ADB:rechtbank-eerste-aanleg-gent-17-02-2026-2
Beslissingsdetails
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent
📅 2026-02-17
🌐 NL
Vonnis
Rechtsgebied
Natuur en Bos
Ruimtelijke Ordening
Geciteerde wetgeving
Koninklijk Besluit van 28 december 1950; Wet van 17 april 1878; Wet van 29 juni 1964; wet van 19 maart 2017; wet van 15 juni 1935
Samenvatting
p. 1 Vonnisnummer / Griffienummer / Repertoriumnummer / Europees Datum van uitspraak 17 februari 2026 Naam van de beklaagden Systeemnummer parket 22CO260 Rolnummer Notitienummer parket DE66.L7.4241/2021 rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Kamer G30DI Vonnis Aangeboden op Ni...
Volledige tekst
p. 1
Vonnisnummer / Griffienummer
/
Repertoriumnummer / Europees
Datum van uitspraak
17 februari 2026
Naam van de beklaagden
Systeemnummer parket
22CO260
Rolnummer
Notitienummer parket
DE66.L7.4241/2021
rechtbank van eerste aanleg
Oost-Vlaanderen, afdeling
Gent
Kamer G30DI
Vonnis
Aangeboden op
Niet te registreren
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 2
In de zaak van het openbaar ministerie tegen:
BEKLAAGDEN:
1.
, RRN
KBO
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
eerste beklaagde, bijgestaan door meester
, advocaat te
2.
, RRN
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
tweede beklaagde, bijgestaan door meester
, advocaat te
TENLASTELEGGING
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek;
zonder
voorafgaande
optrekken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van
onderhoudswerken, hetzij
vergunning,
verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of
omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende
vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de
termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende
vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
(art. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning)
stedenbouwkundige
op het perceel gelegen te
, kadastraal gekend als
geboren
eigendom van de huwgemeenschap
, en
, geboren
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 3
beiden wonende te
van het huwelijkscontract bij akte van 17/11/2020 verleden voor Notaris
, door wijziging
te
een garage van circa 30m² en een aangebouwde berging van circa 8m² te hebben opgericht in
bosgebied
tussen 1 januari 2019 en 1 januari 2020
te
door
PROCEDURE
De dagvaarding werd op 24 december 2025 overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid
Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het
te
voorwerp is van de tenlasteleggingen en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven
door de wetgeving inzake hypotheken.
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige
partijen.
Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting.
BEOORDELING OP STRAFGEBIED
1. Overzicht van de feiten
1. Op 8 december 2021 werd vastgesteld dat er op het terrein gelegen te
,
een garage en een boomhut werd opgetrokken zonder de nodige ver-
gunning. Het perceel is gelegen in bosgebied.
De boomhut was op basis van artikel 97, §2 Bosdecreet niet toegestaan. De garage was ver-
gunbaar indien er aan een hele reeks voorwaarden van het toepasselijk RUP werd voldaan.
Tweede beklaagde,
verklaarde op 22 december 2021 dat ze de garage zelf in
2019 hadden gebouwd. Ze dacht dat de garage aan alle voorwaarden voldeed en ze hadden
de garage gemeld. Ze waren in de veronderstelling dat dit voldoende was. Wat de boomhut
betreft waren ze zich er niet van bewust dat dit niet was toegestaan.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 4
Op 4 juli 2022 verklaarde tweede beklaagde dat ze bezig waren met regularisatie. Ze gingen
twee afzonderlijke vergunningen aanvragen.
De vergunningsaanvraag werd ontvangen op 24 augustus 2022. Op 23 januari 2023 besliste
het college om de vergunning te weigeren. De aanvraag was in strijd met de stedenbouwkun-
dige voorschriften van het RUP ‘zonevreemde woningen’.
2. Op 13 april 2023 werd vastgesteld dat de situatie nog ongewijzigd was ter plaatse. Beklaag-
den werden per brief aangemaand om de constructies te verwijderen voor augustus 2023.
Op 20 augustus 2023 bleek bij een controle ter plaatse dat de boomhut werd verwijderd. De
garage was er nog, alsook een kippenhok, verspreid materiaal, materieel en afval en een hou-
ten ton met wielen.
Voor de garage werd een nieuwe vergunningsaanvraag ingediend. Op 16 januari 2024 wei-
gerde het college de vergunning omdat het Agentschap Natuur en Bos negatief adviseerde.
3. De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur vorderde het herstel, met name de afbraak
van de garage. De Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering adviseerde positief.
4. Op 25 september 2025 werd door de politie vastgesteld dat zowel de garage als de boomhut
werden verwijderd en dat alles in zijn originele staat werd hersteld.
2. Bespreking van de schuldvraag
1. Beklaagde moet zich voor de rechtbank verantwoorden wegens het optrekken van een ga-
rage en een aangebouwde berging (boomhut) zonder vergunning in bosgebied tussen 1 janu-
ari 2019 en 1 januari 2020.
Ter zitting werden de feiten niet betwist.
2. Gelet op de vaststellingen op 8 december 2021, de verklaring van tweede beklaagde dat zij
de garage en de boomhut zelf hadden gebouwd in 2019 zonder vergunning en de foto’s in het
strafdossier, staat het voor de rechtbank vast dat beklaagden zich schuldig maakten aan de
feiten van de enige tenlastelegging.
3. Straftoemeting
1. Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de aard en de objectieve ernst van
de bewezen verklaarde feiten, de begeleidende omstandigheden, de eventuele strafverzwa-
rende factoren, de doelen van de straf zoals bepaald in artikel 7, §2 Strafwetboek en de per-
soonlijkheid van beklaagden zoals die blijkt uit het strafrechtelijk verleden, gezinstoestand en
arbeidssituatie, voor zover de rechtbank die kent.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 5
De straf heeft niet alleen een vergeldende functie, ze moet ook preventief werken: ze moet
beklaagden ertoe aanzetten in de toekomst geen misdrijven meer te plegen.
2. Beklaagden plaatsten constructies in bosgebied in strijd met de stedenbouwkundige
voorschriften en zonder vergunning en veroorzaakten hierdoor schade in bosgebied. Zij
dachten enkel aan hun eigen belangen en het herstel liet heel lang op zich wachten waardoor
beklaagden lang konden genieten van hun wederrechtelijke constructies.
jaar oud en heeft reeds één veroordeling opgelopen voor een
3. Eerste beklaagde is
jaar oud en heeft nog een blanco strafregister. Gelet
verkeersinbreuk. Tweede beklaagde is
op hun nog gunstig strafverleden, de geschetste omstandigheden en het thans bereikte herstel
gaat de rechtbank in op de vraag van beklaagden om hen de gunst van de opschorting van de
uitspraak van de veroordeling te verlenen. Zij komen hier nog voor in aanmerking. Het
doorlopen van de strafprocedure en de gedwongen afbraak van hun constructies zullen hen
de ernst van de feiten al voldoende duidelijk hebben gemaakt.
Beklaagden moeten beseffen dat dit een uitzonderlijke gunst is en dat er hen alsnog een straf
kan worden opgelegd indien zij tijdens de proefperiode die bepaald wordt op drie jaar nieuwe
misdrijven plegen.
HERSTEL
Gelet op de vaststelling op 25 september 2025 dat zowel de garage als de boomhut werden
verwijderd, is de herstelvordering thans zonder voorwerp.
BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED
Omdat het door beklaagden gepleegde misdrijf mogelijk schade heeft veroorzaakt, houdt de
rechtbank de burgerlijke belangen ambtshalve aan, overeenkomstig artikel 4 van de Vooraf-
gaande Titel wetboek van Strafvordering (art. 4 V.T.Sv.).
TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven
en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35 en 41 van de wet van 15 juni 1935;
art. 4 Wet van 17 april 1878 - Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van
Strafvordering;
art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 194, 195 Wetboek van Strafvordering;
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 6
art. 1, 2, 3, 7, 66, 100 Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen aangehaald in de
tenlasteleggingen, zoals hiervoor omschreven;
art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de
juridische tweedelijnsbijstand;
art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen
reglement van de gerechtskosten in strafzaken;
art. 1 (§1, 1° en §2), 3, 5, 6, 13 van de Wet van 29 juni 1964;
DE RECHTBANK:
op tegenspraak ten aanzien van
OP STRAFGEBIED
Ten aanzien van
, eerste beklaagde
Verklaart de tenlastelegging lastens
bewezen.
Gelast ten voordele van
met een proeftijd van 3 jaar.
de OPSCHORTING van de uitspraak van de veroordeling
Veroordeelt
tot betaling van:
− een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor
juridische
tweedelijnsbijstand
− een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
62,37 EUR
−
solidair met medeveroordeelde
heden begroot op 349,30 EUR.
tot de kosten van de strafvordering, op
Ten aanzien van
, tweede beklaagde
Verklaart de tenlastelegging lastens
bewezen.
Gelast ten voordele van
met een proeftijd van 3 jaar.
de OPSCHORTING van de uitspraak van de veroordeling
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 7
Veroordeelt
tot betaling van:
− een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor
juridische
tweedelijnsbijstand
− een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
62,37 EUR
−
solidair met medeveroordeelde
heden begroot op 349,30 EUR.
tot de kosten van de strafvordering, op
De overige kosten tot op heden begroot op 35,80 EUR, worden ten laste van de Belgische Staat
gelegd.
HERSTEL
De rechtbank stelt vast dat de herstelvordering zonder voorwerp is.
OP BURGERLIJK GEBIED
De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan.
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 17 februari 2026 door de
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G30DI:
-
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting, met bijstand van griffier
, rechter
.