van de (wederrechtelijke) opdeling van het pand en dat dit door haar huurster
zou gebeurd zijn, dewelke op haar beurt verder verhuurde aan landgenoten om
humanitaire redenen.
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 12
Het hof verwijst hiervoor net als de eerste rechter naar de huurovereenkomst zelf tussen
beklaagde
waaruit blijkt dat deze niet alleen betrekking
had op het gezin van
maar ook op andere huurders, naar de verklaring van
, waaraan het hof wel geloof hecht, naar de verklaring van een huurder die
de huur hetzij aan
de verklaring van een andere huurder die op de hoogte was dat
betaa lde, hetzij rechtstreeks aan de beklaagde zelf, en
de
huurgelden voor rekening van de beklaagde inde.
verklaarde dat de beklaagde regelmatig In het pand kwam, de beklaagde
over de huurovereenkomsten besliste, en de beklaagde de huurprijs bepaalde en deze zelfs
verhoogde toen de bewoners recht hadden op een uitkering. Zelf stond ze enkel in voor het
overhandigen van de huurgelden, zonder enig voordeel.
De beklaagde is evenmin geloofwaardig waar ze stelt dat ze in haar gesloten leefwereld niet
zou geweten hebben dat ze door haar handelingen de strafwet overtrad.
De eerste vaststellingen in dit dossier gebeurden op 14 juli 2022 door de wooninspectie,
samen met de lokale recherche en dit nadat de woontoezichthouder van
reeds was langs geweest in juni en deze gezien de ernst een controle hadden gevraagd.
Zowel aan het gebouw zelf als bij de woonentiteiten werden gebreken vastgesteld dewelke
duidelijk structureel van aard waren {getuige hiervan de duidelijke fotovaststellingen).
Tevens was er onder meer gevaar voor elektrocutie en een gevaar voor gaslekken (onder
meer verduurde gasleidingen
in de keuken) alsook gevaar voor CO-intoxicatie. De
stadsingenieur werd onmiddellijk ter plaatse geroepen wegens de vastgestelde gevaarlijke
toestand. Deze riep beklaagde
ter plaatse, dewelke in kennis werd gesteld van
de gebreken en werd aangemaand de meest acute zaken onverwijld te laten herstellen door
een loodgieter.
Bij de opvolgingscontrole van 11 januari 2023 (ingevolge het beroep van de beklaagde tegen
de onbewoonbaarverklaring van de woning) werd vastgesteld dat andere Oekraïense
vluchtelingen twee kamerwoningen betrokken. Bij de opvolgingscontroles van 12 juli 2023
en 29 november 2023 bleek opnieuw verdere bewoning van de kamerwoningen, daar waar
deze nog niet conform waren.
Als eigenaar en huurder mag verwacht worden dat beklaagde
actief toeziet op de
normconformiteit van de door haar verhuurde woongelegenheden/kamers en zich
desgevallend hierover bevraagt.
Hof van beroep Antwerpen -
-p. 13
Wat het moreel element betreft, volstaat hoe dan ook onachtzaamheid voor de onder de
tenlasteleggingen geviseerde inbreuken.
Gelet op het bovenvermelde, Is het in dit geval evenwel duidelijk voor het hof dat de inbreuk
wetens en willens, dit is opzettelijk, werd gepleegd zoals hiervoor reeds uiteengezet.
Beklaagde
had immers ontegensprekelijk, in haar hoedanigheid van zowel
eigenaar als verhuurder, reeds bij de aanvang van de huur met
kennis van
de gebreken aan de wooneenheden en de woning zelf gelet op de ernstige en structurele
aard ervan doch ze verkoos bewust het opstrijken van huurinkomsten boven het Investeren
in de wettelijke vereiste minimale kwaliteitsvereisten in functie van bewoning.
Dat er na de vaststellingen enkele gebreken werden weggewerkt doet hieraan geen enkele
afbreuk.
8. Met betrekking tot
Deze beklaagde is mede-eigenaar van het kwestieus pand en heeft er luidens de verklaring
van
ongeveer tien jaar voordien zelf gewoond. De helft van de huurge lden
werden door beklaagde
aan hem overgemaakt. Van hem mag derhalve
eveneens verwacht worden dat hij actief nagaat of de wooneenheden dewelke verhuurd
werden nog in goede staat waren en voldeden aan de minimale vereisten voor bewoning. Zo
hij hiervan geen ke nnis zou gehad hebben als eigenaar dewelke de helft van de huurgelden
ontving, is dit louter en alleen te wijten aan zijn eigen nalatigheid.
Dat deze beklaagde in het buitenland verblijft, doet hieraan geen afbreuk.
9. Geen enkel ander argument in de beroepsconclusie is van aard om het hof anders te doen
oordelen.
5.2. Op strafrechtelijk gebied - met betrekking tot de strafmaat
1. De bewezen verklaarde feiten onder tenlasteleggingen 1, 2, 3, 4, 5, 61 7, 8, 9 en 10 waren
voor de beklaagden de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van een zelfde misdadig
opzet, zodat slechts één straf dient te worden uitgesproken.
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 14
2. De bewezen feiten in hoofde van de beklaagden zijn ernstig en geven blijk van een gebrek
aan respect voor andermans welzijn, veiligheid en gezondheid en een zucht naar gemakkelijk
geldgewin ten koste van anderen. Het hof acht het in het bijzonder laakbaar dat financieel
voordeel werd gehaald uit het gegeven dat de Oekraïense (oorlogs)vluchtelingen weinig
alternatieven op de woonmarkt hadden en de be klaagden geruime tijd verder bleven
verhuren dan wel huurinkomsten bleven opstreken.
3. De straf heeft als doel om uiting te geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien
van de overtreding van de strafwet, het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk
evenwicht en van het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade, het bevorderen
van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader en het beschermen van
de maatschappij (artikel 7, § 2, Strafwetboek).
4. Naast de aard, ernst en omstandigheden van de bewezen feiten en de wettelijke
doelstellingen van de straf, houdt het hof bij de straftoemeting verder ook rekening met:
het strafrechtelijk verleden van beklaagde
, wiens strafregister melding
maakt van twee veroordelingen inzake parentale ontvoering, van onder meer een
hoofdgevangenisstraf van 18 maanden en een bijkomende straf van 6 jaar alsook de
afwezigheid van strafrechtelijke voorgaanden in hoofde va n beklaagd€
beklaagde
komt op basis van zijn strafverleden niet meer in aanmerking
voor een gewoon uitstel van tenuitvoerlegging;
het concrete aandeel van elke beklaagde bij de totstandkoming van de bewezen
feiten, hetwelk groter is bij beklaagde
dan beklaagde
de persoonlijkheid en de persoonlijke en sociale toestand van de beklaagden, voor
zover deze uit het strafdossier, de neergelegde stukken en de behandeling van de
zaak ter terechtzitting is gebleken.
Rekening houdend met al het voormelde, is het hof van oordeel dat in hoofde van
. een effectieve geldboete van 14.000,00 euro, dit is 1.750,00 euro verhoogd met 70
opdeciemen, of een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen en in hoofde van
een effectieve geldboete van 4.000,00 euro, dit is 500,00 euro verhoogd met 70
opdeciemen, of een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen voorkomt als een wettige,
rechtvaa rdige en proportionele bestraffing.
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 15
Deze straffen zijn nodig om aan de beklaagden het ontoelaatbare van hun handelen te doen
inzien en moeten hen ertoe aan te zetten zich in de toekomst van zulke gedragingen te
onthouden. De duur van de vervangende gevangenisstraf is telkenmale aangepast aan de
omvang van de opgelegde geldboete.
Gelet op het beoogd geldgewin in hoofde van de beklaagden, is het passend de beklaagden
te raken in hun vermogen door het opleggen van de bovenvermelde geldboete.
Het hof gaat niet in op het ondergeschikt verzoek van beklaagde
om haar de
gunst van de opschorting te verlenen, noch op het ondergeschikt verzoek van de beklaagden
hen een mildere geldboete op te leggen (al dan niet met volledig uitstel) hetgeen hen
immers onvoldoende zou wijzen op hun maatschappelijke beperkingen en verplichtingen, en
een onvoldoende en ongepaste reactie naar hun persoon zou uitmaken, gelet op de aard, de
ernst en de omstandigheden van de bewezen feiten, inzonderheid het beoogde financiële
geldgewin.
Beklaagde
bestraffing haar reclassering of haar sociale re-integratie in buitenproportionele mate in het
maakt ook onvoldoende aannemelijk dat een niet-opgeschorte
gedrang zou brengen.
5. Het Openbaar Ministerie nam
in het strafdossier een schriftelijke vordering tot
verbeurdverklaring op grond van de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek van het
wederrechtelijk verkregen vermogensvoordeel, begroot op 18.000,00 euro zijnde 12
maanden de huurprijs van 1.500,00 euro ingevolge het huurcontract afgesloten met
De eerste rechter verklaarde het bed rag van 18.000,00 euro verbeurd, waarvan 9.000,00
euro in hoofde van beklaagde
, en 9.000,00 euro in hoofde van beklaagde
, nu de helft van de huur door beklaagde
werd doorgestort naar
beklaagde
Ter zitting in hoger beroep verzocht het Openbaar Ministerie met betrekking tot de illegale
vermogensvoordelen een bevestiging van het bestreden vonnis.
De beklaagden verzochten geen verbeurdverklaring uit te spreken, dan wel deze met uitstel
op te leggen of te milderen.
Hof van beroep Antwerpen -
- p, 16
Overeenkomstig artikel 42, 3° Strafwetboek kunnen de vermogensvoordelen die
rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen verbeurd verklaard worden. Indien de zaken niet
kunnen worden gevonden in het vermogen van de beklaagde dient de rechter de
geldwaarde ervan te ramen en kan een equivalent bedrag worden verbeurd verklaard
(artikel 43bis Strafwetboek).
Samen met de eerste rechter
is het hof van oordeel dat het maatschappelijk
onaanvaardbaar is dat de beklaagden in het bezit zouden blijven van de illegale opbrengsten
van het door hen gepleegd misdrijf. Door deze wijze van handelen bekwamen de beklaagden
immers een onrechtmatig voordeel.
Het hof is van oordeel, net als de eerste rechter, dat geen aftrek dient te gebeuren van de
kosten die gemaakt werden gemaakt voor de verbeteringswerken aan het pand. Deze
werken dienden immers al uitgevoerd te zijn vooraleer het pand te verhuren.
Aangezien de vermogensvoordelen niet konden worden gevonden in het vermogen van de
beklaagden dient het hof deze voordelen bij equivalent te ramen.
Nu op basis van het strafdossier niet blijkt dat er huurachterstal was, en er in realiteit
vermoedelijk nog meer huurgelden (cash) werden geïnd, maken de genoten huurgelden in
de incrim inatieperiode, zoals berekend in de schriftelijke vordering van het Openbaar
M inisterie, een wederrechtelijk vermogensvoordeel uit, waarvan het hof de
verbeurdverklaring bevestigt.
Het opleggen van deze verbeurdverklaring maakt geen onredelijk zware straf uit. Er is geen
reden om tot mildering over te gaan gelet op de aard en ernst van de litigieuze feiten en de
persoon van de beklaagden, die uit waren op snel geldgewin. Gelet op het bepaalde in
artikel 8 van de Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie,
is uitstel van tenuitvoerlegging van de straf van verbeurdverklaring niet mogelijk. Daar
misdrijven niet mogen
lonen, zou het maatschappelijk onverantwoord zijn dat de
beklaagden voordeel zouden halen uit de litigieuze feiten. Uit geen enkel element blijkt dat
de verbeurdverklaring van voormeld bedrag disproportioneel zou zijn.
Louter volledigheidsha lve onderstreept het hof hierbij nog dat de beklaagden hoe dan ook in
gebreke blijven aannemelijk te maken dat de voormelde verbeurdverklaring dermate
afbreuk zou doen aan hun
financiële
toestand dat dit een schending van hun
eigendomsrecht zou inhouden.
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 17
Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd.
6. De beklaagden werden elk door de eerste rechter terecht veroordeeld tot betaling van
een bijdrage tot de financiering van het slachtofferfonds. Deze bijdrage moet, ongeacht de
datum waarop het bestrafte misdrijf werd gepleegd, worden verhoogd met de opdeciemen
die van kracht zijn op de dag van de veroordeling (vergelijk Cass. 23 juni 2015,
Bij artikel 2 van de wet van 19 december 2025, in werking getreden op 1 februari 2026,
werden de opdeciemen verhoogd van 70 naar 90. Daarom dient deze bijdrage thans op
250,00 euro te worden gebracht in hoofde van elke beklaagde.
Tenslotte werden de beklaagden door de eerste rechter terecht veroordeeld tot betaling van
een bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand en de vaste
vergoeding voor de beheerskosten in strafzaken. Deze laatste bijdrage en vergoeding dienen
nog geïndexeerd te worden zoals hierna bepaald.
5.3. Met betrekking tot de herstelvordering
De wooninspecteur vordert zowel in eerste aanleg als in hoger beroep het herstel, ertoe
strekkende om aan de overtreder het bevel te geven tot:
herbestemming van het pand volgens de bepalingen van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, hetzij het pand te slopen, tenzij de sloop verboden zou zijn op
grond van wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen;
uitvoeren van alle werken om de conformiteit in de zin van artikel 1.3 §1, 8° Codex
Wonen te herstellen en de eventuele overbewoning te beëindigen wat dit pand
betreft;
en dit binnen een termijn van 10 maanden vanaf heden en onder verbeurte van een
dwangsom van 150,00 euro per dag vertraging volgend op het verstrijken van deze
hersteltermijn.
Tevens vordert de wooninspecteur:
om te zeggen voor recht dat er geen aanleiding bestaat tot het opleggen van een
dwangsomtermijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid Gerechtelijk Wetboek;
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 18
machtiging van hemzelf evenals het college van burgemeester en schepenen van de
stad Antwerpen om, bij gebreke aan uitvoering door de beklaagden zelf, ambtshalve
in de uitvoering van het opgelegde herstel te mogen voorzien;
machtiging om de kosten van herhuisvesting, bedoeld in de artikelen 3.33 en 3.47
Vlaamse Codex Wonen van 2021 te verhalen op de veroordeelden;
om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
sloot zich aan bij deze herstelvordering.
De eerste rechter legde de gevraagde herstelmaatregel op, doch wees de uitvoerbaarheid bij
voorraad af.
De beklaagden verzetten zich
in conclusie tegen het opleggen van de gevraagde
herstelmaatregel gezien reeds werken werden uitgevoerd, het pand op heden onbewoond is
en herbestemd werd naar een gezinswoning. Zij contacteerden een architect om de woning
conform te maken. Zij houden voor dat de herstelvordering zonder voorwerp zou zijn (gezien
de herbestemming naar eengezinswoning), dan wel niet in staat gezien de lopende
regularisatie.
Uit de meest recente vaststellingen (hercontrole op 12 februari 2025 op verzoek van
beklaagde
na melding van herstel en dus na het bestreden vonnis) in tiet
strafdossier bleek evenwel dat de herstelvordering tot op heden nog niet werd uitgevoerd;
het pand werd
stedenbouwkundig niet geregulariseerd
en
de
verschillende
woongelegenheden voldeden niet aan de minimum woonkwaliteitsnormen. Er was ook geen
sprake van een herbestemming naar een ééngezinswoning zoals werd voorgehouden. In
feite werd er bij deze hercontrole wein ig verschil vastgesteld met de toestand vastgesteld in
2023, na eveneens een melding van herstel door
, behalve het feit dat er
geen bewoning meer was.
De door de beklaagden in hoger beroep bijgebrachte stukken (mailverkeer met het
Omgevingsloket) zijn niet van aard om deze duidelijke vaststellingen tegen te spreken. Ter
terechtzitting van het hof bevestigde de Wooninspecteur dat de herstelvordering tot op
heden niet volledig werd uitgevoerd.
Het gegeven dat men in de beroepsconclusie voorhoudt dat de wederrechtelijke opdeling al
was opgehouden in 2023, wordt volledig tegengesproken door de vaststellingen in 2023 en
de meest recente vaststellingen in 2025. Het één en ander werd ook uitgelegd aan
beklaagde
zodat zij hieromtrent zeker niet onwetend kan zijn.
1-lof yan beroep Antwerpen•
-p . 19
De vaststellingen dat een regularisatie lopende is (waaruit op zich al blijkt dat nog niet
voldaan is aan het herstel), dat beklaagde
inspanningen deed om te verhelpen
aan de vastgestelde gebreken, en dat de woning niet meer bewoond wordt op heden
betekenen niet dat er een volled ig herstel zou zijn.
De beklaagden kregen reeds afdoende tijd om zich in regel te stellen. De herstelvordering is
dus op heden nog actueel en in staat en het besteden vonnis wordt op dit punt bevestigd.
Gelet op de aard van de bevolen herstelmaatregel bepaalt het hof de uitvoeringstermijn net
als de eerste rechter op 10 maanden, maar dan vanaf het in kracht van gewijsde treden van
huidig arrest.
Tevens is het gepast om een dwangsom op te leggen, nu de veroordeelden tot op heden niet
het bewijs levert dat zij vrijwill ig zijn overgegaan tot toereikend herstel, terwijl de technische
vaststellingen in verband met de gebrekkige toestand van de woning toch al dateren van 14
juli 2022. Het bedrag van de dwangsom wordt bepaald op 150,00 euro per dag vertraging in
de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregel. Deze dwangsom zal verbeuren vanaf de
eerste dag na het verstrijken van de hoger vermelde hersteltermijn, in zoverre huidig arrest
vooraf werd betekend. Dit houdt concreet in dat er geen dwangsomtermijn wordt
toegestaan.
Bij toepassing van artikel 3.47 Vlaamse Codex Wonen van 2021 machtigt het hof niet alleen
de bevoegde wooninspecteur, maar ook het college van burgemeester en schepenen van
om ambtshalve in de uitvoering van het opgelegde herstel te voorzien bij
gebrek aan uitvoering door de veroordeelden en dit op hun kosten.
Bij toepassing van artikel 3.48 Vlaamse Codex Wonen van 2021 dienen de woon inspecteur
en het college van burgemeester en schepenen van
bijkomend te
worden gemachtigd om de kosten, vermeld in artikel 3.33 Vlaamse Codex Wonen van 2021
te verhalen op de veroordeelde overtreders.
Gelet op de actuele situatie ziet het hof tenslotte geen dwingende redenen om dit arrest
uitvoerbaar bij voorraad te verklaren in de zin van art. 428 Wetboek van Strafvordering.
Hof van beroep Antwerpen·
-p. 20
5.4. Met betrekking tot het aanhouden van de burgerlijke belangen
Het hof bevestigt de beslissing van de eerste rechter tot het ambtshalve aanhouden van de
burgerlijke belangen overeenkomstig het bepaalde
in artikel 4 V.T. Wetboek van
Strafvordering.
6.
Wettelijke bepalingen
Het hof houdt rekening met volgende wettelijke bepalingen, de artikelen:
11, 12, 14, 24, 31 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935
152, 162, 182, 185, 190, 190ter, 194, 195, 199, 200, 202, 203, 203bis, 204, 209bis,
210, 211 en 211bis van het Wetboek van Strafvordering
1, 2, 3, 7, 38, 40, 42, 43bis, 50, 65 en 66 van het Strafwetboek
1.1., 1.2., 1.3., 3.1., 3.33., 3.34., 3.43, 3.47., 3.48. en 3.49 van de decreten over het
Vlaamse woonbeleid van 17 juli 2020 "Vlaamse Codex Wonen van 2021"
1 van de wet van 5 maart 1952
2 en 6 van de wet van 19 december 2025 betreffende de verhoging van opdecimes
en de verzwaring van de geldboete voor inbreuk op het Sociaal Strafwetboek met
een verzwarende factor
59 en 60 van de programmawet van 25 december 2016
58 van het KB van 18 december 1986
28 en 29 van de wet van 1 augustus 1985
4 §3, 5 en 10 van de wet van 19 maart 2017
6 van het KB van 26 april 2017
91 van het KB van 28 december 1950
1 en 2 van het KB van 28 augustus 2020
4 van de wet van 17 april 1878 (Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering)
-
-
-
-
-
-
-
-
-
7.
Beslissing
Het hof,
Rechtdoende op tegenspraak en met eenparigheid van stemmen;
Hof van beroep Antwerpen •
-p. 21
Beslist op grond van de hoger vermelde redenen, binnen de perken van de hogere beroepen
zoals hiervoor bepaald, als volgt:
Verklaart de hogere beroepen van de beklaagden en van het Openbaar Ministerie
ontvankel ijk;
Op strafrechtelijk gebied
Wat betreft beklaagde
Verklaart beklaagde
5, 6, 7, 8, 9 en 10;
schu ldig aan de feiten van de tenlasteleggingen 1, 2, 3, 4,
Veroordeelt beklaagde
voor al deze bewezen feiten samen tot een geldboete
van 14.000,00 euro, dit is 1.750,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen of, bij gebrek aan
betaling binnen de in artikel 40 Strafwetboek bepaalde termijn, tot een vervangende
gevangenisstraf va n negentig dagen;
Verklaart verbeurd overeenkomstig de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek de
vermogensvoordelen voor een bedrag van 9.000,00 euro bij eq uivalent;
Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre de beklaagde werd veroordeeld tot betaling van:
een bijdrage tot de financiering van het bij zonder fonds tot hulp aan de slachtoffers
van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders, dewelke thans evenwe l
wordt bepaald op 250,00 euro, dit is 25,00 euro verhoogd met 90 opdeciemen;
een bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijst and, dewelke
thans na indexering 26,00 euro bedraagt;
de vaste vergoeding voor beheerskosten in st rafza ken, dewelke thans na indexering
evenwel 62,37 euro bedraagt;
Wat betreft beklaagde
Verklaart beklaagde
S, 61 7, 81 9 en 10;
schuldig aan de feiten van de ten lasteleggingen 1, 2, 3, 4,
Hof van beroep Antwerpen -
- p. 22
Veroordeelt beklaagde
voor al deze bewezen feiten samen tot een geldboete
van 4.000,00 euro, dit is 500,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen of, bij gebrek aan
betaling binnen de in artikel 40 Strafwetboek bepaalde termijn, tot een vervangende
gevangenisstraf van negentig dagen;
Verklaart verbeurd overeenkomstig de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek de
vermogensvoordelen voor een bedrag van 9.000,00 euro bij equ ivalent;
Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre de beklaagde werd veroordeeld tot betaling van:
een bijdrage tot de financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers
van opzettel ijke gewelddaden en aan occasionele redders, dewelke thans evenwel
wordt bepaald op 250,00 euro, dit is 25,00 euro verhoogd met 90 opdeciemen;
een bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand, dewelke
thans na indexering 26,00 euro bedraagt;
de vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken, dewelke thans na indexering
evenwel 62,37 euro bedraagt;
Met betrekking tot de herstelvordering
Beveelt de beklaagden:
om een andere bestemm ing te geven aan het onroe rend goed gelegen te
, kadastraal gekend al~
volgens de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, hetzij de
woning te slopen, tenzij de sloop verboden is op grond van de wettelijke, decretale of
reglementa ire bepalingen;
-
tot het uitvoeren van alle werken om de conformiteit in de zin van artikel 1.3 § 1, 8°
Vlaamse Codex Wonen van 2021, te herstellen en de eventuele overbewon ing te
beëindigen wat dit pand betreft, indien het goed bestemd wordt voor bewon ing;
Beveelt dat deze herstelmaatregel integraal dient te worden uitgevoerd binnen een termijn
van 10 maanden vanaf het in kracht van gewijsde t reden va n dit arrest;
Veroordeelt de beklaagden, voor het geval dat niet tijdig aa n de veroordeling tot herstel
wordt voldaan, tot betaling aan de wooninspecteur van een dwangsom van 150,00 euro per
dag vertraging vanaf de eerste dag volgend op het verstrijken van de hoger vermelde
hersteltermijn en in zoverre dit arrest vooraf werd betekend;
Hof van beroep Antwerpen•
-p. 23
Beveelt dat, voor het geval dat de opgelegde herstelmaatregel niet binnen deze termijn door
de beklaagde zou worden uitgevoerd, de wooninspecteur en het college van burgemeester
en schepenen van de stad Antwerpen ambtshalve in de uitvoering ervan kunnen voorzien op
kosten van de beklaagden;
Machtigt de wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen van de stad
Antwerpen om de eventuele kosten, vermeld in artikel 3.33 Vlaamse Codex Wonen van 2021
te verhalen op de beklaagden;
Zegt dat huidig arrest niet uitvoerbaar is bij voorraad;
Op burgerrechtelijk gebied
Bevestigt de beslissing van de eerste rechter om bij toepassing van artikel 4 Voorafgaande
Titel Wetboek van Strafvordering ambtshalve de burgerlijke belangen aan te houden;
De kosten
Veroordeelt de beklaagden hoofdelijk tot de kosten van de strafvordering en de
herstelvordering in eerste aanleg en in hoger beroep, deze voorgeschoten door de openbare
partij en in totaal begroot op 513,05 euro.
Hof van beroep Antwerpen
-p. 24
Dit arrest is gewezen te Antwerpen door het hof van beroep, C4 kamer, samengesteld uit:
Kamervoorzitter
Raadsheer
Raadsheer
die aan de beraadslaging hebben deelgenomen
en in openba re terechtzitting van 18 februari 2026
uitgesproken
, Kamervoorzitter
in aanwezigheid var
·, Eerste Advocaat-generaal
_..._ .. L,..: :,. .. _.,...,J .. , .... _