Naar hoofdinhoud

ADB:rechtbank-eerste-aanleg-hasselt-24-02-2026

Beslissingsdetails

🏛️ Rechtbank eerste aanleg Hasselt 📅 2026-02-24 🌐 NL Vonnis

Rechtsgebied

Ruimtelijke Ordening

Geciteerde wetgeving

wet van 15 juni 1935

Samenvatting

Vonnisnummer / Griffienummer / Repertoriumnummer / Europees Datum van uitspraak 24 februari 2026 Naam van de beklaagde(n) Systeemnummer parket 21CO29557 Rolnummer Notitienummer parket HA66.L4.6586/2021 rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel Kamer 13D Vonnis Aan...

Volledige tekst

Vonnisnummer / Griffienummer / Repertoriumnummer / Europees Datum van uitspraak 24 februari 2026 Naam van de beklaagde(n) Systeemnummer parket 21CO29557 Rolnummer Notitienummer parket HA66.L4.6586/2021 rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel Kamer 13D Vonnis Aangeboden op Niet te registreren Rolnummer rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel p. 2 In de zaak van het openbaar ministerie BURGERLIJKE PARTIJ : , RRN geboren van Belgische nationaliteit ingeschreven te burgerlijke partij, vertegenwoordigd door meester advocaat te tegen: BEKLAAGDE : , RRN geboren van Belgische nationaliteit ingeschreven te beklaagde, bijgestaan door meester , advocaat te TENLASTELEGGING(EN) Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek; Op het perceel gelegen te van goed verkocht werd met behoud van recht van bewoning door bij akte van 30 mei 2005 van notaris te waarbij het en respectievelijk overleden op en met een oppervlakte van 12a 40ca, eigendom vergunning, stedenbouwkundige Als eigenaar te hebben toegestaan of aanvaard dat, buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van onderhoudswerken, hetzij zonder verkavelingsvergunning, voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning werd uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder werd uitgevoerd. (art. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 7°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning) Te namelijk door het oprichten van een stalling/schuur met gepolierde betonvloer, ommuring in , in de periode van 1 juli 2021 tot en met 13 oktober 2022 Rolnummer rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel p. 3 betonblokken en dakgebinte uit houten balken met metalen profielplaten Tevens gedagvaard om zich te horen veroordelen tot uitvoering van de herstelvordering van de burgemeester te Ham tot herstel in de oorspronkelijke staat door aanpassingswerken binnen 1 jaar, onder verbeurte van een dwangsom van 125 euro per dag in geval van niet- uitvoering en tot machtiging aan de burgemeester en stedenbouwkundig inspecteur tot het uitvoeren van de bevolen herstelmaatregelen in de plaats van de veroordeelde en op diens kosten (zie stuk 6 van het dossier). OVERSCHRIJVING DAGVAARDING TER KANTOOR VAN DE ALGEMENE ADMINISTRATIE VAN DE PATRIMONIUMDOCUMENTATIE De aandacht van de gerechtsdeurwaarder, met de betekening gelast, dient erop gevestigd te worden dat deze dagvaarding, overeenkomstig artikel 6.3.1§6 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, door zijn zorgen aan het Kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de ligging van het onroerend goed dient te worden aan- geboden teneinde overschrijving. Het bewijs van de overschrijving en de kantmelding dient samen met de dagvaarding door de gerechtsdeurwaarder gevoegd te worden aan het strafdossier 1. PROCEDURE gedagvaard om te verschijnen op 1 oktober 2024 (agendazitting) bij Beklaagde rechtstreekse dagvaarding betekend op 2 augustus 2024 aan de woon- of verblijfplaats (art. 38, § 1 Ger.W.) van beklaagde . De dagvaarding werd overeenkomstig artikel 6.3.1, §6 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening op 5 augustus 2024 overgeschreven op het Kantoor Rechtszekerheid met referentie , zodat de dagvaarding ontvankelijk is. De herstelvordering van de burgemeester werd, samen met een afschrift van het positieve advies van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering van 11 mei 2023, ingeleid bij brief aan het openbaar ministerie van 12 juni 2023, zodat de herstelvordering ontvankelijk is. Ter agendazitting van 1 oktober 2024 werd akte verleend aan van haar stelling als burgerlijke partij (namens wie een nota werd neergelegd ter zitting) en werden op verzoek van partijen conclusietermijnen bepaald werden en een pleitdatum werd vastgesteld op 4 maart 2025. en de burgerlijke Na de zitting van 1 oktober 2024 werden er namens beklaagde partij conclusies ter correctionele griffie van deze rechtbank en afdeling neergelegd. Namens het openbaar ministerie werden er anderzijds geen conclusies ter correctionele griffie van deze rechtbank en afdeling neergelegd. Ter terechtzitting van 4 maart 2025 werd de zaak door de rechtbank in voortzetting gesteld op de terechtzitting van 17 juni 2025 (reden: eventueel arrest afwachten of stand procedure raad Rolnummer rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel p. 4 nagaan – pleiten implicaties eventueel arrest – verdere instaatstelling, dan wel pleitdatum bepalen). Ter terechtzitting van 17 juni 2025 werd de zaak door de rechtbank in voortzetting gesteld op de terechtzitting van 2 december 2025 (reden: conclusietermijnen). Na de zitting van 17 juni 2025 werden er namens beklaagde conclusies ter correctionele griffie van deze rechtbank en afdeling neergelegd. Namens de burgerlijke partij en het openbaar ministerie werden er anderzijds geen conclusies ter correctionele griffie van deze rechtbank en afdeling neergelegd. Het openbaar ministerie legde dd. 17 september 2025 een bijkomend stuk neer ter correctionele griffie van deze rechtbank en afdeling neergelegd, namelijk een Besluit van het College van Burgemeester en Schepenen betreffende het vermoeden van vergunning). Ter terechtzitting van 2 december 2025 werd de zaak ambtshalve omwille van de noodwendigheden van de dienst in dezelfde toestand uitgesteld voor behandeling op de terechtzitting van 27 januari 2026. Na de zitting van 2 december 2025 werd er door het openbaar ministerie dd. 18 december 2025 een bijkomend stuk neer ter correctionele griffie van deze rechtbank en afdeling neergelegd, namelijk een Besluit van het College van Burgemeester en Schepenen betreffende de opname in het vergunningenregister van De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting op 27 januari 2026 De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal. Al de neergelegde conclusies en al de neergelegde stukken werden door de rechtbank in het beraad betrokken. Geen enkele procespartij formuleerde op dit punt enige kritiek of wierp desbetreffend enig bezwaar op. 2. BEOORDELING OP STRAFGEBIED 2.1. Beoordeling van de schuld wordt vervolgd voor het optrekken of plaatsen van een constructie Beklaagde zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, namelijk door het oprichten van een stalling/schuur met gepolierde betonvloer, ommuring in betonblokken en dakgebinte uit houten balken met metalen profielplaten, en dit te Ham in de periode van 1 juli 2021 tot en met 13 oktober 2022. De rechtbank is van oordeel dat de schuld van beklaagde aan de haar ten laste gelegde feiten onder de enige tenlastelegging bewezen is op basis van de resultaten van het vooronderzoek en het onderzoek tijdens de zitting. De rechtbank verwijst in het bijzonder naar: Rolnummer rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel p. 5 - het schrijven van (Hoofd Ruimte – Gemeentebestuur dd. 20 oktober 2021 aan de verbalisanten van de politiezone , waarbij een stedenbouwkundige overtreding (te weten het verbouwen en uitbreiden van een bestaande stal) te waarbij als bijlage een fotodossier betreffende de geviseerde bouwwerken werd gevoegd; , kadastraal gekend - de vaststellingen van de verbalisanten van de politiezone in navolgend PV nr. beschreven wordt en een foto wordt gevoegd van de vaststellingen ter plaatse; dd. 22 november 2021, waarbij de overtreding - het verhoor door de verbalisanten van de politiezone van beklaagde dd. 7 december 2021, waarbij zij toegeeft geen enkele vergunning te hebben aangevraagd om deze verbouwingswerken uit te voeren; ze geeft aan dat ze de asbestplaten op het dak heeft laten vervangen en eveneens de schuur te hebben verhoogd; deze verhoging gebeurde om het makkelijker te maken om hooi en stro droog te kunnen opslaan; - de vaststellingen van de verbalisanten van de politiezone in navolgend PV nr. vastgesteld; tevens werd bij regularisatieaanvraag werd ingediend; dd. 13 oktober 2022, waarbij de actuele toestand werd informatie bekomen dat er geen - het schrijven van aan het openbaar ministerie dd. 12 juni 2023, waarbij een herstelvordering werd ingediend, waarbij onder meer werd gevoegd: een positief advies van de Hoge Raad voor Handhavingsuitvoering dd. 11 mei 2023, een toelichtingsnota aangaande de uittreksel uit het plannenregister en een herstelvordering; - het schrijven van de FOD Financiën, Algemene administratie van de patrimonium- volle eigenaar is van het documentatie van 11 juli 2023, waaruit blijkt dat perceel waarop de haar ten laste gelegde feiten werden gepleegd; - het navolgend proces-verbaal nr. dd. 21 september 2023 uitgaande van de verbalisanten van de politiezone , waarbij de actuele toestand werd vastgelegd middels een fotodossier; tijdens de vaststellingen stelde dat de architect bezig zou zijn met een regularisatieprocedure; beklaagde bij navraag bij de gemeente Ham bleek er nog geen aanvraag ingediend te zijn; - de verklaring van beklaagde dd. 11 oktober 2023, waarin zij onder meer verklaarde dat: o zij, gezien er asbestplaten op het dak lagen, besloten had om de constructie te verbouwen gezien deze dienst moet doen voor de opslag van hooi en materialen; o de muren vernieuwd en iets verhoogd werden en er een volledig nieuw daktimmer en dakbeslag werd geplaatst; o zij haar architect op de hoogte heeft gebracht van de herstelvordering Rolnummer rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel p. 6 en deze de nodige handelingen zou stellen om een regularisatie te verkrijgen; o er voor het overige niets veranderd is aan de constructie; - het navolgend proces-verbaal nr. dd. 6 april 2024 uitgaande van de verbalisanten van de politiezone , waarbij een plaatsbezoek werd uitgevoerd en vastgesteld werd dat er geen wijzigingen gebeurd zijn aan de constructie in kwestie die gelegen is achter de woning; een fotodossier werd gevoegd aan deze vaststellingen. Het is voor de rechtbank op basis van de gegevens van het strafonderzoek dan ook duidelijk in de periode van 1 juli 2021 tot en met 13 oktober 2022, dat beklaagde een stalling/schuur werd opgericht met gepolierde betonvloer, ommuring in betonblokken en dakgebinte uit houten balken met metalen profielplaten zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen. te In het bijzonder verwijst de rechtbank naar de eigen verklaringen van beklaagde , die zelf aangegeven heeft geen vergunning te hebben aangevraagd voor de uitgevoerde werkzaamheden, waaronder een verhoging van de muren en het plaatsen van een nieuw dak. Dat de inbreuk impliciet werd erkend, blijkt uit de verklaringen van beklaagde dat zij haar architect heeft gecontacteerd en deze een procedure tot regularisatie diende op te starten. Vanzelfsprekend kan er slechts een regularisatie gebeuren wanneer er voorafgaand een onvergunde toestand bestond. De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bevat quasi uitsluitend reglementaire bepalingen, zodat onachtzaamheid volstaat als schuldvorm. Daarbij is algemeen geweten dat er aan het gebruik van grond beperkingen zijn, zeker wanneer dat gebruik erop neerkomt dat men beoogt nagenoeg zijn volledige perceel te verharden. Minstens zou een normaal zorgvuldig persoon eerst navraag doen omtrent een mogelijke vergunningsplicht. Beklaagde kan dus niet ernstig voorhouden dat ze ervan uitging dat ze dergelijke werken als verhogingen van de muren in beton en een vervanging van het zonder meer kon laten uitvoeren zonder voorafgaande vergunning, zelfs zonder voorafgaand hieromtrent bij de gemeente Ham de nodige inlichtingen dienaangaande te hebben ingewonnen. De door beklaagde ze de rechtbank overtuigen om andersluidend te oordelen. in conclusies aangehaalde motieven zijn niet van die aard dat Alle wettelijk vereiste constitutieve bestanddelen van het onder de enige tenlastelegging beoogde misdrijf, zijn derhalve bewezen lastens beklaagde Derhalve wordt beklaagde van de enige tenlastelegging. 2.2. Straftoemeting schuldig verklaard aan de haar ten laste gelegde feiten Beklaagde vroeg ondergeschikt om haar de opschorting van de uitspraak van de veroordeling toe te kennen. Rolnummer rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel p. 7 De opschorting is een buitengewone gunst met een uitzonderlijk karakter. Het toekennen van een opschorting heeft als bedoeling de reclassering van de veroordeelde te bevorderen of zijn declassering te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat de feiten te ernstig zijn om voor een opschorting in aanmerking te komen. Beklaagde toont ook niet aan dat een veroordeling, zoals hierna bepaald, haar reclassering buiten proportie in het gedrang zou brengen. De bewezen verklaarde feiten zijn ernstig, laakbaar en maatschappelijk onaanvaardbaar. De bewezen verklaarde feiten geven blijk van een gebrek aan respect voor de regelgeving die de samenleving ordent en onverschilligheid voor de gevolgen van hun handelen voor de goede ruimtelijke ordening. Bij het bepalen van de strafmaat dewelke aan beklaagde wordt opgelegd, houdt de rechtbank rekening met de laakbaarheid van de bewezen verklaarde feiten, de aard, de ernst en het maatschappelijk nadeel ervan, de omstandigheden waarin deze werden gepleegd, alsook de leeftijd, persoonlijkheid en persoonlijke situatie van beklaagde zoals deze blijken uit het strafrechtelijk verleden en de gegevens van het strafdossier. Beklaagde beschikt over een blanco strafrechtelijk verleden. Een geldboete zoals hieronder nader bepaald, is in hoofde van beklaagde gepast. Deze geldboete is naar omvang gepast gelet op de aard en de ernst van de feiten. Zij moet beklaagde het ontoelaatbare van haar handelen doen inzien en haar ervan weerhouden om nieuwe strafbare feiten te plegen. Overeenkomstig artikel 40 Sw. wordt aan beklaagde een vervangende gevangenisstraf opgelegd, aangepast aan de hoogte van de geldboete, ingeval zij in gebreke zou blijven de opgelegde geldboete te betalen. Beklaagde tenuitvoerlegging. verzocht meer ondergeschikt om een straf met uitstel van Het strafregister van beklaagde laat het opleggen van een straf met uitstel toe. Op basis hiervan en met het oog op de kans op verbetering en maatschappelijke integratie van beklaagde, verleent de rechtbank uitstel van tenuitvoerlegging voor het hierna bepaalde gedeelte van de opgelegde geldboete. Om de preventieve werking van het uitstel voldoende lang te laten duren, wordt het uitstel opgelegd voor een proefperiode van drie jaar voor de geldboete. Deze bestraffing beantwoordt het best aan de doeleinden van de straf zoals bepaald in artikel 7, §2 van het Strafwetboek nu hiermee op afdoende wijze uiting wordt gegeven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, het herstel van het maatschappelijk evenwicht en het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade wordt bevorderd alsook wordt hiermee het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader bevorderd Rolnumme rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel p. 8 Deze bestraffing is tot slot proportioneel met de bewezen verklaarde misdrijven en brengt geen ongewenste neveneffecten met zich mee ten aanzien van de rechtstreeks betrokken personen, hun omgeving en de samenleving. 3. BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED 3.1. De vordering van Ter terechtzitting van 27 januari 2026 vorderde de burgerlijke partij de schade die zij heeft geleden tenlastelegging. herstel van ingevolge de feiten omschreven onder de enige De burgerlijke partij vorderde in concreto dat: - beklaagde de illegale schuur moet afbreken; - dit binnen een termijn van 365 dagen na de uitspraak van het te wijzen vonnis onder verbeurte van een dwangsom van 125 euro per dag vertraging; - beklaagde moet veroordeeld worden tot de kosten van het geding inclusief de rechtsplegingsvergoeding van 1.800,00 euro. Gezien de enige tenlastelegging in hoofde van beklaagde bewezen verklaard werd, is de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van de erop geënte vordering van de burgerlijke partij De rechtbank stelt vast dat de burgerlijke partij geen schadevergoeding vraagt voor de schade die zij beweerdelijk zou geleden hebben in het verleden door de niet vergunde stal die door beklaagde opgericht werd. Daarentegen vordert de burgerlijke partij de afbraak ervan binnen de termijn van 365 dagen en onder verbeurte van een dwangsom van 125 euro per dag vertraging. De rechtbank stelt vast dat zij identiek hetzelfde vordert als de gemeente Ham in diens herstelvordering. Uit het feit dat zij de afbraak vordert, leidt de rechtbank af dat zij in wezen geen vergoeding van reeds geleden schade vordert (deze had zij immers op heden pecuniair kunnen begroten), doch evenwel een vordering naar de toekomst stelt. Immers vordert zij dat de rechtbank aan een verplichting naar de toekomst zou opleggen, zijnde een afbraak, beklaagde waarvoor een termijn van 1 jaar wordt voorzien. Bijgevolg strekt de vordering van de burgerlijke partij niet tot herstel van de schade die geleden werd door de in het verleden gepleegde inbreuk waarvoor de rechtbank gevat is, doch wel tot het voorkomen van eventuele toekomstige schade, met name bestaande uit toekomstige overlast door de aanwezigheid van de onvergunde schuur en de hieruit eventueel voortvloeiende toekomstige schade. De door een misdrijf veroorzaakte schade waarvan de vergoeding voor de strafrechter wordt gevorderd, moet actueel en vaststaand zijn. Als het aangevoerde nadeel toekomstig en Rolnummer rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel p. 9 onzeker is, kan de partij die een dergelijk nadeel aanvoert geen ontvankelijke rechtsvordering tot schadevergoeding instellen. De burgerlijke partij hoedanigheid. Haar vordering is derhalve onontvankelijk. voldoet dan ook niet aan de vereisten van belang en 3.2. De overige burgerlijke belangen De rechtbank houdt de overige burgerlijke belangen ambtshalve aan overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 V.T. Sv. 4. HERSTELVORDERING De herstelvordering van de burgemeester van openbaar ministerie van 12 juni 2023 en is ontvankelijk. werd ingeleid bij brief aan het stelde op 12 juni 2023 een herstelvordering in conform De burgemeester van artikel 6.3.1.§3 VCRO, ertoe strekkende om aan beklaagde het bevel te geven tot herstel van de plaatselijke ordening door aanpassingswerken, concreet bestaande uit de afbraak van de niet-vergunde constructie (volgend uit de samenlezing van de herstelvordering en het Besluit van het College van Burgemeester en Schepenen), dit binnen een termijn van één jaar, en onder verbeurte van een dwangsom van 125,00 euro per dag vertraging volgend op de termijn bepaald in het tussen te komen vonnis. De Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering verleende op 11 mei 2023 een positief advies. De herstelvordering strekt ertoe om de onrechtmatige toestand als gevolg van het bewezen verklaard misdrijf te doen verdwijnen en is noodzakelijk om de gevolgen van dit misdrijf ongedaan te maken. De herstelvordering behoort tot de strafvordering in ruime zin, maar is als bijzondere vorm van teruggave een maatregel van burgerlijke aard. Overeenkomstig de artikelen 44 Sw. en 161 en 189 Sv. moet de teruggave verplicht worden uitgesproken. Een veroordeelde mag niet in het voordeel van het bewezen verklaard misdrijf blijven. De rechtbank is dan ook verplicht om de herstelmaatregel te bevelen. Zij dient wel de interne en externe wettigheid van de maatregel te controleren en in het bijzonder na te gaan of de voordelen die de herstelmaatregel oplevert voor het onroerend erfgoed in verhouding staan tot de last die ze voor de overtreder veroorzaken. De herstelvordering werd gemotiveerd vanuit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening, en de rangorde van herstelmaatregelen bepaald in artikel 6.3.1., §1 V.C.R.O., in het bijzonder: - de constructie heeft een oppervlakte van 165 m², werd opgetrokken zonder vergunning en zonder medewerking architect; de stabiliteit is niet gegarandeerd; - de constructie is over gedimensioneerd voor een residentieel bijgebouw; de draagkracht van het perceel wordt overschreden; Rolnummer rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel p. 10 - de constructie is niet afgewerkt met duurzame en esthetische materialen; de constructie heeft niet het uitzicht van een regulier bijgebouw of vrijstaande garage en is niet inpasbaar in de omgeving; - de constructie is tegen de perceelsgrens geplaatst zonder toestemming van of kennisgeving aan de aanpalende eigenaar; de constructie verstoort het gebruiksgenot van het naburige erf. Uit het positieve advies van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering blijkt dat de geviseerde handelingen volgens de Hoge Raad een nieuwe constructie betreft die noch qua inplanting, noch qua volume, noch qua functie overeenstemt met de constructie ‘kiekenkot’ zoals ingetekend op het inplantingsplan horende bij de bouwvergunning van 20 december 1965. Deze valt onder de vergunningsplicht voor eigenlijke bouwwerken in de zin van artikel 64.2.1, 1° V.C.R.O. Verder wordt het argument dat de wijzigingen die werden doorgevoerd geen wijzigingen hebben aangebracht aan de afmetingen niet correct is gezien er wel degelijk een verschil is tussen de omvang van de voorheen bestaande constructie en de huidige constructie. De geviseerde handelingen kunnen om de voormelde redenen volgens de Hoge Raad niet worden aanvaard vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Het gevolg van het misdrijf is aldus kennelijk niet verenigbaar met een goede ruimtelijke ordening, zodat het betalen van een meerwaarde niet volstaat. Het volstaat kennelijk om de plaatselijke ordening te herstellen middels aanpassingswerken. De rechtbank is op grond van de voorliggende gegevens van het strafdossier en de aangevoerde motieven dan ook van oordeel dat de herstelvordering in casu wettig is, gerechtvaardigd is op grond van de bewezen verklaarde feiten en kennelijk niet onredelijk of buitenproportioneel is, daar zij noodzakelijk is om de onrechtmatige toestand ingevolge het bewezen verklaard misdrijf te doen verdwijnen en om de gevolgen ervan ongedaan te maken. De gevorderde herstelmaatregel vindt steun in de elementen van het dossier en de aangevoerde motieven van goede ruimtelijke ordening. Gelet op de omvang en de aard van de inbreuk brengt de herstelvordering voor de beklaagde geen onredelijke last mee die het voordeel zou overstijgen dat voor de ruimtelijke ordening zou ontstaan. Bijgevolg beveelt de rechtbank overeenkomstig artikel 6.3.1., §1 VCRO het herstel van de plaatselijke ordening door aanpassingswerken, concreet bestaande uit de afbraak van de niet- vergunde constructie (volgend uit de samenlezing van de herstelvordering en het Besluit van het College van Burgemeester en Schepenen). De termijn voor het uitvoeren van de herstelmaatregelen dient, gelet op de aard en de omvang ervan, te worden bepaald op één jaar te rekenen vanaf het in kracht van gewijsde treden van huidig vonnis. een dwangsom op te leggen, zoals nader Tevens is het gepast om aan beklaagde bepaald in het beschikkend gedeelte, nu zij tot op heden niet het bewijs leverde dat zij vrijwillig is overgegaan tot uitvoering van de herstelvordering. De dwangsom wordt opgelegd per dag vertraging na de opgelegde hersteltermijn, die ingaat vanaf de datum van betekening van Rolnummer rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel p. 11 onderhavig vonnis. De dwangsom zal verbeuren vanaf de eerste dag na de hersteltermijn. Dit houdt in dat er geen dwangsomtermijn in de zin van artikel 1385bis Ger. W. wordt toegestaan. Verder dienen bij toepassing van art. 6.3.4., §1 VCRO de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester te worden gemachtigd om ambtshalve in de uitvoering van het opgelegde herstel te voorzien in de plaats en op kosten van de veroordeelde als deze binnen de gestelde termijn niet is overgegaan tot uitvoering van de herstelmaatregelen en dit na advies te hebben ingewonnen van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering op grond van artikel 6.3.10., §1 VCRO. TOEGEPASTE WETTEN De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen: art. 1, 2, 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 37, 41 wet van 15 juni 1935; art. 1, 2, 3, 25, 38, 39, 40, 41, 44, 45, 50, 66, 84 strafwetboek art. 4 V.T.Sv alsook de wetsbepalingen aangehaald in de inleidende akte en in het vonnis De rechtbank: op tegenspraak ten aanzien van . Op strafgebied Ten aanzien van Verklaart de feiten van de enige tenlastelegging bewezen. Veroordeelt Sofie Boons voor de enige tenlastelegging tot: een geldboete van 4.000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 90 dagen. Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft de geldboete voor een termijn van 3 jaar. Veroordeelt tot betaling van:  een bijdrage van 1 maal 250,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 90 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders  een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische Rolnummer rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel p. 12 tweedelijnsbijstand  een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 62,37 EUR de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 35,37 EUR – Op burgerlijk gebied Verklaart de vordering van de burgerlijke partij niet ontvankelijk. De rechtbank houdt ambtshalve de overige burgerlijke belangen aan. HERSTELVORDERING Verklaart de herstelvordering ontvankelijk en gegrond. om inzake het perceel gelegen te , Beveelt beklaagde gekadastreerd als , met een oppervlakte van 12a 40ca, de plaatselijke ordening te herstellen door aanpassingswerken, concreet bestaande uit de afbraak van de niet-vergunde constructie (volgend uit de samenlezing van de herstelvordering en het Besluit van het College van Burgemeester en Schepenen). Beveelt dat deze herstelmaatregelen integraal dienen te worden uitgevoerd binnen een termijn van één jaar vanaf het in kracht van gewijsde treden van dit vonnis. Zegt voor recht dat, voor zover deze herstelmaatregelen binnen de bepaalde termijn niet integraal zouden zijn uitgevoerd, de burgemeester van de stad Ham evenals de stedenbouwkundige inspecteur ambtshalve in de verdere uitvoering ervan kunnen voorzien op kosten van beklaagde . Veroordeelt beklaagde voor het geval dat aan de opgelegde herstelmaatregelen niet vrijwillig zou worden voldaan, tot betaling van een dwangsom van 125,00 euro per dag vertraging na de opgelegde hersteltermijn, die ingaat vanaf datum van betekening van onderhavig vonnis. OVERSCHRIJVING Zegt voor recht dat van dit vonnis melding dient te worden gemaakt in de rand van de onder referentie overschrijving van de dagvaarding op het kantoor Rechtszekerheid . ****** Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 24 februari 2026 door de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel, kamer 13D: Rolnummer rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel p. 13 , rechter - in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de terechtzitting, met bijstand van griffier .

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot